Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de verdrukking. Want antroposofie is niet eenvoudig te grijpen en te begrijpen. Dat geeft snel een vertekend beeld. In deze weblog wil ik ruimte geven om antroposofie, zoals zij in de media verschijnt, op haar merites te beoordelen. Vanuit een positieve instelling. Maar niet kritiekloos.

donderdag 31 december 2009

Hoopvol

We kunnen het oude jaar hoopvol uitluiden. Kijkt u maar naar deze berichten. Ik begin met OlmenEs in Appelscha (Fr). Ik had het hier onder andere op 28 augustus in ‘Uitbreiding’ nog over. Deze sociaaltherapeutische instelling meldt:

‘Kerstmarkt OlmenEs in winterse sferen

De traditionele kerstmarkt van OlmenEs was dit jaar extra sfeervol door het winterse weer. Het terrein was bedekt met een sprookjesachtig wit kleed van glinsterende verse sneeuw. Op de markt stonden vuurkorven waaraan de bezoekers zich konden warmen. Tijdens de kerstmarkt werden producten verkocht die in de werkplaatsen van OlmenEs zijn gemaakt. Er waren producten te koop van de kaasmakerij, de bakkerij, de pottenbakkerij, de matten- en mandenvlechterij, de papierwerkplaats, de kaarsenmakerij, de metaalwerkplaats, de tuin, de kruidentuin en de weverij. Zoals ieder jaar gaat 10% van de opbrengst van de markt naar een goed doel. Dit jaar is dat Matoekoe. Matoekoe is een heilpedagogisch centrum voor kinderen en jongvolwassenen met een ontwikkelingsstoornis in Suriname.’

Op 7 juni was er in ‘Verschil’ sprake van problemen van OlmenEs met de inspectie. Dat is intussen flink veranderd, verbeterd kan ik beter zeggen:

‘Inspectietoezicht OlmenEs afgerond

Op 9 oktober 2009 heeft mevrouw G. van Dalfsen, inspecteur van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) OlmenEs een zogeheten follow-up bezoek gebracht.

OlmenEs stond sinds 2006 onder toezicht van de IGZ. De reden hiervoor was een negatief resultaat op het gebied van vrijheidsbeperking en de navolging van de wet Bopz. Na het bezoek van de inspectie in december 2008 kwam de inspectie met een positieve beoordeling.
Uit onze meldingen aan de inspectie blijkt dat OlmenEs nu een goede ‘meldcultuur’ heeft. Een aandachtspunt is dat begeleiders aan de hand van de evaluatie van incidenten nog beter kunnen leren signalen te herkennen. Op grond daarvan kunnen zij hun grondhouding en bejegening naar de bewoners aanpassen.

De inspecteur heeft haar tevredenheid geuit over het functioneren van de commissie vrijheidsbeperking en over de voortgang van onze inspanningen om vrijheidsbeperking verder terug te dringen.

Naar aanleiding van dit bezoek van 9 oktober is het toezicht door de IGZ met betrekking tot vrijheidsbeperking en de navolging van de wet Bopz afgesloten.’

Maar er is nog meer hoopvols te melden. Op de nieuwspagina van het Lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg van Hogeschool Leiden is te lezen:

‘Publicaties Praktijkonderzoek beschikbaar als download

Op het symposium van 18 december jl. is “Praktijkonderzoek 2009: Op weg naar een professionele individugeoriënteerde gezondheidszorg! Welke vaardigheden en innovaties moeten ontwikkeld worden?” gepresenteerd en uitgereikt aan de bezoekers. Deze publicatie is nu ook beschikbaar als gratis download en staat bij Publicaties. Mocht u interesse hebben in een papieren versie van het boek dan kunt u deze vanaf 4 januari 2010 kopen in HL Bookshop. De bookshop is gevestigd in Hogeschool Leiden, op de Zernikedreef 11 in Leiden.’

Onder de titel ‘Publciaties downloaden’ (inclusief schrijffout) is er op die pagina niet alleen het boek van 2009, maar ook dat van 2008 te downloaden. Wat een luxe!

‘De volgende publicaties zijn ook beschikbaar als gratis download. Indien u een exemplaar wilt kopen dan kan dat via HL Bookshop, deze is gevestigd in Hogeschool Leiden.

Praktijkonderzoek in de antroposofische gezondheidszorg 2008
Praktijkonderzoek in de antroposofische gezondheidszorg 2009

Ik concentreer me nu even op de meest recente publicatie (want die van 2008 kwam uitgebreid aan bod op 9 februari van dit jaar, in ‘Vruchten van onderzoek’), en lees op de achterkant:

‘Op weg naar een professionele individugeoriënteerde gezondheidszorg!
Welke competenties en innovaties moeten worden ontwikkeld?

In de wisselwerking tussen klantvraag (patiënten), zorgaanbieder en maatschappelijke partijen (zorgverzekeraars, wetenschap, KNMG, enzovoort) ontwikkelen zich de inhoud en vorm van de gezondheidszorg. Een van de actuele ontwikkelingen die naar verwachting in toenemende mate de inhoud en vorm van de gezondheidszorg fundamenteel beïnvloedt en nog verder zal gaan beïnvloeden, is de opkomst van de individugeoriënteerde zorg.

In deze publicatie staat de beantwoording van twee vragen die opkomen in reactie op de opkomst van de individugeoriënteerde zorg, centraal. Deze vragen zijn:

1. Welke professionele vaardigheden moeten hedendaagse en toekomstige gezondheidszorgwerkers en welke gezondheidszorginnovaties moeten zorgaanbieders en zorgverzekeraars ontwikkelen om professioneel, dat wil zeggen methodisch, effectief en met kwaliteit, (ook) individugeoriënteerd te kunnen behandelen en begeleiden?

2. Wat is de bijdrage van de antroposofische gezondheidszorg aan de ontwikkeling van een professionele individugeoriënteerde gezondheidszorg?

De auteurs die aan deze publicatie hebben bijgedragen, geven vanuit verschillende invalshoeken (aanzetten tot) antwoorden op een van de, of beide, gestelde vragen. In het eerste inleidende hoofdstuk worden verschillende ontwikkelingen waaraan de opkomst van de individugeoriënteerde zorg zichtbaar wordt, beschreven. In de volgende hoofdstukken komen achtereenvolgens het perspectief van de klinische zorgpraktijk, de ontwikkelingen in de verstandelijk gehandicaptenzorg, de wetenschappelijke noodzaak tot oriëntatie op het individu, de ontwikkeling van individugeoriënteerde zorgprogramma’s, het vraagstuk van de verantwoording van de individugeoriënteerde kwaliteit, de methodologische ondersteuning van de zorgpraktijk en het onderzoek in de individugeoriënteerde zorg, en ten slotte de inrichting van de organisatie van zorginstellingen die individugeoriënteerd willen werken, aan bod. Afsluitend wordt vooruitgeblikt op de implicaties die deze ontwikkeling zal hebben voor het onderwijs en de nascholing van studenten en zorgverleners, en de noodzakelijk te ontwikkelen innovaties binnen zorginstellingen.’

De inhoudsopgave laat een ongelooflijke rijkdom zien, het beste van het beste dat de antroposofische gezondheidszorg te bieden heeft, echt het puikje van de zalm, wordt hier bijeengebracht:

‘1. Op weg naar een professionele individugeoriënteerde gezondheidszorg! – 11
Erik Baars en Guus van der Bie
2. Individugeoriënteerde zorg in de reguliere en antroposofische klinische praktijk – 27
Guus van der Bie
3. Leidt evidence-based medicine tot het verdwijnen van de medische therapievrijheid? – 45
Gunver Kienle
4. Individugerichte zorg en ondersteuning binnen de sociaaltherapie in relatie tot ontwikkelingen in de gehandicaptenzorg – 57
Joop Hoekman
5. Systeembiologie als gids op weg naar gepersonaliseerde geneeskunde – 73
Jan van der Greef en Thomas Hankemeier
6. Antroposofische, individugeoriënteerde zorgprogramma’s: waarom, hoe en wat? – 85
Erik Baars, Anne Postein, Martin Niemeijer en Guus van der Bie
7. Beelden in plaats van cijfers – 99
Hans Reinders
8. Methodologie voor de praktijk van en het onderzoek naar individugeoriënteerde zorg – 113
Erik Baars
9. Het inrichten en managen van de organisatie van individugeoriënteerde zorg – 143
Herman van Kampen en Raoul Grouls
10. Vooruitblik – 157
Erik Baars en Guus van der Bie’

Om u een idee te geven zal ik twee korte passages uit hoofdstuk 4 van Joop Hoekman aanhalen:

‘Deze tekst is een bewerkte en uitgebreide versie van een lezing op het minisymposium bij het afscheid van Yvon ten Brummelhuis als lid van de Raad van Bestuur van Zonnehuizen op 14 oktober 2009’.

(Ik maakte hier op 30 november in ‘Snoepreisje’ al melding van.) Uit hoofdstuk ‘4.2 Sociaaltherapie’ op bladzijde 59 volgt hier een karakteristieke passage:

‘In de sociaaltherapie, maar ook in de heilpedagogie, werkt men vanuit drie zogenaamde grondwaarden (Blomaard, 2005, pp. 16-18), die richting geven aan zorg en ondersteuning vanuit een antroposofische achtergrond en die zorgverleners kunnen brengen tot het verlenen van “goede zorg”. De eerste grondwaarde is gelijkwaardigheid. Van oudsher vindt men in zorg vanuit een antroposofische achtergrond dat ieder mens, ongeacht de ernst van zijn beperking of de mate van zijn disfunctioneren, principieel volstrekt gelijkwaardig is aan alle andere mensen. Deze gelijkwaardigheid is gebaseerd op de gedachte dat ieder mens zich, in meerdere incarnaties, ontwikkelt langs dezelfde lijnen van tekorten en talenten.

De tweede grondwaarde is dienstbaarheid. Werkers in de zorg beleven in een beroep ook een oproep. Zij leven zich in en leven mee vanuit empathie en de intentie gericht te willen helpen. Het is een ontwikkelingsgerichte hulpvaardigheid vanuit het besef van lotsverbondenheid. Vanuit die gedachte betekent weldoen aan de ander ook actief werken aan de eigen persoon. Het gaat dus om een respectvolle medemenselijkheid en ontwikkelingsgerichtheid.

Tegenwoordigheid van geest is de derde grondwaarde. Dit betreft de actuele presentie van jezelf, het volop aanwezig zijn in de situatie op een wakkere en alerte manier. Deze niet zonder meer vanzelfsprekende manier van handelen veronderstelt dat men kan en wil reflecteren op het eigen handelen en zich bezinnen op de eigen toestand; het eigen onvermogen onder ogen willen zien. Onbevangen waarnemen en helder denken zijn daarvoor noodzakelijk. Het gaat, samenvattend, om de geestelijke aanwezigheid in het hier en nu.’

En Joop Hoekman sluit op bladzijde 69 af met ‘4.5 Slotopmerkingen’:

‘Het is opvallend dat er heel weinig uitwisseling is, en is geweest, tussen sociaaltherapie en “reguliere” zorg. Beide hebben daardoor een eigen ontwikkelingstraject gelopen. Dat is jammer, omdat ze elkaars ontwikkeling hadden kunnen stimuleren, en van elkaar hadden kunnen leren. Dat moet vanaf nu dan maar gaan plaatsvinden. Openheid en transparantie vanuit de sociaaltherapie en het beschrijven van wezenlijke kenmerken in alledaags Nederlands zijn daarvoor onontbeerlijk, evenals oprechte belangstelling voor de meerwaarde van “anders-zijn” vanuit de reguliere gehandicaptenzorg.

Met dit artikel hoop ik een bijdrage te leveren aan het slaan van een brug tussen beide. Wellicht helpt het ook elkaar te vinden door zich te realiseren dat beide werken aan individugerichte zorg en ondersteuning vanuit de intenties die verwoord staan in het VN-Verdrag voor personen met een handicap. Ze zetten zich in om “(...) het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid te bevorderen, beschermen en waarborgen, en ook de eerbiediging van hun inherente waardigheid te bevorderen. Personen met een handicap zijn personen met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving” (art. 1 VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, 2007).’

Kan het hoopvoller? Proost op een goed en volledig nieuw 2010!

woensdag 30 december 2009

Vriendenkring

Het wordt een beetje lang vandaag vrees ik. Op de website van het Drempeltheater staat te lezen, gericht ‘Aan de vrienden en belangstellenden van het Drempeltheater’:

‘Beste vrienden,
De opvoering op zondag 5 april van het vierde mysteriedrama van Rudolf Steiner in het Theater Zuidplein was een groot succes! We danken u allen voor uw komst en het enthousiasme waarmee u ons gesteund hebt.

