Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

woensdag 30 september 2009

Netwerkuniversiteit

Het is de laatste dag van september. Eerder deze maand werd een ‘sponsorbrief’ verspreid door het Bernard Lievegoed Fonds. Jammer genoeg staat deze niet op de website. Maar u kunt erop vertrouwen dat de inhoud zoals ik die hieronder weergeef, correct is. De tekst vormt een mooie aanvulling op wat ik schreef op 28 februari in ‘Fondswerving’. Hij is getiteld ‘Nieuwsbrief 1 voor sponsors van het Bernard Lievegoed Fonds september 2009’. Het gaat mij nu vooral om de informatieve waarde. Opmerkingen, aanvullingen of kritische geluiden komen in een later stadium wel. Bijvoorbeeld over de actuele informatie die de website van dit fonds zegt te bieden.

Graag informeren wij u als sponsor of toekomstige sponsor van het Bernard Lievegoed Fonds over hetgeen sinds de oprichting in december 2006 in gang is gezet.

Ruim tweeëneenhalf jaar zijn er sindsdien verstreken en in die periode is er naast financiering van onderzoek vooral ‘ontwikkelingswerk’ gedaan, uiteraard gericht op het stimuleren van antroposofisch wetenschappelijk onderzoek. Dat is immers het doel van de stichting.

Ontwikkelingswerk

Dit ‘ontwikkelingswerk’ was en is nodig omdat al vrij snel bleek dat de ‘antroposofische wetenschap’ veel meer nodig heeft dan alleen een goede financiering.

Natuurlijk, er is een substantieel aantal personen als onderzoeker aan een Nederlandse wetenschappelijk instelling verbonden (1) en er zijn twee onderzoeksinstituten (2) die (deels) vanuit antroposofie werken; ook antroposofische zorginstellingen geven opdracht voor wetenschappelijk onderzoek; de prestaties van een aantal antroposofische wetenschappers worden alom gewaardeerd.

Gezien wat antroposofie aan de maatschappij te brengen heeft zou er echter veel meer onderzoek gedaan moeten worden. Maar de schaal waarop dit plaatsvindt is nog klein. Antroposofisch wetenschappelijk onderzoekers, ook al zijn zij van hoog niveau, vinden binnen de reguliere wetenschap nog te weinig aansluiting. En op een aantal essentiële gebieden, zoals bijvoorbeeld onderwijskunde of pedagogiek, vindt al helemaal nauwelijks wetenschappelijk onderzoek plaats. Er moet dus nog heel veel gebeuren.

Netwerkuniversiteit

Als antwoord hierop startte het bestuur van het BLF begin 2008 met de ‘Netwerkuniversiteit’ met als doel om de antroposofisch werkende wetenschappelijk onderzoeker ‘een eigen huis’ te bieden. Direct bleek al hoezeer dit initiatief aan een behoefte voldoet. Gemiddeld namen in de afgelopen 1½ jaar zo’n 50 antroposofische wetenschappers aan de inmiddels vier gehouden werkconferenties deel.

Onderwerpen (3) tot nu toe zijn ‘antroposofische onderzoeksmethodologie’ (twee goed bezochte conferenties) en het in april 2009 uitgekomen maatschappelijk relevante boek ‘Gaia Logica’ van antroposoof prof. dr. Kees Zoeteman. In het kader van het ‘Darwin-jaar’ namen begin september ± 60 personen deel aan de conferentie ‘Hoe willen we dat de geest van Darwin onze toekomst vormt’. In maart 2010 wordt i.s.m. de Vrije Universiteit in Amsterdam de eerste openbare conferentie gehouden waar in een sfeer van openheid en wederzijdse belangstelling de paradigma’s van de verschillende wetenschapsrichtingen bediscussieerd en verdiept zullen worden.

De Netwerkuniversiteit bevordert met deze aanpak het eigen initiatief van de aangesloten leden tot het doen van onderzoek en het in het openbaar presenteren van de resultaten. Nu recentelijk ook enige ‘antroposofische hoogleraren’ hebben aangeboden om jonge wetenschappers te begeleiden heeft de Netwerkuniversiteit een nieuwe stap gezet om onderzoek te bevorderen.

Door antroposofisch onderzoek te plaatsen in een maatschappelijke context bevordert de Netwerkuniversiteit dat antroposofische werkgebieden een sterkere maatschappelijke basis krijgen. En door actief naar buiten te treden en zich daarbij nieuwsgierig en kwetsbaar op te stellen draagt de Netwerkuniversiteit bij aan de positionering van de antroposofische wetenschap in Nederland.

Financiering wetenschappelijk onderzoek

Het bestuur van het Lievegoed Fonds heeft sinds de aanvang een tiental onderzoeken (4) van harte (mede)gefinancierd. Met name op het gebied van de geneeskunde en de zorg- en hulpverlening, maar ook een enkele maal t.b.v. het vrijeschoolonderwijs. Ook de uitgave van het bekende boek van Arie Bos ‘Hoe de stof de geest kreeg’ en het recente boek van Jan Diek van Mansvelt (‘Dwarskijken op Darwin’) werden door subsidies mede mogelijk gemaakt. In totaal is tot dusver een bedrag van ± € 170.000 besteed. Door het effect van de Netwerkuniversiteit hoopt het bestuur stap voor stap kwaliteit en kwantiteit van het onderzoekswerk te verhogen.

Beleid

Om verder invulling te geven aan de opdracht om het antroposofisch wetenschappelijk onderzoek te bevorderen zet het bestuur de komende tijd in op het volgende beleid:

1. intensiveren van de Netwerkuniversiteit door interne en externe conferenties
2. direct en indirect stimuleren van wetenschappers tot het doen van onderzoek
3. voorbereiden van de instelling van een leerstoel ‘antroposofie’
4. samenwerken met personen en instellingen die vergelijkbare doelen nastreven
5. intensivering van de fondswerving
6. verbeteren van de eigen infrastructuur (o.m. door vernieuwing van de website).

Financiële positie

Door een forse startsubsidie van Triodos Foundation en particuliere sponsors maakte het Bernard Lievegoed Fonds een mooie start. Enige bevriende stichtingen droegen hun resterende middelen over aan het BLF. Momenteel staat de stichting ± € 100.000 te vrijer beschikking. Om de komende jaren alle ambities waar te maken is jaarlijks zo’n € 200.000 à € 300.000 nodig. Deze uitgaven hoopt het bestuur uit particuliere giften en legaten, en ook uit bijdragen van bedrijven en instellingen te kunnen financieren. U als sponsor kunt ons (5) daarbij met uw kleine of grote bijdrage verder helpen.

Contact

Het is belangrijk dat het Lievegoed Fonds in brede kring bekendheid geniet en zich daarmee van een draagvlak verzekert. De BLF-nieuwsbrief zal dan ook periodiek aan u als (potentiële) sponsor worden verzonden. Daarnaast biedt de website (www.lievegoedfonds.nl) actuele informatie over de Netwerkuniversiteit, over het fonds en de subsidieprojecten.

Indien u prijs stelt op een persoonlijk gesprek is dat zeker mogelijk. Neemt u met het oog daarop telefonisch of per e-mail contact op met ondergetekende (0343-517985) of met Ted van den Bergh, directeur van het Lievegoed Fonds (030-6936523).

Met hartelijke groet,
namens het bestuur van de Stichting Prof. dr. Bernard Lievegoed Fonds,
Max Rutgers van Rozenburg,
verantwoordelijk voor de fondswerving

Stichting Prof. dr. Bernard Lievegoed Fonds, bankrekeningnummer 78.14.00.481 t.n.v. Lievegoed Fonds te Zeist

(1) Onder de ruim 100 leden van de Netwerkuniversiteit zijn acht hoogleraren , 16 ‘doctors’, en 28 ‘drs-sen’, die met elkaar gemeen hebben dat zij én antroposoof zijn én onderzoeker, wat hen echter nog niet tot ‘antroposofisch wetenschappelijk onderzoeker’ maakt. Van hen zijn er 24 aan een onderzoeksinstelling verbonden; niet alle onderzoekers van deze instellingen zijn ‘automatisch’ lid van de Netwerkuniversiteit.

(2) Bedoeld zijn: Louis Bolk Instituut en het ‘Lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg’ aan de Hogeschool Leiden.

(3) De resultaten van deze conferenties zijn vervat in interne publicaties en op aanvraag te verkrijgen. Zij staan ook op de website van het BLF (www.lievegoedfonds.nl)

(4) Gesubsidieerd werden o.m. de reeks ‘Bolk’s Companions for the Practice of Medicine’ (Van der Bie/Van Tellingen/Scheffers); onderzoek ‘Effectiviteit CAM-geneeskunde’ (Baars); Ineke Zuidema voor haar onderzoek naar het leesonderwijs bij vrijescholen en het onderzoek “de Kunst van het Zorgen” van Hans Reinders/Karen Wuertz.

(5) Stichting Prof. dr. Bernard Lievegoed Fonds is door de Belastingdienst aangemerkt als Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI) Zie ook onze website www.lievegoedfonds.nl/index.php?/doneren/.

dinsdag 29 september 2009

Voedselkwaliteit

‘Discussie over “gezonde” biologische voeding nu wereldwijd in volle gang.’

Zo laat ‘Redactie Biologica’ weten in een nieuwsbericht met deze titel op de website van Biologica. Het bericht gaat over de tegenstrijdige beoordelingen van voedselonderzoek. Op 14 augustus schreef ik in ‘Dynamische voeding’ over het laatste voedingsonderzoek vanuit het Louis Bolk Instituut en hoe lastig het is bevindingen hard te maken. Daar haakt Biologica nu op in:

‘Het wetenschappelijk onderzoeksinstituut “The Organic Centre” (TOC) uit de VS trok op basis van dezelfde onderzoeksliteratuur andere conclusies uit een belangwekkend onderzoek van het Britse FSA. Nu komt ook uit Frankrijk en Duitsland onderzoek naar buiten met tegengestelde conclusies over de kwaliteit van biologische voeding.

Het onderzoek van de warenautoriteit FSA richtte zich op de voedselkwaliteit van biologische voeding in vergelijking met gangbare voeding. Biologische producten zouden volgens de FSA niet beter zijn voor de mens dan gangbare.

Eerder werd al duidelijk dat deze conclusie aanvechtbaar bleek door gebruikte onderzoeksmethodiek en de wijze waarop bepaalde resultaten onbeklemtoond bleven in de eindconclusie.

