Antroposofie in de pers

Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de verdrukking. Want antroposofie is niet eenvoudig te grijpen en te begrijpen. Dat geeft snel een vertekend beeld. In deze weblog wil ik ruimte geven om antroposofie, zoals zij in de media verschijnt, op haar merites te beoordelen. Vanuit een positieve instelling. Maar niet kritiekloos.

zondag 10 augustus 2014

Supermaan

Daar komen ze dan eindelijk aan...

De Zonnehorst meldt op zijn website:
‘Dinsdag 5 augustus komt RTV OOST op de Zonnehorst opnames maken voor: Heerlijk Overijssel. Wij zijn dan de vaste locatie die dag. Vanaf half 5 wordt het uitgezonden en dan ieder uur herhaald.’
De Zonnehorst stelt zichzelf zo voor:
‘In Punthorst, de gemeente Staphorst, op 5 1/2 hectare vruchtbare dekzandgrond, runnen wij, Henk en Hillie Bunskoek samen met medewerkers en stagiaires, onze biologisch-dynamische gemengde tuinderij. We telen een brede variatie aan groenten, op de volle grond en in een “koude” kas. Bijen, een koppel kippen en een paar varkentjes verlevendigen de boel.

Als kleinschalige zorgboerderij bieden we ook nog plaats aan een aantal zorgvragenden die tijdelijk en/of voor langere tijd een plek nodig hebben om te herstellen of voor zinvolle dagbesteding.

Verder verhuren we een multifunctionele ruimte in onze kapschuur, geschikt voor velerlei doeleinden. In de zomermaanden hebben we een aantal kampeerplaatsen achter op het land voor de wat avontuurlijke en rust zoekende kampeerder, en staan hiermee ook vermeld in de groene vakantiegids van het ECEAT.’
Aflevering 17 van Heerlijk Overijssel duurt 35 minuten. De Zonnehorst is het eerste kwartier in beeld:
‘Vandaag nemen we in Heerlijk Overijssel een kijkje achter en voor de schermen op de biologisch dynamische gemengde Tuinderij de Zonnehorst in Punthorst.’
Daarna komt voedingskundige Petra Essink (tevens hoofdredacteur van ‘Stroom’, het tijdschrift van Antroposana) aan het woord, om te vertellen over de Kraaybeekerhof Academie.



De Belgische Knack meldde eergisteren ‘Spectaculair duel in de ruimte: supermaan vs. Meteorenregen’. Die supermaan is vannacht:
‘Onze Aarde koerst weer door de meteorenzwerm Perseïden, wat vallende sterren oplevert. Maar deze keer krijgt de hemelshow concurrentie van de supermaan.

Elke zomer trekt de Aarde door de Perseïden-meteorenzwerm: een wolk van stofdeeltjes achtergelaten door de komeet Swift-Tuttle. Vele stofdeeltjes komen dan aan 60 km per seconde in botsing met de dampkring van de Aarde en veroorzaken kortstondig een lichtstreep aan de hemel: een vallende ster of meteoor. Die desintegreert volkomen.

De vallende sterren zijn zichtbaar tussen zondag 10 augustus en woensdag 13 augustus. Het maximum valt dit jaar in de vroege uurtjes van 13 augustus. De lichtsporen kunnen overal aan de hemel opflakkeren, maar lijken te komen uit het sterrenbeeld Perseus dat in het noordoosten opklimt.

Om deze meteoren waar te nemen is geen telescoop of verrekijker nodig. Het volstaat om vanop een donkere plaats buiten een stedelijk gebied met het blote oog minstens 15 minuten te kijken naar een willekeurige plaats aan de nachthemel.

Supermaan

Toch zal de zwerm deze keer minder spectaculair zijn dan andere jaren omdat ze concurrentie krijgt van de supermaan die in de nacht van 10 augustus zal verschijnen. Dan staat de maan op de nabije afstand tot de Aarde van slechts 356.895 km.

Een supermaan is 14 procent groter en 30 procent helderder dan een traditionele volle maan. Bovendien lijkt deze supermaan ook nog eens de grootste en helderste te worden van de vijf supermanen in 2014. Daarom zullen er bij heldere hemel maar zo'n tien tot twintig meteoren per uur te zien zijn.’
Het Euritmie Impresariaat meldt ‘Publiciteit via Facebook en Linkedin’:
‘In het streven op ruimere schaal publiciteit te maken voor de podiumeuritmie is het Euritmie Impresariaat Nederland ook actief op Facebook en Linkedin. Belangstellenden worden uitgenodigd vriend te worden en/of te volgen.’
Genoemd worden onder Facebook:
En onder LinkedIn:
Bij ‘Euritmie in het theater’ op Facebook stond vandaag dit bericht, ‘Streven naar 3 uitverkochte zalen’:
‘Hoewel de euritmie al meer dan 100 jaar bestaat, is het in de huidige tijd niet vanzelfsprekend dat alle voorstellingen goed bezocht worden. Voor de opvoeringen van het historisch programma op 24 oktober in het Zaantheater in Zaandam (209 plaatsen), 25 oktober in het Zeeheldentheater in Den Haag (150 plaatsen) en 26 oktober in Theater Kikker in Utrecht (190 plaatsen) gaat het om in totaal 550 te verkopen entreekaarten. Helpt u ons mee dat tegen die tijd alle entreekaarten worden verkocht? Graag alvast de data in uw agenda plaatsen.
Imke Jelle van Dam’
Op de website van de Antroposofische Vereniging in Nederland is het bericht ‘Overlijden en afscheid van Sergei Prokofieff’ verschenen:
‘In de morgen van zaterdag 26 juli jl. is Sergei Prokofieff in Dornach over de drempel van de dood gegaan. Op de daaropvolgend dinsdagmorgen werd zijn lichaam opgebaard in de “Schreinerei” naast het Goetheanum, de plaats waar de Grondsteenspreuk in 1923 voor het eerst heeft geklonken. Om 14.00 uur in de middag was er aansluitend een “Bestattungsfeier” van de Christengemeenschap onder belangstelling van velen, waaronder vrienden uit Nederland.

Sergei Prokofieff heeft door zijn leven en werk onnoemelijk veel voor de antroposofie en de antroposofische vereniging betekend. Zijn sterven kwam op de vooravond van de conferentie over de 19 klassenuren in Dornach rond het Goetheanum. Zijn overlijden gaf de gehele conferentie een bijzondere betekenis. Zijn voordrachten over de klassenuren en daarna deze inhouden samenvattende omvangrijke publicatie over de Eerste Klasse van Michaelschool en haar Christologische Grondslagen hebben velen de toegang tot de inhoud van de 19 meditatie-uren verschaft en blijven een bron van inspiratie. Vlak voor zijn dood kon hij, ondanks zijn ernstige ziekte, een tweede deel over elk van de 19 meditatie-uren afzonderlijk voltooien, dat binnen afzienbare tijd nog zal verschijnen en voor de leden van de hogeschool voor geesteswetenschap te verkrijgen zal zijn.

Vanwege de bouwactiviteiten vonden tijdens de conferentie de in het Duits gehouden klassenuren plaats in de “Schreinerei”, de plaats waar de klassenuren in 1924 voor het eerst door Rudolf Steiner gehouden werden. De zaal was voor deze gelegenheid voorzien van een blauwe gebogen achterwand waarop de grote zeven planeetzegels achter het spreekgestoelte hingen. Op dinsdag werd deze ruimte de gewijde plaats, waar het lichaam op het podium werd opgebaard, in een gesloten eenvoudige lichte houten kist met op het deksel van gevlochten groene takken een kruis voorzien van een krans van zeven rode rozen. Tijdens de dienst was de kist omgeven door kaarsen en meer rode en witte rozen. Er was zoveel belangstelling dat de grote zaal in de Schreinerei de mensen nauwelijks kon bevatten. Rondom de alle tot de laatste stoel bezette zitplaatsen stonden de mensen enkele rijen dik. De bijeenkomst begon met pianomuziek van Bach, waarmee tevens werd afgesloten. In het Russisch werd het Onze Vader gesproken. De priester Rolf Herzog ging daarna voor in de dienst en sprak over de bijzondere biografie van Sergei Prokofieff, geboren in 1954 in Moskou, over zijn ontmoeting met de antroposofie als viertienjarige jongen dankzij de vriendschap van zijn ouders met de weduwe van Max Woloschin (wiens beroemde huis op de Krim met vertaalde werken van Rudolf Steiner in de bibliotheek hij vaak bezocht), zijn onmiddellijke herkenning van het werk van Rudolf Steiner als een weg tot Christus, waarin zijn eerdere ideaal om priester te worden een nieuwe gestalte kreeg en zijn besluit als 19-jarige zich verder aan de antroposofie te wijden. Hij studeerde daarna kunstgeschiedenis te Moskou en een serie van vier voordrachten over de Weihnachtstagung 1923 bracht hem op uitnodiging op een reis van enkele weken naar Midden- en West-Europa, waar hij zijn vrouw Astrid ontmoette met wie hij nog op diezelfde reis trouwde. Pas enkele jaren later zou hij definitief Rusland kunnen verlaten en zich in Dornach vestigen, waarmee een actief leven in en voor de vereniging in Midden-Europa begon. Na het voltrekken van de laatste wijding werd de Grondsteenspreuk voorgedragen. Peter Selg sprak daarna over zijn vriend op indringende wijze en eerde hem in zijn singuliere kwaliteit als geesteswetenschapper en ware leerling van Rudolf Steiner. Hij sprak over zijn geïnspireerde jeugdpoëzie, die al van een ongekend geestelijk vuur getuigde. Recent zijn deze Russische gedichten pas in een lijvige bundel uitgegeven. Dit talent en zijn kunstzinnige aanleg in het algemeen heeft hij terughouden en geheel in dienst van de geesteswetenschap gesteld. Zijn lange reeks van boeken getuigen ervan hoe hij de antroposofie helder denkend en mediterend heeft verwerkt en als levendige impuls heeft verzorgd. Zijn ziekbed van ruim drie jaren heeft hem niet gebroken. Nog was hij in staat zijn werk ondanks alle praktische hindernissen te voltooien, als laatste een boek over het leven van Rudolf Steiner. Zo de bijzonder warme herdenkingsrede.

Met een lang eerbiedig zwijgen bij en na de het wegvoeren van de kist brachten de velen vrienden en aanwezige leden hem een laatste groet.

Van andere aard was het Gedächtnisfeier op de volgende zaterdag. In de weer tot de laatste stoelen gevulde Grundsteinsaal van het Goetheanum was ruimte voor muziek, euritmie en toespraken. Zijn portret stond op het toneel. De bijeenkomst begon wederom met het largo uit een voor piano bewerkte orgelsonate van Bach. Daarna volgden met euritmie het bekende “Air” uit de Brandenburger concerten nu voor viool en piano, euritmie op een spreuk van Rudolf Steiner, het reciteren van twee vroege Russische gedichten van Sergei Prokofieff zelf (geschreven tussen zijn 17de en 19de), één over de weg van de ziel na de dood en één over hoe hij “in armoede”, bevrijd van de wereld, later zou willen sterven.

De Grondsteenspreuk werd ook hier gereciteerd. In drie toespraken eerden achtereenvolgens Virginia Sease, Bodo von Plato en Paul Mackay hun vriend en collega. Veel waardering. Ernstige opmerkingen, maar ook anekdotes over zijn gevoel voor humor werden gemaakt. Nog enkele vrienden spraken en ten slotte was het laatste woord aan zijn weduwe Astrid Prokofieff, die de idealen die Sergei had nagestreefd belichtte. Een pianostuk van zijn grootvader, de componist Sergei Prokofieff besloot deze stemmingsvolle bijeenkomst, waarin met name in kleine terugblikken en enkele grotere lijnen uit zijn biografie de vervlochtenheid van kruisende levenspaden beleefbaar was.

Namens het bestuur,
Jaap Sijmons
Voorzitter’
Op dezelfde website is ook nieuwe informatie te vinden over ‘De Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap’:
‘Het doel van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap is: het doen van onderzoek op geestelijk gebied, het stimuleren en coördineren van dat onderzoek, en het verzorgen van opleidingen in de verschillende werkgebieden. De Hogeschool is ingebed in de Antroposofische Vereniging. De vereniging ziet het als haar taak de ontwikkeling van de hogeschool mogelijk te maken. De hogeschool wil de vereniging, de verschillende werkgebieden en de samenleving in zijn geheel, van dienst zijn met de resultaten van haar onderzoek. – De Hogeschool is gevestigd in Dornach; de werkzaamheid ervan vinden wereldwijd in verschillende netwerken plaats.

Rudolf Steiner richtte de Hogeschool in 1923 op. Hij bestaat uit een algemene sectie en tien vakgerichte secties. De inhoudelijke basis bestaat uit de meditatieve leergang, die Rudolf Steiner in 1924 heeft gegeven, de eerste serie van negentien zogenaamde “klassenuren”.

Voorwaarden voor het lidmaatschap zijn: bekendheid met de belangrijkste inhouden van de antroposofie, bekendheid met de meditatieve praktijk in de zin van de antroposofie, bereidheid om samen te werken binnen het kader van de Antroposofische Vereniging, en in het vertegenwoordiger willen zijn van de antroposofie.

Meerdere secties

De Hogeschool kent meerdere secties. Centraal staat de algemene antroposofische sectie waarin de centrale (algemeen menselijke) vragen en inhouden van de antroposofie worden onderzocht en vruchtbaar gemaakt. Daarnaast zijn er vakgerichte secties, waarin de antroposofie vruchtbaar wordt gemaakt voor de verschillende gebieden van de samenleving, de wetenschap en de kunst. Hun doel is waar te nemen welke nieuwe ontwikkelingen zich voordoen in de betreffende gebieden, deze gebieden vanuit de geesteswetenschap verder te onderzoeken en een spirituele verdieping van de betreffende beroepen mogelijk te maken.

Het netwerk van mensen van een sectie, en daarmee van de hele Hogeschool, kent drie lagen: leden van de Hogeschool, leden van de Antroposofische Vereniging en geïnteresseerden.

De verschillende secties zijn:

Algemene antroposofie
Beeldende kunsten
Cultuurwetenschap en letteren
Gezondheidszorg
Landbouw
Wiskunde en astronomie
Natuurwetenschap
Pedagogie
Sociale wetenschappen
Woord, muziek en euritmie

Neem voor de contactgegevens van de betreffende coördinator, contact op met het secretariaat.’
Die secties gaan we nu een voor een bezoeken:
‘Beeldende kunsten

De Sectie voor Beeldende Kunsten bestaat in Nederland sinds de vroege jaren ’90 van de vorige eeuw, toen Paul Mackay als voorzitter van de Vereniging de secties inrichtte. Sindsdien bekommert de sectie zich binnen de Vereniging om de relatie tussen beeldende kunst en de antroposofie, in de breedste zin van het woord. Dat is een vooralsnog diffuus en groot gebied, en het heeft vele mogelijkheden en uitdagingen.

Omdat er in de afgelopen jaren steeds meer behoefte is ontstaan aan het verduidelijken van wat we als sectie kunnen en willen doen en het expliciteren van de bijbehorende taken en verantwoordelijkheden, hebben we ons als sectieraad de afgelopen maanden in verschillende gespreksronden met de inhoudelijke taakstelling van de sectie bezig gehouden. Dit heeft geleid tot een tekst die we ons “mission statement” noemen. De inhoud daarvan is hieronder weergegeven:

Mission Statement

De Sectie voor Beeldende Kunsten van de Antroposofische Vereniging in Nederland voelt het als haar verantwoordelijkheid haar inspiratiebron, de antroposofie, te laten uitstralen in de gebieden van de Beeldende kunsten en Architectuur, en in dialoog te brengen met wat er op deze gebieden in de wereld gaande is. Ze nodigt iedereen die hiervoor sympathie voelt uit om mee te denken en deel te nemen aan deze onderneming.

Onderzoek en studie

De sectie wil geesteswetenschappelijke studie en onderzoek initiëren en stimuleren op onder meer de volgende gebieden:
– Innerlijke ontwikkeling: wat kan de betekenis zijn van innerlijke scholing, van oefeningen en meditaties die voor handen zijn vanuit de antroposofie, voor de ontwikkeling van de beeldende-/bouwkunst in het algemeen en van het individuele kunstenaarschap?
– Betekenis van kunst: hoe kan vanuit een geesteswetenschappelijke visie de rol van beeldende-/bouwkunst in onze cultuur en cultuurgeschiedenis begrepen worden? En welk licht kan de geesteswetenschap werpen op de kunst van onze tijdgenoten?
– Het creatieproces: dit omvat alle aspecten; vanaf het zoeken naar of vinden van inspiratie, tot aan de uiteindelijke realisering van een kunstwerk.
– De impulsen die zijn uitgegaan van Rudolf Steiner en andere door de antroposofie geïnspireerde mensen, op de beeldende kunst en architectuur.
– De kwaliteiten en zeggingskracht van beeld- en expressiemiddelen als: kleuren en licht en donker en hun dynamiek, vormen en vormprocessen, ruimtelijke verhoudingen, compositie, etc.
– De kwaliteiten en zeggingskracht van de materialen die gebruikt worden, ook van nieuwe media en nieuw ontwikkelde expressievormen.

Ontmoeting en presentatie

De sectie wil mogelijkheden voor ontmoeting en uitwisseling creëren en faciliteren tussen kunstenaars vanuit verschillende disciplines en met verschillende visies op kunst. Ook wil ze een inspirerend platform bieden, waar resultaten van studie en onderzoek gepresenteerd worden.

