Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

zondag 31 augustus 2008

Boeken

Nog meer historie vandaag, maar van een beetje andere orde dan gisteren.

Begin deze maand was er een jubileum, waaraan het Zwitserse weekblad ‘Das Goetheanum’ aandacht schonk. Dat vernam ik tenminste op de website van Michael Mentzel, ‘Themen der Zeit’, waar het betreffende artikel te vinden is. Het gaat om de oprichting van een uitgeverij in Berlijn op 1 augustus 1908, dus precies honderd jaar geleden. Marie von Sivers, de meest naaste medewerkster van Rudolf Steiner, wilde hem problemen uit handen nemen met het uitgeven van zijn boeken. Dat was tot dan toe bij verschillende andere uitgevers gebeurd (het eerste, in het Nederlands vertaald als ‘Waarnemen en denken’, al in 1884), dus hij had al bijna vijfentwintig jaar ervaring met manuscripten wel of niet accepteren, contracten, auteursrechten, correcties lezen, oplagen bepalen, al of niet herdrukken, revenuen, enzovoort. Dit alles wilde zij hem besparen, zeker nu hij het sinds zes jaar steeds drukker had gekregen met zijn activiteiten als secretaris-generaal van de Duitse Afdeling van de Theosofische Vereniging. Zo druk, dat drie maanden tevoren de laatste aflevering (nummer 35) van ‘Luzifer-Gnosis’ was verschenen, het tijdschrift dat Steiner in 1903 begon (hij was daarvan inmiddels ook de enige auteur). Dus had hij wel een nieuw middel nodig om zijn publicaties op de markt te brengen. Dat deed Marie von Sivers heel gezwind, in vijf jaar tijd kwamen er vijftig titels uit, waarvan tien geschreven werken (ook herdrukken van oude titels) en twintig boeken met voordrachtsreeksen van Steiner. Weer een jaar later trouwde hij met haar, zodat vanaf dat moment Marie Steiner-von Sivers heette. Inmiddels had de afscheiding van de Theosofische Vereniging plaatsgevonden, en was Steiner zijn werkzaamheden vanaf begin 1913 officieel gaan ontplooien binnen het raamwerk van de net opgerichte Antroposofische Vereniging.

In het artikel ‘100 Jahre Verlag am Goetheanum’ schrijft Michaela Spaar hierover:

‘Ein Blick in die Geschichte des Verlages zeigt, welche zentrale Bedeutung er zu Beginn hatte und wie er später in die Streitigkeiten innerhalb der Anthroposophischen Gesellschaft hineingezogen wurde, sodass eine Neuausrichtung notwendig wurde. Den damals Philosophisch-Theosophischen Verlag gründet Marie Steiner-von Sivers, zusammen mit Johanna Mücke, 1908 in der Berliner Motzstraße, um die Vorträge und Werke Rudolf Steiners zu publizieren. Mit der Gründung der Anthroposophischen Gesellschaft 1913 wird der Verlag in ‹Philosophisch-Anthroposophischer Verlag› umbenannt. Weiterhin liegt das Schwergewicht des Verlagsprogramms auf der Veröffentlichung von Steiners Werken und Vortragsnachschriften. Es erscheinen aber auch Bücher von Adolf Arenson, Michael Bauer, Mathilde Scholl, Carl Unger und Kurt Walther und anderen. Mit der Gründung der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft 1923/24 wird der Verlag als eine Unterabteilung in sie eingegliedert und von Berlin nach Dornach verlegt.’

Na de Kerstbijeenkomst van 1923, waarin Steiner de Antroposofische Vereniging heropricht als Algemene Antroposofische Vereniging, wordt de uitgeverij hiervan een onderdeel. Maar bij de direct na zijn dood in 1925 optredende problemen, blijkt zijn immense literaire nalatenschap een belangrijk strijdpunt te zijn geworden. Wie beslist over wat wordt uitgegeven en wat niet? Want het meeste bestaat nog slechts in de vorm van stenogrammen van zijn vele honderden, om niet te zeggen duizenden voordrachten. Het onderlinge wantrouwen maakt dat Marie Steiner in 1943 tot het besluit komt om een zelfstandige vereniging in het leven te roepen, die zij verantwoordelijk maakt voor de uitgave van het verzameld werk van haar achttien jaar daarvoor overleden echtgenoot. Onafhankelijk van de Algemene Antroposofische Vereniging, wat voor de bestuursleden hiervan een klap in het gezicht betekent. Slechts vijf later overlijdt zij, 81-jarig. Sindsdien is de uitgeverij, die nog altijd onderdeel is van de Antroposofische Vereniging, het recht ontnomen om zonder toestemming van deze aparte vereniging Steiners werken nog langer uit te geven, dit recht is immers hierop overgegaan.

Er breekt een verschrikkelijke strijd uit, die tot in de rechtszaal wordt uitgevochten, met voorspelbaar verloop. Het testamentaire recht om zijn boeken uit te geven, heeft Steiner immers ondubbelzinnig aan zijn vrouw overgedragen, en zij op haar beurt aan de ‘Nachlassverwaltung’, met daarin degenen die zijn schriftelijke nalatenschap ook na haar dood zullen verzorgen. Dat maakt dat de Antroposofische Vereniging niets te zeggen heeft over het uitgavebeleid inzake Steiners werken, die verantwoordelijkheid ligt bij een hiervan onafhankelijke organisatie. (Zie ook het hoofdstuk ‘Van 1948 tot 1963’ in Bodo von Plato, ‘De Antroposofische Vereniging. Impuls en ontwikkeling’ uit 1987.)

‘Die innergesellschaftlichen Auseinandersetzungen um den Nachlass Rudolf Steiners – Marie Steiner gründet 1943 die Nachlassverwaltung – führen dazu, dass 1953 dem Verlag per Gericht untersagt wird, Steiners Werke ohne Genehmigung weiter zu veröffentlichen. Ab diesem Zeitpunkt existiert der Verlag nur noch mit Namen, aber ohne Inhalt. Die Aufgabenstellung und somit das Verlagsprogramm müssen sich notgedrungen verändern: Von nun an werden Publikationen der Freien Hochschule für Geisteswissenschaft am Goetheanum in Dornach und der Mitarbeiter ihrer Sektionen, sogenannte Sekundärliteratur, verlegt. Durch die Eingliederung von weiteren Verlagen wie des Rudolf-Geering-, des Ogham-, des Natura- und des Gideon-Spicker-Verlages erweitert sich das Programm im Laufe der Jahrzehnte um verschiedene Editionsreihen.

Um die Gemeinnützigkeit der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft aufrechtzuerhalten, wird der Verlag seit 1995 als rechtlich und wirtschaftlich selbstständiger Verein mit dem Namen ‹Verlag am Goetheanum› geführt; der ‹Philosophisch-Anthroposophische Verlag› wird eine seiner Editionen.’

En hoe is het nu? In het artikel van Michaela Spaar is ook een interview met Joseph Morel opgenomen, die al sinds 25 jaar de leiding heeft over dit eenmansbedrijf. Dus ook een jubileum.

‘1983 übernahm der ehemalige Steiner-Schullehrer und ausgebildete Verlagskaufmann Joseph Morel die Leitung dieses geschichtsträchtigen Verlages. Mit einem gewissen zurückhaltenden Stolz verrät er: Innerhalb von 25 Jahren hat er 1100 Bücher betreut! 600 Titel sind lieferbar, und pro Jahr kommen 40 bis 50 Titel heraus, wovon 30 Neuerscheinungen sind.’

‘Der Verlag am Goetheanum ist ein Ein-Mann-Betrieb, er hat Lektorat und Herstellung ausgelagert; Werbung, Vertrieb, Buchhaltung und selbst das Putzen führt Morel höchst persönlich aus. Alle Fäden hält er fachmännisch in der Hand: er organisiert, koordiniert und behält den Überblick über alle Vorgänge mit den Autoren, Lektoren, Übersetzern, der Druckerei.’

‘Seit Jahren schreibt der Verlag am Goetheanum schwarze Zahlen – man höre und staune. Und das, obwohl der Umsatz des Verlages seit den 90er-Jahren um ein Drittel gesunken ist, inzwischen in Deutschland die Anzahl anthroposophischer Buchhandlungen stetig zurückgeht und es in der Schweiz neben der Buchhandlung am Goetheanum nur noch eine einzige anthroposophische Buchhandlung in Bern gibt, die im zweiten Stock angesiedelt ist, ansonsten bloß ein paar Regale mit anthroposophischer Literatur in manchen Buchhandlungen zu finden sind, wie uns Joseph Morel in unserem Gespräch engagiert darstellt.’

zaterdag 30 augustus 2008

Historie

Dit zal wel weer een lange bijdrage worden, vrees ik. Op bepaalde momenten komen er een paar dingen bij elkaar. Zo ook nu, en dan heb je veel tekst nodig. – Ik heb een bijzondere voorliefde voor historie, en dat betekent vaak lange verhalen. Volgens mij is het kennen en op waarde schatten van historie een voorwaarde om wat in het heden gebeurt überhaupt te kunnen plaatsen. Goed, eerst een oudere bijdrage van mij aan de AntroBoulevard, op 19 oktober 2006 geplaatst op AntroVista. Het droeg de titel ‘Verrassende nieuwe graalstudie’:

‘Precies achthonderd jaar geleden vond er op het kasteel de Wartburg in Duitsland een strijd tussen minnezangers plaats, die de verliezer met de dood zou moeten bekopen. Deze strijd betrof ridders van zang en woord. Toen echter de vijandelijke partij niet kon winnen en de hulp inriep van de duistere magiër Klingsor, moest zanger Wolfram von Eschenbach alle zeilen bijzetten om te overwinnen. Wolfram von Eschenbach kennen wij nu nog als de auteur van de meest volmaakte vertelling over Parzival die er bestaat. Ridder Parzival die op zoek gaat naar de graal; een veel geroemde complete Nederlandse vertaling door vrijeschoolleerkracht Leonard Beuger is in 2002 verschenen in de reeks Ambo Klassiek.

Het is lang geleden dat er in Nederland een grote zelfstandige studie over Parzival en de graal vanuit antroposofische invalshoek is verschenen. “Tempel en graal” van Wim Veltman uit 1992 was de laatste. In oktober verscheen echter opeens uit het niets “Het graalmysterie van Parzival”, dat niet alleen een grootse, maar ook een diepgaande opzet kent en het geheel voor een Nederlands publiek opnieuw en met veel frisheid ontsluit. Het neemt het werk van Steiner voor een belangrijk deel als basis en bouwt voort op ontdekkingen op graalsgebied door verschillende antroposofen na hem: W.J. Stein, Meyer, Teutschmann, Lampe en Veltman.

De schrijfster, Benita Kleiberg, vertelde bij de presentatie in Rotterdam dat zij een paar jaar geleden de Wartburg bezocht. De zangersstrijd fascineerde haar en in het bijzonder de figuur van Klingsor, zij ging zelfs naar Sicilië om daar de resten van zijn toverslot op te sporen. Toen zij echter de Parzivalvertaling van Beuger in handen kreeg, sloeg de vlam in de pan. De machtige imaginaties, als beelden die tot iedere mensenziel in onze tijd spreken, brachten haar ertoe haar eigen graalsweg te gaan. Zij rustte niet voordat ze alles wat van belang was bijeen had gebracht, om licht te kunnen werpen op het verhaal van Parzival en de heilige graal.

Opvallend aan het boek is dat zij daarbij niet alleen een uitvoerig gebruik maakt van het werk van Rudolf Steiner, maar dat zij met hetzelfde gemak put uit de publicaties van Jan van Rijckenborg, oprichter van het Haarlemse Lectorium Rosicrucianum. Wat Kleiberg voor alles nastreeft, is een wetenschappelijke benadering, waarbij een integratie van antroposofische en christelijk-gnostische invalshoeken plaatsvindt. Zij heeft een bijzondere prestatie geleverd die respect afdwingt.

Benita Kleiberg, “Het graalmysterie van Parzival”, Rozekruis Pers Haarlem, 288 blz.’

Ik werd hieraan herinnerd door een artikel op de website van de in Duitsland levende Noor Jostein Saether. Om iets meer van hem te weten te komen, wie hij is, wat hij doet en wat hij heeft meegemaakt, kan ik het beste het begin van een artikel over Saether uit Bruisvat 6 (2001) citeren, van de hand van Ezrah Bakker, dat al een paar jaar op zijn Zachariël-website staat:

‘In 1999 verscheen het boek “Wandeln unter unsichtbaren Menschen” van Jostein Saether. Het boek is een hoogstpersoonlijk verslag van Saether’s ervaringen op het gebied van zijn eigen incarnatie-onderzoek. Opmerkelijk hierbij is de grote hoeveelheid herinneringen aan incarnaties die tot in oeroude tijden teruggaan. Een bijzondere plaats is daarbij ingeruimd voor herinneringen aan Atlantis. In 2001 verscheen de Engelse vertaling.

Jostein Saether (1954) is afkomstig uit Noorwegen. Op zijn 17e had hij een intensieve droom die onmiskenbaar op een vorig leven scheen te wijzen. Als twintiger kwam hij op het spoor van de verschillende karma-oefeningen die vervat zijn in het werk van Steiner; zo rolde hij de antroposofische beweging binnen. Daarbinnen werkte hij als pedagoog en kunstzinnig therapeut. Als veertiger beleefde hij midden in een levenscrisis een grote doorbraak in zijn vermogens om incarnatie-onderzoek te doen. Dit mede omdat hij in de loop der jaren gaandeweg zelf tot nieuwe onderzoeksmethoden was gekomen. Hij besloot ermee naar buiten te treden, omdat het antroposofisch incarnatie-onderzoek sinds Steiner op een laag pitje was komen te staan. Saether’s primaire drijfveer is echter de overtuiging dat incarnatie-onderzoek per saldo grote mogelijkheden biedt om spanningen tussen mensen te verminderen c.q. vruchtbaar te maken, omdat men zo de diepere achtergronden van persoonlijke relaties kan leren onderkennen. De persoonlijke consequenties van zijn openbaarmaking liegen er echter niet om. Vele vrienden en familieleden hebben het contact verbroken. De redactie van het internationale antroposofische verenigingsblad ‘das Goetheanum’ was een jaar lang niet in staat iemand te vinden die zijn boek überhaupt wenste te bespreken. Het doodzwijgen en gepraat achter zijn rug om namen uiteindelijk zulke groteske vormen aan, dat Jostein Saether eind 2000 uit de “Hogeschool voor Geesteswetenschap” is gestapt.