Eind augustus werden in Duitsland door het FiBL (het Duitse onderzoeksbureau naar biologische landbouw) en de DNR (de Duitse Natuurbeschermingsorganisatie) de resultaten bekend gemaakt van kwaliteitsonderzoek naar het verschil tussen biologische en gangbare producten, waaruit bleek dat biologische groenten meer voedingsstoffen, zoals vitaminen, bio-actieve stoffen en anti-oxidanten, bevatten. Rond diezelfde tijd verscheen een uitgebreid onderzoek van de hand van het Franse instituut voor voedselveiligheid, de AFSSA. In de bespreking van dit onderzoek wordt naar voren gebracht dat door de intensieve land- en tuinbouw de hoeveelheid voedingsstoffen in gangbaar voedsel vermindert. In plantaardige biologische producten worden volgens dit onderzoek naar verhouding meer droge stoffen en mineralen aangetroffen, en de biologische groenten en fruit bevatten daarnaast meer anti-oxidanten. De dierlijke producten van biologische herkomst bevatten meer onverzadigde vetten en vetzuren dan in gangbare dierlijke producten. Andere belangrijke onderzoeksresultaten zijn de afwezigheid van bestrijdingsmiddelen op biologische producten en het lage nitraatgehalte in biologische groenten.

De conclusie die het Franse onderzoeksteam trekt is dan ook de volgende: biologische land- en tuinbouw heeft al bewezen voedsel te produceren met hoge kwalitatieve standaarden. De resultaten die uit dit onderzoeken blijken zouden de ontwikkeling van duurzame landbouw moeten aanmoedigen. De uitdaging is om tot een wereldwijde en langdurige ontwikkeling van efficiënte, biologische landbouw te komen.

Uit recent consumentenonderzoek van de Wageningse Universiteit, in opdracht van het ministerie van LNV, wordt duidelijk dat voor de Nederlandse consument gezondheid veruit de belangrijkste waarde is in de keuze van voeding. In dat licht is het gesprek over voedselveiligheid en de gezondheidsaspecten van biologische producten zeer actueel.

Voor het onderzoek “Peiling Consument en Voeding” van de Universiteit Wageningen, klik hier.

maandag 28 september 2009

Bezwaar

Patiëntenvereniging Antroposana houdt de geïnteresseerde uitstekend op de hoogte van de ontwikkelingen. Het nieuwste bericht is uitermate actueel, want gaat over vandaag. Het spreekt voor zich, eventueel kunt u op deze weblog eerdere berichtgeving vinden. In dat geval in het zoekvenster net boven mijn profiel (helemaal beneden deze weblog) ‘antroposana’ invullen – het zoekvenster hier bovenaan blijkt niet accuraat te zijn, vandaar deze nieuwe mogelijkheid. De titel van het bericht luidt ‘De Bezwaarschriftencommissie als mediator’:

‘Op 22 september 2009 werden de twee partijen, Weleda en de Inspectie van de Volksgezondheid, door de Bezwaarschriftencommissie van het Ministerie van VWS gehoord inzake de Named Patient-procedure voor het antroposofisch geneesmiddel Digestodoron.

Nadat in april jongstleden de Inspectie van de Volksgezondheid het verzoek van Weleda om de Named Patient-procedure in werking te stellen voor het antroposofisch geneesmiddel Digestodoron afgewezen had, diende Weleda een bezwaarschrift in. Er volgde een gesprek met de Inspectie en VWS waarna Weleda een aanvullend bezwaar indiende.

De Bezwaarschriftencommissie van VWS had beide partijen op 22 september jongstleden uitgenodigd om ieders standpunten te vernemen, voordat zij een uitspraak doet.

De jurist van Weleda gaf een mondelinge toelichting op het gemaakte bezwaarschrift, waarna de Inspectie spreektijd kreeg voor verweer. Ook Antroposana en de artsenvereniging NVAA waren bij de behandeling aanwezig en werden door de Bezwaarschriftencommissie gehoord.

De Commissie adviseerde de beide partijen, ondanks eerdere pogingen, opnieuw met elkaar in gesprek te gaan en onderling tot een oplossing te komen. Dit gesprek vindt op 28 september 2009 plaats. Afhankelijk van dat resultaat zal de Bezwaarschriftencommissie vervolgens met een uitspraak komen. Mocht de uitspraak negatief zijn, dan kan Weleda beroep aantekenen bij de Rechtbank en vervolgens nog bij de Raad van State.

De Inspecteur van Volksgezondheid zal de uitspraak van de Bezwaarschriftencommissie over Digestodoron betrekken bij zijn besluit aangaande het tweede ingediende verzoek van Weleda voor de Named Patient-regeling voor Iscador. Een uitspraak van de Inspectie over Iscador zal daarom langer op zich laten wachten.’

zondag 27 september 2009

Akte

Een kleine week geleden, op 22 september, mopperde ik in ‘Lezing’ nog dat de website van de Antroposofische Vereniging weliswaar een nieuwe webredacteur had gekregen, maar dat daar nog weinig van te merken was, zo verouderd bleek de informatie nog steeds. Dat is gisteren dan goedgemaakt. Om te beginnen staan nu ook Motief 131 van juli-augustus en Motief 132 van september keurig bij het overzicht van de recente nummers. De inhoud daarvan is, zoals ik schreef, interessant genoeg om hier ook weer te geven. Dat wil zeggen, van de laatst verschenen uitgave haal ik nu even vier items aan:

‘Interview: Rob Otte
Onlangs verscheen het boek “In gesprek met mijn overleden vader” van Rob Otte. De beeldend kunstenaar beschrijft hoe hij van zijn gestorven vader te weten kwam waardoor deze werd zoals hij was. De vragen naar het karma, en de bemoeienissen van de zoon vanuit het aardse bestaan, blijven niet zonder effect voor de ziel die in een andere wereld verkeert, legt Otte uit. Hij beschouwt het omgaan met deze twee werkelijkheden als voorwaarde om tot innerlijke ontwikkeling en tot kunst te komen.

NVAP 25 jaar
Een kwart eeuw geleden werd de Nederlandse Vereniging ter bevordering van Antroposofische Psychotherapie opgericht. In die 25 jaar is er veel veranderd. Dat is goed zichtbaar in de psychische problemen waarmee cliënten aankloppen bij de leden van de beroepsvereniging. Lees waar de mensheid en het individu anno 2009 mee worstelt.

Karma vanuit de zon
Welke krachten neemt de mens mee uit de geestelijke wereld? Jaap van de Weg vertelt over verborgen liefdekrachten in het onbewuste.

Europese steden
Als aanloop naar het Europanummer van Motief (oktober 2009) laat Nard Besseling zijn licht schijnen op verschillende Europese steden. Deze keer behandelt hij Rotterdam.’

Interessant is ook het volgende bericht dat op de nieuwspagina’s verscheen. Dat vertoont opvallend veel gelijkenis met de bijdrage die ik hier op 12 september plaatste onder de titel ‘De Haan’. Dat kan geen toeval zijn...

‘26/09/2009 09:00 Acht nieuwe portretten

Herman Boswijk verzorgde voor de AViN website acht nieuwe, beknopte, biografieën van in Nederland werkzame antroposofen. In de afgelopen honderd jaar hebben velen hun bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de antroposofie en haar praktische toepassing. In 2003 verscheen een biografisch lexicon: Anthroposophie im 20. Jahrhundert. Ein Kulturimpuls in biografischen Porträts met biografieën van zo’n 600 mensen. Herman Boswijk – oud bibliothecaris van de AViN – heeft acht nieuwe portretten van Nederlandse of in Nederland werkzame antroposofen op de afdeling biografieën op deze website gepubliceerd, vertaald uit het Duitse boek of nieuw geschreven.’

Maar het mooiste is natuurlijk dat er gisteren nóg een nieuwsbericht werd geplaatst, met de titel ‘Oktobernummer Motief: Europa’. Kijk, dán zijn we nog eens up-to-date!

‘Komende week komt het oktobernummer van Motief, maandblad voor antroposofie, uit. Het nummer staat in het teken van Europa. Al meer dan een halve eeuw bouwen we aan de Europese eenwording. In Motief een bijzonder interview over eenwording, verscheidenheid en vrijheid, maar ook over het kwaad en de liefde. Verder een gesprek met europarlementarier en antoposooof Gerald Hafner en en artikel van Cornelis Boogerd met zijn hoogstpersoonlijke visie op de vraag: Voor of tegen de EU?’

Hier word je lekker gemaakt en kun je je alvast gaan verheugen. (Alleen wel even de spelfoutjes verbeteren, a.u.b. Zoals europarlementariër, antroposoof, Häfner, en een – sorry dat dat even moet.)

Opmerkelijk is verder dat Motief nu zelfs op de website van AntroVista wordt aangekondigd. Nog niet dit allernieuwste nummer, maar wel het vorige. Dat gebeurde op 9 september, waarmee AntroVista de afgelopen drie weken nog informatiever was dan de website van de Antroposofische Vereniging zelf:

‘Deze week verscheen nummer 132 van Motief, maandblad voor antroposofie (tijdschrift van de Antroposofische Vereniging).

In dit nummer o.a.
Omgaan met twee werelden, Kunstenaar Rob Otte over zijn overleden vader.
Mexicaanse griep
25 jaar Nederlandse Vereniging Antroposofische Psychotherapie
Karma vanuit de zon, Jaap van de Weg
Rotterdam, serie over Europese steden, door Nard Besseling
Kunst en Cultuur, door Irene van der Laag

Meer info en abonnementen:
www.antroposofie.nl/motief/wat_is_motief
Wilfried Nauta – 9 september 2009’

De wereld verandert werkelijk, dat blijkt hier wel uit. Ik geloof dat dit nog nooit eerder is voorgekomen. Maar ja, waarom ook niet? – En gisteren is dan met de nieuwste berichtgeving over Motief bij de Antroposofische Vereniging de opgelopen informatieachterstand weer ruimschoots ingehaald. Waarvan akte.

zaterdag 26 september 2009

Statement

Antroposofie doet ertoe. Dat zou mijn boodschap voor vandaag zijn. En niet alleen voor vandaag, eigenlijk voor elke dag. Ik weet dat er mensen zijn die dat niet graag hebben. Daar hebben ze ook hun reden voor. Maar van mij mag het een slogan worden: antroposofie doet ertoe. Het is tegelijk de kortste manier om te zeggen wat de bedoeling van deze weblog is.

Ik kom erop door Trouw. ‘Misschien wel de beste krant van Nederland.’ Daar adverteerden ze vroeger mee. Tegenwoordig hebben ze iets anders, ik weet niet wat. Minder pakkend blijkbaar. Ook met genoemde kwalificatie, al hebben ze haar verlaten, zullen veel Nederlanders het ongetwijfeld niet eens zijn. Maakt niet uit. Het gaat erom wat je zelf wilt wezen en of je dat met overtuiging doet.