Opleiding en overdracht

De Sectie gaat ervan uit dat ervaring die in staande gebieden is opgedaan, waardevol kan zijn voor velen die werken in de beeldende kunst of architectuur. Ze wil daartoe in een open dialoog met belangstellenden een programma verzorgen van cursussen, workshops of andersoortige activiteiten voor verschillende doelgroepen. Zulke, en andere aspecten van het werk in de sectie die we samen bespreken, worden natuurlijk ook in samenhang gebracht met de andere secties in de Hogeschool, en besproken in het maandelijkse Hogeschooloverleg.

Het schrijven van deze uitgangspunten bracht ons bij de wens om voor diverse interessegroepen dingen te organiseren. Zo zijn er bijeenkomsten voor degenen die lid zijn van de Hogeschool voor Geesteswetenschappen en dus lid zijn van de eerste klasse. Daarnaast worden er bijeenkomsten gehouden voor leden van de vereniging die beroepshalve bij de sectie betrokken zijn. Ook voor leden van de vereniging die zich aangesproken voelen door het werk in de sectie zijn er mogelijkheden om bijeenkomsten bij te wonen, en hetzelfde geldt voor diegenen die geen lid zijn van de vereniging.

Wij hebben als Sectie voor Beeldende Kunsten een programma gemaakt, waarin de hierboven aangeduide activiteiten worden aangekondigd. Dit programma is al toegestuurd naar de leden die met naam en adres bij onze sectieadministratie bekend zijn. Desgewenst is dit programma ook op te vragen bij de administratie van de vereniging, en te vinden op de website van de Antroposofische Vereniging: www.antroposofie.nl.

Mocht U op de adressenlijst willen staan van de Sectie voor Beeldende Kunsten en zo de berichten, uitnodigingen en dergelijke direct ontvangen, laat dat dan weten aan het secretariaat van de vereniging, met uw bereikbaarheidsgegevens en e-mailadres.

Rik ten Cate, sectiecoördinator

Uit Motief nr. 166 van oktober 2012, p.30


Cultuurwetenschap en letteren

Binnen de Sectie voor Cultuurwetenschap en Letteren staat een grote diversiteit aan uitingen van de mens in cultuur en samenleving centraal. Denk aan onder meer schilder- en beeldhouwkunst, architectuur, taal, poëzie, muziek, literatuur, geschiedenis en filosofie.

Onze sectie ziet het als haar taak om vanuit de antroposofie een aanvullend perspectief te ontwikkelen op de disciplines waarbinnen deze uitingen van menselijke beschaving worden bestudeerd: o.a. de geschiedkunde, de taal- en letterkunde, de esthetica, de filosofie, de kunst- en cultuurgeschiedenis, de muziekwetenschap en de culturele antropologie. Gebieden die daarbij de afgelopen jaren aan bod zijn gekomen: werken met sprookjes, geschiedschrijving, kunstgeschiedenis, aspecten van een antroposofisch georiënteerde taalwetenschap en welke zijn de door Rudolf Steiner ontwikkelde uitgangspunten van een antroposofische esthetica?

Richtinggevend voor het werk binnen de sectie zijn Rudolf Steiners gezichtspunten voor een antroposofische esthetica op basis van Goethe’s gedachte dat kunst het meest geëigende middel is om de wereldgeheimen te ontsluiten en tot openbaring te brengen. Naast de antroposofische esthetica neemt het ontwikkelen van antroposofische gezichtspunten met betrekking tot taal en taalwetenschap binnen de Sectie voor Cultuurwetenschap en Letteren een centrale plaats in. Het onderzoek richt zich dit jaar op: De ontwikkeling van taal in het digitale tijdperk.

In welke mate verandert onze verhouding tot de taal zich als gevolg van het veelvuldig gebruik van de computer, het internet, het mobieltje, de iPad et cetera, en welke consequenties heeft dat voor het geschreven en gesproken woord? Hoe kunnen we deze ontwikkeling begrijpen vanuit het antroposofische mensbeeld en welke alternatieve handelingsperspectieven dienen zich naar aanleiding daarvan mogelijkerwijs aan?

Drie jaar geleden is vanuit de Sectie voor Cultuurwetenschap en Letteren in samenwerking met mensen uit het werkgebied van de Sectie voor Woord, euritmie en muziek, een initiatiefwerkgroep ontstaan om onderzoek te doen naar de taalimpuls van Rudolf Steiner in euritmie, spraakvorming, dramatische kunst en taalwetenschap. In mei 2011 werd een eerste kleine besloten werkconferentie over dit thema georganiseerd in Den Haag.

Daarnaast is er een vergevorderd plan om in de loop van dit jaar (2013) een werkweekeinde over een vernieuwde esthetiek te organiseren. Steeds belangrijker wordt het om samen te werken met de andere secties binnen de ene Hogeschool. Met name vanuit de onderzoeksgebieden taal en esthetica is het de opgave van de Sectie voor Cultuurwetenschap en Letteren om in samenwerking met andere secties van de Vrije Hoge School voor Geesteswetenschap projectgewijs en waar mogelijk, een bijdrage te leveren aan het herstellen van de verbinding tussen wetenschap en kunst. Zij zoekt deze samenwerking in eerste instantie met de sectie Woord, muziek en euritmie en de sectie Beeldende kunsten.

De coördinatiegroep van de sectie voor Cultuurwetenschap en Letteren komt driemaal per jaar op een zondag bij elkaar, plus een weekend.

Bent u op een van de hier beschreven werkgebieden van de sectie reeds actief of wilt u participeren in onze coördinatiegroep, neem dan gerust contact met ons op via het secretariaat.

Uit Motief nr. 171 van april 2013, p.30


Gezondheidszorg

De medische sectie in Dornach is een bekend begrip. Het is een van de secties van de Freie Hochschule für Geisteswissenschaft am Goetheanum. De medische sectie (sectie gezondheidszorg) in Nederland, verbonden met de sectie in Dornach, is veel minder bekend. Daarin willen we graag verandering brengen.

Al jaren werkte ik in de heilpedagogie en sociaaltherapie en nam deel aan conferenties die in Nederland georganiseerd werden door het Heilpedagogisch Verbond, en in Zwitserland door de Medizinische Section am Goetheanum. Het was me bekend dat de heilpedagogie deel uitmaakte van de sectie gezondheidszorg, maar hoewel ik al jarenlang lid van de Antroposofische Vereniging was, was het niet tot me doorgedrongen dat we als Antroposofische Vereniging in Nederland een vergelijkbare sectie hebben. Tijdens een boswandeling in de buurt van het Goetheanum, vroeg Truida de Raaf mij of ik lid wilde worden van de medische sectieraad. Toen pas kwam ik erachter hoe de sectie gezondheidszorg in Nederland werkt en hoe groot het werkveld is dat ze bestrijkt.

Alle werkers in de gezondheidszorg die zich laten inspireren door de antroposofie zijn betrokken, en dat zijn er heel veel. Om te beginnen de mensen die zich in diverse beroepsverenigingen hebben verenigd, zoals 220 mensen die lid zijn van de Vereniging van Antroposofisch Artsen, 535 leden van de Vereniging voor Kunstzinnige Therapie en circa 100 leden van de Vereniging voor Antroposofische Fysiotherapie. Verder zijn er beroepsverenigingen voor psychotherapie, chirofonetiek, euritmietherapie, verpleegkundigen, diëtisten en niet te vergeten veel heilpedagogen en sociaaltherapeuten. Omdat niet alle mensen die in de antroposofische gezondheidszorg werken, lid zijn van de AViN en zeker niet allemaal lid van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap, hebben we de sectie zo georganiseerd dat er een medische sectieraad is, bestaande uit negen leden: Erik Baars, Ghiti Brinkman, Wim Cornelisse, Koop Daniels, Ton van Osch, Silvie Otter, Joukje Pothoven, Truida de Raaf en Madeleen Winkler. Ieder brengt daar de eigen expertise binnen vanuit een bepaald deel van de antroposofische gezondheidszorg.

Deze raad komt ongeveer zeven keer per jaar bij elkaar en organiseert een aantal activiteiten voor de werkers in de antroposofische gezondheidszorg. Zo is er jaarlijks een grote conferentie voor alle werkers in de gezondheidszorg, een meditatiewerkplaats en een bijeenkomst voor klassenleden. Er is het opleidingenoverleg waaruit inmiddels de Academie Antroposofische Gezondheidszorg is ontstaan en een onderzoeksgroep waaruit een lectoraat is voortgekomen, maar ook verschillende publicaties zoals Goede zorg en Imaginatie, Inspiratie en Intuïtie.

Wat de sectie gezondheidszorg van de Hogeschool voor Geesteswetenschap beoogt is de individuele scholingsweg van de betrokkenen te ondersteunen, zodat zij hun beroep vanuit een diepere laag kunnen uitoefenen. Niet alleen het inzicht dat er meer is in de geneeskunde dan alleen kennis van het antroposofisch mens- en wereldbeeld is belangrijk, het gaat er juist ook om dat de therapeut zichzelf zo schoolt hij of zij zichzelf als instrument tot genezing kan inzetten.

Het onderzoek naar wat zich op een hoger niveau afspeelt bij ziektebeelden, is van groot belang; evengoed als de vraag waar ziekte haar oorsprong kan hebben en wat dat kan betekenen voor de verdere ontwikkeling van de betreffende mens. Met behulp van geesteswetenschappelijk onderzoek kunnen we hierop mogelijk antwoorden vinden. Om dit te bereiken zijn aanvullende opleidingen, conferenties en cursussen alsmede het stimuleren van onderzoek en opleiding belangrijke middelen.

De grote zorgen die er leven op het gebied van de gezondheidszorg spelen een rol voor de sectie gezondheidszorg. Het vraagstuk van de antroposofische geneesmiddelen en het wettelijk verbod hierop in Nederland, het steeds meer dreigende tekort aan antroposofisch artsen, de identiteitsvragen in intramurale voorzieningen en zelfs het failliet van grote antroposofische zorginstellingen, zijn thema’s die in de sectie aan de orde komen. Toch kunnen we daar in uiterlijke zin weinig invloed op uitoefenen. Deze vraagstukken zijn met name aandachtspunten voor de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) en van het Platform Antroposofische Gezondheidszorg (PAG), waarvan ook de sectie gezondheidszorg deel uitmaakt als belangrijke gesprekspartner – met name bij identiteitsvragen.

Zo nu en dan treden we ook graag naar buiten, zeker als we iets ontwikkeld hebben waarbij de hele medische wereld belang kan hebben. Daarom was de conferentie op zaterdag 9 februari 2013 bedoeld voor alle, dus ook niet-antroposofische, professionals in de gezondheidszorg. Het thema van deze conferentie luidde “Licht op het levenseinde”.

Koop Daniëls, sectiecoördinator

Uit Motief nr. 168 van december 2012/januari 2013, p.43


Landbouw

Maar liefst 76 procent van de Europese burgers is bezorgd over de wereldvoedselsituatie. En terecht. Het mislukken van de maïsoogst in Amerika zorgt direct voor een verhoging van de prijzen van veel voedingsmiddelen. Dat geeft aan hoe krap de wereldvoedselsituatie is. Daar komt bij dat de wereldbevolking tussen nu en 2050 lijkt te gaan groeien van 7 naar 9 miljard mensen en dat er op dit moment door slecht beheer elke minuut enkele hectares landbouwgrond degraderen tot onbruikbaar land voor voedselproductie (FAO 2011). Justus von Liebig formuleerde in 1861 al heel kernachtig een van de oorzaken hiervan: “Als de bodem gebrek heeft aan minerale bestanddelen dan hebben ammoniumzouten (kunstmest) hetzelfde effect als brandewijn op arme mensen om hun werkkracht te verhogen...’

Zowel Liebig in 1861 als Steiner in 1924 geven een kraakhelder antwoord op dit brandewijnprobleem: de kringlooplandbouw. Het basisuitgangspunt, het verst uitgewerkt in de biologisch-dynamische landbouw, is ongelooflijk mooi; je kunt zo voedsel telen op een akker dat die akker er zelf ook beter van wordt. Zo ingewikkeld is dat niet. Een teeltplan dat bij de grond en de omgeving past, een evenwichtige bemesting met verteerde compost of mest, en machines die de grond niet vernielen zijn de basisuitgangspunten. Jan Bokhorst geeft in zijn mooie boek Bodem onder het landschap, voorbeelden van bd-boeren die in 25 jaar tot een significante grondverbetering kwamen. En ook op de Vijfsprong in Vorden heb ik gezien hoe grond in een relatief korte periode van 25 jaar kan opbloeien. Vanuit dit gezichtspunt vraag je je af hoe het mogelijk is dat slechts een klein percentage van de Europese burgers die zich zorgen maken, voedsel koopt uit een vorm van kringlooplandbouw.

Wat wil de landbouwsectie nu de komende jaren gaan doen? In essentie gaat het ons om het vergroten van het begrip voor wat landbouw eigenlijk is en om het wekken van bewustzijn voor het feit dat iedereen met iedere voedselaankoop een vorm van landbouw ondersteunt.

De landbouwsectie is verbonden met de landbouwsectie in Dornach, en is van daaruit onderdeel van een groot internationaal samenwerkingsverband met als taak: 1. het realiseren van aanknopingspunten en ontmoetingen voor mensen die een antroposofische geesteswetenschappelijke verdieping in relatie tot landbouw en voeding zoeken. 2. het begrijpelijk maken van de verschillende achtergronden en verbanden die met de biologisch-dynamische landbouw samenhangen.

Twee keer per jaar komen ongeveer 80 mensen vanuit de hele wereld bij elkaar om te werken aan de werkstrategie en om de jaarlijkse grote landbouwconferentie in Dornach te organiseren. Aan deze conferentie, die overigens ook voor consumenten interessant is, nemen meestal zo’n 600 mensen vanuit de hele wereld deel. In Nederland wil de landbouwsectie de komende jaren in nauwe samenwerking met de BD-Vereniging invulling geven aan dit werk. Daarbij staan het werken aan bedrijfsindividualiteit en de persoonlijke verbondenheid van de boer met de elementen die zijn bedrijf vormgeven, hoog in het vaandel. Maar het is ook de hoogste tijd voor samenwerking met de andere secties. Het wereldvoedselvraagstuk laat zien dat de landbouwproblematiek niet op zichzelf staat.

In 2012 bestaat de BD-Vereniging in Nederland 75 jaar. Dat is aanleiding voor het organiseren van bijzondere activiteiten. Zo zijn er op drie bd-bedrijven feestmaaltijden. Op 8 november 2012 organiseerde Stichting Demeter en de BD-Vereniging in samenwerking met de AViN een jubileumcongres in de Rode Hoed in Amsterdam met sprekers als Volkert Engelsman, Eric Goewie, Machteld Huber en Kees Zoeteman. Tijdens dat congres werd het boek De aarde zal weer vruchtbaar zijn – verhalen van landbouwpioniers van Ellen Winkel gepresenteerd. Iedereen die iets wilde meebeleven van de bd-wereld was van harte welkom, zie ook www.bdvereniging.nl. Wie graag meer betrokken wil zijn bij de landbouwsectie kan contact opnemen met het secretariaat.

Derk Klein Bramel, sectiecoördinator

Uit Motief nr. 165 van september 2012, p.30


Pedagogie

Hoe voeden we jonge mensen zo op dat zij vanuit hun eigen impulsen een bijdrage kunnen leveren aan deze tijd? Dat is de centrale vraag waarmee een vrijeschoolleraar voor zijn of haar klas staat, waarmee een team van leerkrachten zich in de pedagogische vergadering verbindt. Een eerste concretisering van deze opgave vinden we in Steiners woorden: “De taak van de opvoeder en de leraar is om het geestelijke en het lichamelijk organisme met elkaar in overeenstemming te brengen.”[1] Verzorgen we een gezonde verbinding tussen beide, dan hebben we iets gedaan waardoor de individualiteit van het kind zijn bijdrage aan de samenleving kan leveren.

In 1919 geeft Rudolf Steiner, in de weken voorafgaand aan de oprichting van de eerste vrijeschool in Stuttgart, een intensieve cursus voor leraren die de school zouden gaan dragen. Deze cursus bestond uit drie delen. Ten eerste een serie voordrachten die de antroposofische inzichten over de mens vertaalt naar de pedagogie: de Algemene Menskunde. Vervolgens voordrachten over methodiek en didactiek: hoe maak je het waar in de klas. In de middag werden werkbesprekingen gehouden over allerlei pedagogische vraagstukken.

Op de eerste dag van deze cyclus omschreef Steiner deze taak van de opvoeder en in de jaren daarna werd deze opdracht in vele voordrachten naar lichaam ziel en geest uitgewerkt. Deze pedagogische voordrachten openen een poort naar een nieuwe pedagogiek, naar een vernieuwing van de pedagogiek. Inhouden die we naar mijn mening nog maar net beginnen “uit te pakken”.

Een visie op hoe we bij het individuele kind de verbinding tussen zijn individu en lichamelijkheid tot stand kunnen brengen, is wellicht meer dan ooit actueel. Kinderen van deze tijd, de snel veranderende maatschappij en onze wet- en regelgeving maken dat het onderwijs zich voor nieuwe vragen geplaatst ziet – vragen die wellicht om een nieuwe inrichting van de onderwijspraktijk vragen. Het studerend en oefenend omgaan met de menskunde door onderwijsgevenden kan de bron zijn van gezond onderwijs met een open oog voor wat elk individueel kind meebrengt of van ons vraagt. Een onderzoekende activiteit van de leraar beschouwde Steiner als noodzakelijk, om het leraarschap vitaal te houden én om de vrijeschool verder te ontwikkelen. Onderzoek verbindt menskundige inzichten met onze eigen onderwijservaring. Daardoor wordt de individuele leraar en elk team (weer) een actuele bron voor het ontwerpen van onderwijs dat past bij de kinderen en de tijd waarin we leven.

