Antroposofie in de pers

Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de verdrukking. Want antroposofie is niet eenvoudig te grijpen en te begrijpen. Dat geeft snel een vertekend beeld. In deze weblog wil ik ruimte geven om antroposofie, zoals zij in de media verschijnt, op haar merites te beoordelen. Vanuit een positieve instelling. Maar niet kritiekloos.

woensdag 23 juli 2014

Lastig


Altijd lastig, na drie weken weer beginnen. Wat plaats je nog wel, en wat niet meer? Nou ja, zo heel moeilijk is het ook niet. Wat ik het mooist, best en indrukwekkendst in de afgelopen tijd vond. En wat tegelijkertijd het makkelijkst is weer te geven. En te begrijpen. Want dat helpt ook in deze situatie. Vooral niet volledig willen zijn! Ha, dat is een opgave. Er zijn immers ook zaken die gewoon verder vervolgd willen worden. Een hulp is ook om in kleine partjes te werken en niet met hele lappen. Maar dat lukt mij tegenwoordig bijna nooit meer. Want ik kom altijd weer iets tegen dat de moeite waard blijkt. Een behulpzame werkwijze is ook kleinere en persoonlijkere berichtjes van dichtbij te nemen die niet zo veel werk zijn. Biojournaal is daar erg goed in. Maar meestal doe ik dat al. En overkoepelende berichten overnemen van koepelorganisaties, dat helpt eveneens. Alleen is dat weer precies het tegenovergestelde. Ik houd immers ook van tegenstellingen en tegenoverstellingen. Aan de andere kant, wacht ik maar lang genoeg, dan neemt het belang en de nieuwswaarde van veel berichten automatisch af. Ook dat is een overweging waard. Maar dus geen aanmoediging.

Alles goed en wel, maar nu ter zake. De keus is ondertussen bepaald. Gisteren verscheen een nieuwe bijdrage van Walter Bunge op zijn ‘OnderSofen’, een vervolg op wat hij een week eerder publiceerde. Wij verlieten zijn weblog maandag 9 juni met ‘Gemeen’, waarin ik twee teksten van 6 juni, ‘Best heel belangrijk?’ en ‘Pinkstergeest’, weergaf. Sindsdien bleef het een tijdje stil, met uitzondering van ‘Exit Pinkstergeest’ op 9 juni en ‘Een onderliggende vergissing’ op 19 juni, niet zijn meest sterke bijdragen, want nogal vanaf de kant en een beetje obligaat. Maar ik zal ze volledigheidshalve toch hier weergeven, dan weet u meteen ook waarover het gaat. Dit is ‘Exit Pinkstergeest’:
‘In het boek dat, ik wist het toen zelf nog niet, mijn toegangspoort tot de antroposofie bleek, las ik ooit een zinsnede die ongeveer luidde: “Daar waar onenigheid is kan de Pinkstergeest niet verblijven – daar trekt hij weg.” Met een grote meerderheid van stemmen hebben de leden van de Antroposofische Vereniging in Nederland afgelopen zaterdag Jaap Sijmons en de zijnen tot nieuw bestuur gekozen. Het zal degenen die de berichten op deze website een beetje volgen, niet verrassen als ik nu zeg dat deze uitkomst mij droevig stemt. En dat is zwakjes uitgedrukt.

En degenen die de berichten op deze plaats niet een beetje, maar met wat meer aandacht volgen, zullen ook niet verrast zijn wanneer ik daar aan toevoeg dat het me niet (eens) om Jaap Sijmons en zijn nieuwe bestuur gaat, en ook niet om de kwaliteiten van het nu “weggekozen” bestuur. Aan de vragen die dáármee samenhangen, heb ik hier nog geen aandacht besteed.

Dat een meerderheid van de uitgebrachte stemmen vóór enig bestuur is uitgebracht dat is samengesteld, zich verkiesbaar heeft gesteld en naar voren geschoven is op de manier waarop dat nu gebeurd is, is in mijn ogen meer dan verbijsterend. Het toont dat, we kunnen in dit verband natuurlijk alleen spreken over de leden die afgelopen zaterdag de jaarvergadering bezochten, dat er onvoldoende besef is van wat in het sociale verkeer binnen de AViN passend is.

De antroposofische vereniging werd ooit, door Rudolf Steiner, opgericht om een behuizing te bieden aan het wezen Antroposofia. Dus, de antroposofische vereniging is de vorm waarvan, nog steeds, Rudolf Steiner meende dat deze vereist en passend was opdat dit wezen zich op aarde kon manifesteren. Dit geestelijke wezen Antroposofia behoefde dus, het was Rudolf Steiner die dit zo beoordeelde, een vorm. Een vorm die zó gevormd was dat dit wezen er haar behuizing in kon vinden. Denk aan het menselijk lichaam dat, na 30 jaar, bij de doop in de Jordaan, geschikt bleek om het Christus-Ik te behuizen. Of denk aan uw of mijn lichaam, waarin uw of mijn ik een plekje om te wonen vindt.

Zou het niet van eminent belang zijn hoe deze vormen – uw of mijn lichamelijkheid, die die het Christus-Ik vond, die van de antroposofische vereniging – tot stand komen en onderhouden worden? Is in het geval van de antroposofische vereniging niet in te zien, dat niet alleen statuten, procedures en reglementen maar ook het levende verkeer van de leden tot elkaar deze behuizing vormen, of misvormen? Kunnen we ons voorstellen dat aards-materieel-juridisch oneigenlijk of onzuiver handelen leidt tot oneigenlijke of onzuivere vormen waarin alleen oneigenlijk of onzuiver spiritueel leven zich kan belichamen?

Wie zich dit – dat wat hiermee aangeduid wil zijn – kan voorstellen, zal zich, met mij, afvragen of het wezen Antroposofie zich nog verbinden kan, of verbonden heeft, met de antroposofische vereniging zoals wij die kennen. (En waarvan ik, om geen misverstand te wekken, tot op de dag van vandaag bewust lid ben.) Een tegenbeeld van de gemeenschap die de Pinkstergeest wekken kan, is te vinden in de toren van Babel als beeld van een hopeloos verdeelde mensheid. Mensen die elkaar niet meer konden verstaan of begrijpen.’
Tien dagen later volgde, als in een soort van conclusie, ‘Een onderliggende vergissing’:
‘Er had iets kunnen gebeuren, tijdens de jaarvergadering van de AViN op 7 juni, maar er is iets anders gebeurd. En hoewel er in letterlijke zin iedere dag weer iets gebeuren kan, lijkt het alsof er voorlopig in de AViN niets veranderen zal.

Er is toch een ander bestuur? Er komt toch een ander beleid? Dat bedoel ik juist. Een ander bestuur plus een ander beleid, dat gaat niets veranderen. Of wij, sofen, het ons bewust zijn of niet: in de AViN is het zo dat het bestuur beleid maakt en uitvoert en dat de leden daar achteraf mee instemmen. En dat is het punt waarop de verandering zal moeten aangrijpen. Er zal dus nog heel wat moeten gebeuren.

Ik moet hier nog melden dat ik me in een eerder bericht op deze website vergist heb. Op 5 mei schreef ik: “Is het, onder sofen, niet zo dat er in elk geval consensus bestaat over de wijsheid die ons zegt dat het om het proces, niet om het resultaat gaat? Geldt dat ook voor de processen via welke de Antroposofische Vereniging tot een bestuur komt?” U zult wel begrepen hebben dat dit een retorische vraag was en dat ik echt meende dat hierover consensus bestond. Dat is een vergissing gebleken.

In het verlengde hiervan: wie op de uitkomst en niet op het proces gericht is, zal niet kunnen begrijpen wat hierboven is aangeduid, namelijk dat de AViN niet wezenlijk, en dus niet ten goede, veranderen zal wanneer ingeslepen patroon, rolverdeling en wisselwerking van een bestuur dat bestuurt en van leden die instemmen zich voortzet – al dan niet met nieuw bestuur of nieuw beleid. Besturen en instemmen, dat is niet waar het op aankomt wanneer we ons een beeld vormen van de opgave van een antroposofische vereniging. Nu er voorlopig niets gebeuren kan, is het zaak de dingen tot in hun essentie te begrijpen.’
In ‘De dubbelganger en de wasmachine’ van een maand later, op 17 juli, werd commentaar geleverd op wat die maand in Motief was verschenen:
‘Wat je niet vaak tegenkomt als het over de dubbelganger gaat, is dat het heel handig is om een dubbelganger te hebben. Het was immers “niet ik maar de dubbelganger in mij” die de fout in ging. In Motief 184 komen we hem ook weer tegen, de dubbelganger. Drie leden – Catie Weitenberg, Gerard Bunnik en David Mulder – stellen voor (op pagina 39) dat er onderzoek zal worden gedaan naar “het verenigingskarma en de werking van onze gemeenschappelijke dubbelganger”.

Waarom? “(...) Uit het vooroverleg bleek dat het moeilijk is om te zien waar de zaken binnen de vereniging steeds weer vastlopen en hoe wij op deze knelpunten een meer open antwoorden (!) kunnen ontwikkelen. Het vastlopen werd die avond in verband gebracht met de dubbelganger van de vereniging.” Dit is nou wat ik een typisch gevalletje “niet-ik-maar-de-dubbelganger-in-mij” noem.

Wanneer ik mijn nieuwe wasmachine niet aan de praat krijg, staat niets mij in de weg om door middel van een magische bezwering, een rituele dans of een meditatieve mantram het ding te bewegen tot het vervullen van zijn functie. Maar het kan ook dat het helpt wanneer ik de stekker in het stopcontact steek.

Voelt u ook die tinteling van fascinatie als het over deze dubbelganger en “het karma van de vereniging” gaat? Zijn de vastlopende zaken in de vereniging het werk van onze grote “gemeenschappelijke dubbelganger”? Eerlijk gezegd ben ik er stellig van overtuigd dat veel zaken die nu in de vereniging vastlopen heel anders, beter, zouden verlopen indien we binnen (en buiten) de vereniging gewoon met elkaar zouden omgaan zoals onze vaders en moeders ons dat geleerd hebben. Eerlijk en met fatsoen. En je zwakheden aan jezelf, niet aan je dubbelganger toeschrijven.’
Zoals gezegd aan het begin, kwam hier gisteren ‘Diagnose dubbelganger?’ bij:
‘Het klinkt voor sommigen nostalgisch en bepaald niet cool als ik suggereer dat de antroposofie in Nederland er al veel bij zou kunnen winnen wanneer we een beetje “eerlijk en met fatsoen” met elkaar zouden omgaan. Daar kan ik mee leven. Maar zou het niet juist mooi zijn als het zou zijn zoals ik beweer? Dan kunnen we met weinig inspanning – want het is toch geen reuzenkarwei om eerlijk en met fatsoen met elkaar om te gaan – grote stappen maken.

Eerlijk en fatsoenlijk met elkaar omgaan, binnen een vereniging, betekent: elkaar open en zonder dubbele agenda tegemoet treden; ruimte laten voor andere overtuigingen dan de jouwe; acteren op basis van argumenten en inzichten, niet op basis van sentimenten; handelen in overeenstemming met (de geest van) statuten en huishoudelijk reglement. Eerlijk en fatsoenlijk met elkaar omgaan binnen een antroposofische vereniging betekent daarbovenop dat dit alles geschiedt in de geest van de antroposofie en haar grondlegger. Wat denkt u, zouden nog steeds zoveel “zaken binnen de vereniging steeds weer vastlopen” indien eerlijkheid en fatsoen op de aangeduide manier binnen de AViN praktijk zouden zijn? Ik denk van niet. 
Het onderzoeken van de tragische geschiedenis van de antroposofische vereniging, in binnen- en buitenland, sinds het overlijden van Rudolf Steiner – maar de narigheid stak al bij zijn leven de kop op – is hoogst noodzakelijk. Dat onderzoek zou zich eerst moeten richten op het nuchter verzamelen van de “historische feiten”. Als die verzameld zijn kan er op een andere manier, symptomatologisch, naar gekeken worden. En dan pas kan, door eenzijdigheden, zwakheden en onvermogen van betrokkenen heen, waargenomen worden of er terecht gesproken kan worden van de grote gemeenschappelijke dubbelganger en van tegenmachten.

Ik hoop dat dergelijk onderzoek gedaan zal worden. Maar om dat onderzoek te verbinden met de wil de huidige problemen van de AViN op te lossen, lijkt mij een wangedachte. Dat onderzoek moet, wil het tot iets kunnen leiden, vrij zijn van elke andere bedoeling dan de wil tot onderzoeken zelf. Het vastgelopen karretje van de AViN is er voorlopig niet mee geholpen. De stappen die dat karretje in elk geval weer in beweging kunnen brengen hebben toch echt te maken met “eerlijkheid en fatsoen”. Daar is op dit moment geen verder onderzoek voor nodig.’
Zo zitten we meteen weer in de problematieken van de Antroposofische Vereniging. Daarover is hier eerder al het nodige aan bod gekomen. Zoals op dinsdag 17 juni in ‘Aanvaarding’, waarbij juist werd geprobeerd de draad op te pakken:
‘De Algemene Ledenvergadering 2014 van de Antroposofische Vereniging in Nederland zindert her en der op internet nog na. Om te beginnen met dit verslag door het nieuwe bestuur op de website’.
Maar vanuit een ander gezichtspunt ook op donderdag 5 juni in ‘Onderuit’, waarin ik de serie van Lorenzo Ravagli over de geschiedenis van de vereniging verder vervolgde. De keer ervoor was Koningsdag’ op zaterdag 26 april, met ‘1935 | Ausschluss und Verbot’ van 17 april. Daar kwam op 30 mei ‘1936-1946 | Ahrimans Unterpfand. Der Streit um den Nachlass Rudolf Steiners’ bij. Inmiddels heeft Ravagli hieraan op 15 juli het lange en ingewikkelde relaas, maar ja, daaraan ontkom je in deze zaken niet, ‘1949-1952 | Der Prozess um den Nachlass Rudolf Steiners’ toegevoegd:
‘Der ursprüngliche Vorstand der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft war nach der Kaltstellung und dem kurz darauf erfolgten Tod Marie Steiners auf zwei Mitglieder geschrumpft. Albert Steffen war bei Marie Steiners Tod 64 Jahre alt, Guenther Wachsmuth 55. Die Leitung einer Internationalen Gesellschaft mit Tausenden von Mitgliedern und die gleichzeitige Verantwortung für eine Freie Hochschule für Geisteswissenschaft dürfte vom Tandem des verbliebenen Vorstandes als drückende Last empfunden worden sein. Albert Steffen dürfte die Tatsache, dass vier der sieben Gründungsmitglieder inzwischen verstorben waren, angesichts seines eigenen Alters als Menetekel erschienen sein. Marie Steiner hatte bereits Mitte der vierziger Jahre, kurz vor ihrem achtzigsten Geburtstag, die Neubegründung des Vorstandes vorgeschlagen. Der Einsicht, dass die Leitung der Gesellschaft für die Zukunft sichergestellt werden musste, konnte nicht länger ausgewichen werden. Daher verwundert es nicht, wenn Albert Steffen, der die Gesellschaft nach seinem Tod offenbar nicht Guenther Wachsmuth allein überlassen wollte, der Generalversammlung im Jahr 1949 eine Erweiterung des Vorstandes vorschlug, die von dieser auch angenommen wurde. Es ist nach all den jahrzehntelangen, ideologisch hochgradig aufgeladenen Auseinandersetzungen um die Zusammensetzung des Vorstandes und seine esoterische Konstitution äußerst erstaunlich, wie unspektakulär seine erste personelle Erweiterung vonstatten ging. (Bei der Generalversammlung lag ein Antrag vor, über die beiden Kandidaten getrennt abzustimmen, der aber vom Vorstand – wozu er verfahrenstechnisch gar nicht befugt war – abgelehnt wurde. Eine größere Zahl von Mitgliedern verließ daraufhin unter Protest den Saal. Es handelte sich um Sympathisanten Marie Steiners, die gegen die Aufnahme von Lewerenz in den Vorstand opponierten, dessen feindselige Haltung gegenüber der Nachlassverwaltung bekannt war).

Als neue Mitglieder kamen hinzu: der Naturwissenschaftler Hermann Poppelbaum (1891-1979) und der Musiker Wilhelm Lewerenz (1898-1956). Poppelbaum, der während des I. Weltkriegs in französischer Gefangenschaft Otto Palmer, dem Verfasser einer noch heute lesenswerten Monografie über die »Philosophie der Freiheit« und damit der Anthroposophie begegnet war, wurde 1919 Mitglied der Gesellschaft. Beim Hochschulkurs zur Eröffnung des ersten Goetheanum im September 1920 lernte er Rudolf Steiner kennen und gehörte 1924 zu den ersten von diesem autorisierten Rednern, die im Namen des Goetheanum öffentlich auftreten durften. Er wirkte in Hamburg als Zweigleiter und wurde Anfang der 1930er Jahre in den Vorstand der deutschen Landesgesellschaft gewählt. Im Zusammenhang mit dem Verbot der Anthroposophischen Gesellschaft wurde er 1935 mehrfach von der Gestapo verhört. Die politischen Nachstellungen bewogen ihn dazu, mit seiner Familie nach England auszuwandern. 1939 wurde er zu Vorträgen in die USA eingeladen. Der Ausbruch des Zweiten Weltkrieges verhinderte seine Rückkehr nach England, Frau und Kinder durften jedoch in die Schweiz ausreisen. Er setzte seine Vortragstätigkeit in den USA fort, unterrichtete an Waldorfschulen und als Gastdozent für Biologie an der Alfred University im Staat New York. Erst 1948 kam er wieder mit seiner Familie in der Schweiz zusammen.

Poppelbaum übernahm mit seiner Berufung in den Vorstand die Leitung der Pädagogischen Sektion und 1963, nach dem Tod Guenther Wachsmuths, sollte er auf dessen testamentarischen Wunsch zum Leiter der Naturwissenschaftlichen Sektion werden. Nach dem Tod Steffens 1963 avancierte er mit 73 Jahren zum Vorsitzenden der Gesellschaft.

