Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de verdrukking. Want antroposofie is niet eenvoudig te grijpen en te begrijpen. Dat geeft snel een vertekend beeld. In deze weblog wil ik ruimte geven om antroposofie, zoals zij in de media verschijnt, op haar merites te beoordelen. Vanuit een positieve instelling. Maar niet kritiekloos.

vrijdag 31 december 2010

A-typisch


Waarmee gaan we het jaar uitluiden? Ik moet zeggen dat ik niet zo’n duidelijk beeld heb bij waar dit driehonderddertigste en laatste bericht van 2010 over moet gaan. Een jaaroverzicht met een analyse van de gebeurtenissen leveren, gaat me vast niet lukken. Als ik alleen al alles hier zou moeten teruglezen... Ik ben in ieder geval aardig hoopvol gestemd. Er is een heleboel in gang in de wereld, ook in de antroposofische wereld. De negatieve ervaringen en geluiden mogen dan over het algemeen de boventoon voeren, vooral in de media, maar er is meer en anders. Vandaag nog meldt Volkskrantverslaggever Peter de Graaf Website one11 is journalistiek nieuwjaarscadeau tegen cynisme’. Hij laat daarin initiatiefnemer Bas Mesters, correspondent voor NOS en NRC Handelsblad in Italië, aan het woord:
‘“Dagelijks melden wij journalisten al het leed in de wereld”, aldus Mesters. “Dit keer is de boodschap anders: mensen kunnen iets betekenen, mensen kunnen iets veranderen.” Enkele maanden geleden bedacht hij het plan voor “one11”. Hij benaderde journalisten van diverse Nederlandse media. Tientallen correspondenten, verslaggevers, eindredacteuren, fotografen en opmakers zegden hun medewerking toe. Ook journalisten van de Volkskrant doen mee.

De website www.one11.nl begint met elf verhalen van personen die inspireren. Daarna komt er elke dag een verhaal of filmpje bij. “Geen goednieuwskrant, maar verhalen die schuren als het leven. Het is geen naïeve journalistiek, wel kritisch positief”, aldus Mesters.   Hij doet het omdat journalistiek “naast deprimerend ook inspirerend kan zijn”. Mesters: “2010 was een jaar met veel negatief nieuws. Maar er zijn ook mensen die bouwen.”’
Hugo Verbrugh maakt zich vandaag druk om Frits van Dam. Ik had het op 8 december in ‘Draai’ nog over deze secretaris van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Het thema op de ‘Middernachtszon’ is deze kersttijd de volgens Verbrugh ophanden zijnde ‘metabletische kentering’. Dat is iets waar Verbrugh het altijd graag over heeft: er is een verandering gaande in de wereld van de opvattingen van mensen, van hun bewustzijn, en hij wil daarbij maar wat graag een handje helpen om hen de goede kant op te sturen, maar weet niet goed hoe. Vandaag moet hij echter Frits van Dam in ieder geval gedeeltelijk gelijk geven met diens verontwaardiging over een proefschrift en bijbehorende promotie in het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam. Dat proefschrift gaat over acupunctuur als alternatief voor een bepaalde verloskundige ingreep, terwijl dat alternatief zo ongeloofwaardig is als wat. En dat roept natuurlijk allerlei vragen op, die Van Dam terecht stelt in een opinieartikel in NRC Handelsblad afgelopen woensdag. Het is trouwens niet Van Dam alleen, want hij wordt geflankeerd door Cees Renckens en Lukas Stalpers, zoals de website van de Vereniging tegen de Kwakzalverij al een week eerder meldde in ‘Chinese acupunctuur tegen stuitligging: een schandelijk proefschrift’. Het lijkt me dat je hierover niet veel woorden hoeft vuil te maken.

Ik richt de aandacht liever op een ander mediafeit: ons aller Jan Willem Nienhuys is niet langer hoofdredacteur meer van de website van de Vereniging tegen de Kwakzalverij! Daar hoor je niemand over, maar lijkt mij van belang. Ik zie het aan de pagina met ‘Het bestuur’, met daarop ook de redacteur van het verenigingstijdschrift alsmede de webredactie. Bij deze laatste staat sinds 11 november ‘vacant hoofdredacteur’. Dat is me nou ook wat. Ik zie hem nog komen, onze Jan Willem Nienhuys, en heb dat hier ook meerdere malen gememoreerd. De eerste keer was op 27 september 2008 in ‘Toegevoegde waarde’ (met overigens een belangrijke rol voor Jolande Sap, tegenwoordig de nieuwe voorvrouw van GroenLinks), op 25 oktober van datzelfde jaar haalde ik in ‘Uitgekomen’ voormalig webhoofdredacteur Rob Koene aan, die bewonderend over zijn opvolger Nienhuys schreef:
‘In 1997 publiceerde hij samen met Marcel Hulspas Tussen Waarheid en Waanzin: een Encyclopedie der Pseudo-Wetenschappen. Ik beschouw dit boek als een standaardnaslagwerk dat in compacte, zorgvuldig geformuleerde lemma’s informatie biedt over het hele terrein van de pseudowetenschap, waarbij de pseudowetenschappelijke geneeskunde, dat is de kwakzalverij, ook ruim aan bod komt. In 2002 beleefde het boek zijn vierde, herziene druk. Ik had het vanaf mijn start als hoofdredacteur altijd naast mijn computer liggen om snel iets op te kunnen zoeken en ik werd zelden teleurgesteld. Een juweeltje dus.’
Een jaar later, in ‘Oase’ op 15 september 2009, sprak ik in mijn reactie van 16 september 2009 21:30 zelfs een verwachting ten aanzien van Nienhuys uit. Ik schreef over een voor hun doen behoorlijk genuanceerd artikel op de website van de Vereniging tegen de Kwakzalverij, waarmee
‘een al langer, meer sluipend proces zich nu dan toch als een opvallende trendbreuk begint te tonen. Ik heb eerdere keren daar al aandacht aan besteed. Het is ongetwijfeld de invloed van webhoofdredacteur Jan Willem Nienhuys, die lijkt me hier veel meer oog voor te hebben dan de oude, verstokte garde binnen deze vereniging. Daar kom je niet ver mee, dat wordt steeds duidelijker. Of Nienhuys opteert voor opvolger van voorzitter Renckens weet ik niet. Ik verwacht het niet, als de niet-medicus die hij is. Bovendien plaatste hij laatst wel een ontzettend suf bericht over ‘Elly en Rie’, dat intussen tot een vervolgverhaal is uitgegroeid (zie http://www.kwakzalverij.nl/1155/Een_rasechte_kwakzalver_Antoine_Zuidinga). Dat was zijn statuur onwaardig en heel a-typisch voor zijn gewone manier van doen. Van Nienhuys ben ik gewend dat hij naar veel grotere en belangrijkere dingen kijkt. Ik verwacht dan ook dat hij perspectief wil en vooruit zal willen kijken, naar de overlevingskansen van deze aparte vereniging. En dan is een beleidswijziging (verschuiving kan ik beter zeggen) wel noodzakelijk. Misschien wordt dat het meest opvallende nieuwe feit van hun congres in oktober?’
En dan nu dit: een roemloze aftocht via de achterdeur! Wat is er aan de hand bij de Vereniging tegen de Kwakzalverij? Toch een gesneefde ambitie om de nieuwe voorzitter te worden, die echter wegens verstoktheid niet gehonoreerd werd? Op 5 september 2008 schreef Rob Koene nog over Nienhuys:
‘Ik ben samen met ons Bestuur erg blij dat hij bereid was de taak van hoofdredacteur van onze website op zich te nemen. U hebt op de site intussen al kunnen zien dat hij een vliegende start heeft gemaakt. Ik wens hem veel succes en hoop hem samen met de andere leden van de redactie te kunnen blijven ondersteunen in zijn omvangrijke taak.’
Hij heeft het dus net iets meer dan twee jaar uitgehouden. Opmerkelijk is ook dat de website van deze vereniging inmiddels weer volkomen bloedeloos en voorspelbaar is geworden. En Nienhuys zelf, waar is hij na 11 november gebleven? We vinden hem weer op zijn eigen stek, de ‘Skepsis Blog. Een kritische kijk op buitengewone beweringen’, waar hij zijn eigen berichten en opinies vanaf 16 november in een hoge frequentie lanceert. Dan moet hij zich bij de Vereniging tegen de Kwakzalverij toch heel erg bekneld hebben gevoeld, want nu komt alles eruit. En eerlijk is eerlijk, ik lees zijn bijdragen graag. Hij heeft een eenzijdige blik, maar hij argumenteert en heeft daarmee recht van spreken. Een kritisch geluid hoor ik altijd graag.

Een ander kritisch geluid kwam mij ter ore door een link die Barbara leverde bij ‘Stakeholders’, in haar reactie op 30 december 2010 14:36. Ik was aanvankelijk nogal sceptisch, maar er schijnt toch meer aan de hand te zijn, zoals Michael Eggert vandaag schrijft in ‘Endstation Dornach’ (ik moet zijn nieuwe weblog nu maar eens een plek in mijn blogroll geven, want daar gebeurt het nu, en niet meer zozeer bij zijn oorspronkelijke Egoisten-website):
‘Ja, endlich ist “Endstation Dornach” da – oder vielmehr in Aussicht, das heitere Gemeinschaftsprojekt von Felix Hau, Ansgar Martins, Christoph Kühn und Christian Grauer. In Aussicht deshalb, weil sich erst ein paar Hundert Subskribenten finden müssen, bevor die In-Druck-Legung finanziell möglich ist.

Das Buch beschäftigt sich laut Website damit: “Was kommt heraus, wenn sich vier in ganz unterschiedlicher Weise mit der Anthroposophie verbundene Menschen auf eine Reise begeben, die nur einem Zweck dient: persönlich und gleichermaßen distanziert, so leidenschaftlich wie abgebrüht, aber immer mit großem Spaß und tiefem Ernst über Rudolf Steiner und die von ihm begründete Weltanschauung zu reflektieren und zu streiten?” Da es hier auch eine Leseprobe gibt – zum Thema Klischee vom typisch anthroposophischen Wohnambiente –, kann man einigermaßen abschätzen, was einen erwartet bezüglich des Buches.

Ich finde es witzig, aber nun nicht gerade in der dreckigen englischen Art. Hier herrscht kein anarchischer Monty-Python-Humor, kein Pinscher, der einem ans Bein pinkelt, hier ist der Witz wohl portioniert und meist ein wenig vorhersehbar. Es ist eher so, wie man sich wohl als Sohn milde über sein anthroposophisches Elternhaus mokiert, einschließlich der Schrullen von Mutti. Die Anthroposophie erscheint hier gewissermaßen im Gewande einer neurotischen Anthromutti. Auch die Illustrationen zum Buch sind milde, in sanftem Stil. Vielleicht wird das das eine Problem des Buches sein: Es ist zu brav, um wirklich zu ärgern. Aber erst wenns juckt, kratzt man sich.