Opvoering in 2010

We hebben besloten nogmaals het vierde drama in het Theater Zuidplein op te voeren op zaterdag 27 maart 2010. Mocht u op 27 maart niet kunnen komen of het drama twee maal willen zien dan kunt u ook komen kijken, net over de grens in België, in Theater de Warande in Turnhout op zaterdag 13 maart 2010.

Open dag

Op verzoek van een aantal bezoekers hebben we op zondag 31 januari 2010 een open dag gepland in het Rudolf Steiner College in Rotterdam, waarvoor we u alvast hartelijk uitnodigen. Het thema is verdieping in de mysteriedrama’s. Jana Loose, egyptologe, zal in de ochtend een voordracht houden over de Egyptische inwijding. Daarna is er een keuze uit diverse workshops zoals over de Egyptische scènes in het vierde drama door Jana Loose, de rol van Strader in het vierde drama, de rode draad door de vier mysteriedrama’s, de vernieuwende ideeën voor de omvorming van het bedrijf van Hilarius Gottgetreu en drempelervaringen in het vierde mysteriedrama.

De middag staat dan in het teken van de kunstzinnige workshops. Mirthe Duindam en Corrie Hendriks zullen een inleiding met demonstratie geven over de spraakvorming in de mysteriedrama’s. Daarna zullen er diverse kunstzinnige workshops gehouden worden zoals euritmie, spraakvorming, kleding en kleuren in de drama’s en de muziek. Nadere informatie volgt. Ook kunt u kijken op onze website: www.drempeltheater.nl.

Wij hebben goed nieuws betreffende het vervolg van onze opvoeringen. In 2010 zullen wij weer met het eerste drama beginnen. In 2011 voeren we dan de helft van het eerste drama op en in 2012 het hele 1e drama. We hopen zo in acht jaar tijd alle vier de drama’s nogmaals op te voeren.

Wij rekenen erop u allen in het jubileumjaar 2010 (100 jaar mysteriedrama’s) te ontmoeten bij onze open dag en bij een van de voorstellingen in Rotterdam of Turnhout. Ter gelegenheid van de afsluiting van ons project om de vier mysteriedrama’s in het Nederlands op te voeren is een jubileumboek over 21 jaar Drempeltheater in de maak.

Uw bijdragen zijn zeer welkom op bankrekeningnummer 78 49 53 902 van de Triodos Bank ten name van Drempeltheater in De Lier.

Met hartelijke groeten mede namens alle medewerkers, van
Corrie Hendriks’

Over die bewuste opvoering schreef ik op 26 maart van dit jaar in ‘Marathon’ onder meer:

‘Het Euritmie Impresariaat laat een “eenmalige kennisgeving” uitgaan, die de opvoering van het vierde mysteriedrama “Het ontwaken van de zielen” betreft. Ik schreef hier laatst nog over, op 3 maart in Drempel”. Ik meldde dat dit toneelstuk (“theaterstuk” zou trouwens een beter woord zijn), door Rudolf Steiner in 1913 geschreven en meteen in dat jaar voor het eerst opgevoerd, nu bijna een eeuw later eindelijk ook in Nederlandse vertaling op de planken wordt gebracht.’

Maar ook al eerder, op 8 augustus 2008 in ‘Drama’ had ik het erover:

‘Vanavond wordt in het Nederlands een deel van het vierde toneelstuk (mysteriedrama) van Rudolf Steiner, “Het ontwaken van de zielen” uit 1913, in het Goetheanum te Dornach (Zwitserland) opgevoerd. Het Goetheanum! Waarvan de bouw in datzelfde jaar begon, juist om de mysteriedrama’s van Steiner op te kunnen voeren, in een gebouw dat helemaal paste bij de vernieuwing die met deze vorm van toneelkunst bedoeld was. Tien jaar later, het was nog niet helemaal klaar, werd het door brand verwoest. Er werd een nieuw gebouw opgetrokken, naar een ontwerp van Steiner. Omdat hij voortijdig stierf, maakte hij de voltooiing ervan niet meer mee. Ook dit wordt Goetheanum genoemd; het vormt het centrum van de internationale antroposofische vereniging en beweging.

Die Nederlandse uitvoering van vanavond gebeurt door het Drempeltheater, een amateurtoneelgezelschap uit Rotterdam. Dit houdt zich al zestien jaar bezig met de opvoering van de vier mysteriedrama’s van Rudolf Steiner in het Nederlands. Volgend jaar, op 5 april 2009, zal voor het eerst het volledige vierde drama, “Het ontwaken van de zielen”, in Theater Zuidplein in Rotterdam worden opgevoerd. De website van het Drempeltheater en van het Euritmie Impresariaat zullen hierover berichten.’

Wat die mysteriedrama’s van Rudolf Steiner allemaal inhouden is een heel verhaal. Het zijn er ook maar liefst vier, en kort van stof zijn ze ook niet. Natuurlijk is alles na te lezen in de twee boeken die ervan zijn uitgegeven, met alle teksten en met uitvoerige nawoorden. Die overigens op internet te vinden zijn (de nawoorden bedoel ik). Dit is het eerste boek:

‘Mysteriedrama’s I
De poort van de inwijding. De beproeving van de ziel.

Toen Rudolf Steiner in 1925 stierf, liet hij naast zijn vele geschriften en voordrachten een omvangrijk kunstzinnig oeuvre na. Dit omvatte gedichten en spreuken, plastieken, schilderijen en gebouwen en ook de vier toneelstukken die hij tussen 1910 en 1913 schreef en die hij “mysteriedrama’s” noemde. Dit boek bevat de eerste twee van deze drama’s. Zij laten de lotgevallen zien van een groep mensen die allen een ingrijpende ontwikkeling doormaken. De handeling krijgt een esoterische verdieping door de concrete toepassing van het karma- en reïncarnatiebegrip en doordat ook bovenzinnelijke krachten en belevenissen worden gedramatiseerd. Zo worden bepaalde geestelijke wezens en hun werking op de personen van het drama op het toneel getoond. Steiners mysteriedrama’s zijn niet bedoeld als artistieke verpakking van antroposofische ideeën. Er worden concrete personages ten tonele gevoerd die worstelen met hun lot. Dit lot krijgt een geestelijke dimensie, doordat getoond wordt wat mensen tussen twee levens in de geestelijke wereld doormaken en hoe vorige levens doorwerken in latere. In het nawoord wordt ingegaan op de ontstaansgeschiedenis van de drama’s en worden vele aspecten nader toegelicht. Het derde en het vierde drama zijn verschenen als deel p3 van deze reeks, onder de titel Mysteriedrama’s II (GA 14) Werken en voordrachten, deel p2.

1e druk | gebonden | 328 blz. | € 27,50 | ISBN: 9789060385098 | Rudolf Steiner / Werken en voordrachten’

En dit het tweede:

‘Mysteriedrama’s II
De wachter aan de drempel. Het ontwaken der zielen

Dit deel bevat een uitvoerig nawoord van de regisseur en acteur Wilfried Hammacher. Daarin wordt de inhoud van de drama’s onder meer belicht aan de hand van de zogenaamde “zegels”, die Rudolf Steiner voor elk van de drama’s ontwierp. Steiners oorspronkelijke ontwerpen van deze zegels zijn daarbij in kleur afgebeeld.
1e druk | gebonden | 340 blz. | € 27,50 | ISBN: 9789060385111 | Rudolf Steiner / Werken en voordrachten’

Nu staan op de website van het Drempeltheater samenvattingen van alle vier drama’s. Dat is reuze handig, want bij alle verwikkelingen tussen de diverse personen kun je de draad snel kwijtraken. Hier vindt u die van ‘De poort van de inwijding’, van ‘De beproeving van de ziel’, van ‘De wachter aan de drempel’ en van ‘Het ontwaken van de zielen’. Maar ook in België is men actief met de drama’s. Misschien wel in voorbereiding op die ene uitvoering in Turnhout volgend jaar. Zo is er op de website van De Brug een ‘Artikel over de mysteriedrama’s door Marc Nauwelaerts’ uit september 2008 te vinden. Dat is bijna een mooi ‘vervolgverhaal’ waarin de inhoud op spannende wijze wordt weergegeven. Juist dat gedeelte heb ik uit dit pdf-document gehaald en plaats ik hier voor het gemak als lopende tekst. Zodat u zich alvast kunt voorbereiden op alles wat komen gaat. Het is een beetje lang, maar dat schreef ik al:

De poort van de inwijding

Het eerste mysteriedrama beschrijft de ontwikkelingsweg van een kunstschilder, Johannes Thomasius. Hij heeft een vriendin Maria, die als leerling van de ingewijde Benedictus, al een hele scholing heeft doorgemaakt. Maria helpt en inspireert Johannes bij het betreden van de scholingsweg. Bij het begin van het drama wonen we een bijeenkomst bij van leden van een moderne geestelijke vereniging (b.v. antroposofische vereniging), die net een voordracht van Benedictus hebben bijgewoond. Deze handelt over het hoe en het waarom van een gezonde geestelijke ontwikkeling. De voordracht zelf wordt niet ten tonele gebracht, wel de bijeenkomst van de toehoorders vlak na de toespraak. De toehoorders wisselen hun ervaringen uit.

Johannes Thomasius heeft de voordracht ook aanhoord. Zij heeft een zeer diepe indruk op hem gemaakt. Zo diep dat zij hem van zijn stuk gebracht heeft. Hij heeft bepaalde minder fraaie karaktertrekken bij zichzelf ontdekt. De voordracht van Benedictus spiegelt ze hem in alle duidelijkheid. Vooraleer de andere toehoorders de voordrachtzaal verlaten en de gespreksruimte betreden, stort Johannes bij Maria zijn hart uit. Tien jaar lang probeert hij onder begeleiding van Maria de moderne scholingsweg te gaan. Aanvankelijk was hij een veel belovend schilder en hij poogde door een geestelijke ontwikkeling het spirituele in zijn kunst beter tot uiting te brengen. In plaats van vooruitgang te boeken heeft hij echter het gevoel van achteruit te gaan. Zijn enthousiasme begint te tanen, zijn inspiratie droogt op en hij begint aan zichzelf te twijfelen. Hij komt in een soort van depressieve toestand terecht die hem verlamt. Maria, die zelf kracht en inzicht uit de geest weet te putten en dagdagelijks met het geestzelf leeft, maakt zich grote zorgen over haar vriend Johannes. Het is zeer pijnlijk voor haar om vast te stellen dat de scholingsweg bij Johannes schijnbaar een negatieve werking heeft. Zij ziet ook niet direct in hoe het verder met hem moet.

Na het gesprek tussen Maria en Johannes komen de andere toehoorders binnen. In een soort van ledenvergadering, “Zweigversammlung”, komen zij tot een geanimeerd gesprek. De meest diverse figuren bespreken hun ervaringen op het geestelijke ontwikkelingspad. De voordracht van Benedictus zet hen aan om over diepzinnige onderwerpen te praten. In het dagelijkse leven komen deze zelden ter sprake. Johannes is ook aanwezig, maar hij zegt geen woord. Hij luistert intens naar de anderen maar hij beleefd zichzelf als een niets. Stilzwijgend lijdt hij diep onder een soort verlies van identiteit.

Twee andere hoofdpersonages nemen ook deel aan het gesprek. Het zijn Professor Capesius en Dokter Stader. Capesius is een vertegenwoordiger van de niet exacte wetenschappen. Strader vertegenwoordigt de exacte wetenschappen. Beide wetenschappers zoeken verdieping, maar als moderne universitairen staan zij zeer kritisch tegenover de scholingsweg zoals die door Benedictus onderwezen wordt. De twee mannen beelden het wantrouwen en het onvermogen van de moderne intellectueel uit om een levende verbinding met de geest tot stand te brengen.

Te midden van hun argumenteringen over het onwetenschappelijke en irreële van de moderne geesteswetenschap verschijnt een bijzonder personage ten tonele: Theodora. Theodora is een zeer reine ziel die over het vermogen beschikt om spontaan met de geest in verbinding te komen. Zonder bewuste scholing komt zij van tijd tot tijd in “trance” en heeft geestelijke ervaringen. Tijdens deze bijeenkomst overkomt dit haar ook. Zij voorspelt het verschijnen van de Christus in het etherische. Capesius en Strader zijn uiterst sceptisch en menen met een soort van hallucinatie te doen te hebben. Maria en haar vriendinnen Philia, Luna en Astrid zien echter wel de waarheid in van datgene wat Theodora verkondigt: in de toekomst zal de mens geleidelijk aan het vermogen ontwikkelen om de Christus in de etherwereld te kunnen schouwen.

Naast deze personages treden nog heel wat andere persoonlijkheden op die ieder op hun eigen wijze en met hun persoonlijke beperktheden het pad van de geestelijke ontwikkeling pogen te gaan: het zijn Romanus, Theodosius, German, die andere Maria, Felicia en Felix Balde.