De kern van Saether’s onderzoeksmethode is, wat hij noemt, het ‘bouwen van een hut’: het creëren van een veilige plaats in je eigen binnenwereld van waaruit je op onderzoek uitgaat. Dit gaat allemaal niet van vandaag op morgen: reïncarnatie-onderzoek is niet een hobby die eenvoudigweg opgepakt kan worden. Saether heeft zelf thuis een ruimte gecreëerd die al een bepaalde veilige sfeer heeft, en aldaar begeleidt hij mensen bij hun eerste onderzoekstappen. Begeleiding is toch zeer van belang, aangezien er welzeker bepaalde risico’s aan reïncarnatie-onderzoek kleven. Ook aan de eigenlijke hoofdmeditatie gaat nogal wat vooraf, nog afgezien van het feit dat de mensen met wie Saether wil werken, doorgaans al een lange weg op het gebied van innerlijke ontwikkeling hebben doorlopen. Zo wordt er uitgebreid bij de biografie stilgestaan met de vele wetmatigheden, zoals 7-jaarsritmen, spiegelmotieven en dergelijke, om uiteindelijk gaandeweg enkele hoofdmotieven op het spoor te komen.’

Op zijn eigen website Gamamila (de herkomst van die aparte naam wordt in het artikel van Ezrah Bakker uitgelegd), die Saether pas in februari van dit jaar is begonnen, met het bijbehorende weblog dat hij sinds mei bijhoudt, is over zijn profiel onder meer het volgende te lezen:

‘2002 trat ich aus der AAG [Algemene Antroposofische Vereniging, MG] wegen einer Kontroverse mit dem Vorstand in Dornach aus. Ich pflege aber weiterhin gute Kontakt zu vielen Mitgliedern der beiden Organisationen. [Bedoeld is ook de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap, MG.]

Seit der Begegnung mit der Anthroposophie übe ich Karmaübungen und Meditationen nach Rudolf Steiner – der Initiator der Anthroposophie. Nach einem Burnout im Jahre 1995 intensivierte ich die Karmaübungen, was dann im Herbst 1996 zu umfassenden karmischen und geistigen Erkenntnissen führte.
Ab 1997 widme ich mich der übersinnlichen Forschung, gebe Vorträge und Seminare, leite Arbeitsgruppen und berate zur geistigen Schulung in u. a. Norwegen, Großbritannien, Deutschland und Spanien. (...)

Seit 1998 bin ich verheiratet; ich lebe mit meiner Frau und unserem Sohn in Saarland (DE). Ausserdem ich bin leiblicher Vater von 2 Töchtern und 2 Söhne. Ich bin norwegischer Staatsbürger und ausser Norwegisch beherrsche ich Schwedisch, Englisch und Deutsch.’

Inmiddels is zijn tweede boek bij Ch. Möllemann Verlag verschenen: ‘Einstimmen aufs Karma – Ein Wegbegleiter durch dynamische Meditation zu karmischem Hellsehen’. De onvolprezen Michael Eggert heeft dit boek recent op zijn drukbezochte website, die al jaren bestaat en de eigenaardige titel ‘Egoisten’ draagt, zeer welwillend besproken (zie mijn blogroll helemaal onderaan). Overigens haalt Jostein Saether deze recensie ook aan op zijn eigen weblog.

Waar het mij vandaag om gaat, is een artikel dat hij gisteren op zijn weblog aanprees (met meteen een directe link er naartoe), dat hij in 1984 voor het Zweedse tijdschrift ‘Antropos’ heeft geschreven. Hij was hiervan redacteur tussen 1980 en 1988. Het artikel werd overigens in 1994 opnieuw gepubliceerd (ik kan alleen niet ontdekken waar, aangezien Saether aangeeft dat dit tijdschrift intussen ter ziele was). Bij een recent bezoek aan Järna in Zweden herontdekte hij dit artikel en besloot het voor zijn website in het Duits te vertalen. Zo kom ik erop. Ik laat hier het gedeelte volgen waarin hij over de middeleeuwse historie schrijft. Het is het gedeelte dat in de opeenvolging het cijfer ‘5’ heeft gekregen; het begint bij de Griekse wijzen Plato en Aristoteles (vergeet vooral niet naar de prachtige illustraties te kijken). Ook de rest is interessant, maar wat te al te lang voor hier; wie wil kan het eventueel zelf via de link gaan lezen.

‘Plato stand noch in der Schlussphase von den Aufgaben der uralten Mysterien mit Verankerung in der Leitung planetarischer Wesen und in der Sternenweisheit. Plato war der Erste, der die Fackel empfing und die Flamme in der Grotte der Seele entzündete. Er ist in der Grotte stehen geblieben, und zuerst in der Gegenwart wartet er auf die Möglichkeit, herausgerufen zu werden. Aristoteles dagegen ging mit der Fackel aus der Grotte heraus und zündete der Funke im Wesen des jeden Dings in der Welt. Er gründete die Philosophie als Wissenschaft mit der Vielfalt von systematischen Lehren, die wir noch heute haben als Treppe hinauf zu den Pyramiden der Gelehrsamkeit.

Mit Mohammed und mit dem Islam geschah im 7. Jahrhundert ein Aufwachen in der Verstandeskultur der Seelenkräfte, die ein sublimes Verhältnis zum göttlichen Vaterwelt entwickelte. Die christliche Kultur entwickelte gleichzeitig die Seelenkräfte, die das Leben der Seele nach dem Tod aufblühen wollte in der Nachfolge des göttlichen Sohnes. Das muslimische Gebet - Richtung zur Erde. Das christliche Gebet - Richtung zum Himmel.

Eine Vielfalt Polarisierungen ging weiter, und umwechselnde Verhaltensweisen lebten sich aus bei Individuen und in verschiedenen Ländern und lösten sich ab während des Mittelalters. Die Polarisierung zwischen einer Art Sonnenkultur und einer Mondenkultur verstärkte sich ab dem 11. Jahrhundert mit den Kreuzzügen, mit den Gründungen vieler christlicher Orden und mit der Konsolidierung der muslimischen Welt während der Herrschaft Saladins - Salah ad-Din Yusuf bin Ayyub - im 12. Jahrhundert.

Der Übergang von einem Raphael- zu einem Samael-Zeitalter geschah im Jahre 1190. Der dritte Kreuzzug war im Gang, aber als Friedrich Barbarossa starb beim Ertrinken während eines Feldzugs und Richard 1. von England, genannt Löwenherz, wegen politischen Unruhen im Heimatland gezwungen wurde, umzukehren, misslang die Wiedereroberung Jerusalems für lange Zeit.

Als die Kathedrale von Chartres im Jahr 1194 nieder brannte, dämmerte eine neue Zeit. Wie in einem Brennpunkt sammelten sich nun all die christliche Bildung und Innerlichkeit, die sich entwickelt hatten durch die Breite der Lehrer und Schüler, die auf diesem heiligen Platz der Mutter während 200 Jahre gewirkt hatten. Namen wie Fulbert, Bernhard von Chartres, Bernardus Silvestris, Gilbert de la Porée, John of Salisbury, Alanus ab Insulis wurden in die vielfältigen Kunstwerke der Kathedrale eingeordnet. Die Kirche wurde in weniger als dreißig Jahren gebaut.

Gleichzeitig als diese und andere gotische Kathedrale sich gegen den Sternen rund um in Europa sich erhoben, fand eine andere künstlerische und spirituelle Konfrontation statt. Worte und Töne begegneten sich in einem Brennpunkt im sogenannten Sängerkrieg auf der Wartburg im Jahre 1206.

Minnesänger und Dichter trafen sich auf dieser Burg mitten in Europa auf einem Platz, der während der späteren Hälfte des 20. Jahrhundert an der Grenze der geteilten Europa gelegen hat, eine Sache, die wir nun fast vergessen haben. Sie trafen sich, um der Gunst der Fürsten und der Hofdamen zu genießen. Walter von der Vogelweide, Wolfram von Eschenbach, Reinmar von Zweter kämpften um die Ehre der Fürsten und um ihr eigenes Ansehen. Aber es gab einer, der gegen allen anderen war: Heinrich von Ofterdingen.

Falls Heinrich verlor, sollte er erhängt werden. Der Henker war schon ernannt. Heinrich entzog sich der Sache und rief der Zauberer Klingsohr von Ungarn. Dieser wirkte mit in diesem Sängerkrieg so, dass er mit Hilfe eines singenden Jünglings auf die Stelle des Heinrichs von Ofterdingen eintrat. Klingsohr lockte sozusagen den Geist wieder in die Flasche, er ließ geistige Wesen anwesend sein, und er fügte ein solches Wesen in die singende Seele des Jünglings ein.

Wolfram von Eschenbach, der Gralssänger, wurde gedrängt und erst als er begann vom heiligen Abendmahl zu singen, von der Anwesenheit Christi in der Transsubstantiation, musste der Geist weichen. Aus diesem Geist wuchs eine Vielfalt von Wesen, die sich über die Erde verbreiteten. Idole nannte Rudolf Steiner diese Art von geistigen Wesen, die im Schicksalsfeld entstehen. Es gelang Klingsohr, der die Sternenweisheit besaß, Wolfram zu beweisen, dass dieser ein sternenloses Christentum besaß. Der Gralssänger kannte nur dasjenige, welches ausgelassen hatte das kosmische Christentum. Klingsohrs Weisheit aber hatte nicht das irdische Christentum aufgenommen, weswegen seine Kunst eine Auswirkung von schwarzer Magie hatte.

In diesem Zusammenhang führt es zu weit, die karmischen Verläufe vorzuführen, die die betreffende Individualität durchging. In den Karmavorträgen informiert Steiner von diesen Motiven. Das Wichtige in diesem historischen Beispiel ist die allgemeine Tendenz des Wesensartigen, das weitergeht. Dieselben geistigen Wesen, die heraus beschworen wurden bei diesem Sängerkrieg im Mittelalter, tauchten wieder auf im 19. Jahrhundert im Vorspiel am Kampffeld, wo Michael sein Zeitalter vorbereiten sollte. Und während der Jahre vor 1879 mussten die Mitarbeiter Michaels in den erdnahen übersinnlichen Feldern diesen Wartburg-Wesen in neuen Ringen begegnen. Diejenigen Wesen, die damals zwischen 1840-79 nicht verwandelt werden konnten, sangen Gesänge für viele Wissenschaftler, Philosophen, Autoren, Denker, Erfinder, Politiker und andere, meist Männer, während dieser Jahre und später. Und diejenigen, die von anderen Geistern inspiriert wurden, verstummten oder wurden eingeschüchtert. Außer eine Anzahl, die gegen den Strom gingen.

Zurück zum Jahr 1206.

Weit drüben in Asien wurde ein begnadeter und imponierender mongolischer Leiter Namens Temüüdschin von seinem Volk huldigt. Er bekam den Titel Dschingis Khan. Während den folgenden Hundert Jahren wurde durch die Leistungen dieses Mannes die Machtbilanz der ganzen Welt verändert. Viele dieser Mongolen, die sukzessiv enorme Landstriche im Süden und im Westen unter sich legten, wurden Christen.

Der Großkhan Möngke (regierte die Mongolei zwischen 1251-59) soll nach einigen Historikern wie viele Männer in seiner Umgebung selbst Nestorianer gewesen sein. Er gönnte auch den Buddhismus und den Taoismus und er schützte den Islam. Diese bewusste Toleranz war eine Konsequenz der ursprünglichen Volksreligion der Mongolen, ein Animismus, wo die Welt von Naturwesen und Göttern bevölkert ist. Alle Priester, die man dachte, dass sie über geistige Mächte einen Einfluss hatten, wurden von den Mongolen respektiert, unabhängig der religiösen Zugehörigkeit. Ludwig IX, der Heilige, schickte den flämischen Franziskanermönch Wilhelm von Rubruk (Willem van Ruysbroek) als Gesandter zu Möngke.

Gleichzeitig waren in Paris die Dominikaner Albertus Magnus und Thomas von Aquin (1225-74) wirksam an der Universität, um zu christianisieren die aristotelische Philosophie, die jetzt Europa in arabischer Abzapfung bekommen hatte. Bernard Lievegoed beschreibt in seinem Buch “Über die Rettung der Seele” die folgende Situation am Schluss des Lebens von Thomas: “Es kommt ein Augenblick im Leben von Thomas, als er eine innere Offenbarung kriegt. Er schaut dann, wie sein wahres geistiges Wesen sich in der Lichtsphäre der Sonnenwelt offenbart. Nach dieser Erfahrung zieht Thomas sich zurück vom öffentlichen Leben und sagt kein Wort mehr. Er schweigt.”