Aber warten wirs ab. Es ist ehrenwert, einen ernsthaften Beitrag zum anthroposophischen Humor beigetragen zu haben, denn der ist echt rar gesät. Wir wünschen dem Projekt alles Gute!’
Okee, dan wachten we het af, hoe serieus dit initiatief is. Het lijkt me qua stijl een vervolg, maar dan uitgebreid met enkele mensen, van wat ik op 9 december in ‘Tongue-in-cheek’ weergaf als reportage van Ansgar Martins en Felix Hau op hun tocht door Dornach en omstreken. We zullen er in 2011 ongetwijfeld meer van te weten komen. Dat is óók een vooruitzicht.
.

donderdag 30 december 2010

Digitale herdruk

Het einde van het jaar nadert. Tijd om terug te blikken. Dat doet ook Bart Hommersen in Vruchtbare Aarde wintereditie 4-2010. Op de website van dit tijdschrift staat een rijdkom aan artikelen aangekondigd. Ik kies er twee uit.
‘Vruchtbare Aarde gaat een aantal gouden interviews digitaliseren – Erna Casparé, afl. 1
Over levenskunst en ouder worden

Vreemde gewaarwording: de ontdekking dat je een bijzonder interview uit 1994 graag zou willen plaatsen in Vruchtbare Aarde, ware het niet dat het interview al in een eerdere editie heeft gestaan. De oplossing? We bieden de lezers van Vruchtbare Aarde digitaal toegang tot het interview. Eerste van een serie digitale herdrukken: de tijdloze inzichten van de toen 96-jarige Erna Casparé.

“Terugkijkend op mijn leven ga ik hoe langer hoe meer zien waarom de dingen gegaan zijn zoals ze zijn gegaan,” zei de toen 96-jarige Erna Casparé in een gedenkwaardig interview met Vruchtbare Aarde. “Ik beleef langzamerhand wat er in mij gebeurt. Ik ga de richting van mijn leven zien. En dat geeft werkelijk vertrouwen en rust.” Een gesprek waarin het wonderlijke vermogen aan bod kwam van een 96-jarige om nog voortdurend nieuwe dingen te ontdekken. “We zoeken in het leven altijd naar een eindresultaat. Maar we moeten het doel afwachten; wachten wat er komen wil. Dan komen de dingen op een moment dat je ze niet verwacht. Dat is wat in mijn eigen leven zo beleef: de ene na de andere verrassing.”’
En inderdaad, op de website is het gehele interview van zes pagina’s in te zien, via de beproefde Issuu Free Publishing methode. Dan is er ook dit item:
‘Heruitgave VA’s populairste editie aller tijden
Chartres en het raadsel van het labyrint

Of we niet eens aandacht wilden besteden aan het labyrint. Met die vraag van een lezer is het in 2003 begonnen. Editie 4-2003 zou geheel in het teken komen te staan van een reis naar Chartres en het bekendste labyrint ter wereld. De Nieuwe Boekerij in Zeist zorgde voor een verkooprecord van 125 exemplaren. En het nummer was al spoedig uitverkocht. Plannen om de Special te herdrukken zijn er altijd geweest. Elk jaar werd de redactie wel een paar keer benaderd met de vraag of we niet toch nog een laatste exemplaar hadden liggen. Het eerste jaar misschien nog wel, daarna niet meer. De twee laatste exemplaren bewaren we zogezegd in een kluis. Maar nu is de Special dan toch opnieuw uitgegeven. Deze keer niet in een papieren, maar in een mooi digitaal jasje.

“De belangrijkste vraag die onze westerse cultuur zich de afgelopen 500 jaar heeft gesteld is de vraag of iets juist of niet-juist is. Het doolhof is daar altijd het symbool van geweest. Kijk naar onze scholen, waar nog steeds de fouten van leerlingen geteld worden om erachter te komen of ze al of niet begaafd zijn. Het labyrint biedt een heel andere uitdaging. Het labyrint legt niet de nadruk op goed of fout, maar zegt: loop of sta stil,” aldus de Oostenrijkse bioloog, fotograaf en labyrintenkenner Gernot Candolini. “Ooit leefden we in het tijdperk van het labyrint. Tegenwoordig leven we in het tijdperk van het doolhof. Maar we staan aan de vooravond van een nieuw tijdperk van het labyrint.”

Bart Hommersen doet ook nog een ‘Liefdesverklaring aan Tati’, met allemaal links en vier trailers. In zijn redactionele inleiding bij dit winternummer, getiteld ‘De weg naar het midden’, komt hij eveneens op films te spreken:
‘Mooi om te zien hoe sterk het labyrintische thema vertegenwoordigd is in Ingmar Bergmans grote film Fanny & Alexander. Luister naar het verhaal dat de oude Isak de kinderen Fanny en Alexander vertelt. Het verhaal van een reiziger die doelloos over een kale vlakte reist. Niet meer wetend waarom hij ooit op reis is gegaan noch waarheen de weg hem voert.

Een prachtig symbolisch beeld. Veel van de hoofdpersonen in Bergmans film worstelen zich op vergelijkbare manier een weg door het leven. Ontevreden met zichzelf; ontevreden met de wereld. De een wentelt zich in zelfbeklag over het ouder wordende lichaam; de ander zakt weg in drankzucht of zoekt houvast in een overgeorganiseerd leven.

Als kijker hebben we in het begin nog iets mogen proeven van de hunkering naar “het andere”. De jeugdjaren van Fanny en Alexander. De vanzelfsprekende koestering van de verbeelding – de fantasie, de wereld van schimmen en inspiratie.

Na de dood van hun vader verlaten Fanny en Alexander het ouderlijk huis, om hun intrek te nemen bij hun stiefvader. Niets mogen ze meenemen. Zelfs geen knuffel. “Je bent een kind, en jouw probleem is dat je geen verschil ziet tussen leugen en waarheid,” krijgt Alexander te horen van zijn stiefvader. Een man die het hakmes van zijn oordeel inzet om goed en kwaad te scheiden; de realiteit opbouwend uit losse objecten – zonder enige samenhang. Een wereld die Alexanders moeder uiteindelijk te klein wordt; waarin ze geen lucht meer zegt te kunnen krijgen. “Ik ben opgesloten,” zegt ze ten einde raad tegen haar schoonmoeder. “Ik ga daar dood.”

Alexander lijkt symbool te staan voor de “reiziger” die het contact met “thuis” nog niet helemaal kwijt is; Alexanders stiefvader, de lutherse bisschop, de man van “goed” en “kwaad”, van “juist” en “niet-juist”, is een treffend symbool van de reiziger die de weg in het doolhof  kwijt is geraakt – compleet afgesneden is van het leven.

Maar achter de woestijn waarin de hoofdrolspelers ronddolen, wacht in het verhaal van de oude Isak een nieuwe wereld. De jonge reiziger schuift aan bij een kampvuur, waar een oude man vertelt over bossen en bronnen. Vaag herinnert de jonge reiziger zich nu ook beelden van bossen en bronnen. Een wereld die hij ooit gezien moet hebben. Een wereld die de meeste mensen niet meer kennen. “Ik ben er zelf ooit geweest,” zegt de oude man. “Toen ik jong was. En nu probeer ik de weg terug te vinden”.

“Ooit leefden we in het tijdperk van het labyrint,” zegt de Oostenrijkse labyrintenkenner Gernot Candolini in VA’s Chartres Special. “Nu leven we in het tijdperk van het doolhof. Doolhoven zijn altijd het symbool van juist en niet-juist geweest. De vraag naar goed en fout is de belangrijkste vraag geweest die onze Westerse cultuur zich de afgelopen vijfhonderd jaar heeft gesteld. Kijk naar onze scholen, waar nog steeds de fouten van leerlingen geteld worden om erachter te komen of ze al dan niet begaafd zijn. Het labyrint biedt een heel andere uitdaging. Het labyrint legt niet de nadruk op goed of fout, maar zegt: loop of sta stil.” Inmiddels staan we volgens Candolini aan de vooravond van een nieuw tijdperk van het labyrint.

Het zijn zangtherapeuten als Jan Kortie, dichters als Jan Graafland en filmmakers als Jacques Tati en Ingmar Bergman die ons een bemoedigend steuntje in de rug geven; die de vastgeroeste patronen uit de woestijnperiode in beweging weten te krijgen; en met hun zang, hun gedichten en hun filmische beelden het uitgedroogde lijf van de vermoeide dolenden de weg helpen terugvinden van het kronkelende, labyrintische pad, dat – zoals we allemaal weten – uiteindelijk in het midden zal uitkomen.

Bart Hommersen

Het bovenstaande vormt de redactionele inleiding tot VA’s herfsteditie 4-2010. Een vijf pagina groot essay over Bergmans film Fanny & Alexander publiceerden we in editie 4-2007. De film is december 2010 weer opgenomen in VA's Webwinkel.’
VA’s herfsteditie 4-2010 klopt natuurlijk niet; dat moet wintereditie zijn. En morgen is het Oudjaar!
.

woensdag 29 december 2010

Stakeholders


Dit is een scheve Seine (door mijn toedoen), maar wel op een  moment dat die nog niet dreigde over te stromen, zoals momenteel het geval is, precies honderd jaar na de vorige keer...

Sommige dingen snap ik niet. Schreef ik op 31 augustus in ‘Filosofie’ over de ‘Nieuwsbrieven’ van de Netwerkuniversiteit (NU) van het Bernard Lievegoed Fonds, waarvan onlangs de nummers 21 tot en met 24 waren geplaatst, vind ik daar nu als nieuwste nummer 21 van 7 april 2010... Maar het maakt niet zo veel uit, want via de mail ontving ik net voor Kerstmis nummer 30, met deze inhoud, zoals gebruikelijk ondertekend door Max Rutgers:
‘Met deze laatste Nieuwsbrief van het jaar 2010 wens ik u een heel goede Kersttijd toe en een, ook in wetenschappelijk opzicht, vruchtbaar en vreugdevol 2011. Maar is er ook nog nieuws: twee nieuwe publicaties, en de Netwerkuniversiteit wordt binnenkort 3! Er zijn namelijk wederom productieve collega’s aan het werk geweest. Zij stuurden ons hun publicaties toe. Graag maken wij u attent op hun werk, waarvan wij de samenvattingen en hoofdstukindeling als pdf meesturen.

Het andere belangrijke nieuws is dat de Netwerkuniversiteit bij haar derde verjaardag “in nieuw vaarwater zal komen”. Hoe dat eruit gaat zien hoort u tegen die tijd van het bestuur van het Lievegoedfonds. Voor ondergetekende betekent dit dat na drie jaar van opbouw van de Netwerkuniversiteit anderen dit mooie werk zullen overnemen. Het leek mij goed om de resultaten van die periode – mede door uw inzet tot stand gebracht – eens op een rij te zetten. U kunt die resultaten lezen in het overzicht Netwerkuniversiteit periode 2008-2010.

Twee interessante publicaties:

1. Marko van Gerven MD en Christa van Tellingen MD: “Depressive Disorders, An Integral Psychiatric Approach”
Sinds 2001 wordt door een aantal medici, onder wie met name de NU-leden Guus van der Bie en Christa van Tellingen de Engelstalige Bolk’s Companions uitgegeven. Deze companions over basale medische onderwerpen (zie ook www.louisbolk.org/index.php?page=bolk-s-companions), behandeld vanuit de fenomenologie, hebben dank zij internet en de lage prijs een wereldwijde verspreiding gekregen van nu al meer dan 24.000 exemplaren (!). De meest recente uitgave is van psychiater Marko van Gerven (NU-lid en bestuurslid van het Lievegoedfonds) en co-auteur Christa van Tellingen en heeft als titel: Depressive Disorders, An Integral Psychiatric Approach. Zie ook: www.louisbolk.org/index.php?page=publicatie&pubID=2391

2. Dr. Huib G. van de Doel: “Als de hemel is versleten, trekt u nieuwe kleren aan”
NU-lid Huib van den Doel is van huis uit filosoof, theoloog en letterkundige en werkte tientallen jaren in bestuursfuncties in de (antroposofische) gezondheidszorg. Wetenschappelijk bleef en blijft hij tot op heden productief met publicaties op het gebied van de kerkgeschiedenis, letterkunde, onderwijsvernieuwing, pedagogie en zorg. In zijn nieuwste studie met de titel “Als de hemel is versleten, trekt u nieuwe kleren aan” neemt Van den Doel ons mee in een belangrijke periode die bepalend is geweest voor de richting die wetenschap en religie in de Nieuwe Tijd (15e eeuw en daarna) zijn gegaan. Lijnen worden getrokken van het neoplatonisme en hoe zich dit vanuit Rome in Noord-Europa verspreid heeft. De auteur beschrijft ook hoe Rudolf Steiner en de arts Ita Wegman “het neoplatoonse gedachtengoed getransformeerd hebben naar het werkgebied van geneeskunst en zorg.”