Felix Balde vertolkt de kruidenzoeker die ook in het leven van Rudolf Steiner een grote rol heeft gespeeld. Hij is van nature een eenzaat die een diepe verbinding met het wezen van de natuur heeft opgebouwd. Ook zijn vrouw Felicia is een bijzondere figuur. Zij heeft het vermogen om de geest te openbaren in de vorm van originele sprookjes en verhalen.

Die andere Maria is een sociale helpster. Na het overlijden van haar echtgenoot heeft zij als alleenstaande moeder een heel moeilijke periode doorgemaakt. In de kring rond Maria en Benedictus is zij echter in contact met de geesteswetenschap gekomen. Deze is in haar tot leven gekomen en heeft een innerlijke wederopstanding in haar bewerkt. Gedreven door innerlijk vuur zet zij zich in voor haar medemens.

Romanus is dan weer eerder een man van de daad, een businessman die de geest vooral in de wil beleeft. Theodosius is veeleer gevoelsmatig gestemd en zoekt het spirituele in het religieuze en in het kunstzinnige. German daarentegen beleeft dit in echte moppen en grappen. Het “geestig” zijn heeft bij hem een concrete en spontane invulling die in het scherpzinnig, mild relativerende en niet in kwetsend cynisme tot uiting komt.

In dit eerste beeld komen we dus in contact met een groep van personen die op de hun eigen wijze de geest zoeken.

Na verloop van tijd keren alle deelnemers huiswaarts. Maria en Johannes blijven alleen achter. Johannes voelt zich echt slecht en beschrijft aan Maria zijn “kamaloka” belevenissen. Hij beleeft nu wat men eigenlijk na de dood doormaakt. Al het leed dat hij anderen ooit heeft aangedaan beleeft hij aan den lijven. Een diepe zwaarmoedigheid overvalt hem.

De laatste persoon om het huis van Maria te verlaten is een zekere Helena. Zij heeft Johannes zorgvuldig geobserveerd en zijn ontreddering opgemerkt. Zij gaat op hem toe en zegt hem dat hij waarschijnlijk iets verkeerd doet op zijn scholingsweg. De geest brengt volgens haar enkel geluk en zaligheid. Ondanks de pijn in zijn ziel ziet Johannes toch in dat zij onwaarheid spreekt. Wie de geest zoekt moet door het oog van de naald kruipen anders komt hij of zij in een illusie terecht. De dwaling van Helena ontsteekt bij Johannes een eerste vonkje van een nieuw leven. Door te zien wat het zeker niet is, begint hij te beseffen wat het nieuwe leven dan wel zou kunnen zijn.

Na dit samenzijn met zovele mensen heeft Johannes de behoefte om zich terug te trekken in de eenzaamheid van de natuur. Wij bevinden ons in het tweede beeld.

Maar in plaats van een helende rust beleeft hij geheel onverwachts iets heel anders. Hij heeft een buitenlichamelijke ervaring en heeft een confrontatie met zijn lagere zelf: hij ontmoet de kleine wachter aan de drempel. In levende beelden schouwt hij zijn eigen schaduwwezen, de verborgen aspecten van zijn eigen lagere natuur, de dierlijke aspecten van zijn eigen driftleven. Dit schokt hem tot in het merg. Zijn zelfvertrouwen bleek op drijfzand gebouwd en ligt aan diggelen. Een diepe angst overvalt hem (...).

Datgene wat de getormenteerde mens gewoonlijk heelt, namelijk de eenzaamheid en de diepe slaap, is voor hem een onmogelijkheid geworden. De wachter weet hem ook daar te vinden. Het is een soort van voortdurende gewetenskwelling die hem aan de grens van het draagbare brengt. Ondanks het confronterende van deze situatie houdt hij innerlijk stand.

In het derde beeld gaan Maria en Johannes op consultatie bij Benedictus. Zij zoeken raad om deze haast ondraaglijke, innerlijke spanning op te heffen. Maria van haar kant begrijpt niet hoe haar goed bedoelde inspanningen om Johannes tot een beleven in de geest te brengen zo een verschrikkelijke uitwerking kunnen hebben. Benedictus legt Maria uit dat dit komt omdat de geest haar tot een bijzondere opdracht uitverkoren heeft. Een hoger geestelijk wezen wil doorheen haar werken om actief te worden in het aarderijk. Deze hogere kracht vernietigt alles wat niet met deze verheven idealen overeenstemt. Bij Maria slaat dit in als een bom. Haar aardse persoonlijkheid voelt zich door Benedictus misleid en gebruikt. Zij voelt zich plots eerder een medium dan een vrij Ik. De reactie van de anders zo waardige en evenwichtige Maria is even onverwacht als hevig. In een vlaag van razernij scheldt zij de door haar vereerde Benedictus uit als een bedrieger. Zo geraakt in haar scheldtirade zo buiten zichzelf dat zij uiteindelijk het bewustzijn verliest. Johannes is lijkbleek en geschokt tot in het merg. Benedictus laat de “tsunami” stilzwijgend en waardig over zich heen gaan. Johannes van zijn kant beleeft iets heel merkwaardigs. Ondanks het feit dat zijn geliefde vriendin uit haar dak gaat ziet hij dat een duistere macht zich van haar meester gemaakt heeft. Ondanks zijn ontzetting blijft hij weer bij zichzelf en doorziet het feit dat er meer aan de hand is dan dat de uiterlijke feiten laten uitschijnen. Dit is voor Benedictus het teken dat Johannes rijp is geworden om de geestelijke wereld te betreden. Hij geeft hem nog een spreuk mee als hulp om de drempelovergang correct te voltrekken.

In het vierde beeld wordt de intrede van Johannes in de imaginatieve wereld in beeld gebracht. Eerst komt hij in contact met de twee tegenmachten Lucifer en Ahriman. In plaats van abstracte begrippen worden zij voor Johannes beleefbaar als wezen. Vervolgens schouwt hij de twee wetenschappers, Capesius en Strader in het bovenzinnelijke. Hij ervaart aspecten van hun wezen, die men in het zintuiglijke nooit op het spoor zou kunnen komen. De kritische gedachten, die zij in het eerste beeld als scherpzinnige analyses uitspraken worden door de geestelijke wereld niet gesmaakt. Zij blijken ver af te staan van de levende geestelijke realiteit en klinken hier als donderslagen!

In het vijfde beeld schouwt Johannes een imaginatie van een onderaardse tempel. Ingewijden bespreken de toekomstige evolutie van de mensheid. Ook Benedictus schouwt hij hier. Zijn spirituele leraar op aarde blijkt het vermogen te hebben om met de hogere geestelijke wezens bewust te communiceren en samenwerken.

In het zesde beeld ontmoeten we Felicia Balde, de vrouw van Felix Balde, de kruidenzoeker. Zij vertelt een sprookje aan de geest der elementen. Haar sprookjes blijken een voedende substantie te zijn niet alleen voor de aardemensen maar ook voor de geestelijke wereld. Zij werken gans anders als de dode intellectuele gedachten van de wetenschappers die het tegendeel bewerken.

In het zevende beeld stijgt Johannes op tot een nog hogere sfeer, hij komt in het lagere devachan. Daar ontmoet hij weer Maria, haar hogere wezen. Hij beleeft hier als het ware de binnenkant van het derde beeld. Terwijl in het derde beeld het ego van Maria hevig fulmineerde en uiteindelijk bezweek, ontwaakte in werkelijkheid haar hogere wezen. Het straalt in alle glans in het devachan en Johannes vindt haar hier terug. Enkel iemand die op aarde met ten minste één mens liefdevol verbonden is geweest kan echt ontwaken in de geest. Dit beleeft hij hier concreet. Tevens wordt voor het eerst een tipje van de sluier opgelicht over de oorsprong van hun verbondenheid. In een vroegere incarnatie, in het eerste millennium was Maria een Ierse monnik die het christendom naar het vaste land bracht. Johannes schouwt hoe hij toen een leerling van hem is geweest. Het gaat hier dus over een mannelijke incarnatie van de huidige Maria. Duidelijk komt hier tot uiting hoe diepe banden tussen mensen tot ver in toekomstige incarnaties doorwerken. Ook Benedictus verschijnt in dit geestgebied en geeft hen beiden nog een spreuk waarmee zij op aarde gezamenlijk hun ontwikkelingsweg kunnen verder zetten.

In het achtste beeld komen we terug in de concrete, fysieke realiteit. Johannes heeft na zijn intense geestelijke belevenissen een complete metamorfose ondergaan. Hij is niet terug de oude, neen hij is een nieuwe geworden: herboren vanuit de geest. Vol energie is hij weer aan het schilderen geslagen met een ongekende, nieuwe scheppingskracht. Hij slaagt erin om in zijn schilderijen het geestelijke te laten doorschemeren. Zo maakt hij een portret van Capesius dat iedereen met verstomming slaat. Johannes heeft het wezen van Capesius diep doorschouwd en slaagt erin om dit uit te beelden. Maria en Capesius, die het beeld bekijken, zijn opgetogen. Capesius leert door het schilderij zichzelf beter kennen. Hij is echter nog meer onder de indruk van de transformatie van de persoon Johannes. De gekende Rozenkruisersspreuk krijgt voor hem nu een concrete betekenis: “Uit God zijn wij geboren, in Christus sterven wij, door de Geest herleven wij.” De depressieve, onzekere Johannes is een zelfbewuste, creatieve mens geworden.

Ook Strader is aanwezig, maar op hem heeft het schilderij een heel andere werking. Hij voelt de kracht ervan, maar kan het eigenlijk toch niet vatten. Het brengt zijn wetenschappelijke schijnzekerheid aan het wankelen. Hij wordt gewaar dat er meer in de wereld is dan formele logica. Hij komt in een zware crisis terecht.

In het negende beeld vinden we dan Johannes terug terwijl hij opnieuw in meditatie verzonken is. Hij heeft weer een heel intense belevenis. In tegenstelling tot het tweede beeld, ontmoet hij niet de Kleine, maar de Grote Drempelwachter. Niet zijn eigen kleinheid, maar de stralende grootsheid van zijn Hoger Wezen wordt hij gewaar. Hij schouwt het oerbeeld van de toekomstige, ideale mens. Dit bezorgt hem nu geen angst maar een intense, ja bijna extatische vreugde. Tegen Maria formuleert hij het als volgt:

“Het diepe menselijke vertrouwen heb ik gevonden,
de wezenszekerheid is mij ten deel gevallen.”

Dat dit echter een toekomstbeeld is en nog geen echte werkelijkheid ervaart hij in het tiende beeld. Tijdens een volgende meditatie meent hij de komst van een grote tegenkracht gewaar te worden. Uiteindelijk openbaart deze kracht zich niet als een tegenstander maar als zijn geestelijke leraar Benedictus! Johannes zal nog een heel lange weg moeten afleggen om echt zekerheid in zijn geestelijke belevenissen te verkrijgen. Ondanks de intensiteit van zijn ervaringen heeft hij nog maar de eerste stapjes op de geestelijke weg gezet.

In het laatste en elfde beeld ontmoeten alle betrokkenen elkaar nogmaals in een bovenaardse tempel. In het licht van de geest wordt hier nog een balans opgemaakt van waar de gemeenschap zich nu in haar ontwikkeling bevindt. (...)

De beproeving van de ziel

In het eerste beeld van “De beproeving van de ziel” vinden wij Capesius in zijn studeerkamer. Hij worstelt met een meditatietekst van Benedictus. Het beeld doet erg denken aan een van de eerste beelden uit de Faust van Goethe. In zijn gotische torenkamer probeert Faust vanuit de wereld van de schijn, de stap naar de geestelijke wereld te zetten.

Ook in het tweede Mysteriedrama valt het voor Capesius niet licht. Hij voelt de kracht van de meditatietekst, maar toch slaagt hij er niet in om hem denkend te doordringen. Hij beleeft sterk de krachteloosheid van zijn gespiegelde denken. Al vele malen heeft hij deze onmacht beleefd en niet overwonnen maar hij wil niet opgeven. Hij voelt het als een plicht om de geestesschat, die diep in zijn ziel verborgen is, tot leven te wekken. Ook deze keer lijkt het niets te worden tot hij plots wezens om hem heen beleeft. Luna, Astrid en de andere Philia verschijnen hem. De eerste twee willen hem een verbinding met de kosmos geven, de derde probeert dit te verhinderen. Capesius is erg geschokt door deze eerste wezenlijke belevenis. Hij voelt zich erg onzeker worden. Hij weet niet of het droom of fictie is. Op dat ogenblik komt Benedictus hem opzoeken en brengt hem terug tot zichzelf. Benedictus wijst hem erop dat hij tijdens geestelijke ervaringen er moet toe komen om zichzelf te blijven. Hij waarschuwt Capesius ook dat zijn kracht in de toekomst op de proef zal gesteld worden.