De Pedagogische Sectie in Nederland

De Pedagogische Sectie wil het materiaal dat Steiner ons gegeven heeft, vanuit onderzoek vruchtbaar maken voor de pedagogie van deze tijd. Het werkveld van de Pedagogische Sectie is dan ook het bestuderen en onderzoeken van pedagogisch didactische aspecten vanuit het antroposofische mens en wereldbeeld. Ze maakt deel uit van de Hogeschool voor Geesteswetenschap van de Antroposofische Vereniging in Dornach.

We baseren onze activiteiten op de werken van Rudolf Steiner, op literatuur die door deze bron is geïnspireerd, op literatuur rondom pedagogie en didactiek in het algemeen, op eigentijdse fenomenen en niet te vergeten op de ervaringen met het daaraan verbonden onderzoek van leraren. De sectie stelt de resultaten van deze studie en onderzoekactiviteiten beschikbaar aan instituten en personen die pedagogisch handelen.

In Nederland is de pedagogische sectie onderverdeeld in drie werkgroepen met elk een eigen onderzoeksveld:
– De werkgroep van de Pedagogische Sectie, geleid door Frans Lutters en Hetty Huesse;
– De werkgroep artsen, priesters en leraren, geleid door Mena Kiene;
– De werkgroep Conferentie van de Pedagogische Sectie, geleid door Paul van Meurs.

Jaarlijks organiseert de sectie twee bijeenkomsten voor onderwijsgevenden: de opening van het hogeschooljaar en de landelijke pedagogische vergadering, waarin we werken aan het jaarthema. Daarnaast biedt de sectie jaarlijks de mogelijkheid aan leraren om zich tijdens een menskundeweekeinde gezamenlijk te verdiepen in de Algemene Menskunde die als basis voor de pedagogie gegeven is.

Paul van Meurs, sectiecoördinator

[1] Algemene Menskunde als basis voor de pedagogie, GA293, Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, Bilthoven 1991

Uit Motief nr. 170 van maart 2013, p.47


Natuurwetenschap

We leven in een wereld die wordt gedomineerd door wetenschap en technologie. Met technische toepassingen hebben wij allen dagelijks te maken, de wetenschappelijke ontwikkelingen zijn minder zichtbaar. Maar het is juist de aard van het natuurwetenschappelijke denken dat onze cultuur verregaand beïnvloedt. Neurowetenschappers spiegelen ons voor dat het menselijk bewustzijn samenvalt met de chemische en elektrische processen in de hersenen.

Dat een mens vrij kan zijn of worden, wordt door hen ontkend, hoewel sommige filosofen deze conclusie betwisten. In de hedendaagse biologie viert het functionalistische denken hoogtij. Men probeert het zich ontwikkelende leven te begrijpen vanuit het nut van een aanpassing en spreekt dan van een evolutionair voordeel. Beheers je functies dan kun je de ontwikkeling ervan een gewenste richting geven. En zo ontstaat het beeld van de maakbare plant/dier/samenleving c.q. mens. De eenzijdigheid van dit mechanistische wereldbeeld werkt vooral door in het sociale leven. Survival of the fittest is een excuus voor meer zaken dan alleen megasalarissen.

Maar er wordt ook een kentering zichtbaar in de cultuur. In de ecologie, maar vooral in de fenomenologie, poogt men het leven te benaderen vanuit het procesmatige. Je kunt dan bijvoorbeeld in de groei van het elfenbankje een verticale richting onderscheiden, zoals wij in de natuurwetenschappelijke sectie onlangs met Wolter Bos onderzochten. Verticaal groeit het elfenbankje in het spanningsveld tussen licht en zwaarte. Onderaan ontstaan de poriën, die zich naar de zwaarte richten en waar vanuit de sporen worden losgelaten. Deze onderkant is volkomen regelmatig van structuur. Boven ontstaat de hoed, die het elfenbankje het meeste zijn eigenheid verleent door kleur en vorm en waarbij de invloed van het licht een hoofdrol speelt. Deze polariteit van onder en boven hangt samen met regelmaat tegenover eigenwilligheid, ofwel met de algemeenheid tegenover specificatie en emancipatie. Ga je zo procesmatig ook naar menselijke verhoudingen kijken dan geeft dit een heel andere impuls voor het sociale leven. Relatief nieuw in onze cultuur is het ontwakend besef voor het geestelijke in de natuur. Steeds meer mensen verlangen dit geestelijke concreet te ervaren.

Natuurmeditatiewerkplaats

In de natuurwetenschappelijke sectie scholen de deelnemers zich in een natuurbenadering die tot doel heeft de fenomenologie uit te breiden tot een geesteswetenschappelijke benadering. We beoefenen een weg die het mogelijk maakt niet alleen het geestelijke in de natuur te ervaren, maar dit ook te kunnen verwoorden en de toegang voor anderen te helpen ontsluiten. Het zijn niet alleen natuurwetenschappers, maar ook geïnteresseerde leden die de weg naar de sectie weten te vinden. Vier keer per jaar werken we een vrijdagavond en een zaterdag aan een thema dat door een onderzoeker wordt ingeleid.

Het afgelopen jaar waren we voor het eerst in staat met onze werkwijze naar buiten te treden. In een natuurmeditatiewerkplaats konden leden zich op fenomenologische en meditatieve wijze bekwamen in het benaderen van het geestelijke dat in elk natuurverschijnsel op een unieke manier leeft en weeft. Verder wordt er gewerkt aan publicaties als een boek over kleurmeditatie en een masterscriptie over het waarnemen van het denken.

De sectie werkt nauw samen met de internationale sectie in Dornach. Elk jaar vindt er een Hogeschoolconferentie plaats op wisselende locaties – in Dornach of in een van de deelnemende landen. Afgelopen jaar was dat in De Vijfsprong nabij Zutphen, in samenwerking met de sectie voor landbouw. Bij zo’n Hogeschoolconferentie staat, naast een wetenschappelijk thema, het werken aan een klassenuur centraal. Ook vinden er internationaal conferenties plaats waar leden van onze sectie aan deelnemen, zoals een conferentie over het 100-jarig bestaan van het Bohrse atoommodel, van 4 tot 7 oktober 2012 in Witten, Duitsland. In onze sectie zelf zal Paul Doesburg in januari over zijn werk in zijn nieuwe kristallisatielaboratorium berichten en zal Gea Jonker in april met ons werken aan een geologisch thema. Helaas heeft Jochen Bockemühl om gezondheidsredenen zijn presentatie op 2 en 3 november 2012 moeten afzeggen. Daarvoor in de plaats wil ik u attent maken op de ontmoetingsdag over Goethe en de impuls van Michaël op 24 november 2012. Wie wil deelnemen aan de natuurwetenschappelijke sectie of aan de natuurmeditatiewerkplaats kan contact opnemen via het secretariaat.

Kees Veenman, sectiecoördinator

Uit Motief nr. 167 van november 2012, p.30


Sociale wetenschappen

De Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschappen heeft zich in Nederland op een bijzondere wijze ontwikkeld. In de afgelopen twintig jaar heeft zich vanuit het bestuur een groep mensen gevormd die de verantwoordelijkheid draagt voor de concrete invulling van de werkzaamheden van de Vrije Hogeschool in Nederland. Naast het bestuur van de vereniging is er nu een groep van tien coördinatoren die ieder voor zich verantwoordelijk is voor een van de tien thema’s van de Vrije Hogeschool. De coördinator van de Algemene Sectie heeft ook zitting in het bestuur, maar voor de overige negen coördinatoren geldt dat niet.

De daad van het vorige bestuur om een proces in gang te zetten dat heeft geleid tot een vrijwel volledige bestuursvernieuwing, heeft binnen de coördinatorengroep tot een zekere emancipatie geleid. Hoe verhoudt de groep van coördinatoren zich tot het bestuur, wat is precies haar taak en op welke wijze dient zij invulling te geven aan haar verantwoordelijkheid? Indringende vragen, die de afgelopen maanden centraal hebben gestaan in het coördinatorenoverleg, dat zich sinds enige tijd als zelfstandige bijeenkomst heeft gevormd. Er heeft zich in zekere zin een ruimte gevormd, waarin bestuur en coördinatoren de verzorging van de Vrije Hogeschool hernieuwd ter hand hebben genomen.

De Sectie voor Sociale Wetenschappen, of kortweg de Sociale Sectie, wil een concrete bijdrage leveren aan die verzorging door daarvoor ruimte en tijd beschikbaar te maken. Zo zijn we een jaar geleden gestart met een bijeenkomst op de eerste maandagavond van de maand, waarmee er een platform is voor leden van de Sociale Sectie die een verhaal willen delen in het kader van de Vrije Hogeschool. Die bijeenkomsten vinden plaats in Zeist, starten precies om half zeven en eindigen exact om kwart over acht. Op zo’n Deelavond van de Sociale Sectie krijgt één persoon de gelegenheid om naar eigen inzicht zijn verhaal te doen en dat levert bijzondere bijeenkomsten op. Leden die anders op de achtergrond blijven of die bij andere gelegenheden snel in discussies verzeild raken, kunnen zich op zo’n avond in alle rust tonen waardoor zij veel beter zichtbaar worden. De rust en ruimte waarin zo’n verhaal kan worden verteld maakt niet alleen de verteller zichtbaar, maar geeft vooral ook voeding aan de aanwezigen die uit interesse naar zo’n avond komen.

De ervaringen van het afgelopen jaar geven aanleiding om deze Deelavonden nu te verbreden en ze open te stellen voor leden van de Antroposofische Vereniging als geheel. Dat kan ook makkelijk, omdat de Sociale Sectie een website heeft ontwikkeld waarop het programma van de volgende bijeenkomst is te zien. Ook zijn daar verslagen te vinden. Voor wie dat wil wordt de uitnodiging voor zo’n avond ook nog eens apart per mail toegestuurd. Sprekers die een avond willen vullen, kunnen zich via de website bij de coördinator melden. De Sociale Sectie wil in praktische zin ruimte scheppen voor de uitwisseling tussen leden van de vereniging. Deze Deelavonden zijn daar een resultaat van. Ook is er een aantal keren per jaar op zaterdag bijeenkomsten die gericht zijn op leden van de Sociale Sectie. Het is het streven om daarnaast verbinding te leggen met mensen en organisaties buiten de vereniging en tegelijkertijd de geestelijke grondslagen van de Sociale Sectie te verzorgen. Dit zijn twee ontwikkelrichtingen waaraan we in de komende periode zullen werken. Wie er een concrete bijdrage aan wil leveren, kan zich daartoe bij de coördinator melden.

Uit Motief nr. 169 van februari 2013, p.29


Woord, muziek en euritmie

De kunsten die in deze sectie zijn verenigd, hebben als bijzonderheid dat het alle drie tijdskunsten zijn. Woorden, klanken en gebaren verschijnen tijdelijk in de ruimte, maar leveren geen permanent object op, zoals bij een beeld of schilderij. We kunnen deze kunsten ook de muzische kunsten noemen.

Deze sectie stelt zich als opgave om enerzijds enthousiasme te wekken voor de haar toevertrouwde kunsten, maar ook om tot meer inzicht te komen in het wezen van deze kunsten en onderzoek te stimuleren naar de geesteswetenschappelijke achtergronden ervan. Ook het bevorderen van de kunstzinnige mogelijkheden van deze drie kunsten rekent zij tot haar taak.

De muziek spreekt het zielenleven aan en getuigt bovendien van een hoge mate aan ordening, een ordening die harmoniserend kan inwerken op de ziel. Orpheus kon met zijn lier en zijn stem zelfs de wezens van de onderwereld tot rust brengen! Het woord en met name de spreekkunst getuigt van de vormende en bezielende kracht van de scheppende geest, vormend in de werking van de medeklinkers, bezielend in de werking van de klinkers. Ieder woord is eigenlijk een kunstwerk van klanken die berust op wereldkrachten.

De euritmie verbindt zowel het woord als ook de muziek in de beweging en wordt tot zichtbaar spreken en zichtbaar zingen, zodat het innerlijk gehalte van woord en klank tot leven wordt gebracht. Deze etherische wetmatigheden verschijnen hier door het gebaar in de ruimte. Woord, muziek en euritmie hebben hun plaats in verschillende werkgebieden: zowel in het pedagogische en sociale veld, als in het therapeutische. Toch is het steeds de kunst die als uitgangspunt genomen wordt, binnen het eigen werkgebied.

Activiteiten van de sectie

Tot een van de vaste activiteiten van de sectie behoort het organiseren van een studieweekend in september. In 2013 was het thema “hoe woord en klank als tijdsfenomenen zich openbaren in de ruimte.” Zum Raum wird hier der Zeit, om met de beroemde woorden van Gurnemanz in de Parsifal te spreken. Werner Barfod verleende aan dit weekend zijn medewerking.

Een andere terugkerende activiteit is het jaarlijks organiseren van een dag in het teken van de klassenuren, bedoeld voor klassenleden. In 2013 werd met medewerking van Roel Munniks gewerkt aan het laatste, 19e klassenuur. Daarmee komt deze activiteit voorlopig tot een afronding. We beraden ons over een mogelijk vervolg.

De sectie zoekt voortdurend de verbinding tussen de antroposofie en de toekomst van deze kunsten door te werken aan de menskunde, de verschillende werkgebieden en de klassenuren. Daarnaast nemen de individuele leden van de sectieraad WME persoonlijke initiatieven die in relatie staan tot het sectiewerk, zoals het mede inrichten van een opleiding voor Spraak- en Dramatherapie, die aan de Hogeschool Leiden wordt aangeboden om (bij voldoende aanmelding) in september 2013 van start te gaan.

Met de Academie voor Euritmie, de Bond voor Euritmisten, de Vereniging van vrijescholen en de Vrijeschool PABO is er overleg over de toekomst van de euritmie op de vrijeschool. Bij landelijke verenigingsbijeenkomsten worden sectieleden gevraagd om daaraan euritmisch mede vorm te geven. Een tweejarig project waarbij alle weekspreuken zijn opgevoerd, verdeeld over vier feestelijke dagen, is in februari 2013 afgesloten met een inleiding van Christof Wiechert over de grammatica in de weekspreuken. Aan dit project hebben vele euritmisten, spraakvormers en musici uit het hele land deelgenomen en dat bleek inspirerend voor uitvoerders en toeschouwers.

Met betrekking tot de muziek is al enige jaren een onderzoeksgroep actief. Deze groep staat onder leiding van Jelle van der Schuit. Momenteel wordt onderzoek gedaan naar de twaalfheid van de majeur toonsoorten in samenhang met de dierenriem en in samenhang met de twaalf (dertien als we het octaaf meerekenen) verschillende intervallen.

De leden van de sectiegroep:
voor het woord: Marianne van Asperen, Marjo van der Himst;
voor de muziek: Jelle van der Schuit, Elisabeth Min;
voor de euritmie: Irene Pouwelse, Elisabeth Appenrodt, Cori de Leeuw, Anneke Kraakman.

De volgende links verwijzen naar opleidingsmogelijkheden in deze kunsten: euritmie-denhaag.nl; academievoorspreekkunst.nl; hsleiden.nl

Irene Pouwelse, sectiecoördinator

Uit Motief nr. 172 van mei 2013, p. 31’
Tot slot van vandaag de recensie die Peter Staudenmaier schreef van het boek van Ansgar Martins over Hans Büchenbacher, zoals sinds gisteren te lezen op de weblog van de auteur van het boek onder de titel ‘Hans Büchenbacher: Erinnerungen – Reviewed by Peter Staudenmaier’:
‘Following on his 2012 study of Rudolf Steiner’s racial teachings, Ansgar Martins has published another principal piece of research on typically neglected aspects of anthroposophy’s history. This volume, like the previous one, is published by the Frankfurt-based anthroposophist publisher Info3, another small step in the increasing movement toward greater historical openness – albeit haphazard, hesitant and vacillating – on the part of some German anthroposophists. That Info3 continues to provide Martins’ stringent analyses to an anthroposophical readership is an encouraging sign. The new book offers challenging reflections on anthroposophy’s divided and obscured past in the Nazi era.
Read as PDF

The central occasion for the new volume is the publication of a manuscript that has circulated for some time among Steiner’s followers: a reminiscence of the Nazi period by anthroposophist Hans Büchenbacher. This relatively brief text, though problematic in several ways, is a fascinating historical source and has been excerpted and cited in various contexts over the years. The new book represents the first full publication of Büchenbacher’s manuscript. But the book offers much more than that: in addition to Büchenbacher’s first-hand memoir, which takes up 70 pages (including extensive annotations by Martins), the remaining 350 pages consist of thorough appendices prepared by Martins from a wide range of other sources.

Büchenbacher’s memoirs present an important and unusual eye witness narrative of anthroposophist life in Nazi Germany. Hans Büchenbacher (1887-1977), a personal student of Steiner, was a prominent leader in the early anthroposophical movement. He was an organizer for “social threefolding” in the 1920s, later became editor of the official journal Anthroposophie, and from 1931 to 1934 served as chairman of the Anthroposophical Society in Germany. When the Nazis came to power in January 1933, everything changed for him.