Vandaag in Trouw de wekelijkse brief van de hoofdredactie, door Willem Schoonen. Hij is nog niet op de website te lezen, dat komt vast nog. Maar wel als gesproken column te zien en te beluisteren. Hij heeft als titel ‘De cultureel creatieven ruiken hun kans’. Schoonen zegt/schrijft daarin:
‘Winkels die dingen verkopen waar mensen echt iets aan hebben, zoals tuincentra, doen het heel goed. Ze hebben meer bestellingen dan ooit, terwijl in de wegwerpsector de klappen vallen. 
Dat zei Herman Wijffels deze week tijdens een symposium van businessuniversiteit Nyenrode. We deden daarvan verslag in de krant van afgelopen donderdag. En net als zijn toehoorders in Breukelen, waren veel lezers onder de indruk van het betoog van Wijffels, die zijn sporen verdiende bij Rabobank, SER en Wereldbank, en die een centrale figuur is in de Nederlandse polder.
Dat is duidelijk kleur bekennen. Cultureel creatieven is een interessante term. Michaela Hordijk heeft daarover eens een essay in Motief geschreven, in nr. 28 van maart 2000. Het is te vinden op de website van de Antroposofische Vereniging in Nederland, met de titel ‘De creatieve samenleving: niet meer te onthoofden’. Onder het kopje ‘Cultural Creatives’ schrijft zij:
‘Het gaat daarbij om netwerken van de meest uiteenlopende signatuur. Het verbindt armoedebestrijders met vakbonden, mensenrechtenactivisten met milieuactivisten, behartigers van consumentenbelangen met protestzangers, studentenbewegingen met ouderenverbonden. 
Wat hebben de meeste spelers in dit nieuwe internationale netwerk gemeen? In de gewone sociologie hebben ze er al een naam voor: de “Cultural Creatives”. Deze term werd in 1997 gemunt door de Amerikaanse socioloog Paul Ray. Hij deed onderzoek naar de veranderende normen en waarden in de Amerikaanse samenleving en kwam tot de conclusie dat zich daar nauwelijks waarneembaar een belangrijke verschuiving voordeed. Nog altijd is er een groep “traditionelen”: mensen die vasthouden aan de oude kerkelijke waarden, aan het geloof in God en de staat. Daarnaast is er een groep “modernen”, die vooral wordt gedreven door de drang naar persoonlijk succes, materiële welstand, consumptie en technologische vooruitgang. Samen maken deze twee groepen volgens Ray nog altijd driekwart van de Amerikaanse samenleving uit. Maar er is een nieuwe, sterk groeiende groep die hij typeert als mensen die “gevoelig zijn voor milieuvraagstukken, een diep verlangen hebben naar gemeenschapsvorming en de belichaming vormen voor het nieuwe bewustzijn als sleutelfactor voor de transformatie van de aarde. Cultural Creatives denken zelfstandig.” 
Het zijn mensen die te vinden zijn in de milieubeweging, maar ook mensen die op allerlei manieren bezig zijn met spiritualiteit. Hoe word je een “Cultural Creative”? Dat heeft weinig te maken met afkomst of opvoeding, volgens Ray. “Mensen worden Cultural Creative ten gevolge van een langdurig omwentelingsproces in hun biografie. Dikwijls wordt dit veroorzaakt door een persoonlijke levenscrisis. Geconfronteerd met ongeluk en innerlijke pijn beginnen oude waarden te wankelen, mensen gaan experimenteren, hetgeen de weg opent naar de omwenteling”. (...) 
Ray’s artikel leidde tot verschillende publicaties, waarin ook in Europa werd geturfd hoeveel “cultural creatives” er zijn. De basis voor de getalsmatige uitspraken die daarin gedaan worden, zijn wankel, de aangegeven trend dat het een groeiende groep betreft is echter interessant. En het zijn vooral de Cultural Creatives die te vinden zijn in de bewegingen die de onderhandelaars in Seattle en op andere plaatsen zo onder druk zetten. Hoewel overwegend nog geïsoleerd, groeien de verbindingen tussen de Cultural Creatives. Opvallend is dat de Cultural Creatives zwaar oververtegenwoordigd zijn onder de internetgebruikers. (Wie op hun websites op internet surft komt daar overigens ook de Noord-Amerikaanse Associatie van Vrije Scholen tegen.)’
Eerder in haar essay had Michaela Hordijk een vergelijking gemaakt van deze cultureel creatieven met het werkelijk vrije geestesleven, zoals dit in de sociale driegeleding van Rudolf Steiner wordt onderscheiden. Daarbij baseerde zij zich op de ideeën van de Filippijnse antroposoof Nicanor Perlas, die zich overigens juist dit voorjaar kandidaat heeft gesteld voor het presidentschap van zijn land volgend jaar (u kunt hierover in het Nederlands lezen bij de Vrije Consumenten; daar op de website klikken op ‘Actueel’ en dan scrollen naar juli 2009). Steiner voorzag een ontwikkeling waarbij het zwaartepunt van de wereldeconomie vanaf zijn tijd natuurlijkerwijs zou verschuiven van Europa naar Amerika. Michaela Hordijk haalt hem aan onder het kopje ‘Het Primaat van de Economie’:
‘Rudolf Steiner wees er op dat het in de huidige tijd niet alleen onvermijdelijk is, maar zelfs voor de wereldontwikkeling noodzakelijk, dat het primaat ligt bij de economie. De grote uitdaging daarbij is, zo stelde hij in 1919, de economische krachten vanuit een zelfstandig geestesleven in bedwang te houden. “Het economisch leven, dat uit de aard van de aardeontwikkeling voortdurend rijp is voor verval, heeft voortdurende het helende innerlijke geestesleven nodig” En: “Het is onzin het economisch leven uit zichzelf gezond te willen maken”.  
Voorts geeft Steiner aan het eind van datzelfde jaar al aan waar de drijvende kracht achter de wereldeconomie zou komen te liggen. De verhoudingen waren door het verloop van de Eerste Wereldoorlog immers grondig gewijzigd. Wat is er eigenlijk veranderd bij de zogenaamde overwonnenen en overwinnaars? “De eigenlijke overwinnaar is het anglo-amerikaanse element. (...) En dit is voorbestemd voor de toekomstige wereldheerschappij. (...) De verantwoordelijkheid van het Duitse volk om een rol te spelen in de uiterlijke gebeurtenissen in de mensheid valt weg – natuurlijk niet die van het individu. Des te groter wordt de verantwoordelijkheid die bij de andere partij ligt, want daar zal hij eigenlijk komen te liggen. Het zal gemakkelijk zijn om de uiterlijke heerschappij te verwerven. Dit gaat via krachten, die geen eigen verdienste hebben. Als een natuurlijke noodzakelijkheid voltrekt zich deze overgang naar de uiterlijke heerschappij. Maar de verantwoordelijkheid zal voor de zielen van diepe betekenis zijn. Zullen er bij degenen die door een uiterlijke noodzakelijkheid de uiterlijke heerschappij verkrijgen voldoende mensen te vinden zijn, die de verantwoordelijkheid nemen ten aanzien van de eisen van het spirituele leven dat in deze werkelijk puur uiterlijke materialistische heerschappij binnen treedt?”’
Opmerkelijk nu is dat die tegenbeweging inderdaad ook in Amerika lijkt te zijn geboren. Daarvan geeft Michaela Hordijk verschillende voorbeelden. Haar interessante essay beëindigt zij zo:
‘Kan de “opkomende kracht van vrije burgers, verenigd in netwerken van netwerken” een steeds sterker tegenwicht gaan bieden tegen de naakte economische krachten? Zeker is in ieder geval ook dat vanuit het perspectief van de sociologische onderzoekers de antroposofische beweging één van de vrije burgerorganisaties is, waarin de “cultural creatives” zich hebben verenigd en die deel uit maken van het wereldwijde netwerk dat niet meer te onthoofden is.’
Dat werd in het jaar 2000 geschreven. En nu, negen jaar later, zegt/schrijft Willem Schoonen over deze cultureel creatieven:
‘Helder is die term niet voor iedereen. Hij is uit de VS komen overwaaien; we zouden in Europa ongetwijfeld op een andere benaming zijn uitgekomen. Maar we weten wel precies wie ermee wordt aangeduid: de mensen die overtuigd zijn dat een betere, duurzame wereld mogelijk is, en die ook bereid zijn daaraan te werken. Bewust, betrokken en actief. 
(...) Het herstel van vertrouwen en economische groei is de eerste zorg. Maar als de rust in de financiële sector is teruggekeerd en de economie enigszins hersteld, liggen er nog altijd de grote vragen van schaarste van voeding en grondstoffen en de overbelasting van de aarde.
Dat is een duidelijk statement. Dat mag je van een hoofdredacteur ook verwachten. Wat vertelde Herman Wijffels eigenlijk precies op die bijeenkomst in Nijenrode? Ook dat staat in de krant. Cokky van Limpt beschreef dat namelijk in Die crisis is mooi op tijd’:
‘Hoe komen we de crisis te boven? Tweehonderd oud-studenten van businessuniversiteit Nyenrode hingen dinsdag aan de lippen van Herman Wijffels. “We moeten niet de oude orde restaureren”, hield hij hen voor, “maar een nieuwe set ideeën ontwikkelen.”’
In het artikel worden verschillende uitspraken van Wijffels weergegeven. Zoals deze:
‘Ik kijk naar mijn eigen leven en het leven als zodanig als een voortgaand proces van ont-wikkelen, van het uit de wikkels halen van potentie – de essentie van het leven. In dat proces spelen mensen een co-creërende rol, en is bewustzijn evolutionair gezien de drijvende kracht. In de loop der geschiedenis is er steeds meer bewustzijn toegevoegd aan de materie. Steeds weer nieuwe ideeën en interpretatie van het leven zetten volgende fasen in van maatschappelijke ontwikkeling en beschaving: de Egyptische, Griekse en Romeinse beschaving, de Renaissance, de Verlichting.’
Waar doet dit aan denken? Ik schreef al eerder over Wijffels, op 7 maart in ‘Geuzentitel’, en noemde hem bij die gelegenheid een ‘halve antroposoof’. Hij was namelijk uitgeroepen tot de lijstaanvoerder (samen met Pieter Winsemius) van de ‘Duurzame 100’ van Nederland. Ook dat gebeurde trouwens in Trouw. Maar dat terzijde. Laten we nog even verder luisteren naar wat hij te vertellen heeft:
‘Elk systeem doorloopt verschillende fasen. In de beginfase is er een nieuwe set van uitgangspunten en ideeën, die tijd nodig heeft om te rijpen. Zo zijn de ideeën van de Verlichting uit de 17de en 18de eeuw de dragers geworden van de 19de eeuwse industriële maatschappij, en zijn de ideeën van denkers als Descartes en Darwin de uitgangspunten geworden voor onze samenleving. “Ik denk, dus ben ik”, zei Descartes, met als gevolg dat we onszelf, als observators, buiten de natuur hebben geplaatst. Newton ging de natuur onderzoeken, deeltje voor deeltje en legde zo de basis voor het specialisatiebeginsel. Ook de ideeën over massa en beweging hebben hun sporen getrokken in onze samenleving, denk aan de bonussen: mensen zouden alleen maar in beweging komen, als ze een financiële impuls krijgen om te doen wat ze al geacht werden te doen. (...) We hebben de schitterendste technologieën ontwikkeld, maar die gaan wel ver uit boven het draagvermogen van de aarde. Ecologisch volstrekt onverantwoord. Wat we nú nodig hebben is samenwerken om samen te overleven. (...) De essentie daarvan is dat we streven naar een hoger niveau van kwaliteit van relaties, van de verbinding tussen mensen en tussen mens en aarde. De cartesiaanse positie moet op de helling. Dat betekent niet ophouden met denken maar hele mensen worden, die hun ratio, gevoel en intuïtie hebben geïntegreerd.’
Wijffels weet dit dan naar heel praktische beleidsvoornemens te vertalen. Na te lezen in Trouw. – Mij deed dit alles terugdenken aan het congres Naar nieuwe maatschappelijke verhoudingen op 9 februari 2002 in de Mozes en Aäronkerk te Amsterdam. Dat was het initiatief van drie leden van de sectie voor sociale wetenschappen van de Antroposofische Vereniging. Zij hadden interessante mensen weten te strikken om een inleiding te houden, onder wie ook Herman Wijffels. In het verslag dat ik van deze dag maakte, gepubliceerd in Motief nr. 51 van april 2002 (niet op de website), schreef ik dat hij degene was die de show stal. Ik zal het hele artikel hier laten volgen. Het had de titel gekregen ‘De overheid als ongeluksfabriek’. De reden daarvan wordt in het verslag uiteengezet.
‘De meeste overheden vormen juist een ongeluksfabriek’, stelde Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, in zijn bijdrage aan het congres Naar nieuwe maatschappelijke verhoudingen op 9 februari 2002 in de Mozes en Aäronkerk te Amsterdam. Hij reageerde daarmee op de titel van het essay van Cees Zwart, De overheid is geen geluksfabriek, geschreven in de zomer van 2001 als een publicatie van de Raad voor Verkeer en Waterstaat. De rijksoverheid is een product van de negentiende eeuw, toen ongelijkheid nog een politiek thema was. Nu is er een omgekeerde beweging gaande, waarbij het vooral om persoonlijke vrijheid gaat. In zijn opstel Bedreven en gedreven, waarin Schnabel de beleidsmatige Verkenningen 2002 van de verschillende departementen voor de toekomst samenvat, wordt niet het wat maar het hoe van de overheid ter discussie gesteld. De overheid moet zich niet alleen ‘maakbaar’, maar ook ‘vermaakbaar’ opstellen. Het zal uitvoerende taken aan anderen moeten overlaten, om zelf aan het begin en eindpunt van het beleidsproces en de uitvoeringspraktijk te gaan staan. ‘Richtinggevend aan het begin en rekenschap vragend aan het eind.’ Ruimte biedend en om resultaten vragend: ‘het 4-R-model’. 
Eerder op de dag had Cees Zwart het primaat van de politiek ‘onzin’ genoemd. Hij greep terug op de Griekse agora, waar de democratie in de samenleving door middel van ontmoeting, dialoog en afspraken werd geboren. In de achttiende eeuw ontstond de rechtsstaat met de bijbehorende parlementaire democratie, waar het primaat van de burger en het primaat van de rechtsorde telde. Voor de huidige tijd zag hij een klimaat van medemenselijkheid opkomen, in de vorm van een milde kracht die hij onder ‘het mysterie van de kwetsbaarheid’ schaarde. Daartoe behoort de loutering van de eigen schaduw, de verzoening met objectief onrecht en de berusting aangaande eigen en andermans onvermogen. Waarmee hij de toon zette voor dit congres in een bijzondere ambiance, waar 150 deelnemers op af waren gekomen. 
In de middag waren twee fora, een over nieuwe kerntaken van de overheid en een over een nieuwe burgerzin. Peter Blom, directeur van Triodos Bank, verdedigde de stelling dat maatschappelijk ondernemen niet primair de taak van de overheid is, dat is het toch al, maar juist van het bedrijfsleven en van NGO’s. Het is de overheid die daarbij, door middel van regelgeving en reglementering eisen van deugdelijkheid dient te stellen. Maar zijn idee om een nieuwe vorm van aandeelhouderschap voor ondernemingen van algemeen nut in te stellen, zodat bijvoorbeeld iedere Nederlander mede-eigenaar van de veelgeplaagde Nederlandse Spoorwegen wordt, werd met weinig enthousiasme ontvangen. Albertine van Vliet bleek een enthousiaste burgemeester van Amersfoort te zijn, die met élan en overtuiging het contact met de burger zocht. Toonden alle overheidsdienaren maar zo’n persoonlijke betrokkenheid! De nieuwe burgerzin werd vertegenwoordigd door Christine Gruwez en Willemjan Güthschmidt, de eerste een pleitbezorgster van directe democratie, de tweede van personendemocratie. Dat de laatste zich een echte volksvertegenwoordiger noemde en geen eigen inhoudelijk programma presenteerde, maar zich als bewaker van het proces tussen burger en overheid opstelde, vond de eerste juist een verontrustend teken. Waar moest de kiezer dan zijn stem op baseren? Het ging toch om de zaak, en niet alleen om de persoon? 
Maar, eerlijk is eerlijk, het was SER-voorzitter Herman Wijffels die deze dag de show stal. Het verhaal dat hij hield was eigenlijk heel eenvoudig, maar sneed hout. De bestaande structuur, zo zei hij, is gebaseerd op een oude industriële ordening: hiërarchisch, piramidaal en mechanistisch. Wel bracht het ons welvaart en emancipatie. Maar het menselijk leven en andere levensvormen tonen ons tegenwoordig dat iets anders nodig is: organisch leven en duurzame ontwikkeling. Voor de economische ontwikkeling betekent dat sociale gerechtigheid en samenhang, alsmede ecologische duurzaamheid. Geen aandeelhouderskapitalisme à la Wall Street, met 10% winstdoelstelling, maar maatschappelijk verantwoord ondernemen. Het levert ook een nieuw sociaal begrip: geen verzorgingsstaat, maar het stimuleren van de zelfredzaamheid en ondersteuning waar men het niet redt. In de gezondheidszorg zag hij een bij uitstek twintigste-eeuwse industriële ordening, die juist ziekmakend werkt. Geen wonder dat daar het hoogste ziektepercentage heerst! De processen worden niet vanuit de patiënt geordend, waar vraagsturing nodig is. Bij het onderwijs zie je in wezen hetzelfde probleem. ‘De wereld op zijn kop’, noemde Wijffels dit. Volgens hem moeten de doelen opnieuw geformuleerd worden, om vervolgens de daarbij passende middelen te zoeken. Het oude instrumentele denken is daar niet geschikt voor. 
Het deed het publiek verzuchten: als er in Den Haag nog mensen met zo’n duidelijke en gezonde visie rondlopen, is de politiek misschien nog niet helemaal verloren. Dat drie leden van de sectie voor sociale wetenschappen van de Antroposofische Vereniging de ruimte hiervoor hadden gecreëerd, mag daarom wel een groot succes genoemd worden.