In het tweede beeld kampt Maria met een probleem en zij vraagt weer raad bij Benedictus. Een innerlijke stem zegt haar dat ze zich van Johannes moet scheiden. Dit is onbegrijpelijk voor haar. De belevenissen in de geestelijke wereld in het eerste drama hebben duidelijk getoond dat hun lot en ontwikkelingsweg heel eng verbonden zijn. Bovendien inspireert Maria Johannes tot schilderen. Zij geeft hem ook raad. Heel subtiel toont Benedictus haar dat zij op die manier Johannes te veel van zich afhankelijk maakt. Haar rol als raadgever streelt ook te sterkl haar ijdelheid. Zij moet zich niet uiterlijk van Johannes scheiden maar hem innerlijk vrij laten. Benedictus vraagt haar ook om in andere aardelevens verder te zoeken hoe haar relatie met Johannes zich in de loop der tijden vorm gekregen heeft. Voorlopig kent zij alleen haar Ierse (Hybernische) incarnatie maar dit geeft een onvolledig en dus vertekend beeld. Indien het lot dit nodig acht heeft Maria het vermogen, wegens haar geestelijke rijpheid, om zich bewust in een vorig aardeleven te verplaatsen. Zij besluit dit dan ook bewust te doen en mobiliseert haar hogere zielekrachten.

In het derde beeld worden we geconfronteerd met Maria en Johannes in zijn schildersatelier. Maria toont zich heel terughoudend in haar commentaar bij het schilderij dat Johannes aan het maken is. Dit maakt hem heel onzeker. Hij voelt dat zij innerlijk meer afstand neemt. Dit brengt bij hem ook een wezenlijke confrontatie met de zielekrachten Luna, Astrid en die andere Philia te weeg.

In het vierde beeld ontmoeten wij onze twee vrienden Capesius en Strader. Strader is in een diepe crisis terechtgekomen. De openbaring van de etherische Christus doorheen Theodora in het eerste beeld van “Die Pforte” en de confrontatie met het portret van Capesius in het achtste beeld hebben zijn wetenschappelijke zelfzekerheid onderuit gehaald. Hij heeft de leiding van een kleine fabriek op zich genomen om door het praktische werk los te komen van zijn vele innerlijke vragen en onzekerheden. Toch blijft hij denkend zoeken. Vanuit eigen kracht komt hij zo tot het inzicht dat de leer van karma en reïncarnatie op waarheid moet berusten. Dit is het inmiddels in de antroposofische literatuur beroemd geworden Straderbewijs. Niet schouwend maar bewust denkend komt hij tot dit besef. In zijn boek Theosofie ontwikkelt Rudolf Steiner trouwens een gelijkaardige gedachtegang.

In het vijfde beeld gaat Capesius op bezoek bij Felix en Felicia Balde. Zij wonen heel eenzaam in een bosrijk gebied. Capesius, de universiteitsprofessor, gaat de Baldes opzoeken als hij zich leeg en uitgeput voelt. Soms hebben de vele colleges hem afgemat en is hij zijn scheppingskracht kwijt. De sprookjes van Felicia brengen hem weer “bij zijn positieven”. De superintellectueel wordt gevoed door de beeldende wijsheid van een eenvoudige vrouw! Deze keer vertelt Felicia hem het beroemde en wondermooie sprookje van de bron: “Das Märchen von Quellenwunder”. Bij het verlaten van de Baldes bemerkt Capesius dat ook verderop Johannes in het bos wandelt en blijkbaar over iets loopt te broeden. Johannes zit erg gewrongen met de houding van Maria. Zijn wanhoop brengt hem weer in confrontatie met zijn dubbelganger die hem zijn ware motieven toont. Deze zijn heel wat minder nobel dan hij zichzelf wijs gemaakt had.

In het zesde, zevende, achtste en negende beeld beleven we nu de terugblik van Johannes, Maria en Capesius in hun middeleeuwse incarnatie. Hun individuele ontwikkeling en hun gezamenlijke belevenissen hebben dit mogelijk maar ook nodig gemaakt. De verborgen sluier van het verre verleden moet even opgelicht worden om hun verdere ontwikkeling in goede banen te leiden. Het zijn prachtige beelden die aanschouwelijk maken hoe karma en reïncarnatie eigenlijk in zijn werk gaan. Strader beleeft geen terugblik, hij is nog niet zo ver in zijn ontwikkeling. Hij komt, zoals voorheen beschreven, denkend tot een eerste inzicht.

Wij worden verplaatst in de veertiende eeuw. Een orde van tempelridders die op een woeste grond succesvol een mijnexploitatie heeft ontwikkeld komt in botsing met de kerk die deze grond vroeger bezat. De kerk wil dit terrein nu terug. Naast het economisch conflict zit er nog meer scheef. De kerk beschouwt de tempelridders als ketters, als dienaren van de duivel. Verder worden de arme boeren door de kerk opgestookt om het zogezegde juk van de tempelridders af te schudden. In werkelijkheid gaat het om laster. De tempelridders hebben zeer diepe christelijke idealen maar zij willen de statische theocratische middeleeuwse maatschappij in beweging brengen. Dit is zeer tegen de zin van de kerk, die dan ook hun ondergang gezworen heeft.

In deze omgeving vinden wij onze vrienden van het begin van de twintigste eeuw terug. Maria is een vooraanstaande monnik en dus een vertegenwoordiger van de kerk. Capesius heeft als leraar een hoge functie bij de mystieke ridderbond. Capesius heeft voorheen zijn vrouw en twee kinderen in de steek gelaten om uit ambitie en trots deze functie te kunnen bekleden. Zijn echtgenote is van verdriet gestorven en zijn twee kinderen zijn bij pleegouders terechtgekomen. Heel onverwachts wordt hij met zijn twee kinderen geconfronteerd. Deze zijn ondertussen al jonge volwassenen geworden. Zijn zoon Thomas, vroegere incarnatie van Johannes Thomasius, is een mijnwerker in dienst van de ridderbond. Hij is een leerling van de monnik. Dit maakt hem tot een geestelijke tegenstander van zijn eigen vader. Een andere figuur Joseph Kühne heeft de dochter van Capesius geadopteerd. Het gaat om Cilli, een vroegere incarnatie van Theodora. Bovendien zijn Thomas en Cilli ook nog op elkaar verliefd geraakt. Zij willen trouwen. Als aan het licht komt dat zij eigenlijk broer en zuster zijn gaat het huwelijk niet door. Er is echter innerlijk bij hen iets op gang gekomen dat tot in de twintigste eeuw zal doorwerken! Gevoelens en gedachten zijn feiten en eens tot leven gewekt gaan zij een eigen leven leiden. In het derde mysteriedrama komen we hier nog op terug. Capesius besluit inmiddels uit de bond te treden. Hij ziet in dat hij zwaar tegen de wetten van het leven gezondigd heeft en eigenlijk niet waardig is om lid te zijn van een orde die christelijke naastenliefde en onzelfzuchtigheid hoog in het vaandel voert. Er zijn nog vele boeiende belevenissen in deze middeleeuwse incarnatie te schetsen maar dit zou ons nu te ver voeren.

Na de terugblik moet men echter terugkeren in de realitiet van nu en zijn leven op een gezonde manier verder voeren. Dit blijkt echter alles behalve vanzelfsprekend te zijn. De drie hoofdpersonages reageren heel verschillend.

Het weer ontwaken van Capesius wordt getoond in het tiende beeld. Heel aangrijpend wordt de periode tussen dood en nieuwe geboorte, tussen middeleeuwse en actuele incarnatie in beeld gebracht. Capesius realiseert zich ten volle welke enorme schuld hij op zich geladen heeft. Hij ziet ook in dat hij deze in dit leven onmogelijk zal kunnen aflossen. Dit geeft hem een verpletterend gevoel. Hij kan dit eigenlijk niet aan, klapt in elkaar en komt in de psychiatrie terecht. Veel weten is verlokkelijk. Men moet het echter wel kunnen verdragen.

Bij Maria werkt het anders. Zij is sterk genoeg om de nieuwe belevenissen en het verworven inzicht aan te kunnen. Zij krijgt echter een innerlijke aanval van Ahriman te verduren. De leugengeest stelt haar kennis op de proef en probeert haar in verwarring te brengen. Hij wijst haar op een tegenspraak in de belevenis. Normaal wisselen de man/vrouw incarnaties elkaar regelmatig af. In deze middeleeuwse incarnatie komen veel mannen als mannen en veel vrouwen als vrouwen terug. Ahriman grijpt dit aan om te beweren dat de belevenis fictie is omdat de karmische wetten niet zouden gerespecteerd worden. Maria als ervaren geestesleerling dient hem prompt van antwoord. In een overgangstijd zoals de veertiende eeuw wordt deze principiële wetmatigheid vaak doorbroken. Het beleven is dus geen fictie maar realiteit. Ahriman is verslagen en moet afdruipen.

Lucifer beproeft het bij Johannes Thomasius en heeft daar meer succes. Hij weet hem in slaap te sussen door hem wijs te maken dat een bewust geestelijk streven voor de mens meer problemen creëert dan oplost. Een onbewuste ontwikkeling door Lucifer geleid bevrijdt de mens van het ongemakkelijke van de zelfkennis. De problemen die Capesius ondervindt zijn volgens Lucifer daar het duidelijkste bewijs van. Thomasius bezwijkt en geeft zijn innerlijke autonomie prijs aan Lucifer.

De nieuwe toestand in de ontwikkeling wordt duidelijk geïllustreerd in het dertiende en laatste beeld waar we weer een bijkomst in de zonnetempel hebben. De zonnetempel is de tempel van licht waar enkel die zielen kunnen vertoeven die uit inzicht de beproevingen hebben doorstaan. Zo vinden we er Benedictus en Maria maar ook Lucifer omdat hij Johannes overwonnen heeft. Ahriman kan gelukkig niet binnen wegens zijn nederlaag tegen Maria. Johannes en Capesius komen er uiteraard ook niet in. Strader wel, zij het dan zonder te kunnen spreken, omdat hij door zijn denkkracht en niet schouwend de zonneweg is gegaan.

De wachter aan de drempel

In het eerste beeld van het derde drama bevinden we ons opnieuw in het begin van de twintigste eeuw. Een grote menigte heeft zich verzameld in het voorportaal van een soort van tempel waarin een mystieke broederschap actief is. Het is een merkwaardige bijeenkomst. De broederschap, die jaren in het verborgene gewerkt heeft, zoekt toenadering tot de grote massa. Zij willen, samen met de leken, een voor de mensheid vruchtbare samenwerking op het getouw zetten. Twaalf representanten van het volk staan voor de tempel en wachten tot ze voor een gesprek toegelaten worden. Ondertussen wordt er druk onder de deelnemers geconverseerd over het hoe en het waarom van deze merkwaardige vraag en uitnodiging.

De twaalf mensentypes vertegenwoordigen de twaalf denkrichtingen of wereldbeschouwingsrichtingen. We kunnen ze hier niet uitvoerig bespreken. Het boeiende van deze mensengroepering is dat nagenoeg alle standpunten aan bod kunnen komen en voor en tegen grondig worden afgewogen. Zo zou het eigenlijk in een goed functionerende, bewuste democratie altijd moeten zijn. Maar zoals in elk gesprek onder mensen is wat men zegt en denkt een zaak, wie het zegt en hoe men het zegt een andere zaak. Daardoor krijgen de aanvankelijk gelijkwaardige meningen toch niet allemaal hetzelfde gewicht. Deze gebracht door politiek getalenteerden wegen zwaarder door. Zo is het ook hier. Een spreker, een zekere Ferdinand Reinecke, is bijzonder scherp van geest en kan zijn gedachten ook heel helder onder woorden brengen. Hij heeft het niet erg op de bond begrepen. Geheimhouding gevolgd door plotse openheid lijkt hem verdacht. Volgens hem voert de bond iets in het schild en is dit een schijnvertoning om iets heel anders te bereiken maar er zijn ook heel wat mensen die de bond wel vertrouwen wensen te geven.

Onder de aanwezigen in het voorportaal bevinden zich ook Strader en Felix Balde. Sinds “De poort van de inwijding” hebben beiden een hele evolutie doorgemaakt. Strader is uit zijn diep dal geklommen en heeft zijn wetenschappelijke activiteit hervat, zij het geïnspireerd met nieuwe originele impulsen. Zo heeft hij het concept van een machine ontworpen die heel ecologisch de mensen energie moet schenken. Zo kunnen zij dank zij deze machine vrij van hard labeur zijn en dus tijd vrijmaken om zich met spirituele impulsen bezig te houden. Het concept van dit apparaat wordt door Rudolf Steiner in zijn script heel vaag gehouden. Het vermoeden bestaat echter dat het een machine zou zijn die etherenergie in fysische energie direct zou kunnen omzetten: een revolutionair idee! Mocht dit kunnen dan waren alle problemen met verbrandingsprocessen, CO2 uitstoot, kernafval en dergelijke natuurlijk onmiddellijk van de baan. Men zou zelfs aan een soort van etherische zonnepanelen kunnen denken. Niet de fysische zon, maar de geestelijke zon levert dan de energie en dit op een onuitputtelijke wijze. Het moge echter duidelijk zijn dat om dit idee in de praktijk te brengen zowel een geavanceerde fysieke technologische kennis alsook een hoge morele ontwikkeling nodig zijn. De etherzon geeft zich enkel op een onbaatzuchtige wijze aan mens en wereld. Persoonlijk gewin is uit den boze.