Lewerenz war seit den zwanziger Jahren als Musiker innerhalb der Sektion für redende und musische Künste aktiv gewesen und übernahm nun deren Leitung, also die Funktion, die Marie Steiner bis zu ihrem Tod innehatte.

Zwischen dem Goethejahr 1949 und dem Jahr der Explosion der ersten Wasserstoffbombe 1952 erreichten die ideologischen Auseinandersetzungen in der Anthroposophischen Gesellschaft ihren absoluten Tiefpunkt, den der Prozess zwischen der Goetheanumleitung und dem Verein zur Verwaltung des Nachlasses Rudolf Steiners (»Nachlassverein«) markiert. Von historischer Bedeutung ist die zusammenfassende Darstellung des Konflikts, die Paul Jenny, Vorstandsmitglied der Nachlassverwaltung, in der Haupt- und Schlussverhandlung vor dem Obergericht Solothurn am 17. Juni 1952 vortrug. (»Nachrichten der Rudolf Steiner Nachlassverwaltung«, Nr. 4, Oktober 1952)

Ausgangspunkt des Prozesses war eine Klage, die der Nachlassverein wegen Urheberrechtsverletzung gegen den Philosophisch-Anthroposophischen Verlag einreichte, weil dieser begonnen hatte, Vortragsreihen Steiners wieder aufzulegen, ohne sich mit der Nachlassverwaltung ins Einvernehmen zu setzen. Der 1908 von Marie von Sivers begründete Verlag hatte zu Lebzeiten Steiners eine Reihe seiner Bücher und eine beträchtliche Anzahl seiner Vorträge, aber auch Titel anderer Autoren publiziert. Der weitaus größte Teil des Werkes Rudolf Steiners, der später in der Gesamtausgabe erscheinen sollte, schlummerte aber noch unveröffentlicht in den Archiven. Marie von Sivers war Leiterin und Eigentümerin des Verlags. Im Dezember 1914 heirateten die beiden und setzten sich im März 1915 gegenseitig als Universalerben ein, mit dem ausdrücklichen Recht, im Todesfall über den Nachlass des jeweils anderen zu testieren. Marie Steiner war also beim Tod Rudolf Steiners nicht nur Eigentümerin des Philosophisch-Anthroposophischen Verlags, sondern wurde aufgrund des Testamentes auch zur Inhaberin seines gesamten literarischen und künstlerischen Nachlasses. Bei der Weihnachtstagung 1923/24 hatte Rudolf Steiner seine Absicht erklärt, den Philosophisch-Anthroposophischen Verlag als Unterabteilung in die Anthroposophische Gesellschaft einzugliedern, Näheres, insbesondere die rechtlichen und finanziellen Modalitäten der Eingliederung, sollte durch entsprechende Verträge geregelt werden, so wie dies auch im Fall der Eingliederung des von Ita Wegman gegründeten Klinisch-Therapeutischen Instituts geschehen war. Noch im Todesjahr Rudolf Steiners, im Dezember 1925 – also zwei Jahre nach der Weihnachtstagung –, wurde zwischen Marie Steiner und der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft, vertreten durch Albert Steffen und Guenther Wachsmuth, ein Kaufvertrag abgeschlossen, der die Übertragung des Verlags an die Gesellschaft zum Gegenstand hatte. Marie Steiner trat in diesem Vertrag als uneingeschränkte Eigentümerin des Verlags auf, ihr wurde ein zunächst auf 10 Jahre befristetes Rückkaufrecht eingeräumt, das sie durch eine einseitige einfache Erklärung ausüben und außerdem beliebig verlängern konnte. Marie Steiner behielt aufgrund des Vertrags die uneingeschränkte Leitung des Verlags und die volle Nutznießung an dessen Erträgen bis zu ihrem Tod, bei dem der vereinbarte Kaufpreis von 180.000 Schweizer Franken ausbezahlt werden sollte. Um den Eindruck eines Scheinvertrags zu vermeiden, wurden die Steuerzahlungen auf die beiden Vertragspartner verteilt.

Das erste Mal wurden die Eigentumsrechte Marie Steiners unter Berufung auf die »Weihnachtstagung« im Februar 1926 durch Walter Johannes Stein auf einer Delegiertenversammlung in Frage gestellt (siehe weiter oben), der damals behauptete, durch jene sei der gesamte Nachlass Steiners an die Gesellschaft übergegangen. Die Versammlung wies Steins Auffassung empört und einstimmig zurück. Steffen und Wachsmuth setzten sich bei dieser Gelegenheit vorbehaltlos für Marie Steiner ein. Infolge seines Auftritts bei der Delegiertentagung musste Stein sein Amt im deutschen Landesvorstand niederlegen, wurde praktisch zur persona non grata und wanderte kurz darauf nach England aus. Bei einer weiteren Delegiertenversammlung, im Oktober 1928, kamen erneut die Eigentums- und Urheberrechte Marie Steiners zur Sprache. Auch hier erklärte sich der Vorstand der Gesellschaft, einschließlich Steffens und Wachsmuths, zugunsten Marie Steiners. Anlass war die Behauptung Alices Sauerweins, der Generalsekretärin der französischen Landesgesellschaft, sie befinde sich im Besitz eines exklusiven Übersetzungsrechts für das Werk Rudolf Steiners. 1928 erklärten der Vorstand der Gesellschaft sowie die Vorstände und Generalsekretäre der Landesgesellschaften gegenüber Alice Sauerwein in einer Resolution: »Frau Dr. Steiner stehen selbstverständlich alle aus dem Eintritt in die Urheberrechte Dr. Steiners fließenden Einzelrechte zu, insbesondere das Recht, die Erlaubnis zur Vornahme von Übersetzungen generell oder einzeln zu erteilen und zu modifizieren.« In einem vom gesamten Vorstand unterzeichneten Brief an Sauerwein vom 5. Februar 1930 wurde Marie Steiner erneut als »Erbin der Autorrechte Dr. Steiners« bezeichnet, ohne deren Einverständnis keinerlei Übersetzungen angefertigt oder herausgegeben werden dürften. Da Sauerwein gegen eine andere Funktionärin der Gesellschaft wegen der Frage der Übersetzungsrechte einen Prozess angestrengt hatte (siehe weiter oben), erklärte eine außerordentliche Generalversammlung im Dezember 1930, das Verhalten Sauerweins »in der Angelegenheit der Urheberrechte an dem Werke Rudolf Steiners, welche Marie Steiner als der alleinigen Erbin zugehören«, entspreche nicht anthroposophischer Gesinnung und forderte sie zum Rücktritt auf. Sauerwein erlebte das Ende des von ihr angestrengten Prozesses nicht mehr, denn sie starb Anfang 1931. Alles in allem kann man sich der Aussage Jennys ohne Vorbehalte anschließen, nicht nur die Mitgliederversammlung der Anthroposophischen Gesellschaft, sondern auch deren Vorstand hätten Marie Steiner durch Jahrzehnte hindurch als Inhaberin aller Urheberrechte Rudolf Steiners anerkannt.

Diese Situation änderte sich durch die Gründung der Nachlassverwaltung. Nun erklärten im Herbst 1945 Steffen und Wachsmuth der Mitgliedschaft in einem Rundschreiben, »zwei Anwälte und eine besondere Autorität auf diesem Gebiet« seien »unabhängig voneinander und übereinstimmend zu dem Ergebnis gelangt, dass der künstlerische und wissenschaftliche Nachlass Dr. Steiners juristisches Eigentum der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft« sei. Der Hintergrund für diesen fundamentalen Sinneswandel dürfte die Befürchtung gewesen sein, auf die Anthroposophische Gesellschaft kämen seitens der Nachlassverwaltung erhebliche Geldforderungen zu, sollte doch der Kaufpreis für den Philosophisch-Anthroposophischen Verlag beim Tod Marie Steiners fällig werden. Außerdem wurde durch die Übergabe des Nachlasses (der zweifellos eine der künftigen Haupteinnahmequellen der anthroposophischen Gesellschaft und das Fundament ihrer spirituellen Ansprüche war) an einen eigenständigen Verein dieser Nachlass dem Zugriff der Gesellschaft entzogen. Dass solche Erwägungen beim Streit eine maßgebliche Rolle gespielt haben dürften, darauf deutet die Kalkulation hin, die Jenny in seinem Plädoyer vorlegte, wonach sich der Sachwert des Philosophisch-Anthroposophischen Verlags Mitte der 1940er Jahre auf rund 1 ½ Millionen Schweizer Franken belief. Die mögliche Kaufsumme, die beim Tod Marie Steiners fällig geworden wäre, hatte sich also gegenüber 1925 beträchtlich erhöht.

Im Prozess um den Nachlass ging es aber nicht nur um die Urheberrechte und die Verlagsrechte, sondern auch um ideell-spirituelle Fragen. Die von der Gesellschaft angemeldeten Ansprüche ließen sich durch den Hinweis auf das Testament des Ehepaars (die Urheberrechte gingen auf sie als Universalerbin über) und den Kaufvertrag vom Dezember 1925 (Marie Steiner war auch nach der Weihnachtstagung die Inhaberin der Verlagsrechte und hatte durch den Verkauf des Verlags die Urheberrechte an den bereits veröffentlichten Büchern, erst recht nicht am Nachlass, übertragen) leicht abwehren. Das Solothurner Obergericht schloss sich in diesen Fragen auch vollumfänglich der Rechtsposition der Nachlassverwaltung an.

Da Albert Steffen und Guenther Wachsmuth offenbar spürten, dass ihre rechtliche Argumentation auf schwankendem Boden stand, beriefen sie sich gegenüber dem Solothurner Gericht zusätzlich auf spirituelle Gesichtspunkte, auf eine Art »Mysterienrecht«, durch welches das bürgerliche Recht außer Kraft gesetzt werde, das sie aus einer tendenziösen Interpretation der Weihnachtstagung ableiteten. Jenny diagnostizierte in der Argumentation der Gegenseite zwei »Fiktionen«, auf denen diese in der Hauptsache beruhe.

1. Der aus Albert Steffen und Guenther Wachsmuth bestehende Restvorstand der Gesellschaft besitze »dieselbe Qualifikation wie der ursprüngliche Gründungsvorstand«, dem auch Rudolf Steiner angehört habe. Diese »Fiktion« betrachtete Jenny als Ausdruck einer »tiefen Unaufrichtigkeit«. Die einzige Persönlichkeit, »die durch ihre überragende Größe die Kraft besessen« habe, »die heterogensten Strömungen, die in den Persönlichkeiten des Gründungsvorstandes« versammelt gewesen seien, »im Gleichgewicht zu halten«, sei durch Rudolf Steiners Tod aus diesem Vorstand ausgeschieden. Der »tiefgehende Konflikt«, der unmittelbar nach Steiners Tod im »Restvorstand« ausgebrochen sei und schließlich 1935 zum Ausschluss Ita Wegmans und Elisabeth Vreedes und eines »nach Tausenden zählenden Teils ihrer Anhängerschaft« aus der Gesellschaft geführt habe, zeige dies. In diesem ersten großen Gesellschaftskonflikt habe Steffen auf der Seite Marie Steiners gestanden. Nach den Ausschlüssen von 1935 sei ein zweiter großer Konflikt entstanden, der zur Ausschaltung Marie Steiners durch Steffen und Wachsmuth geführt habe. Zuletzt habe der Vorstand »seine Nicht-mehr-Existenz im Sinne der Weihnachtstagung 1923« durch die »rücksichtslose Ausschaltung Marie Steiners aus ihren Funktionen als Vorstandsmitglied« und die Bestreitung ihres »im bürgerlichen Recht begründeten Rechts [sic!]«, »über die Weitergabe der Initiativverantwortung am Nachlass aus eigener moralischer Phantasie zu entscheiden«, »mit aller Deutlichkeit bewiesen«. »Nur kraft einer mit dem gesunden Menschenverstand nicht durchschaubaren Dogmatik«, so Jenny, könne »das Fortdauern des ursprünglichen Vorstandes« – und damit das Fortdauern der spirituellen Legitimation des damaligen Vorstandes – »in den noch übrig gebliebenen zwei Persönlichkeiten behauptet werden«. (Wie man sieht, wird hier der Anthroposophischen Gesellschaft in aller Deutlichkeit eine der Grundideen der abendländischen Esoterik, das Prinzip der spirituellen Kontinuität – die »Transmission« oder »Kette der Meister« – in Abrede gestellt). Der jetzige Vorstand könne »unmöglich noch repräsentieren, was der ursprüngliche Vorstand« gewesen sei. Jenny brachte hier eine Auffassung zum Ausdruck, die auch Marie Steiner vertrat, als sie von der »Preisgabe des Vorstandsgedankens« durch Albert Steffen sprach: die Auffassung, eine der Hauptaufgaben des ursprünglichen Vorstandes habe gerade darin bestanden, trotz aller persönlichen Gegensätze an seiner Einheit festzuhalten und dadurch die Einheit der Gesellschaft und ihre gedeihliche Entwicklung zu gewährleisten. Schließlich hatte Steiner bei der »Weihnachtstagung« das Schicksal der Anthroposophie in der Welt und damit der Menschheit auch von der Verwirklichung eines einvernehmlichen Zusammenwirkens in der Gesellschaft abhängig gemacht. Da der Vorstand zerfallen war und infolge seines Zerfalls auch die Gesellschaft, hatte diese ihre Aufgabe nicht erfüllt und dadurch eigentlich ihre Existenzberechtigung verloren. Das war der geistige Hintergrund der Gründung der Nachlassverwaltung, deren Aufgaben nun – im Vergleich zu jenen der Gesellschaft – ungleich bescheidener darin bestanden, das hinterlassene Werk Rudolf Steiners zu verwalten, herauszugeben und (vor Verfälschungen) zu schützen (so der in Beatenberg geschlossene Übereignungsvertrag zwischen Marie Steiner und der Rudolf Steiner Nachlassverwaltung vom 1. Dezember 1947).

2. Die zweite von Jenny benannte »Fiktion« bestand in der Auffassung, die gegenwärtige Anthroposophische Gesellschaft sei dieselbe wie die der »Weihnachtstagung« 1923/1924. Bereits 1935 sei ein bedeutender Teil der Mitgliedschaft mit zwei Vorstandskollegen ausgeschieden. Seit 1942 sei ein immer größer werdender Teil tätiger Mitglieder von Steffen de facto ausgeschaltet worden. Große Ländergruppen in der Schweiz, in Holland, England und Norwegen hätten keine Beziehung mehr zur Gesellschaftsleitung in Dornach. Wer heute noch, nach all den erwähnten Austritts- und Ausschlussbewegungen, von einer »Allgemeinen« Anthroposophischen Gesellschaft rede, spreche von etwas Irrealem oder verschleiere die Wahrheit absichtlich. Weder die Anthroposophische Gesellschaft noch die Freie Hochschule für Geisteswissenschaft, deren Unterhalt eine weitere Hauptaufgabe der Gesellschaft sei, bedürften zur Verwirklichung ihrer Ziele der Übertragung irgendwelcher Urheberrechte, die Steiner ihnen auch nie zugedacht habe.

Berücksichtigt man allerdings – so kann man Jenny entgegenhalten – die tiefere Dimension des Streits um den Nachlass, die weiter oben angesprochen wurde, dann lässt sich das Problem auch anders formulieren: Beide hätten gerade dieser Urheberrechte bedurft, denn die Aufgabe des Anspruchs auf »auctoritas«, das Recht zur geistigen Urheberschaft – auf die Vollmacht also, die Anthroposophie, das Werk Rudolf Steiners kontinuierlich neu zu schöpfen und weiter zu entwickeln – wäre einer Bankrotterklärung der Leitung der Freien Hochschule für Geisteswissenschaft gleichgekommen, deren Sinn und Zweck gerade in dieser fortwährenden Neuschöpfung bestand. Mit der Nichtexistenz der Hochschule hätte aber auch die Anthroposophische Gesellschaft ihren Daseinszweck verloren. Der Nachlassstreit, der Streit um die Urheberrechte, wurde in einer merkwürdigen realhistorischen Metaphorik zum Symptom für die uneingestandene, aber wohl vorhandene Einsicht, dass genau diese spirituelle »auctoritas« der Hochschule und der Gesellschaft verloren gegangen war.

Der Streit um den Nachlass war deswegen auch nur ein Stellvertreterkrieg, der von dem eigentlichen Problem ablenkte: von der Tatsache nämlich, dass mit dem Tod Rudolf Steiners der Strom der Geisterkenntnis und der Erneuerung des sozialen Lebens aus dieser Geisterkenntnis versiegt war. Andererseits verkörperte die Nachlassverwaltung – als Verwaltung des literarischen Nachlasses und nicht des lebendigen spirituellen Erbes Rudolf Steiners – mit ihrer bescheidenen Aufgabenstellung genau diese Einsicht. Insofern war Marie Steiner, die bereits kurz nach dem Tod Rudolf Steiners die Auffassung vertrat, die Weihnachtstagung sei gescheitert, nur konsequent, wenn sie der Freien Hochschule einerseits die spirituelle Kompetenz absprach und andererseits die Verwaltung und den Schutz des Nachlasses zur Aufgabe des eigens zu diesem Zweck gegründeten Vereins erklärte. Das war aus ihrer Sicht nach dem Scheitern des Vorstandes, der Hochschule und der Gesellschaft die einzige noch übrig gebliebene legitime Aufgabe der »anthroposophischen Bewegung«.