In diesem letzten Schweigen erschien für Thomas das innere Bild des Jahres 1206. Mit seinem himmlischen und irdischen Karmamöglichkeiten. Eine der Möglichkeiten war, dass nach 1250 die christliche Welt in Europa hätte der mongolischen Gefahr mit ausgestreckten Armen begegnen können. Eine atlantische Frage wurde der Christenheit gestellt. Trotz z. B. den Empfehlungen des englischen Königs Edward I (1272-1307), dass man sich mit den Mongolen alliieren sollte, begegnete Dschingis Khans Nachfolger bei den Christen eine massive Unverständnis und eine konsequente Eigenmächtigkeit. Und die mongolische Seele wurde aus moralischen Gründen muslimisch, rechtschaffen. Europa zeigte Asien den Rücken und segelte bald gegen den Westen mit dem Christentum der Kanone. Das Gold lockte. Das Gold der Erde.’

vrijdag 29 augustus 2008

Warmonderhof

Een verrassing noemde ik eerder de website van opleiding Warmonderhof, namelijk op 24 juni 2008 in het bericht ‘Boergondisch’, vanwege alle achtergrondinformatie die hier over biologisch-dynamische (bd-)landbouw is te vinden. ‘Ik heb hier echt met verbazing rond zitten kijken. Misschien later daar meer over.’ Hier kom ik dan nu eindelijk op terug, want gisteren werd ik daarnaar gevraagd. Open je die website, dan krijg je dit:

‘Warmonderhof is de ervaringsopleiding voor biologisch-dynamische landbouw in Dronten, Flevoland. Door de combinatie van leren, wonen en werken is deze 4 jarige opleiding uniek op de wereld. Ben je in de biologisch-dynamische landbouw geïnteresseerd of zoek je werk in deze sector? Kijk dan verder of deze opleiding ook jou iets kan bieden.

Je kunt de opleiding ook volgen omdat deze een unieke kans biedt om je te ontwikkelen aan de landbouw. Dat werkt fantastisch, vooral bij mensen die liever al doende leren, dan al hun kennis via boeken te vergaren.’

Door in het linker menu te klikken op ‘Open-DOE-Dag’ kom je meteen in de actualiteit van dit moment:

‘Op 24 augustus j.l. is de jaarlijkse open-doe-dag van de Warmonderhof gehouden. Het was een dag vol activiteiten en ervaringen voor iedereen. (...) Bovenal de 1e Nederlanse kampioenschappen samenwerken. Verschillende groepen hebben tegen elkaar gestreden door gezamenlijk een brug te bouwen van bamboestokken en elastiekjes. De Warmonderhofgroep is uiteindelijk met de eer gaan strijken. (...)

De open-doe-dag was een groot succes. Ongeveer 2000 mensen hebben het bedrijf bekeken en hebben een fijne dag gehad. Voor al diegenen die deze dag helaas hebben gemist: volgend jaar is er weer een open dag!!’

Hier meteen onder kun je klikken (ja sorry hoor, maar dit is weer zo’n superonhandige website, waar wel een heleboel op staat, maar dat is allemaal verscholen achter een paar titels in het linkermenu, waar ik de lezer nu helemaal doorheen moet leiden, dus geen directe links) op ‘Foto’s open dag 2008’. Je komt dan op een webpagina, waarbij in het linker menu staat ‘Fotoboek’, en waar ook foto’s van de open dagen in 2o07 en 2006 en nog een en ander te vinden is. Op twee plekken kun je de foto’s van 24 augustus (er staat trouwens 25 augustus, maar goed) bekijken, waaronder die van het ‘Kampioenschap samenwerken’.

Maar onder ‘Fotoboek’ in het linkermenu staat ook ‘Foto’s Reünie’. En dat kan voor veel mensen wel eens interessant zijn, die vroeger op de Warmonderhof hebben gezeten. Klik je daarop, kun je wel reüniefoto’s zien, maar kom je nog niet op de speciale reüniewebsite. Dat doe je zo (ik schreef al dat het omslachtig is): klik in het linker menu achtereenvolgens: –> Agenda –> Agendapunten archief –> 15 september 2007 13:00: Reünie Warmonderhof –> de speciale reüniewebsite ‘Warmonderhof 60 jaar’, met een eigen menu aan de linkerkant. Nu ben je er!

Het was dus inderdaad zo dat er op 15 september 2007 een reünie is gehouden vanwege het zestigjarig bestaan. De liefhebber kan nu zelf door deze webpagina’s struinen. Ik neem alleen dit over uit de geschiedenis van de Warmonderhof in de jaren 1947-2007:

‘In 1947 is de Warmonderhof opleiding gestart in Warmond, onder leiding van Klaas en Mieneke de Boer. Het was natuurlijk op kleine schaal, maar verschillende kenmerken van de huidige opleiding waren toen al te herkennen. Bijvoorbeeld de combinatie van leren, wonen en werken en ook de hoofdrol die is weggelegd voor de biologisch-dynamische landbouw.

In 1970 is de Warmonderhof verhuisd naar Kerk-Avezaath, vlak bij Tiel, in de Betuwe. Mevrouw Van Beuningen stelde een landgoed ter beschikking, naast het riviertje de Linge. Op deze mooie plek beleefde de opleiding haar grootste bloei, met een maximum van ruim 200 leerlingen.

Rond 1990 kon de opleiding niet meer erkend blijven, wanneer niet gefuseerd werd met een grotere opleiding. Dat gegeven heeft een hele nieuwe ontwikkeling op gang gebracht, met als eindresultaat dat eind 1993 de Warmonderhof verhuisd is naar de huidige lokatie in de Flevopolder. Tegelijkertijd zijn de praktijkbedrijven meer verzelfstandigd en ze worden nu door ondernemers gerund. De theorie-opleiding wordt verzorgd door het Groenhost College, dat onderdeel is van de Aeresgroep.

In de polder moest helemaal opnieuw begonnen worden. Een nieuwe pioniertijd brak aan, in de klei met noodgebouwen. Inmiddels is er al weer heel veel gebeurd. Een nieuwe stal is gebouwd (1995). Een nieuwe woonderij met een nieuwe hofzaal zijn gebouwd (1997). De woonderij is uitgebreid en een kas is gebouwd (2005). Dit jaar zal begonnen worden met de nieuwbouw van een schoolgebouw. Wanneer alles volgens plan verloopt zal in september 2008 de opleiding weer als een geheel kunnen functioneren.’

Weer terug naar de Warmonderhof website zelf, naar ‘Bedrijven’, over de Warmonderhofbedrijven:

‘Sinds het begin van de opleiding, nu al meer dan vijftig jaar geleden, is gekozen voor een opzet waarbij studenten samen wonen, werken en leren. De studentenhuisvesting ‘De Binnenhof’ is dan ook midden tussen de praktijkbedrijven van Warmonderhof gelegen, iedere student kan hier een eigen kamer huren.

Zoals een boer woont op zijn bedrijf, omdat zijn werk is ingevlochten in het ritme van het leven op het land, zo ervaren studenten hier dagelijks hoe het is om op een vrij moment nog even over een veld te lopen, in de zomer vroeger te kunnen beginnen of ’s avonds wat langer door te gaan, ’s nachts uit bed te moeten om er meteen bij te zijn als er een koe kalft... Door op het land te wonen ervaren ze het ritme van de seizoenen het jaar rond, en de verandering in werkzaamheden die dit met zich meebrengt.

Het opdoen van praktijkervaring is voor de meeste studenten ook noodzakelijk, omdat zij geen agrarische achtergrond hebben, voordat ze aan de opleiding beginnen.’

Onder ‘Stichting’ in het linker menu is informatie te vinden over ‘Stichting Warmonderhof’:

‘Werken op de Warmonderhof bedrijven

De Warmonderhof Opleiding heeft de beschikking over een 85 ha. groot, gemengd biologisch-dynamisch land- en tuinbouwbedrijf, onderverdeeld in vier ondernemingen. Hier doen de leerlingen praktijkervaring op. Op de bedrijven zijn er mogelijkheden voor instructie, begeleiding en extra theoretische kennis. Stichting Warmonderhof neemt deel in de ondernemingen, waardoor de ondernemers een optimale kans hebben om hun onderneming winstgevend te exploiteren, terwijl ze tevens dienstbaar zijn aan de opleiding.

Wonen op de Binnenhof

Op het terrein van Stichting Warmonderhof staan 9 huizen waarin leerlingen wonen, de “Binnenhof”. Met vier tot zeven personen in een huis deel je een grote woonkeuken. Dat maakt het wonen tot een bijzondere ervaring, waarbij tevens de situatie er voor zorgt dat de studenten hun sociale vaardigheden kunnen ontwikkelen. Op de Binnenhof woon je tevens op het land- en tuinbouwbedrijf. Hierdoor hoef je niets te missen als er wat op het bedrijf gebeurt zoals b.v. de geboorte van een kalf of het binnenhalen van de oogst. Als het huis je even te klein wordt kun je naar de koeien toe, de tuin in, je akker bewerken, of genieten van de buitenlucht. Kortom je krijgt de kans mooi te wonen in een plezierige omgeving en bovenal je helemaal boer of tuinder te voelen. Op het terrein is een winkel, dat bespaart tijd voor je huishouden.

Ontmoeten in de Hofzaal

De Hofzaal is de mooie ontmoetingsruimte op het terrein voor jaarfeesten en andere gezamenlijke schoolbijeenkomsten. Daarnaast biedt de zaal ruimte voor: het eetcafé, vergaderingen, toneel- en muziekvoorstellingen, en wat al niet meer. Groepen van 20 personen kunnen overnachten in een eenvoudige slaapaccomodatie, wanneer de activiteiten langer duren dan één dag.

Boodschappen doen in de Hofwinkel

De Hofwinkel is de gezellige boerderijwinkel met producten van het eigen bedrijf, aangevuld tot een volledig assortiment dagelijkse levensmiddelen. Daar kunnen mensen ook kennismaken met medewerkers en studenten van de Warmonderhof, door ontmoeting in de winkel.’

Klik je op deze Hofwinkel, kom je op een speciale website van Do Veltman met een eigen linker menu. Zij schrijft onder ‘(Oud-)Leerlingen van Warmonderhof’:

‘Welkom op de digitale speelplaats voor (oud-)Leerlingen en medewerkers van de Warmonderhof. (...) Alles wat je wilt weten over leven op of leven na Warmonderhof is hier te vinden!’

In de praktijk valt het een beetje tegen, onder ‘Weblog’ is zegge en schrijven één berichtje van 16 september 2007 lezen:

‘Gisteren hebben zo’n 500 mensen gevierd dat Warmonderhof 60 jaar bestaat! Tegen vijf uur vanmorgen kon ik niet meer op mijn voeten staan van vermoeidheid en om zes uur lag ik in bed. Helaas was ik rond 10 uur al weer wakker. Te veel beelden in mijn hoofd die nog verwerkt moeten worden. Medewerkers die de hele dag tegen elkaar riepen als ze elkaar tegen kwamen “het is gaaf hè!”. Oud-schoolgenoten die zeggen “leuk feestje, goed gedaan” als ze je zien.’

Dan via ‘Reünie website’ terug naar de Warmonderhof, om me daar te vergapen aan alles wat onder en achter ‘Stichting’ zit. Ga bijvoorbeeld naar ‘Achtergronden’ en klik achtereenvolgens op ‘De opleiding’ (een uitzonderlijk lang artikel van Tom van Gelder en Léon Veltman over ‘De opleiding op Warmonderhof. Mens worden aan de landbouw’), klik op ‘Groeit en bloeit’ (een heel kort artikel van Ria de Jong, waarschijnlijk voor Triodos Berichten, over ‘Warmonderhof groeit en bloeit’) en klik, als klap op de vuurpijl, op ‘Landbouwcursus’, om daar in ieder geval de eerste vijf voordrachten te vinden van de landbouwcursus van Rudolf Steiner, ingeleid en begeleid door Jan Saal.

Hem komen we trouwens ook tegen onder ‘BD-landbouw’ in het linker menu. Klik bijvoorbeeld op ‘Levenskrachten in compost’, waar hij uitlegt wat hij daaronder verstaat. Hiermee wil ik dit lange bericht dan mooi afsluiten:

‘Het begrip levenskracht neemt in de wereld van de bd-landbouw een bijzondere plaats in. De hele methode is er n.l. op gericht om deze levenskrachten ter beschikking van de planten te krijgen. Daar groeien de planten van en deze levenskrachten komen vrij, wanneer mens en dier de planten als voedingsmiddel verteren. Langs die weg kunnen de levenskrachten mens en dier het leven schenken.

Het is zo wel aardig beschreven, maar het begrip “levenskrachten” blijft toch nog tamelijk abstract. Om het meer inhoud te geven kun je een vergelijking maken met zwaartekracht of aantrekkingskracht. Die kracht kennen we goed, omdat die kracht ook in onszelf aangrijpt. We worden er door naar de aarde getrokken en zwaar van. We kunnen onszelf wegen op de weegschaal. Levenskrachten zijn eigenlijk een soort anti-zwaartekracht, we worden er licht van. Deze kracht maakt dat we onze eigen zwaarte eigenlijk helemaal niet voelen. Wanneer je je arm optilt weegt deze eigenlijk niet zwaar, terwijl hij wel gewicht heeft. Dat voel je wanneer je de arm van iemand anders optilt. Ook het feit dat sapstromen in een plant omhoog gaan, wordt door levenskrachten gerealiseerd. Daarom kunnen bomen hoger worden dan 10 meter, hetgeen natuurkundig eigenlijk niet te verklaren is.

Vanuit de antroposofie (waar de bd-landbouwmethode uit voortkomt) komen we te weten dat levenskrachten kosmische krachten zijn, het tegenovergestelde van de zwaartekracht die van de aarde komt. Levenskrachten stromen uit de kosmos naar de aarde, worden hier opgevangen in de mineralen kalk en kiezel en worden doorgegeven aan de planten met tussenkomst van klei. Daarom moeten planten in de aarde wortelen, om een goed contact met deze krachten te kunnen maken. Zwaartekrachten stromen vanuit de aarde de ruimte in en trekken andere hemellichamen aan. Levenskrachten stromen naar de aarde toe en heffen de zwaarte op.