vrijdag 25 september 2009

Randgebieden

Met dank aan Cees Renckens. Ik weet niet hoe het persoonlijk met hem gaat momenteel, of er al meer duidelijkheid is over wie verantwoordelijk zijn voor de torenhoge problemen op zijn afdeling in het Westfries Gasthuis in Hoorn (zie Giller’ op 13 september). Maar nu gaat het even over iets anders. Over een artikel van hem van 2 maart 2002, dat ik tegenkwam op de website van de Vereniging tegen de Kwakzalverij, onder de titel ‘De kwantitatieve ontwikkeling van de alternatieve geneeskunde in ons land sinds 1975’. Daarin staat een hele serie interessante feiten. Zoals dit, onder het kopje ‘Statistieken’:

‘De volgende getallen zijn merendeels ontleend aan de jaarlijkse gezondheidsenquête van het CBS.

Het aantal artsen, dat een alternatieve geneeswijze toepast, steeg sterk vanaf 1975 (toen plm. 100) tot 1993 (1150) en begon daarna licht te dalen: in 2001 plm. 1100. In volgorde van omvang van hun beroepsvereniging zijn dat m.n. de acupuncturisten, homeopaten, antroposofen, manueel artsen, natuurgeneeskundige en orthomoleculaire artsen.

De alternatieve “consumptie” steeg vlgs. CBS-cijfers van 1981 (jaarlijks 4% van de bevolking) tot 1989 (jaarlijks 6% van de bevolking) met ruim 50%, om sindsdien constant te blijven. Al ruim tien jaar neemt deze niet meer toe.

Het percentage huisartsen dat (ook) alternatieve geneeswijzen biedt steeg dramatisch vanaf 1975 (1-2%), via 4,6% (1985), naar 8,7% (1990) tot een piek in 1993 van 9,4%. Daarna zette een gestage en nog steeds doorgaande daling in tot 6,3% in 2000.

Momenteel is 2,2% van alle artsen in Nederland lid van een vereniging van alternatieve artsen. In 2000 bezochten plm. 950.000 mensen een alternatieve genezer, hetgeen leidde tot bijna 6 miljoen consulten.

Hoger opgeleiden (Hbo/Univ.) maken veel vaker gebruik van alternatieve genezers dan lager opgeleiden: 9,5% tegen 3,6%.

Vergeleken met de gewone medische consumptie is de behandeling door alternatieve genezers betrekkelijk onbeduidend. Het percentage Nederlanders dat per jaar resp. een huisarts, specialist, tandarts, fysiotherapeut of alterneut bezocht bedraagt 75%, 38%,77%, 15% en 6%.’

Dat is handig om te weten en op een rijtje te hebben. Oké, het zijn inmiddels feiten van negen jaar geleden. Misschien kan hij nog een keer een update geven (of heeft hij dat soms inmiddels al gedaan)? Wat ook interessant is, is dit lijstje:

‘De oprichtingsdata van de diverse alternatieve artsenclubs onderstrepen de constatering – en jongeren weten dat niet altijd – dat de alternatieve geneeskunde een fenomeen is van de jaren zeventig en niet veel ouder.

1898 Vereniging van Homeopathisch Artsen Nederland (VHAN)
1968 Ned. Ver. Antroposofische Artsen (NVAA)
1973 Ned. Artsen Acupuncturisten Vereniging (NAAV)
1975 Artsenvereniging tot Bevordering der Natuurgeneeswijze (ABGN)
1981 Artsenfederatie Alternatieve/ Additieve Geneeswijzen (AAG)
1981 Ned. Ver. Artsen Manuele Geneeswijzen (NVAM)
1987 Maatschappij ter Bevordering der Orthomoleculaire Geneeskunde (MBOS)’

Hoewel Renckens aan het begin dit schrijft:

‘Er zal een korte schets gegeven worden van de opkomst van de alternatieve geneeskunde in Nederland, vanaf 1975 tot 2001. Cijfers worden gepresenteerd over de (beschamende) toename van het aantal artsen dat enige vorm van alternatieve geneeskunde beoefent. Ook de groei van de consumptie (sterke toename vanaf 1975 tot 1990 en sindsdien – anders dan veelal gedacht – geleidelijke afname) wordt geschetst.’