Ik wens u veel leesgenoegen, met een hartelijke groet van
Max Rutgers van Rozenburg
Netwerkuniversiteit Bernard Lievegoed Fonds’
Dan wil ik graag ook weten wat dat overzicht Netwerkuniversiteit periode 2008-2010 behelst. Dat blijkt een prima samenvatting en verantwoording van al het gebeurde te geven, onder de titel ‘Beeld van de Netwerkuniversiteit 2008-2010’:
‘1. Ontstaan en start

Het Bernard Lievegoed Fonds (BLF) werd eind 2006 opgericht [1] met als primaire opgave antroposofisch wetenschappelijk onderzoek te subsidiëren. Reeds na korte tijd bleek echter dat kwaliteit en kwantiteit van de aanvragen tegenviel en werd besloten tot het starten van de Netwerkuniversiteit. In het BLF werkplan 2007-2009 werd dienaangaande vermeld: “Het fonds stimuleert daarvan afgeleid – (d.w.z.: van de doelstelling om ... Nederlands antroposofisch wetenschappelijk onderzoek te stimuleren) – de vorming van een netwerkuniversiteit waarin (antroposofische) wetenschappers voor ideeënuitwisseling en ontmoeting ... bijeenkomen. Het fonds verzorgt daartoe de coördinatie en financiering.”

Begin 2008 heeft Max Rutgers van Rozenburg de taak op zich genomen van opbouw (“from scratch”) en coördinatie van de Netwerkuniversiteit. Begin 2011 zal hij deze functie overdragen.

2. 2008, het startjaar

Direct werd begonnen met de opbouw van het ledenbestand. Nadat duidelijk was waar de NU voor stond kwamen er veel aanmeldingen, waarna het bestuur de criteria van lidmaatschap en de procedure vaststelde. Aan het eind van 2008 was het bestand reeds uitgegroeid tot ruim 100 leden. In mei 2008 vond de eerste werkbijeenkomst plaats met als vraag “wat kan worden verstaan onder antroposofische wetenschappelijk onderzoek?” Daaraan werd door 55 leden deelgenomen. In het najaar werd de tweede werkbijeenkomst voorbereid die plaatsvond medio januari 2009. Triodos Bank stelde haar ruimte ter beschikking voor deze en latere conferenties.

3. 2009, het eerste volle jaar

Het werd belangrijk gevonden om in de eerste jaren van de NU met de leden te werken aan een gemeenschappelijke basis van de antroposofische onderzoeksmethodologie. De tweede ledenbijeenkomst op 30 januari 2009 kreeg dan ook als titel “Eenheid en verscheidenheid in antroposofisch wetenschappelijk onderzoek”. Naast “ontmoeting en uitwisseling” was de inzet van deze bijeenkomst “de vraag in hoeverre de antroposofische wetenschap een eenheid in methode vormt of juist bestaat uit een diversiteit aan verschillende benaderingen”. De aanmeldingen waren wederom zeer goed (65), doch enigszins getemperd door de toen heersende griepepidemie.

In 2009 werd ook de basis gelegd voor een aanpak die later zeer vruchtbaar bleek te zijn. 60 personen (waaronder beleidsmakers, managers en wetenschappers) werkten in juni 2009 intensief aan de studie “Gaia Logica” van Kees Zoeteman. Na een voorbereiding in het najaar van 2009 heeft een werkgroep van ± 15 personen zich aansluitend in een tweetal bijeenkomsten gebogen over de eerste inhoudelijke uitwerkingen van Kees Zoeteman (onderzoeksrichtingen en een op te richten adviesraad). Inmiddels is – in september 2010 – een groep van zes wetenschappers gestart met de Scoping study “Perspectives for ether technology”.

Op 11 september 2009 werd in het kader van Darwin’s 200ste geboortejaar met ± 60 leden de werkconferentie “Hoe willen we dat de geest van Darwin onze toekomst vormt?” gehouden. Vier wetenschappers leidden in aan de hand van de vraag: “Wat is de invloed van het darwinistisch denkmodel in de gebieden economie, resp. biologie, onderwijs en geneeskunde?”

Later in het najaar konden de leden twee boekpresentaties bijwonen van publicaties die mede door het BLF tot stand waren gekomen:
1. Op 9 oktober te Amsterdam de presentatie van het boek “Dwarskijken op Darwin” van Jan Diek van Mansvelt, en
2. op 19 oktober bij Orion in Rotterdam de presentatie van “De Kunst van het Zorgen” geschreven door Hans Reinders en Karen Wuertz.

Medio september 2009 vond het eerste gesprek plaats met Hans Nijnens (alg. directeur Weleda Nederland BV) die met wetenschappers van de NU wilde werken aan een publicatie over de inrichting van een nieuwe gezondheidszorg. Dit leidde een jaar later tot de conferentie “Impulsen in de Gezondheidszorg”, die recent plaatsvond op 10 september 2010.

Geïnspireerd door het succes van de conferentie “Bewustzijn voorbij de grenzen” in februari 2009 is nog voor de zomer van 2009 door de NU contact gezocht met VUconnected. Een besluit tot het samen organiseren van openbare conferenties was snel genomen, naar aanleiding waarvan de staf van VUconnected ook deelnam aan onze “Darwin-conferentie” in september van dat jaar.

Tenslotte: de in 2008 gestarte Nieuwsbrieven voor leden werden in 2009 voortgezet. Eind december verscheen No 16.

4. 2010, het derde jaar

Met het symposium “Brein of Bewustzijn” dat de NU in samenwerking met VUConnected op 12 maart 2010 kregen “antroposofische wetenschappers” de mogelijkheid om in debat met reguliere wetenschappers te laten zien waar zij voor staan. Geen gemakkelijke opgave, zo bleek. Met 220 deelnemers was de belangstelling groot. Uit een evaluatie is nuttige informatie voor de debaters en de gespreksleiding naar voren gekomen. Naar aanleiding hiervan hebben zowel VUconnected als de NU elkaar kenbaar gemaakt de samenwerking te willen voortzetten.

Op initiatief van en in samenwerking met de Iona Stichting organiseert de NU dit jaar twee werkbijeenkomsten naar aanleiding van en aan de hand van Jaap Sijmons’ dissertatie “Phänomenologie und Idealismus”. Bijna 60 deelnemers werden door hem op 9 april jl. “ingeleid” en konden zich, aangespoord door zijn enthousiasme, vervolgens voorbereiden op de tweede bijeenkomst op 19 november 2010, eveneens gehouden “onder de rook van het Academiegebouw van de Universiteit Utrecht”.

Op vrijdagmiddag 10 september 2010 werd wederom in de ruimte van Triodos Bank de “Invitational conference, Impulsen voor een toekomstige gezondheidszorg” gehouden. Na het eerste contact een jaar daarvoor is een initiatiefgroep van de Iona Stichting (Jan Huisman en Ignaz Anderson), de Netwerkuniversiteit (Marko van Gerven) en Weleda (Hans Nijnens) van start gegaan. De conferentie was “op uitnodiging” van de vier initiatiefnemers. Met tien inleiders en in totaal 120 deelnemers, onder wie ook een (beperkt!) aantal leden van de NU, werd het een zeer levendige conferentie met goede inhouden en initiatiefkracht. Wat hieruit komt, hangt af van de mate waarin de initiatiefgroep kans ziet om impulsen en ideeën in daden om te zetten. Daaronder zijn onder meer de beoogde publicatie waarmee het initiatief ooit was gestart, een openbaar te maken manifest waarbij ook een grote zorgverzekeraar een rol zal spelen, en een in 2011 of 2012 te organiseren vervolgconferentie eventueel i.s.m. Zorginspiratie Nederland.

5. Perspectief vanaf 2011

Na de alom gewaardeerde resultaten van de Netwerkuniversiteit in de periode 2008-2010 is het bestuur van het BLF doende nieuwe plannen te ontwikkelen voor de komende jaren.

Voor 2011 zijn voorshands de volgende lijnen uitgezet:
1. Economie.
Tot dusver is dit onderwerp nogal onderbelicht gebleven, m.u.v. de inleiding van Cees Zwart in september 2009 (invloed darwinistisch model in de economie). De maatschappelijke situatie (economie – ecologie – cultuur – politiek) laat de noodzaak zien om (ook) te werken aan nieuwe paradigma’s in de economie. Dit bracht de NU in contact met de Economy Transformers. Wetenschappers uit de kring van de NU wordt gevraagd om het streven van deze “beweging” mede wetenschappelijk te onderbouwen (zie ook de oproep in de Nieuwsbrief van 7 oktober jl.) Ook met VUconnected wordt het thema economie verder ontwikkeld.

2. De vrijheidsimpuls van de islam
Aanleiding is het binnen enige tijd bij Christofoor te verschijnen boek “De vrijheidsimpuls van de Islam” van John van Schaik, Christine Gruwez, Cilia ter Horst en Ibrahim Abouleish. Op 18 maart en 29 april 2011 worden twee werkbijeenkomsten gehouden voor een leden van de NU. Dit kan tevens dienen als aanloop voor een i.s.m. VUconnected te organiseren conferentie over dit thema, dat dan “breder getrokken” zal worden.

3. Betrokkenheid bij onderzoek
Zoals hierboven reeds vermeld is in september jl. een groep van zes wetenschappers (van wie drie lid van de NU) gestart met de Scoping study “Perspectives for ether technology”. De eerste resultaten zullen in maart 2011 op papier staan. Een klankbordgroep is geformeerd met twaalf personen, onder wie vier NU-leden. Voorgenomen is om medio 2011 de onderzoeksresultaten in een conferentieverband met max. 100 deelnemers te presenteren, waarna vervolgonderzoeken zullen volgen.

4. Onderwijs. Er wordt structureel (te) weinig onderzoek gedaan op het gebied van de antroposofisch gefundeerde pedagogie. Om dit in Nederland op gang te krijgen wordt een gezamelijke aanpak met de hogeschool Helicon (PABO), de VVS (Vereniging van Vrijescholen), Schoolbegeleidingsdienst en de NU aanbevolen. Door bestuurswisselingen is dit nog niet tot stand gekomen.

6. Leden en belangstellenden: stakeholders van de Netwerkunversiteit

Zoals hierboven vermeld heeft zich vanaf de start in 2008 snel een groep van wetenschappers gevormd die zich “lid van de Netwerkuniversiteit” kunnen noemen. Dit aantal is in ca 1,5 jaar tot stand gekomen en groeide daarna nauwelijks meer. De huidige stand: 105 leden. Praktisch alle leden werden door een bestuurscommissie getoetst. Er waren naast leden ook personen die zich actief meldden als geïnteresseerde en personen die niet aan de eisen voldeden, en ook waren er personen die wel aan de eisen voldeden maar niet lid wilden worden. Omdat de “Nieuwsbrief” in de loop der tijd een steeds belangrijker instrument bleek voor aankondigingen maar ook voor de “PR” van de NU, vormde de groep belangstellenden zich a.h.w. om tot de groep van stakeholders van de Netwerkuniversiteit. De oplage is nu ± 500.