In den folgenden Sätzen Jennys klingt die Vielschichtigkeit des damit angesprochenen Problems an: »Wenn also die Gegenseite behauptet, Rudolf Steiner habe an der Weihnachtstagung der Gesellschaft seine Rechte an den Nachlass übergeben, indem er ihr die Pflege des anthroposophischen Geistesgutes übertrug und das gehe auch daraus hervor, dass er von den Publikationen der Hochschule spreche, so behaupten sie etwas, was mit den Realitäten im offenen Widerspruch steht ... Nie dachte Rudolf Steiner daran, seine Autorrechte – dazu noch zu seinen Lebzeiten! – einer Gesellschaft zu übergeben.« Dazu kann man nur sagen: Jenny hatte völlig Recht – und befand sich doch im Irrtum! Denn Steiner hatte der Gesellschaft bei der Weihnachtstagung zwar nicht sein Recht auf den literarischen Nachlass, wohl aber sein Recht auf den spirituellen Nachlass übergeben, – wenn auch nicht in ihrer vollen Wirklichkeit, sondern als Möglichkeit, als Aufgabenstellung, als Zielsetzung, die von ihr hätte ergriffen und realisiert werden müssen. Da der potentielle Rechteinhaber der spirituellen »auctoritas« diese Rechte aber nicht wahrgenommen hatte, waren sie verfallen und an deren Stelle war das Recht auf den literarischen Nachlass getreten, das einzige, das übrigblieb.

Der Nachlass-Verein kam nach dem Urteilsspruch des Solothurner Obergerichts zu seinen Gunsten seiner Aufgabenstellung nach, indem er in einem schon während des Prozesses gegründeten neuen Verlag (Verlag der Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, später Rudolf Steiner Verlag) die Herausgabe der noch unveröffentlichten Werke Rudolf Steiners in Angriff nahm. Da nach Ablauf von zehn Jahren der Verfall der Urheberrechte drohte (die später verlängert wurden), begann er mit Hochdruck am Aufbau einer Rudolf Steiner Gesamtausgabe zu arbeiten. Es ist eigentlich nicht mehr als eine historische Abstrusität, dass der Verlag der Nachlassverwaltung auf den Eindruck des Hochschulvermerks (§ 8 der Prinzipien) in seine Publikationen verzichtete (»Als Manuskript für die Angehörigen der Freien Hochschule für Geisteswissenschaft Goetheanum Klasse ... gedruckt« usw.), da er die Hochschule als inexistent betrachtete, und dass die Buchhandlung im Goetheanum die von der Nachlassverwaltung herausgegebenen Werke Rudolf Steiners nicht verkaufte (boykottierte) und dass diese auch in der Wochenschrift »Das Goetheanum« nicht angezeigt werden durften. (Man lasse sich dies auf der Zunge zergehen!) Allerdings erwies sich die Sprengkraft dieser Kuriosität in den siebziger Jahren, als das ihr zugrunde liegende Problem zu einer weiteren Spaltung der Gesellschaft führte.

Der Wirkungsmacht der Werke Rudolf Steiners tat der Boykott von seiten des Goetheanum und der Anthroposophischen Gesellschaft keinen Abbruch.

Vorheriger Beitrag: 1946-1948 | Verhärtete Fronten und Keime künftiger Versöhnung Folgender Beitrag: Impromptu zwischen den Zeiten
De nieuwste aflevering verscheen op 18 juli, een wat algemenere beschouwing, getiteld ‘Impromptu zwischen den Zeiten’:
‘Wer sich mit der Geschichte der anthroposophischen Gesellschaft und Bewegung beschäftigt, wird immer wieder über die Zähigkeit erstaunt sein, mit der die unterschiedlichen Gruppierungen an den einmal erwählten Zielsetzungen festhielten. Trotz aller äußeren Widerstände – die Anthroposophische Gesellschaft und ihre »Zweckverbände« wurden während der Zeit des Nationalsozialismus aufgrund ideologischer Unvereinbarkeit in Deutschland verboten – und trotz aller inneren Spaltungen – die heute nicht mehr nachvollziehbare, metaphysisch aufgeladene Kampfstimmungen erzeugten –, arbeiteten die meisten Beteiligten, soweit als möglich und teilweise mit märtyrerhafter persönlicher Opferbereitschaft weiter im Dienst ihrer jeweiligen spirituellen Zielsetzungen.

Von der mit Ita Wegman verbundenen Menschengemeinschaft ging eine bedeutende, therapeutische und heilpädagogische Bewegung aus, die – auch ohne von der Gesellschaftsleitung in Dornach akzeptiert zu sein – die Ideen der anthroposophisch erweiterten Medizin und ihre Praxis in der ganzen Welt verbreitete. Die Paladine Marie Steiners verfolgten nach deren Tod, ausgegrenzt und angefeindet vom Goetheanum, mit bemerkenswerter Energie ihr Ziel weiter, den literarischen und künstlerischen Nachlass Rudolf Steiners für die Nachwelt zu bewahren und der Mitwelt zugänglich zu machen. Auch am Goetheanum selbst ruhte unter der Leitung Albert Steffens und den neuen Vorstandskollegen die Arbeit nicht.

All dies – die erstaunliche Lebensfähigkeit der anthroposophischen Bewegung und Gesellschaft und die bemerkenswerte Bereitschaft sich mit allen persönlichen Einseitigkeiten in den Dienst überpersönlicher Ziele zu stellen – lässt sich nicht aus rein pragmatischen Gründen erklären. Vielmehr müssen bedeutende seelische Energien durch intrinsische Motivationen freigesetzt worden sein, die Bestandteil eines idealistisch-religiösen Wertesystems waren, das dem Leben der einzelnen Akteure allen Anfeindungen zum Trotz Bedeutung und Sinn verlieh. Der von Steiner in seinem Buch »Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?« ausgesprochene Grundsatz: »Jede Idee, die dir nicht zum Ideal wird, ertötet in dir Erkenntniskräfte«, dürfte für das Selbstverständnis vieler Beteiligten maßgeblich gewesen sein. Und die dort vom Geistesschüler verlangte unbedingte »Verehrung von Wahrheit und Erkenntnis« (nicht von Personen, obwohl es auch diese in ausgiebigem Maß kultiviert wurde) dürfte das ihrige dazu beigetragen haben, die individuell als richtig betrachteten Handlungsalternativen mit jener existentiellen Bedeutung aufzuladen, die mögliche Kompromisse als Verrat an der Wahrheit erscheinen ließ. Noch in den siebziger Jahren des 20. Jahrhunderts konnte man in Dornach Menschen begegnen, die den Fels, auf dem das Goetheanum errichtet wurde, als Zeugen des ihnen in den großen Gesellschaftskonflikten widerfahrenen Unrechts anriefen, das nicht vergessen und vergeben werde, solange dieser Felsen stehe.

Sektenbildungen sind bei Erkenntnisgemeinschaften nicht ungewöhnlich. Man findet sie in politischen und wissenschaftlichen Diskursgemeinschaften wie der sozialistischen, marxistischen oder psychoanalytischen, unter Physikern und Philosophen, quer durch alle Disziplinen und akademischen Fakultäten. Weder die emotionalen Energien, die von den inneranthroposophischen Weltanschauungskämpfen entfesselt wurden, noch die psychosozialen Gruppendynamiken der Spaltung, Abkapselung, Ausgrenzung und Dämonisierung dürften Archäologen der Wissensgeschichte überraschen. Spätestens seit Thomas Kuhns Forschungen zur Entstehung und Verbreitung wissenschaftlicher Paradigmen hat sich in der Wissensgeschichte die Überzeugung durchgesetzt, dass das Irrationale ein konstitutiver Bestandteil der Geschichte der Rationalität ist und die neuere Esoterikforschung hat gezeigt, dass das sogenannte Irrationale seinerseits lediglich eine verdrängte Form von Rationalität darstellt.

Spätgeborene Historiker können den an den Gesellschaftskatastrophen unmittelbar Beteiligten also nicht Irrationalität vorwerfen, vielmehr lebten und handelten sie gerade aus einer komplexen Rationalität, in deren Gewebe aus Ideen, Einstellungen und Entscheidungen sie all ihre biographischen und geschichtlichen Erfahrungen einflochten – mit unterschiedlichen Resultaten, die eine Folge ihrer individuellen Bildungsgeschichte, Lebensperspektive und Geschichtsdeutung waren. Dass viele dieser Beteiligten sich gegen Argumente resistent erwiesen, die mit ihrer eigenen oder in Gemeinschaft ausgebildeten Rationalität nicht kompatibel waren, dürfte darin begründet sein, dass ihnen jene Argumente schlicht als irrational erschienen. Trotzdem sie sich alle auf dieselben Gründungsmythen beriefen, gelangten sie doch zu unterschiedlichen Deutungen dieser Mythen und flochten sich auf je unterschiedliche Weise in die mythischen Gründungserzählungen ein. Da sie selbst als handelnde Personen Teil der sich fortentwickelnden Mythengeschichte waren, standen sich personalisierte Varianten mythischer Erzählungen gegenüber, die für den sozialen Zusammenhalt der Menschengruppen verantwortlich waren, die sich um ihre jeweiligen Heroen scharten.

Je stärker sich Einzelpersonen oder Kollektive mit solchen Mythen identifizieren, um so mehr verfestigen sich diese. Dogmatische oder fundamentalistische Tendenzen machen sich breit und die sozialen Prozesse nehmen den Charakter von Bestätigungsritualen an, in denen stets die selben Gründungserzählungen und Legitimationsformeln wiederholt werden. Mit zunehmendem Alter verlieren solche sozialen Konglomerate die Bereitschaft oder Fähigkeit zur Veränderung. Sie passen sich nicht mehr an den Wandel der empirischen Welt an, verkrusten und kapseln sich ab. Haben sie einen gewissen Zustand der Erstarrung erreicht, vermögen sie sich kaum noch aus eigener Kraft aus ihm zu befreien und erst der natürliche Tod der Protagonisten sprengt die harte Schale der Tradition. Traditionen müssen aber keineswegs mit den Generationen untergehen, die sie geschaffen haben, wenn diese rechtzeitig in den nachwachsenden Generationen für ihre Reproduktion sorgen. Lediglich personalisierte Traditionen schwinden mit dem Tod ihrer Träger dahin, nicht jedoch kollektive Traditionen, denn das Kollektiv webt den Tod ihrer Heroen in die umfassende Erzählung der Gemeinschaft ein und die Gründergestalten werden selbst zu einem Teil des unsterblichen Mythos.

Nur auf diese Weise ist es zu erklären, dass die katholische Kirche noch heute existiert, ja, dass sie aus dem Tod ihres Heros, des personalisierten Trägers ihres Erlösungsmythos, überhaupt erst entstanden ist. Abgesehen von der katholischen Kirche und einigen anderen Religionsgemeinschaften, gibt es keinerlei sozialen Konglomerate, weder politische noch rechtliche noch ideelle, die sich als so resistent gegen Veränderung erwiesen haben. Diese erstaunliche Beharrungsfähigkeit zeugt vom Ausmaß der Entpersonalisierung der betreffenden Traditionen – man könnte auch sagen, vom Ausmaß ihrer Enthistorisierung und Globalisierung. Ebenso wie personale sterben auch lokale Traditionen mit ihren Trägern aus, wenn diese sich nicht oder nicht mehr zu reproduzieren vermögen. Geistige Bewegungen – sei es der Platonismus, das Christentum, die Renaissance, die Aufklärung oder die abendländische Esoterik – gehen stets von schöpferischen Gründergestalten oder kleinen Gruppen von Menschen aus. Das Ausmaß des Überschusses ihrer Inspiration über die alles verschlingende Entropie der Geschichte entscheidet über die Lebensdauer der aus ihnen hervorgehenden Bewegungen. Je universeller, je übergeschichtlicher, je umfassender und großartiger eine Inspiration, um so mehr Generationen und soziale Kollektive vermögen aus ihr das Wasser des Lebens zu schöpfen.

Sub specie aeternitatis oder wenigstens sub specie aetatis hat man es bei der anthroposophischen Gesellschaft und Bewegung mit einem in Geburt begriffenen sozialen Konglomerat zu tun, dessen universelle Inspirationsquellen noch längst nicht versiegt sind. Die Geschichte ihres ersten Jahrhunderts (je nach Gesichtspunkt: 1902-2002, 1912/13-2012/13, 1923/24-2023/24) ist eine Geschichte der Geburtswehen. Die große metaphysische Erzählung – oder eigentlich die Kaskade mythischer Erzählungen – ihres Gründungsheros reicht weit über die lokalen Traditionen hinaus, die sie begründet hat und in deren Bachbett sie zunächst dahingeflossen ist. Die Anthroposophie, in welcher der große Gesang der abendländischen Esoterik neu angestimmt wird oder unter veränderten historischen Bedingungen von neuem erklingt, schöpft aus unversieglichen, universellen Quellen, aus einem Meer, aus dem sich das gesamte geistige Leben der Menschheit speist. Sie ist zwar nicht dieses Leben, aber sie hält der Menschheit ein Bild dieses Lebens entgegen, das imstande ist, aus ihr ein ungeahntes schöpferisches Potential zu entbinden, dessen sie bedarf, wenn sie ihren weiteren Weg durch die dunklen Jahrtausende, die da kommen, gehen will.

Vorheriger Beitrag: 1949-1952 | Der Prozess um den Nachlass Rudolf Steiners

Wird im September fortgesetzt’
Lorenzo Ravagli gaat blijkbaar een maandje met vakantie. Het is hem vanaf deze kant van harte gegund.
.

dinsdag 1 juli 2014

Indianenweide

Er gaat eerst nog een bus voorbij...

Het is wel zomer, maar dat is aan de hoeveelheid berichten niet te merken. De komkommers zijn nog niet losgebroken. Net als eergisteren in ‘Massa’ begin ik weer met de ‘Vereniging van vrijescholen’. Die meldde gisteren ‘Nieuw lectoraat “Waarde(n) van vrijeschoolonderwijs” van start!’
‘De Hogeschool Leiden is in 2014 gestart met het lectoraat “Waarde(n) van vrijeschoolonderwijs”. Het lectoraat gaat onderzoek doen naar de onderliggende waarden van vrijeschoolonderwijs. Onder andere met betrekking tot de doelen van het onderwijs: wat vindt men belangrijk en waarom vindt men die zaken belangrijk. Ook kijkt het lectoraat naar de waarde van het onderwijs: wat zijn de opbrengsten? Daarbij richt het onderzoek zich op drie functies van het onderwijs: kwalificeren, socialiseren en persoonsvorming.

De doelstelling van het lectoraat is het ontwikkelen van kennis en inzicht en het bevorderen van professionaliteit van (aankomende) leraren in het vrijeschoolonderwijs en andere geïnteresseerde leraren en professionals, met als achterliggend doel het versterken van de doelen waar het vrijeschoolonderwijs voor staat: het realiseren van een brede en evenwichtige ontwikkeling van denken, voelen en willen bij kinderen en jongeren.

Dr. Aziza Mayo benoemt als lector

Per april 2014 is Aziza Mayo (1975) benoemt tot lector. Zij was leerling van de Adriaan Roland Holst (Vrije) School in Bergen, studeerde pedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam en promoveerde in 2004 op het onderzoek “Cognitive co-construction in mother-child interaction”. In nauwe samenwerking met het onderwijsveld zal Mayo de komende vier jaar een onderzoeksprogramma ontwikkelen, opzetten en uitvoeren naar Vrijeschoolonderwijs.

Daarbij wordt enerzijds ingezet op onderzoek naar de opbrengsten van het Vrijeschoolonderwijs, bijvoorbeeld door te onderzoeken hoe en wat kinderen op Vrijescholen leren en hoe dit zich verhoudt tot wat kinderen op andere scholen leren. Daarnaast wordt er gekeken naar wat het Vrijeschoolonderwijs karakteriseert en beoogt te bereiken bij het onderwijzen van kinderen. Bijvoorbeeld door onderzoek te doen naar didactische aspecten waarmee het Vrijeschoolonderwijs zich onderscheidt van andere scholen zoals de kleuterklas en het hoofdonderwijs (periode onderwijs).

Gedegen onderzoek kan leerkrachten, bestuurders en lerarenopleiders helpen om het onderwijs nog beter vorm te geven. Maar het kan ook helpen om met elkaar te communiceren en om het 'eigene' van het Vrijeschoolonderwijs en wat Vrijeschoolonderwijs brengt aan kinderen, leerkrachten, ouders en de samenleving beter en breder zichtbaar te maken.

De komende periode staat in het teken van oriëntatie. In het najaar van 2015 presenteert de lector haar onderzoekslijnen in een lectorale rede. De Vereniging van vrijescholen zal daarover nader berichten via deze website.’
Deze lector publiceerde afgelopen donderdag 26 juni op de website ‘VrijOnderwijs.nl’ die ik eergisteren introduceerde, dit artikel ‘Onderwijzen door te vragen’:
‘Als het over onderwijs gaat praten we vaak in termen van “geven” en “vragen”. Het geven hoort dan meestal bij de leraar, het vragen bij de leerling. De leraar geeft les, of uitleg, of een opdracht; de leerling vraagt om hulp, om een voorbeeld. Natuurlijk geven leerlingen ook: ze geven antwoorden, hun mening, ze geven elkaar uitleg. En natuurlijk stellen leerkrachten ook vragen, maar verreweg de meeste vragen die we in het onderwijs stellen, zijn vragen waarop slechts één of een beperkt aantal “juiste” antwoorden gegeven kan worden. Als vragensteller weten we ongeveer welke antwoorden we kunnen verwachten, welke antwoorden we willen horen en welke vervolgvragen we kunnen stellen om alsnog een verwacht antwoord op te roepen.

Dit soort vragen draagt vooral bij aan het verwezenlijken van de eerste twee van de drie door onderwijsfilosoof Gert Biesta (1) onderscheidde doelen en functies van het onderwijs: kwalificeren, socialiseren en persoonsvorming. “Kwalificeren” staat in de meeste onderwijsvormen centraal. Het gaat hierbij om het aanleren van kennis en vaardigheden waarvan men heeft vastgesteld dat kinderen die nodig hebben om later goed te kunnen functioneren in de samenleving en op de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld goed kunnen lezen en spellen. Ook “socialiseren” begint een steeds prominentere plaats binnen het onderwijs te krijgen. Het gaat over het eigen maken van normen en waarden, van gedragingen en attitudes die uitdragen wat belangrijk geacht wordt voor de samenleving en helpt kinderen om onderdeel van bestaande tradities te worden, bijvoorbeeld met behulp van burgerschaps- en anti-pestprogramma’s in de school.