Hij houdt zich hier niet aan. Ik bedoel, hij gaat verder terug dan 1975. Want onder ‘Feiten en jaartallen’ begint hij al in 1958:

‘Allereerst geef ik een chronologische opsomming van de belangrijkste gebeurtenissen, die de bloei van de alternatieve geneeskunde in ons land hebben geïnitieerd en begeleid.

– 1958: Rekest van de Ned. Werkgroep v. Paranormaal begaafden (NWP) aan het parlement om bona fide genezers niet meer te vervolgen.
– 1966: Begin van een serie ambtelijke commissies om de Wet op de Uitoefening der Geneeskunst (de wet van Thorbecke, de meest overtreden wet uit de geschiedenis van de vaderlandse rechtspraak) te moderniseren.
1975: Bezoek van prins Bernhard aan een Londense acupuncturist.
1975: KNMG-jaarcongres (Zwolle) over “randgebieden der geneeskunde”: homeopathie, antroposofie en acupunctuur. Veel protest in Med. Contact.
– 1977: Congres Gelijke Rechten voor Alle Geneeswijzen, Amsterdam (1500 deelnemers).
– 1980: Verschijnen Rapport-Muntendam (Commissie Alternatieve Geneeswijzen).
1980-1993: Door VWS gefinancierd effectiviteitsonderzoek van alternatieve geneeswijzen.
– 1987: Pro-alternatief vestigingsbeleid huisartsen door staatssecretaris Van der Reijden.
Medisch Contact plaatst advertenties waarin bijv. “homeopathische huisarts” wordt gevraagd. Vergeefs protest hiertegen door voorzitter Ver. tegen de Kwakzalverij.
– 1988-1990: Affaire Van der Smagt: Biltse huisarts veroordeeld door KNMG-rechtspraak wegens “openlijke kritiek” op (alternatieve) collega’s.
– 1989: Besluit Wijziging Farmaceutische Hulp door staatssecretaris Dees, waarin het ziekenfondspakket werd geschoond van goedkope, maar werkzame huismiddelen, maar waarin de vergoeding van homeopathische en antroposofische middelen gehandhaafd werd.
– 1991: Nieuwe gedragsregels van de KNMG inzake toelaatbaarheid alternatieve behandelwijzen door artsen. Blijkt in “proefproces” te leiden tot blijvende acceptatie van alternatieve artsen binnen de KNMG.
– 1993: Verwijdering antroposofische en homeopathische middelen uit het ziekenfondspakket door staatssecretaris Simons.
– 1993: Wet BIG; geneeskunde wordt een vrij beroep.
– 1993: Notitie Alternatieve Geneeswijzen van Simons: overheid treedt terug, ook t.a.v. alternatieve geneeskunde.
– 1993: Verschijnen Rapport Gezondheidsraad over “Alt. Behandelmethoden en Wetenschappelijk Onderzoek” (AB&WO). Conclusie: dit onderzoek is mogelijk. Regering legt de aanbevelingen van de commissie (die onder leiding stond van Borst-Eilers) naast zich neer.
– 1996: Start rijksgesubsidieerd “Kwaliteitsbeleid alternatieve beroepsorganisaties” door NIVEL, CBO en Consumentenbond.
– 1998: Start registratie homeopathica door College ter Beoordeling van Geneesmiddelen.
– 1999: Optreden van “niet-toxische tumor-arts” Houtsmuller als “invited speaker” op KWF-jubileumcongres.’

Ook hier zou je graag zien dat het lijstje ge-update wordt tot de huidige tijd. Maar waar hierbij mijn oog vooral op viel, was dit jaartal:

‘1975: KNMG-jaarcongres (Zwolle) over “randgebieden der geneeskunde”: homeopathie, antroposofie en acupunctuur. Veel protest in Med. Contact.’

Dat is inmiddels 34 jaar geleden. Een jaarcongres van de Koninklijke Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst waarop over antroposofie wordt gesproken? Daar moest ik het mijne van weten. Op naar Medisch Contact. Daar staat onder ‘Tijdschrift’:

‘het overzicht van het nieuwste nummer van Medisch Contact; Nr. 39 - 24 september 2009 en:
de wekelijkse rubrieken uit Medisch Contact;
het archief;
en informatie voor auteurs.

Het archief van Medisch Contact bestaat uit vele duizenden artikelen uit alle nummers sinds de oprichting. Alle jaargangen tot 2000 zijn in Manilla omgezet naar pdf-bestanden.’

Ik weet niet of dat betekent dat dat monnikenwerk op de Filipijnen in Manilla is gedaan. Daar lijkt het op. Maar ga ik in dat archief zoeken en roep ik een bepaald nummer op, bijvoorbeeld nr. 41 van 10 oktober 1975, dan verschijnt er in de adresbalk dit: http://medischcontact.artsennet.nl/tijdschrift/Manilla-tijdschrift/10-okt-1975.htm. En dat ziet er een beetje gek uit. Manilla-tijdschrift? Dus misschien betekent dat toch iets anders.

In ieder geval, zo is meer te weten te komen over dat KNMG-congres. Dat is wel heel interessant; dat het meteen toen al zo sterk speelde. Op bladzijde 1268 van dat bewuste nummer lees ik, onder de titel ‘Wetenschappelijk gedeelte Maatschappijcongres 1975’:

‘Wetenschappelijk gedeelte Maatschappijcongres 1975, Buitensociëteit-Zwolle
“De Geneeskunde en haar Randgebieden”

Het wetenschappelijk gedeelte van het inmiddels geopende 27ste Ledencongres van de K.N.M.G. is gewijd aan het thema “De geneeskunde en haar randgebieden”. Via een reeks voorpublikaties in Medisch Contact zijn de belangstellenden ingeleid in de problematiek die thans in Zwolle wordt aangesneden.

Zaterdagmorgen zal de voorzitter van de wetenschappelijke commissie, Dr. A. F. Casparie, die beraadslagingen openen. In eerste instantie zal dan een drietal voordrachten worden gehouden: door Prof. Dr. P. J. Thung over “Spanningen en samenspel tussen geneeskunde, geneeskunst en geneeskitsch”; door Dr. C. W. Aakster, “Sociologische beschouwing over de patiënt die de randgebieden van de geneeskunde bezoekt”; door Dr. K. van Dijk over “Politieke en maatschappelijke gevolgen van de eventuele erkenning van de randgebieden van de wetenschap”. Naar aanleiding van deze voordrachten zal een paneldiscussie worden gehouden, geleid door Dr. Casparie die de drie inleiders gelegenheid zal geven nader in te gaan op hetgeen zij dan naar voren hebben gebracht.

De middagzitting is allereerst gereserveerd voor een drietal sectiebijeenkomsten:

1. Acupunctuur – Voordrachten: J. D. van Buren, Prof. Dr. P. E. Voorhoeve, Mevr. J. Overweg-van Kints, P. J. Struelens; voorzitter: H. S. Verbrugh; secretaris: A. A. G. M. Mentink.
2. Antroposofische geneeskunde – Voordrachten: Prof. Dr. B. C. J. Lievegoed, J. van Dam; voorzitter: Dr. A. L. Troostwijk; secretaris: W. G. Sillevis Smitt.
3. Homeopathie – Voordrachten: A. van ’t Riet; Prof. Dr. E. L. Noach; voorzitter: J. F. van Gils; secretaris: P. Been.

Na de theepauze wederom een paneldiscussie: eerst rapportage uit de sectiebijeenkomsten door de voorzitters, dan groepsdiscussie. Dit panel zal bestaan uit de acht sprekers van de sectiebijeenkomsten en Prof. Dr. J. Groen – als voorzitter zal Prof. Dr. M. J. de Vries optreden.
Met een “Filosofische nabeschouwing” zal Prof. Dr. A. de Froe het congres besluiten.

Op de volgende bladzijden alvast samenvattingen van hetgeen de inleiders naar voren zullen brengen.
Verderop in dit nummer herhalingen van inleidende verhandelingen, zoals deze eerder in Medisch Contact werden gepubliceerd, achtereenvolgens over acupunctuur van de hand van H. S. Verbrugh, over antroposofische geneeskunde van J. van Dam en over homeopathie van A. van ’t Riet. Tenslotte nog een bewerkte herhaling van de M.C.-publikatie “Randgebieden van de geneeskunde en de moderne wetenschapstheorie” van eerdergenoemde H. S. Verbrugh, alsmede (nieuw!) enkele impressies over de acupunctuur in de medische literatuur door I. H. P. Oudeman en H. S. Verbrugh.’

Interessante namen treden daar op. Een aantal hebben we op deze weblog al leren kennen. Hugo Verbrugh natuurlijk; die is zelfs tegenwoordig nog alive and kicking op zijn eigen weblog. Maar Erik Noach zijn we ook al een keer tegengekomen. Net als Joop van Dam. Om over Bernard Lievegoed maar te zwijgen, die spant hier de kroon. Ga ik nu naar nr. 44 van 31 oktober 1975, dan wordt daar van het congres de laatste bijdrage gepubliceerd. Die is van Bernard Lievegoed: een vermoedelijk letterlijke weergave van zijn voordracht (of door hem achteraf op schrift gesteld, dat kan ook). En daarmee wil ik dit bericht van vandaag besluiten. Met dank aan Cees Renckens.

Handelingen K.N.M.G.-Congres 1975
Zwolle, 11 oktober 1975

Antroposofische geneeskunde
Aanvulling op de huidige geneeskunde

door Prof. Dr. B. C. J. Lievegoed

Antroposofische geneeskunde is geen ‘nieuwe receptuur’ of ‘nieuwe therapeutische techniek’, maar een onderdeel van een nieuw paradigma van wetenschap, dat behalve in de geneeskunde ook op andere gebieden voert tot een nieuw uitgangspunt van denken en handelen (o.a. in fysica, chemie, biologie, pedagogie en psychologie).

Wat de geneeskunde betreft is het een ‘aanvulling’ op de huidige geneeskunde en eist derhalve een volledige kennis van deze geneeskunde.

De Nijmeegse filosoof Strasser heeft gezegd: ‘Ik filosofeer als iemand die in de westerse cultuur is opgegroeid, ik filosofeer altijd samen met vroegere denkers.’ Deze uitspraak geldt misschien in nog hogere mate voor Rudolf Steiner, die zich tot taak gesteld had om het filosofische en wetenschappelijk denken een ‘volgende’ stap te laten doen. Antroposofie is niet het einde aller inzichten, maar een noodzakelijke stap in de ontwikkeling van filosofie en wetenschap, deze laatste te verstaan als natuur- en geesteswetenschap.

Het nieuwe paradigma van de antroposofische geneeskunde stelt zich tegenover het natuurkundig materialisme en tegenover het paradigma van 1842 toen Müller, Brücke en Dubois Reymond een eed zwoeren dat zij in de mens alleen fysisch-chemische processen zouden laten gelden. Dit paradigma heeft gevoerd tot een biochemisch mensbeeld en een biochemische geneeskunde met een overwegende laboratoriumdiagnostiek en het zoeken naar ‘zuivere’ geneesmiddelen met ‘aantoonbare werkingen’.