Het idee van Strader blijft voorlopig een concept. Strader gelooft echter dat hij spoedig de weg naar de implementatie zal vinden. Veel mensen appreciëren zijn aanpak. Zij vinden dat hij veel meer ten bate van de mensheid werkt dan de geestesbroeders met hun hoogdravende formuleringen en hun geheimzinnige rituelen. Ook op menselijk vlak is hij opengebloeid. Hij is zelfs getrouwd. Theodora, de reine zieneres uit het eerste drama, die op de nuchtere Strader zo’n diepe indruk had gemaakt, is zijn vrouw geworden. Het is een heel harmonisch huwelijk.

Ook Felix Balde is socialer geworden. Vroeger was hij een zonderling en kenner van de plantenzielen. Velen beschouwden hem als een halve gek. Maar in het derde drama krijgen de mensen wel interesse en vragen hem helemaal uit over zijn natuurmystiek.

Johannes Thomasius, die we al uitvoerig zijn tegengekomen in de eerste twee drama’s, speelt ook hier een belangrijke rol. De mystieke broederschap heeft namelijk een enorm probleem. Zij moet een kloof van begrippen en terminologieën overwinnen vooraleer zij werkelijk met de gewone mensen in verbinding kan treden. Thomasius komt hen hier onverwacht ter hulp. Hij heeft namelijk een boek geschreven waarin zuiver denkend de weg vanuit de gewone wetenschap tot in het geestbeleven kan gevonden worden. Dergelijk boek bouwt de onontbeerlijke brug. Men zou het kunnen vergelijken met De filosofie van de vrijheid van Rudolf Steiner, de Struktuurfenomenologie van Witzenmann of het Traktaat van het levende denken van Massimo Scaligero. In het Mysteriedrama wordt de naam van het boek niet vermeld.

Wegens deze bijdrage tot de verzoening van de natuurwetenschap en de geesteswetenschap wil de mystieke broederschap ook Thomasius als nieuwe leider. Zij willen hun bestuur vernieuwen om zo de stap tot dialoog en samenwerking met de gewone mensen te kunnen zetten. Het loopt echter heel anders. Thomasius wordt uitgenodigd door de broederschap. Zij willen hem vragen om de leiding van de oudere leider Hilarius Gottgetreu over te nemen. Hilarius is trouwens zelf overtuigd dat zijn werk erop zit en dat het nu de taak van de jeugd is om vernieuwing en vooruitgang te brengen. Op zijn weg naar de tempel wordt Johannes Thomasius echter onverwachts geestelijk geconfronteerd met Ahriman. Deze wijst hem erop dat hij zijn boek geschreven heeft onder impuls van de onbewuste werking van Lucifer. In het tweede drama hebben we gezien dat Thomasius na zijn terugblik in zijn middeleeuwse incarnatie de zuigende invloed van Lucifer niet heeft kunnen weerstaan. Dit wreekt zich nu. Eigenlijk is Johannes Thomasius niet rijp om dergelijke hoge verantwoordelijkheid te kunnen dragen. Hij ziet dit zelf nu ook duidelijk in.

Aangekomen in de tempel van de broederschap wijst Thomasius het aanbod dan ook af. Dit tot grote consternatie van de leden van de broederschap. Hun hele mooie plan valt in duigen. Ook Thomasius komt in een zwart gat terecht. Hij wijst immers af wat eigenlijk in de lijn der verwachtingen lag, maar hij heeft voorlopig geen alternatief. Weer staat hij aan de rand van een diepe, bodemloze schijnbaar onoverbrugbare afgrond. Plots komt Maria terug ten tonele en geeft hem geestelijk haar steun zodat hij niet in de afgrond verdwijnt. (...)

Na deze schokkende gebeurtenissen werpen we in het derde beeld weer een kijkje achter de schermen. We schouwen in de geestelijke wereld in het rijk van Lucifer. We gaan geestelijk op stap met Maria. En wie ontmoeten we daar? Het is Professor Capesius! Na zijn terugblik in zijn middeleeuwse incarnatie in het tweede drama is hij in een zware depressie terechtgekomen. Uiterlijk loopt hij rond als een zombie. Innerlijk, geestelijk is hij een gevangene geworden van Lucifer. Het rijk van Lucifer is wondermooi maar mist elke doorleefde aansluiting met de fysieke wereld. Maria is de draagster van christelijke spiritualiteit en zij kan wel hemel en aarde op een harmonische manier verbinden. De dialoog tussen Capesius en Maria geeft heel mooi deze twee verschillende houdingen ten opzichte van de geestelijke wereld weer.

Na de gebeurtenissen rond de tempel is Maria niet in eerste instantie voor Capesius gekomen maar wel voor haar vriend Johannes Thomasius. Deze wil zij uit de klauwen van Lucifer bevrijden omdat hij anders zijn ondergang tegemoet gaat. Zo staan op een gegeven ogenblik Johannes Thomasius, Maria , Benedictus en Capesius voor de troon van Lucifer. Zij vragen zijn vrijlating uit de geestelijke gevangenschap. Lucifer weigert dit echter. Integendeel, hij demoniseert bewust het onbewuste driftleven van Johannes. In plaats van een passie voor Maria plant hij hem een passie in voor Theodora, de vrouw van Strader. Dit is mogelijk omdat daarvoor de aanzet gecreëerd was in de middeleeuwse incarnatie door de liefde tussen Thomas en Cilli.

Hoe reageren Maria en Benedictus op dit nieuwe gegeven? Maria doet het enige wat in dit geval ook kan helpen zij dat het niet onmiddellijk tot spectaculaire resultaten leidt. Zij stelt in volle vrijheid een daad van onbaatzuchtige liefde. Zij legt de gelofte af dat zij bij elk kennis en inzicht verwerven in de toekomst de persoonlijke voldoening wil laten varen. Dus kennis niet voor zichzelf maar ten bate van de andere of het andere. Dit is eigenlijk levende denkkracht onder de vorm van reine liefde. Alleen dergelijke daad van reine liefde zal in de toekomst in staat blijken om het luciferische geweld te breken.

In het vierde beeld worden we al geconfronteerd met de eerste uitwerkingen van deze schokkende gebeurtenissen. Strader en Theodora vieren hun zevende huwelijksverjaardag en blikken terug op een heel gelukkige periode. Individueel en als gemeenschap zijn zij tot bloei gekomen. Het beeld is heel poëtisch. Theodora vertelt echter dat zij de laatste tijd een innerlijke beklemming voelt die haar angst bezorgt en haar levenskracht rooft. Strader maakt zich heel bezorgd om haar maar zij zegt niet duidelijk wat het is wat haar bedrukt.

In het vijfde beeld wordt een tipje van de sluier opgelicht. Strader en Capesius zijn te gast bij Felix en Felicia Balde in hun huisje in het bos. Zij bespreken een droevige gebeurtenis: Theodora is onverwachts overleden. Felix Balde die de levenskrachten heel precies kan inschatten begrijpt niet hoe zo’n levenskrachtige jonge vrouw plots ten einde krachten kan geraken. Strader vertelt over haar angsten maar aanvankelijk brengt dit de ontraadseling van de reden van haar overlijden niet veel verder. Tot Capesius even uit zijn versufte toestand ontwaakt en vertelt wat hij voor de troon van Lucifer meegemaakt heeft. Tot grote ontzetting van allen vertelt hij wat Lucifer bij Thomasius aangericht heeft. Thomasius ligt direct en Lucifer indirect aan de basis van het overlijden van Theodora. Allen zijn van de hands gods geslagen.

In de stilte die op hun verbijstering volgt verschijnt Theodora in de geest. In plaats van Thomasius te veroordelen vraagt zij Strader om hem te helpen. Hij kan dit doen door zelf het pad van de geestesscholing te betreden en ook leerling van Benedictus te worden.

In het zesde beeld zijn we terug in het geestgebied. We ontmoeten er Capesius, Benedictus en Maria. Het is een heel bijzondere scène. Benedictus en Maria willen Capesius bevrijden uit zijn depressive, luciferische lethargie en hem terug bij zichzelf brengen. Dit gebeurt op een even originele als verrassende wijze. Zij leren Capesius namelijk om zijn eigen denken te aanschouwen. Het aanschouwen van het denken, wat ook een denken van het eigen denken is, heeft ook een bevrijdende werking op het voelen en het willen. De euritmisch uitgebeelde luciferische en ahrimanische gedachtewezens komen ten tonele, tegelijkertijd adembenemend en poëtisch. Capesius krijgt terug verbinding met zijn eigen ik en wordt geheeld. Hij is weer alert en evenwichtig en heeft een heel belangrijke stap in zijn geestelijke ontwikkeling gezet.

In het zevende beeld bevinden we ons weer in het gezelschap van Maria en Thomasius in het geestgebied. De bezeten Thomasius stormt vooruit om Theodora te bezitten en dit tot over de grenzen van de dood heen. Maria blijft echter alert aan zijn zijde en haar gelofte indachtig doet zij wat zij kan. Zo komen zij bij de grote wachter aan de drempel. Om geheeld te kunnen worden moet Johannes echter de hogere geestelijke wereld kunnen betreden om zo alle illusie en schijn te kunnen overwinnen. Gezien zijn onreine innerlijke toestand moet de wachter dit hem echter weigeren. Maar als Maria zich voor Johannes borg stelt laat de wachter hen uiteindelijk toch door.

Zo betreden zij de hogere geestelijke wereld. Wegens zijn onrijpheid valt Johannes Thomasius van de ene verschrikking in de andere. De rustige rijpe Maria houdt hem echter overeind. Thomasius beweert een grote liefde voor Theodora te bezitten en meent haar zelfs in vroegere incarnaties te kunnen aanschouwen. Als hij haar tenslotte zeer nabij komt vormt haar beeld zich om en komt hij keihard in confrontatie met zichzelf! Hij werd dus niet gedreven door de reine liefde tot een ander wezen maar door een narcistische drang naar zichzelf! De schok heelt hem echter van zijn bezetenheid en brengt hem opnieuw in verbinding met zijn ware zelf of hoger Ik.

In het achtste beeld komen we in het rijk van Ahriman. We ontmoeten er eerst Hilarius en Trautmann respectievelijke voorzitter en bestuurslid van de mystieke broederschap in het eerste beeld. Waarom zijn zij hier? Na het fiasco met Thomasius zijn zij in een zware crisis terechtgekomen. Niet alleen is hun plan in duigen gevallen maar zij hebben ook een ernstige beoordelingsfout gemaakt. Zij hadden moeten zien dat Thomasius niet de juiste man was. Dit breekt hen nu zuur op. Zij zoeken raad over hoe het nu verder moet en betreden daartoe de geestelijke wereld. Zonder het zelf te beseffen gaan zij echter bij de duivel te rade. Zij herkennen Ahriman niet en vragen aan de geest der duisternis waar de weg naar het licht is.

Ergens in dit gebied komt tijdens de nacht ook Strader terecht. Hij is inmiddels op vraag van Theodora begonnen aan een systematische geestelijke scholing. Wegens zijn wetenschappelijke vorming behoort het tot Straders opdracht om de werkingen van Ahriman volledig te leren doorzien zodat hij de goede krachten kan helpen om hem zijn juiste plaats in het wereldbestel te geven. Niet vernietigen en overwinnen is de boodschap, maar wel verlossen en bevrijden.

Zoals gezegd, tijdens de nacht, in de slaap en bevrijd van het lichaam ontmoet Strader Ahriman. Hij vindt hem in een zonderlinge en verontrustende bezigheid. Hij is namelijk bezig om de twaalf zielen uit het eerste beeld, de gewone mensen voor de tempel die ook in bed liggen, te beoordelen en in vakjes onder te verdelen. Hij doet dit op een cynische wijze zonder rekening te houden met hun menselijke individualiteit. Haarscherp analyseert Ahriman twaalf verschillende mensentypen. Na de twaalfde is de dertiende volgens hem echter weer gelijk aan de eerste. Zoiets als individuele verschillen binnen een bepaalde groep is voor hem inhoudsloos. Ook interesseren de mensen hem als individualiteiten helemaal niet. Hij wikt en weegt enkel hun eigenschappen om ze dan zonder scrupules voor zijn eigen doelstellingen te kunnen inzetten. Strader maakt dit alles halfbewust in zijn slaap mee. De anderen slapen diep en hebben geen weet van het bestaan van en dus ook geen vermoeden van de nabijheid van Ahriman. Strader heeft een enorm medelijden met deze mensen. Maar hij voelt ook mededogen met Ahriman. Hij schouwt dat dit koude intellect met zijn verkrampte machtswellust een diepe angst verbergen die hopeloos een wereld onder controle probeert te brengen. Een wereld die zich in zijn diepste wezen echter niet laat controleren omdat hij opborrelt uit een oneindige bron van pulserende liefde.