Though raised Catholic, Büchenbacher was considered “half-Jewish” according to Nazi criteria because of his father’s Jewish ancestry. He did not count as Jewish according to Jewish tradition, much less according to his upbringing or background or belief or cultural identification or religious practice or his own self-conception, but merely according to the Nuremberg laws. He was fully committed to an emphatically Christian version of anthroposophy throughout his adult life (Martins refers to Büchenbacher’s “deep Christian faith”). But the experience of being perceived as Jewish – long before Hitler came to power – left him attentive to antisemitism in its various guises. This gave him a distinctive critical perspective on both the rise of Nazism and the responses of his fellow anthroposophists.

Büchenbacher wrote the memoirs in the final years of his life. The text is thus a retrospective narrative, not a document composed during the Nazi era itself. And as with any autobiographical account, it is important to keep in mind the conspicuous limitations and the enormous inventiveness of human memory. But many of Büchenbacher’s specific claims are borne out by other evidence, as Martins demonstrates. Often Büchenbacher’s remarks are still quite bitter, decades later, and personal resentments undoubtedly color some of his ex post facto descriptions. He also adopts a conspiracist framework throughout the text. Despite all of these factors, the work yields a very revealing record of a turbulent time.

It is not a flattering portrait. According to Büchenbacher, “approximately two thirds of German anthroposophists more or less succumbed to National Socialism.” (40) He reports that a wide range of influential anthroposophists, whom he identifies by name, “staunchly supported Hitler.” Both Guenther Wachsmuth, Secretary of the Swiss-based General Anthroposophical Society, and Marie Steiner, the widow of Rudolf Steiner, are described as “completely pro-Nazi” (24). Büchenbacher concludes with a lament for the far-reaching “Nazi sins” of his Dornach colleagues.

Some of the details are striking. Büchenbacher describes stopping by the editorial office of the journal Anthroposophie in February 1933 and finding “a large portrait of Hitler” decorated in anthroposophical manner with crystals. When Büchenbacher asked the journal’s managing editor, C.S. Picht, about this homage to Hitler in the headquarters of the official publication of the Anthroposophical Society in Germany, he realized that “Picht was deeply infected by Nazi views.” (19) Anthroposophist Erhard Bartsch, leader of the biodynamic movement, told Büchenbacher that “those who have truly Michaelic spirit will side with Adolf Hitler.” (23) According to Büchenbacher, a number of other prominent anthroposophists also supported Nazism, including Alfred Meebold, Friedrich Kempter, Edwin Froböse, and Herbert Hahn, figures who are often celebrated among Steiner’s followers today.

Büchenbacher provides extended descriptions of several central participants in the anthroposophist movement. The memoirs feature a thorough account of anthroposophist physician Hanns Rascher, a fervent backer of Hitler who joined the Nazi party as early as 1931. Rascher was a follower of Steiner from 1908 onward and a major figure in anthroposophical medicine. For the first several years of the Third Reich, he played a key role as liaison between the Anthroposophical Society and the Nazi leadership. Perhaps the most disturbing passages for anthroposophist readers, however, are Büchenbacher’s detailed recounting of his interactions with Marie Steiner und Guenther Wachsmuth: even dedicated life-long anthroposophists like Büchenbacher faced a potent undercurrent of antisemitism from the Dornach leadership.

Under pressure from his gentile colleagues, Büchenbacher resigned as chairman of the Anthroposophical Society in Germany in 1934. He emigrated to Switzerland in 1936. In one of the more telling episodes related here, Büchenbacher recalls a private discussion with Rudolf Steiner in 1920 about antisemitism within anthroposophist ranks. Despite Büchenbacher’s testimony that he had personally experienced antisemitism among Steiner’s followers, Steiner categorically denied that there was any antisemitism in the Anthroposophical Society (53).

As an accompaniment to this unique text, Ansgar Martins has compiled a trove of historical information, much of which goes well beyond the parameters of the memoir itself. These appendices alone could easily serve as a self-standing study of anthroposophy in the Nazi era. Some of the most valuable material in the book has less to do with Büchenbacher’s acute reflections than with Martins’ insights into the dilemmas of coming to terms with a devastated and devastating past. In several respects, Martins’ research paints an even more dire portrait of anthroposophists in the 1930s eager to align themselves with Nazism’s “new order”. The degree of political naïveté and confusion revealed in the sources he has assembled is at times astonishing.

Martins is sharply critical both of overblown anti-anthroposophist jeremiads (he mentions Irene Wagner’s 2012 book Rudolf Steiners langer Schatten as an example) as well as the standard historical complacency among anthroposophists themselves. He has especially pointed criticisms of the widespread conspiracist strand within contemporary anthroposophy. He warns both anthroposophists and their detractors against “sacrificing knowledge to ideology” and thus falling into “historical ignorance” (99). Above all he stresses the complexity and intractability of the past, and makes very clear that there was no such thing as a reaction of “the anthroposophists” to “the Nazis” or vice versa. His appendices are based on extensive research and incorporate an impressive array of documents from the Dornach archives.

The result is a considerably more sophisticated analysis than many anthroposophist readers are accustomed to. Martins generates unexpected insights by reading anthroposophical texts in the light of Critical Theory, juxtaposing Steiner and Adorno, as well as Hannah Arendt, Gershom Scholem, and others. His excurses include a detailed examination of the relations between anthroposophical thought and German Idealism; an overview of “social threefolding” as a classic example of “the political polyvalence of anthroposophy” (198); and a thorough appraisal of dissident anthroposophist Ita Wegman’s prescient critiques of National Socialism.

It is an expansive discussion, often using some small strand of Büchenbacher’s memoir as the basis for sustained reflection on broader matters. His section on the complex attitudes of figures like Theodor Adorno and Ernst Bloch toward esotericism, for example, brief as it is, offers a more thoughtful treatment than is usually seen even from established experts on esotericism. Martins does anthroposophical readers a significant service by introducing them to Siegfried Kracauer’s incisive critical assessments of anthroposophy from the early 1920s. He also has some suggestive passages on the “transformation of racist ideas into Romantic cosmopolitanism” (227) as an alternative to the historical convergence of anthroposophical and völkisch currents. The appendices provide substantial material on internal anthroposophist conflicts and their possible – though still unclarified – political dimensions.

Among many other incidents, Martins supplies illuminating context on Steiner’s disrupted lecture in Munich in May 1922, a source of continual anthroposophist myths nine decades later. The book as a whole stands as a rebuke to the anthroposophical predilection for conspiracy beliefs and occult explanations of historical events. Martins underscores the shortcomings of any attempt to discern the roots of Nazism “not in history and society but in the spiritual” (158). He gives extended attention to the overlap between the anthroposophist and völkisch milieus and the extravagant racial theories promoted by the first generation of Steiner’s followers.

The book builds productively on the research of other scholars, drawing on Bernadett Bigalke’s important work on the Leipzig theosophical milieu, on James Webb’s groundbreaking research on the politics of the modern occult revival, and on the thoroughgoing appraisals of the Waldorf movement in Nazi Germany by Ida Oberman and Karen Priestman, which deserve a wider readership. In the wake of the pioneering studies by historian Helmut Zander, Martins’ book is a nearly comprehensive account of the current state of research for a German readership.

A large proportion of the appendices address the thorny problem of anthroposophical antisemitism, something which unfortunately is not of merely historical relevance. (Steiner himself depicted Jews as paragons of “national egoism”; see e.g. Rudolf Steiner, The Challenge of the Times, Anthroposophic Press 1941, 26-33). Tellingly, this central segment of the book is directly preceded by Martins’ perceptive reflection on the metaphysics of Deutschtum or Germanness and its anthroposophist interpreters (365-66), assessing the peculiar mixture of cosmopolitanism and Germanocentrism which Steiner adopted from German Idealism and recast in occult terminology. The subsequent sections yield crucial insights on the esoteric form of assimilationist antisemitism predominant among several generations of anthroposophists.

Some of the best analyses in the book examine the troubled relationship between anthroposophy and Judaism. Martins approaches these questions with unusual historical depth and sensitivity. In a wide-ranging and remarkably nuanced treatment, he presents fascinating if disconcerting details on individuals from Jewish backgrounds drawn to anthroposophy who viewed Steiner’s esoteric Christianity as a way to “overcome” their own Jewish roots. These are balanced with fine overviews of Hugo Bergman, Ernst Müller, and even Adolf Arenson as proponents of a synthesis of anthroposophy and Jewish spiritual currents. Martins also reconstructs a series of cases of anthroposophists of Jewish descent who fell victim to the Holocaust. This is important and path-breaking research. His final pages on anthroposophist composer Viktor Ullmann, deported because of his Jewish origins and killed at Auschwitz in late 1944, are especially poignant.

By including the experiences of Nazism’s victims, the book adeptly expands historical perspective and challenges both apologetic accounts and historically simplistic forms of criticism. Anthroposophy’s antagonists and its defenders have together settled too frequently for such one-sided versions of history. But the preponderance of evidence presented in these pages points, for better or worse, in the same dispiriting direction that scholars have highlighted for some time.

Through patient accumulation of historical detail, Martins’ appendices build up to a panorama of pro-Nazi anthroposophist sentiments in the early years of the Third Reich that is just as woeful and just as worrisome as Büchenbacher’s first-hand reminiscences. There is much unflattering attention to Wachsmuth and Marie Steiner in particular, as well as to Swiss anthroposophist Roman Boos, who had been Rudolf Steiner’s personal secretary and a central proponent of “social threefolding” in the 1920s. Boos’ pro-Nazi efforts during the early years of the Third Reich were consistently supported by Steiner’s widow. Martins considers Boos, along with Hanns Rascher, primarily responsible for much of the anthroposophist agitation in favor of Nazism.

Indeed according to Martins, Boos and Rascher were the major architects of overall policy toward the Nazi regime within the Anthroposophical Society in 1933 and 1934, with the full cooperation of the anthroposophist leadership in Germany and in Dornach (326-28). But they were scarcely alone. In July 1933 the faculty of the Rudolf Steiner School in Berlin drafted a text meant to demonstrate the “harmony between National Socialism and Waldorf pedagogy” (283). Others, such as anthroposophist race theorist Richard Karutz, went a good deal further. In Martins’ words, Karutz’s racial theories from 1934 show that even when “anthroposophy’s individualism and spiritualism remained entirely present, they did not pose any hindrance to the affirmation of Nazi ideas” (321).

This is in several ways a brave book, confident in its historical foundations and unflinching in its arguments, continually aware of the ongoing resonance of the topics under investigation. For at least some of its readers, it will serve to unsettle longstanding anthroposophical shibboleths. Martins deserves gratitude not just from Steiner skeptics but from Steiner enthusiasts for pursuing such themes in the face of sometimes vitriolic anthroposophist opposition. Works like these can help to open up anthroposophy’s history at last, giving view to the remarkable political and ideological heterogeneity among Steiner’s early followers. The book succeeds admirably in its effort “to show the cultural and political breadth of anthroposophy.” (236) That the story it tells is not always one of inspiration but of admonition is historically unexceptional. In esoteric quarters, however, such insights are still relatively new and sure to arouse indignation.

There are a handful of minor corrections and amplifications worth considering. One less consequential point derives from a confusion between similar names. The Artamanen of the 1920s (referred to by Martins on 344 and 347) were not the same as the Armanen Orden founded by ariosophist Guido List in 1911. The Artamanen were a “blood and soil” group, primarily focused on agriculture, an offshoot of the bündische Jugend of the Weimar years. They had several links to early biodynamic proponents. According to anthroposophical sources, one of the most prominent anthroposophist Nazis, Friedrich Benesch – whom Martins does not mention – belonged to the Artamanen.

Martins’ brief reference to lesser-known anthroposophist August Wegfrass (325) might be clearer with a bit of additional context. Wegfrass applied to join the Nazi party in 1937 (the Nazi intelligence service, the SD, listed him as a party member already in 1934) and held a series of low-level party positions. His party membership was ultimately revoked in 1942 because of his anthroposophical involvement, despite very positive political evaluations from local and regional party representatives. Wegfrass is yet another example of anthroposophist eagerness to join the Nazi movement, persisting even in the face of stiff resistance from anti-esoteric Nazi functionaries.

Last, in an uncharacteristically foreshortened formulation, Martins reports that seven of the nine Waldorf schools in Germany were “verboten” by the end of 1938 (360). Claims like these are constantly repeated in the anthroposophical literature, but they are incompatible with the archival record. As Karen Priestman notes, “only the Stuttgart and Dresden schools were forced to close by Nazi officials.” (Priestman, “Illusion of Coexistence: The Waldorf Schools in the Third Reich, 1933–1941,” 156) Ida Oberman points out that half of the schools “closed voluntarily” (Oberman, The Waldorf Movement in Education from European Cradle to American Crucible, 1919-2008, 153). Several of them continued operating into 1939 and 1940, eventually closing on their own while awaiting official recognition from Nazi authorities. The notion that they were simply shut down by the Nazis is another enduring anthroposophist myth.

Martins demolishes many such myths, and repeatedly confirms the less than heroic accounts of other historians. For over half a century scholars have observed that spiritual movements like anthroposophy can sometimes serve as vehicles for authoritarian, nationalist, and reactionary politics. We now have detailed information about how these dynamics played out among Steiner’s followers in Nazi Germany. There are any number of further possible examples, anthroposophist figures like Heinz Kloss or Walter Abendroth who found a ready hearing during the Third Reich; Martins’ already lengthy list could easily be extended.

Anthroposophists on the whole have failed to confront this part of their past. Mere historical neglect is by no means the only problem. In the case of Franz Lippert, the anthroposophist SS officer who oversaw the biodynamic plantation at Dachau, the standard anthroposophist line today goes well beyond denial. A prominent official spokesman for the German Waldorf movement, Detlef Hardorp, portrays Lippert as a great humanitarian whose inspiring story brings tears to the eyes. These sorts of statements are an embarrassment to anthroposophy, but generally go unchallenged among Steiner’s inheritors. That will become more difficult with the publication of books like this one.

As Martins points out, the extent of anthroposophist cooperation with Nazism cannot be understood merely as a form of “superficial conformity” for the sake of survival (362). The historical record is much more complex than that comforting notion acknowledges. He also emphasizes at several junctures how much more research is still waiting to be done on the history of anthroposophy during the Nazi era. There is much more for Steiner’s followers to learn about the legacy they carry.

There is no reason for anthroposophists to despair in the face of this task. Honest engagement with the past can be a boon to alternative spiritual movements, and anthroposophy is no exception. If it helps devotees of Steiner grapple with the topic, they can think of it as something Steiner himself would have encouraged. At its emergence a century ago, anthroposophy represented the flowering of German aspirations for an occult enlightenment. Its latter-day adherents do not need to abandon these hopes for a better world and enhanced consciousness and a different mode of life. Their dreams of more lucid understanding, of changed human relationships, of a new approach to nature, of a world freed of spiritual narrowness are all eminently worth seeking and striving toward.

But realizing such a vision calls for other means, including clear-eyed social critique and political engagement. Those means are all too often hindered, rather than furthered, by esoteric ideals and practices. Far from forsaking their high ambitions, anthroposophists need only reflect candidly on what it is that has kept these aims from being fulfilled for so long. Facing up to their own history, straightforwardly and without excuses, will be an indispensable step on that path.’

donderdag 7 augustus 2014

Christen


De Vijfsprong/Urtica meldde op 5 augustus ‘Dokter Karel Freeve overleden’:
‘Niet geheel onverwachts is afgelopen zondagochtend, 3 augustus, om acht uur dokter Karel Freeve overleden. Hij was al twee jaar ernstig ziek. Dat belette hem overigens niet om tot april van dit jaar nog intensief bezig te zijn met onder meer het afmaken van zijn nieuwe boek over de beeldvormende bespreking. Ook was hij tot die tijd betrokken bij het wel en wee van de Vijfsprong.

Die betrokkenheid had hij reeds vanaf de start van de Vijfsprong, dertig jaar geleden. Mede dankzij zijn inzet kwam het initiatief voor het opzetten van een therapeutische leefwerkgemeenschap in Vorden van de grond. Hij stond borg voor goede zorg en voor een voortdurende verdere ontwikkeling van zorg en behandeling vanuit de antroposofische menskunde.

Wij zijn buitengewoon dankbaar dat Karel zich tijdens zijn leven zo intensief met onze leefwerkgemeenschap heeft verbonden en wij weten dat hij die verbondenheid ook zal blijven voelen.’
Op zaterdag 26 en donderdag 31 juli, in ‘Vat’ en ‘Mathematiek’, meldde ik hier het overlijden van Sergej Prokofieff. Op de website van Perun Boeken, die veel van Prokofieffs werken in het Nederlands vertaald heeft, wordt wel over Prokofieff geschreven, maar niet over zijn overlijden (het nogal eigenzinnige gebruik van geen hoofdletters bij bijvoegelijke naamwoorden van landennamen heb ik laten staan):
‘Sergej O. Prokofieff (1954) is in de vijftiger jaren in Moskou geboren als kleinzoon van de grote russische componist, die dezelfde naam draagt als hij. Hij kreeg een opvoeding die zeer rijk was aan cultuur, met een brede kijk op de wereld. Dit was in het toenmalige Rusland uitzonderlijk. Als bij toeval leert hij op veertienjarige leeftijd tijdens één van zijn vakanties aan de Krim via boeken de antroposofie kennen. Voor zijn negentiende jaar heeft hij zo alle basiswerken van de antroposofie bestudeerd. Vooral het christelijke element in de antroposofie heeft daarbij zijn aandacht. Na zijn studie kunstgeschiedenis aan de kunstacademie in Moskou is Sergej Prokofieff rond het midden van de tachtiger jaren naar Duitsland verhuisd. Later verhuisde hij vanwege zijn toetreden tot het Bestuur (“Vorstand”) van de Algemene Antroposofische Vereniging naar Dornach bij Basel in Zwitserland. Daar heeft hij zich toegelegd op het schrijven van boeken en het houden van voordrachten. Begin 2013 kondigde Sergej Prokofieff in een open brief aan al zijn werkzaamheden, op het schrijven van boeken na, om gezondheidsredenen neer te moeten leggen.