In kwalificeren wordt veel geïnvesteerd en uitkomsten worden nadrukkelijk in kaart gebracht door middel van eindtoetsen en evaluaties. Rond de functie “socialiseren” is een maatschappijbrede discussie aan het ontstaan. Onder ouders, leerkrachten, bestuurders, politici, wetenschappers en onderwijsinspecteurs groeit het besef dat kinderen meer zijn dan de som van hun cognitieve vaardigheden, en daarmee neemt ook de onvrede over de bestaande definities en indicaties van “goed onderwijs” toe. Onderwijsprogramma’s zoals de “vreedzame school” of lessen over democratisch burgerschap, maar ook maatschappelijke stages, zijn initiatieven waarmee scholen de socialisatiefunctie van het onderwijs expliciet vorm geven binnen het curriculum. Structurele toetsing van de effecten van dit soort initiatieven en een duidelijk beleid ten aanzien van de plek die de socialisatiefunctie bij het vaststellen van de kwaliteit van het onderwijs inneemt ontbreekt echter nog (2; 3).

Het stellen en beantwoorden van dit soort vragen biedt houvast. Het zijn toetsende vragen die ons helpen om vast te stellen in hoeverre we met elkaar op één lijn zitten. Bij het stellen en beantwoorden van deze vragen volgen we als het ware een script. Door middel van dit soort scripts laten we anderen weten wat we belangrijk vinden, wat we waardevol en wetenswaardig achten en wat we van ze verwachten.

Thunks

Maar naast de toetsende vragen zijn er ook ander soort vragen die een rol in het onderwijs spelen. De Engelsman Ian Gilbert (4) noemt dit soort vragen “thunks”, vragen waar je hersens van gaan kraken. Hij stelt schoolkinderen vragen als “wat is de vrolijkste kleur?” en daagt ze met vervolgvragen uit om echt na te denken over de antwoorden die ze geven. Het zijn vragen waar je niet één juist antwoord op kunt geven. Vragen waarbij het antwoord niet gevonden kan worden door een script te volgen, maar die een beroep doen op creativiteit. Vragen die uitdagen om het vertrouwde denkkader los te laten, die zekerheden aan het wankelen brengen. Vragen waarop het antwoord naar verloop van tijd misschien wel verandert. Vragen die tot meer vragen leiden. Kortom, vragen die een beroep doen op een manier van denken en met kennis en vaardigheden omgaan, die ook wel “21st Century Skills” worden genoemd (3).

Manieren van denken en werken, vaardigheden en attitudes, die aansluiten bij de behoeftes van de toekomstige wereld zoals creativiteit, innovatie, kritisch denken, probleemoplossend vermogen, communiceren, samenwerken, nemen van persoonlijke en sociale verantwoordelijkheid, of burgerschap (5, 6). Dit scala van persoonskenmerken raakt aan de derde door Biesta onderscheidde functie van het onderwijs: persoonsvorming. Persoonsvorming omvat de wijze waarop je in de wereld “wordt”, het verwerven van zelfstandigheid, het vinden van je individualiteit en de verhouding van jou – als individu – met anderen en de rest van de wereld.

De vraag is of persoonsvorming wel “iets” is dat je kunt onderwijzen en of je het kunt meten. Hoe weet je wanneer onderwijs aan persoonsvorming bijdraagt? In zijn boek geeft Biesta (1; p. 150) aan dat je in het onderwijs bepaalde vragen kunt stellen die in potentie van invloed zijn op de persoonsvorming. Het gaat hierbij om vragen die de leerling uitdagen om zijn eigenheid te onderzoeken en expliciteren, zoals “Hoe sta jij daar tegenover?” of “Wat denk jij daarvan?”

Jack Petrash (7) is een zeer ervaren Vrijeschool leraar uit Amerika. In zijn boek “Understanding Waldorf Education; teaching from the inside out” (2002) geeft hij een prachtig voorbeeld van hoe zulke moeilijke vragen een onderdeel van het onderwijs kunnen zijn. Hij beschrijft een les in de vierde klas waarin de juf de leerlingen vertelt over de adelaar. Tijdens haar les draagt ze feitelijke informatie over aan de kinderen, over waar adelaars leven, wat ze eten, maar ze praat ook over wat thermiek is en waarom adelaars daar zo efficiënt gebruik van kunnen maken. Door haar beeldende manier van vertellen voelen de kinderen zich een onderdeel van de wereld van de adelaar, ze vormen zich een beeld van een vogel die ze misschien wel nooit in het echt zullen zien. Maar volgens Petrash begint het meest leerzame onderdeel van de les op het moment dat zij de leerlingen vraagt: “Kinderen, op welke manier zijn jullie zoals de adelaar?” Met deze “thunk” vraagt ze de kinderen om na te denken over de kwaliteiten van vogels en mensen, waarin die verschillen of overeenstemmen. Hierdoor creëert ze ook een context waarin kinderen zich bewust kunnen worden van hun eigen kwaliteiten.

Onderwijzen voor de 21st toekomst

Op basis van het voorgaande zouden we ons de volgende vraag kunnen stellen: Wat als onderwijs niet langer een proces van geven is maar een proces van “vragen” wordt: een proces van het durven stellen van moeilijke vragen? Wanneer dit soort vragen een vanzelfsprekend onderdeel van het onderwijs zijn, kunnen kinderen ervaren dat het “juiste” antwoord voor iedereen anders kan zijn, dat je van gedachte mag veranderen, dat je plezier kunt hebben in het zoeken naar antwoorden zelfs als je ze niet vindt. Het zijn vragen die je bewustmaken van de relativiteit en subjectiviteit van je beleving; vragen die je bewust maken van je menselijkheid. En daarmee kunnen dit soort vragen kinderen wellicht helpen om zich te ontwikkelen op een manier die aansluit bij de behoeften van de samenleving in de 21ste eeuw: tot zelfstandige, kritische denkers die zich tegelijkertijd bewust zijn van hun onherroepelijke verbondenheid met en verantwoordelijkheid voor het grotere geheel.

Met de nadruk die in de huidige manier van beoordelen van de kwaliteit van het onderwijs vooral op kwalificeren en in mindere mate ook op socialiseren wordt gelegd, is het de vraag of leerkrachten en scholen de ruimte ervaren of durven te nemen om persoonsvorming, bijvoorbeeld door het stellen van dit soort moeilijke vragen een vanzelfsprekend onderdeel van hun onderwijs te maken. Als het niet lukt deze ruimte te vinden en te benutten dan moeten we onszelf afvragen waarom niet en vooral ook: hoe dan wel? Maar als zij hiervoor wel ruimte gevonden hebben ben ik zeer benieuwd naar de invulling ervan, naar wat ze doen in de klas (of erbuiten).

Dr Aziza Y. Mayo, Lector Waarde(n) van Vrijeschoolonderwijs, Hogeschool Leiden

Aziza Mayo is bezig een kenniskring op te zetten die onderzoek gaat doen naar karakteristieken en opbrengsten van Vrijeschoolonderwijs. Zij is een oud-Vrijeschoolleerling, opgeleid tot pedagoog en heeft de afgelopen 14 jaar onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van kinderen (van peuter tot adolescent) en de rol die ouders, leerkrachten en scholen spelen bij schoolsucces. Zij zal geregeld bloggen op VrijOnderwijs.nl over relevante onderwijsgerelateeerde onderwerpen.

OPROEP: VrijOnderwijs.nl zoekt leerkrachten en scholen die van dit soort moeilijke vragen, een vanzelfsprekend onderdeel van hun onderwijs te maken en dit willen delen met andere betrokkenen uit de Vrijeschool. Schrijf je ervaring in een reactie hieronder of mail ons info@vrijonderwijs.nl.

(1) Biesta, G.J.J. (2006). Beyond Learning: Democratic Education for a Human Future. London: Paradigm Publishers.
(2) Onderwijsraad (2013). Een smalle kijk op onderwijs. Den Haag: De Onderwijsraad.
(3) Dijkstra, A.B. (2012). Sociale opbrengsten van het onderwijs. Rede. Amsterdam: Vossiuspers UvA.
(4) Gilbert, I. “Thunks”: https://www.youtube.com/watch?v=F0HrpGvAbxM
(5) ATC21S (2013). Assessment and Teaching of 21st Century Skills. Official website: http://atc21s.org
(6) Suto, I. (2013). 21st Century Skills: Ancient ubiquitous, enigmatic? Research Matters: A Cambridge Assessment Publication; http://www.cambridgeassessment.org.uk/Images/130437-21st-century-skills-ancient-ubiquitous-enigmatic-.pdf
(7) Petrash, J. (2002). Understanding Waldorf education; teaching from the inside out. UK: Floris Books.’
Nog een follow-up, dankzij ‘De Nieuwsbode Heuvelrug’ die gisteren schreef over ‘St. Jan bij Lievegoed’:
‘Bij Lievegoed, een antroposofische woon en werkvoorziening voor mensen met een beperking, wordt elk jaar rond de langste dag van het jaar het St. Jansfeest gevierd.

Het is een traditie om dit samen met cliënten, ouders, familie en medewerkers te vieren. Dit jaar werd het feest met Wederik gevierd bij Magenta, een van de werkplaatsen, gevierd . Er is daar een mooie belevingstuin en deze tuin is zeer geschikt om elkaar te ontmoeten.

Lievegoed koos voor een dansfeest. Voor degenen die niet konden of wilden dansen waren er verschillende spelletjes te spelen. Twee dj’s draaiden dansmuziek. Mede door de bijdrage van bakkerij van Asperen die voor heerlijke appelcake zorgde en van AH die voor een drankje zorgde werd het een zeer geslaagd feest.’
Een follow-up, niet van eergisteren maar van Denkpool’ op zondag 22 juni, is deze ‘Triodos mag toch weer wel op eigen grond parkeren’ bij ‘Nieuwspost Heuvelrug’ gisteren (vergeet u niet daar te doneren voor deze crowdsourced en crowdfunded journalistiek? want allemaal puur initiatief van Anthon Keuchenius):
‘De gesprekken over de toekomst van Hoofdstraat 26 duren te lang, zegt de nieuwe wethouder. De nieuwe Triodosbank mag daarom gewoon op eigen grond parkeren. Maar liefst wel ondergronds. Of half ondergronds.

Dat zegt de nieuwe wethouder Veldhuizen van de gemeente Heuvelrug. Van zijn voorganger – Bert Homan – moest Triodos juist een parkeerplaats aanleggen op snelwegboerderij Hoofdstraat 26, naast de oprit naar snelweg A12 en net buiten landgoed de Reehorst, waar Triodos een groot kantoor bouwt.

Ex-wethouder Homan hoopte daarmee zijn ambitieuze plannen voor de boerderij en zeven hectares te kunnen schragen. Het gebied rond de boerderij is al in de vorige eeuw aangekocht door de gemeente Driebergen en moest een duurzaam visitekaartje worden, met energieprojecten bovenop een verdiepte parkeergarage.

Maar volgens de nieuwe wethouder Veldhuizen wordt dat plan “wel erg ingewikkeld” nu de gemeente al bijna de helft van terrein tot 2020 moet afstaan aan Prorail, dat er machinerie wil laten opslaan en een bezinkbassin wil aanleggen. “Daar kunnen we geen nee tegen zeggen, ander snijden we onszelf in de vingers. Dan moeten ze zoeken naar andere locaties verder weg, en zou de aanleg van het station nog langer duren, meer overlast geven en duurder worden,” zegt Veldhuizen. “Maar dat betekent ook dat parkeren op Hoofdstraat 26 voorlopig niet kan en als je Triodos wil toestaan, moet je ze ook het parkeren gunnen.”

Daarom wil Veldhuizen de Triodosbank gelegenheid geven een parkeerplaats aan te leggen op eigen grond. Volgens een brief van het college van benw zou dat moeten gebeuren onder het te bouwen nieuwe kantoor aan de rand van het landgoed, of half verdiept buiten het landgoed. Ook mag Triodos geen korte toegangsweg vanaf station en Odijkerweg aanleggen, die weg moet juist weer wel over Hoofdstraat 26 voeren.

Triodos wil zelf liefst een bovengrondse parkeerplaats aanleggen voor ruim vierhonderd auto's, onder een nog aan te leggen beukenbosje op een weide aan de rand van het landgoed. Dat plan kwam er nadat bleek dat het oorspronkelijk plan van de provincie Utrecht om naast het nieuwe station Driebergen-Zeist – klaar in 2020 – een grote, verdiepte parkeergarage te bouwen voor elfhonderd auto' s te duur en te ingewikkeld bleek.

Dat wordt uiteindelijk – na jarenlange onderhandelingen met overheden, de NS, grondeigenaren en investeerders, waaronder de Triodosbank – gewoon een bovengrondse parkeergarage voor 450 auto’s. Werkzaamheden aan die garage moeten komend jaar beginnen. Triodos wil vlak ernaast op eigen grond een eigen parkeerplaats aanleggen, liefst op maaiveld, volgens de bank omdat deskundigen menen dat graven in het kwetsbare landgoed de grondwaterstromen verstoort.

Wethouder Veldhuizen wil het participatietraject voor de toekomst van Hoofdstraat 26 overigens nog wel doorzetten. Onder Homans bewind was de gemeente een inspraakprocedure over de toekomst van de boerderij gestart, dat vorig jaar werd ingehaald door de wensen van eerst de Nationale Politie en nu dus ook Prorail. “Ik heb eerder gezegd dat we de stekker uit de praticipatie trekken, maar dat is wat kort door de bocht geweest,” aldus Veldhuizen, die de inspraak wel wil beperken tot het deel achter de boerderij na 2020, omdat het voorterrein al bestemd zou zijn overtuin te worden van landgoed Bloemheuvel, aan de overkant van de Hoofdstraat.’
Ook de foto’s eronder zijn erg illustratief, met deze bijschriften:
‘De indianenweide waarop Triodos zelf graag de nieuwe parkeerplaats aanlegt. Het ligt net voor het witte politiegbouw langs de Oodijkerweg, te zien op de onderste foto.’
‘Net naast de indianenweide ligt de huidige parkeerplaats van Antropia en Triodos, midden op het landgoed. Die moet in elk geval verdwijnen, vlak ervoor komt het nieuwe hoofdkantoor.’
‘Aan de andere kant van de indianenweide ligt nog een weiland, net wel buiten het landgoed, mogelijk de locatie van de compromisparkeerplaats.’
Dat brengt me bij de column vandaag van Hugo Verburgh in De Ster Online, ‘Weten, zien en voelen en de Triodos Bank’:
‘Wat is kunst? Op die vraag zijn veel antwoorden. Ik kies er één. Kunst is de kunst om iets te zien wat de mensen in je omgeving niet zien en om vervolgens datgene wat alleen jij ziet ook voor die anderen zichtbaar te maken. Kunst is per definitie avant garde. Het plaatje van de kraaien boven het korenveld van Vincent van Gogh illustreert wat ik bedoel. Ruim een eeuw geleden zag bijna niemand wat Van Gogh hier zag en wilde uitdrukken. Intussen is dit beeld zo populair geworden dat kennelijk talloze anderen het nu ook zien.

Vorige week zag ik opeens iets dat iedereen die het onder ogen zou krijgen ook zou kunnen zien, maar waarin ik iets speciaals zag dat vermoedelijk weinig anderen hebben gezien; ik ga het hier beschrijven. Het is de samenhang tussen inhoud en strekking van twee ingezonden brieven die toevallig samen op de Opiniepagina van NRC Handelsblad stonden. Ze gaan over twee verschillende onderwerpen die op het eerste gezicht niets met elkaar te maken hebben, maar let op!

De eerste, onder het kopje “Pin rekening leeg, stap over”, citeer ik hieronder helemaal (1). De tweede, “Jodenvervolging – Emotie sterker dan “weten” is daarvoor te lang. Hij beschrijft hoe tijdens de bezetting een joods kind vanuit het relatief veilige Nederland naar Duitsland ging omdat haar gevoelens en die van de mensen die bij haar betrokken waren, sterker waren dan hun rationele weten. Voor de documentatie haal ik enkele passages uit die brief (2).

(1) “Ik had de beslissing al genomen: weggaan bij de staatsbank ABN Amro omdat de bank, vooruitlopend op een wetswijziging, het vaste salaris van een groot aantal bankmanagers maar vast met 20 procent verhoogt. Bas Heijne heeft het in NRC Handelsblad van 21 juni perfect verwoord: de staatsbank heeft een dikke fluim richting de samenleving afgevuurd. De oproep van Heijne dat de consument in actie moet komen is terecht. Ik hoop dat velen met mij de staatsbank de rug toekeren. Ik stap over op de Triodos Bank.”

(2) “Hoe gingen mensen in de Tweede Wereldoorlog om met hun kennis over het lot dat Joden te wachten stond, vraagt Abram de Swaan in NRC Handelsblad van 14 juni. In ons onderzoek naar een opmerkelijke oorlogsgeschiedenis kwam het dilemma tussen weten en handelen pijnlijk naar voren. ... Waarom...? Verdrongen zij de waarheid? Voor alle partijen woog de keuze voor de hereniging van de familie kennelijk zwaarder dan het besef van hun mogelijke vernietiging. ‘Het weten’ is wellicht minder vaak leidraad voor handelen dan emotie.”

Tot zover de beide brieven. De samenhang die ik zie is de wisselwerking tussen “het weten” en “emotie” als “leidraad voor handelen”, zowel in brief nr. 2 als brief nr. 1.