In het negende beeld ontmoeten wij Benedictus en zijn leerlingen buiten in het veld onder een stralend lentezonnetje. Zij voeren een open gesprek. Capesius, Strader en Thomasius zijn ieder op hun eigen manier geheeld en klaar voor nieuwe verantwoordelijkheden. Maria als meest gevorderde leerling van Benedictus heeft tot dit genezingsproces veel bijgedragen. Haar wijsheid, onzelfzuchtigheid en doorzettingsvermogen waren voor de anderen een rots in de branding.

In het tiende beeld wordt uiteindelijk dan toch mogelijk wat in het tweede beeld hopeloos mislukt leek. De innerlijk gerijpte Thomasius neemt dan uiteindelijk toch de scepter van de mystieke broederschap van Hilarius over. Het is zijn opdracht om in rechte stroom, oude en nieuwe geesteswegen zinvol met elkaar te verbinden en zo nieuwe ontwikkelingen in te leiden.

Het ontwaken van de zielen

Ons boeiend spiritueel verhaal gaat verder. Wij komen nu volop in het praktische dagelijkse leven terecht. Het eerste beeld speelt zich af in het bureau van Gottgetreu, zaakvoerder een houtzagerij. Hij heeft dit bloeiend bedrijf van zijn vader geërfd. Gottgetreu is goed bevriend met Benedictus en zijn vrienden. Hij wil het ontwaken van de nieuwe geestimpuls zichtbaar laten worden in zijn bedrijf. Daarom wil hij zijn producten, zijn manier van zaken doen en zijn productie vorm laten geven vanuit de geest. Dit is een hele ommezwaai ten opzichte van de klassieke, traditionele werkwijze. Als zaakvoerder en manager kan hij dit natuurlijk niet zelf ten uitvoering brengen. Daarom doet hij een beroep op de expertise van de leerlingen van Benedictus. Hij heeft zijn oog laten vallen op Strader als projectleider. Zijn vorming als wetenschapper, ingenieur en uitvinder samen met zijn spirituele inzichten maken hem op het eerste gezicht uitermate geschikt voor deze opdracht. Gaat de nieuwe spiritualiteit de confrontatie met de harde materie aankunnen? De eerste weerstand duikt al op in de contreien van Gottgetreu zelf. Zijn bureauchef is allesbehalve opgezet met het plan. Deze vreest dat de befaamde “Duitse degelijkheid” in een stroom van zogezegde creativiteit en fantasie verloren zal gaan. Bovendien heeft hij weinig vertrouwen in Strader. Dit is heel merkwaardig gezien Strader een krachtige, solide figuur is. Hij leeft niet op een eenzame berg door mystische nevels omsluierd.

Tijdens een gesprek in het bureau van Gottgetreu probeert deze samen met Strader de bureauchef een laatste maal te overhalen. Het lukt echter niet. Hij blijft halsstarrig zijn medewerking weigeren. Een van de redenen is dat Strader zijn machine, vermeld in het derde drama, nog niet verder heeft kunnen ontwikkelen. De stand van de technologie laat het nog niet helemaal toe. Voor de bureauchef pleit dit tegen het praktische oordeelsvermogen van Strader. Verder vindt hij dat men het spirituele en het praktische strikt moet scheiden. Het spirituele hoort thuis in de kerk, in de studeerkamer of in de meditatieruimte maar niet op de werkvloer.

In het tweede beeld ontmoeten we Johannes wandelend, mijmerend, mediterend in de prachtige natuur in de buurt van het huis van Gottgetreu. Naast Strader als ontwikkelaar, projectleider en productieman had Gottgetreu aan Johannes gedacht als kunstenaar om de nieuwe producten vorm te geven. Of dit gaat lukken is maar zeer de vraag. De zoveelste crisis kondigt zich bij Thomasius aan. Hij is het moe om voortdurend wakker en kennend de realiteit te doordringen. Eigenlijk wil hij behaaglijk wat genieten, zich gewoon overgeven aan zijn gemakzucht. Ook Capesius bevindt zich in een heel speciale toestand. Hij is weliswaar geheeld, maar zijn geestelijke ontwikkeling gaat nu zo snel dat dit ook weer nieuwe problemen stelt.

Er doet zich dan de volgende merkwaardige situatie voor. Ook Capesius wandelt in de buurt van het huis van Gottgetreu en ziet in de verte Thomasius lopen. Op een gegeven ogenblik doet er zich een intens zielecontact tussen beiden voor. Capesius leest voor een ogenblik als het ware in de ziel van Thomasius en beleeft diens innerlijke verwarring. Deze ervaring is uitzonderlijk mogelijk wanneer de betrokkene, in dit geval Capesius, een stapje hoger mag komen op de spirituele ladder. Het is een wenk van de spirituele wereld. Te veel uiterlijk werk in woord en daad rooft echter de spirituele krachten die nodig zijn om deze stap te voltrekken. Capesius staat dus voor het dilemma: ofwel spiritueel een stapje hoger stijgen, ofwel in het project stappen.

Voor het project van Gottgetreu en Strader heeft dit alles grote gevolgen. Johannes en Capesius haken af. Ook Maria kan onder de gegeven omstandigheden geen bijdrage leveren. Maria en Capesius hadden een rol toebedeeld gekregen in de marketing en de verkoop. Zij hadden de geesten moeten rijp maken voor de nieuwe producten en diensten.

Maria blijft Johannes bijstaan en geeft hem ondersteuning in het doorgronden van en omgaan met zijn eigen complexe zieletoestand. Zo komt Johannes Thomasius een merkwaardig zielewezen, nog een ander soort dubbelganger, op het spoor. Het is de geest van zijn jeugd. Deze merkwaardige geest leeft in de diepten van zijn ziel. Hij trekt Johannes steeds terug naar het verleden, wil hem als het ware niet volwassen, rijp en verantwoordelijk laten worden. Waar ligt de oorsprong van deze retarderende zielekracht?

In het derde beeld bespreken de zakenvrienden, tevens tempelbroeders van Gottgetreu de plannen van hun vriend. De meningen zijn heel verdeeld. Ook de capaciteiten van Strader worden onder de loep genomen. Sommigen zijn heel lovend en zien in hem zelfs de enige man die zoiets tot stand kan brengen. Anderen zien het helemaal niet zitten en houden hem voor een wereldvreemde dromer.

In het tweede deel van het beeld krijgen we een belangrijk gesprek tussen Capesius en Felix Balde enerzijds, Strader anderzijds. Ook hier ontstaat een communicatiekloof, zij het om een meer spirituele reden. Capesius en Felix Balde vinden dat Strader het spirituele te veel met realisaties in het zichtbare wil verbinden. Zij beiden zijn van oordeel dat men het spirituele stil in de ziel moet beleven en het daar ook moet laten. Lucifer en Ahriman beluisteren dit gesprek met veel interesse. Strader geraakt dus tegen zijn sterke wil in en ondanks zijn edele inborst en goede intenties stilaan toch volledig geïsoleerd. Het begint zelfs akelig aan te voelen. Wat speelt hier nu allemaal?

In het vierde beeld volgen we het gesprek van Romanus met de bureauchef. Het gaat natuurlijk weer over het grote plan van Gottgetreu en de rol die Strader daarin speelt. Romanus die zelf een succesvol zakenman is, bevestigt zijn vertrouwen in Strader. Hij gaat zelfs verder en zegt dat hijzelf veel aan Strader te danken heeft. Direct en indirect heeft hij veel van diens vruchtbare gedachten tot de zijne gemaakt.

De bureauchef daarentegen blijft onwrikbaar afwijzend. Wel krijgen we meer inzicht in de diepere gronden van deze afwijzing. Vooreerst merkt de bureauchef fijntjes op dat in de vurige woorden van Strader natuurdemonen leven die hem soms het correcte werken in de uiterlijke wereld bemoeilijken. Daar is gedeeltelijk waar maar de werkelijkheid is toch complexer en genuanceerder dan dat hij het voorstelt. Vervolgens voelt hij ook de sterke kracht van de persoonlijkheid van Strader. Hij vreest dat zijn eigen ego niet sterk genoeg is om aan de zijde van Strader staande te blijven. Zijn oordeel over de persoon wordt gekleurd door vooringenomen zelfbescherming.

Tijdens de volgende scene ontmoeten we weer Thomasius die zijn zoveelste drempelervaring heeft. Met zijn onzekere Ik raakt hij verstrengeld in een kluwen van zijn dubbelganger, de geest van zijn jeugd, de drempelwachter en de tegenmachten. Hij voelt zich wegzinken in een oceaan van waanbeelden.

De geïsoleerde Strader heeft een gesprek met Benedictus om te proberen zijn toestand helderder te krijgen. Strader is ook voor Benedictus moeilijk te doorzien. Hij schouwt wel de natuurdemonen maar kan niet zeggen hoe hun verdere evolutie en werking zal zijn. Zeker is dat ze nu nog niet actief mogen worden. Dit ligt misschien aan de basis van het feit dat vele zaken nu wel gepland worden maar eigenlijk nog niet kunnen. Op het einde van het beeld beraden Maria en Benedictus zich over de zorgwekkende toestand van Johannes. Tijdens dit gesprek voelen zij beiden de panische angsttoestand aan waarin Johannes verzeild is geraakt. Hij gaat als het ware op de loop met hun rustige en bezonnen denken. Dit heeft letterlijk verstrekkende gevolgen.

In het vijfde beeld bevinden we ons plots in het leven tussen dood en nieuwe geboorte. Het is de rein geestelijke periode die de betrokkenen samen doorleefd hebben na hun dood in de veertiende eeuw en hun wedergeboorte in de twintigste eeuw. Het zijn heel subtiele geestelijke scenes die dialectisch heel moeilijk te verwoorden zijn. (...) Wij bevinden ons eerst in de zonnetijd en zien hoe de verschillende zielen interactief in hun Kosmisch Ik leven en er ook aan werken. De diepere en verborgen zielekrachten worden ook zichtbaar. De zielen zijn ook een open boek voor elkaar. Niemand leeft rustig afgescheiden zoals in zijn aardehuisje. De zielesferen zijn eigenlijk invloedssferen die zich in min of meerdere mate van elkaar kunnen afsluiten of zich voor elkaar open stellen.

In het zesde beeld komen we in een geestelijk nog hoger gebied namelijk in de saturnussfeer. We bevinden ons op de uiterste rand van de planetensferen waar de opwaartse reis van de ziel eindigt en het afdalen naar een nieuwe aarde incarnatie begint. Dit is het zogenaamde wereldmiddernachtelijk uur. De ziel heeft haar grootste omvang bereikt. Zij omvat de hele aardekosmos (niet de galactische en extragalactische kosmos natuurlijk!). Deze expansie staat in schril contrast met de maximale compressie van de belichaamde mens tijdens het midden van het aardeleven. Het wakker beleven van de wereldmiddernacht is een teken van een heel hoge geestelijke ontwikkeling. Meestal valt de ziel in een onbewuste zijnstoestand. Het beleven werkt ook sterk door in de volgende aardelevens.

Johannes, Maria en Benedictus voeren in dit gebied een dialoog met elkaar. Zij strijden er ook een kosmische gedachtestrijd om Johannes uit de klauwen van Lucifer te bevrijden. De grote drempelwachter verschijnt ook ten tonele en spreekt de beroemde woorden:

“Nooit mag de ziel bewust ten val willen komen,
doch dient ze wijsheid uit de val te puren.”

Deze aanmaning van de drempelwachter heeft tot gevolg dat de zielen de drang voelen om verder de karmische sporen in het verleden uit te zoeken die hun inzicht kunnen verschaffen in het heden. Zo komen we deze keer terecht in een oerver verleden, namelijk een Egyptische incarnatie.

In het zevende beeld ontmoeten we de farao die tevens offerwijze van de tempel is in gesprek met enkele tempelmedewerkers. Er zal binnenkort een inwijdingsceremonie voltrokken worden. De farao is er niet erg gerust in. Hij heeft geen vertrouwen in de inwijdingskandidaat. Volgens hem is die niet voldoende gelouterd en nog te sterk aan het lichaam gebonden. Zijn spiritualiteit is maar een dun laagje vernis dat vlug zal verdampen als het vuur van de passie terug oplaait. De farao is een vorige incarnatie van Capesius. De neofiet is niemand anders dan een mannelijke incarnatie van Maria.