Wanneer iets niet zwaar is, is het licht. Het is interessant dat in de Nederlandse taal dit lichte, als tegengestelde van zwaar hetzelfde geschreven wordt als licht van bijvoorbeeld zonlicht. De levenskrachten in een plant wordt ook door het zonlicht gewekt. Het ziet er dus naar uit dat levenskrachten niet alleen beschreven kunnen worden als anti-zwaartekracht maar ook als licht-kracht. Dan is het ook niet meer zo vreemd dat deze kracht beïnvloed wordt door het licht van sterren en planeten.

Levenskrachten bestaan dan uit: “door planten omgevormde lichtkrachten”.

Om dat proces van doorgeven en omvormen van levenskrachten goed te laten verlopen is het belangrijk dat in de bouwvoor een klein beetje kalk, kiezel en klei aanwezig is, dat méér met de levenskrachten verwant is gemaakt dan de rest. Dit kleine beetje “verlevendigde minerale aarde” vormt als het ware een soort schakel tussen de plant en de overige minerale aarde. Bij het composteringsproces gaat het er dan ook in belangrijke mate om dat een hoeveelheid (liefst 30%) kalk, kiezel en klei wordt meegecomposteerd. In het composteringsproces krijgt deze minerale fractie die levendigheid die precies nodig is. Daardoor is compost waarin het minerale bestanddeel is meegenomen veel effectiever dan compost waarbij dat niet het geval is. Bovendien verloopt het composteringsproces beter en krijgt de compost ook nog een betere geur en een betere structuur. De beste compost ontstaat wanneer ongeveer 1/3 deel plantaardig materiaal wordt gebruikt, 1/3 deel dierlijk materiaal (mest) en 1/3 deel mineraaal materiaal (kalk, zand en klei).

Het is leuk dat iedereen dat zelf kan uitproberen in het klein of in het groot. Het resultaat kan dan voor zichzelf spreken. Als BD boeren kunnen we ook nog compostpreparaten toevoegen, waardoor het composteringsproces nog verder geoptimaliseerd kan worden.
De levenskrachten die in het composteringsproces vrij komen, worden doorgegeven aan de mineralen. Deze verlevendigde mineralen geven de planten, die op de grond groeien die met deze compost is bemest, een soort aanvangstoot mee, waardoor ze zich beter en gezonder kunnen ontwikkelen, ten gunste van de opbrengst en van de voedingskwaliteit voor mens en dier.

Jan J.C. Saal
Juni 2005’

donderdag 28 augustus 2008

Verwerking

De Wilhelminahof (1994-1997) op de Kop van Zuid, met kantoren voor de gerechtelijke macht (van Kraaijvanger & Urbis), de belasting en de douane (van Dam & Partners). Voor het grote rode bakstenen gebouw is een lensvormige kantoortoren geplaatst en een lager complex met gerechtszalen.

Vandaag richten we opnieuw onze blik op onze oosterburen, tenminste, op het antroposofisch deel daarvan. Hoe vaak spelen we daar niet leentjebuur. Dit keer is het echter precies andersom. Bij het overlijden van Edithe Clercq de Zubli, dat ik op 7 augustus meldde, kwam het al ter sprake: het eindrapport uit 2000 van de Nederlandse ‘Commissie antroposofie en het vraagstuk van de rassen’, waar zij deel van uitmaakte. Afgelopen vrijdag is dan eindelijk de definitieve versie van het ‘Frankfurter Memorandum’ uitgekomen, getiteld ‘Rudolf Steiner und das Thema Rassismus’. Dat had nog heel wat voeten in de aarde. Een conceptversie verscheen al in februari op de website van het Duitse maandblad Info3. Die had de titel ‘Rassismusvorwürfe gegen Rudolf Steiner’ en was geschreven door Ramon Brüll en Jens Heisterkamp, beiden van Info3, de eerste de uitgever, de tweede de hoofdredacteur. Ze hadden zich echter weten te verzekeren van de steun van een respectabel aantal personen uit de antroposofische beweging, die dit ontwerp hadden ondertekend, onder wie ook prominenten. Het was uitdrukkelijk de bedoeling deze versie te bediscussiëren, om dan later dit jaar met een definitieve versie te komen. De discussieronde stond open tot 30 mei, in juni was een besloten symposium met genodigden gepland. Daarna zou de eindversie opgesteld worden. Het liep echter anders.

Op 27 april werd een gezamenlijke verklaring uitgegeven door de redactie van Info3 en het bestuur van de Algemene Antroposofische Vereniging in Dornach, Zwitserland: ‘Rassismus-Vorwürfe aufarbeiten: Ein Bemühen – Zwei Wege’. Daaruit bleek onenigheid hoe met dit onderwerp om te gaan. De ondertekenaars zouden het niet per se met het concept-memorandum eens zijn geweest, maar alleen met het ter sprake brengen van het thema. Maar hoe dat dan het beste kon, dat was nog een open vraag. Het symposium werd in ieder geval afgelast. Wat er verder zou gaan gebeuren, werd nog niet bekend gemaakt.

Tot dat moment waren er slechts negentien commentaren verschenen op het oorspronkelijke bericht op de website van Info3. Maar juist door die verklaring ontstond er een golf van reacties, met een geweldige intensiteit en heftigheid, vooral vanaf 30 mei, die hier uiteindelijk leidde tot maar liefst 547 commentaren. Waarmee duidelijk werd dat dit onderwerp in Duitsland nog lang niet verwerkt is. Op 27 juni hield het opeens op, wat met een allerlaatste reactie op 3 juli werd bevestigd. Maar alleen opeens voor wie niet in de gaten had dat de deelnemers aan de discussie verder waren gegaan op het weblog van Nerone (die ook op mijn blogroll vermeld staat), die deze discussie op 18 juni had proberen samen te vatten. Hier verschenen nog eens 138 commentaren (met een nabrander op 14 juli), totdat de discussie, met een korte maar hevige uitbarsting tussen 25 en 30 juni, op de laatste datum ook hier verstomde.

En dan is er nu opeens toch een definitieve versie van het ‘Frankfurter Memorandum’ verschenen. Niet goedgekeurd of ondertekend door een keur aan antroposofen, maar geheel onder eigen verantwoordelijkheid van Info3. De twee auteurs, Brüll en Heisterkamp, oriënteren zich in belangrijke mate op het rapport uit 2000 van de ‘Commissie antroposofie en het vraagstuk van de rassen’, destijds ingesteld door de Antroposofische Vereniging in Nederland. Zij volgen niet alleen de hoofdlijnen ervan, maar nemen ook de conclusies over. Voor het overige richten zich zij echter op de situatie in Duitsland, met bijbehorende voorbeelden. Interessant zijn ook de drie bijlagen (vanaf blz. 16). De eerste verhaalt over het ontstaan van het memorandum:

‘Die ursprüngliche Absicht der Autoren, auf der Basis dieses Entwurfs gemeinsam mit den Unterzeichnern und anderen Interessierten eine Schlussfassung zu erarbeiten, konnte indessen nicht umgesetzt werden, da sich bald nach der Veröffentlichung sehr unterschiedliche und auch unerwartete Reaktionen zeigten. So stieß zum Beispiel bereits die Tatsache einer Unterstützungsbekundung durch Unterschriften in Teilen der anthroposophischen Bewegung auf heftige Kritik. Während vor allem Menschen, die in den praktischen Lebensfeldern der Anthroposophie stehen, den Vorstoß vielfach begrüßten, gab es auch Stimmen, denen jegliches Verständnis für ein solches Vorgehen fehlte. In einem mehrere Monate andauernden, lebhaften Diskussionsprozess (u.a. auf der info3-Website und in nahezu allen anthroposophischen Zeitschriften) zeichneten sich, grob vereinfacht, drei unterschiedliche Haltungen in dieser Frage ab (...)

Die Verfasser sind dankbar für die vielfältigen Reaktionen auf ihren Vorstoß. Zahlreiche Anregungen aus schriftlich eingegangenen Kommentaren und intensiven Gesprächen wurden bei der Endredaktion berücksichtigt. Außerdem wurden stärker als im Erstentwurf auch Beiträge der historischen Rassismus-Forschung herangezogen. Insgesamt ist so eine gegenüber dem Entwurf erheblich veränderte und verdeutlichte Schlussfassung entstanden. Eine ursprünglich in Erwägung gezogene Unterschriftenaktion haben die Verfasser zugunsten der Erwartung zurückgestellt, dass das Memorandum seine Wirkung durch eine breite Rezeption innerhalb und außerhalb der anthroposophischen Bewegung entfaltet.’

In de tweede bijlage zijn drie recente officiële stellingnames van antroposofische organisaties inzake racisme bij Rudolf Steiner opgenomen. En de derde bijlage is ons al bekend: het is een vertaling van het door Gerard Kerkvliet in 2000 geschreven uitvoerige bericht over ‘Onderzoek “Antroposofie en het vraagstuk van de rassen’”, zoals dit door de Antroposofische Vereniging in Nederland is geautoriseerd en als zodanig op haar website geplaatst.

Op deze manier zal het memorandum in het septembernummer van Info3 worden gepubliceerd. De vraag is nu welke uitwerking dit in Duitsland zal hebben, nu het geen gezamenlijke actie heeft kunnen worden van de verschillende antroposofische organisaties en de Antroposofische Vereniging. Uitwerking niet alleen in antroposofische kringen, maar ook in de publieke opinie, die inzake antroposofie bij tijd en wijle ook in Duitsland onder sterke druk staat.

dinsdag 26 augustus 2008

Privé-universiteit

Een van de eerste projecten op de Wilhelminapier, meteen aan de voet van de Erasmusbrug op de Kop van Zuid, is het 98 meter hoge kantoorgebouw Belvédère van KPN, ontworpen door Renzo Piano van 1997 tot 2000. De hoek die het gebouw maakt is dit keer geen illusie van de groothoeklens van mijn camera (niet helemaal tenminste), maar een reële helling van bijna 6%, gelijk aan die van de toren van Pisa. Hierdoor buigt het gebouw mee met de kabels van de Erasmusbrug, gestut door een stalen kolom van bijna vijftig meter. Verdere bijzonderheden: de gevel vormt een gigantische lichtkrant van 48 bij 85 meter, met een raster van 1,80 meter en duizend lampen.

De privé-universiteit Witten Herdecke in Duitsland heeft verschillende keren op dit weblog gefigureerd. Vandaag gaan we opnieuw de oostelijke grens over, om over opmerkelijke nieuwe ontwikkelingen daar te horen. Een en ander wordt prima samengevat in een nieuwsbericht van het internationale antroposofische persagentschap NAA (News Network Anthroposophy Limited). Die hebben copyright op hun teksten, dus kan ik die met geen mogelijkheid zonder hun uitdrukkelijke toestemming weergeven (hoewel over hetzelfde elders ook te lezen is, soms zelfs integraal overgenomen). Maar ik kan het wel in het Nederlands hier navertellen.

Het gaat om de financiering van deze oudste privé-universiteit in Duitsland, opgericht in april 1983, waarbij Gerhard Kienle aan de basis stond, zoals ik op 15 juli schreef in ‘Omtrekkende beweging’. Die financiering is altijd een probleem geweest, wat op zichzelf te begrijpen valt. Een universiteit financier je niet zomaar. Zij moet zich daardoor inlaten met partners van diverse pluimage. Allerlei kapitaalkrachtige bedrijven en organisaties treden op als subsidieverstrekker.

Bijvoorbeeld Stiftung Rehabilitation Heidelberg (SRH), een opleidings- en gezondheidsconcern dat al vijf hogescholen en diverse ziekenhuizen in Duitsland financiert. Die was tenminste in the picture anderhalf jaar geleden om ook Witten Herdecke over te nemen. Het zou een aantrekkelijk aanbod hebben gedaan. Maar dat stuitte op verzet binnen de universiteit, die bijna altijd al verlies lijdt, met een bedrag van momenteel zes miljoen euro per jaar. Dat zou vanaf dat moment namelijk uit den boze zijn. Welke rigoureuze maatregelen zouden er worden genomen om te voorkomen dat er verlies werd geleden en zou Witten Herdecke dan nog wel dezelfde zijn?

De problemen waren al groter geworden in 2005. Een rapport van de wetenschapsraad was vernietigend over de medische opleiding, van oudsher het paradepaardje van de universiteit. Dat leidde tot structurele veranderingen het jaar daarop, maar daar was niet iedereen blij mee. Het innovatieve karakter van de universiteit dreigde verloren te gaan. Voor Konrad Schily aanleiding om uit de directie te stappen. Hij was ontevreden over het feit dat economische motieven op deze manier steeds meer de dienst gingen uitmaken. Schily is parlementslid voor de SPD (en inderdaad broer van de oud-minister van Binnenlandse Zaken, Otto Schily). Hij was het die samen met de later vermoorde bankier Alfred Herrnhausen de universiteit had opgericht. Hoewel reeds op leeftijd, was zijn vertrek toch een gevoelige aderlating, of in ieder geval een ongunstig teken.

Behalve SRH in Heidelberg was ook de softwaregigant Software AG Stiftung uit Darmstadt met Witten Herdecke in gesprek geweest. Maar deze mogelijkheid was afgeketst; het bedrijf (of eigenlijk het zelfstandig gemaakte fonds ervan) besloot zich op andere doelen te richten.

Een nieuwe fase leek in te gaan, toen een kapitaalkrachtige familieonderneming uit Düsseldorf zich bereid verklaarde in het bootje van de universiteit te stappen. Hierdoor ontstond in 2007 voor de universiteit de mogelijkheid om de vorm van een stichting aan te nemen, naar het model van privé-universiteiten in Engeland. Het familiebedrijf, Droege International Group, stond namelijk garant voor een bedrag van twaalf miljoen euro over een periode van zeven jaar. Het aanbod van SRH was hierdoor ook niet meer nodig.