7. Nieuwsbrieven

In het eerste jaar ontstond vanuit de logica van de communicatie en vanuit de noodzaak de leden te “bundelen” als vanzelf de Nieuwsbrief. Ultimo 2009 verscheen No 16. Eind december 2010 verschijnt No 30. De ontvanger kan zich ook uitschrijven.

8. Met verschillende organisaties is samenwerking opgebouwd met de Netwerkuniversiteit:

Antroposofisch wetenschappelijk onderzoek zal beter gedijen naarmate deze meer tot stand komt in een open en transparante uiteenzetting met andere wetenschapsbeoefenaren en de instituten waartoe deze eventueel behoren. Om die reden streeft de Netwerkuniversiteit naar samenwerking met andere instellingen met verwante doelstellingen of met instellingen die een appel doen op een bijdrage van de Netwerkuniversiteit .

Het samenwerkingsbeeld ziet er thans zo uit:
1. gezamenlijk openbare symposia organiseren met VUconnected en bijeenkomst in het Academiegebouw van de Universiteit Utrecht, waardoor de Netwerkuniversiteit, zij het bescheiden, zichtbaar is geworden in de universitaire wereld;
2. gezamenlijk werkbijeenkomsten organiseren met de Iona Stichting en (bijv.) Zorginspiratie Nederland;
3. met Weleda Nederland BV, gericht op vernieuwing gezondheidszorg met inbreng wetenschappers van de NU.

Triodos Bank NV

Vanaf de start heeft de Netwerkuniversiteit grote materiële steun ontvangen van Triodos Bank NV en van Triodos Foundation, ook doordat conferentieruimte en catering om niet beschikbaar werd gesteld.
De dankbaarheid daarvoor is zeer groot.

Max Rutgers van Rozenburg
december 2010

1. Oprichters: Ron Dunselman (voorzitter Antroposofische Vereniging in Nederland (AViN), Max Rutgers van Rozenburg (penningmeester AViN), Bert Vroon (voorzitter Lievegoed Fonds) en Ted van den Bergh (directeur Stichting Triodos Foundation).’

dinsdag 28 december 2010

Bezorger

Ik heb hier al dikwijls melding gemaakt van de vrijeschool in Emmen. Dat had geen bijzondere reden; gewoon omdat nieuws daarover voorhanden was. Het meeste trouwens dit jaar. In chronologische volgorde: 23 april 2009 ‘Emmen nu’, 16 maart 2010 Beschaving’, 25 maart ‘Gerecht’, 13 mei ‘Interim’, 6 juni ‘Cross-over’, 5 september ‘Sigaretten’, 8 oktober ‘Stroeten’, 10 november ‘Sint Maarten’. Rechtvaardiging genoeg om er nu opnieuw aandacht aan te besteden, maar dan vanuit héél andere hoek. Bram Logger schrijft vandaag in Trouw over ‘Het nachtleven van de krant’, dat gaat van ‘Amsterdam > Amstel > A6 > Drachten > Beilen > Emmen > Barger-Oosterveld’:
‘Normaliter valt voor zeven uur ’s morgens de ochtendkrant in de bus. Voordat de abonnee die openvouwt of in de haast bij zich steekt, heeft het dagblad al een nachtelijk leven achter de rug.

Deze week bellen ze weer aan: de krantenbezorgers die u met een kaartje het beste voor het nieuwe jaar toewensen. En of u misschien een kleine fooi over heeft voor de bezorging, dag in dag uit, door weer en wind.

Ze verdienen het, de jongens, meisjes, vrouwen en mannen die zich iedere ochtend in alle vroegte op de fiets wagen. Maar ze zijn niet de enigen die ervoor zorgen dat Trouw iedere dag in een betaalde oplage van 91.000 bij lezers belandt.

Nederland is ’s nachts één groot raderwerk van krantendistributie. Vrachtwagens, busjes, auto’s en fietsen doorkruisen het donker om de 4,6 miljoen dagelijks gedrukte ochtendkranten op tijd te bezorgen. Tienduizenden verdienen er hun brood mee.

Voor dagbladuitgevers is het een peperduur precisiewerkje. Het fijn vertakte distributiemodel is alleen al goed voor een kwart van de kostprijs van een krant. En als er één radertje hapert, leidt dat meteen tot klachten. Gemiddeld krijgt iedere Trouw-abonnee zijn krant eens per jaar niet of te laat bezorgd.

Papier, inkt en drukpersen vormen samen nog een kwart van de kostprijs. In directiekamers van dagbladuitgeverijen wordt daarom wel gedagdroomd over een digitale toekomst. Als iedere abonnee zijn krant zou lezen op een e-reader of iPad, zou dat het product – zonder druk en distributie – in theorie al de helft goedkoper maken.’
Volgt een uitvoerig verhaal, waarin alle verschillende, hierboven vermelde stations worden gevolgd, om uiteindelijk in Barger-Oosterveld uit te komen. Overigens gaat het niet alleen om Trouw van uitgeverij De Persgroep, maar ook om de Volkskrant, en andere kranten: NRC Next, Het Financieele Dagblad en het Nederlands Dagblad. De distributiekosten moeten immers door gezamenlijke actie gedrukt worden, net als (die van) de kranten zelf. En daar staat het dan:
‘Langs het stadion van FC Emmen gaat het naar Barger-Oosterveld. Officieel gemeente Emmen, maar voor de bewoners nog steeds een dorp van drieduizend zielen. Houdijk laadt een stapel kranten uit de auto en legt die in een plastic doos in een voortuin. Dan rijdt ze verder, de provincie in.

Jeroen Zijlstra staat iedere ochtend om half zes op. In huis hangt de geur van vers brood uit de broodbakmachine. Hij werkte als wiskundedocent op een gymnasiun in Utrecht, maar volgde zijn vrouw die leerkracht werd op de Vrije School in Emmen. Zijlstra studeert nu voor koordirigent aan het conservatorium. “Met drie kinderen heb je bijna nooit een moment voor jezelf. En aan sporten kwam ik ook al niet toe. Daarom dacht ik: een krantenwijk is zo gek nog niet. Dan combineer ik die twee dingen.”

Zijlstra haalt de kranten uit de plastic bak in zijn tuin. Onderaan de trap sorteert hij ze, in gedachten de adressen aflopend. Van de 80.000 dagbladen die in Amsterdam werden ingeladen voor de rit naar het noorden, zijn er nu nog 44 over. Trouw heeft in Barger-Oosterveld zeven abonnees. De kranten gaan in de rieten mand voorop Zijlstra’s fiets.

“Toegegeven, in augustus is het een fijnere bijbaan”, merkt de jonge vader droogjes op. Glibberend gaat het door de straten van Barger-Oosterveld. De stoepen zijn ijsbanen, sommige brievenbuskleppen zitten vastgevroren. Zijlstra kent de wijk op zijn duimpje. Weet precies waar hij iedere ochtend wordt begroet door een hond, en hoeveel kranten hij in een plastic zak voor de buurtsuper moet achterlaten.

Trouw-lezers lijken hier geen ochtendmensen. Bij geen van de zeven abonnees brandt licht.

Normaal doet Zijlstra 40 minuten over zijn krantenwijk. Door gladheid en de aanwezigheid van een fotograaf en journalist nu twee keer zo lang. Thuis zitten vrouw en kinderen inmiddels aan het ontbijt. De klus zit erop. Officieel moeten alle kranten bezorgd zijn voor zeven uur ’s morgens. Ondanks het weer is dat bijna gelukt.

Daarmee zit de nachtelijke reis over vele schijven erop. Voor vandaag dan. Morgen vinden nieuwe kranten hun weg van redactie naar abonnee. Enkele reis van Amsterdam naar Barger-Oosterveld. En alle andere steden en dorpen van Nederland.’
Prachtverhaal. In de papieren krant staan er bovendien prachtige foto’s bij, die ontbreken op de website. En goed dat het weer eens een keer is opgeschreven, dat hele proces om nieuws op de mat te krijgen. Dat is een cultuur die je moet koesteren.
.

maandag 27 december 2010

Opbouw


‘Het is erg rustig op het moment in het antroposofische publicitaire veld. Dat komt waarschijnlijk door de herfstvakantie. Dat biedt mij mooi de mogelijkheid om even iets anders aan te snijden, iets heel studieus. En ook heel Duits. Daarvoor grijp ik weer terug op maandblad “Die Drei”, zoals ik vaker heb gedaan.’
Zo begon ik op 23 oktober in ‘Verborgen wetenschap’ en ik kan het nu herhalen. Wat ik bij deze ook doe. Het enige verschil is dat de herfstvakantie is ingeruild voor de kerstvakantie. Vandaag eenzelfde soort opbouw als twee maanden geleden. Ik had een tekst van Günther Röschert, die het maandblad ‘Die Drei’ aanprees en duidelijk maakte dat het te weinig belangstelling kreeg vanuit kringen waarvan je het wel mocht verwachten en dat dit de verdere ontwikkeling en zelfs het voortbestaan van het blad bedreigde. In het decembernummer staan nu inleidende woorden van de uitgever, onder de titel ‘Der Herausgeber verabschiedet sich’. Deze zijn van Karl-Martin Dietz, die op luchtige en tegelijk ironische manier vertelt van zijn ervaringen, waarbij de ondertoon echter zeer serieus is. Het biedt meteen een inkijkje in de recente historie van het antroposofische publiciteitswezen. Niet onbelangrijk hierbij is in herinnering te roepen dat in 1995 een grote crisis bij het weekblad Das Goetheanum was uitgebroken, dat niet anders opgelost kon worden door eind dat jaar de gehele reactie te laten vertrekken. Ik bedoel dan niet wat ik 22 december in ‘Controvers’ beschreef (over Prokofieff en Tomberg), maar wat ik heb aangehaald in mijn nawoord bij ‘De christelijke inwijding en de mysteriën van de oudheid’, waarvan de inhoud op internet te vinden is, zoals gisteren in ‘Jong’ aan bod kwam. Binnen die context is deze geschiedenis ook te lezen (die overigens niet op internet staat, daarom geen link):
‘Liebe Leser,
nach 14 Jahren verabschiede ich mich zum Jahresende als Herausgeber der Zeitschrift Die Drei und gebe den Stab weiter an Justus Wittich.

Im Jahr 1996 gab es einen Anlass, über eine Neuordnung der Herausgeberschaft für Die Drei nachzudenken. Sie war bis dahin einfach »herausgegeben von der Anthroposophischen Gesellschaft in Deutschland«. Weder war das Verhältnis der Redaktion zum Herausgeber geklärt, noch war innerhalb des Arbeitskollegiums klar, wer sich um Die Drei zu kümmern hatte. Mein Vorschlag, dazu ein Mitglied des Arbeitskollegiums namentlich zu benennen, fand Zustimmung, und nach dem beliebten Bumerang-Prinzip war ich der Auserwählte. Ich machte zur Bedingung, in einem Redaktionsstatut die Aufgabenverteilung zwischen Redakteur und Herausgeber kenntlich zu machen, und entwarf ein entsprechendes Papier, das bis heute in Kraft ist. Es überträgt die volle Verantwortung für das Tagesgeschehen (die monatlichen Hefte) an den Redakteur: Ein unmittelbarer Eingriff in die redaktionelle Tätigkeit seitens des Herausgebers ist nicht möglich; und der Redakteur kann bei »missliebigem« Verhalten nicht entlassen werden. Das schien mir notwendig im Sinne eines freien Geisteslebens, das keine obrigkeitlichen Verhältnisse verträgt. Der Tätige ist auch verantwortlich. Und wer verantwortet, muss auch tatsächlich handeln. Andererseits wird der Redakteur alle fünf Jahre vom Herausgeber neu berufen. Eine Begründungspflicht bei Verlängerung oder Nicht-Verlängerung besteht nicht. Das entspricht den Gepflogenheiten bei verantwortungsvollen Aufgaben auch anderenorts. Ich bin mir mit den bisherigen Redakteuren – Theo Stepp bis 2000, seither Stephan Stockmar – darin einig, dass dieses Redaktionsstatut einer produktiven Arbeitsatmosphäre förderlich ist.