Een toeval reikt materiaal aan voor een toelichting. Afgelopen zaterdag had de Triodos Bank zijn zogeheten “Hart-Hoofddag” georganiseerd. Ik kopieer van hun site: “Ontdek zelf hoe uw geld werkt bij Triodos Bank en kom naar de Hart-Hoofddag op zaterdag 28 juni. Op deze dag zetten meer dan 20 door Triodos Bank gefinancierde duurzame ondernemers in het hele land hun deuren voor u open. Boomklimmen, 3D-printen, een klassiek concert bijwonen, ijs maken, kalfjes knuffelen... u kunt het allemaal beleven! De Hart- Hoofddag is er speciaal voor u als klant ... U komt toch ook?” Nee, ik kom niet. Ik ben weliswaar klant bij Triodos Bank [ik merk nu pas dat je die naam zonder “de” ervoor schrijft], maar mijn agenda laat het niet toe. In plaats daarvan vraag ik hier aandacht voor het feit dat Triodos Bank zijn wortels heeft in de antroposofie, waarover wij in de herfst in de Kunsthal nog meer zullen leren. Wordt vervolgd.

Hugo Verbrugh
Op 4 juni meldde ik in ‘Gemeen’ het overlijden van Rob Nanninga. Nu heeft zijn collega bij ‘Skepter’, Jan Willem Nienhuys, op 10 juni op zijn ‘Skepsis Blog’ zo’n mooi ‘In Memoriam Rob Nanninga’ geschreven, dat ik die graag hier ook overneem:
‘De hoofdredacteur van Skepter, Rob Nanninga, overleed op 30 mei 2014 op 58-jarige leeftijd. Sinds Skepsis werd opgericht, was hij er intensief bij betrokken. Als geen ander beïnvloedde hij door zijn werkwijze en voorbeeld de stijl van Skepsis.

Rob Nanninga (zijn voorletters R.H. stonden voor Roelof Hendrik, maar dat was alleen op officiële documenten te vinden) werd op 6 augustus 1955 geboren. Hij was enig kind. Na zijn middelbare school ging hij naar de lerarenopleiding (Ubbo Emmius) en studeerde daar af als leraar Nederlands en Engels en moest toen in militaire dienst, maar na een maand werd hij alsnog afgekeurd. De daarop volgende carrière als leraar was ook een kort leven beschoren, want hij kon geen orde houden. Robs skinneriaanse ideeën over niet straffen maar belonen waren niet aan Oost-Groningse mavoleerlingen besteed.

Al in 1976 was Rob in het kader van een opleidingsproject betrokken bij een soort skeptische club in Groningen, dat was ongeveer tegelijk met de oprichting van de Amerikaanse CSICOP (die weer was geïnspireerd, tot en met de naamgeving, op het Belgische Comité Para). Dat was ook de tijd dat Uri Geller met zijn lepelbuigerij furore maakte. Rob vertelde met een geheimzinnig gezicht aan zijn clubleden dat hij precies wist hoe die goocheltruc ging, maar hij verklapte hem niet. Rond 1979 ging Rob ging zich interesseren voor sekten, hetgeen inhield dat hij deze samen met belangstellenden, een club “Opkomende religies”, ook bezocht. In die club leerde hij zijn vriendin Jolanda Hennekam kennen. Twee jaar daarna overleed zijn vader op de leeftijd van 58.

Oprichting Skepsis

In het najaar van 1987 kwam een dikke twee dozijn Nederlandse abonnees van de Amerikaanse Skeptical Inquirer, het blad van CSICOP, bij elkaar bij in het Humanistisch Verbond aan het Oudkerkhof in Utrecht. Het doel was de oprichting van een CSICOP-achtige organisatie in Nederland. Er waren al eerder plannen geweest voor zoiets, maar door het voortijdig overlijden van de journalist Piet Hein Hoebens (1948-1984) was daar niets van terecht gekomen. De Amerikanen hadden van tevoren Kees de Jager bereid gevonden om de kar te trekken. Op de avond werd dus voorgesteld dat Kees voorzitter zou worden. Rob was er ook, en reageerde meteen met “Wie bent u eigenlijk, vertelt u eens wat meer over uzelf.” Kees, moet u weten, was als astronoom altijd degene bij wie opgewonden mensen zich meldden als ze een ufo gezien hadden – dat was dan vaak Sirius. Rob werkte toen al een hele tijd aan een boek over onderzoek van het paranormale. Hij liet het niet bij puur theoretisch schrijven. Lang voor het boek uitkwam, vertelde hij een anekdote die ook op pagina 15 van het boek staat (het incident dateert uit begin jaren 1980).

Geloof in het paranormale steunt hoofdzakelijk op subjectieve interpretaties, waarbij zelfmisleiding een grote rol speelt. Een treffend voorbeeld daarvan was een Transcendente Mediatie-aanhanger die mij vertelde dat hij in meditatiehouding zweefsprongen van ruim een meter kon maken, zonder zich af te zetten! Hij meende dat een normaal mens in een dergelijke houding überhaupt niet van de grond kwam. Dat bleek mee te vallen, want zelf maakte ik sprongen van zo’n anderhalve meter. De TM’er was bereid om tegen beloning te demonstreren dat hij zonder afzet de lucht in kwam. Ik liet hem op een multiplexplaat zitten die op knikkers lag en gaf hem de opdracht op een matras te springen die een halve meter verder lag. Eerder was mij gebleken dat het volstrekt onmogelijk was om je op een rollende plaat af te zetten. Ook de TM’er werd hard met deze waarheid geconfronteerd. Voordien had hij zich tevreden gesteld met het ‘vlieggevoel’ dat de meditatie hem gaf. Het is moeilijk te begrijpen hoe sommige mensen zo’n absoluut vertrouwen kunnen hebben in hun subjectieve ervaringen.

Voor wie fysica heeft geleerd, moet het geen verrassing zijn hoe de wet van behoud van impuls uitwerkt als iemand zich afzet tegen pakweg 20 maal zo licht stuk hout. Het stuk hout krijgt dan 20 maal zoveel energie en een 20 keer zo grote snelheid als die persoon (althans wat de horizontale bewegingscomponent betreft). Deze anekdote was voor mij trouwens de inspiratie om in Eindhoven een zweefproef te organiseren.

Het boek, Parariteiten, verscheen in najaar 1988, maar Skepsis werd alleen genoemd in het voorwoord van Kees de Jager en een half zinnetje op pagina 286. Veel uitvoeriger kwamen de parapsychologen van de Synchronicity Research Unit aan bod. Samen met deze SRU hebben we trouwens nog een proef gedaan. Het idee was na te gaan of je met terugwerkende kracht random bitjes die al op een floppy disk gezet waren, zou kunnen veranderen. Als menselijke waarneming die bitjes nog niet heeft bekeken, zouden ze alsnog door de waarneming moeten kunnen wijzigen als de waarnemer maar geconcentreerd genoeg probeert de uitkomsten met gedachtekracht te sturen. Wel, dat bleek niet zo te zijn, maar de organisatie van de proef was een hele klus (zie het verslag in Skepter 6/4 van december 1993). Eén SRU-lid had een grafisch bedrijfje en die heeft de eerste opmaakformule voor Skepter ontworpen, en een ander SRU-lid is nog een tijdje Skepsis-bestuurslid geweest.

Rob had behalve voor parapsychologie ook belangstelling voor psychologische randverschijnselen, zoals bijnadoodervaringen, meditatie, hypnose, leugendetectors, enfin, op de website van Skepsis vindt u daar van alles en nog wat over.

Religie en sekten

Een belangrijke gebeurtenis was de affaire Moget in 1994. Moget was een paranoïde therapeute die haar klanten een gruwelijk incestverleden aanpraatte met de door haar zelf bedachte Video Gestalt Therapie. Dat ontwrichtte hun leven. Ze had ook al haar klanten in een sektarische commune vergaard. Het erge was dat deze dame haar klanten kreeg toegestuurd van nota bene de Groningse sociale dienst.

Rob grote belangstelling voor sekten in het algemeen en zijn praktische onderzoeken op dat gebied waren waarschijnlijk nauwelijks bekend bij zijn medebestuursleden. Hij hielp een tijdschrift over het onderwerp oprichten in 1997. Het heette Religie Nu. (Deze inlichtingen heb ik van cultureel antropoloog Richard Singelenberg.) Het ging Rob niet zozeer om de soms merkwaardige geloofsopvattingen die deze zogenaamde Nieuwe Religieuze Bewegingen er op na hielden. Uiteraard fronste hij als rechtgeaard scepticus regelmatig z’n wenkbrauwen bij wonderbaarlijke genezingen en andere bovennatuurlijke aanspraken, gedaan door charismatische goeroes uit naam van een exotisch pantheon. Hij had vooral belangstelling voor de maatschappelijke controverses die sektarische religies min of meer per definitie omringen en waarin vooral bekering centraal staat. Want hoe zat het nou bijvoorbeeld met de opvatting dat je toch gehersenspoeld moest zijn om lid te zijn van zo’n mallotige en soms gevaarlijke beweging?

Rob was niet zo gecharmeerd van atheïsten die alsmaar strijden tegen religie en telkens maar weer nieuwe argumenten bedenken waarom hun favoriete tegenstanders het bij het verkeerde eind hebben. Wat hem betrof was het laatste woord gezegd door Bertrand Russell in zijn opstel “Why I am not a Christian.” Daarentegen kon hij zich opwinden over bijvoorbeeld het geval van “Job”, ook 1995, die was toegetreden tot de een of andere minisekte, en die vervolgens werd gekidnapt door een “deprogrammerings”-organisatie in opdracht van de rijke ouders van Job. Toen Job de kans schoon zag, vluchtte hij weer terug naar de sekte. Rob was erg verontwaardigd over de manier waarop deze aanhanger van een onschuldige religie werd behandeld, terwijl politie en justitie een oogje dichtknepen voor de bijzondere vorm van kidnapping en vrijheidsberoving door de deprogrammeurs.

De bedoeling was dat Religie Nu populairder, toegankelijker en commerciëler zou zijn dan het ter ziele gegane VU-tijdschrift Religieuze Bewegingen in Nederland. Maar de auteurs waren echte academici die lekker lange stukken wilden schrijven. Het blad kreeg maar 300 abonnees (althans dat was de oplage), en na anderhalf jaar trok Kok in Kampen de stekker eruit. Tijdschriften over religie zijn er genoeg, maar die vertegenwoordigen altijd één bepaalde religie. In feite, aldus Rob, was het blad langdradig en niet-actueel, en ging het aan oubolligheid ten onder.

Allerhande onderzoeken

De club in Groningen bleef nog lange tijd functioneren. Rob nam vaak het voortouw, hij was altijd de aanjager. Een clublid (van wie het volgende afkomstig is) zei dat Rob goed kon enthousiasmeren. De clubleden gingen samen naar paranormaalbeurzen, of keken naar een film als Signs. Een heel mooi avontuur was ook dat ze met een groepje ooit op een zondagmiddag een graancirkel hebben gemaakt, ergens in Noord-Laren. Rob wilde uitzoeken hoe lang zoiets in beslag zou nemen. Rob had van tevoren al een plankje met een touw klaargemaakt. De boer werd benaderd of ze dat met een stukje van zijn land mochten doen (netjes tegen betaling!). Ze hadden besloten tot een eenvoudige cirkel van een meter of 20 diameter. Eerst deed Rob een touw rond zijn nek en bleef stokstijf stilstaan terwijl iemand anders met het touw om hem heen liep om de buitenrand van de cirkel aan te geven. Dat ging niet zo vloeiend, want je gaat dan toch een beetje bewegen als er zo aan je getrokken wordt. Gelukkig kwam daar de boerin aanlopen met zo’n verzwaard parasolstatief terwijl ze riep: ‘Dat doen jullie helemaal verkeerd!’ Het was prachtig zonnig weer en ze waren slechts een paar meter vanaf een zandweggetje die cirkel aan het maken, gewoon om twee uur ’s middags. Af en toe kwamen wandelaars langslopen, die wel nieuwsgierig keken, maar verder niets zeiden. Binnen een uur was alles plat en de volgende dag bleek het al (met foto!) in Het Nieuwsblad van het Noorden te staan. Toen de cirkelmakers waren vertrokken, was het mensen opgevallen en die hadden het bij de boer gemeld. Die had meteen verklaard dat mensen van Skepsis dat met zijn goedkeuring hadden gedaan en zo kwam het in de krant.

Rob was ook de instigator van andere Skepsis-experimenten zoals de pendelproef (1992) en de astrotest (1995) en spiertesten (2005, 2009), en hij voerde ook de onderhandelingen met de woordvoerder van de NVKH over een proef met homeopathie (2004). Bij al die gelegenheden en ook vele andere viel het op hoe respectvol Rob omging met “andersdenkenden”.

Hoofdredacteur

Eind 2002 veranderde er het een en ander bij Skepsis. Hoofdredacteur Marcel Hulspas van Skepter wilde een door mij op zijn verzoek vertaald en samengevat hoofdstuk van een boek van de Engelse psycholoog Nicholas Humphrey afdrukken. Rob was het daar niet mee eens: het was een ongenuanceerd antireligiestuk, en bovendien was het stokoude koek, het was namelijk een bekende Amnesty-lezing die al vijf jaar op internet stond. Ik vond bij nader inzien – mijn vertaling was al af – dat Rob wel gelijk had. Zulke oude buitenlandse afgelebberde stukken, dat is niks voor Skepter. Hulspas deed toen al een tijd steeds minder aan Skepter. Hij was al lang bezig met een boek over de bronnen van het Oude Testament, dat uiteindelijk in 2006 verscheen. Ook maakte hij vage toespelingen op uitbreiding van het werkgebied van Skepsis: niet alsmaar ufo’s, alto’s en astro’s, maar een frontale aanval op religie en never mind de vrijdenkers van De Vrije Gedachte. Het resultaat was dat hij besloot subiet te breken met Skepsis.

Rob deed toen al een jaar of drie de opmaak van Skepter, om Skepsis geld te besparen en zelf een habbekrats extra te verdienen. Dat is meer werk dan het lijkt, want Rob maakte niet alleen op, maar zocht al het illustratiemateriaal ook zelf bij elkaar. Rob werd na het vertrek van Hulspas de nieuwe hoofdredacteur. Dat was een boel werk, want er was heel veel te redigeren aan de artikelen. Die moesten soms compleet herschreven worden. Rob was een perfectionist. Alles bij elkaar schreef Rob zelf ruim 600 pagina’s aan grondig nagezochte artikelen, en legde daarmee de lat behoorlijk hoog. Een artikel zoals in de laatste Skepter over het zogenaamde natuurlijke godsgeloof bij jonge kinderen heeft twee dozijn referenties, waaronder drie boeken. Die zijn allemaal door Rob bij elkaar gezocht en volledig gelezen en bestudeerd voor hij zijn stuk schreef.

Hij was secretaris van Skepsis geweest sinds eind 1988, en dat moest ik dan maar gaan doen. Na 2004 hield hij het bezoeken van onze congressen voor gezien. Hij was toch al niet zo dol op lezingen en congressen en zelfs op verjaarspartijtjes voelde hij zich geloof ik niet erg thuis. In de tijd van het luisteren naar lezingen kon hij veel productiever een boek lezen, vond hij.

In 2005 speelde de zaak van Robbert van den Broeke. Dat is een medium dat zelfs zijn eigen ouders bedroog met primitieve gewascirkels en flauwe fotografische trucjes, en die in een show Irene Moors bleek ingepalmd te hebben. Hij wist zelfs alles over de vorige levens van zijn klanten, inclusief het feit dat een van hen genverbrander was geweest. Dat was een tikfout voor geneverbrander op een genealogische website. Het verwekte zoveel ophef dat het woord het schopte tot woord van het jaar 2005. Het was zelfs voor RTL4 te gortig en het programma met Van den Broeke verdween van de buis. Niet iedereen was blij. Zo foeterde een bekende actrice over “de voorzitter van Skepsis, die gynaecoloog Renckens die alles kapot maakt, wat zijn club probeert met Robbert van den Broeke ... ik kan er niet aan denken zo erg is het.” Ook typisch voor critici van Skepsis: ze weten vaak niet eens waar ze het over hebben. Van den Broeke is overigens nog lang niet kapot. Hij krijgt tegenwoordig doorzichtig gefakete verschijningen van Michael Jackson en prinses Juliana en Jezus. Ik ben benieuwd wie nu de volgende is.

Kort daarna besteedde Rob veel aandacht aan het KRO-programma Het Zesde Zintuig (2006-2007). Aan het eind bleken twee van de vijf deelnemers aan de pilot – onder wie de organisatrice van het hele circus – tot de drie winnaars te behoren. Veel duidelijker dat het allemaal een doorgestoken kaart was, kon je het bijna niet maken. Ogenschijnlijk trok de KRO zich niets aan van kritiek, het zijn ook maar mensen daar, maar het jaar daarop kwam de formule terecht bij een omroep die grossiert in paranormaal gedoe.

Rob was al vanaf eind 1999 bezig met de website, met hoofdzakelijk stukken die eerder in het blad waren afgedrukt. Robs idee was dat de informatie die het blad leverde, tegen de laagst economisch haalbare prijs voor de abonnees en voor het grote publiek beschikbaar moest komen. Het resultaat was dat de financiële positie van Skepsis nu gezond is, maar dat Rob zichzelf te kort deed, door zich te manoeuvreren in een situatie waarin hij zwaar onderbetaald werd en mede door de druk van de sociale dienst klem zat. Eigenlijk dacht hij nauwelijks aan geld behalve als het op was, en hij was dag in dag uit met Skepter bezig. Ironisch, als je bedenkt dat de vijanden van Skepsis denken dat wij vorstelijk door Big Pharma worden betaald. Tijdens de redactie van dit stuk zag ik dat hij kort geleden een aantal Skeptische Noties, waaronder de beroemde van Kees van der Smagt over homeopathie had ingescand en op de website had gezet (op 23 mei, zie de Updates-pagina). Dat had hij nog niet aan ons verteld.