Maar naar afgelopen week bekend werd, heeft Witten Herdecke de contacten met Droege nu beëindigd, een jaar nadat de gesprekken begonnen waren. Of omgekeerd, heeft Droege die onderhandelingen beëindigd. Het maakt ook niet zoveel uit. Over en weer worden elkaar verwijten gemaakt, nadere bijzonderheden kunt u in de diverse persberichten lezen. Volgens de universiteit heeft deze uitkomst echter geen gevolgen, ook financieel zouden er geen echte problemen ontstaan. Men gaat door op de vorig jaar ingeslagen weg.

Het wegvallen van de hoofdsponsor biedt weer ruimte aan andere spelers, die zich graag willen tooien met het innovatieve concept en imago van deze geplaagde privé-universiteit. Verschillende directe en kapitaalkrachtige betrokkenen hebben in persberichten al hun steun uitgesproken aan de huidige richting die Witten Herdecke volgt.

maandag 25 augustus 2008

Problemen

Op deze foto met de blik op het westen verschillende gebouwen die inmiddels bekend zullen zijn. Maar op de voorgrond is een gedeelte van een uitbouw te zien (op de plaats waar de brug omhoog kan), waardoor je met een mooi uitzicht even aan de kant kunt gaan, met daarop de naam: Erasmusbrug.

‘De Huigendijk, in vroeger tijden de enige verbindingsweg door het moerassige midden van Noord-Holland, slingert zich door het polderlandschap van de Schermer en Heerhugowaard naar het dorp Oterleek.

Net over de ringvaart, staat daar Korenmolen de Otter op een kruispunt van wegen en waterwegen. Eeuwenlang maalde zij graan voor de bewoners in de wijde omtrek. Een bijzondere molen, want als enige in dit land vol molens maalt zij graan in plaats van water. Sinds de zeventiende eeuw wordt op deze plaats meel gemalen waarvan de laatste twintig jaar biologisch. Nadat de laatste molenaar vanwege zijn leeftijd het maalbedrijf heeft beëindigd, heeft de Otter vanaf januari 2008 een nieuwe functie. Namelijk een beschermde werkomgeving bieden aan mensen voor wie “gewoon” werk te ingewikkeld of veeleisend is en waarin het ambacht centraal staat.’

Dit poëtische beeld wordt geschetst op de website van de Raphaëlstichting. Bij het ‘Laatste nieuws’ wordt ook de opening gemeld, die anderhalve maand geleden plaatsvond:

‘Op 6 juni werd Korenmolen de Otter officieel geopend. De openingshandeling werd verricht door Mw. Sascha Baggerman, gedeputeerde Zorg, Welzijn, Cultuur en Sport van de provincie Noord-Holland. Door het lichten van de vang stelde zij de molen in werking. Op dat moment lieten alle aanwezigen ballonnen los die op de stevige wind hoog de lucht invlogen. Korenmolen de Otter is een samenwerkingsproject van de Raphaëlstichting met Stichting Schermer Molens. Op het terrein van de molen is ook een winkel en een bakkerij. Er werken zestien cliënten, voor het merendeel afkomstig van Breidablick.’

Maar op de website van het Noordhollands Dagblad was afgelopen donderdag dit alarmerende bericht met de titel ‘Molenproject Breidablick stil door conflict’ te lezen:

‘Het werkproject van Breidablick in korenmolen De Otter in Oterleek ligt op een oor door intern gekrakeel. Op 6 juni opende gedeputeerde Sascha Baggerman de monumentale molen met bakkerswinkel aan de Noordschermerdijk nog officieel, maar een maand later ging de boel alweer op slot.

De Otter is een samenwerkingsproject van de Raphaëlstichting met Stichting Schermer Molens, en biedt sinds 11 januari werk en dagbesteding aan mensen met lichamelijke of verstandelijke handicap. Klanten die van heinde en verre naar Oterleek komen om vers gemalen meel, brood en taarten te kopen, treffen een vaste deur en een briefje met de tekst: “Wegens ziekte gesloten tot nader order”.

Oorzaak van de sluiting is een arbeidsconflict tussen Breidablick, onderdeel van de Raphaëlstichting, en twee bij dit project betrokken werknemers: molenaar Guntram Jelko en Dinie Modder. Zij was aangesteld om de winkel te runnen en de Breidablick-cliënten te begeleiden. Beiden hebben zich ziek gemeld.’

Verdere bijzonderheden waren alleen in de papieren editie van vrijdag te lezen.

Blijkbaar noopte deze berichtgeving de Raphaëlstichting om stelling te nemen. Dat gebeurde vandaag in een persbericht op de eigen website. Daarin meldt men de verwachting ‘dat Korenmolen De Otter op korte termijn weer open gaat’:

‘Het bestuur van de Raphaëlstichting heeft kennis genomen van de berichtgeving in het Noordhollands Dagblad van 22 augustus jl. omtrent de sluiting van Korenmolen De Otter te Oterleek.

Het bestuur wil daarbij graag het volgende opmerken. Zij betreurt het ten zeerste dat de molen kort na de opening moest worden gesloten. Vooral ook omdat zoveel betrokkenen zich enorm hebben ingespannen om dit project te realiseren en tot een succes te maken. En zij betreurt het vooral ook voor de cliënten, die juist voor deze dagbesteding hebben gekozen.

Om begrijpelijke redenen is dit niet de juiste plaats om in te gaan op de oorzaken van de (tijdelijke) sluiting. Wij realiseren ons echter goed dat de sluiting veel onbegrip oproept bij de plaatselijke bevolking, bij onze cliënten en bij de partners van de Raphaëlstichting, zoals de Stichting Schermer Molens. In de korte tijd dat de molen open was, is er al een vaste klantenkring opgebouwd voor ondermeer het dagelijks verse brood. Ook de draaiende molen in het landschap op die plek was een positief gezichtsbepalend element.

Op dit moment wordt er hard gewerkt aan een oplossing met de betrokkenen zodat de molen, bakkerij en de winkel zo snel mogelijk weer kunnen opengaan. Wij hopen dan ook op korte termijn met een positief bericht te kunnen komen, en dat de molen weer draait en het brood weer gebakken wordt. Dit bericht wordt mede namens de leiding van Breidablick en de werkplaatsleiding van De Otter uitgegeven.’

En dat allemaal net op een moment dat er weer een nieuw kleurrijk jaarverslag is verschenen. Het vorige hebben we hier een tijdje terug gemeld, in het bericht met de titel ‘Esthetiek’ op 1 juli. In deze nieuwe brochure voor 2008 staat de officiële opening van Korenmolen de Otter ook vermeld (op blz. 9) en verder:

‘Het dagbestedingsproject – dat in samenwerking met Stichting Schermer Molens tot stand is gekomen – valt organisatorisch onder Breidablick. Er is plaats voor 16 deelnemers. In een winkel naast de molen worden de eigen producten, zoals brood, meel en pasta verkocht. Er komt nog een uitspanning waar ook roeiers kunnen aanleggen.’

Maar in dit verslag is nog veel meer wetenswaardigs te vinden. Bijvoorbeeld het opvallende bericht onder de titel ‘Luchtig Amsterdams’ op blz. 23, als bijschrijft bij een vrolijke foto:

‘Bakkersbrigade van Iambe in de Van Ostadestraat in Amsterdam. Behalve in de bakkerij kunnen jongeren die bij Iambe werken ook aan de slag in de winkel of de textielwerkplaats. De bakkerij is vermaard om de heerlijke croissants die na een lovende recensie van culinair journalist Johannes van Dam tot ware toppers in het assortiment zijn uitgegroeid.’

Ook het Meerjarenbeleidsplan 2007-2009 op dezelfde plek is weer te downloaden, nadat dit lange tijd technisch helaas niet mogelijk was.

zondag 24 augustus 2008

Beuys in Zwolle

Na het honderdste bericht gisteren, is dit alweer de veertigste foto op rij (totnogtoe geen een weggelaten). Het is nog altijd rond acht uur in de vroege zondagmorgen van 20 juli 2008 (drie minuten over acht om precies te zijn, er zijn sinds de eerste foto dus elf minuten verstreken), lopend op de Erasmusbrug over de Maas, in de richting van de Kop van Zuid, en hier terugkijkend naar het noorden.

Als je eenmaal over kunst begint, kun je meteen doorgaan...

De verwijzing naar Beuys in de eerdere bijdrage van vandaag brengt mij bij het onderdeel ‘Kunst / Ambacht’ op AntroVista. Daar staat onder de kop ‘Beuys in Zwolle’ dit te lezen:

‘In Museum De Fundatie in Zwolle is tot en met 31 augustus a.s. werk van Joseph Beuys te zien. Het museum toont 63 van zijn tekeningen die worden getoond in combinatie met tekeningen van anderen, waaronder Van Gogh, Rodin, Rembrandt, Corneille, Breitner en Lucebert. Zo wil deze tentoonstelling uitnodigen om te vergelijken, om overeenkomsten of juist verschillen te zien. Uit de informatie van het museum:

“Beuys tekende zijn hele kunstenaarsloopbaan lang. Vooral in de vroege jaren onstonden bergen van tekeningen. Niet als afvalproducten, niet als schetsjes die later mochten worden weggegooid. Nee, Beuys greep altijd weer op vroege tekeningen terug. Hij zei zelfs ooit dat al zijn latere werk, zijn beroemde installaties en fameuze performances (die hij Aktion noemde) hun kiem in de vroege tekeningen hadden. Alle onderwerpen waren daar al aanwezig.”

Beuys was niet alleen een opmerkelijk kunstenaar vanwege zijn adagium dat in elk mens een kunstenaar schuilt, maar liet zich in zijn werk (waaronder maatschappelijk gerichte acties en performances) ook inspireren door Rudolf Steiners visie op een gezonde samenleving: de sociale driegeleding. Het zal menigeen dan ook goed doen dat de beginselen van de driegeleding, al is het dan in een museum, op een van de wanden beknopt maar min of meer adequaat verwoord zijn.’

Hieronder staat heel handig meteen ook een link naar het museum. De aanleiding tot de tentoonstelling blijkt te liggen in een gastconservatorschap en in het combineren van twee verschillende verzamelingen:

‘In “Beuys en Hannema – Kleine confrontaties” combineert gastconservator Ron Manheim tekeningen uit de verzameling van Dirk Hannema met tekeningen van Joseph Beuys (1921-1986) uit de collectie van Schloss Moyland in Bedburg-Hau (D). Manheim was tot begin dit jaar waarnemend artistiek directeur van Museum Schloss Moyland, waar permanent aandacht wordt besteed aan het werk van Beuys. De collectie van Hannema bevat tekeningen van de late renaissance tot de moderne tijd, met kunstenaars als Rembrandt, Boucher, Van Gogh, Matisse, Picasso en Lucebert.’

Eenmaal hier aangekomen kun je doorklikken naar de webpagina die in zijn geheel juist over deze tentoonstelling gaat. Ook wat daar staat is heel interessant.

‘Joseph Beuys was beeldhouwer van professie. Maar aan de basis van alle beeldende kunst ligt de tekening. Dat wist hij heel goed. Tekenen is de meest fundamentele en de meest individuele kunstuiting. De lijfelijke aanraking met de materiële wereld kent drie hoofdvormen: barrevoets lopen, strelen en tekenen. Bij alle drie ervaren we de wereld in direct lichamelijk contact met onszelf. Bij het tekenen tast de hand met potlood, pen of penseel niet alleen het vlak van de confrontatie af, maar vindt precies daar de mogelijkheid sporen van zijn denken en voelen materieel achter te laten. En wel met een bijzondere lichamelijke directheid: motoriek, zintuigen, gevoel en geest vormen in die situatie een onlosmakelijke eenheid. Daardoor blijft een echte tekening altijd fris en nieuw, ook al is ie eeuwen oud en het papier vergeeld.

Beuys tekende zijn hele kunstenaarsloopbaan lang. Vooral in de vroege jaren onstonden bergen van tekeningen. Niet als afvalproducten, niet als schetsjes die later mochten worden weggegooid. Nee, Beuys greep altijd weer op vroege tekeningen terug. Hij zei zelfs ooit dat al zijn latere werk, zijn beroemde installaties en fameuze performances (die hij Aktion noemde) hun kiem in de vroege tekeningen hadden. Alle onderwerpen waren daar al aanwezig. Beuys stelde het dan ook zeer op prijs dat de gebroeders Van der Grinten, de oprichters van Museum Schloss Moyland, de waarde van een paar potloodlijntjes begrepen en alles verzamelden, inclusief de hele kleine krabbels.

De tentoonstelling in Museum de Fundatie kan gezien worden als een keuze van mooie tekeningen, gewoon stuk voor stuk, om jezelf te vragen wat je mooi of interessant vindt en waarom. Maar de mens ontwikkelt zich door vergelijken. Door te vergelijken kan iedereen “kijkend rijker” worden. Iedere liefhebber van kunst kent dat gevoel: Je staat voor een tekening of een schilderij, je bent geboeid, kijkt intensief, maar je blijft zitten met het gevoel, dat er meer te zien is dan je ziet. Deze tentoonstelling met zijn ongebruikelijke confrontaties kan helpen een tipje van die raadselachtige sluier op te lichten. Het geheim zit in de vierkante millimeter – letterlijk en figuurlijk. Bij het vergelijken van de zo verschillende werken die plotseling elkaars nabijheid hebben gevonden, of opgedrongen hebben gekregen, vallen er dingen op die tevoren onzichtbaar waren: de ongelooflijke trefzekerheid van een lijn, de betekenis van een klein detail voor de hele compositie en soms zelfs het verhaal achter het verhaal.

Kleine confrontaties toont 140 tekeningen. Naast de 63 werken van Joseph Beuys onder meer werk van Vincent van Gogh, François Boucher, Jaques Lipchitz, George Hendrik Breitner, Auguste Rodin, Jan Wiegers, Pablo Picasso, Lucebert en Henri Matisse.’