Dit paradigma is een bewuste keuze van uitgangspunt plus een methode van wetenschappelijk werken. Elke keuze is, filosofisch gesproken, legitiem, maar beperkt tegelijkertijd de mogelijk te stellen vragen èn de mogelijke antwoorden.

Het biochemisch paradigma is niet onjuist, maar een reductie van de totale mens. Door deze reductie kon op een beperkt gebied ver in de diepten van de biochemische processen worden doorgedrongen. Maar de resultaten zijn altijd beschrijvingen ‘a posteriori’ van wat er is. Vragen naar waarom zo en niet anders kunnen niet gesteld worden, en deze vragen kunnen in bepaalde gevallen van vitaal belang zijn. De fysische wetenschappen richten zich namelijk op de geworden, geschapen wereld, zij zijn causaal ingesteld. De geesteswetenschappen richten zich op een wordende, zich ontwikkelende wereld, waarin zingeving en doelstelling een finale richting bepalen.

Tot zover is de biochemische keuze positief. Onwetenschappelijk worden wij medici, wanneer wij de resultaten van onze gekozen sector uitbreiden over gebieden die buiten onze a-prioristische keuze liggen of nog onwetenschappelijker, wanneer wij het bestaan van andere sectoren van keuzen ontkennen. Ware de medische wetenschap een filosofische kenniswetenschap, dan zou dat niet zo’n bezwaar zijn, maar zij is tegelijk toegepaste wetenschap en dan gaat haar reductionisme iedere mens aan die als patiënt met haar in aanraking komt. Tegenover het materialistische mensbeeld van onze huidige medische wetenschap stelt de antroposofie als axiomatisch uitgangspunt een mensbeeld naar lichaam - psyche en geest (persoon), waarbij de psyche en de geest geen uitvloeisel zijn van de complexi· teit van de materie (Teilbard de Chardin) of van electrochemische informatiesystemen enz. enz., maar waarbij deze eigen bestaansvormen zijn, die volgens eigen methoden kunnen worden bestudeerd.

De wisselwerkingen tussen deze drie werelden, die in de mens naar een dynamische eenheid streven, bepalen uiteindelijk de gezondheid en ziekte èn de ontwikkeling van de mens tot echte menselijkheid. Het zal begrijpelijk zijn dat de antroposofische geneeskunde er naar streeft de mens te onderzoeken en te behandelen naar lichaam, psyche en geest. En dat een causale therapie slechts een therapie kan zijn die alle drie gebieden omvat.

Uit deze doelstelling vloeit voort, dat de antroposofische geneeskunde op drie gebieden probeert de bestaande methoden en wegen tot therapie een stap verder te voeren. Dit betekent ook dat de antroposofische arts in alle opzichten op de hoogte van zijn tijd staat, maar daarnaast een tweede studie, op zich moet nemen in biologisch, psychologisch en ‘pneumatologisch’ opzicht (pneuma = geest).

Van buitenaf gezien is in de antroposofische geneeskunde het meest opvallende: 1. een andere benadering van het levensverschijnsel; 2. een andere benadering van het psychologische gebied; 3. een andere benadering van het geestelijke (de persoon) in de mens. (Dat op deze drie gebieden momenteel al overal aanzetpunten zijn, wordt daarbij met vreugde vastgesteld.)

1. Een andere benadering van het levensverschijnsel.

Leven is niet gebonden aan materie, de materie is juist het minst blijvende in de levensverschijnselen. Leven is een specifiek proces in de tijd en moet ook als zodanig worden bestudeerd (zie bijvoorbeeld Paul Weisz: the science of life).

Bij wisselende materie is het proces van opbouwen afbraak het enige constante. Een levende cel toont een tumultueus gebeuren: stoffen worden opgenomen en uitgestoten, vacuolen ontstaan en verdwijnen enz. Eén druppeltje vergif onder het dekglaasje en ‘de film staat plotseling stil’: wij hebben bet plaatje van de cel uit het leerboek voor ons! Dit plaatje van de ‘niet-meer-Ievende-cel’ moeten wij snel fixeren omdat anders de fysische wetten van de entropie de nagelaten structuur afbreken.

Levensprocessen hebben een ordening in de tijd, met een richting van afloop (opbouw of afbraak) en zijn niet omkeerbaar. Deze levensprocessen in levende organismen, waarvan de cel de kleinste (maar niet de eenvoudigste) is, streven naar een evenwicht, dat wij als ecologie hebben leren kennen. Ons levende lichaam is een duizelingwekkende complexiteit van hiërarchisch geordende ecologische evenwichten tussen cellen binnen een orgaan en organen binnen een organisme.

De ecologie is nog een jonge wetenschap, maar reeds zijn enkele grondwetten bekend: een ‘gezond’ meer bijvoorbeeld is een evenwicht tussen zeer uiteenlopende factoren als klimaat, doorstroming, bacterie, plant- en dierleven, zonnebestraling, windrichtingen enz. Dit gezonde ecologische evenwicht heeft een zekere elasticiteit en kan verstorende invloeden verwerken. Indien echter gedurende langere tijd sporen kunstmest van het land in het water komen, gaan de algen groeien, verbruiken de zuurstof, verstikken plant en dierlijk leven: de ecologie stort ineen, het meer hegint te stinken, het meer is ziek geworden. Een therapie bestaat niet in het bestrijden van de algen! Deze bestaat uit het zorgvuldig opbouwen van het oude of van een nieuw ecologisch evenwicht.

Dit eenvoudige voorbeeld is richtinggevend voor het therapeutisch denken in de antroposofische geneeskunde. De ecologie van het menselijk lichaam wordt al van nature belast door emotionele ingrepen en persoonlijke strevingen – momenteel bovendien door een groot aantal levensvreemde stoffen in levensmiddelen en medicamenten. Dit laatste heeft er al toe gevoerd dat in de U.S.A. 10% van de ziekenhuisbedden door iatrogene ziekten worden bezet.

Het antroposofisch wetenschappelijk onderzoek heeft methoden ontwikkeld om de mate van helasting in een ecologie te meten, vóór deze ineengestort is en als ziekte zichtbaar wordt. Het zeer uitgebreide statistisch-onweerspreekbare onderzoek in deze is tot nu toe gewoon geïgnoreerd! Dit onderzoek is als alle revolutionair onderzoek gedaan met beperkte geldmiddelen en met grote opoffering van de onderzoekers. Wanneer komt hierin een verandering?

Bij het onderzoek naar de kwaliteit en de werkzaamheid van geneesmiddelen worden dezelfde methoden gebruikt. Het gaat er niet om schokachtige werkingen tevoorschijn te roepen die ziektesymptomen doen verdwijnen (of versluieren), maar om werkzame geneesmiddelen te scheppen die op voorzichtige wijze ecologieën herstellen, die processen op gang brengen. Bij de geneesmiddelbereiding wordt in vele gevallen o.a. van de potentiëring van minerale en plantaardige substanties gebruik gemaakt, maar de uitgangspunten zijn andere en meer complexe dan in de homeopathie.

2. Een andere benadering van bet psychologische gebied

Het psychologische veld beweegt zich binnen een aantal psychische kwaliteiten die voor een oppervlakkige beschouwing meest polair gerangschikt zijn. Sympathie-antipathie, hoop-vrees, moed-angst, enz. Aristoteles heeft er al op gewezen dat deze duale kwaliteiten in werkelijkheid uit triaden bestaan. Hij stelt dat niet de tegenstelling moed-angst het juiste is, maar moed tussen overmoed en angst. Deze drieledigheid, bijvoorbeeld gelijkmoedigheid tussen hoop en vrees, is de grondslag voor een therapeutisch werken binnen het psychische gebied, dat weer een directe invloed heeft op de biologische gezondheid.

Denken, voelen en handelen zijn in een voortdurende ontwikkeling in kindheid, jeugd, volwassenheid en ouderdom. Regressies zijn in vele psychotherapeutische richtingen beschreven, maar ook propulsies, te snelle ontwikkelingen zijn ziektemakende oorzaken die tot in de levensprocessen doorwerken. Harmonisering (het vinden van voor de leeftijdsfase juiste evenwicht van de psyche) en activering van de psyche kan plaatsvinden door het ontwikkelen van specifieke kunstzinnige therapieën als schilderen, boetseren, musiceren en vooral heileurythmie. In samenwerking met opgeleide kunsttherapeuten is een geheel nieuw gebied van verrassend werkzame therapieën ontstaan. Voor het kunnen hanteren van deze therapieën zal de arts zelf deze therapeutische kunsten moeten leren kennen.

3. Een andere benadering van bet geestelijke in de mens

De menselijke levensloop is een eenheid, een totaliteit waarin bij bestudering één of meerdere ‘Leit’motieven zichtbaar worden. De menselijke levensloop is een muzikaal-dramatisch geheel, de wetten van het drama zijn van de menselijke levensloop afgelezen. Deze levensloop kan tenslotte al of niet tot vervulling, zingeving en realiseren van de eigen waarheid voeren. Naar de mate dat dat laatste slaagt spreekt men van een zinvol, gelukkig of een tragisch leven. Het geestelijke in de mens wordt voor ons kenbaar in de ontmoeting met de persoonlijkheid: het Ik of Zelf van de mens. Dit Ik wordt zichtbaar in de doelstellingen die men zich stelt. Geestelijk is de mens finaal ingesteld. In zijn psyche werken causaliteit (de levensgeschiedenis) en finaliteit beide. Het al of niet doorbreken van de eigen levensvervulling, het trouw blijven aan zichzelf, kan de grondslag leggen voor acute en chronische ziekten. Bij elke ziekte spelen ook biografische oorzaken een rol; het doen verdwijnen van symptomen (laat staan het verdoven van de geestelijke problematiek met psychofarmaca) is nog geen genezing. Voor een echte genezing moet de arts de verschillende ‘Leit’motieven in het leven van de patiënt leren kennen en vaststellen of deze misschien zijn eigen levenslijn laat wegdrukken of dat hij zijn ik-verwerkelijking met geweld doorzet, waardoor hij zijn sociale betrekkingen vernietigt. In beide gevallen kan vereenzaming optreden.

De arts zal het moeten aandurven met zijn patiënten een existentiële ontmoeting te zoeken. Hij is daarbij niet de beter-wetende toeschouwer, maar wordt in de ontmoeting tot meespeler en medemens, die zijn eigen biografie opent voor een rol in de biografie van de patiënt als medemens. Daarbij speelt een kennis van de geestelijke problematiek in de verschillende levensfasen een belangrijke rol. Een verstarring in een vastgelopen biografie voert tot vervroegde ouderdom en sclerose. Het vinden met de patiënt van een geestelijke uitweg, het weer zien van een doel, kan een verjongende opleving geven en een teruggang van de sclerose.