Aufgabe des Herausgebers ist darüber hinaus, die redaktionelle Arbeit mit der geistigen Arbeit der Anthroposophischen Gesellschaft in Verbindung zu halten. Da deren Gremien für Die Drei schon seit Längerem wenig Interesse zeigen, ging es vor allem darum, dem Redakteur den Weg zu informellen Arbeitszusammenhängen zu bahnen, in denen geistig »etwas los ist«.

Als ich vor nunmehr zehn Jahren auf eigenen Wunsch vorzeitig das Arbeitskollegium verließ, stellte ich auch meine Herausgeberschaft zur Disposition und wiederholte dies, da nichts weiter geschah, von Zeit zu Zeit. Ich wollte andererseits das Arbeitskollegium nicht durch einen förmlichen Rücktritt in Zugzwang bringen, denn einem möglichen Nachfolger musste die eingeschlagene, wenig formalisierte und auf individueller Initiative beruhende Arbeitsweise auch persönlich liegen. Es geht ja nicht darum, einfach ein »Amt« zu besetzen. Ich freue mich, dass sich nunmehr in Justus Wittich ein solcher Nachfolger gefunden hat. Ich kenne Justus Wittich seit den gemeinsamen Zeiten im Arbeitskollegium und habe ihn dort ob seiner Weltoffenheit und Zugriffsfreude schätzen gelernt. Bei ihm kann man sicher sein, dass er das nötige Augenmaß walten und andererseits nichts »anbrennen« lässt. Als langjährigem früherem Geschäftsführer der mercurial-Publikationsgesellschaft hatten Redaktion und Herausgeber seither schon manche Begegnung mit ihm, die immer erfreulich war. Ich habe da, bei aller charakterologischen Unterschiedlichkeit, auch gemeinsame Züge mit Justus Wittich entdeckt, z. B. Distanz gegenüber ausuferndem Sitzungswesen und Engagement für eine verlässliche Partnerschaft, in der z. B. Verabredungen nicht einfach »vergessen« werden. Ich freue mich, dass er jetzt die Herausgeberschaft übernimmt, und wünsche ihm dabei eine gute Hand! Er wird sich im Januar-Heft selbst vorstellen.

Der Zeitschrift selbst möchte ich noch einen besonderen Wunsch auf den Weg geben. Die Drei wurde im Februar 1921, also vor 90 Jahren, zum 60. Geburtstag Rudolf Steiners, gegründet und von diesem freudig willkommen geheißen. Er begrüßte sie vor allem im Hinblick darauf, dass er sich von ihr Unterstützung versprach in der Verwirklichung eines zentralen Anliegens der Anthroposophischen Gesellschaft. Anthroposophie, so Steiner, »will Anregung sein zu einem besonderen Anschauen der Welt«. Die Anthroposophische Gesellschaft »besteht nicht zum egoistischen Streben ihrer Mitglieder. Es ist ein Irrtum, wenn man sich ihr anschließt zum Zwecke der eigenen Förderung. Sie will für die Menschheit da sein, sie will in deren Dienst arbeiten.« Und genau in diesem Sinne begrüßt Rudolf Steiner in einem »Geleitwort« die Gründung der Zeitschrift Die Drei. Diese »möchte weiteren Kreisen alles dasjenige vermitteln, was aus anthroposophischer Erkenntnis zur Gesundung unseres Zeitalters führen kann. Sie möchte zeigen, wie eine praktisch-soziale Auswirkung der anthroposophischen Anschauungsart möglich und notwendig ist.« Und er wünschte sich, »dass das Erscheinen dieser Zeitschrift möglichst viele Persönlichkeiten auf den Plan riefe, die in der angedeuteten Richtung ihre Stimme geltend machen können, weil ihre eigene Art bereits dies verlangt.« Dieses Ziel im Auge zu behalten, war in der Anthroposophischen Gesellschaft in den vergangenen 90 Jahren nicht immer selbstverständlich. Die Drei hat hier über Jahrzehnte eine Fahne hoch gehalten, die anderswo manchmal auf Halbmast hing. – Dies also ist mein Zukunftswunsch für die Zeitschrift: dass es gelingen möge, die Zielsetzungen der Zeitschrift und der Anthroposophischen Gesellschaft noch mehr in einen tätigen Einklang zu bringen. Im Hinblick auf eine gemeinsame AufgabensteIlung von Zeitschrift und Gesellschaft gab es gerade in den vergangenen Jahren manche Ansätze, jedoch bei der Verwirklichung steht ein Durchbruch noch bevor.

Stephan Stockmar konnte soeben sein 10jähriges »Dienstjubiläum« als verantwortlicher Redakteur der Drei begehen. Dazu herzlichen Glückwunsch und herzlichen Dank für die geleistete Arbeit! Es ist bewundernswert, wie er und sein kleines Team (Lydia Fechner und Angelika Sandtmann haben zusammen kein volles Deputat!) Monat für Monat ein aktuelles und qualitätvolles Heft herausbringen. Die Redaktion selbst ist chronisch unterbesetzt. Glücklicherweise ist der Chefredakteur kein Raucher. Denn wenn er mehrmals täglich für zehn Minuten vor die Tür träte, könnte in dieser Zeit das Telefon nicht bedient werden, da seine Mitarbeiterinnen nicht ständig vor Ort sind! Diese Verhältnisse dauern nun schon ziemlich lange. Ihnen abzuhelfen ist nicht nur eine Frage der (bekanntermaßen prekären) Finanzlage.

Es bleibt mir nun noch, Ihnen, verehrte Leser, für Ihr oftmals schon langjähriges Interesse an der Drei zu danken. Bitte bringen Sie dieses Interesse auch unter der neuen Herausgeberschaft der Zeitschrift entgegen! Ich bin sicher, dass es sich lohnt.’
Karl-Martin Dietz moet wel een man van de oude stempel zijn, want het laatste voorbeeld dat hij noemt is tegenwoordig geen enkel probleem meer. Je mobieltje kun je immers overal gebruiken, op de gekste plekken, en doorschakelen is ook heel eenvoudig in te stellen. Maar dat ter zijde. – Ik ga nog even door met Die Drei. Ik had zaterdag, Eerste Kerstdag, in ‘Helderzien’ een deel uit een artikel van Martin Basfeld, ‘Hellsehen und Miterkennen. Gedanken zum Charakter der Geheimwissenschaft’:
‘Seit es die Anthroposophie gibt, wird ihr der Vorwurf gemacht, sie sei keine Wissenschaft, weil die Beschäftigung mit ihr den unüberprüfbaren Glauben an die »Schauungen« ihres Begründers voraussetze.’
Dat is echter zo’n interessant artikel uit het novembernummer (dat overigens niet compleet op de website van Die Drei stond), dat ik na het eerste deel nu toch het tweede deel laat volgen, hoewel dat strikt genomen niet zou mogen. Het staat op de bladzijden 17 tot en met 20 en is getiteld ‘2. Mit-Erkennen’:
‘Der beschriebene Entwicklungsschritt der Anthroposophie am Beginn ihrer neuen Kulturwirksamkeit hinterließ auch bei der Bearbeitung der Geheimwissenschaft im Umriss seine Spuren. Das fällt besonders auf, wenn man das erste Kapitel »Charakter der Geheimwissenschaft« in der Neuauflage von 1920 [9] mit der früheren Fassung von 1913 [10] vergleicht. Beide Texte gehen zunächst auf mögliche Missverständnisse gegenüber dem Wort »Geheimwissenschaft« ein. In der früheren Fassung schließen sich die folgenden Sätze an: »Wenn so auch der Geheimwissenschafter einen wachsamen Sinn haben wird für alles Irrlichtelierende der Anhänger seiner Anschauungen und für alle berechtigte Gegnerschaft: es gibt für ihn Gründe, in den Streit der Meinungen nicht unmittelbar als Verteidiger seines Strebens einzugreifen. Diese Gründe werden sich für den offenbaren, der sich tiefer in die Geheimwissenschaft einlässt. Sie hier zu besprechen, wäre daher überflüssig.« [11]
Also eine klare Trennung: hier der Geheimwissenschafter, dort die anderen, die seine Gründe für die Zurückhaltung, den Diskurs zu führen, hinnehmen müssen. Denn erst wer durch die »Tore« der Geheimwissenschaft »den Eintritt vollzieht, dem werden innerhalb der Sache diese Gründe bald mit aller Klarheit vor die Seele treten.« [12]
Was Steiner hier sagt, gilt zwar für jede Wissenschaft, insofern niemand sie voraussetzungslos beurteilen kann. Aber der Geheimwissenschafter hält es geradezu für »überflüssig«, diese Voraussetzungen überhaupt zu erläutern, denn er »weiß, dass nicht bloß durch ein fehlerhaftes Denken, sondern durch eine gewisse innere Notwendigkeit solche ›Verteidigungen‹ in das Feld von Überredungskünsten überführen müssen, und er kann nichts anderes wollen, als die Geheimwissenschaft ganz allein durch sich selbst wirken lassen.« [13] »Werde selber erst hellsichtig, dann wirst schon alles einsehen«, scheint die Botschaft zu sein. Zwar gibt es viele weitere Hinweise, aber es bleibt doch der Eindruck bestehen, als gebe es keine Schnittmenge zwischen den Inhalten des gewöhnlichen und des hellsehenden Bewusstseins.