Reclame

De tram is de Erasmusbrug in noordelijke richting opgereden en komt nu aan op de plek waar een gedeelte van de brug omhoog kan, om schepen door te laten (vandaar de stopstreep, de stoplichten en de verzwaarde bovenleiding). Op de achtergrond is aan de rechterkant het gerechtsgebouw te zien, dat van dichtbij ook een rol speelt op televisie, in het openingsbeeld (mensen met toga’s) van een bepaald reclameblok met sterspotjes bij de publieke omroep.

Vandaag maak ik reclame voor een komende tentoonstelling van Gijs Frieling in het Bonnefantenmuseum in Maastricht, van 9 september 2008 tot en met 25 januari 2009. De kunstenaar zelf schrijft in een algemene mail, die ik gisteren van hem kreeg, aan iedereen die belangstelling heeft:

‘Vanaf zaterdag 30 augustus tot en met vrijdag 5 september werk ik samen met vijf assistenten in het Bonnefantenmuseum aan een nieuwe muurschildering met de titel: “A mon seul desir”. Deze woorden staan op de tent van “La Dame et l’unicorne” uit de gelijknamige veertiende-eeuwse tapijtenserie die thans in het Musée Cluny in Parijs hangt. Dit werk (het is een allegorie op de vijf zintuigen en hun synthese in de menselijke geest) is een van de inspiratiebronnen voor de schildering. Ook benadrukt de titel het belang van het verlangen in de kunst.

Ik geloof steeds meer dat het verlangen naar een beeld, het verlangen om iets bepaalds te zien het enige is waar ik als kunstenaar op kan koersen. Ik verlang naar een beeld waarin de natuur als een schepping verschijnt, als een verschijnsel dat een eigen leven heeft en tegelijkertijd helemaal geordend is.

De muurschildering zal de hele ruimte bedekken (een van de twee “okselzalen”), in het midden zal in vitrines en op meubels van Dom Hans van der Laan een selectie van mijn boeken over Hindelooper schilderkunst, projectieve geometrie, plantengroei en andere inspiratiebronnen te zien zijn. Ook zijn er maquettes van een aantal platonische lichamen van mijn grootmoeder Nelke van Osselen en kleine papieren kopieën van sculpturen van Donald Judd van mijn hand in de vitrines te zien. Op de schildering hangen schilderijen, tekeningen en door mijn moeder geborduurde versies van mijn werk.

Het werken aan “A mon seul desir” is openbaar. De opening is op zondag 7 september om twee uur. Ik hoop je tijdens het schilderen of op de opening te zien.’

En dit is de aankondigingstekst op de website (waar het meeste dat u moet weten al in staat, dus veel meer commentaar van mijn kant is hierbij niet meer nodig):

Met A Mon Seul Désir, een overrompelende all-over muurschildering in een van de grote zalen van het museum, laat de Nederlandse schilder Gijs Frieling (1966, Amsterdam) welbewust oude tijden herleven. De zinderende kleuren en het ornamenteel programma zijn op deze schaal bijna fysiek ervaarbaar en geven kracht aan Frielings uitspraak dat het realiseren van je diepere verlangens ‘het toppunt van moed’ is. In Frielings onorthodoxe kunstopvatting heeft de 15e-eeuwse uitvinding van het centraal perspectief en Duchamps concept van de ready made veel ‘wezenlijks buiten de kunst gesloten’. Hij herkent zichzelf in Joseph Beuys, de Duitse kunstenaar-sjamaan die kunst in samenhang met het leven wilde begrijpen.

Voor Frieling staat het losse schilderij symbool voor het huidige isolement van de kunst. Haar autonome status en allerlei bestaande opvattingen over originaliteit en persoonlijk handschrift maken het hem onmogelijk wezenlijker zaken in de kunst uit te dragen. In zijn hang naar religieus geïnspireerde gesamtkunstwerken – waarin architectuur, ruimte, beeld, functie en menselijke aanwezigheid harmonieus samenvallen – sluit de kunstenaar daarom liever aan bij bestaande decoratieve en folkloristische tradities zoals de inheemse traditie van de Hindelooper schilderkunst.

Zoals elke muurschildering van Frieling is ook A Mon Seul Désir gebaseerd op een programma van nauw omschreven schilderkunstige handelingen. De vele gestileerde bloem- en plantmotieven – ‘Kingdoms’ noemt de kunstenaar ze – komen volgens deze strenge systematiek en op ambachtelijke wijze met hulp van assistenten tot stand. De consequente opbouw in lagen en de herhaling van motieven doet in de schildering een ritmiek ontstaan die, aldus Frieling, de ruimte tweedimensionaal laat ervaren. Een streven dat hij naar zijn zeggen deelt met monumentale schilders vóór de uitvinding van het centraal perspectief.

Zijn christelijke geloofsbeleving sterkt Frieling in de juistheid van zijn aanpak: ‘Een sacrament heeft een liturgie. Dat is een soort partituur voor handelingen die altijd hetzelfde zijn. (...) Ieder woord en ieder gebaar ligt als het ware vast. (...) Binnen die partituur van het sacrament voltrekt zich toch iets dat je niet kunt benoemen. (...) De afgelopen jaren werd mijn werk steeds methodischer en wist ik van te voren precies hoe ik het ging maken. Dat is voor mij een manier om me helemaal op de handeling te kunnen concentreren, al je aandacht in de handeling te kunnen stoppen (...) Dus niet meer het schilderen als avontuur. Juist helemaal niet.’

Frielings religiositeit staat zijn ongebonden manier van denken gelukkig niet in de weg. Moeiteloos schakelt hij in gesprekken van 18e eeuwse Oezbekistaanse Ikatweefsels via Deense stijlkamers naar de gekleurde structuren van ‘hardcore’ minimalist Donald Judd, die zich sterk liet beïnvloeden door de kleurprogramma’s van Romaanse kerkfresco’s. Belangrijk voor de kunstenaar was met name zijn grootmoeder, Nelke van Osselen wiens bibliotheek (met veel publicaties over meetkundige principes in de plantenwereld) hij erfde. Als wis- en natuurkundige ontwikkelde zij een reeks kartonnen modellen van platonische lichamen die eveneens getoond worden. De meubels en vitrines zijn van de hand van monnik-architect Dom Hans van der Laan uit de collectie van het Bonnefantenmuseum.

Gijs Frieling won in 1994 De koninklijke subsidie voor Vrije Schilderkunst, in 1999 de basisprijs van Prix de Rome schilderen. Sinds 2006 is hij directeur van het Amsterdamse kunstenaarsinitiatief W139.

zaterdag 23 augustus 2008

Honderd

Een feestje vandaag, vanwege de honderdste bijdrage aan dit weblog. Om dat te vieren, iets speciaals. Ik citeer een lang gedeelte uit het nawoord van Jelle van der Meulen bij ‘Gedichten, spreuken, meditaties’ van Rudolf Steiner (op blz. 169-173), dat handelt over de spreuken die Steiner geschreven heeft:

‘Steiner zag de mens als een wezen dat in zijn ziel tussen twee werkelijkheden leeft, een geestelijke en een materiële. Beide werkelijkheden hadden voor hem een objectief karakter. Zo concreet als wij in de materiële wereld een boom kunnen zien en aanraken, zo concreet kunnen wij in de geestelijke wereld kosmische krachten en wezens waarnemen en ontmoeten. In zijn ontwikkeling heeft de moderne mens zich echter van de geestelijke wereld losgemaakt en is zich meer en meer gaan oriënteren op het materiële leven. Daardoor verwierf hij weliswaar vrijheid en zelfstandigheid, maar hij verloor de band met de geestelijke wereld en werd ‘eenzaam’. Deze huidige fase in de ontwikkeling van de mensheid noemde Steiner die van de bewustzijnsziel: elk individu is zich bewust van zichzelf en heeft het gevoel een innerlijk eiland te zijn dat is omringd door een grote zee van raadsels. De mens is afgesnoerd van de geheimen van het leven, van de natuur, van de wereld van engelen en gestorvenen, kortom van alles wat niet met ogen te zien en met handen te pakken valt. De moderne mens voelt dat al die raadsels erom vragen te worden opgelost en hij ziet tegelijkertijd dat het op de materie gerichte bewustzijn in dat opzicht tekortschiet. Door een raadsel (een bloeiende plant, een ander mens, een mineraal) te wegen en te meten, beantwoord je lang niet alle vragen en leer je het onderzochte object niet wezenlijk kennen.

Wat is bedoeld met wezenlijk kennen en op welke manier kan het leven met een spreuk daartoe bijdragen? In zijn spreuken gaf Steiner bijvoorbeeld beschrijvingen van het wezen van de mens, niet in psychologische, sociale of biologische zin, maar in spirituele. Zijn beschrijvingen brengen het bewustzijn ertoe zich als het ware te verplaatsen van de gewone dagelijkse werkelijkheid naar een werkelijkheid waarin de mens iets van zichzelf ervaart wat onder ‘normale’ omstandigheden onbewust blijft. Dat kan te maken hebben met zijn relatie tot de ruimte om hem heen, tot de tijd, tot de seizoenen, tot de geestelijke wezens die achter de zintuiglijke verschijnselen schuil gaan. (...)

Dat wezenlijk kennen wordt in de westerse cultuur als iets onmogelijks gezien, als iets dat hooguit thuishoort in de sfeer van de metafysica of de theologie. Met de antroposofie wilde Steiner dat westerse dogma doorbreken en laten zien waarom en hoe het mogelijk is, voor elk mens, ongeacht afkomst, opleiding, geslacht, status of ras, een concrete en bewuste (en dus kennende) relatie te krijgen tot die verloren geestelijke wereld. Het uitgangspunt daarbij vormden zijn eigen geestelijke ervaringen, die hij vanaf zijn vroege jeugd had en die hij later systematisch onderzocht en uitbreidde. Pas relatief laat in zijn leven, rond zijn veertigste jaar, begon hij in het openbaar over die geestelijke ervaringen te spreken en te schrijven. (...)

Het tijdstip waarop Steiner spreuken begon te schrijven valt samen met het moment dat hij over zijn geestelijke ervaringen begon te spreken. Enkele jaren na zijn kennismaking met de theosofische kringen in Berlijn die oor hadden voor zijn geesteswetenschappelijke beschouwingen, nam Steiner de taak op zich om in het kader van de Theosofische Vereniging een Esoterische School op te zetten. De eerste spreuken die hij schreef, waren bedoeld voor de leerlingen van die school. Zijn eerste meer dichterlijke spreuk, het gedicht ‘Winterzonnewende’ uit 1906, is in een even veelzeggende omstandigheid ontstaan, namelijk tijdens openbare voordrachten, die hij in Berlijn begon te houden over de antroposofie. In die voordrachten, die hij daar tot 1918 jaarlijks hield voor een algemeen publiek, ging hij vooral in op algemene levensvragen en actuele maatschappelijke kwesties. Ook hier geldt dat de oorsprong ligt in een nieuwe situatie, namelijk in de omstandigheid dat hij voor een openbaar publiek over zijn geestelijke inzichten begon te spreken.

(...) Over het algemeen kan gezegd worden dat de meditatieve spreuken, vooral die uit de eerste tijd, streng van opbouw zijn. Zij bestaan altijd uit zeven regels, hebben een duidelijk metrische structuur en bevatten vaak beelden met een ondubbelzinnig karakter. In de regel is eenmalige lezing voldoende om structuur en betekenis ervan te doorzien. Ook is er veelal sprake van een direct herkenbaar perspectief: ofwel de spreuken staan in de ik-vorm, ofwel de ziel wordt (door een verborgen ‘ik‘, dat het ik van de gebruiker is) aangesproken in de jij-vorm. Van alle meditatieve spreuken kan gezegd worden dat zij de vorm hebben van een ‘innerlijke dialoog’: de gebruiker ervan ‘spreekt’ in de binnenwereld van zijn ziel met zichzelf of tot zichzelf. In zekere zin brengen de meditatiespreuken in het innerlijk van de gebruiker op een vanzelfsprekende manier een dubbel perspectief aan. Er is een ‘hoger ik’ dat de teksten spreekt tot een ‘lager ik‘; doordat het ‘lager ik’ zich overgeeft aan de inhoud en de vorm van de spreuk ontstaat een beoogd samenvloeien met het ‘hoger ik’.

In De weg tot inzicht in hogere werelden (1904/05), geschreven in de jaren waarin hij bezig was met de inrichting van de Esoterische School, zegt hij het volgende: ‘Wie zich door de meditatie verheft tot wat de mens met de geest verbindt, begint in zichzelf dat wat eeuwig in hem is, wat niet begrensd is door geboorte en dood, tot leven te wekken. Alleen zij die dat eeuwige niet zelf hebben beleefd, kunnen twijfelen aan het bestaan ervan. Meditatie is dus de weg die de mens ook tot het erkennen, het aanschouwen van zijn eeuwige, onvernietigbare wezenskern voert.’

vrijdag 22 augustus 2008

Kwakzalvers

Een mooie bijdrage vandaag op de Iocob-website. Ik neem aan weer van Jan Keppel Hesselink zelf, dit is tenminste een van zijn onderwerpen. Ook de schrijffouten zijn karakteristiek voor hem. Maar het gaat om de inhoud. Hij blijft in gevecht met de Vereniging tegen de Kwakzalverij, en dat is terecht. Je moet je laten inspireren door de argumenten die zij gebruiken. En dat doet hij met verve. Zijn betoog in ‘Huisartsen, neurologen, chirurgen: allemaal kwakzalvers?’ is te mooi om dat aan je neus voorbij te laten gaan. Dus ik laat het begin hier gewoon volgen:

‘De vereniging tegen de kwakzalverij streeft naar eigen mening een nobel doel na, en we horen met grote regelmaat veel van hen. Reden om eens te kijken naar hun invalshoek. Op de website van de Vereniging vinden we de definitie van kwakzalverij: “Onder kwakzalverij verstaan we het toepassen van behandelmethoden en/of onderzoeksmethoden waarvan het nut niet wetenschappelijk is aangetoond.”