Prokofieffs eerste boek Rudolf Steiner en de grondvesting van de Nieuwe Mysterien verscheen in 1982. Sindsdien heeft Sergej Prokofieff zo’n twintig tot vijfentwintig grotere en kleinere werken geschreven, die in vele europese talen zijn vertaald, waaronder in het nederlands. Daarnaast heeft hij vele voordrachten gehouden in tal van europese en niet-europese landen. Belangrijke thema’s in het werk van Prokofieff zijn de voorbereiding van het zesde cultuurtijdperk, die nauw met de missie van het russische volk én van de Antroposofische Vereniging samenhangt; de Kerstconferentie van 1923/24, de grondsteenlegging en de vorming van de Nieuwe Mysteriën; de etherische Wederkomst van Christus.

Van 2001 tot 2013 maakte Sergej Prokofieff deel uit van het Bestuur (“Vorstand”) van de Allgemeine Anthroposophische Gesellschaft in Dornach (Zw.)

Verder lezen: Autobiografische schets >>
Genoemde brief over zijn gezondheidstoestand plaatste ik in het Duits op 10 februari 2013 in ‘Tirannie’ en in het Nederlands op 18 februari 2013 in ‘Vergrootglas’. Zijn ziekte signaleerde ik hier op 1 maart 2012 in Ziekte’, en kwam daarop terug op 23 mei 2013 in ‘Halveren’. Prokofieffs autobiografische schets heb ik nog nooit opgenomen, dit is een mooie gelegenheid daarvoor, de titel ervan luidt ‘Op weg naar de michaëlische Graal’:
‘De Rus Sergej Prokofieff publiceerde in 1982 het boek Rudolf Steiner en de grondvesting van de nieuwe mysteriën. De inhoud van het boek heeft het denken over de betekenis van Rudolf Steiner en de Antroposofische Vereniging in belangrijke mate beïnvloed. Het kan dan ook een “moderne klassieker” van de antroposofische literatuur worden genoemd. Naar aanleiding van het bezoek van Prokofieff in november 2000 publiceerde het blad Motief (Nr. 34, oktober 2000) een bewerking van de autobiografische schets Mijn weg tot het boek “Rudolf Steiner en de grondvesting van de nieuwe mysteriën”, waarin hij de ervaringen weergeeft die hem ertoe hebben gebracht het bovengenoemde boek te schrijven. Oorspronkelijk maakt deze schets deel uit van de jubileumuitgave Lesen im anthroposophischen Buch. Ein Almanach. 40 Jahre Verlag Freies Geistesleben, Stuttgart 1987. Dit artikel is als bijlage opgenomen in de nederlandse uitgave van het boek Rudolf Steiner en de grondvesting van de nieuwe mysteriën.

«Uit mijn vroegste kindertijd kan ik twee motieven of fundamentele ervaringen noemen. Ten eerste heb ik mij innerlijk, voor zover ik het mij tenminste kan herinneren, altijd christen gevoeld. Mijn familie heeft daarbij eigenlijk geen bijzondere invloed op mij uitgeoefend. Hoewel mijn familie zonder uitzondering werkzaam was op cultureel gebied en op bijna alle terreinen van zowel kunst als exacte wetenschappen vertegenwoordigd was, was haar samenstelling vanuit spiritueel standpunt uit gezien toch heel verschillend. Er waren idealistisch gezinden bij, zelfs gelovigen, maar ook overtuigde materialisten. Om de vrede en het harmonieuze naast elkaar leven van de verschillende geestelijke richtingen te bewaren, werden in de regel geen vragen van wereldbeschouwelijke aard besproken. Ten gevolge daarvan bleef ik in dit opzicht geheel op mijzelf aangewezen. Desondanks was er een voor mij buitengewoon belangrijke omstandigheid, die in het land waarin ik opgroeide eigenlijk echt zeldzaam is. Ik had namelijk van het begin af aan toegang tot het evangelie, tot het Nieuwe Testament. Dat boek hoorde, net als andere werken uit de wereldliteratuur, de muziek en de schilderkunst, bij het leven van mijn familie, niet in confessionele zin, maar als wezenlijk onderdeel van de cultuur.

Het tweede motief waarvan ik het verloop tot in mijn vroegste kindertijd kan volgen, was het gevoel dat ik niet voor de eerste keer op aarde leefde. Dit was verbonden met het steeds bij mij aanwezige gevoel dat ik mij voor mijn geboorte in een totaal andere, stralende en oneindig grootse wereld had bevonden. In de gedichten die ik als kind en als opgroeiende jongen schreef, probeerde ik deze beide grondstemmingen, die toen onuitgesproken in mijn innerlijk leefden, in onbeholpen, poëtische vorm weer te geven.

Hierbij hoort ook nog het volgende. In onze familie was men vrijwel zonder uitzondering aanhanger van de muziek van Richard Wagner. Tot de grote gebeurtenissen uit mijn jeugd hoort ook de dag waarop een van mijn oudere familieleden het libretto van Wagners Parsifal volledig voor mij “van blad” vertaalde. Zo kwam ik het thema tegen dat mij sindsdien door de jaren heen geestelijk heeft begeleid. Ik was er toentertijd zo sterk van onder de indruk dat ik zelfs geprobeerd heb een eigen Parsifal te schrijven, in de vorm van een uitvoerig opgezet drama in verzen, waarin de reïncarnatiegedachte al een belangrijke rol speelde. Zo verliep mijn eerste aanraking met het esoterische christendom. Nadat deze impuls was opgenomen, ontstond de vraag die mijn hele wezen vervulde: waar is deze geestelijke stroming, de voortzetting ervan, in onze tijd te vinden?

Later, toen ik elementen uit de oosterse, en dan vooral uit de Indische wijsheid had leren kennen, werd dit nieuwe, innerlijke streven dat zich van mijn ziel meester had gemaakt nog verder versterkt doordat ik op zoek ging naar een antwoord. In de Indische wijsheid lag een diepgaande esoterische kennis, maar het centrum ontbrak, de Christus ontbrak. In de officiële kerk, waar ik een paar keer naar toe was gegaan om een antwoord te vinden op de vragen die mij kwelden, kon ik ook geen voortzetting vinden van de geestelijke stroming die voor mij zichtbaar was geworden door Richard Wagners Parsifal. Ik beleefde het zó, hoewel ik het toen vermoedelijk niet zo precies in begrippen had kunnen uitdrukken, dat in het oosten enorme schatten aan spirituele wijsheid opgeslagen waren, waar het kerkelijke christendom in esoterisch opzicht nauwelijks iets tegenover kon stellen. Maar als het christendom werkelijk zo was als ik het in mijn ziel voelde, dan moest het nog veel verder reikende en veel meer omvattende schatten van wijsheid bevatten dan de religies en filosofische systemen uit het oosten.

Het eerste boek van Rudolf Steiner dat ik in handen kreeg, was De weg tot inzicht in hogere werelden. Dit boek werd van het begin af aan niet alleen gids en helper op mijn innerlijke weg, maar het gaf me ook een eerste antwoord op mijn grondvraag naar een modern “esoterisch christendom”.

De twee laatste hoofdstukken maakten de grootste indruk op mij. Ze maakten twee geheel verschillende gevoelens in mij los. Daar was ten eerste het beleven van de eigen innerlijke onvolkomenheid, die in mij naar boven kwam toen ik de beschrijving las van de ontmoeting tussen de leerling op de scholingsweg en de kleine wachter op de drempel. En toen ik de woorden las die de grote wachter op de drempel richt tot de leerling op de scholingsweg, beleefde ik ten tweede als een directe zekerheid: zó kan alleen Christus tot de mensen spreken. Dat betekende dat het boek De weg tot inzicht in hogere werelden een centraal werk is voor het moderne esoterische christendom.

Ook mijn eerste kennismaking met het boek De wetenschap van de geheimen van de ziel verliep op bijzondere wijze. Aanvankelijk kreeg ik het in handen in het Frans. Ik kon toen alleen nog maar heel langzaam en met het woordenboek Frans lezen, zodat het niet mogelijk was het hele boek door te werken. Omdat ik echter beter uit de voeten kon met het onderwerp “weg tot inzicht” bekeek ik dit hoofdstuk en vond daar meteen de beschrijving van de rozenkruismeditatie.

Zo was deze oefening het eerste wat ik uit De wetenschap van de geheimen van de ziel leerde kennen. Niet alleen het doel van deze oefening, het menselijk bloed van lagere driften en het ik van egoïsme te reinigen, maar vooral de imaginatieve vorm ervan maakte een grote indruk op mij. Deze oefening is sindsdien een onafscheidelijk deel van mijn innerlijk leven. Ook was ze een bevestiging van wat ik al vaag vermoedde, dat de in dit boek beschreven weg tot inzicht van de Rozenkruisers in verband moest staan tot het mysterie van de Graal. Pas een half jaar later, toen ik De wetenschap van de geheimen van de ziel in het Russisch in handen kreeg en ik het boek in zijn geheel las, werd mijn vermoeden definitief bevestigd.

De verschillende thema’s die ontstonden naar aanleiding van mijn studie van Rudolf Steiners basiswerken haal ik hier om twee redenen aan. Ten eerste, omdat bij de allereerste kennismaking met deze thema’s in mij dadelijk het gevoel ontstond dat alles waarover Rudolf Steiner daar sprak, mij al bekend was, maar dat ik het tot dan toe alleen niet in gedachten had kunnen uitdrukken. Wat als algemeen, onbestemd gevoel in mijn ziel leefde, werd toen doordrongen met bewustzijn en heldere gedachten. En ten tweede, omdat ik deze thema’s later in nog grootser en geconcentreerder vorm terugvond in de grondsteenmeditatie.

Toen ik veertien jaar oud was, nam mijn familie mij mee naar een huis aan de Krim, aan de oever van de Zwarte Zee. Dat huis had ooit toebehoord aan een bekende Russische schrijver, die vlak voor de Eerste Wereldoorlog betrokken was bij de bouw van het eerste Goetheanum. In dit huis was een omvangrijke occulte bibliotheek in het Russisch en het Frans, waarin bijna alle basiswerken van Rudolf Steiner stonden. Van die tijd af bracht ik elk jaar mijn zomer- en al gauw ook mijn wintervakantie door in het “huis van de dichter”, zoals het toen genoemd werd. Zo kon ik in de tijd tussen mijn veertiende en negentiende jaar de basiswerken van Rudolf Steiner leren kennen, en ook veel andere geestelijk-occulte werken van schrijvers uit oosterse, theosofische en mystiek-kerkelijke richtingen.

Deze vijf jaren bracht ik door in wezenlijk geestelijke eenzaamheid, want in mijn toenmalige omgeving interesseerde niemand zich voor antroposofie. Deze levensperiode was echter een belangrijke proeftijd voor mij. Ik moest in de loop van deze jaren kiezen voor de antroposofie, of, zoals ik het toen tegen mijzelf zei, voor die geestelijke stroming die door Rudolf Steiner werd vertegenwoordigd, als levensopgave, als mijn bestemming op deze wereld. Daarbij kon ik slechts steunen op mijn eigen innerlijke krachten en op mijn zoeken naar een antwoord op de levensvragen die voor mij lagen. En pas toen het besluit genomen was, toen ik met alle kracht ervaren had dat mijn leven een nieuwe zin en een nieuw doel had gekregen en toen daardoor een begin was gemaakt om deze idealen bewust te dienen, pas toen werd ik door de lotbesturende machten uit mijn aanvankelijke eenzaamheid bevrijd.

Dat ging zo. Op een keer kreeg ik in het huis van vrienden die ik op de Krim had leren kennen geheel “bij toeval” voor het eerst een voordrachtscyclus van Rudolf Steiner in handen. Tot dan toe wist ik niet van het bestaan van zulke cycli af, of beter gezegd, ik wist alleen dat er voordrachten gehouden waren, maar niet of er nog iets van voorhanden was. En toen hield ik plotseling een cyclus van tien voordrachten in handen over Geistige Hierarchien und ihre Widerspiegelung in der physischen Welt, Tierkreis, Planeten, Kosmos. Dat zat zo: de voordrachten waren uit het Frans vertaald door een vrouw die, aanvankelijk geëmigreerd, in het midden van de jaren vijftig naar Rusland was teruggekeerd. In Parijs, waar ze vele jaren had gewoond, had ze kort voordat ze naar het vaderland terugkwam Rudolf Steiner ontdekt en toen enkele boeken meegenomen. Weer in Rusland moest ze zich vestigen in een van de grote steden in de Oekraïne. Omdat echter niemand in haar omgeving geïnteresseerd was in geestelijke vraagstukken liet ze, als ze bij vrienden op bezoek was, gewoon een paar exemplaren achter van haar vertalingen, meestal van Rudolf Steiner. En zo kwam een ervan ook bij mijn vrienden terecht. Door deze cyclus opende zich voor mij nogmaals een geheel nieuwe wereld. Ik had het gevoel alsof de hogere geestelijke werkelijkheid, die in deze voordrachten achter de verschillende beschrijvingen van Rudolf Steiner staat, nu nog veel dichter bij mijn ziel was gekomen. Nadat ik van mijn vrienden gehoord had dat de vertaalster wellicht nog andere cycli had, besloot ik dadelijk naar haar toe te gaan. Wat betekenden eigenlijk een afstand van 900 kilometer, een onbekende stad en volkomen vreemde mensen, als ik ook maar één voordrachtscyclus zou kunnen krijgen? In die tijd was ik bereid elke willekeurige hindernis te overwinnen om zoiets te kunnen verkrijgen. Want antroposofie was nu het belangrijkste in mijn leven!

Alles liep toen zoals ik nauwelijks had kunnen hopen. De ontmoeting was buitengewoon hartelijk en ontwikkelde zich tot een innige vriendschap die nog vier jaren zou duren, tot aan de vroege dood van deze vrouw. Na de eerste ontmoeting keerde ik naar huis terug met vier of vijf cycli, die voornamelijk aan beschouwingen over de evangeliën waren gewijd.

Ongeveer in dezelfde tijd schonk het lot mij weer als “bij toeval” nog een ontmoeting. Dat gebeurde ook op de Krim, in het huis van de Russische dichter. In augustus 1973 bezocht een jonge man, hij was iets ouder dan ik, dit huis op doorreis. Hij wilde leven en werk van de vroegere eigenaar beter leren kennen, omdat hij wist dat deze ooit betrokken was bij de bouw van het eerste Goetheanum. De bezoeker was antroposoof. Wij maakten kennis met elkaar. Hij kwam uit een grote stad in het noordwesten van Rusland. Aan het eind van ons gesprek wisselden we adressen uit en al een half jaar later bezocht ik mijn nieuwe kennis. Er ontstond een echte antroposofische vriendschap.

Bij een van mijn bezoeken stelde mijn antroposofische vriend op een avond voor om een cyclus van drie voordrachten te lezen waarbij hij met een enigszins geheimzinnige blik opmerkte dat in deze voordrachten iets zeer belangrijks te vinden was over het karma van de antroposofen, dat wil zeggen, over ons eigen karma. Het waren de bekende arnhemse voordrachten uit Karmaonderzoek 3. Die hele nacht deed ik geen oog dicht, geen moment. Pas tegen de morgen sliep ik in. En alleen omdat ik niet het hele huis op de been wilde brengen, zag ik ervan af mijn vriend te wekken om hem te vertellen over de volheid van mijn nieuwe gevoelens, waarvoor mij de woorden tekortschoten ...

Nu kende ik het geestelijk wezen dat ik altijd al gediend had en ik wilde volkomen toegewijd zijn aan “het aangezicht van Christus” – aan Michaël, de inspirator van de moderne geesteswetenschap. Voor mij betekende deze ervaring ook een soort innerlijk antwoord op de uitdaging waarover Rudolf Steiner aan het begin van de Arnhemse voordrachten sprak, “om je in het leven als de juiste vertegenwoordiger van de antroposofische beweging te laten zien”, “om de antroposofie door je eigen persoonlijkheid in de wereld vorm te laten krijgen” (18 juli 1924). Toen ik deze regels las, kon ik nog geen duidelijke voorstelling verbinden met de eerste klas van de esoterische school die in die voordracht genoemd wordt, maar toch voelde ik met alle beslistheid dat deze uitdaging eigenlijk niet van Rudolf Steiner uitgaat, maar door Rudolf Steiner van Michaël zelf en dat ze voor alles op dat moment tot mij persoonlijk was gericht. Zulke ogenblikken zijn in je leven momenten van innerlijke geloftes of “toezeggingen”.

In de Arnhemse voordrachten wordt gezegd dat na de Kerstbijeenkomst alles in de antroposofische beweging en in de Antroposofische Vereniging anders wordt. “Zie, ik maak alle dingen nieuw.” (Openbaring van Johannes, 21:5) Dit motief klonk met bijzondere kracht uit de voordracht en vond grote weerklank in mijn ziel. Van nu af, zo voelde ik, moest ook in mijn leven alles nieuw worden, want ik had immers de “gelofte afgelegd”, de eerste bewuste gelofte in mijn leven.