In der Überarbeitung von 1920 bekommt der Text einen wesentlich anderen Duktus. Symptomatisch dafür ist der Satz: »Der geisteswissenschaftliche Darsteller setzt also voraus, dass der Leser mit ihm gemeinsam die Tatsachen sucht.« [14] Er steht am Ende einer mehrseitigen Passage, die den früheren (oben teilweise zitierten) Text über das Verhalten des Geheimwissenschafters zu seiner Umgebung vollständig ersetzt. Sie beginnt mit den Worten: »Diese Ausführungen richten sich an Leser, welche sich ihre Unbefangenheit nicht dadurch nehmen lassen, dass ein Wort durch verschiedene Umstände Vorurteile hervorruft.« [15] Der unbefangene Leser wird also angesprochen. Und gleich wird das Wort »geheim« im Sinne von Goethes »offenbarem Geheimnis« gedeutet. Die Natur hält nichts geheim. Es liegt alles offen in den Erscheinungen zu Tage und ist erreichbar für den, der seine Erkenntniskräfte sachgerecht betätigt. Das gilt auch für die übersinnliche Welt.
Deshalb auch kann der Leser mit dem Autor der Geheimwissenschaft gemeinsam die Tatsachen suchen. Aber geht das wirklich ohne Hellsehen? Die Antwort ist ja. Was nach dem Hinweis auf Goethe folgt, liest sich wie eine Kurzfassung des Kapitels »Anthropologie und Anthroposophie« aus dem Buch Von Seelenrätseln. Da heißt es z.B.: »Geheimwissenschaft will die naturwissenschaftliche Forschungsart und Forschungsgesinnung, die auf ihrem Gebiete sich an den Zusammenhang und Verlauf der sinnlichen Tatsachen hält, von dieser besonderen Anwendung loslösen, aber sie in ihrer denkerischen und sonstigen Eigenart festhalten. Sie will über Nicht-Sinnliches in derselben Art sprechen, wie die Naturwissenschaft über Sinnliches spricht.« [16] Geheimwissenschaft (Anthroposophie) und Naturwissenschaft (Anthropologie) sind in diesem Sinne der Forschungsart und -gesinnung nach eine einzige Wissenschaft.
Die Naturwissenschaft untersucht das, was die Menschenseele nicht ist. Ihre Inhalte verdecken das Selbsterleben (s.o.). Die Geheimwissenschaft setzt dagegen dort an, wo Naturerkenntnis Leben der Seele wird, oder, wie oben gesagt, wo sich die Seele mit dem Eigenleben der Begriffe verbindet. »In ihrer Betätigung an der Natur erlebt sich die Seele; was sie in dieser Betätigung lebensvoll sich erarbeitet, das ist noch etwas anderes als das Wissen über die Natur selbst. Das ist an der Naturerkenntnis erfahrene Selbstentwickelung. Den Gewinn dieser Selbstentwickelung will die Geheimwissenschaft betätigen auf Gebieten, die über die bloße Natur hinaus liegen.« [17] Jetzt darf der »Geisteswissenschafter« sagen, ein Urteil über die Geheimwissenschaft können »nur solche Personen sich bilden, welche unter Vermeidung aller Machtsprüche sich einzulassen vermögen auf die Art seiner Mitteilungen über die offenbaren Geheimnisse des Weltgeschehens.« [18] Denn die Urteilsgrundlagen liegen offen. Und es ist keineswegs mehr »überflüssig«, mit Nicht-Hellsehern den Diskurs zu pflegen, beiderseitige Unbefangenheit vorausgesetzt.
Nicht erst im übersinnlichen Wahrnehmen, das Resultat von Schulung ist, liegt allein die Möglichkeit, geheimwissenschaftliche Forschungsergebnisse zu »beweisen«, bzw. zu diskutieren, sondern schon im lebendigen geisteswissenschaftlichen Denken, das für alle Bewusstseinsformen dasselbe ist. Denn »wer sich in eine geheimwissenschaftliche Darstellung einlässt, der wird bald einsehen, dass durch sie Vorstellungen und Ideen erworben werden, die man vorher nicht gehabt hat. So kommt man zu neuen Gedanken auch über das, was man vorher über das Wesen des »Beweisens« gemeint hat.« [19] Also macht schon das Einlassen auf die Darstellung und nicht erst die übersinnliche Schulung die neue Art des »Beweisens« verständlich!

Nun folgen Gedanken über Hindernisse für die Ausbildung von Unbefangenheit und über die Leben stärkende Kraft der Beschäftigung mit Geisteswissenschaft. Gegen Ende des Kapitels wurde wieder eine längere Passage eingeschoben. Sie ersetzt Ausführungen, in denen die Möglichkeit, Geisteswissenschaft auch ohne Hellsehen zu verstehen, zwar behauptet aber nicht begründet wird. In der alten Fassung heißt es: »Niemand kann ohne die Hellsichtigkeit, die gleichbedeutend ist mit diesem höheren Schauen, die Tatsachen der unsichtbaren Welt finden. Wenn sie aber als gefundene erzählend mitgeteilt werden, dann kann jeder, der nur im vollen Umfange den gewöhnlichen Verstand und die unbefangene Urteilskraft auf sie anwendet, sie verstehen und bei sich bis zu einem hohen Grade von Überzeugung erheben. Wer behauptet, dass diese Geheimnisse für ihn nicht verständlich seien, bei dem kann dies niemals davon kommen, dass er noch nicht hellsichtig ist, sondern nur davon, dass es ihm noch nicht gelungen ist, diejenigen Erkenntniskräfte in Tätigkeit zu versetzen, welche jedem auch ohne die Hellsichtigkeit eigen sein können.« [20]
Welches sind aber die erforderlichen Erkenntniskräfte, die man auch ohne Hellsichtigkeit besitzt? Das wird erst in der Überarbeitung deutlich formuliert. Da heißt es dann: »Was nämlich von übersinnlichen Weltinhalten gewusst werden kann, das lebt in dem Darsteller als lebendiger Seeleninhalt; und lebt man sich in diesen Seeleninhalt ein, so entzündet dieses Einleben in der eignen Seele die Impulse, welche nach den entsprechenden übersinnlichen Tatsachen hinführen. Man lebt im Lesen von geisteswissenschaftlichen Erkenntnissen auf andere Art als in demjenigen der Mitteilung sinnenfälliger Tatsachen.« [21] ... »Im Aufnehmen der Ergebnisse nimmt man zugleich den eigenen Innenweg dazu auf.« [22] ... »In dem wahren gedankenmäßigen Aufnehmen steht man in dieser [geistigen] Welt schon drinnen und hat sich nur noch klar darüber zu werden, dass man schon unvermerkt erlebt hat, was man vermeinte, bloß als Gedankenmitteilung erhalten zu haben.« [23] Es geht also um die Kräfte des denkenden Einlebens in übersinnliche Tatsachen.
Natürlich ist das selbstständige Erforschen der übersinnlichen Welt ohne Wahrnehmung derselben nicht möglich. Sehr wohl kann man sich aber selbstständige Erkenntnisse erwerben, wenn man sich mit geisteswissenschaftlichen Gedanken lebendig auseinandersetzt. »Denn der Inhalt dieser Erkenntnisse wird in einem solchen Seelenleben erworben, das ihm jede bloß suggestive Gewalt benimmt und ihm nur die Möglichkeit gibt, auf demselben Wege zum Andern zu sprechen, auf dem alle Wahrheiten zu ihm sprechen, die sich an sein besonnenes Urteil richten.«[24] Man wird auf diesem Wege zum »Mit-Erkenner« [25] der übersinnlichen Welt.
Dieser Begriff des »Mit-Erkenners« oder des »Mit-Erkennens« wurde 1920 von Steiner zum ersten Mal in der Geheimwissenschaft eingeführt und legt offen, was von Anfang an Anliegen des Buches war. Nur konnten die Einleitungstexte der Auflagen vor 1917 immer noch den Eindruck erwecken, als wolle Steiner einfach sagen »Die Geheimwissenschaft stellt dies oder jenes fest.« [26] Was Steiner im Vorwort zur Neuauflage 1920 so kommentiert: »Dass man es aber nur mit einem Vorurteil zu tun hat, wollte ich durch die Umarbeitung des ersten Abschnittes dieses Buches deutlicher machen, als es mir in früheren Auflagen gelungen zu sein scheint.« [27]

9. Rudolf Steiner: Die Geheimwissenschaft im Umriss (nachfolgend G1920), Leipzig 1920.
10. Rudolf Steiner: Die Geheimwissenschaft im Umriss (nachfolgend G1913), Leipzig 1913. Die erste Auflage erschien 1910. Die entscheidenden Änderungen wurden aber zwischen 1913 und 1920 vorgenommen.
11. G1913, S. 2f.
12. Ebd.
13. G1913, S. 3.
14. G1920, S. 9.
15. G1920, S. 2.
16. G1920, S. 4.
17. G1920, S. 5.
18. G1920, S. 8.
19. G1920, S. 9f.
20. G1913, S. 14f.
21. G1920, S. 20.
22. G1920, S. 20.
23. G1920, S. 20.
24. G1920, S. 21.
2S. G1920, S. 22.
26. G1920, S.V.
27. Ebd..’

zondag 26 december 2010

Jong

Hé, kijk nou toch. De website van de Rudolf Steiner Vertalingen is (gedeeltelijk) aangepast. Op het oog is er niets veranderd. Maar kijk je naar het menu links, vallen deze twee items op:
Klikken op het eerste, geeft een totaal nieuw overzicht:
‘Werken en Voordrachten – 1e reeks
Als u klikt op de titel, wordt u de boekinformatie getoond. Indien u een kijkje wilt nemen in een deel van de inhoud, klikt dan op de link [inhoud] naast de titel.’
En dit is ook echt een overzicht, met alle rubrieken waarop de keuze van de eerste, representatieve selectie van 48 delen uit het verzameld werk van Rudolf Steiner is gebaseerd:
‘Kernpunten van de antroposofie
A  MENS- EN WERELDBEELD
B  KARMA EN REÏNCARNATIE
C  CHRISTOLOGIE
D  INNERLIJKE SCHOLING
E  HET SOCIALE VRAAGSTUK
F  FILOSOFIE
G  GESCHIEDENIS
H  KUNST
I  OPVOEDKUNDE
J  GENEESKUNDE
L  LANDBOUW
M  RELIGIE
Ontstaan van de antroposofie
N  AUTOBIOGRAFIE, BRIEVEN
O  DE ANTROPOSOFISCHE VERENIGING
Het literaire werk
P  LITERATUUR’
Grasduint u er rustig in, en leest u de voorwoorden van de redactie, de inhoudsopgaven en de nawoorden, die allemaal in te zien en te downloaden zijn. – Klikken op het tweede item, de nieuwe reeks, geeft dit:
‘Werken en Voordrachten – nieuwe reeks
Het uitgaveplan van de Werken en voordrachten – nieuwe reeks – groeit met de tijd.
Iedere twee jaar zullen drie nieuwe boeken het licht zien.’
Inmiddels zijn er zes boeken verschenen. Het laatste is nu net een maand uit. Ik kondigde het al aan in ‘Thomisme’ op 16 september, maar verder ben ik er niet meer op teruggekomen. Dat wordt nu dus tijd. Het betreft
Hier lezen we in het ‘Bij deze uitgave’ van de redactie:
‘Aan het begin van de twintigste eeuw groeide een jeugd op met een spirituele honger die radicaal verschilde van de vorige generaties. Na de Eerste Wereldoorlog stroomde die jeugd ook de antroposofische beweging binnen. Als zij om een speciale voordrachtenreeks voor jonge mensen vragen, geeft Rudolf Steiner hen in eerste instantie de opdracht voldoende mensen bijeen te zoeken en concreet onder woorden te brengen wat ze willen. Dit gebeurt, en de voordrachtenreeks Antroposofie voor jonge mensen komt tot stand.

Steiner laat daarin zien op welke manier de wereld beheerst wordt door lege woorden, traditionele menselijke verhoudingen en routinematig handelen. Daartegenover staat het zoeken van de jeugd naar echte spiritualiteit, naar waarachtigheid in het woord, in de verbinding van mens tot mens en in het dagelijks handelen. Niet het spreken over de geest is belangrijk, maar een concreet spreken en handelen vanuit de geest.

Opvallend in deze voordrachten is Steiners openhartigheid. Hij kapittelt de abstracte antroposofie die moeiteloos de rijtjes van de wezensdelen van de mens opsomt zonder die begrippen werkelijk te doorgronden. Hij verwerpt de materialistische vorm van spiritualiteit waarbij het geestelijke met begrippen uit de natuurwetenschap wordt beschreven, zoals geestelijke vibraties, of het permanente atoom dat bij alle incarnaties bewaard blijft. Ook de jeugd wordt niet gespaard: dat zij zich afzet tegen de oudere generatie getuigt van weinig inzicht in wat zij van die generatie ontvangen heeft. Bovendien moet zij zich afvragen op welke manier de generatie na haar tegen haar aan zal kijken als zij zelf de volgende oudere generatie is.

Antroposofie voor jonge mensen is nog steeds actueel. De cultuurfenomenen die Steiner beschrijft zijn moeiteloos en in verhevigde mate van toepassing op de huidige tijd. Het door hem beschreven dode en doodmakende intellectualisme is alleen maar in kracht toegenomen en breidt zijn invloed over alle takken van de cultuur uit. Maar daarnaast vertelt Steiner wat er concreet nodig is om antroposofie tot een echte levende factor voor het eigen leven, voor het antroposofische werk en voor de maatschappij te maken.