Huisartsen, neurologen, orthopeden en chirurgen behoren volgens hun definitie daartoe. We zullen dat toelichten. Het laat zien dat hun definitie nergens op slaat. Vrijwel alle artsen voeren onbewezen behandelingen uit, of zetten behandelingen in, waarvan het nut zelfs duidelijk betwijfeld wordt!

En dan gaan ze nog een stapje verder. Als onbewezen therapievormen door artsen toegepast worden, vindt de vereniging dat nog erger als dat leken dat doen. We citeren nog even:

“We onderscheiden kwakzalverij in engere zin, d.w.z. bedreven door niet-artsen (voorheen onbevoegden), en zogenoemde medische kwakzalverij: het toepassen van waardeloze therapieën door artsen. Omdat juist artsen door hun wetenschappelijke opleiding beter zouden moeten weten, verdient medische kwakzalverij zo mogelijk nog krachtiger bestrijding dan kwakzalverij in engere zin.”

Huisartsen, chirurgen, neurologen... en orthopeden, allemaal kwakzalvers?

We kunnen de collegae van de vereniging een goede tip geven. Die gaven we al op een radio debat in 2008 tussen Prof.dr. em. Koenen en de voorzitter van IOCOB. Om de naam van de vereniging te veranderen in Vereniging tegen Onbewezen Behandelingen. Dan hebben ze nog veeeeel meer te doen, en misschien zelfs veel meer zinvolle dingen dan dat ze nu doen.’

Volgt een heel rijtje van zulke tegenwoordig algemeen toegepaste behandelingen in de reguliere geneeskunde.

‘En zo kunnen we nog wel een tijdje doorgaan. Kijk onder de gerelateerde artikelen voor meer details.

De reguliere geneeskunde bevat net zoals de niet reguliere veel wat nooit bewezen is, of zelfs bewezen is dat het niet nuttig is. Daarom is de discussie over de veiligheid ervan, die je vrijwel nooit hoort, eigenlijk minstens zo belangrijk, en misschien wel veel belangrijker.’

‘Iedereen richt zich steeds op bewijzen van werkzaamheid. Maar de veiligheid is minstens zo belangrijk. En nu wil het geval dat juist veel niet reguliere behandelingen relatief veiliger zijn dan regulier! Dat moeten we ons ook eens beter realiseren.’

Lees de rest van de argumentatie bij Iocob. Dit artikel is een mooi voorbeeld van een redenering die door iemand wordt gebruikt ad absurdum te voeren, door hem gewoon verder te denken.

Ik kan niet genoeg mijn sympathie uitspreken voor dit soort initiatieven. Ik ben er jaloers op en schaam mij dat antroposofen het in deze zaken totaal lijken af te laten weten.

donderdag 21 augustus 2008

Veredeling

Vandaag het derde deel van het vervolgverhaal over Edith Lammerts van Bueren. Een lang deel, dat wel, maar ook interessant. In het commentaar gisteren gaf Barbara al aan dat Edith Lammerts in Modena in Italië, tijdens het IFOAM-congres van 18 tot en met 20 juni 2008, opnieuw tot voorzitter van het European Consortium for Organic plant breeding (ECO-PB) is gekozen. Deze organisatie kwam gisteren ook al ter sprake. Zij werd op 21 april 2001 in Driebergen opgericht. In het tijdschrift Kiemkracht van winter 2006 vertelde Edith Lammerts hier meer over.

Eco-Pb is de Europese koepelorganisatie ter bevordering van biologische plantenveredeling. Stichting Zaadgoed is vanaf het eerste uur aangesloten bij Eco-Pb. Maar wat doet deze organisatie precies? We vroegen het Edith Lammerts van Bueren, een van de oprichters van Eco-Pb – en van Stichting Zaadgoed – en tevens hoogleraar biologische plantenveredeling in Wageningen.

“Eco Pb wil biologische plantenveredeling stimuleren en verder ontwikkelen door internationale kennisuitwisseling te bevorderen, onderzoeksprogramma’s op te zetten en te lobbyen voor goede wetgeving. Dit doen we onder andere door het organiseren van internationale workshops en conferenties. Bijvoorbeeld over geschikte veredelingstechnieken, het gebruik van biologisch zaad in de biologische landbouw en de rol van boeren en tuinders bij het veredelingsproces. Zo hebben we deze zomer in Frankrijk een succesvolle workshop georganiseerd over het belang van participatieve veredeling – veredeling voor, door en met de hulp van boeren en tuinders – voor de biologische landbouw. Meer dan honderd telers, onderzoekers en veredelaars uit 28 landen hebben daar hun ervaringen uitgewisseld en de belangrijkste onderzoeksvragen op een rij gezet. Eco-PB zet zich ook al jaren in voor de bescherming van de zogenaamde ‘conservation varieties’, oftwel landrassen. Het gaat hierbij om oude regionale rassen die vaak jarenlang door boeren gebruikt zijn. Daardoor zijn ze goed aangepast aan de lokale omstandigheden. Veel van deze rassen liggen bij genenbanken in de diepvries. De Europese regelgeving, waar nu aan gewerkt wordt, moet er voor zorgen dat deze oude rassen weer op het veld komen te staan en dat ze ook verhandeld mogen worden.”

Over dit onderwerp sprak zij in hetzelfde interview door Brigitte Langner in Kiemkracht van winter/voorjaar 2004, dat ik gisteren ook al aanhaalde, getiteld ‘Werken aan biologische wortels’:

Er is ook een samenwerkingsproject met de Wageningse genenbank afgerond. De genenbank bewaart zaden van een groot aantal oude groenterassen in de diepvries die niet meer in de industriële teelten gebruikt worden. Niet telen betekent voor gewassen verdwijnen. Hier ligt een schat aan waardevolle planteneigenschappen opgeslagen die anders verloren gegaan was, ons culturele erfgoed, dat door de eeuwen heen door boeren zelf is ontwikkeld.

Edith: “De samenwerking met de genenbank is belangrijk omdat hier de bron is voor genetische diversiteit, of te wel een rijke schat aan meest diverse planteneigenschappen. In een selectieproef op het veld hebben we een groot aantal oude uienrassen vergeleken en de rassen met nuttige eigenschappen geselecteerd. Soms wordt er ook een vergeten ras herontdekt zoals de gele peen. Met de naam ‘gele Limburger’ omdat die in Limburg ontstaan is. Met het volgende project gaan we op zoek naar de mogelijke rol van een dikkere waslaag op koolbladeren voor een hogere weerstand bij kool voor schimmels en insecten. Daarvoor worden diverse oude koolrassen naast elkaar uitgezaaid en vergeleken.”

De hamvraag is of wij als consument er nu op kunnen vertrouwen dat de oorsprong van al onze biologische groenten biologisch is. Edith: “Het belangrijkste begin is er, maar het aanbod van biologische zaden is zeker nog niet volledig. Van een aantal gewassen ontbreken nog geschikte rassen die nodig zijn om jaarrond biologisch te kunnen telen, bijvoorbeeld van prei en peen. In de wortelteelt hebben we de techniek van de zaadteelt nog niet onder de knie. Zo gaat bij peen nog te veel zaad door lastige schimmels verloren. Met chemische bestrijdingsmiddelen in de gangbare landbouw had men daar geen last van, daarom is aan dit probleem nooit aandacht besteed. Op dit vlak valt er voor de biologische landbouw nog veel te verbeteren.”

Een groot probleem werd op 23 mei 2006 op de website gentech.nl aangesneden, waar ECO-PB heel direct werk van maakte:

‘Prof. Dr. Edith Lammerts van Bueren en Klaus-Peter Wilbois, voorzitter en secretaris van het Europese Consortium voor Biologische Plantenveredeling (ECO-PB), hebben een brief geschreven aan drie Eurocommissarissen over de drempelwaarden voor gentech-besmetting van zaden, die nog steeds niet formeel vastgelegd zijn. Het ECO-PB vraagt de Commissarissen van Landbouw, Milieu en Gezondheid en Consumentenbescherming om de zaad-drempelwaarde vast te leggen op de laagst meetbare waarde, momenteel 0,1%. Dit voor alle zaden, niet alleen de biologische – want de biologische zaadproductie hangt nog grotendeels af van gangbare zaden, zodat het onmogelijk is om twee verschillende drempelwaarden toe te passen. Besmetting van biologische producten is uitermate schadelijk voor het consumentenvertrouwen, schrijven Lammerts en Wilbois: meetbare gentech-besmetting zal biologische producten “absoluut onverkoopbaar” maken.’

Deze website gentech.nl is speciaal opgezet om een breed publiek beter over deze materie te kunnen informeren. Het is:

‘een initiatief voortgekomen uit een coalitie van kritische maatschappelijke organisaties (NGO’s) om laagdrempelige Nederlandstalige informatie over gentechnologie op internet te ontsluiten waarbij naast de algemene informatie ook (maar niet alleen) de kritische geluiden aan de orde komen. Onderstaande organisaties ondersteunen de totstandkoming van deze website. Dit betekent niet dat alle individuele organisaties automatisch 100% van de tekst onderschrijven. (...) De inhoudelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van de nieuwsberichten ligt enkel en alleen bij de betreffende schrijver. Raadpleeg voor de organisatiestandpunten de afzonderlijke websites.’

Volgt een lijst met deze namen:

A Seed
Both Ends
Dierenbescherming
Friends of the Earth Europe
Goede Waar en Co
Hivos
Kerkinactie
Milieudefensie
Novib
Nederlands Platform Gentechnologie
Wemos
XminY

Waaruit bestaat het wetenschappelijke werk van Edith Lammerts? Een heel concreet onderzoek is een project dat liep van januari 2004 tot en met december 2007: ‘Onderzoek of het selecteren onder gangbare of biologische omstandigheden tot andere/betere resultaten voor de biologische teelt leidt’.

[Doel]:
Het project heeft als doel te onderzoeken of bij de veredeling voor de biologische sector, het selecteren in een biologisch milieu en/of het selecteren door een biologische teler beter aangepaste rassen oplevert (hogere opbrengst, minder ziektes, betere oogststabiliteit).
[Werkwijze]:
Voor gangbare veredelingsbedrijven, die zich ook op de biologische markt richten, is bovenstaande vraag van belang, omdat het uitbereiden van hun selectieprogramma’s met biologische locaties extra kosten met zich mee brengt. Daarnaast is het de vraag of een biologische teler die met andere ogen en vanuit een ander concept naar het gewas kijkt anders (beter) selecteert dan een gangbare veredelaar. Als voorbeeldgewas in dit project is ui geschikt, omdat bekend is dat de genotype x milieu interactie bij uien groot is. Bovendien zijn zowel commerciële zaadbedrijven als biologische telers in ui actief met de veredeling voor de biologische teelt. In dit project wordt het selectieresultaat van selectie door een professionele uienveredelaar onder gangbare en biologische omstandigheden vergeleken. Daarnaast zal een biologische teler in hetzelfde uitgangsmateriaal selecteren. Binnen dit vierjarige project kan de vordering van slechts één generatie beoordeeld worden. Om toch betrouwbare resultaten te verkrijgen zal er zowel in 2004 als in 2005 met hetzelfde uitgangszaad begonnen worden. Als uitgangsmateriaal zijn een aantal brede basis populaties beschikbaar.

Resultaten van 2004, 2005 en 2006 worden vervolgens vermeld. Van 2006 zelfs heel uitgebreid. Maar over 2007 of het eindresultaat vind ik niets. Financier is ‘Directie Kennis’ van het ministerie van LNV (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit). De supervisie over het onderzoek heeft het Louis Bolk Instituut, projectleider is prof.dr. Edith Lammerts van Bueren, werkzaam als bijzonder hoogleraar voor het Laboratorium voor Plantenveredeling (van Wageningen Universiteit en Researchcentrum). De website van dit laboratorium is heel informatief, onmiddellijk is duidelijk welke onderzoeken zijn afgerond en welke nog lopen.

Publicatielijsten van Edith Lammerts van Bueren zijn hier in te zien, en hier.

Interessant is een speciale uitgave van het NJAS, het Wageningen Journal of Life Sciences, Vol 54, No 4 (2007), Values in Organic Agroculture, waaruit ik al eerder heb geciteerd. Ik keer hier nu naar terug. In de inleiding tot dit nummer worden de redenen voor deze speciale uitgave genoemd:

‘The focus in this special issue is on values in organic agriculture. Being a protest movement against developments in industrialized conventional agriculture the organic movement has been value-based from the very beginning. However, organic agriculture is undergoing rapid changes. In some agricultural sectors it is becoming similar to conventional agriculture: growing intensification, specialization and transport over long distances. This “conventionalization” of organic agriculture is worrying many people in the organic movement. They believe that it is incompatible with the organic values and may have a negative impact on the public image of organic farming. Organic agriculture is supported by governments and NGOs because of the public goods it delivers, such as a better environment, animal welfare, and rural development. If these goods are no longer delivered it may have repercussions for the support of the entire organic movement.

It is not surprising therefore that there is an increasing interest in organic value issues, especially since about 2000. The Louis Bolk Institute (LBI) has a long tradition in playing a prominent role, both at the national and international level, in the research on organic concepts and values. This research got a strong impulse in 1999 when the bioethicist Henk Verhoog joined the institute. One of the reasons for publishing this special issue is his retirement. Another reason is that the guest editors and editors believe that the discussion about the organic values is of wider interest than for the organic community alone.

Conventional agriculture too is changing into a more sustainable direction. Ethical values are always future-directed, inspiring people towards a certain course of action. The discussion in the organic movement may therefore be of interest to all who are concerned about the future of agriculture in general.’