Van toen af probeerde ik mijn meditatieve leven met grotere kracht en regelmaat vorm te geven. Na enkele min of meer kortdurende pogingen spande ik me er nu voor in om een weg te vinden naar doelgericht, ritmisch-regelmatig meditatief werk, eerst eenmaal, maar al gauw tweemaal per dag, zoals Rudolf Steiner voorgeschreven had voor alle leerlingen van de door hem opgerichte esoterische school die tot 1914 bestaan heeft. Dit alles vond kort voor mijn eenentwintigste verjaardag plaats.

Nog een half jaar ging voorbij. Tijdens een bezoek aan de stad waar ik woonde, stelde mijn antroposofische vriend een keer voor mij kennis te laten maken met een paar andere antroposofische vrienden. Ik vond het goed. En zo kwam het dat ik met Pasen 1976 mij voor het eerst bij een kleine vriendenkring aansloot, die bij hun antroposofische studie elke keer de grondsteenmeditatie lazen, regel voor regel in twee talen, Duits en Russisch.

En toen vond in mijn leven echt een wonder plaats, dat alleen vergeleken kan worden met het wakker worden uit een diepe slaap. Door de klank van de duitse woorden van de grondsteenmeditatie ging er voor mij een volkomen nieuwe wereld van spiritualiteit open. De taal die ik hoorde, was net zo rijk en “vol geest” als de grootse gedachte die ze tot uitdrukking bracht. Taal en inhoud toonden zich voor het eerst aan mij in hun onlosmakelijke eenheid. Want op dit ogenblik werd mij niet alleen duidelijk dat de duitse taal de enige was die de schat aan wijsheid van de nieuwe christelijke esoterie kon dragen, maar ook verscheen de diepere inhoud van de grondsteenmeditatie voor het eerst in al zijn kosmisch-aardse grootheid voor mijn ziel. Ik hoorde de grondsteenmeditatie alleen van “mond tot oor”, dus net zoals ze de eerste keer had geklonken op de Kerstbijeenkomst van 25 december 1923. Op deze manier kon ik in deze meditatie iets beleven van wat ze in overeenstemming met haar esoterische wezen van het begin af aan was: de moderne openbaring van het wereldwoord, en dat betekent – van Christus zelf.

Het lot had het zo beschikt dat het eerste werk in het Duits dat werkelijk mijn leven binnentrad de grondsteenmeditatie was. Sindsdien is het Duits voornamelijk de taal van mijn geestelijke leven. En er was geen twijfel aan: deze taal moest ik zo snel mogelijk leren, de taal van de nieuwe christelijke openbaring, de taal van Rudolf Steiner als de grote christelijke ingewijde, als de bode van Michaël en Christus in onze tijd.

Zou ik nu, na tien jaren, willen proberen om in woorden uit te drukken wat toen in mijn ziel leefde, dan zou ik dat het liefst op de volgende manier doen. Ik voelde destijds met mijn hele ziel dat slechts één enkel, in menselijke woorden uitgedrukt werk geestelijk gesproken naast de grondsteenmeditatie geplaatst kon worden. Namelijk het evangelie volgens Johannes, of nauwkeuriger gezegd, de proloog ervan en de afscheidswoorden van de Christus-Jezus. Het was me van het begin af aan duidelijk dat ze beiden uit dezelfde bron afkomstig zijn, dat ze stammen uit de ene, alle werelden omvattende goddelijke sfeer van de kosmische logos, uit de directe openbaring van de levende Christus. Dit weten, dat toen nog op onuitgesproken wijze in mij leefde, zou ik nu in het volgende beeld kunnen kleden, dat voor mij niet gewoon een vergelijking is, maar beleefde realiteit. Als we ons innerlijk richten op wat in het keerpunt van de geschiedenis de centrale gebeurtenis is, namelijk het mysterie van Golgotha, dan zien we aan de voet van het kruis de “leerling die de Heer het meeste liefhad”, de enige die deze grootste gebeurtenis uit de hele aarde-ontwikkeling bewust meemaakt. In onze tijd vindt de bovenzinnelijke wederkomst van Christus in het etherische plaats, waaraan, zo zegt de geesteswetenschap, de herhaling van het mysterie van Golgotha in de geestelijke wereld vooraf gaat (zie 2 mei 1913). Wanneer we dan nu de mens zoeken die met betrekking tot dit bovenzinnelijke mysterie van Golgotha en de wederkomst van Christus op vergelijkbare wijze een bewuste getuige en verkondiger van deze belangrijkste gebeurtenis van onze tijd is, dan moeten we zeggen: dat is Rudolf Steiner.

Zo staan deze twee grote leraren van het esoterische christendom als twee wachters aan de poorten van de twee belangrijkste gebeurtenissen in de ontwikkeling van de mensheid. En nu staan ze in de geestelijke wereld naast elkaar als de voornaamste geestelijke leiders van de moderne christelijke rozenkruisersesoterie.

Na mijn hier beschreven eerste spirituele ontmoeting met de grondsteenmeditatie die sindsdien tot de hoeksteen van mijn innerlijk leven werd, streefde ik er natuurlijk naar om alles te weten te komen over de oorsprong ervan, de ontstaansgeschiedenis. Ik wilde weten waar, wanneer en onder welke voorwaarden ze voor het eerst aan de mensen werd gegeven. Dat alles leidde mij direct naar het onderwerp Kerstbijeenkomst. Tussen de studie van de karmavoordrachten en het boek Die Weihnachtstagung zur Begründung der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft 1923/1924 (GA 260) lag mijn weg.

In het begin geheel op mijzelf aangewezen moest ik, slechts uitgaande van mijn innerlijke ervaringen in verband met de Grondsteenmeditatie en van iedere invloed van buitenaf verstoken, mijn eigen persoonlijke verhouding vinden tot de Kerstbijeenkomst als belangrijkste spirituele gebeurtenis op het fysieke plan in de twintigste eeuw. Nadat deze verhouding vanuit eigen inzichten tot stand was gekomen, meer nog, nadat ze zich had omgevormd tot onverstoorbare innerlijke zekerheid, kreeg ik bij mijn verdere zoektocht eind 1978, begin 1979 achter elkaar drie boeken over de Kerstbijeenkomst in handen.[1] Het boek van Bernard Lievegoed Mensheidsperspectieven. Op weg naar een nieuwe mysteriecultuur, dat pas uit het Nederlands was vertaald, het boek van Rudolf Grosse De “Weihnachtstagung” als keerpunt in de mensheidsontwikkeling en wat later De Grondsteen van Willem Zeylmans van Emmichoven.

In het werk van Lievegoed beleefde ik een hoge gedachtevlucht. Hij vatte de verschillende mysteriestromingen met hun latere culminatie, dat wil zeggen hun uiteindelijke vereniging, op de Kerstbijeenkomst, in de ene “bedding” van de Nieuwe Mysteriën, als het ware samen in één totaalbeeld. Bij Grosse kwam ik vooral onder de indruk van de innigheid van zijn beschrijving en de intimiteit waarmee hij tot de verborgen kanten van de gebeurtenis van Kerstmis 1923 doordringt. En bij Zeylmans van Emmichoven, die meer van de wilssfeer uitgaat, vond ik een consequent methodisch omgaan met zowel de grondsteenmeditatie als met de ritmes van de Kerstbijeenkomst.

Erg onder de indruk was ik in dit verband van het voorwoord van Marie Steiner bij de eerste uitgave van het stenografische materiaal van de Kerstbijeenkomst (GA 260). Hier verscheen voor mij in alle duidelijkheid de tragische scene van de Kerstbijeenkomst, of juister gezegd de diepgaande polariteit tussen het goddelijke en het menselijke. Zo schrijft Marie Steiner enerzijds over de “atmosfeer van hoogste geestelijkheid, aan de hogere machten aangeboden als smeek- en dankoffer”, en anderzijds wijst ze er in alle openheid op dat de aardse, menselijke krachten telkens weer niet toereikend, niet voldoende blijken te zijn. “Wij waren tegen de oproep niet opgewassen. De verdere ontwikkeling heeft het aangetoond!”

Wat dan plaatsvond op de laatste dag van de Kerstbijeenkomst – het plotselinge ziek worden van Rudolf Steiner en de occulte achtergrond ervan, dat hij namelijk het karma van de Antroposofische Vereniging op zich nam – werd kort nadat ik dit voorwoord had gelezen vanuit een andere kant nog begrijpelijker voor mij. Dankzij een bijzondere samenloop van omstandigheden kon wat ik gelezen had voor mij tot op zekere hoogte eigen ervaring worden en dat stelde mij in staat, hoewel het maar heel zwak voor mij opdoemde, om toch vanuit die eigen ervaring in te zien welke diep tragische realiteit achter de woorden staat: “De afloop (van de Kerstbijeenkomst) heeft aangetoond wat het voor Dr. Steiner betekend heeft om ons karma op zich te nemen.” En verder “...ons menselijk en maatschappelijk karma barstte over hem los...”

Kort nadat ik voor het eerst had kennisgemaakt met het stenografisch materiaal over de Kerstbijeenkomst kreeg ik een boek waarin grondig, stap voor stap en tot in details de geschiedenis werd beschreven van de moeilijkheden en conflicten binnen de Antroposofische Vereniging nadat Rudolf Steiner het aardse plan verlaten had, evenals de tragedie van 1935. Het boek maakte zo’n indruk op mij dat ik een paar dagen fysiek ziek was.

Eén ding was mij na het lezen van Marie Steiners voorwoord in elk geval duidelijk. Uit deze pijn, waarvan ook ik nu een echo in mij droeg, moest een des te grotere kracht groeien waarmee gestreden kon worden om de impuls van de Kerstbijeenkomst als belangrijkste geestelijke impuls van onze tijd te verwerkelijken. “En deze pijn moet ons ertoe brengen met des te sterkere wilskracht onze opgaven te ontdekken.” Deze woorden van Marie Steiner werden in mijn leven een soort rode draad, een appel om al mijn krachten in te zetten om deze opgaven te ontdekken.

Het beleven van de Kerstbijeenkomst vanuit haar geestelijke, je kunt ook zeggen esoterische wezen, kun je niet op uiterlijke manier in woorden of op papier overbrengen op mensen die zo’n ervaring niet kennen. Nog minder kun je haar overbrengen op degenen die ten gevolge van verschillende menselijke meningen voor zichzelf niet te overwinnen hindernissen scheppen tegenover datgene wat Marie Steiner de leden van de Antroposofische Vereniging in werkelijkheid wilde zeggen, toen ze besloot om niet lang voor haar dood alle materialen over de Kerstbijeenkomst te publiceren. Niet de verschillende menselijke meningen, maar de Kerstbijeenkomst zelf te laten spreken wil echter zeggen dat je haar niet vanuit, maar aan de hand van de stenogrammen en de notulen laat spreken als een “stem uit het geestenland” (1 januari 1924) die zich richt tot alle antroposofen. En dat je dan innerlijk volledig onbevooroordeeld en met de grootste eerbied deze stemmen opneemt, terwijl je op dat moment werkelijk alleen voor de geestelijke wereld en voor de de antroposofische beweging sturende machten staat...

“Daardoor komt het dat deze Kerstbijeenkomst eigenlijk voor de antroposofische zaak of alles of niets is –.” Deze woorden van Rudolf Steiner uit de voordracht van 6 februari 1924 waren voor mij een directe bevestiging voor de juistheid van de innerlijke verhouding tot de geestelijke realiteit van de Kerstbijeenkomst, die zich eerder al geheel zelfstandig in mijn ziel had gevormd. Want ik zag met volle duidelijkheid dat voor Rudolf Steiner zelf de Kerstbijeenkomst in de zin van de boven geciteerde woorden alles was! En zeer veelzeggend is zijn uitlating dat de bronnen van openbaringen vanuit de geestelijke wereld zich veel sterker geopend hadden, dat de geestelijke machten sinds de Kerstbijeenkomst met “een nog grotere genade en een hogere welwillendheid” keken naar de verdere ontwikkeling van de antroposofische beweging.

Deze en vele andere uitspraken van Rudolf Steiner die worden geciteerd in mijn boek Rudolf Steiner en de grondvesting van de nieuwe mysteriën getuigen ervan dat de Kerstbijeenkomst in twee werelden ten uitvoer is gelegd. Dat betekent dat een werkelijk, met haar ware wezen in overeenstemming zijnd oordeel niet over haar geveld kan worden, als dat alleen van het standpunt van de aardse wereld uit gebeurt, hoe tragisch ook de gebeurtenissen waren die zich daar sindsdien hebben afgespeeld.

Met het schrijven van dit boek dat ruim drie jaar in beslag nam, waren bepaalde innerlijke ervaringen verbonden. Ik wil hier graag op twee ervan ingaan, omdat ze in het boek in een bepaalde vorm tot uitdrukking zijn gekomen. De ene zou je ongeveer zo kunnen uitdrukken: nooit heb ik de geestelijke aanwezigheid, innerlijke ondersteuning en nabijheid van Rudolf Steiner als occulte leraar en oudere vriend zo intensief en reëel ervaren als in de tijd dat ik nadacht over en werkte aan de thema’s die direct of indirect verband hielden met de Kerstbijeenkomst.

Een tweede ervaring die betrekking heeft op de inhoud van het slothoofdstuk wil ik hier ook vermelden. Het moment waarop, tijdens het werken aan dit boek, het wezen van de “dodekaëdrische liefdessteen” zich aan mij in reële geestelijke belevenissen openbaarde als imaginatie van de moderne michaëlische Graal, behoort tot de grootste momenten in mijn leven. In het zevende hoofdstuk heb ik dan niet alleen geprobeerd deze imaginatie te beschrijven, maar ook de weg tot het beleven ervan te laten zien.

Rudolf Steiner noemde de Graal in een van zijn voordrachten “het heiligste in de hele mensheidsontwikkeling”. Voor wie hem ooit in het imaginatieve beeld van de Grondsteen heeft waargenomen, vallen alle intellectuele twijfels met betrekking tot de esoterische betekenis van de Kerstbijeenkomst voor onze tijd weg. Hij is vol van diepste eerbied en dankbaarheid en van het streven om al zijn krachten te wijden aan het dienen van dit heiligste “ding” in de wereld.

Het boek Rudolf Steiner en de grondvesting van de nieuwe mysteriën zou in deze zin een bijdrage willen zijn die met deze krachten in overeenstemming is. De bijdrage van een mens die in Oost-Europa geboren en opgegroeid is aan de gemeenschappelijke verwerkelijking van dit hoge doel.

Vertaling Tineke Croese.

[1] Kort daarvoor had ik ook een uit het duits vertaalde voordracht leren kennen die tegen de Kerstbijeenkomst was gericht. Die kon echter, omdat hij op zuiver speculatieve en uiterlijke bewijzen was gebaseerd, geen enkele invloed uitoefenen op dat wat voor mij toen al persoonlijk beleefde ervaring was.’
De website van Perun Boeken meldt onder ‘Nieuws’ ook ‘Nieuwsbrief № 7 verschenen!’
‘Er is weer een nieuwsbrief van Perun, de zesde inmiddels, met een terugblik op het afgelopen jaar, een vooruitblik op 2014, met aandacht voor nieuwe uitgaven, en o.a. nieuws over de zestigste verjaardag van Sergej Prokofieff. En verder natuurlijk het “gedicht van de maand”, dit keer van Vladimir Solovjov. Lees Nieuwsbrief № 7.
In deze nieuwsbrief van mei 2014 staat onder meer het volgende te lezen, om te beginnen ‘Bloemengroet voor Sergej Prokofieff’:
‘Op 16 januari jongstleden werd Sergej Prokofieff 60 jaar en zoals ook in de vorige Nieuwsbrief al werd vermeld, wilden we deze mijlpaal niet ongemerkt voorbij laten gaan. Dankzij de vrijgevigheid van een aantal mensen kon hem – naast een gezamenlijke brief, waarin wij hem uitgebreid feliciteren en van onze steun en vriendschap verzekeren – ook een bloemengroet worden gebracht. Wij hopen dat hij op deze dag veel felicitaties en steunbetuigingen heeft ontvangen, die hem nieuwe kracht en moed voor de toekomst schenken.

Boekbespreking en werkconferentie

Zoals velen van u niet zal zijn ontgaan, heeft in het mei-nummer van Motief een uitgebreide recensie gestaan van Sergej Prokofieffs grote boek over De kringloop van het jaar, geschreven door Juul van der Stok. Zie Motief nr. 182, mei 2014, pag. 26. Alsof het allemaal niet op kan zal op 4 oktober a.s. bovendien in het kader van het Michaëlfeest een landelijke werkconferentie rondom ditzelfde boek worden gehouden, georganiseerd door de jaarfeestengroep van de Antroposofische Vereniging. Uiteraard is Perun zeer verheugd over al deze onverwachte belangstelling. Nadere mededelingen over deze conferentie volgen te zijner tijd in Motief.

Nieuw boek!

Nog enkele dagen en dan is het zover: als alles goed gaat zal op maandag 16 juni a.s. Prokofieffs boek over Het mysterie van de Opstanding verschijnen. Een magistraal werk, waarin op tot nu toe ongekende wijze de geheimen van het Mysterie van Golgotha worden ontraadseld. Met name het derde hoofdstuk, waarin Christus’ tocht naar het binnenste van de aarde, dwars door de verschillende rijken van het boze heen, wordt beschreven, kan met recht “uniek” worden genoemd. Hetzelfde kan worden gezegd van zijn bespreking van de verschillende vormen van communie, die door Rudolf Steiner zijn vernieuwd of ingesteld, en – wat haast nog belangrijker is – door hem in zijn eigen leven zijn gerealiseerd. Zoals Sergej Prokofieff laat zien neemt de zogeheten “geestelijke communie” daarbij een centrale plaats in.