Doelstelling Skepsis

Rob was in zekere zin de skeptic’s skeptic. Veel skeptici en rationalisten zijn geneigd voor eigen parochie te preken, maar daar moest Rob niets van hebben. Hij was wel streng in zijn opvattingen, schreef stadslegendenonderzoeker Peter Burger me, maar mild in zijn uitingen. Hij was typisch een man van redelijkheid en samenwerking. Rob zag Skepsis als een organisatie om neutrale voorlichting over dubieuze kennisclaims te geven. Voor serieuze parapsychologen kon hij wel waardering hebben, maar als ze op de charlatantoer gingen, werd hij boos. Een typisch voorbeeld waren de beoefenaars van Therapeutic Touch, strijkers (magnetiseurs) in een nieuw jasje. Hij stelde ze voor om hun beweringen te toetsen met een eenvoudige proef. Toen ze dat weigerden beschouwde hij ze verder als commerciële bedriegers.

In zekere zin doet Skepsis wat volgens mij en volgens Rob de universiteit hoort te doen. Alleen hebben universitaire medewerkers het zo druk met het produceren van wetenschappelijke output dat die er helemaal niet aan toekomen om het grote publiek duidelijk uit te leggen waarom iets onzin en bedrog is.

Zo kon het gebeuren dat een meisje dat bij de geboorte een hersenbeschadiging had opgelopen zodat ze eigenlijk alleen maar een beetje kon grommen, zich opeens ontpopte tot een genie en nu meen ik zelfs een bachelorgraad heeft van de universiteit van Amsterdam. Ook ontdekte Rob dat er ergens in een Fries gehucht een universiteit stond die op tamelijk grote schaal nepdiploma’s uitreikte, en die Rob had ontdekt bij zijn speurtocht naar een internationaal netwerk van andere schertsinstellingen. Achter zulke artikelen school volgens mij een netwerk van informanten die zich om diverse redenen niet konden permitteren om in de openbaarheid te treden.

Rob vertelde wel eens dat als hij aan een onderwerp begon, hij er vaak niets van wist, maar dat hij erover las totdat hij het snapte. U begrijpt wel dat dat hard studeren was. Hij was erg bezorgd dat door een fout van hem Skepsis aan wetenschappelijke geloofwaardigheid zou verliezen. Per slot van rekening hadden veel vooraanstaande wetenschappers zitting genomen in het Comité van aanbeveling (zie: Wat doet Skepsis?)

Een zorgzame muziekminnaar

In de ochtend van 30 mei werd hij schijnbaar in slaap aangetroffen, zittend voor zijn computer. De diagnose was hartstilstand. Ik heb de Skepter-lezers meteen op de hoogte gesteld. Velen hebben mij toen gemaild dat ze genoten van zijn heldere doorwrochte stukken. Het laatste waar Rob mee bezig was, was het Leger des Heils, een christelijke sekte die enorme overheidssubsidies weet binnen te slepen. Maar hij zat ook telkens te dubben of hij er al genoeg van wist om een goed stuk te schrijven.

De lezers van Skepter kenden de lieve en zorgzame kant van zijn karakter niet. Hij was de steun en toeverlaat voor zijn bejaarde moeder, die boven hem woonde. Iets van deze kant van zijn karakter schemert er wel door in zijn eindeloos geduldige manier van discussiëren met bijvoorbeeld een astrologe.

Hij had nog wel meer kanten. Hij was bijvoorbeeld ook dol op een bepaald soort volksmuziek. De Incredible String Band was zijn favoriet. Kort geleden had hij een nummer gevonden, dat hij ook meteen had gedeeld met een vriendenkring, dat was getiteld Fliegergedicht op de CD Schicksahlsfahrt van Darkwood. Als u het beluistert of de lyrics leest, denkt u misschien dat het maar raar is voor een atheïst om naar de hemel gaan zo aangrijpend te vinden. Maar het is een solopiloot die het liefst naar de sterren zou willen vliegen, en die de ervaring beschrijft van met enige moeite boven de stormwolken te komen en dan in een omgeving terecht te komen van totale rust boven de wolken en besneeuwde bergtoppen in het zonlicht.

Het lied zingt:

Wir treiben kein leichtes, vermessenes Spiel,
Wir haben ein stolzes, ein köstliches Ziel:
Wir weisen den Weg aus Taumel und Tanz
In einsamen, ewigen, silbernen Glanz!

Dit citaat pikte Rob eruit in een mail aan een kennis. Dat is in a nutshell wat wij bij Skepsis willen doen. Geen spelletje, geen aanmatiging, niks puur voor eigen vermaak. Wij kunnen trots zijn op wat we doen, want het heeft een prachtig, edel doel. Wij wijzen de weg uit verwarring, naar de heldere simpele stralende waarheid.

En als u nog eens onze opsmukloze strakke website bekijkt, dan ziet u daar de ewigen, silbernen Glanz van de eenzame piloot Rob. Het minste dat we kunnen doen, is proberen zijn idealen verder gestalte te geven. Naar de sterren vliegen, als het kan.’
De overgang naar de ‘Stoerste Bio Boerin van Nederland: Hilde Jansen uit Den Hoorn’ van 12 juni bij Bionext is groot, maar moet dan maar, gezien de formule van deze weblog:
‘De biologische druiventeler Hilde Jansen van boerderij Nieuw Tuinzight in Den Hoorn, Zuid Holland, is vandaag uitgeroepen tot Stoerste Bio Boerin van Nederland. De prijs, een biologisch verrassingspakket, werd uitgereikt door burgemeester Rodenburg van de Gemeente Midden-Delfland. De verkiezing is een initiatief van Bionext, ketenorganisatie voor biologische voeding en landbouw.

Tussen 8 april en 8 juni hebben bijna 14.000 mensen de website van de verkiezing bezocht. Negen stoere kandidaten streden om de titel: boerinnen uit de biologische groenteteelt, de biologische veehouderij en de biologische fruitteelt.

Winnares Hilde: “'Het stoerste vind ik dat ik altijd boer of tuinder heb willen zijn en nu al zo'n 35 jaar tuinder ben! Gewoon lekker in de grond telen én bovenal biodynamisch. Iets wat ik heel graag wilde en waar ik trots op ben dat ik dit heb kunnen waarmaken.”

Ook de burgemeester van Gemeente Midden-Delfland, Arnoud Rodenburg, is erg trots: “Hilde is mijn favoriete druivenkoningin en nu ook Stoerste Bio Boerin van Nederland. Zij heeft een bijzondere gedrevenheid voor haar druiven en is een parel in onze gemeente.”

Hilde is niet alleen biologische druiventeler, maar organiseert ook elk jaar een Streekmarkt, staat regelmatig op markten in de regio en maakt deel uit van een studiegroep met biodynamische boeren. Ook organiseert zij uitstapjes en rondleidingen op haar eigen druivenkwekerij. Kortom, een gedreven ondernemer die de titel van Stoerste Bio Boerin zeker verdient.

Met de verkiezing voor Stoerste Bio Boerin wil Bionext bewustwording creëren bij het grote publiek, want voor het werken in de biologische landbouw is er heel veel vakmanschap vereist. Behalve voor voedsel, zorgt een biologische boer namelijk ook voor het milieu, dierenwelzijn en de natuur.

De verkiezing van de Stoerste Bio Boerin is georganiseerd in aanloop naar het Lekker naar de Boer weekend dat op 21 en 22 juni plaats vindt. Wie Hilde Jansen of een van de andere stoere biologische boeren en tuinders aan het werk wil zien, kan in dat weekend terecht bij ruim 160 boerderijen. Er zijn rondleidingen, boerenmarkten, proeverijen en allerlei (kinder)activiteiten. Het overzicht met deelnemers staat op www.lekkernaardeboer.nl.

Lekker naar de Boer is onderdeel van de promotiecampagne Biologisch, lekker natuurlijk. Deze campagne wordt gefinancierd met steun van de Europese Unie.’
Ik heb nog een aantal berichten van Bionext. Op 16 juni kwam die met het bericht ‘Moties rond nieuwe biologische wetgeving verworpen’:
‘Op 4 juni spraken Tweede Kamerleden met staatssecretaris Dijksma over het voorstel van de Europese Commissie voor nieuwe wetgeving in de biologische landbouw. Geïnspireerd en geïnformeerd door de gesprekken met Bionext, het Biohuis en de LTO, stelden zij de staatssecretaris vragen over haar houding in de komende vergaderingen in Brussel over de nieuwe verordening. De staatssecretaris gaf aan dat ze de onderhandelingen kritisch zal volgen.

Met de wensen van de sector in hun achterhoofd, dienden de Partij voor de Dieren en de SP in totaal 6 moties in. De moties moesten het onderhandelingsmandaat van de staatssecretaris nog wat duidelijker vaststellen en haar ertoe aanzetten met de sector een stappenplan op te stellen om de biologische productie verder te ontwikkelen. De moties zijn helaas verworpen of niet in stemming gebracht.

Hoewel we nu een extra stok achter de deur missen, vertrouwt Bionext er op dat de staatssecretaris haar kritische houding over het voorstel voor een nieuwe verordening zal handhaven. De biologische sector is weliswaar voorstander van de uitgangspunten op basis waarvan de Europese Commissie de vernieuwing heeft ingezet, maar is er vast van overtuigd dat het huidige voorstel niet goed is.’
‘Op 11 juni heeft de Tweede Kamer een motie aangenomen van de SP waarin gepleit wordt voor een etiketteringsplicht van cisgenese, mocht deze techniek worden vrijgesteld van de Europese GGO-wetgeving.

Cisgenese is een GGO-techniek waarbij gebruik gemaakt wordt van soorteigen genen. Bijvoorbeeld van een wilde aardappel in een modern aardappelras. Op dit moment valt deze techniek nog gewoon onder de GGO-wetgeving en moeten cisgene rassen dus ook geëtiketteerd worden. Het gebruik van cisgenese is in de biologische landbouw verboden.

De regering pleit er al jaren voor dat cisgenese buiten de GGO-wetgeving komt te vallen. De Tweede Kamer heeft nu gezegd dat dit niet ten koste mag gaan van de keuzevrijheid van consument en producent. Concreet betekent dit dat het kabinet wordt opgeroepen om zich in te zetten voor een etiketteringsplicht van cisgenese, mocht deze worden vrijgesteld van de GGO wetgeving.

Bionext is blij met deze motie van de SP. “Wij zien het liefst dat cisgenese gewoon onder de GGO-wetgeving blijft vallen. Mocht dit in de toekomst veranderen, dan is een etiketteringsplicht de beste manier om als biologische sector toch vrij te kunnen blijven van deze techniek”, aldus Maaike Raaijmakers van Bionext.

Overigens zijn er nog geen cisgene rassen op de markt. Wel wordt in Nederland binnen het Durph project gewerkt aan cisgene aardappelrassen die resistent zijn tegen de aardappelziekte Phytophthora. Tegelijkertijd werkt de biologische sector binnen het programma Bioimpuls aan resistente biologische rassen.

Achtergrond

Bionext is geen voorstander van het vrijstellen van cisgenese van de GGO-wetgeving. Wetenschappelijk gezien bestaat er geen twijfel over dat cisgene gewassen GGO’s zijn. Om te bepalen of cisgenese wel of niet uitgezonderd mag worden van de GGO-wetgeving, wordt door de regering alleen bekeken of de producten van deze modificatietechniek niet meer risico’s zullen kennen dan “equivalente producten” van klassieke veredeling.

Afgezien van de vraag of het überhaupt mogelijk is om dit vooraf vast te stellen, wordt hiermee de hele GGO-discussie ten onrechte teruggebracht tot een veiligheidskwestie. Daarmee wordt voorbij gegaan aan de ethische, ecologische en sociaal-economische bezwaren tegen GGO-technieken en de toepassing daarvan in de landbouw.

Indien cisgenese wordt vrijgesteld van de GGO-wetgeving, is het in de ogen van de wetgever geen GGO-techniek meer en vallen rassen die met deze techniek gemaakt zijn niet meer onder de etiketteringsplicht. Daardoor zijn ze niet langer herkenbaar voor consumenten en producenten als zijnde GGO’s. Dit vormt een ernstige bedreiging voor de keuzevrijheid van consumenten en producenten.

Bionext pleit er daarom voor om cisgenese niet vrij te stellen van de GGO-wetgeving en door middel van een onafhankelijke risicoanalyse en monitoring, case by case te bepalen welke risico’s aan het gebruik van een bepaalde toepassing zitten.’
‘De overheid heeft met zeven bedrijven en organisaties, waaronder Bionext, een Green Deal groene gewasbeschermingsmiddelen opgesteld. De deal moet zorgen voor een versnelde toelating van groene gewasbeschermingsmiddelen. Biologische telers mogen een aantal natuurlijke middelen gebruiken en volgens Bionext zorgt de deal op termijn voor meer duidelijkheid.

Met de Green Deal groene gewasbeschermingsmiddelen voert de regering o.a. de motie Jacobi uit waarin de Tweede Kamer vraagt om een “snel spoor” in te voeren voor de toelating van groene gewasbeschermingsmiddelen. Samen met het College Toelating Gewasbeschermingsmiddelen (Ctgb) wil de overheid onderzoeken welke criteria bij de beoordeling van deze groep middelen gehanteerd moeten worden. Voor Bionext is cruciaal dat de beoordeling past bij de aard van de middelen. Natuurlijke middelen bevatten vaak een combinatie van stoffen, wat beoordeling volgens de huidige procedures onnodig lastig en onbetaalbaar maakt.

Een aantal middelen staat op de RUB-lijst (Regeling uitzondering gewasbeschermingsmiddelen): een restcategorie waarvan het gebruik in de landbouw onschadelijk werd geacht. Door invoering van Europese wetgeving werd de RUB-lijst ingetrokken. Bionext heeft hierover in 2012 al aan de bel getrokken bij de overheid, omdat biologische telers hierdoor in de problemen zouden komen.

Bavo van den Idsert, directeur van Bionext: “Deze Green Deal biedt een kans voor een aantal van de RUB-stoffen, zoals uienolie. Dat gebruiken biologische telers om de wortelvlieg op een dwaalspoor te brengen.” De Green Deal is bedoeld voor de categorie natuurlijke of natuur-identieke gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico. Niet alle RUB-stoffen vallen onder deze omschrijving. Stoffen die niet gemaakt zijn als gewasbeschermingsmiddel maar wel effect hebben, zoals bier tegen slakken, zijn geen onderdeel van deze Green Deal. Bionext probeert voor deze groep ook een oplossing te vinden en is hierover in gesprek met de overheid.’
Dan kan ik een ‘nieuwe look’ van de website van de ‘Stichting Lievegoed Archief’ presenteren:
‘De Stichting heeft tot doel het beheren en toegankelijk maken van geschriften, notities, bandopnamen en andere reproducties van lezingen, toespraken, gesprekken en studies van prof. dr. B.C.J. Lievegoed en deze indien mogelijk ter beschikking te stellen voor studiedoeleinden en eventuele publicaties en het uitoefenen van auteursrechten verbonden aan publicaties van prof. dr. B.C.J. Lievegoed.

Bestuur:
Ermengarde de la Houssaye-Lievegoed (voorzitter)
Eric van de Luytgaarden (secretaris)
Aart Klein (penningmeester)

De stichting heeft een beheerder, die benaderbaar is met vragen rond de toegankelijkheid van het archief en biografische gegevens van Bernard Lievegoed, in de persoon van Hildebrand Lievegoed.

De stichting voert al zijn werkzaamheden zoveel mogelijk pro deo uit en is geheel afhankelijk van schenkingen en donaties.

Een donatie kan gedaan worden op rekening nr. NL14 TRIO 0212 3008 73 t.n.v. Stichting Lievegoed Archief te Zeist. (De stichting heeft ANBI-status.)’
Er staat veel op, op deze website, maar ik kies hier voor de boeken:
‘Maat, Ritme, Melodie

Uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist
ISBN-90-6038-310-9

Het eerste boek van professor Lievegoed, was indertijd baanbrekend, aangezien de muziektherapie toen nog een volkomen onontgonnen terrein was. Dankzij twee elementen heeft het boek niets aan waarde ingeboet: enerzijds door de geniale gedachte die aan Lievegoeds benadering ten grondslag ligt en die is ontleend aan Schillers begrip van de 'Spieltrieb'; anderzijds door de vele praktijkvoorbeelden van in hun ontwikkeling gestoorde kinderen die hij in het boek heeft verwerkt. In veertien ziektegeschiedenissen geeft Lievegoed namelijk weer, hoe maat, ritme en melodie daadwerkelijk toegepast kunnen wordne.
Het boek is van belang voor iedereen die met muzikale middelen wil werken, zowel in de therapie als in de pedagogie, en daarnaast voor ieder die geïnteresseerd is in de werking van de muzikale elementen maat, ritme, melodie.

Niet meer verkrijgbaar.

Ontwikkelingsfasen van het kind

ISBN-9789060384923

In dit waardevolle standaardwerk op het gebied van de pedagogie, geheel geactualiseerd en herzien door de psychologe Christie Amons en Remco Bakker, wordt de ontwikkeling van het kind in fasen van telkens ongeveer zeven jaar beschreven. Elke fase heeft een eigen karakter, met duidelijke veranderingen op lichamelijk gebied: het groeiproces verloopt in perioden die gemarkeerd worden door onder andere tandenwisseling, puberteit en voltooiing van de biologische groei. De psychische ontwikkeling is minstens zo belangrijk. Lievegoed behandelt vooral de verhouding van het kind tot de wereld om hem heen. Hij beschrijft de belevingswereld van peuters, kleuters, schoolkinderen, pubers en jonge volwassenen op een begrijpelijke en herkenbare manier. Het tweede deel van het boek gaat in op de praktijk van opvoeding en onderwijs. De auteur wil behalve inzicht geven ook enthousiasme wekken voor een wijze van opvoeden die rekening houdt met de ontwikkeling van het kind in al zijn aspecten.