In het achtste beeld staan we dan in de binnenruimte van de tempel en maken we de hele inwijdingsceremonie mee. Het is een indrukwekkend beeld dat ons terug verplaatst in lang vervlogen tijden. Voor de inwijding begint valt ons oog nog op een jonge, mooie Egyptische vrouw die smachtend voor de tempelpoort staat. Zij is buitengesloten. Haar geliefde werd haar voor altijd afgenomen omdat hij de nodige begaafdheid leek te bezitten om ingewijd en raadsheer van de farao te worden. Haar geliefde is de neofiet uit het zevende beeld. De jonge vrouw is een vrouwelijke incarnatie van Johannes Thomasius.

De lange inwijdingsprocedure wordt uitvoerig beschreven. Vooreerst krijgen we een inwijding in de vier aarde elementen: aarde, water, lucht en vuur. Vervolgens komen we tot de eigenlijke kern van het inwijdingsceremoniëel. De kandidaat moet zich minutenlang stilzwijgend op een vlam concentreren en vervolgens luid verkondigen wat hij in het wereldwoord schouwt als de hoogste offerwijze (vroegere incarnatie van Benedictus) hem daartoe het teken geeft. Tijdens de concentratie van de neofiet moet de offerwijze zich innerlijk concentreren op een magisch woord.

Nu gebeurt iets heel merkwaardigs. Als na een lange pauze de kandidaat verzocht wordt te spreken verkondigt hij niet de verhoopte kosmische belevenissen maar vertelt zijn eigen buitenlichamelijke ervaringen en de vreugde die hij daaraan heeft beleefd. De consternatie is groot! Voor de hele priesterkring klinkt dit als een heiligschennis. Deze mislukking is alleen mogelijk als de offerwijze het begeleidende krachtwoord niet zou gedacht hebben. Dit blijkt inderdaad zo te zijn. De inwijding is dus mislukt. De offerwijze die deze “niet-daad” stelde krijgt vrijwel zeker de doodstraf ook als is hij farao. Waarom heeft de offerwijze deze moedige daad gesteld? Hij ziet dat de mysteriën decadent geworden zijn en een nieuwe tijd aanbreekt. De morgenzon gloort reeds aan de horizon van Hellas. De nieuwe mens moet zich niet meer laten denken, maar zelf denken. Het transcendente moet immanent worden.

Terug in de twintigste eeuw vinden we Maria en Thomasius in hun meditatiekamer. Dit wordt getoond in het negende en in het tiende beeld. Zij zijn ook deze keer een heel stuk rijper geworden. Maria leert te zien hoe haar sterke band met Benedictus is ontstaan en hoe zelfs een mislukte inwijding positief kan doorwerken in latere incarnaties. Ook ziet zij welk offer Capesius voor haar gebracht heeft en wat zij hem verschuldigd is. Johannes vindt eindelijk de oorsprong van zijn verborgen wens-en driftleven en van zijn sterke band met Maria. Ook zijn zeer sterke “Zwei Seelen Struktur” wordt hem bewust (...).

In het elfde beeld zijn we terug in de alledaagse realiteit. Strader en Benedictus bespreken nogmaals Strader’s moeilijke toestand. Strader voelt dat het actieveld op deze aarde, die hij zo liefheeft, hem onttrokken wordt. Benedictus antwoordt hem met de raadselwoorden:

“Wat moet gebeuren, zal gebeuren,
Daarom wachten wij af in wakkerheid,
Hoe de geest de tekenen duiden zal”.

Het twaalfde beeld is van cruciaal belang voor het verder verloop van de handeling. We bevinden ons in het binnenste van de aarde. Het is een volledig kristallijne, bergachtige wereld. Ondanks zijn harde, scherpe, kristalheldere, kille structuren heeft deze wereld iets fascinerends. Overdrachtelijk zou men zelfs kunnen zeggen dat hij geen bovenaardse maar een onderaardse schoonheid uitstraalt. De indrukwekkende gestalte van Ahriman staat boven op een berg en hij spreekt een monoloog, schijnbaar tot zichzelf. Met zijn krakende, ruwe stem maakt hij een balans op van de situatie en overdenkt welke zet hij in het schaakspel van zijn machtsstreven nu moet zetten.

In het zesde beeld hebben Maria en Johannes met de hulp van Benedictus het wereldmiddernachtelijk uur wakend kunnen doorleven. Op die manier hebben ze Lucifer kunnen overwinnen. Ahriman is zich bewust van de nederlaag van zijn kompaan en zal zijn strategie moeten aanpassen. Hij komt tot het besluit dat hij Strader moet elimineren om Benedictus en zijn leerlingen te treffen. Strader heeft het talent om het spirituele in concrete materiële vormen te gieten. Dit spreekt ook in het sociale vele mensen aan. De verheven leer van Benedictus, met zijn Ik gedragen moraliteit is voor vele mensen nog te hoog gegrepen. Daarom is voor de koude, maar nuchtere redenering van Ahriman Strader de steunpilaar waarop het hele bouwwerk van Benedictus rust. Haalt hij deze onderuit dan is het uit met de nieuwe geesteszoekers. Maar hoe kan hij Strader uitschakelen? Ahriman moet de kosmische wetten respecteren maar met zijn “spirituele supercomputer” heeft hij toegang tot haast alle informatie. Zo leest hij in het levensboek dat Strader’s levensloop spoedig een einde zal vinden. Ahriman moet dus snel handelen. Want wat hij wil doen moet geschieden wanneer Strader nog als mens bewust op aarde leeft. Wat is zijn duivelsplan?

Hij gaat Strader aanvallen op die plaats die hem het gevoeligst is: namelijk het concept van zijn Stradermachine. We hebben gezien dat de Stradermachine zogezegd nog niet kon werken omdat bepaalde nieuwe technologieën nog niet ontwikkeld waren. Dit is maar de halve waarheid. Er is nog een veel diepere reden die alleen het vlijmscherpe Ahriman-intellect kan doorschouwen. Er zit namelijk een denkfout in de machine! Als Ahriman deze bij Strader bewust kan maken dan zal dit voor hem een enorme psychologische klap betekenen. De zalige illusie van nu nog niet maar morgen zeker wel wordt voor goed doorprikt. Strader zal aan de rand van de waanzin gebracht worden en alle geloof in Benedictus en de nieuwe christelijke spiritualiteit verliezen. Dan is het over en uit.

Om dit duistere plan uit te voeren heeft Ahriman een mens, een soort Judas nodig. Wie is daartoe beter geschikt dan het menselijke Reintje De Vos, namelijk Ferdinand Reinecke uit het eerste beeld van het derde drama? Wat nu gebeurt is zowel schokkend als verhelderend voor vele zaken die in de wereld gebeuren. Onderaan de berg verschijnt Ferdinand Reinecke. Hij loopt rechtop maar eigenlijk ligt hij in bed en slaapt hij. Ahriman komt langzaam zijn berg af en nadert Ferdinand Reinecke ongezien van achteren. Bij hem aangekomen legt hij zijn klauwachtige, sclerotische handen op de ogen van de onbewust, slapende slimmerik en inspireert hem tot zijn Judasdaad. (...) Is nu alles hopeloos verloren? Neen, de goede krachten waken ook en gaan er volop tegen aan!

Op het einde van het beeld, verschijnt Theodora, de overleden echtgenote van Strader voor Ahriman. Zij bevestigt haar volledige steun aan Strader vanuit de geestelijke wereld. De duivel wordt geconfronteerd met de onvoorwaardelijke liefde van twee mensen voor elkaar vanuit hun diepste ik. Ahriman wordt onzeker. Hij voelt de kracht van het: “Waar twee of meer in mijn naam aanwezig zijn, daar ben ik in hun midden.” Hij mompelt nog tot zichzelf: “Als ze werkelijk elkaar trouw blijven kan ik het wel vergeten, maar hopen blijf ik dat een van hen de gelofte vergeet.” Wat gebeuren moet, gebeurt. De laatste beelden verhalen dit.

In het dertiende beeld vinden we Hilarius Gottgetreu en zijn vriend Romanus in gesprek. Gottgetreu zit zwaar in de put en vertelt Romanus wat er gebeurd is. Strader is in mekaar geklapt nadat een zekere Ferdinand Reinecke hem haarfijn de gedachtefout in zijn mechanisme heeft uitgelegd. Het grote project ligt nu helemaal in duigen, nu de hoofdacteur onderuit gegaan is. Romanus die een grote voorstander van Strader was, blijft dit ook nu nog. Hij toont Hilarius dat de geestesweg een doornige weg is en dat een veldslag verliezen nog niet betekent dat de oorlog verloren is. Dingen hebben maar het belang dat wij hen toedichten. Om het wezen gaat het. Deze hartverwarmende woorden sterken Hilarius.

In de volgende scene wonen we een gesprek tussen Capesius en Felix Balde bij. Capesius vertelt Felix dat hij deze morgen in de geest tijdens de meditatie met Strader contact heeft gehad. Deze heeft hem de ware, moderne Christelijke weg getoond. Deze gaat over het levende, wils- en werelddoordrongen denken. Dit is heel wat anders is dan de luciferische wereldvreemdheid van Felix Balde.

In het veertiende beeld komt dan de jobstijding:

“Enkele uren geleden is Doktor Strader gestorven.”

Algemene ontzetting en droefenis volgt.

In het vijftiende en allerlaatste beeld van de vier mysteriedrama’s volgen we het bezoek van de verpleegster van Strader aan Benedictus. Tijdens het overlijden van Strader was Benedictus in het buitendland en de verpleegster wil hem nu persoonlijk op de hoogte brengen en tevens hem een laatste brief van Strader overhandigen. De kern van het gesprek tussen de twee ziet er uit als volgt. Benedictus:

“En als hij deze woorden nederscheef,
waar verwijlde zijne ziele op het einde nog?”

Verpleegster:

“Eerst leefde nog het laatste levensplan
in zijn denken: dan was Theodora
één met hem in de geest;
Dit gevoelend maakte zijn ziel zich
Zachtjes los van het sterfelijk hulsel.”

De liefdesband reikt tot over de drempel van de dood heen. Net zoals in de Faust delft de duivel in extremis het onderspit!

De gefrustreerde Ahriman doet tot slot nog iets heel merkwaardigs dat veel inzicht over zijn wezenlijke aard verstrekken kan. Benedictus begint de brief van Strader te lezen maar slaagt daar op het einde niet meer in. De letters beginnen voor zijn ogen te dansen. Benedictus weet niet wat hem overkomt. Hij schouwt een wezen maar herkent het eerst niet. Tot hij Ahriman herkent. De leugen geest wou hem finaal nog even verwarren. Ahriman vreest dat als de mens hem werkelijk denken kan hij vernietigd zal worden. Dit blijkt een duivels waanbeeld te zijn. Niet vernietigd moet en kan hij worden, wel verlost. Hoe dan?

“Krachtig denkend zich ook dan nog tonen,
Wanneer over het volontwaakte geestelijke schouwen
De duistere Ahriman, de wijsheid versluierend,
Des Chaos duisternis verspreiden wil.”

Dit zijn dan de laatste verzen van dit prachtige menselijke ontwikkelingsverhaal zoals Rudolf Steiner het geschreven heeft.

dinsdag 29 december 2009

Voetballen

Een mooi verhaal van Judah Bolink, gisteren in De Stentor. ‘Vergane glorie van Be Quick floreert in Ghana’ heet het:

‘Nee, de amateurs van Be Quick uit Zutphen gaan niet profclub Feyenoord achterna door óók een voetbalvereniging in Ghana op te richten of over te nemen.

Wél spelen de voetballers van FC Kantoment – een jonge club met een talentvolle jeugdafdeling uit een buitenwijk van hoofdstad Accra – sinds kort in de blauwwitte tenues van de Zutphense vereniging. Dat allemaal dankzij William Wubben, de Eefdese verdediger van Be Quick A1, die in het kader van zijn maatschappelijke stage de voetballers in Ghana een maand lang heeft mogen trainen.’

Het artikel is te mooi om het hier niet in zijn geheel weer te geven. Bovendien komt het uit de koker van een vrijeschool. Zoals iemand me onlangs liet weten: waarom halen vrijeschool alleen met negatieve verhalen het nieuws? Er vallen toch ook positieve dingen te melden? Nou en of, dat blijkt hier wel uit de maatschappelijke stage van de Zutphense vrijeschool De Berkel:

‘Daar waar het gros van zijn klasgenoten uit 5 vwo van vrije school De Berkel zich mochten uitsloven in bejaarden- en verzorgingscentra, plaatselijke winkels en binnen talloze andere organisaties, kreeg William het lumineuze idee om naar het buitenland af te reizen. Via de bemiddelende organisatie Projects Abroad vond hij al snel zijn ideale stage. In Accra, de hoofdstad van Ghana. Meteen plakte hij er – in goed overleg, dat wel – twee weken extra aan vast, want veertien dagen in het Afrikaanse land was toch net iets te kort. En zo geschiedde het dat de zeventienjarige Eefdenaar medio november plots tussen de jonge baltovenaars van FC Kantoment stond opgesteld. “Een onvergetelijke ervaring. Ooit ga ik terug, als ik het geld ervoor heb.”