In het nawoord van Christiane Haid wordt uitvoerig ingegaan op de situatie van de jeugd in die tijd en haar verhouding tot de oudere generatie in de antroposofische beweging. Ook bespreekt Haid enkele essentiële aspecten van deze voordrachten. Aan Sigurd Borghs vroeg de redactie om in een tweede, persoonlijk nawoord te beschrijven wat deze voordrachten bij hem als jonge leerkracht aan een vrijeschool teweeg hebben gebracht.’
Van deze nawoorden is alleen het eerste van Christiane Haid opgenomen, voor dat van Sigurd Borghs zult u het boek moeten kopen. Ondertussen heeft u al 34 bladzijden uit deze nieuwste uitgave meegekregen. En hopelijk bent u enthousiast gemaakt voor de inhoud die Steiner speciaal jonge mensen had voorgehouden.
.

zaterdag 25 december 2010

Helderzien


Vandaag een kerstoverweging. Daarvoor put ik eenvoudigweg uit ‘Die Drei’ van november, zoals ik eerder ook al deed (op 29 november in ‘Zuiver’; hier vindt u het novembernummer van Die Drei). Het zijn de eerste drie pagina’s van een artikel van Martin Basfeld, ‘Hellsehen und Miterkennen. Gedanken zum Charakter der Geheimwissenschaft’, op de pagina’s 13 tot en met 15. U kunt het op de website alleen partieel lezen, want het is natuurlijk de bedoeling dat u zich op dit tijdschrift abonneert, of het in de winkel koopt. Maar zelfs alleen deze drie pagina’s zijn al zeer de moeite waard; het behandelt een vraagstuk dat altijd weer opduikt in verband met de antroposofie:
‘Seit es die Anthroposophie gibt, wird ihr der Vorwurf gemacht, sie sei keine Wissenschaft, weil die Beschäftigung mit ihr den unüberprüfbaren Glauben an die »Schauungen« ihres Begründers voraussetze. Rudolf Steiner wurde nicht müde, diesem Vorwurf immer wieder zu begegnen, widerspricht er doch dem Anliegen der Anthroposophie, trotz aller Esoterik, in allen Aspekten vollständig öffentlich zu sein. Der erste Teil des folgenden Artikels würdigt einen methodischen Zugang zur Anthroposophie, den Rudolf Steiner im Jahr 1917 zum ersten Mal in dieser Deutlichkeit formuliert hat. Die beiden anderen Teile ziehen Konsequenzen daraus für den selbstständigen Umgang mit der Anthroposophie am Beispiel der Geheimwissenschaft im Umriss.

1. Denkendes Hellsehen

Gegen Ende des Ersten Weltkrieges vollzog sich eine starke Öffnung der Anthroposophie in das allgemeine gesellschaftliche Leben. Durch konzeptionelle Angebote und Modelleinrichtungen in der Gestaltung des sozialen Lebens, der Pädagogik, der Heilpädagogik, der Medizin und der Landwirtschaft sowie als Pate der Bewegung für religiöse Erneuerung wurden auf ihrer Grundlage innerhalb weniger Jahre neue Wege eröffnet, sich den großen Zeitproblemen praktisch und positiv gestaltend zuzuwenden. Mit seinem Buch Von Seelenrätseln[1] gab Steiner im Jahr 1917 dieser neuen Entwicklungsphase der Anthroposophie entscheidende Impulse. Ein zentrales Thema darin ist die Frage, ob und wie Geisteswissenschaftler (sich berufend auf hellseherische Empirie)[2] mit Kultur- und Naturwissenschaftlern (sich berufend auf Dokumente und Sinneserfahrungen) zu einer gemeinsamen forschenden Zusammenarbeit kommen können. Vor 1917 rechtfertigte Steiner die Wissenschaftlichkeit geistiger Forschungsergebnisse im Prinzip wie folgt. Man kann übersinnliche Erfahrungen nicht durch Verstandesspekulation verifizieren. Dazu muss man sich die Technik übersinnlicher Wahrnehmung durch Schulung aneignen. Diese Schulung ist systematisch und wissenschaftlich kontrollierbar. Werden die so gewonnenen Erfahrungen gedanklich aufbereitet, können diese Gedanken auch ohne hellseherische Fähigkeiten auf Richtigkeit hin überprüft werden. Sie sind auch für den an die Sinneswahrnehmung orientierten Verstand insofern nachvollziehbar, als dass Fragen über das Leben des Menschen und das Wesen der Natur beantwortet werden, die ohne übersinnliche Empirie offen bleiben müssen. Z.B.: Gibt es ein Leben der Seele vor der Geburt und nach dem Tod? Gibt es eine vom Leib unabhängige Seele?

Ein wesentlicher Punkt bleibt bei dieser Gegenüberstellung von übersinnlicher und sinnlicher Forschung offen. Kann auch der nicht hellseherisch Begabte zu einem eigenen Erleben der vom Hellseher beschriebenen übersinnlichen Tatsachen kommen oder bleibt er auf die gedankliche Interpretation der Mitteilungen angewiesen? Letzteres kann zwar für den einzelnen bedeutend werden, bleibt aber in gewisser Hinsicht theoretisch. Denn dass ich mir etwas erklären kann, reicht nicht aus als Beleg für die Richtigkeit der Voraussetzungen der dabei zu Grunde gelegten Theorie. Deshalb besteht bis heute der bereits erwähnte Vorwurf gegen die Anthroposophie, man könne sie ohne die Schauungen Steiners nicht eigenständig aufnehmen und weiter entwickeln.

Im Jahr 1917 gab Steiner dieser Problemstellung eine ganz neue Wendung. Er behauptet eine enge Verbindung zweier Wissenschaftsansätze: »Es muss eine anthroposophische Geisteswissenschaft geben, wenn die anthropologischen Erkenntnisse der Naturwissenschaft das sein wollen, was zu sein sie beanspruchen müssen. Entweder sind die Gründe für das Vorhandensein einer Anthroposophie berechtigte, oder es ist auch den naturwissenschaftlichen Einsichten kein Wahrheitswert zuzuerkennen.«[3]

Dabei bedeutet »Anthroposophie« die Wissenschaft des Übersinnlichen oder einfach Geisteswissenschaft. Und der Begriff »Anthropologie« fasst alle sinnesgebundenen Wissenschaften (Kultur- und Naturwissenschaften) zusammen. Beide sind aber eigentlich eine Wissenschaft, die sich nur in zwei Richtungen entfaltet und differenziert. Ihr Gemeinsames ist nach Steiner das Vorstellen. Er erläutert dazu, wie das Bewusstsein durch die Sinnesorientierung des Verstandes über die Inhalte sein eigenes Wesen verschläft, weil es im Nachdenken über etwas eben auf dieses und nicht auf das Denken oder das Vorstellen selbst die Aufmerksamkeit lenkt. Und dieses Etwas ist gewöhnlich entweder direkt oder indirekt durch die Sinne gegeben. Stehen uns solche Inhalte nicht mehr zur Verfügung, schlafen wir ein und verlieren uns. Durch Vorstellungen und Begriffe die Sinneswelt zu verinnerlichen und sich ihre Gesetzmäßigkeiten anzueignen, vergleicht Steiner mit Aufnahme, Aneignung und Verarbeitung von Nahrung.[4] Eine andere Art, mit Begriffen umzugehen, vergleicht er mit dem Versenken eines Samenkorns in die Erde und dem daraus folgenden Wachstum der Pflanze.[5] Begriffe und Vorstellungen kann man in der Seele bewegen, auch dann, wenn es nicht darauf ankommt, was sie von der Außenwelt abbilden. Sie entfalten im Meditieren dann eine eigene Kraft. Man erlebt diese Kraft als Tätigkeit der eigenen Seele.

Grenzvorstellungen sind dafür besonders geeignet, weil sie das Denken an einen Ort führen, der keine Entsprechung in der Sinneswelt mehr hat. Denkt man sich zum Beispiel den gemeinsamen Punkt zweier paralleler Geraden in der Ebene, wird das gegenständliche Vorstellen immer mit unlösbaren Widersprüchen konfrontiert. So bedeutet Parallelität einerseits immer gleich bleibender Abstand, so weit man den Geraden innerlich auch folgt. Andererseits haben zwei nicht parallele Geraden in einer Ebene genau einen Schnittpunkt. Dreht man die eine, dass der Schnittpunkt sich auf beiden Geraden immer weiter vom Drehpunkt entfernt, kommt er nach dem Durchgang durch die Parallelität von der anderen Seite her wieder dem Drehpunkt näher. Warum sollte er im Falle der Parallelität verschwinden, wenn er doch für jede andere Lage der Geraden zueinander eindeutig bestimmt ist? Eisenbahngleise müssen praktisch parallel bleiben, sonst können Züge nicht auf ihnen fahren. Aber für den Blick laufen die beiden Schienenstränge in der Ferne zusammen. Die immer wieder aufzuwendende Willens-Aktivität, die ich spüre, wenn ich den Widerspruch im nachvollziehenden Vorstellen erlebe, ist eine Erfahrung der eigenen Seele, die selbst nichts mit äußeren Sinnesgegebenheiten zu tun hat. Steiner nennt in seinem Buch andere Beispiele.[6]

So wie der eigene Leib mit seiner Grenze an die Außenwelt stößt und dabei lernt, diese über die Sinne differenziert wahrzunehmen, so lernt die sich selbst in ihrer Aktivität erlebende Seele sich gegenüber einer übersinnlichen Welt abzugrenzen, und diese nach und nach differenziert zu erleben. Der übersinnlichen Wahrnehmung stehen keine natürlich gegebenen Organe zur Verfügung, sondern nur Organe, die die Eigenaktivität der Seele in ihrer Bildung voraussetzen: »Für sie fällt also Wahrnehmen und in Gebrauch stehen zusammen.«[7]

Im Mitvollzug des Eigenlebens der Begriffe sieht Steiner die Verbindung von sinnlichem und übersinnlichem Bewusstsein. Die Kraft des Eigenlebens ist ein autonomes seelisches Erlebnis. Jeder hat dies für einen kurzen Moment im Aufleuchten eines Gedankenblitzes, der plötzlich vieles klar macht, oder im plötz-

Bitte lesen Sie weiter in der Print-Ausgabe!

1. Rudolf Steiner: Von Seelenrätseln (nachfolgend VS), Berlin 1917 (ich zitiere aus der ersten Auflage, um die Auswirkungen auf die Geheimwissenschaft zeitlich genau zu dokumentieren).
2. Das Wort »Hellsehen« wird hier synonym mit der Bezeichnung “übersinnliche Wahrnehmung” verwendet.
3. VS, S. 3.
4. VS, S. 30f.
5. Ebd.
6. Vgl. auch VS, Anhang 2: »Das Auftreten der Erkenntnisgrenzen«.
7. VS, S. 25.’

vrijdag 24 december 2010

Groeicijfers

In de serie ‘Berichten uit Dornach’ (die bestaat volgens mij nog niet, maar we kunnen er gewoon mee beginnen) verscheen gisteren bij het News Network Anthroposophy (NNA) een verslag van een conferentie aan het Goetheanum over voeding, ‘Nahrung soll Licht und Lebenskräfte bringen’. We kijken mee over de schouder van verslaggeefster Ruth Zbinden:
‘Licht und Lebenskraft als entscheidende Qualitäten menschlicher Ernährung – so lässt sich ein Motto zusammenfassen zur Ernährungstagung, die Ende November am Goetheanum stattfand. Referenten waren u.a. Nikolai Fuchs, Petra Kühne, Ulrike von Schoultz und Michaela Glöckler.