Organisaties in Ontwikkeling

ISBN-9789060691236

Door de ervaring opgedaan met het begeleiden van organisaties van uiteenlopend type, (dienstverlenende bedrijven, ziekenhuizen, vervoersorganisaties, industriële ondernemingen, overheidsorganisaties enz.) kwam prof. Lievegoed tot het concept van de klaverbladorganisatie als antwoord op de eisen die aan een moderne slagvaardige organisatie moeten worden gesteld. Dit ontwikkelingsmodel, gegroeid en getoetst aan de praktijk, vormt de kern van dit boek. Helder karakteriseert Lievegoed de verschillende fasen die organisaties doorlopen en ontwikkelt hij het beeld van een flexibele, toekomstgerichte organisatievorm: de klaverbladorganisatie. Hier is vernieuwing een ingebouwde eigenschap van het systeem geworden. De leiding staat hier niet op een eenzame top, maar in het centrum van de proces- en informatiestromen, in het hart van de organisatie, gebruikmakend van alle kennis en motivatie uit de organisatie. Dit voert in zijn macro-sociale aspect tot een boeiende en oorspronkelijke visie op de eisen van een post-industrïële maatschappij, waar steeds meer aandacht gevraagd wordt voor vraagstukken van geestelijke en politieke aard.

Naar de 21e eeuw

ISBN-58-2459886032524

Jongerenrevoltes in de jaren zestig van de vorige eeuw veranderden de wereld. Sindsdien zijn jonge mensen een factor in de samenleving om rekening mee te houden. In 1965 hield Bernard Lievegoed in Spring Valley, 35 km ten noorden van Manhattan, een serie lezingen voor studenten die later zijn gebundeld in het boekje “Naar de 21ste eeuw”. Enthousiast legt hij zonder voorbehoud al zijn antroposofische kennis op tafel om jongeren toe te rusten op alles wat komen gaat. Hij las de tekenen des tijds. Zes jaar later richtte hij de Vrije Hogeschool in Driebergen op, om studenten weerbaar te maken voor hun barre tocht door de academische wereld.

Niet meer verkrijgbaar in het Nederlands.

De levensloop van de mens

Het bekende boek over de kenmerkende fasen van het leven, hun specifieke mogelijkheden en beperkingen. De mens doorloopt zijn hele ontwikkeling, levert zijn prestaties, ondergaat zijn teleurstellingen, zijn lief en leed tussen kindertijd en ouderdom. Die levensloop kent vele fasen die de mens zich zelden duidelijk bewust is. Toch zijn deze perioden (zoals bijvoorbeeld de adolescentie of de jaren tussen 40 en 50) in hun karakteristieken veel typischer – dat is veel meer algemeen menselijk geldig – dan men denkt.

Voor degene die daar oog voor heeft, biedt iedere levensperiode zowel goed definieerbare mogelijkheden als beperkingen. Kennis van de kenmerkende levensfasen met hun typische mogelijkheden helpt inzicht te krijgen in eigen levensloop en ontwikkeling.

Mens op de drempel

ISBN 9789060381793

In Mens op de drempel staat de persoonlijke ontwikkeling centraal. Prof. Lievegoed beschrijft de achtergrond van deze op de praktijk gerichte benadering vormt het mensbeeld van de anthroposofie: de mens is van oorsprong een we zen in beweging, in ontwikkeling. Ook de mensheid als geheel maakt een bewustwordingsproces door. Speciaal voor onze tijd betekent dit, dat de ontwikkeling een essentiële stap verder is gegaan; er is “een drempel overschreden”. Dit heeft voor ieder van ons positieve en negatieve gevolgen – de mogelijkheid van innerlijke groei, maar ook het risico van negatieve ervaringen. Mens op de drempel richt zich zowel tot leken als tot hulpverleners, die meer inzicht willen krijgen in de lichte en duistere kanten van ons innerlijk leven.’
Gisteren publiceerde News Network Anthroposophy Limited (NNA) het verslag door NNA-Korrespondentin Cornelie Unger-Leistner van de Duitse jaarvergadering van de Antroposofische Vereniging, onder de titel ‘Anthroposophie soll “nahbar” werden – Jahrestagung umgekrempelt’:
‘Neue Wege hat die Anthroposophischen Gesellschaft in Deutschland bei der Jahrestagung vom 19.-21.Juni in Stuttgart beschritten: Junge Mitglieder wurden bewusst in die Vorbereitung einbezogen. Ihre Ideen brachten zumindest bei der Tagung einiges in Bewegung. “Krusten wurden gesprengt” – so der Kommentar eines Teilnehmers beim Abschluss.

Schon der Tagungstitel, der aus Anthroposophie das abgewandelte “AnthroposoWie” verbunden mit einem Fragezeichen gemacht hatte, verwies auf Veränderung: Die “vielfältigen Erfahrungen als Erinnerung” der Älteren mit denjenigen der Jüngeren, die sich “zukunftsorientiert” sehen und “das Morgen mit sich wissen”, zusammenzubringen, wie es der Generalsekretär der Gesellschaft, Hartwig Schiller in seinem Einladungswort an die Mitglieder formulierte. Begonnen hatte der Prozess mit der Tagung Campus A in Stuttgart, wo sich junge Menschen zusammengefunden hatten, die sich für das Thema Anthroposophie engagieren wollten. In einer Reihe von Arbeitstreffen hatten sie ihre Vorstellungen konkretisiert.

Nahbare Anthroposophie

In ihren Sonderseiten zur Tagung, die zusammen mit der Jahresversammlung der Gesellschaft mit einer Neuwahl des Vorstandes stattfand, beschrieben die jüngeren Mitglieder des Vorbereitungsteams, wie sie sich die Anthroposophische Gesellschaft der Zukunft vorstellen. Eine Anthroposophie, die “mit weniger Urteilen über andere auskommt”, die “sich nicht vor der Welt zurückzieht, sondern sich traut, sich zu öffnen”, eine “nahbare Anthroposophie”, die nicht von dem “Gefühl überragender Erkenntnis”, sondern von “echtem Interesse und wachen Fragen lebt”, hieß es dort zum Beispiel. Entsprechend den Vorschlägen waren neue Elemente in den Ablauf von Tagung und Jahresversammlung aufgenommen worden.

“Es war unser Anliegen, wenn man es einmal mit der Theatergeschichte vergleicht, vom Theater vor Brecht mit seiner Trennung von Bühne und Publikum wegzukommen, beide Ebenen sollten durchlässig werden”, erläutert Matthias Niedermann von der Vorbereitungsgruppe gegenüber NNA. Inhalte sollten mehr im Gespräch entstehen und nicht “topdown” durch Vortragsredner vermittelt werden. Weniger als fertiger Inhalt solle Anthroposophie so erscheinen, was interessiere, sei der Umgang jedes einzelnen mit ihrem Erkenntnispfad. Auch der Untertitel der Tagung mit seinem Plural “Wege zum Geist” brachte die angestrebte Vielfalt zum Ausdruck.

Um den Gesprächscharakter zu verstärken, enthielt die Tagung ein fortlaufendes Podium an drei Tagen, bei dem jeweils dieselben Gesprächspartner anwesend waren. Die Vermittlung von persönlichen Erfahrungen mit Erkenntnis- und Forschungsweg der Anthroposophie sollte im Vordergrund stehen. Der Rolle der Kunst habe man, so Niedermann, auch die Aufgabe zugedacht, blinde Flecken im eigenen Selbstverständnis zu beleuchten. So wurde das Podium jeweils durch einen kurzen Clownauftritt ergänzt. Auch eine Satire von Rudolf Steiner “Das Lied von der Initiation”, die als Auftakt des zweiten Tages eurythmisch aufgeführt wurde, passte zu dieser Intention, da sie menschliche Schwächen im geistigen Streben thematisiert.

Entsprechend wurde das Thema des Podiums “Wege zum Geist” dann auch umgesetzt mit Unterzeilen wie “Welchen Weg gehe ich?” oder “Erfahrungen auf meinem Weg” und der Frage nach der eigenen Lebenspraxis.

Weg nach innen

Gioia Falk, Eurythmistin, bekannt durch die Inszenierung der Mysteriendramen an der Goetheanum-Bühne und der Bildekräfteforscher Dorian Schmidt folgten zusammen mit dem Dozenten Christoph Hueck und dem Künstler Alexander Schaumann der Einladung, im Podiumsgespräch von ihrer persönlichen Annäherung an den Erkenntnisweg der Anthroposophie zu berichten.

Falk, die neben Hartwig Schiller zukünftig auch das Amt einer Generalsekretärin der Anthroposophischen Gesellschaft bekleiden wird, verdankt ihre Hinwendung zum Spirituellen nicht zuletzt ihrem beruflichen Weg. Es sei das Studium der Eurythmie gewesen, erläuterte sie, das sie auf den “Weg nach innen” gebracht habe. Sie habe erübt, sich angesichts der Vielfalt der Erscheinungen auf einzelne Qualitäten zu konzentrieren. Sich Form ohne Farbe oder Farbe ohne Form vorzunehmen, nannte sie als Beispiel. Eine Erfahrung dabei sei gewesen: “Etwas Fremdes spricht mit mir”.  Um die entsprechenden Qualitäten schließlich  hervorzubringen, sei es notwendig gewesen, sich in die entsprechende Geste “einzuschwingen”, was zu einem Gefühl der totalen Verbundenheit geführt habe. Das zunächst Fremde habe sie “wie von innen erschlossen” erlebt.

Wie eine solche “Wesensbegegnung” sichtbar und für das gegenseitige Verständnis fruchtbar gemacht werden kann, zeigte Falk im Anschluss anhand einer kurzen eurythmischen Darstellung mit zwei Künstlern. Polare Gesten, die der Härte und der Weichheit, wurden gezeigt, man identifizierte sofort die Personen mit den Qualitäten der Bewegungen. Im Verlauf der Darstellung begann das jeweilige Gegenüber zunehmend die Qualität des Anderen zu übernehmen und in die eigene Bewegungsart zu integrieren. Am Ende war jeder in der Bewegungsart des Anderen angekommen – und dies ohne Selbstaufgabe.

Lehrstück

Dorian Schmidt schilderte als eine Facette persönlicher Erfahrung “auf dem Wege”, wie aus dem Bemühen, das Wesenhafte der Bäume und das Lebendige überhaupt gegenüber einer rein chemisch-mechanistischen Betrachtungsweise zu verteidigen, beinahe durch Zufall eine neue, ihm wertvolle Forschungsmethode entstanden ist.

Um mit dem Wesenhaften der Bäume in Kontakt zu kommen, war es notwendig, die Lebenskräfte der beteiligten Seminaristen anzuregen, sie hätten sich als zu wenig flexibel und durchlässig erwiesen, erläuterte Schmidt. Um die Hülle der Lebenskräfte bzw. die Aura der beteiligten Personen in Bewegung zu bringen, wurden Gefühle durchgespielt. “Das war wie im Theater, wir haben uns mit unseren Gefühlen beschäftigt, aber daraus wurde ein ganz eigenes Lehrstück”. Schmidt schilderte, wie sich durch das Erleben von Gefühlen unabhängig von ihrem körperlichen Ausdruck die gleiche Kräftewelt erschlossen habe wie draußen in der lebendigen Natur. Heiterkeit, Freude, Ernst, Strenge – man könne diese Gefühle wie ein Theaterstück aufführen, sei die Erfahrung gewesen. “Gefühle sind hochgradig objektiv”, betonte Schmidt.

In einem nächsten Schritt ließen sich die so gemachten Erfahrungen auch im Denken und an Begriffen erproben. Hier schilderte Schmidt Variationen zu der von Rudolf Steiner empfohlenen ersten Nebenübung: die Konzentration auf einen belanglosen Gegenstand wie z.B. einen Nagel. Der Raum beginne sich zu verändern z.B. hinsichtlich seiner Dichtigkeit oder Helligkeit, je nachdem, welche Fragen man an den Gegenstand stelle, z.B. “Was kann ich mit einem Nagel alles machen außer nageln?” Oder: “Wie kann ich nageln ohne Nagel?”. Hier heiße es, dranzubleiben an den Erfahrungen: “Meistens geben wir zu schnell auf”, betonte Schmidt.

Der Weg nach innen im Alltag

Beim Podium zum Thema Alltagspraxis kam der frühere Abgeordnete der Grünen/Bündnis 90 im Bundestag Gerald Häfner zu Wort, der noch bis Anfang Juli dem Europaparlament angehört. Moderator Michael Schmock bezeichnete Häfner als “Radikalfall”, wenn man die Frage stelle, wie der an den Vortag beschriebene Weg nach innen sich denn im Alltag auswirke. Als Politiker habe Häfner doch am allerstärksten überwiegend mit Öffentlichkeit und auch mit den damit verbundenen Angriffen zu tun.

Häfner schilderte zunächst, wie er schon als Kind auf politische und soziale Prozesse aufmerksam geworden war durch Bilder von hungernden Kindern. Bis heute sei sein Engagement von seinem damaligen Empfinden geprägt, dass es solches Elend auf der Welt mit all ihren Reichtümern nicht geben dürfe. Später sei der Wunsch hinzugekommen, die Ursachen zu durchdringen, die zu diesen Verhältnissen führten. Es seien Strukturen, die – oft auch durch Gesetze bedingt – die Menschheit in einem “eisernen Griff” hielten und “Böses wie mechanisch” erzeugten. Allerdings seien diese Strukturen weder natur-, noch gottgegeben, sondern immer von Menschen erzeugt, die diese jederzeit auch verändern könnten.

Der Mensch als Wagenlenker

Als Bild stehe ihm dabei in Berlin der Wagenlenker der Quadriga auf dem Brandenburger Tor oft vor Augen: Der Mensch habe alles in sich, die Rosse könne man als Seelenkräfte auffassen, die es zu meistern gelte, wenn Wut, Angst oder Machtstreben einen zu überwältigen drohten. “Diese Kräfte zu bändigen und im Ich frei zu werden für zukunftsoffene Gestaltung – darum bemühe ich mich in meinem individuellen Schulungsweg”, erläuterte Häfner. Diesen individuellen Schulungsweg brachte er dann in Zusammenhang mit einem größeren “Schulungsweg im Sozialen”, auf dem er den heutigen Menschen sieht.

“Wer ist denn der Wagenlenker im Sozialen? Wer lenkt im Zeitalter der Bewußtseinsseele und der Demokratie ein Land, Europa, die Welt?”, lautete eine seiner Fragen. Um sie zu veranschaulichen, schilderte Häfner eine dramatische Episode aus seinem parlamentarischen Alltag, eine Darstellung, die die Anwesenden sehr bewegte. Er berichtete aufgrund seiner unmittelbaren Beteiligung von den Ereignissen in Parlament und Bundesregierung nach dem 11.September 2001, als es darum gegangen war, ob Deutschland auf breiter Front die USA in ihrem militärisch geführten Antiterrorkrieg unterstützen sollte.

Am Beispiel der Abläufe dokumentierte Häfner, wie auch ein einzelner mit Mut und Geistesgegenwart den Lauf der Ereignisse beeinflussen kann. “Es kommt immer auf den Menschen an, auch wenn ein einzelner einer ganzen Maschinerie gegenübersteht – denn auch sie wird ja mit Gedanken und Entschlüssen von Menschen gefüttert”, betonte Häfner. Ob man im entscheidenden Augenblick den Mut dazu finde und den richtigen Weg im Sozialen einschlage, hänge allerdings davon ab, ob “ich in mir verlebendigen kann, was werden will”, betonte Häfner und schlug damit den Bogen zu den Wahrnehmungsübungen der anderen Podiumsteilnehmer.

“Frischer Wind”

Häfner zeigte sich begeistert vom Tagungsablauf mit den neuen Elementen, er sah die Anthroposophische Gesellschaft, wie er im Abschlussplenum betonte, “im Licht am Ende eines langen Tunnels.” Auch das Plenum war gestaltet im Sinn eines sozialkünstlerischen Prozesses, bei dem sich die Teilnehmer wie schon in Passagen zuvor über ihr Erleben während der Tagung austauschten. Sicher und gekonnt führten die beiden jungen Moderatoren, Felix-Dan Müller und Eva-Maria Koch durch die Veranstaltung und ermutigten die Teilnehmer zum Austausch. Im Abschlussplenum ging es dann um Qualitäten und “Samen”, die jeder einzelne von der Tagung mitnehmen konnte.

Die älteren Teilnehmer, die sich äußerten, beurteilten das Geschehen positiv: Erstaunt war man, dass in “so kurzer Zeit so etwas möglich” geworden war, gelobt wurde der “frische Wind”, den die jungen Leute in die Tagung gebracht hatten und die Offenheit, mit der die Generationen dabei miteinander umgegangen waren. “Alte Disziplin trifft junge Kreativität”, fasste ein Teilnehmer zusammen. Voll des Lobes waren die Teilnehmer auch über die künstlerischen Darbietungen beim abendlichen Campus-Festival, das von Studierenden der verschiedenen Stuttgarter Ausbildungsstätten und freien Ensembles gestaltetet worden war mit Aufführungen von Eurythmie, Musik und Schauspiel. Es ging ebenfalls auf die Vorschläge der jüngeren zurück ebenso wie ein “Raum der Ungeborenen” im Gebäude der Freien Waldorfschule Uhlandshöhe, der ein Gegengewicht zum traditionellen Totengedenken bei den Jahresversammlungen bilden sollte.