William keek zijn ogen uit in het land van Kofi Annan en Christian Gyan, ooit verdienstelijk voetballer van Feyenoord. “Alles is anders, het is niet te vergelijken met Nederland. Je kunt daar niet zo maar even de markt oplopen om even iets te kopen of een taxi nemen. Gelukkig ben ik goed begeleid door de organisatie, dus wat dat betreft heb ik geen last gehad van problemen. Maar alsnog bleef het spannend, zo voor het eerst in m'n eentje in Afrika.”

Natuurlijk moest er ook gewerkt worden. “Ik heb de jongere teams van de club getraind. Die jeugdspelers nemen het spelletje uiterst serieus. Voor hen is profvoetbal een van de weinige mogelijkheden om aan de armoede te ontsnappen.”

Zoals William onbetaalbare ervaringen aan zijn stage overhield, bleven ook de Ghanezen niet met lege handen achter. Zij kregen een complete tas met tenues van voetbalvereniging Be Quick en petjes van sponsor Oldenhave Installatiegroep cadeau: “Het team onder zeventien heeft er al een toernooi mee gespeeld.”

William kreeg bovendien een stapel dvd’s in zijn schoot geworpen. Vol met wedstrijdbeelden van de Ghanese voetballers: “Ze hebben me gevraagd die hier te verspreiden. Of er iets talentvols tussenloopt? Wel voor Be Quick in ieder geval.”

Of shirtsponsor GEHA Bouw & Techniek uit Veenendaal al offertes uit Ghana heeft binnengekregen, is vooralsnog onduidelijk.’

Over positieve verhalen gesproken. Ik heb vorige maand iets gemist op de website van de Vereniging van vrijescholen. Ook daar doet men echt wel iets aan positieve berichtgeving. Onder de titel ‘Natuurlijk Groen Groep Vrijeschool Meander genomineerd voor prijs’ berichtte men op 18 november:

‘De school is al een tijd bezig om groenere en leukere schoolpleinen te ontwikkelen, hier is echter veel geld voor nodig. De vernieuwing van de schoolpleinen gaat leiden tot een rijk speel- en leerlandschap. Dat blijkt onder meer uit een vijver, een moeras, een groen buitenlokaal met grasdak, veel inheemse bloemen, planten en bomen en vergroening van hekken en muren.

Vrijeschool Meander is genomineerd! Er kan een prijs van € 10.000 gewonnen worden. Via de website www.klimaatparels.nl kunt u via publieksstemming uw stem uitbrengen. Uiteindelijk levert dit initiatief voor het wereldklimaat, maar zeker ook voor de school een flinke stap op naar een nog beter leef- en werkklimaat! Stemt allen!

Klik hier voor meer informatie over de school. De vrijescholen in Nederland ontvangen via Vrijeschool Meander over bovenstaande een bericht per e-mail.’

Of het door deze oproep komt of door iets anders, in ieder geval stond er een week later dit bericht op de website: ‘Vrijeschool Meander wint!’

‘Eerder berichtten wij u in deze rubriek over de wedstrijd. Afgelopen vrijdag kon gestemd worden en van de 45.000 stemmen had de school in Nijmegen meer dan 10.000 stemmen! Dit betekent dat de school een prijs van € 10.000 heeft gewonnen.

Maandag 30 november komt de provincie Gelderland onder begeleiding van TV Gelderland de cheque van 10.000 euro overhandigen. Klik hier voor meer informatie over de school.’

Ik heb op de website van die school rondgekeken, die is behoorlijk apart. Het kostte me veel moeite om erachter te komen dat deze school gewoon in Nijmegen staat... Het was bijna niet te vinden. Maar goed, de prijs is er niet minder om.

Eergisteren plaatste Ruud Thelosen op zijn weblog over vrijescholen een bericht met de titel ‘Identiteit van vrijescholen. Is een missiedocument de oplossing?’ Hij doet daarin verslag van een van de regiobijeenkomsten waar ik eerder over schreef (op 14 september in ‘Schoolleider’).

‘In oktober van dit jaar was de eerste van drie regiobijeenkomsten waar met geïnteresseerden gesproken kon worden over de identiteit van vrijescholen mede op basis van een door het bestuur van de vereniging van vrijescholen opgestelde discussienota. De als bijlage meegestuurde nota “project identiteit van vrijescholen” is door Annemarie Sijens opgesteld en na een aantal discussiebijeenkomsten bijgesteld. Dit onderwerp is steeds meer van belang omdat vrijescholen in de pers steeds vaker onder vuur komen te liggen en er nu gekozen is voor een proactieve opstelling.

Sinds de Vereniging van vrijescholen met de staatssecretaris van onderwijs Mevr. Tineke Netelenbos in 1998 een overeenkomst heeft gesloten waardoor alle vrije middelbare scholen zijn verworden tot een schoolgemeenschap van VMBO-t, Havo en VWO. Het gevolg is ook dat reguliere examens moeten worden afgenomen en het eigen vrijeschoolleerplan steeds meer onder druk is komen te staan. Een groep kritische ouders die na tien jaar een evaluatie van dit zogenaamde project 2000 wilden houden werden hierin niet gesteund door de vereniging van vrijescholen.

In de nota komen de volgende vragen aan bod:
1. Wat verbindt en inspireert ons?
2. Hoe verwerkelijken wij de identiteit van vrijescholen?
3. Hoe realiseren we ons ideaal op aarde?

Vrijescholen of Waldorfscholen zoals ze in het buitenland worden genoemd vormen een aparte categorie in het bijzonder onderwijs waar ook andere vormen van vernieuwingsonderwijs zoals Jenaplan- , Montessori-, Deltaplanscholen en sinds kort Iederwijsscholen toe behoren. Rudolf Steiner heeft begin 1900 de grondslag gelegd voor deze onderwijssoort die de ontwikkeling van het kind vanuit een geesteswetenschappelijke achtergrond als uitgangspunt nam. Deze vorm van onderwijs zou alleen ontwikkelingsstof moeten zijn om het unieke individu uit te dagen en te stimuleren om naar eigen aanleg en vaardigheden tot ontwikkeling te komen. Onderwijs is daarmee een vorm van opvoedkunst en geen opvoedkunde.Steiner werkte ook vanuit de visie dat ieder kind in een notendop de gehele mensheidsontwikkeling doormaakt. Het onderwijs zou daar inhoudelijk opmoeten aansluiten.

Het vrijeschoolonderwijs spreekt ook de hele mens aan in denken, voelen en willen. Kunstzinnige vakken en ambachtelijke vaardigheden bestaan naast intellectuele vorming.

Tijdens de regiobijeenkomst die geleid werd door Jan Alfrink konden drie stellingen in werkgroepen bediscussieerd en daarna plenair teruggekoppeld worden.

De stellingen waren:
1. De identiteit van de vrijeschool kan slechts tot uitdrukking komen als het lukt om de antroposofie/geesteswetenschap zichtbaar te maken.
2. De identiteit van de vrijeschool kan alleen tot wasdom komen als de schoolbeweging ook in het onderwijsveld meer haar stem laat horen.
3. Hoe kan de identiteit van een vrije school betekenis krijgen als ze zich niet op het maatschappelijk/politieke veld beweegt.

Onder de vrij kleine groep van zo’n 20 deelnemers bevonden zich enkele leerkrachten maar vooral oud-ouders en oud-bestuursleden. Vanuit die laatste twee groepen klonk vooral een hang naar het verleden toen vrijescholen nog volop in ontwikkeling waren en veel activiteiten naar buiten organiseerden. Leerkrachten, met name uit het basisonderwijs, klaagden over de geweldig toegenomen administratieve last (bijna iedere dag moet het leerlingvolgsysteem worden bijgewerkt), de weinige ruimte die naast de verplichte les- en leerstof beschikbaar is voor ontwikkelingsstof, het overmatig toetsen en de geringe betrokkenheid bij beleid en management van de eigen school.

Daarmee werd meteen duidelijk dat een breed gedragen nota of missiedocument over de identiteit geen eind zal maken aan de dagelijkse worstelingen waar een vrijeschoolleraar mee te maken heeft . Enerzijds wil hij/zij werken aan het vrijeschool ideaal en leerplan en daarnaast moet hij/zij voldoen aan de eisen van de overheid. Dat is een onmogelijke spagaat. De overheid zou tot het besef moeten komen, indachtig het onderwijssysteem in Finland, dat het onderwijs alleen een zaak is van professionele leerkrachten, ouders en kinderen.

De overheid moet vertrouwen geven en geen wantrouwen verpakken in eisen en regels!’

Dat doet me denken aan het citaat dat Ridzerd van Dijk vandaag voor de lezer in petto heeft, op zijn prachtige weblog ‘De grote Rudolf Steiner Citatensite. Citaten en fragmenten uit het werk van het grootste genie aller tijden’ (ik noemde die al eerder, op 23 november in ‘Genie’). De laatste tijd heeft hij hoe dan ook al prachtige citaten, zoals over ‘Praktisch denken’, ‘Eenvoud is niet altijd het kenmerk van het ware’ en ‘Egoïsme, Altruïsme’. Maar die van vandaag gaat over ‘Vrije scholen en onderwijsinspectie’:

‘Uiteraard beschouwt de onderwijsinspectie dat wat er op andere scholen gebeurt min of meer als ideaal. Weliswaar wordt er altijd gezegd: het ideaal kan men niet bereiken, men kan slechts zijn best doen, de praktijk van het leven eist dit of dat. Maar als men in de praktijk met de inspectie te maken krijgt, dan blijkt dat toch eigenlijk alles wat er vanuit de overheid op onderwijsgebied bestaat bijzonder goed wordt gevonden, en dat wat er is opgezet als Vrije School als een of andere gril te beschouwen. Als iets dat men doet als men niet helemaal goed snik is!’

Dit citaat is afkomstig uit ‘Geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst’, in een voordracht te Oxford, op 23 augustus 1922 (GA 305). Dat is de oude uitgave, de nieuwe is bij de Rudolf Steiner Vertalingen in 2004 uitgekomen onder de titel ‘Opvoeding en onderwijs’:

‘In augustus 1922 vond in Engeland onder auspiciën van het ministerie van onderwijs de “Oxford Holiday Conference” plaats met Rudolf Steiner als belangrijkste spreker. Bekend geworden door zijn boek De kernpunten van het sociale vraagstuk sprak hij voor een gehoor van honderden leraren, directeuren van pedagogische instituten, hoogleraren en studenten uit uiteenlopende vakgebieden. In het boek Opvoeding en onderwijs – Spirituele grondslagen zijn de negen voordrachten over vrijeschool-pedagogie bijeengebracht. Naar twee kanten vormen deze een waardevolle aanvulling op het basiswerk Algemene menskunde als basis voor de pedagogie. Om te beginnen geeft Steiner een algemene inleiding over de spirituele grondslagen van opvoeding en onderwijs en de pedagogische consequenties die daaruit voortvloeien. Zo behandelt hij de verschillende leeftijdsfasen en de bijbehorende pedagogische grondhouding. Daarnaast brengt hij allerlei concrete voorbeelden uit het vrijeschool-onderwijs, ontleend aan de ervaringen in de Waldorfschool in Stuttgart, die dan net drie jaar oud is. Marcel Seelen, leraar aan de Amsterdamse vrijeschool, belicht in het nawoord de tijdsomstandigheden en de ontvangst van deze voordrachten in Oxford. Verder neemt hij de lezer mee met een inspirerend betoog over de actualiteitswaarde van Steiners pedagogische ideeën. (WV-i2)

1e druk | gebonden | 240 blz. | € 27,50 | ISBN: 9789060385463 | Rudolf Steiner / Werken en voordrachten’

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – Hoofdredacteur a.i. van ‘Motief, maandblad voor antroposofie’, uitgegeven door de Antroposofische Vereniging in Nederland – – Bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland 2012-2014 – – Redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – Voormalig lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – –Voormalig redacteur van het inmiddels ter ziele gegane ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ , uitgegeven door een onafhankelijke stichting en niet meer verschenen sinds september 2006 – – Voormalig redacteur van ‘de Sampo’, het in 2001 opgeheven tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het eind 2006 in een fusie opgegane Heilpedagogisch Verbond (HPV)

Mijn Facebookpagina

Translate

Volgers

Herkomst actuele bezoeker(s)

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Laatste reacties

Recent Comments Widget

Zoeken in deze weblog

Wordt geladen...

Gezamenlijke antroposofische agenda (in samenwerking met AntroVista)