In de beide bijlagen gaat Sergej Prokofieff ten slotte uitgebreid in op het fenomeen van de stigmatisatie en de daarmee verbonden “tijdreizen”, zoals die o.a. bij Anna Katharina Emmerich en Therese Neumann – en in onze tijd bij Judith von Halle – voorkomen. Hierdoor is dit boek niet alleen tijdloos, maar tevens zeer actueel. Een onmisbaar boek voor ieder, die – zoals Rudolf Steiner steeds weer benadrukt – tot een dieper begrip van het Mysterie van Golgotha wil komen.

Nieuwe uitgaven

Na het uitkomen van het nieuwe boek over Het mysterie van de Opstanding in juni van dit jaar zal men bij Perun niet met de armen over elkaar gaan zitten. In overleg met Sergej Prokofieff is namelijk tot de uitgave van enkele belangrijke werken besloten. Aangezien er al veel voorwerk is verricht, zullen de eerste nieuwe uitgaven naar verwachting al dit najaar kunnen verschijnen. In de allereerste plaats betreft dit Prokofieffs grote boek over De verschijning van de etherische Christus. De vertaling hiervan is goeddeels klaar, zodat het boek hopelijk nog dit najaar in de boekwinkels zal liggen. Rond die tijd wordt ook de uitgave verwacht van Prokofieffs kleine maar uiterst belangrijke boekje Wat is antroposofie? Een derde uitgave die op stapel staat is de vertaling van Prokofieffs nieuwe boek over Het mysterie van Michaël. De duitse uitgave hiervan verschijnt binnenkort. Op verzoek van Sergej Prokofief zal Perun de vertaling van dit nieuwe boek direct na verschijnen ter hand nemen. Als alles meezit kan dit nieuwe boek dan in het voorjaar van 2015 verschijnen. Een laatste uitgave ten slotte waaraan gewerkt wordt betreft Prokofieffs boek over Rudolf Steiners houten beeldengroep De Mensheidsrepresentant. Deze uitgave wordt voor het najaar van 2015 verwacht. Genoeg om naar uit te zien dus!’
De controverse met Judith von Halle is hier sporadisch, zeker niet uitputtend, aan bod gekomen, het meest uitgebreid op 23 mei 2013 in ‘Verlaten’. Eergisteren besteedde John Wervenbos op zijn weblog ‘Cahier’ er ook kort aandacht aan in ‘Sergej O. Prokofieff en het thema van vergeestelijking van het fysieke lichaam’. Verder lijkt Kees Kromme wel met niets anders bezig, getuige zijn weblog ‘Antroposofie en apocalypse’, met als laatste bijdrage ‘Judith von Halle Behrend, gestigmatiseerd? (deel 1)’ op 4 juli. Op de homepage van haar uitgeverij, ‘Verlag für Anthroposophie’, legt directeur Joseph Morel uit waarom deze is opgericht:
‘Der Verlag für Anthroposophie wurde vor fünf Jahren gegründet, um ein Forum für Autoren zu schaffen, die mehr oder weniger von der repräsentativen anthroposophischen Szene ausgegrenzt werden. Der damals (und heute noch) aktuelle und akute Anlass war gegeben durch das Auftreten einer außergewöhnlichen anthroposophischen Autorin – außergewöhnlich, weil sie eigene übersinnliche Erfahrungen in geisteswissenschaftlichen Darstellungen veröffentlicht hat. Nachdem im Verlag am Goetheanum die Bücher von Judith von Halle nicht mehr erwünscht waren, fanden diese und alle folgenden mitsamt ihrem Verleger ein neues Zuhause unter dem Dach der umgebauten Schreinerei am Blumenweg in Dornach; diese beherbergt auch die Freie Vereinigung für Anthroposophie Dornach, eine Vereinigung von Menschen, die innerhalb der Anthroposophischen Gesellschaft als «Gruppe auf sachlichem Feld» die spirituelle Arbeit und die geistigen Impulse Judith von Halles unterstützen, die sie in der lebendigen Erfassung und Pflege des Christus-Mysteriums im Sinne der Anthroposophie sieht.

Der Name des Verlags soll hinweisen auf das Verlagsprogramm. So wenig ein «Verlag für Mathematik» den Anspruch hat, die Mathematik an sich zu vertreten, so wenig hat der «Verlag für Anthroposophie» den Anspruch, allein die Anthroposophie zu vertreten ... Der Name soll nur auf das Programm hinweisen, Anthroposophie soll nicht versteckt werden. Der Verlag ist auch nicht der Verlag eines einzigen Autors: von den zur Zeit 50 verzeichneten Verlagstiteln sind 21 von Judith von Halle und 29 von siebzehn verschiedenen Autoren. Von den 20 in diesem Verzeichnis (seit 2010/11) neu aufgeführten Titeln sind nur 6 von Judith von Halle, 14 von andern Autoren.

Trotzdem liegt das Schwergewicht bei den Veröffentlichungen dieser Autorin, die wie kaum jemals ein anthroposophischer Autor in der Anthroposophischen Gesellschaft wegen neuer Forschungsergebnisse verleumdet und diskriminiert wurde und wird – weil ein Mensch, der die Wundmale Christi trägt, keine wahre Geistesforschung betreiben könne! Dabei werden ihre Ergebnisse gar nicht oder nur auszugsweise und in verfälschter Form zur Kenntnis genommen – eine bestürzende Tatsache, weil es sich um für die Anthroposophie existenzielle Erkenntnisse (wie den «Phantom»-Begriff) handelt. Mit Rücksicht auf eine 33 Jahre lang gepflegte Autorität wird ein Erkenntnisgespräch verweigert – aus Furcht vor Ergebnissen, die unangenehm sein könnten, schließt man Kompromisse mit dem Unwahren. Die Ignoranz geht so weit, dass eine gründliche, methodisch-wissenschaftliche Untersuchung wie die Arbeit von Helmut Kiene (2013, siehe Seite 6) «offiziell» einfach nicht beachtet und nirgendwo besprochen wird. Dasselbe Schicksal wurde auch der umfangreichen «Rehabilitation» der stigmatisierten Anna Katharina Emmerick zuteil (2013, siehe die Neuerscheinung Seite 8).

Vor diesem Hintergrund, liebe Leserin, lieber Leser, möge man das besondere Engagement des Verlags für Anthroposophie für diese besondere Autorin begreiflich finden. Es geht keinesfalls um die Person dieser Autorin, es geht um die Inhalte ihrer Geistesforschung. Dass solche anders anmuten, wenn sie von einem Forscher beschrieben werden, der dem Geist sozusagen von Angesicht zu Angesicht begegnet, als wenn sie von einem Autor kommen, der die geistige Welt bloß vom Gelesenhaben kennt, kann nicht verwundern. So führte bereits das erste, grundlegende Buch des Verlags viele Leserinnen und Leser hin zu einem vertieften Verständnis und Erlebnis – das bezeugen auch viele nach der Lektüre der «Beiträge zum Verständnis des Christusereignisses» (Bd I-X).

Mit dem Empfang der Wundmale wurden Judith von Halle unmittelbare Erfahrungen der Ereignisse der Zeitenwende zuteil, deren spirituelle Hintergründe sie mittels ihrer Fähigkeit, geisteswissenschaftlich zu forschen, beeindruckend zu schildern vermag. Dies bildet jedoch nicht das einzige Themenfeld ihrer Arbeit. So zeugen Bücher wie die über die Demenzerkrankung (siehe Seite 27), über die okkulte Biographie Rudolf Steiners (siehe Seite 25) oder die Initiationsrituale des Templer-Ordens von ihrer profunden anthroposophischen Forschungsarbeit. Diese erfasst sogar konkrete Details der Geschichte: dass allein aufgrund der Schilderung der Architektur und geographischen Lage des Ortes jene Templer-Burg, die in Band I als Initiationsort und Gralsweihestätte beschrieben ist, von dem Forscher und Templer-Experten Horst Biehl gefunden und eindeutig identifiziert wurde, ist ein äußerer Beweis der Richtigkeit ihrer Erkenntnisse – eigentlich eine Sensation!

Peter Tradowsky feiert am 5. Dezember 2014 seinen 80. Geburtstag. In einer Schriftenreihe erschienen im Verlag für Anthroposophie sechs Titel zu den Hintergründen der Zeitgeschichte, zuletzt «Die Gegenwart Christi».

Ein Anthroposoph, dem die anthroposophische Bewegung unschätzbar viel zu verdanken hat, ist am 7. März 2014 gestorben: Benediktus Hardorp. Aus was für einem umfassenden geistigen Hintergrund seine vielen Gründungen, Initiativen usw. entstanden sind, lässt sich erahnen beim Lesen der Texte, die im nun vorliegenden Band (siehe Seite 35) gesammelt sind.

Ein Verlag für Anthroposophie ist ein Verlag für Menschen, die Anthroposophie suchen. Die Anthroposophie, zu der die Bücher des Verlags führen möchten, wird dargestellt als ein lebendiges Erkennen und Handeln mit der bewussten Pflege des Christus-Impulses als Zentralereignis des individuellen Lebens so wie der gesamten Menschheitsgeschichte. In diesem Sinne hat der Verlag für Anthroposophie seinen Namen erhalten als Dienstleister des freien Geisteslebens.

Joseph Morel, Verlagsleiter’
Hier lezen we verder over de publicaties van Judith von Halle en komen we momenteel als nieuwste uitgave dit boek tegen:
‘Stoffes-Sterben und Geist-Geburt
Kosmische Aspekte zur Todesstunde auf Golgatha

Neuerscheinung 2014, 120 S. und 8 S. farb. Bildteil, geb., m. Lb. ISBN 978-3-03769-049-9, € 14.– / Fr. 19.–
Beiträge zum Verständnis des Christusereignisses – Band XI

Die Evangelientexte stellen uns vor tiefe Erkenntnisfragen. Manchmal können hinter den Worten, die vermeintlich äußerliche Geschehnisse beschreiben, die eigentliche Mitteilung, nämlich die übersinnliche Bedeutung gefunden werden. Die Ergebnisse einer übersinnlichen Erforschung hängen dabei immer mit unserer eigenen Entwicklung zusammen, denn das Mysterium von Golgatha ist um unseretwillen vollbracht worden.

Eine brennende Erkenntnisfrage betrifft die bezeugte Sonnenfinsternis zur Todesstunde Jesu auf Golgatha; denn diese ist nach astronomischen Gesichtspunkten nicht belegbar. Nimmt man aber einen esoterischen «Standort» für die Betrachtung dieses Mysteriums ein, so wird einem bald deutlich, dass es sehr wohl kosmische Konstellationen im Verlauf unserer Erden- und Menschheitsentwicklung gibt, die im herkömmlichen Sinne nicht berechenbar, aber dennoch sehr wohl versteh- und erklärbar sind. Denn es handelt sich um zwei verschiedene Konstellationen zur Todesstunde Jesu, denn die Todesstunde Jesu ist zugleich die Geburtsstunde Christi, und diese spielt für die gesamte kosmische Ordnung eine vorrangige Rolle und erzeugt eine eigene kosmische Konstellation. In ihr offenbart sich das kosmische Geschehen als unmittelbar wirkender freier, göttlicher Wille. – Es ist möglich, durch eine esoterische Betrachtung zu erkennen, dass die Sonnenfinsternis auf Golgatha den Sonnenaufgang in unserem menschlichen Seelen-Innern ermöglicht hat. Dies sowohl geistig wie auch empfindungsgemäß zu erfassen, setzt uns in eine direkte Beziehung zu der Tat Christi auf Golgatha und zu jenen kosmischen Ereignissen, die ein lebendiges Abbild dieser Erlösertat sind.’
Terug naar de nieuwspagina van Perun. Daarop lezen we verder:
‘Nieuw! Verschijnt 15 juni

Sergej O. Prokofieff

Het mysterie van de Opstanding in het licht van de antroposofie

Op 15 juni a.s. zal na een lange en intensieven periode van voorbereiding Sergej Prokofieffs belangrijke boek over Het mysterie van de Opstanding in het licht van de antroposofie verschijnen. De duitse uitgave hiervan werd in 2008 gepubliceerd. In dit boek gaat Prokofieff diep op de betekenis van het Mysterie van Golgotha in, op basis van hetgeen Rudolf Steiner ons hierover heeft meegedeeld. In drie grote hoofdstukken bespreekt Prokofieff achtereenvolgens het verband tussen het Mysterie van Golgotha en de geestelijke communie; de betekenis van Pasen, Hemelvaart en Pinksteren in het licht van de antroposofie; en de betrekking tussen de Opstanding en het binnenste van de aarde. Vooral dit laatste hoofdstuk is zeer opmerkelijk, want hierin bespreekt Prokofieff met name Christus’ afdaling naar het binnenste van de aarde op Stille Zaterdag, een onderwerp waarover tot nu toe nog maar heel weinig is gezegd, ook niet door de bestaande geloofsrichtingen. In de twee bijlagen staat Prokofieff ten slotte uitvoerig stil bij het fenomeen van de stigmatisatie, dit onder andere naar aanleiding van de belevingen van Anna Katharina Emmerich, Therese Neumann en – in onze tijd – Judith von Halle. Deze bijlagen hebben in de duitstalige landen heel wat stof doen opwaaien en onder andere tot soms zeer felle reacties in Das Goetheanum geleid, alsmede tot diverse boekpublicaties, onder andere van Peter Tradowski, Judith von Halle, Helmut Kiene en last but not least van Prokofieff zelf, namelijk zijn boekje “Tijdreizen”, dat begin 2013 verscheen.

Vertaling: Ton Jansen
Aantal pagina’s: 288
Gebonden uitgave
Prijs: € 25,90
ISBN 978-90-76921-28-0

* * *

Reactie Virginia Sease op boek “Tijdreizen”

Eindelijk heeft ook een tweede lid van de Vorstand, het bestuur van de Algemene Antroposofische Vereniging in Dornach, zich openlijk over de werken van Judith von Halle uitgesproken. In het artikel dat Virginia Sease naar aanleiding van de 60ste verjaardag van Sergej Prokofieff in Anthroposophie Weltweit / Anthroposophy Worldwide publiceerde, gaat zij namelijk ook uitgebreid in op Prokofieffs laatste boek “Tijdreizen”. Een tegenbeeld van antroposofisch geestesonderzoek, een kritische bespreking van het werk van Judith von Halle. Hoewel ze dit niet met zoveel woorden zegt, is tussen de regels door duidelijk te lezen dat Virginia Sease Prokofieffs bedenkingen bij het werk van Judith von Halle in veel opzichten deelt. Een belangrijk feit, want voor het eerst spreekt nu behalve Sergej Prokofieff ook een tweede vooraanstaand lid van de Antroposofische Vereniging openlijk zijn (haar) twijfels over de resultaten van Judith von Halle’s “tijdreizen” uit. Gezien het belang hiervan heeft Perun besloten de betreffende passage uit het artikel van Virginia Sease te vertalen en op de website van Perun Boeken te publiceren.

Lees de reactie van Virginia Sease op Prokofieffs boek “Tijdreizen”.

Bekijk het boekje “Tijdreizen”
Dit nu is te lezen in ‘Virginia Sease over Judith von Halle en Prokofieffs boekje “Tijdreizen”’:
‘In het artikel dat Virginia Sease, al vele jaren lid van het bestuur van de Algemene Antroposofische Vereniging (AAG) aan het Goetheanum in Dornach, naar aanleiding van Sergej Prokofieffs 60ste verjaardag schreef*, gaat zij onder andere ook tamelijk uitgebreid in op Prokofieffs boek “Tijdreizen” over het werk van Judith von Halle. Daarbij schaart zij zich duidelijk achter de visie die Sergej Prokofieffs in dit boek verwoordt. Gezien het belang van hetgeen Virginia Sease hier zegt willen wij de betreffende passage uit haar artikel hier in zijn geheel in een nederlandse vertaling weergeven.

De achtergrond van Prokofieffs onderzoeksresultaten in 2013

[...] In de Goede Week van 2004 traden bij Judith von Halle, medewerkster van een berlijnse ledengroep en sinds februari 2003 lid van de Algemene Antroposofische Vereniging, stigmata op. Tegelijkertijd deed zich bij haar het verschijnsel voor, dat zij niet langer voedsel verdroeg en tot zich kon nemen (“Nahrungslosigkeit”). Rond deze tijd begon zij ook voordrachten te houden en beschrijvingen te publiceren van de beelden die zij tijdens haar “tijdreizen” [her-beleving van historische gebeurtenissen] waarnam.† Daarbij verwijst zij frequent naar Rudolf Steiners werk. De thema’s die worden behandeld zijn hoofdzakelijk afkomstig uit de esoterische christologie en traditionele beschrijvingen en worden aangevuld door conclusies op basis van haar “tijdreizen”. Op mensen die met Rudolf Steiners christologie vertrouwd zijn, maken haar beelden dikwijls een bevreemdende indruk.