Neue Vorstandsmitglieder

Bei den Wahlen zum neuen Vorstand, dem sog. Arbeitskollegium, wurden der Kunsthistoriker und -therapeut Reinhold Väth, Benjamin Kolass – bekannt durch die Herausgabe der projekt.zeitung, Angelina Sandtmann aus der Redaktion von “Die Drei” sowie Falk Zientz, Vorstandsmitarbeiter der GLS-Bank mit überwältigender Mehrheit neu ins Arbeitskollegium gewählt. Wiedergewählt wurden auch Hartwig Schiller, Jasmin Mertens und Michael Schmock. Dem Vorstand gehören außerdem Peter Krüger und Gioia Falk an. Im Gespräch mit NNA zeigte sich Hartwig Schiller sehr zufrieden mit dem Ablauf der Tagung: Er sei “begeistert vom Schwung und vom Leben”, den die jungen Leute hereingebracht haben. Mit Gioia Falk als zweiter Generalsekretärin verfügt die Anthroposophische Gesellschaft in Deutschland jetzt über eine Doppelspitze. Damit trage man der Größe der Landesgesellschaft Rechnung, wurde betont. Eine Filmdokumentation über die Tagung wird nach den Sommerferien auf der Homepage der Gesellschaft zu finden sein.

Links: www.anthroposophische-gesellschaft.org/Startseite.79.0.html
In Gemeen’ op maandag 9 juni verhaalde ik over het jaarbericht van de Duitse Triodos Bank. Gisteren publiceerde NNA ook ‘Vom Nischendasein zum Trendsetter: GLS-Bank feierte ihr 40jähriges Bestehen’ door NNA-Korrespondentin Edith Willer-Kurtz:
‘“Geschichten, die Zukunft schreiben” war das Motto des 40jährigen Jubiläums, das die GLS Bank im Juni beging. Zwei Tage lang wurde in Bochum, wo die Bank Ihren Hauptsitz hat im RuhrCongress gefeiert.

4500 Mitglieder, Kunden und Gäste hatten sich dazu angemeldet, allein am Samstag Abend waren 4000 Zuhörer und -schauer im großen Saal. Auch Bundespräsident a.D. Prof. Horst Köhler gratulierte den Mitarbeiterinnen und Mitarbeitern der GLS Bank, die schon etliche Preise als nachhaltige Bank bekommen hat und ein sinnvolles Vorbild sei.

Er nutzte die Gelegenheit, um auf die Notwendigkeit eines Paradigmenwechsels in der internationalen Politik hinzuweisen. Diese müsse eine Antwort ermöglichen auf die “unwiderrufliche Interdependenz allen wirtschaftlichen, sozialen und ökonomischen Geschehens auf unserem Planeten”.

GLS -Vorstandssprecher Joberg wurde nach seinen Wünschen für die Zukunft gefragt, er wünschte sich weiter engagierte Mitarbeiter und Kunden um den Herausforderungen gerecht zu werden, wobei ihm nicht Wachstum sondern Entwicklung wichtig ist. Die aktuellen Entwicklungen der Finanzmärkte würden zwar dabei eine Belastung darstellen. Mit aller Aufmerksamkeit lenkt die GLS Bank ihr Ziel mit der Fragenstellung: “Kommt das Geld da an, wo es gebraucht wird”. In ihrem Logo hat sie den Untertitel “und Geld bekommt Sinn”. Die GLS-Bank nennt sich auch erste sozial-ökologische Universalbank der Welt. Ihr Anliegen ist es, Impulse zu geben, mit einer anderen Art des Wirtschaftens die Welt nachhaltig zu gestalten.

Gesellschaftlichen Wandel gestalten

Seit 40 Jahren entwickelt die GLS-Bank als Genossenschaft anteilig soziale, ökologische und ökonomische Verantwortung und gestaltet somit gesellschaftlichen Wandel. Wie sich das in Zahlen in den letzten 40 Jahren ausdrückte, zeigten die bei der Generalversammlung vorgelegten Veröffentlichungen zu den Krediten: Im Bereich Energien wurden von 1974 bis heute von der GLS Bank 1.200 Millionen Euro finanziert. Die Finanzierung in Bereich Ernährung macht 800 Millionen aus bis heute bei 2.870 vergebenen Krediten. Für Bildung, Soziales und Wohnen waren es jeweils 1.000 Millionen Euro. Die Bilanzsumme der GLS-Bank hat sich vom Jahr 1975 mit 0,0063 Milliarden auf derzeit 3,4 Milliarden gesteigert.

Mit ihren sozial-ökologischen Investitionen und einer umfassenden Transparenz zielt die GLS-Bank auf einen dreifachen Gewinn: menschlich, zukunftsweisend und ökonomisch und wird so zum wichtigen Partner vieler Firmen, Initiativen und Organisationen.

Bei ausschließlich ethisch-ökologischen Anlagen hat der Kunde die Wahl, wo sein Geld sinnvoll wirken soll. Die wichtigsten Wirkfelder sind dabei Wohnen, Bildung, Gesundheit, Ernährung, intakte Umwelt und Arbeit als Grundbedürfnisse des Menschen. Heute bietet die GLS Bank ihren Mitgliedern und Kunden alle Leistungen einer Hausbank, wie Geldanlagen, vom Girokonto über Sparangebote, Vermögensmanagement, Altersvorsorge, Finanzierungen und Beteiligungen bis hin zum Stiften und Schenken. Zu Anfangszeiten 1974 führte die GLS Bank noch ein Nischendasein, heute ist sie als grünes Sparen ein Trend, ähnlich eben wie der Einkauf von Bioprodukten oder Strom aus Windkraft zu beziehen.

Das Feierprogramm gestalteten Kunden und Mitglieder. So konnte die Gereralversammlung mit Feierstimmung umrahmt in vielfältigster Weise erlebt werden. Unternehmen, die durch Kredite unterstützt wurden in ihrer anfänglichen Geschäftsentwicklung erzählten ihre Geschichten. Ursula Sladek, die Ökostrom Pionierin, erhielt 2012 den Deutschen Umweltpreis, den höchstdotierten unabhängigen Umweltpreis Europas. Sladek erzählte als einstige Stromrebellin von dem Stromnetzkauf vor 17 Jahren, der als Elektrizitätswerke Schönau (EWS) enorm gewachsen ist.

Sarah Wiener, auch Kundin der GLS Bank, bekundete ihre Denkweise, die ebenso wie die Bank menschliche und ökologische Werte vertritt. Dm-Gründer Götz Werner kommentierte sie mit seiner Philosophie. In den Pausen konnten sich die Gäste am Pastabuffet herrlich satt essen, oder bei Sarah Wieners Suppenküche oder an den zahlreichen Ständen, Saft trinken, an der “Schenkbar”, kernige Nüsse kosten, Vollkornbrote mit selbstgemachter Tomaten- oder Würzbutter kennenlernen. Aber an den Ständen erlebte man nicht nur geschmackliche Kostbarkeiten: An der Schenkbar beispielsweise stellte sich die GLS Treuhand vor und machte durch ihr vielseitiges Engagement deutlich, was alles durch Schenkgeld ermöglicht wird.

Begegnungsraum

Die Zeitreise der GLS Bank dokumentierte auf Tafeln die Entwicklung der letzten 40 Jahre, jeweils in Sieben-Jahres-Schritten. Da las der Interessierte zum Beispiel im sechsten Jahrsiebt 2009-2015: “Global Alliance for Banking on Values. Das internationale Netzwerk für nachhaltiges Banking (GABV) wird gegründet.” Neben der BRAC Bank (BD), der Triodos Bank (NL) und der Shore Bank (USA) war die GLS Bank Gründungsmitglied. Ziel des Netzwerkes ist die internationale Stärkung eines Bankwesens, das im Dienste des Menschen soziale und ökologische Projekte befördert. Zusätzlich bietet die GABV ihren Mitgliedern die Chance, voneinander zu lernen, sich gegenseitig zu inspirieren und zu stärken.

Auch ein “Worldcafé” fehlte nicht beim Jubiläumsfest, dort war der Raum für Begegnungen, in dem Existenzgründer und Visionäre die Gelegenheit hatten, mit den GLS Mitarbeiterinnen und Mitarbeitern über ihr Vorhaben zu sprechen. An Thementische konnte man sich über plurale Ökonomie und die Vielfalt in der Wirtschaftslehre informierne, außerdem über Geld als gesellschaftliches Gestaltungsmittel für kulturelle Veränderung. Es ging um Enterpreneurchip, worunter Visionäre im Dialog verstanden wurden, um global-Internationales Engagement im Finanzsektor und um die Vision einer “Gesellschaft 2.0”, die man sich digital und grün vernetzt vorstellte.

Im Congress Saal war außerdem ein “Klassenzimmer” eingerichtet mit echten alten Zweierbänken aus Holz. Darin gab es interessante Vorträge und Gesprächsrunden von Experten. Es ging um Fragen wie: “Warum brauchen wir Vielfalt in den Wirtschaftswissenschaften?” Eine Stunde später präsentierte sich von der Zukunftsstiftung Gesundheit und der Sommerakademie für integrative Medizin die Initiative “Medizin mit Herz und Hand.” Die neu gegründete Aurelia Stiftung, die sich der Rettung der Bienen verschrieben hat, lud ein, als Förderer oder Gründungsstifter mitzuwirken. In einer weiteren “Schulstunde” wurde erklärt, was die GLS Bank und ihre KundInnen damit zu tun haben und wie die Energiewende Wirtschaft und Gesellschaft verändert. Alles war mit dem Aufruf versehen: Mitwirkung erwünscht.

Viel Vergnügen wünschte die GLS Bank allen Gästen auch mit Musikalischen und Künstlerischen. Das Orchester der Universität Witten/Herdecke unter Leitung von Ingo Ernst Reihl spielte den ersten und zweiten Satz der Sinfonie Nr. 8 G-Dur op.88, von Antonin Dvorak. Kabarett mit ernsten und heiteren Hintergründen von und mit Georg Schramm förderte Lachen und Nachdenken. Lebendig und sehr unterhaltsam war der Auftritt der Wise Guys, und im Nachtcafé wurde getanzt zu Musik mit der Band Goodfellas.

Links: www.gls.de

In Verbindung stehende News: GLS-Bank trotzt erneut dem Branchentrend – 28.01.2014 16:30’
What’s next? Nog een heleboel. Maar ik sluit, net als de vorige keer, voor vandaag opnieuw af met Michael Eggert, die gisteren deze bijdrage op zijn website plaatste, ‘Rudolf Steiners letzte Inkarnation’:
‘Rudolf Steiner hat sich zwar selbst nicht expressis verbis zu eigenen früheren Inkarnationen geäußert, aber doch Wilhelm Raths Untersuchung* über das Verhältnis von Steiner und Thomas von Aquin kurz vor seinem Tod gelesen und mit den etwas galligen Worten gelobt “Wenn mehr solches in unserer Gesellschaft geschrieben würde, brauchte ich nicht krank zu sein.”* Die Bemerkung war zuerst gegenüber Ita Wegman gefallen und ist Rath dann sofort hinterbracht worden. Dass Rudolf Steiner damit auch zum Ausdruck brachte, dass er das anthroposophische Gesellschaftsexperiment als krank machend – und damit als nicht tragfähig – erachtete, kommt mit dieser Bemerkung ebenso zum Ausdruck wie der von Rath nahe gelegte karmische Zusammenhang zwischen Thomas von Aquin und Steiner.

Rath hatte alle Bemerkungen Rudolf Steiners – vor allem in Rahmen von dessen karmischen Betrachtungen – gesammelt und im Kontext untersucht. Steiner hatte z.B. intensiv über die scholastischen Denker in der Auseinandersetzung mit Averroes – den Vertreter eines “arabischen” Aristotelismus gesprochen – intensiv auch im Ausdruck: “Ja, so konnte man sitzen in der damaligen Zeit und die Lehre von der individuellen Unsterblichkeit mit allen scharf einschneidenden Gedanken verteidigen, polemisch werden gegen Averroes (..) Da saß man und versuchte, den Individualismus zu begründen..” Averroes hatte fünfzig Jahre vor von Aquin die Lehre von der universellen, einen Intelligenz für alle Menschen formuliert – eine Intelligenz, in die der Mensch nach dem Tod aufging, und die somit keinen persönlichen Charakter hatte. Die sehr lebendige Auseinandersetzung des 13. Jahrhunderts wurde von Rudolf Steiner wieder aufgenommen – so dass man insbesondere in der ausformulierten Reinkarnationslehre eine Fortsetzung des Thomismus sehen kann. Dass Steiner so viel über diese Zeit – über das Wirken der Zisterzienser und Dominikaner im Besonderen – berichtet hat, führt er auf eine Begegnung mit einem Zisterzienser-Ordenspriester zurück – Pater Wilhelm Neumann, Professor an der Theologischen Fakultät der Wiener Universität, mit dem er sich in den 1880er Jahren traf, und der Steiner ins Gesicht gesagt habe: “Die Keime zu diesem Vortrage, den Sie heute uns gehalten haben, die liegen schon bei Thomas von Aquino!” (Rath, S. 35) Diese Bemerkung muss Steiner so tief berührt haben, dass er 40 Jahre später berichtete, er hätte (ohne den Namen Neumanns zu erwähnen) damals etwas gesagt bekommen, “in dem gelegen war seine Erinnerung an ein Zusammensein von ihm mit mir in einem früheren Erdenleben” (Rath. S. 41). Dies ist die einzige konkrete Situation, in der sich Rudolf Steiner öffentlich über sein persönliches Karma geäußert haben soll.

Betrachtet man die Fülle von Äußerungen Rudolf Steiners über Thomas, darf man sie doch – mit aller Vorsicht – wohl auch als Selbstbeschreibungen betrachten. So beschreibt Steiner von Aquins sicheres “Urteil und Überzeugung”, was daran gelegen habe, dass Thomas in seinem eigenen Astralleib “denjenigen des Christus einverwoben bekommen hatte” –  mithin dauerhaft inspiriert gewesen sei. (GA 109,71). Thomas habe auch noch von den Ursprüngen des Schicksals gewusst – das “gelenkt (sei) von den Sternenintelligenzen” (GA 199, 244). Thomas habe “frei von Irrtum.. göttliche Gedanken” wahrnehmen können, nicht als Mystiker, sondern als denkender Scholastiker: “Auf diese Weise finden wir in Thomas aufs neue gedacht die vorschöpflichen göttlichen Gedanken, frei von Irrtum und Täuschung, wie sie nur gedacht werden konnten in einer Klosterzelle, weit entfernt von dem Lärm der Welt. Der Mensch der Welt beeilt sich zu verstehen, sich schnell eine Auffassung zu eigen zu machen und alles zu vereinfachen. Aber die Gottheit ist nicht so einfach! Mit Thomas von Aquino erhebt sich der menschliche Gedanke. Er ist nicht weniger Mystiker als Scholastiker. Er konnte nämlich solche Beschreibungen geben, weil er die geistigen Hierarchien sah, so wie sie der Seher Dionysius der Areopagite uns gegeben hat, und in seinen langen nächtlichen Meditationen vor dem Altar konnte er die schwersten Probleme lösen. So finden sich in ihm vereinigt der Mystiker und ein Denker so hell wie ein Diamant und nicht von den Sinnen beeinträchtigt.” (GA 109, 71f)

Die unmittelbare Inspiration – im Denken, fern von jeglicher Mystik – Thomas von Aquins führt Rudolf Steiner auch noch in anderen Worten aus: “Man kann zum Beispiel bei Thomas von Aquino im 13. Jahrhundert nicht sagen, was in seinen Büchern steht, sei auf eine solche Art gewonnen, wie heute Begriffe und Vorstellungen gewonnen werden. Das wäre falsch vorgestellt. Sondern was in seinen Büchern steht, müssen Sie sich so vorstellen, dass ihn fortwährend ein Geist aus der Hierarchie der Angeloi dazu inspiriert, und dass er dasjenige niederschreibt, was aus dem Bewußtsein eines höheren Geistes kommt. Nur auf diese Weise kann man alles Entstehende, alles Werdende begreifen. Nur auf die Weise, dass man zuhört, geistig, wie das einen inspiriert oder Imaginationen spendet, kann man über Werden, über Entstehen reden.” (GA 176, S. 319)

Steiner sieht Thomas klar in der Reihe der Denker der spirituellen Intelligenz (“Man sieht in dem, was Thomas von Aquino und seine Schüler, was andere Scholastiker geltend machen, die irdische Ausprägung dessen, was dazumal Michael-Strömung war: Verwaltung der lichtvollen, der spirituellen Intelligenz”. GA 237, 114), und zwar als den Bedeutendsten dieser Denker: “Erst die Auffassung Thomas’ von Aquino, des bedeutendsten christlichen Denkers, sucht die aristotelischen Gedanken in einer tief gehenden Art in die christliche Ideenentwickelung so weit einzuweben, als es in der Zeit dieses Denkers möglich war.” (GA 6.34f)

Da Rudolf Steiner, wie oben ausgeführt, nach der Begegnung mit dem “besonders ausgezeichneten Menschen” (Rath, 41) Pater Wilhelm Neumann nach eigenem Bekunden früh klar war, dass “er sich als ein Fortsetzer des Thomas von Aquino in der Gegenwart fühlen durfte” (Rath, S. 35), mögen die Äußerungen Steiners über Thomas als Selbstbeschreibungen betrachtet werden dürfen, aber andererseits als Erklärung dafür dienen, dass er selbst auf Wilhelm Raths direkte Frage danach nie eindeutig geantwortet hat.

*Quelle Wilhelm Rath, Rudolf Steiner und Thomas von Aquino, Basel 2010/ 2’

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – Hoofdredacteur a.i. van ‘Motief, maandblad voor antroposofie’, uitgegeven door de Antroposofische Vereniging in Nederland – – Bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland 2012-2014 – – Redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – Voormalig lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – –Voormalig redacteur van het inmiddels ter ziele gegane ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ , uitgegeven door een onafhankelijke stichting en niet meer verschenen sinds september 2006 – – Voormalig redacteur van ‘de Sampo’, het in 2001 opgeheven tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het eind 2006 in een fusie opgegane Heilpedagogisch Verbond (HPV)

Mijn Facebookpagina

Translate

Volgers

Herkomst actuele bezoeker(s)

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Laatste reacties

Recent Comments Widget

Zoeken in deze weblog

Wordt geladen...

Gezamenlijke antroposofische agenda (in samenwerking met AntroVista)