De inleiding wordt besloten met:

‘Most authors in this special issue are scientists directly or indirectly related to the LBI. The fact that Henk Verhoog has (co-)authored many of the papers in this issue is testimony to his impact as bioethicist. The scientists of the LBI are very grateful to him for his inspiration and drive to make the values of organic agriculture more explicit. It has become an essential and integral part of the research of the LBI in its contribution to develop organic agriculture, nutrition and human health care.

We are sure that this special issue will pay tribute to that fact and thereby to the role Henk Verhoog has played in realizing this status of the LBI.

Finally, we hope that this issue will prove to be food for thought on the ethical values in agriculture for a wide audience, both within and outside the organic movement.’

In dit nummer een artikel met de titel ‘Organic agriculture requires process rather than product evaluation of novel breeding techniques’, waarbij Edith Lammerts van Bueren als co-auteur optreedt. Ik geef hier de samenvatting weer:

‘In organic agriculture the use of genetically modified organisms (GMOs) is banned. Recently, two novel breeding techniques have been developed, i.e., cisgenesis and reverse breeding, both of which are based on gene technology but should raise less moral concerns from the public. Whether the products of these breeding processes are classified as GMOs depends on the interpretation of the relevant EU regulations. In cisgenic plants, the genes introduced through genetic modification are from a crossable donor plant so that the source of the genes is considered to be of the same nature. In reverse breeding, the recombinant genes, essential to the breeding process, are no longer present in the product resulting from the entire breeding process, and thus the product as such is not transgenic. Should varieties obtained through cisgenesis or reverse breeding be allowed in organic agriculture? The answer to this question depends on whether the product or the process of breeding is taken into account. Assessment based on the product implies a choice of an ethical approach that only considers the extrinsic consequences of human action by making a risk-benefit analysis. It neglects so-called intrinsic, ethical arguments related to the applied technology (the process) itself. The organic movement uses the intrinsic argument of “unnaturalness” against genetic engineering. We therefore conclude that products of cisgenesis and reverse breeding should be subject to the current GMO-regulations in organic agriculture and should thus be banned from organic agriculture.’

Een heel recent artikel van Eveline Thoenes gaat juist over dit onderwerp. De titel ervan is ‘Gentechnologie goed voor het milieu’, het werd op 8 augustus 2008 gepubliceerd in ‘SYNC, hét magazine over innovatie en ondernemen, in Nederland en daarbuiten’. De auteur betoogt hierin dat genetisch gemodificeerde gewassen onterecht in een kwaad daglicht staan en wel degelijk kunnen bijdragen aan duurzamere landbouw zonder chemische bestrijdingsmiddelen.

“Om ziekteverwekkers te herkennen, hebben planten speciale herkenningsgenen. In Wageningen wordt op verschillende afdelingen binnen het Universiteit en Research centrum onderzoek gedaan naar deze genen. ‘Aardappelziekte’ bijvoorbeeld wordt veroorzaakt door Phytophthora, een soort schimmel. Andere gewassen hebben geen last van Phytophthora. Ze hebben het juiste herkenningsgen en zorgen dat ze zich op tijd verdedigen. Het ontbreken van zo’n gen bij aardappels maakt dat die er wel ziek van kunnen worden. Dat is de reden dat er in Nederland zoveel landbouwgif wordt gebruikt, want bijna de helft daarvan (ruim vierduizend ton) is speciaal bedoeld om Phytophthora tegen te gaan.

Genetische modificatie zou dit probleem op kunnen lossen. Het wordt (vooral door tegenstanders) ook wel genetische manipulatie genoemd, en houdt niets anders in dan dat een gen van een plant, bacterie of dier in een andere plant, bacterie of dier wordt gezet. De meeste planten en dieren hebben rond de dertigduizend genen. Wat voor kwaad kan het om er daar eentje aan toe te voegen?

Daarover lopen de meningen zeer uiteen. Het grote publiek moet er niets van hebben: het gaat ‘tegen het gevoel’ in. Men is bang voor de gevolgen, die onbekend zijn. Die gevolgen zullen echter vooral afhangen van het soort gen dat ingebracht is: een gen van tarwe in aardappel zal waarschijnlijk minder verstrekkende gevolgen hebben dan een gen van een bacterie in maïs.

Maar in feite gaat het uiteindelijk vooral om het genproduct: een gen dat gif tegen insecten maakt is van een andere orde dan een gen dat alleen het vermogen biedt een schimmel te herkennen. Je kan wat dat betreft dus niet alle genetisch gemodificeerde (GM) gewassen over één kam scheren.

Professor Edith Lammerts van Bueren doet dat toch. Zij werkt op het Louis Bolk Instituut voor biologische landbouw en is sinds drie jaar bijzonder hoogleraar Biologische plantenveredeling in Wageningen. ‘In de biologische landbouw gaan wij uit van de integriteit van de plant en het dier’, vertelt ze. ‘Als je door middel van genetische modificatie een nieuw gen toevoegt aan het DNA, weet je bovendien niet waar het gen tussen al die andere genen terecht gaat komen. Het komt op een willekeurige plek te zitten.’

Ze legt uit dat het gen daardoor een andere activiteit kan krijgen dan waar het oorspronkelijk vandaan kwam en zijn vaste plekje op het DNA had. Ze ziet liever dat herkenningsgenen worden ingekruist via traditionele veredelingstechnieken. Daarbij wordt het gewas dat het herkenningsgen mist, gekruist met een ‘wilde’ soortgenoot die het wel heeft. Maar dat kan alleen als er zo’n soortgenoot bestaat. Je krijgt dan nakomelingen die de helft van hun genen van de moederplant hebben en de helft van de vaderplant. Sommige zullen het herkenningsgen bevatten, maar daarnaast zitten er dan nog zo’n vijftienduizend ‘wilde’ genen in die je cadeau krijgt.”

Edith Lammerts van Bueren treedt wel vaker in de publiciteit. Zij is een bekend gezicht in de media, een soort woordvoerder als het om plantenveredeling gaat. Zo werd zij op 2 november 2007 in het Friesch Dagblad geciteerd in een artikel van Simon Talsma onder de titel: ‘Grote interesse in biologische veredeling’.

‘De biologische landbouw presenteert zich al jaren als een volwassen sector. Speciale onderzoeksinstituten, promotiecampagnes en een sector die al tientallen jaren bestaat. Toch is er in die periode voor de akkerbouwers nauwelijks concrete vooruitgang geboekt in de ontwikkeling van rassen die geschikt zijn voor een biologische teeltmethode. “Maar dat begint nu te komen”, vertelt hoogleraar biologische plantenveredeling Edith Lammerts van Bueren van de Wageningen Universiteit. “Bij granen zijn er in Europa nu zo’n vijftien rassen die de boeren kunnen gebruiken en bij de aardappelen komt volgend jaar het eerste fytoftora-resistente ras op de markt dat is ontwikkeld voor de speciale teeltomstandigheden in de biologische landbouw. Dit jaar is er volop pootgoed vermeerderd met pootaardappelen van dat ras. Volgend jaar kunnen ze worden gebruikt om consumptieaardappelen te telen.”

De rassen die zijn ontwikkeld moeten vanwege de teeltomstandigheden robuuster zijn. “Ze moeten zich goed kunnen handhaven in een minder beheersbare omgeving dan onder gangbare condities. Het wortelstelsel moet bijvoorbeeld beter zijn en de rassen moeten onkruidgroei beter kunnen onderdrukken.”

Tot nu toe worden in de biologische landbouw bijna altijd rassen gebruikt die zijn ontwikkeld voor de reguliere landbouw. Deze planten zijn aangepast aan de gangbare landbouw met hoge kunstmestgiften en chemische bestrijdingsmiddelen.

De Wageningse hoogleraar constateert dat er nu veel interesse is in het ontwikkelen van biologische rassen. “Volgende week hebben we een symposium waarin de zoektocht naar biologische rassen centraal staat. Daarvoor hebben zich ongeveer 130 onderzoekers, plantenveredelaars en belangenorganisaties uit tientallen landen aangemeld.”’

Nog maar een klein maandje geleden, op 26 juli 2008, publiceerde dagblad Trouw het artikel ‘Teler Niek Vos is trots op zijn “bionische” aardappel’ door Jeroen den Blijker:

‘Niek Vos is de eerste biologische boer met een commercieel interessant, Phytophthora-resistent aardappelras op zijn naam: de Bionica. Daarvoor werkte hij nauw samen met kweekbedrijf Meijer. “Een echte toevalstreffer”, zegt Vos bescheiden over zijn aardappel. “Een kans van één op tienduizend.” Maar ook een succes dat met vakkennis en grote inzet is afgedwongen.’ (...)

“Gangbare boeren gaan de Phytophthora te lijf met chemische bestrijdingsmiddelen. Voor biologische boeren is dat natuurlijk geen optie”, zegt Edith Lammerts van Bueren, hoogleraar biologische plantenveredeling aan Wageningen Universiteit en verbonden aan het Louis Bolk Instituut. “Voor biologische boeren rest er eigenlijk maar één ding: loof voortijdig platbranden, wat de kwaliteit van de aardappel uiteindelijk ernstig kan schaden.”

Op de bladeren van de aardappelplant is de ziekte vaak het eerst zichtbaar: roestbruine vlekken met een witte nevelrand. Al met al was de oogst van de biologische boeren sinds 2004 zo slecht, dat inmiddels een kwart van hen is afgehaakt. Lammerts van Bueren: “Dit jaar valt het nog mee met de Phytophthora. Gelukkig maar. De vraag naar biologische aardappels groeit, onder andere uit de chips- en patatindustrie.”

De aardappel Bionica komt bovendien, tot verrassing van Vos, ook tegemoet aan een tweede wens van de biologische sector. Juist deze week deed Lammerts van Bueren samen met collega-onderzoeker Marjolein Tiemens een proefrooi op de biologische proefboerderij Droevendaal van Wageningen Universiteit. Daar onderzoekt zij onder meer hoe efficiënt diverse aardappelrassen omgaan met mest. Want biologische mest is een schaars goed, legt de hoogleraar uit. En, zo blijkt, de Bionica heeft aan een bescheiden hoeveelheid stikstof genoeg om tot volle wasdom te komen.’

Als laatste proeve van haar publieke werkzaamheid een belangrijk opinieartikel in de Volkskrant op 25 juli 2007, met als titel ‘Biologische landbouw biedt mondiale voedselzekerheid’. Dit naar aanleiding van de discussie die destijds speelde, waarin werd gesteld dat met biologische landbouw de wereldbevolking helemaal niet zou kunnen worden gevoed. Dit opinieartikel, geschreven samen Arie van den Brand, voorzitter Biologica, en Niels Roling van WUR, laat een belangrijk tegengeluid horen. Namelijk de potentie van de biologische landbouwmethode om de voedselzekerheid wereldwijd te vergroten in een veranderend klimaat. Vooral de betere bodemstructuur en de hogere biodiversiteit zorgen voor meer robuustheid.

“Tijdens een conferentie van de Wereld Voedsel en Landbouw Organisatie FAO in Rome is onlangs de opmerkelijke, maar in het publieke debat nauwelijks opgemerkte conclusie getrokken dat de wereldvoedselproductie bij volledige omschakeling naar biologisch met 32% zou toenemen. Onderzoekers van de University of Michigan zijn vorige maand met dezelfde overtuigende conclusie naar buiten gekomen. Uit hun onderzoek blijkt dat biologische landbouw in ontwikkelingslanden tot drie keer hogere opbrengsten heeft. In de rijke landen levert biologische landbouw gemiddeld net zoveel op als gangbare landbouw, aldus de onderzoekers. ‘Ik hoop dat we eindelijk de angel uit het idee hebben gehaald dat je met biologische landbouw niet genoeg kunt produceren’, aldus Ivette Perfecto, professor aan de Universiteit van Michigan’s school of Natural Resources and Environment.

Alleen bij optimale groeiomstandigheden en een hoog gebruik van kunstmest en pesticiden is de opbrengst van gangbare landbouw vooral in Europa en de Verenigde Staten gemiddeld zo’n 25% productiever.”

Een verrassend en mogelijk nog belangrijker tweede argument heeft te maken met dat nieuwe begrip dat iedereen intussen, in tijden van klimaatverandering, noodzakelijkerwijze steeds beter zal leren kennen: ‘watermanagement’:

“Wat is het geheim van de biologische landbouw? Het is blijkbaar meer dan het weglaten van kunstmest en chemie. Uit alle onderzoeken blijkt de crux telkens weer de kwaliteit van de bodem: biologische bodems bevatten meer leven en organische stof. Daardoor hebben de bodems een betere structuur. Bij droogte wordt het schaarse water beter benut, bij overstromingen wordt het water beter opgenomen én er is minder erosie. Het waterbergende vermogen van biologische bodems kan 20-50 % groter zijn. Dat blijkt ook uit langlopend onderzoek van het Rodale Institute uit Pennsylvania waarin de biologische landbouwmethode vergeleken wordt met het gangbare landbouwsysteem. In jaren van grote droogte hebben de biologische akkers 33-41% meer opbrengst. Bij extreme regenval namen de biologische bodems twee keer zoveel water op als de gangbare bodems. ‘Onze proeven laten zien dat het verbeteren van de bodemkwaliteit via de biologische methode het verschil kan maken tussen oogst en misoogst’, aldus Jeff Moyer, de Farm Manager van het Insituut. Met name rond de tropen en in berggebieden – waar je van nature extreme weersomstandigheden hebt en kwetsbare bodems – scoort biologische landbouw dan ook veel beter. Met oog op de klimaatsverandering ligt het inzetten op biologische landbouw daarom ook meer voor de hand dan te zoeken naar droogteresistentie via gentechnologie. Overheden zouden voor de lange termijn zekerheden voor voedsel en impulsen voor regionale economieën nog veel sterker op biologische landbouw moeten richten dan tot nu toe het geval is.”

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Volgen op Facebook


Translate

Volgers

Herkomst actuele bezoeker(s)

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code

Gezamenlijke antroposofische agenda (in samenwerking met AntroVista)