Gedurende de afgelopen jaren voelde Sergej Prokofieff zich genoodzaakt om – naast zijn werk als lid van het bestuur van de AAG, de vele [buitenlandse] voordrachtsreizen en de voordrachten aan het Goetheanum, benevens het onderzoek dat hij voor zijn boeken moest doen – enkele van Judith von Halles publicaties en verslagen van haar “tijdreizen” te toetsen aan bijbelse, historische en vooral antroposofische bronnen, alsmede aan het principe van de logica. Daarmee handelt hij helemaal in de geest van Rudolf Steiner, waarbij het hem om de zaak gaat, niet om de persoon. Het resultaat [van zijn onderzoek] deelt hij vooral mee in zijn laatste boek “Tijdreizen”. Een tegenbeeld van antroposofisch geestesonderzoek (Bergen op Zoom 2013). Dit boek werd gepubliceerd op hetzelfde moment dat hij om gezondheidsredenen zijn taak als bestuurslid van de AAG moest neerleggen. In zijn boek laat Sergej Prokofieff aan de hand van slechts enkele van de “gezichten” (visioenen) van Judith von Halle zien, hoe zij met betrekking tot de antroposofie een belangrijk probleem vormt, daar zij “steeds weer een verband met Rudolf Steiner legt, waarbij zij doet voorkomen alsof haar gezichten vergelijkbaar zijn met zijn geestesonderzoek” (“Tijdreizen”, hoofdstuk III: «Tegenstrijdigheden met het werk van Rudolf Steiner», pag. 80-81).

Uiteenlopende houdingen onder de leden

Hoe moeten we ons daar tegenover opstellen? Veel leden [van de AAG] voelen het conflict zo hevig, dat zij zich dikwijls op grond van andere verantwoordelijkheden of van de groteske hoedanigheid van sommige visioenen van de zaak afwenden. Dat wil zeggen: zij lezen noch de boeken van Judith von Halle noch Sergej Prokofieffs bespreking daarvan. Zij vormen zich geen oordeel. Anderen daarentegen voelen zich tot deze beelden aangetrokken en verlaten zich op de krachten van hun geloof, ondersteund door het fenomeen van de stigmata en het zonder voedsel leven. Weer andere mensen nemen de uitdaging aan en toetsen zelf Sergej Prokofieffs bevindingen benevens andere aspecten van de zaak, zoals de schrijfster van dit artikel heeft gedaan. De gevolgtrekkingen van Sergej Prokofieff zijn makkelijk te volgen, volkomen begrijpelijk en op grond van eigen onderzoek te toetsen.

Om slechts één voorbeeld te noemen: in de beschrijving die Judith von Halle in haar boek Rudolf Steiner, Meester van de Witte Loge van de geestelijke identiteit van Rudolf Steiner geeft, brengt zij hem in verband met een wezen dat in occulte kringen als Serapis bekend staat. Niet alleen is de etymologische verklaring die zij van deze naam geeft onjuist, maar bovendien is dit wezen volgens verschillende tradities geen mens, maar een egyptische godheid, zoals Sergej Prokofieff uitvoerig beschrijft (zie “Tijdreizen”, hoofdstuk III, pag. 86-93). Sommige theosofische bronnen noemen Serapis echter een “Meester” [d.w.z. een mens], zoals bijvoorbeeld Alfred Percey Sinnett in The Mahatma Letters en ook Henry Steel Olcott, die ‹brieven› van Meester Serapis zegt te hebben ontvangen. Wat zouden de theosofen denken van de uitspraak dat Rudolf Steiner Meester Serapis is? Voor mijzelf acht ik het volstrekt niet gepast om over Rudolf Steiners identiteit te speculeren, laat staan op deze manier.

Welk effect heeft deze beschrijving van Judith von Halle in de wereld? Welk beeld krijgen zoekende mensen en ook andere esoterische stromingen van de ernst van de antroposofie van Rudolf Steiner? Thans, wanneer de «leden die actief willen zijn» in de zin van de antroposofie willen werken – en hun levenssituatie hun dit toestaat –, dan is het zeker belangrijk om dit vraagstuk met behulp van Sergej Prokofieffs boek op te pakken. De cruciale vraag is: Hoe kunnen we begrijpen wat het betekent om in onze tijd representant van de antroposofische geesteswetenschap en van haar oprichter te zijn? Vanzelfsprekend is het een noodzakelijke voorwaarde, dat we de relevante werken van Judith von Halle kennen; want anders ontbreekt niet alleen de grondslag om Sergej Prokofieffs kritische opmerkingen te begrijpen, maar ook om zelf kritisch onderzoek te doen. [...]

Virginia Sease

* Virginia Sease, Eine Würdigung der anthroposophischen Arbeit von Sergej O. Prokofieff. 60. Geburtstag am 16. Januar / A Tribute to Sergei O. Prokofieff’s Anthroposophical Work. 60th Birthday on January 16. Anthroposophy Weltweit/Anthroposophy Worldwide, 2014, Nr. 1-2, pag. 9-11.

† Zie met betrekking tot de achtergronden van Judith von Halle’s persoon en werk ook de noten 113 en 8 in Prokofieffs boekje “Tijdreizen”. Zie met betrekking tot het optreden van de stigmata ook: Judith von Halle, “En als Hij niet was opgestaan”, met name deel I, voordracht van 10 oktober 2004, pag. 20-22.

Vertaling: Ton Jansen’
De volledige originele tekst van het verjaardagsartikel van Virginia Sease, uit genoemde bron (niet online), is als volgt:
‘Als Mitglied des gegenwärtigen Vorstandes der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft mit der längsten Amtszeit geht mein Blick natürlich zurück auf wichtige Ereignisse in den vergangenen Jahren. Unter diesen spielen die Publikationen meines ehemaligen Kollegen Sergej O. Prokofieff eine bedeutende Rolle sowohl für mich als auch für Tausende von Menschen, die sich durch diese Werke angesprochen und anthroposophisch orientiert fuhlen. Aus Briefen wird erkennbar, dass der Zuwachs der Mitglieder der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft und der Freien Hochschule fur Geisteswissenschaft mehrfach Zeugnis davon ablegen. Diese Tatsache wie auch die Wertschätzung seiner weltweiten Vortragstätigkeit durften zum Ausdruck kommen, als bei seiner Wiederbestätigung als Vorstandsmitglied im Jahr 2011 über 1000 Mitglieder seine Arbeit mit Begeisterung bejahten. Der Umfang seiner Leistung ist so gross, dass hier nur einige wesentliche Akzente gesetzt werden können.

Beginn der schriftstellerischen Tätigkeit

Die Verfasserin dieser Zeilen erinnert sich, wie Anfang der 80er-Jahre des 20. Jahrhunderts ein Telefonanruf aus Stuttgart sie in Los Angeles erreichte mit einem erstaunlichen Bericht über einen jungen Russen namens Sergej Prokofieff, der gerade einen ausführlichen Vortrag über die Weihnachtstagung 1923/24, ohne Notizen, in einem nicht perfekten, aber gut verständlichen Deutsch gehalten hatte. Schon im Alter von 14 Jahren ist Sergej Prokofieff durch einen Freund der Familie den Werken Rudolf Steiners begegnet. Bald war ihm klar, dass Kenntnisse der deutschen Sprache unerlässlich waren. Anhand des Grundsteinspruches tauchte er in die Sprache Rudolf Steiners ein. Schon im Jahr 1982 erschien das Werk «Rudolf Steiner und die Grundlegung der neuen Mysterien». Der Autor war 28 Jahre alt. Der letzte Satz des Vorwortes von Sergej Prokofieff ist heute genauso gültig fur seine Arbeit wie damals: «Und so mag diese Arbeit auch in der vorliegenden Form jedem Anthroposophen, der eine persönliche und lebendige Beziehung zur Weihnachtstagung als dem wahren Mittelpunkt der anthroposophischen Bewegung in der Welt und zu Rudolf Steiner, ihrem Begründer, sucht, eine Hilfe sein.» Bald war dieses Buch auch in anderen Sprachen zugänglich. In der dritten Auflage (2007) umfasste es 550 Seiten. Weitere Bücher folgten, und noch zwei werden im Jahr 2014 erscheinen. Im Januar 2014 ist ein Verzeichnis der Werke Sergej Prokofieffs erschienen, das die über 50 Bücher mit Angabe des Verlages und der Auflagen umfasst. Auch die zahlreichen Artikel, die im Goetheanum und in anderen Zeitschriften erschienen sind, müssen hinzugerechnet werden.

Der thematische Reichtum

Obwohl die Werke über das Mysterium der Weihnachtstagung mit der Grundsteinmeditation und diejenigen über den Christusimpuls, zum Beispiel im Zusammenhang mit der «Philosophie der Freiheit», am meisten zitiert werden, gehören heute eigentlich alle in die Rubrik Klassiker der Anthroposophie. Um den thematischen Umfang anzudeuten, sind hier einige Beispiele genannt: «Die geistigen Quellen Osteuropas und die künftigen Mysterien des Heiligen Gral»; drei Bände über «Der Osten im Lichte des Westens»; «Das Mysterium der Auferstehung im Lichte der Anthroposophie» und über besondere Individualitaten: Novalis, Demetrius, Goethe, Woloschin, Schiller. Auch zu erwähnen sind wesentliche Werke uber die Mitgliedschaft in der Anthroposophischen Gesellschaft und in der Freien Hochschule fur Geisteswissenschaft und ein sehr umfassendes Werk fur die Mitglieder dieser Hochschule.

Der Hintergrund zu den Forschungsergebnissen 2013

Diese Gratulation wäre unvollständig, wenn Ereignisse des vorangegangenen Jahrzehnts unerwähnt blieben, die Sergej Prokofieff wie auch viele andere Mitglieder aus den verschiedensten Perspektiven beschäftigt haben. Hierzu folgt eine knappe Orientierung – die besonders fur aussereuropäische Mitglieder hilfreich ist –, obwohl sie keinen Anspruch auf Vollständigkeit hat. In der Karwoche 2004 erlebte Judith von Halle, die Mitarbeiterin eines Berliner Zweiges war und seit Februar 2003 Mitglied der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft, Stigmata, die mit der Begleiterscheinung der Nahrungslosigkeit auftraten. Zu dieser Zeit begann sie eine rege Vortrags- und schriftstellerische Arbeit, wobei sie bilderreiche Erscheinungen auf der Basis von «Zeitreisen» schildert und an mehreren Stellen Rudolf Steiners Werk zitiert. Die Themen, die behandelt werden, stammen hauptsächlich aus der esoterischen Christologie mit traditionellen Darstellungen und werden ergänzt durch die Ergebnisse ihrer «Zeitreisen». Auf Menschen, die mit Rudolf Steiners Christologie vertraut sind, machen ihre Bilder oft einen befremdlichen Eindruck. In den vergangenen Jahren hat Sergej Prokofieff es als eine notwendige Aufgabe aufgegriffen, zusätzlich zu seiner Vorstandsarbeit mit vielen Vortragsreisen wie auch Vorträgen am Goetheanum sowie seiner Forschung für seine Bücher manche Ergebnisse, die Judith von Halle aus ihren «Zeitreisen» veröffentlichte, selbst nach biblischen, historischen und vor allem anthroposophischen Quellen sowie dem Prinzip der Logik zu prüfen. Er stellt sich damit entschieden vor Rudolf Steiner, wobei ihm die Sachebene wichtig ist, nicht die Person. Das Resultat legte er schriftlich besonders in seinem letzten Buch «“Zeitreisen” – ein Gegenbild anthroposophischer Geistesforschung» vor. Die Veröffentlichung geschah zum gleichen Zeitpunkt wie sein Rücktritt aus Krankheitsgründen aus dem Vorstand zum Vorstandsmitglied emeritus. In diesem Buch zeigt Sergej Prokofieff anhand von nur einigen der vielen Beispiele ihrer Gesichte, wie Judith von Halle ein bedeutendes Problem bereitet in Bezug auf die Anthroposophie, da sie «[...] immer wieder auf Rudolf Steiner Bezug nimmt und ihre Gesichte als mit seiner Geistesforschung vergleichbar ausgibt [...]» («Zeitreisen», S. 72).

Verschiedene Haltungen der Mitglieder

Wie soll man sich dazu verhalten? Viele Mitglieder finden den Konflikt so gross, dass sie sich oft aufgrund anderer Verantwortungen oder der grotesken Qualitat mancher Visionen von der Angelegenheit zuruckziehen, das heisst, sie lesen weder die Werke Judith von Halles noch die Auseinandersetzung damit von Sergej Prokofieff. Sie bilden kein Urteil. Andere wiederum finden Zuneigung zu diesen Bildern und verlassen sich auf ihre Glaubenskrafte, unterstützt durch das Phänomen der Stigmata und der Nahrungslosigkeit. Wieder andere Menschen nehmen die Herausforderung an und prüfen selbst die von Sergej Prokofieff dargelegten Ergebnisse wie auch andere das Thema betreffende Perspektiven, wie die Schreiberin dieses Artikels es tut. Die Ergebnisse Sergej Prokofieffs sind ohne Schwierigkeiten, auch aus eigener Forschung, vollkommen nachvollziehbar. Um nur ein Beispiel zu erwähnen: die Darstellung Judith von Halles in Bezug auf die Geistesidentität Rudolf Steiners (siehe «Rudolf Steiner, Meister der Weissen Loge»), worin sie ihn mit einer Wesenheit, die in okkulten Kreisen als Serapis bekannt ist, zusammenbringt. Nicht nur ist das Konstrukt der Zusammenstellung dieses Namens falsch, sondern die Wesenheit selbst ist nach verschiedenen Traditionen kein Mensch, sondern gehört zur ägyptischen Gotterwelt, wie Sergej Prokofieff es ausführlich beschreibt. Manche theosophischen Quellen jedoch bezeichnen Serapis als Meister, wie zum Beispiel Alfred Percey Sinnett in «The Mahatma Letters» und auch Henry Steel Olcott, der «Briefe» von Meister Serapis empfangen haben will. Wie würden sich die Theosophen zu der Aussage verhalten, Rudolf Steiner sei Meister Serapis? (Siehe Sergej Prokofieff «Zeitreisen», S. 82 und 83.) Aus eigener Warte halte ich es nicht für angebracht, Rudolf Steiner überhaupt zu identifizieren, ganz zu schweigen in diese Richtung. Wie wirkt diese Darstellung Judith von Halles in der Welt? Welches Bild bekommen suchende Menschen und auch andere esoterische Strömungen in Bezug auf die Ernsthaftigkeit der Anthroposophie Rudolf Steiners? Wenn die «tätigseinwollenden Mitglieder» heute im Sinne der Anthroposophie wirken wollen und ihre Lebensbelange es erlauben, dann ist es sicherlich wichtig, diese Problematik anhand der Veröffentlichung Sergej Prokofieffs aufzugreifen. Die grosse Frage ist: Wie ist die Repräsentanz der anthroposophischen Geisteswissenschaft und ihres Gründers heute zu verstehen? Selbstverständlich ist es eine Vorbedingung, dass man die entsprechenden Werke Judith von Halles liest, weil sonst die Grundlage für Sergej Prokofieffs Forschungskorrektur wie auch fur die eigene prüfende Untersuchung fehlt.

Ein Beispiel der Lehrtätigkeit

Durch mehrere Jahre leistete Sergej Prokofieff einen bedeutenden Beitrag fur die International Anthroposophical Studies in English am Goetheanum. Natürlich haben die Studenten nicht geahnt, dass er schon gewaltige Werke uber sein Thema «Die Gründung der Anthroposophischen Gesellschaft an der Weihnachtstagung 1923/24» veröffentlicht hatte. Auch waren die wenigsten mit seinem Namen Sergej Prokofieff (sein Grossvater, der Komponist) vertraut. Er war einfach einer der englischsprechenden Dozenten. Es war die letzte Vortragsreihe des Studienjahres und umfasste vier Vorträge, jeweils eine Stunde. Diese Lehrtätigkeit entwickelte sich so, dass der erste Vortrag noch planmässig eine Stunde dauerte, der zweite schon wesentlich langer und der vierte mindestens zwei Stunden. Und das nicht etwa, weil Sergej Prokofieff so lange sprach, sondern weil die Studenten so viele Fragen stellten, die er gutmütig, gelassen und mit Humor beantwortete. Sie erlebten ihn als einen Freund am Goetheanum bis zum heutigen Tag. So freut es mich sehr, Sergej Prokofieff, meinem geschätzten Kollegen im Vorstand der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft von 2001 bis März 2013, einem hervorragenden Kenner der Werke Rudolf Steiners, der durch seine Bücher wie auch sein Vortragswerk und seine eigene geistige kulturelle Forschung seit über drei Jahrzehnten dazu beiträgt, die Anthroposophie für unsere Epoche zugänglicher zu machen, diesen herzlichen Geburtstagsgruss zum Ausdruck zu bringen.

Virginia Sease

Virginia Sease ist Mitglied des Vorstands am Goetheanum.’

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – Hoofdredacteur a.i. van ‘Motief, maandblad voor antroposofie’, uitgegeven door de Antroposofische Vereniging in Nederland – – Bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland 2012-2014 – – Redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – Voormalig lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – –Voormalig redacteur van het inmiddels ter ziele gegane ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ , uitgegeven door een onafhankelijke stichting en niet meer verschenen sinds september 2006 – – Voormalig redacteur van ‘de Sampo’, het in 2001 opgeheven tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het eind 2006 in een fusie opgegane Heilpedagogisch Verbond (HPV)

Mijn Facebookpagina

Translate

Volgers

Herkomst actuele bezoeker(s)

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Laatste reacties

Recent Comments Widget

Zoeken in deze weblog

Wordt geladen...

Gezamenlijke antroposofische agenda (in samenwerking met AntroVista)