De geestelijke therapie is vooral van belang voor de tweede levenshelft, ja, is daar zelfs onmisbaar. De antroposofische arts zal daartoe zelf een bewuste ontwikkelingsweg moeten gaan en een warme menselijkheid moeten ontwikkelen.

Slot

De antroposofische arts zal steeds streven naar een totale werkelijk causale therapie. Hij zal daarbij bepaalde onconventionele middelen gebruiken in geneesmiddel – creatieve activering – en existentiële ontmoeting. Voor alle drie gebieden van therapie wordt van dezelfde diagnose uitgegaan, die steeds somatisch-psychisch-geestelijk behoort te zijn.

Hij zal, waar nodig, eventueel in samenwerking met een specialist, levensgevaarlijke situaties couperen met het bekende arsenaal, maar zal daarna nog eens met zijn causale therapie beginnen, die de patiënt zijn individuele levensweg helpt hervinden. Niet alle ziekten zijn geneeslijk, dit behoort tot het levensdrama, maar het is de taak van de arts mèt de patiënt te zoeken naar de zin ook van dit drama. Het kunnen begeleiden van een sterfproces behoort tot de meest menselijke kunst van de arts.

De antroposofische artsen vragen van hun collega’s door hen au sérieux te worden genomen en in een dialoog tot wederzijdse verdieping te komen.

donderdag 24 september 2009

Schakel

Alexis van Erp weer door de bocht. Dan weet je dat je goede informatie krijgt. Gisteren schreef hij op de website van Biologica over ‘Honingbijen’:

‘U had er misschien nog niet bij stilgestaan, maar de honingbij is een landbouwdier. Ze worden gehouden voor honing, bijenwas, en voor de bestuiving van fruitbomen en vele groentesoorten.

Honingbijen vervullen een essentiële schakel in de voedselvoorziening. Naar schatting 1/3 van al het eten op aarde is afhankelijk van de bestuiving door bijen. Einstein zou gezegd hebben: “Als de bij van het aardoppervlak verdwijnt, heeft de mens nog maar vier jaar te leven.”

Het gaat de laatste jaren erg slecht met de honingbijen: ze sterven bij bosjes. Dit komt waarschijnlijk door een combinatie van drie oorzaken: grootschalig gebruik van insecticiden in de landbouw, afgenomen biodiversiteit, en de verspreiding van bijenziektes t.g.v. de globalisering. Ook de manier waarop bijen worden gehouden, speelt waarschijnlijk een belangrijke rol. Honingbijen komen in Nederland sinds de jaren ’80 niet meer in het wild voor.

Met biologische landbouw worden twee van de drie oorzaken van bijensterfte aangepakt: biologische landbouw zorgt voor grotere biodiversiteit, en er worden geen chemische middelen gebruikt. Biologische maar met name biologisch-dynamische imkers gaan bovendien op een andere manier met hun bijen om: ze laten de bijen (deels) overwinteren op hun eigen honing. Overigens is er in Nederland geen gecertificeerde biologische bijenhouderij; het is moeilijk om te voldoen aan de eis dat 3 km in de omtrek alleen biologische landbouw of natuurgebied aanwezig is.

De meest doordachte vorm van imkerij is waarschijnlijk de biologisch-dynamische imkerij. De grondlegger ervan, Rudolf Steiner, waarschuwde in het begin van de 20e eeuw al voor de gevolgen van het ontstaan van de kunstmatige imkerij (rond 1910), en voorspelde dat het enthousiasme hierover geen 100 jaar zou duren. Zie www.bdimkers.nl. Biologica moedigt imkers aan om over te stappen op duurzamere methoden. Vraag hiervoor de omschakelbrochure aan bij info@bdimkers.nl.’

Dat is een interessante link. Ik wist niet dat er een club van bd-imkers bestond, die was ik nog niet tegengekomen. Dus gauw naar die website, kijken wat die inhoudt. ‘Verwondering voor de imme’ staat er raadselachtig op de homepage. Klikken maar, en je komt uit bij de vraag ‘Interesse in bijenvriendelijk imkeren?’ Met daaronder als antwoord:

‘Noteer dan vast de dag waarop de landelijke bijeenkomst in Driebergen plaatsvindt: zaterdag 13 maart 2010. Om de uitnodiging en het programma te ontvangen, kunt u zich vervolgens aanmelden via info@bdimkers.nl. Ook kunt u zich als belangstellende opgeven bij de regiogroepen die sinds dit voorjaar actief zijn. Als u iets wilt doen om ons te ondersteunen kijk dan onder het kopje “Wat kan ik doen”.’

In plaats van daarheen te gaan, kies ik in het menu links eerst voor ‘Uitgangspunten’. En zie daar dit staan:

‘Imkeren naar het wezen van de bij: bijenwaardig
een korte omschrijving van de uitgangspunten van BD-imkeren

Dat is mooi, nu dus weer daarheen. Aha, nu komen we echt wat te weten:

‘In 1979 is de BD-imkerwerkgroep gevormd door Sieb Fontein (1914-1993). Hij was zich bewust van de grote bedreiging die de moderne, kunstmatige bijenteelt voor de imme is. Het werk van Rudolf Steiner (1861-1925), grondlegger van de anthroposophia, was zijn inspiratiebron. In de voordrachtcyclus “De Bijen” gaf Steiner in 1923 al aan dat de vreugde omtrent de kunstmatige bijenteelt, die sinds 1908-1912 begon, geen 100 jaar zou duren. Inmiddels is het zover.

In de lezingencyclus “De Bijen” spreekt Rudolf Steiner tot de arbeiders aan het eerste Goetheanum over de taak van de bijen in de aarde- en mensheidsontwikkeling, die al zichtbaar is in oude cultuurperioden. Als imkerwerkgroep zien wij het als onze taak deze impuls en haar achtergronden te onderzoeken en naar de praktijk van het imkeren te vertalen, waardoor de vitaliteit van het bijenorganisme versterkt wordt.

Hieruit zijn bijvoorbeeld onderstaande inzichten voor het houden van bijen voortgekomen die verschillen met de reguliere bijenteelt:

– het laten afkomen van zwermen is de meest optimale basis voor de geboorte van de nieuwe imme. Dit in plaats van kunstmatige zwermen, KI of anderszins, waarbij de imker ingrijpt in het bijenorganisme.

– de raten door de bijen zelf laten bouwen in plaats van kunstraat te geven: natuurbouw. Als natuurbouw goed bekeken wordt is te zien dat er vele onregelmatigheden in zitten. Ieder bijenvolk bouwt op een eigen manier zijn raten. Met kunstraat wordt het bijenorganisme in een vorm gedrongen die niet de hare is.

– de bij-eigen natuurlijke afstand tussen de raten (35 mm - hart tot hart) wordt daardoor in acht genomen. Optimaal komen we dan tot 11, liefst 9 raams kasten. Regulier is de onderlinge afstand in de 10-raams standaardkasten 38,5 mm. Dit is een grotere afstand die op honingwinning gericht is en niet op de bevordering van een optimaal en krachtig broednest. Bovendien zitten in kunstraat (gesmolten en in een vorm geperste raat uit alle hoeken van de wereld) residuen van chemicaliën waarmee de laatste 20 jaar vrijwel iedere imker zijn bijen behandelt tegen allerlei parasieten en ziekten

– in een kast met hoge ramen (bijvoorbeeld combiramen) ontwikkelt het broednest zich als een gesloten bolvormig geheel. Deze bolvorm wordt in standaardkasten onderbroken waardoor er een koude-brug in het broednest ontstaat die de bijen maar hebben op te lossen en dat kost energie die ten koste gaat van de vitaliteit van het bijenvolk

– iedere imme mag zoveel darren hebben als ze zelf voortbrengt, gezien de bijzondere functie die de dar heeft. De kennis omtrent de functie en betekenis van de dar is regulier vrijwel onbekend en een van de grootste geheimen van de imme

– Als er bijgevoerd moet worden om de bijen de winter door te helpen, geniet het inwinteren op eigen honing de voorkeur. Het bijvoederen met een suikeroplossing kan verrijkt worden met eigen honing en/of kruidenthee (o.a. kamille) met eventueel wat zout. Door dit verrijken van de suikeroplossing wordt het de bijen makkelijker gemaakt de suiker om te zetten tot “honing”

– de bijenwoning is van stro(rogge- of bunt) en/of van ongelijmd hout. Geen of zo min mogelijk metalen delen in de kast: afstandsreepjes, ijzerdraad in kunstraat. Ook geen gelijmde multiplex kasten

– er is een respectvol contact van imker tot imme. Een imker die niet overgevoelig is voor bijensteken werkt met blote handen in de bijen. De bijen kunnen de imker dan laten merken als deze te grof werkt. Bijen steken niet zomaar, de bij verliest daarmee zijn leven, dus er moet wel een goede reden zijn. Het is aan de imker te begrijpen waarom er in individuele situaties gestoken wordt.

Vragen naar “het wezen van de bij”

Het “Imkeren uitgaande van het wezen van de bij” is iets wat voortdurend in ontwikkeling is. De BD-imkerwerkgroep stelt geen algemene richtlijnen, maar bevordert individueel imkerschap vanuit dit uitgangspunt. Er is geen recept, geen kwaliteitskeurmerk, geen commercieel uitgangspunt, geen BD-imkermethode met voorschriften. We stellen steeds vragen naar de oorsprong en het wezen van de bij en haar betekenis voor de toekomst opdat we de bijen optimaal door deze tijd kunnen loodsen en behoeden.

Literatuur:
Steiner, Rudolf, De Bijen (heruitgave bij Christofoor, voorjaar 2010)
Lorenzen, Iwer Thor, Natuur en Wezen van de Honingbij (heruitgave, juli 2009)’

Maar wie zijn nu de mensen die dit allemaal doen? Dat is niet helemaal duidelijk. Maar er zijn in ieder geval ‘Regiogroepen’:

‘U kunt zich via e-mail aanmelden bij een regiogroep en krijgt dan informatie over de regiogroep en wanneer de eerstvolgende bijeenkomst is. Ook als u (nog) geen bijen heeft bent u welkom. Iedere regiogroep heeft een eigen karakter afhankelijk van de deelnemers. Er wordt hetzij gestudeerd of onderzocht, of het zijn sociale bijeenkomsten en weer andere gaan praktisch aan de gang.’