Man fragt sich, was es noch Neues gibt auf dem Gebiet der Ernährung. Sind wir nicht durch die Presse mehr als genug “gefüttert” mit neuen und alten Erkenntnissen? Jedermann weiß mehr oder weniger, welche Lebensmittel gesund sind oder es wenigstens wären. Aber wir alle wissen auch, wie groß die Versuchung ist, zu dem zu greifen, was unserem Gaumen schmeichelt oder in unseren hektischen Lebensrhythmus passt. Einer der Vortragenden hielt fest, dass Denken bedeute, sich dessen bewusst zu werden, was man schon weiß. Nun müsse nur noch das Handeln folgen!

Oft ist es so, dass wir uns nicht die Zeit dazu nehmen, die Nahrung zu erleben und nicht nur zu schmecken. Nehmen wir immer wahr, dass das, was für uns gesund ist, auch für den Boden gesund ist? Sind wir uns bewusst, wie die Menschen dort leben, wo unsere Lebensmittel herkommen? Nehmen wir als Beispiel nur die alltägliche Tasse Kaffee!

Gegenbewegungen werden immer mehr publik, die auch die spirituelle Komponente berücksichtigen: Die anthroposophisch orientierte oder z.B. die ayurvedische Ernährung. In den asiatischen Ländern hatte der kosmische Aspekt mit seiner Wirkung auf Leib, Seele und Geist seit jeher große Bedeutung.

Nahrung kann einfach unseren Hunger stillen, oder passender gesagt, den Bauch füllen. Sie kann aber durch die irdischen und kosmischen Kräfte, die sie angereichert hat, auf uns wirken lassen, also Licht und Leben bringen. Wir können uns mit den Menschen verbinden, die dafür gearbeitet haben. In Europa haben wir die Freiheit, Nahrung zu beschaffen, die uns bekommt sowie Licht und Lebenskräfte enthält.

Beim Anhören der Vorträge wurde einmal mehr bewusst, wie wenig Zeit wir uns oft nehmen für das Bewusstsein, wie die Naturreiche (Tier-, Pflanzen- und Mineralreich) in uns wirken und wir so übersinnliche Kräfte aufnehmen können, die Bilde- und Gestaltungskräfte durch die Verdauungskräfte bilden. Der Mensch ist also ein Mikrokosmos, in dem diese Kräfte wirken können auf die leibliche, seelische und geistige Gesundheit.

Ein weiteres gegenwärtiges Problem ist das Gleichgewicht zu finden zwischen Mangel und Überfluss. Es ist heute möglich, genügend oder sogar zuviel zu essen und trotzdem an Mangelerscheinung zu leiden. Den Erziehern kommt hier eine große Verantwortung zu, den Kindern lichtreiche und kräftewirkende Nahrung zu bieten. Es liegt auf der Hand, dass genetisch veränderte, mit Chemie behandelte, in Gewächshäusern gewachsene, in Kühlhäusern gelagerte und Tausende von Kilometern weit transportierte Lebensmittel wenig oder nichts davon enthalten.

Wenn wir nun über unseren Tellerrand gucken und uns ernsthaft mit der Nahrungssituation befassen, werden wir oft fassungslos, was wirtschaftlich gesehen mit den Lebensmitteln geschieht.  So wird z.B. Getreide an Vieh verfüttert, was dann in Form von Fleisch viel weniger Nährwert hat und somit als Nahrung für den Menschen fehlt. Durch die Globalisierung des Marktes entsteht ein kostspieliger Transport rund um die Erde. Und was wir für Lebensmittel bezahlen, geht hauptsächlich auf die Konti der Händler und Zwischenhändler, außerdem verteuern behördliche Bestimmungen wie Zölle die Nahrungsmittel und erschweren einen menschengerechten Markt.

Es wird klar, dass Gesundheits-, Landwirtschafts- und Handelsprobleme nicht nur mit dem Kauf von Bio- und Fair-Trade-Ware zu lösen sind. Bereits wenn man versucht einzustehen für eine gerechte Verteilung spürt man die eigene Machtlosigkeit. Ein Schritt kann sei, wie von Dr.  Michaela Glöckler gefordert, die Aktion ELIANT zu unterstützen (Europäische Allianz von Initiativen angewandter Anthroposophie) nach dem Motto “Ein Einzelner hilft nicht, sondern wer sich mit Vielen zur rechten Stunde vereinigt.” (J. W. Goethe)’
Het lijkt qua economie al de goede kant op te gaan. Biologica kwam maandag met het persbericht ‘2010 wordt recordjaar: consumenten kopen wéér meer biologische voeding’:
‘Supermarkten hebben in de eerste drie kwartalen van 2010 opnieuw meer biologische producten verkocht. De omzet steeg ten opzichte van dezelfde periode in 2009 met 20% naar 229 miljoen euro – de grootste groei ooit in de afgelopen tien jaar.

Zuivel is met 37% de grootste stijger, gevolgd door koffie/thee/cacao (40%) en vleeswaren (31%). Houdbare producten, de zgn. kruidenierswaren, zijn met een duidelijke inhaalslag bezig en groeien 28%. De komst van meer biologische huismerken en het feit dat A-merken hun productlijn aanvullen met een biologische variant zijn hiervoor verantwoordelijk. Er zijn naar schatting nu zo’n 30 A-merken met een biologische variant.

De omzet in biologische voeding groeit hiermee twaalf keer harder dan de totale supermarktomzet in Nederland groeit (1,8%), becijferde het LEI in opdracht van de Task Force Marktontwikkeling Biologische Landbouw. Opvallend is dat de supermarkten die een breder assortiment aanbieden ook de grootste groei realiseren.

Supermarkten maken ongeveer de helft uit van de totale bio-consumentenomzet. De overige omzet wordt gerealiseerd in speciaalzaken, bedrijfsrestaurants, webwinkels, boerenmarkten en verkoop bij de boer. De cijfers hiervan worden alleen jaarlijks verzameld. De omzet van biologisch in de horeca, de vrijetijdsmarkt (pretparken, dierentuinen e.d.) en op evenementen zoals bijvoorbeeld Lowlands, die niet worden gemeten, komt hier nog bij.

Ook buiten de traditionele food retail kanalen zijn steeds meer biologische producten verkrijgbaar. Zo is recentelijk Kruidvat met biologische producten op de markt gekomen en bieden Hema en Ikea biologische producten aan in hun restaurants en in hun winkels.

Het succes van biologische voeding is een belangrijke pijler en stimulans voor de verduurzaming van de totale voedselmarkt. Internationale regelgeving geeft de biologische productie een speciale en unieke positie in de markt. De introductie afgelopen zomer in heel Europa van een nieuw logo dat op termijn de nationale logo's zoals het EKO-merk zal gaan vervangen, moet bijdragen aan de herkenbaarheid van biologisch geproduceerde voeding en daarmee aan de verdere groei.

In de Task Force Marktontwikkeling Biologische Landbouw werken marktpartijen, overheid en maatschappelijke organisaties samen aan marktontwikkeling door activering van de consumentenvraag. In april 2011 worden gedetailleerde cijfers voor de totale biologische omzet in 2010 gepubliceerd.’
Het Biojournaal bij monde van Lenneke Schot (die ik eerder, op 7 november in ‘Kaas’, introduceerde) brengt vandaag een interview met Bavo van den Idsert. Over hem heb ik het hier ook al verschillende malen gehad. Bijvoorbeeld op 6 augustus in ‘Stijl’ en op 20 februari in ‘Wanten’. In Biojournaal staat vandaag Bavo van den Idsert verwacht jaarlijkse groei van 15-20%. “'Bio gaat komende jaren nog grote stappen zetten”’:
‘De secretaris van de Vereniging van biologische producenten en handel, Bavo van den Idsert, ziet ondanks de goede groeicijfers nog voldoende groeimogelijkheden. Zo is er volgens hem in de maatschappij grote behoefte aan de integrale systeembenadering die biologisch biedt. “Dit leidt tot een aantal meerwaarden, bijvoorbeeld een gezondere bodem, schoner water en meer diervriendelijkheid. En daar is grote behoefte aan. Hierop moet de focus liggen.”

Bavo verwacht dat de groei van de biologische sector de komende jaren verder doorzet. “Er zijn geen voortekenen dat de groei in 2011 zal afnemen, als je het mij vraagt, gaat bio de komende jaren juist nog grote stappen zetten. Volgens een aantal biologische producenten is het zelfs realistisch dat de sector binnen twee tot vier jaar kan gaan verdubbelen.” Zelf verwacht hij in de toekomst een jaarlijkse groei van 15 tot 20 procent.

Distributie blijft knelpunt

Voor Bavo blijft de distributie het grootste knelpunt, al merkt hij hierin zeker verbetering. “Distributie betekent voor mij hoe toegankelijk een product is voor de consument. De ideale situatie is wanneer biologisch op iedere hoek van de straat, in alle supermarkten en in alle bedrijfsrestaurants terug te vinden is. Dan ligt de potentie drie tot vier keer hoger dan nu.”

Hij erkent dat de afgelopen drie jaar al een goede tendens is ingezet, biologisch is in steeds meer supermarkten te vinden en dus breder verkrijgbaar. “Ook werkt de enorme vernieuwingsdrang binnen de natuurvoedingswinkels drempelverlagend. Er is een stevige categorie moderne bio-winkels ontstaan die wekelijks meer dan 40.000 euro omzetten.”

Voor een voorspelling van de toekomst kijkt hij vaak naar Duitsland. “Zij lopen namelijk een aantal jaar voor op ons. De vernieuwingsslag in de bio-winkels was in ons buurland bijvoorbeeld al in 2001/2002 merkbaar. Bij ons begon dit pas echt in 2005.”

Volg buitenlandse ontwikkelingen

Nederland ontkomt er niet aan om te kijken naar de ontwikkelingen in andere landen. Dit kan de nodige invloed hebben op de situatie in onze biologische sector. Volgens Bavo hoeft wat dat betreft alleen gekeken te worden naar het groeiende handelscircuit in landen die voorheen alleen produceerden.

“Ik verwacht dat belangrijke grondstofleverende landen, zoals China en Brazilië, de komende jaren de verschuiving gaan maken van exporteren naar importerend. Daardoor zal er meer behoefte aan bio-landbouw komen in de landen die tot nu toe vooral importerend zijn, zoals veel EU-landen. Je ziet het areaal biologische landbouw in Frankrijk momenteel al explosief stijgen, evenals in een aantal Oost-Europese landen. Daar liggen nog enorme productiemogelijkheden, maar ook in Nederland zelf de biologische landbouw verder terrein gaan winnen.”’

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – Hoofdredacteur a.i. van ‘Motief, maandblad voor antroposofie’, uitgegeven door de Antroposofische Vereniging in Nederland – – Bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland 2012-2014 – – Redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – Voormalig lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – –Voormalig redacteur van het inmiddels ter ziele gegane ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ , uitgegeven door een onafhankelijke stichting en niet meer verschenen sinds september 2006 – – Voormalig redacteur van ‘de Sampo’, het in 2001 opgeheven tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het eind 2006 in een fusie opgegane Heilpedagogisch Verbond (HPV)

Mijn Facebookpagina

Translate

Volgers

Herkomst actuele bezoeker(s)

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Laatste reacties

Recent Comments Widget

Zoeken in deze weblog

Wordt geladen...

Gezamenlijke antroposofische agenda (in samenwerking met AntroVista)