Hoe dan ook, als ze al sinds 1979 bestaan, is deze club inmiddels dertig jaar oud. Dat is een respectabele leeftijd. En mooi dat Biologica vandaag hiernaar verwijst.

woensdag 23 september 2009

Hoger onderwijs

Vorige week woensdag 16 september kon ik in ‘College’ melden dat op zaterdag uitgeverij Garant/Maklu in Antwerpen een boekenpodium zou organiseren voor het non-fiction boek met bijdragen van een aantal internationaal belangrijke beleidsmakers, cultuurdragers en wetenschappers. Onder hen ook Jeroen Lutters, mede vanwege zijn nieuwe boek De poëtische taal van de adolescent. Over de schoonheid van het anders-zijn. Zijn bijdrage van die dag zou het volgende behelzen:

‘Een student is voor menigeen in de eerste plaats een deelnemer aan het hoger onderwijs. Hij is echter ook een (post)adolescent. Hij bevindt zich in een levensfase die zich vooral kenmerkt door de wens van het anders-zijn. Het onderwijs houdt daar onvoldoende rekening mee. De focus ligt te eenzijdig op een smalle “professional education”. Dat kan tot maatschappelijke ontploffingen leiden. Hoe kan “liberal education”, met belangstelling voor de uniciteit van ieder mens, helpen het evenwicht te herstellen? Hoe kan meer aandacht voor het bruto nationaal geluk een bijdrage leveren aan het bruto nationaal product?’

Nu was vanochtend op de opiniepagina van Trouw het artikel ‘Studeren doe je niet voor jezelf’ te lezen:

‘Dit is een ingekorte versie van een lezing die Jeroen Lutters 19 september in Antwerpen hield op het BoekenPodium, bijeenkomst over non-fictie boeken.’

Hij wordt geïntroduceerd als:

‘Jeroen Lutters, cultuurhistoricus, onderzoeker Hogeschool Utrecht en voorzitter Bernard Lievegoed College for Liberal Arts’.

De ondertitel van zijn opiniebijdrage luidt:

‘Hogescholen en universiteiten moeten niet alleen kennis overdragen, maar ook normbesef.’

Het is helaas niet op de website van Trouw geplaatst. Daarom laat ik het hier maar gewoon in zijn geheel volgen, dan bent u helemaal op de hoogte en kunt u meegenieten:

‘Studenten hebben volgens het bedrijfsleven te weinig normbesef, zo bleek gisteren uit een onderzoek van KPMG. Het hoger onderwijs besteedt inderdaad nog weinig aandacht aan de ethische vorming van studenten.

De overheid investeert volgend jaar 36 miljard in onderwijs, cultuur en wetenschap, zo blijkt uit de rijksbegroting 2010. Maar waartoe? Neemt de onwetendheid, de onverschilligheid van het individu merkbaar af? Zijn de huidige investeringen voldoende om het tij te keren?

Misschien is het tijd voor een fundamentele heroriëntatie op het hoger onderwijs. Daarbij moeten ook de universiteiten en hogescholen zelf hun verantwoording nemen.

De praktijk van het hoger onderwijs – de wereld waarin ik me dagelijks beweeg – is nu vooral gericht op de investering in economie. Menselijk geluk en welvaart worden als synoniem ervaren. Een teken aan de wand is de extreme gerichtheid op de professionele educatie. Ik wil het belang daarvan niet marginaliseren. Een groot deel van de wereld wil eerst kunnen leven “vrij van armoedde en gebrek”, zoals Louise Arbour, oud-hogecommissaris van de mensenrechten (VN) zaterdag in een interview met het Belgische dagblad De Standaard terecht opmerkte.

Een eenzijdige blik op welvaart is echter niet de uiteindelijke oplossing voor de “challenges of our time”. Het kan zelfs leiden tot een verdere verergering van de situatie. De mens kan verworden tot een instrument, geleid door niet-humane wetmatigheden, het individu wordt uitgekleed.

Het hoger onderwijs moet niet eenzijdig gericht zijn op de professionele educatie en “weten”, maar ook aandacht besteden aan “het geweten”. Het is zaak dat studenten niet alleen worden uitgedaagd om te denken in termen van bruto nationaal product, maar ook in termen van – zoals dat in Bhutan wordt omschreven – bruto nationaal geluk.

Dit alles vraagt om een concrete vernieuwing van het huidig curriculum op hogescholen en universiteiten. Binnen opleidingen is er ruimte nodig voor zingevingsvragen. Er moet een beroep worden gedaan op het domein van de humaniora.

Studenten moeten worden gevraagd een basisstrategie te ontwikkelen: “Hoe draagt mijn studie, werk en leven bij aan een betere wereld”. Zodat hun latere activiteiten ook maatschappelijk verankerd zijn. Wat geldt voor de studenten, geldt overigens net zo goed voor de docenten, de onderzoekers en de leidinggevenden van de instellingen.

Het herzien van het traditionele curriculum vraagt – wil het kans tot slagen hebben – om concreet hanteerbare vormen. Daar hoef je niet heel ver voor te zoeken. Een inspirerend voorbeeld is het new liberal arts-programma, zoals dat wordt gepropageerd door Elizabeth Coleman. Deze progressieve voorzitter van het prestigieuze Bennington Liberal Arts College in Vermont (VS) laat studenten in een bachelor, masters, major en minor, bezig zijn met fundamentele ethische vraagstukken. De studenten werken aan het ontwikkelen van een vorm van denken met aandacht voor de ethische implicaties van hun handelen.

Coleman heeft als motto dat “niemand de antwoorden heeft, maar iedereen wel verantwoordelijkheid draagt”. Het gaat er om dat jonge managers een persoonlijk ethisch principe ontwikkelen voor hun latere professionele activiteiten. Het gaat om de kunst van het ontwikkelen van een “persoonlijke kernstrategie”. Het gaat niet om het simpelweg adopteren van een nieuwe ideologie; wel om het verwerven van een authentieke levenshouding.

Mijn pleidooi is daarom eenvoudig: binnen opleidingen voor artsen, leraren, managers en technici moet er een aparte minor, bachelor-plusprogramma of een onderzoeksmaster komen die studenten de gelegenheid geeft een persoonlijke strategie te ontwikkelen.

Goethe waarschuwde al in zijn Faust tegen het gevaar slaaf te worden van de kennis. Het is de verantwoordelijkheid van het hoger onderwijs om de student bewust te leren omgaan met kennis. Het kunstje doen is niet meer genoeg. Het wordt tijd dat we leren professioneel handelen te verheffen tot een morele kunst.’

dinsdag 22 september 2009

Lezing

Het is nu al bijna drie weken geleden, maar nog steeds weinig tot niets te zien. Het bericht van 3 september, ‘Nieuwe webredacteur’, werd gebracht op de website van de Antroposofische Vereniging in Nederland (gewoonlijk met de lelijke afkorting AViN aangeduid):

‘Petra Helmus is per 1 september gestopt als webredacteur. Haar opvolgster is Arianne Collee. Petra Helmus heeft drie jaar lang de agenda en het nieuws voor de site van de AViN verzorgd. We danken Petra voor haar inzet en het werk dat ze heeft geleverd. Arianne Collee, die haar werk overneemt, is sinds oktober 2006 redacteur van het tijdschrift Motief. Berichten voor de website kunt u voortaan naar haar sturen.’

Tot nu toe heeft dat weinig opzienbarends opgeleverd, helaas. Maar de vraag is of je dat ook op de nieuwspagina’s moet zoeken. Misschien elders op de website? In het verleden heb ik verscheidene malen erop gewezen dat bepaalde pagina’s wel erg verouderd zijn. Is dat nu ook de taak van Arianne Collee? Maar laten we het eens hebben over het maandblad waarvan zij redacteur is. Ook daarvan is weinig florissants te berichten. Op de website tenminste. Daar wordt nog steeds als meest recente nummer dat van juni (nr. 130) opgegeven. Juli, augustus, september... drie maanden verder zijn we nu. Okee, in de zomermaanden is er één nummer voor de maanden juli-augustus. Maar het septembernummer is toch al minstens drie weken uit (ik had het al op de vroege morgen van vrijdag 28 augustus in de bus). En dat bleek me toch een leuk nummer te zijn! Dat zou ik graag willen delen met anderen. Maar nee hoor, nergens op de website is er iets over te vinden, helaas.

Dus dan neem ik die taak maar op me. Ik heb nu lang genoeg gewacht. Daartoe breng ik twee teksten bij elkaar, een die aan het begin staat (op bladzijde 10) en een aan het eind (op bladzijde 34 en 35). De eerste als onderdeel van het nieuws, maar in feite een persoonlijke column. De laatste tekst behoort ook tot het nieuws, maar dan het nieuws voor leden van de Antroposofische Vereniging, met de originele titel ‘ledennieuws’ aangeduid, geschreven door de voorzitter van de vereniging in België (als ik me niet in de functie vergis). De eerste behoort tot de nieuwe column ‘dwarskijker’ die hier al eens eerder ter sprake is geweest (dat was op vrijdag 5 juni in ‘Ontluistering’). Na de eerste drie keer door Toon Schmeink krijgt nu een nieuwe auteur het woord. Ik laat de column hier in zijn geheel volgen:

‘Waarom is antroposofie, die zoveel te bieden heeft, zo marginaal, introvert en tandeloos in onze maatschappij? Ik denk dat de AViN zichzelf beter kan opheffen. Dan kan men vervolgens de Stichting Antroposofie Nederland oprichten, die alle activiteiten van de vereniging voortzet, met donateurs in plaats van leden.

Een stichting heeft geen leden; dat is bij de wet verboden. En laten we wel wezen – een spirituele vereniging, met leden, dat kan eigenlijk niet meer in deze tijd. Lid zijn van een spirituele club is een anachronisme, net als inwijdingen, rituelen of teksten die alleen bestemd zijn voor sommige mensen en niet voor iedereen. Dat was allemaal ooit nodig en nuttig, maar die tijd is voorbij.

In een vereniging bloeit makkelijk een kuddegeest. Mensen doen hun best een goed lid te zijn en passen zich onwillekeurig aan bij deze clubmentaliteit. Ze accepteren allerlei folkloristische clubverhalen als gospel truth. Daar krijg je dan toestanden van waarbij het ene lid het andere verwijt niet recht genoeg in de leer te zijn. Mensen raken gehecht aan hun club en proberen veranderingen tegen te houden. Onspiritueler kan bijna niet. Met een stichting, waarmee je als belangstellende verder niet veel te maken hebt, stimuleer je eerder autonoom denken.

Een vereniging met leden kent doorgaans ook een onuitgesproken hiërarchie. Wie langer lid is, staat een stapje hoger dan wie nog maar net komt kijken. Hoogst onspiritueel! Met een stichting daarentegen stimuleer je dat mensen samenkomen, samenwerken en zich samen ontwikkelen in vloeiende, horizontale netwerken, lokaal of thematisch georganiseerd, zonder pretenties en zonder vaag en subtiel statusgedoe. Anders gezegd: niemand is meer supersoof, iedereen is gelijk. Niemand hoort erbij, dus ook: niemand hoort er niet bij.

Misschien zou antroposofie zichzelf wat meer te grabbel moeten gooien.

PS. Mijn naam is niet Lisette ’t Hooft, zoals in de aankondiging stond, maar Lisette Thooft.’

Nou, dat is nog eens een leuke binnenkomer! Je verwacht dat hierover wel een aardige discussie gevoerd zou kunnen worden, bijvoorbeeld op het forum van de Antroposofische Vereniging. Maar nee hoor, niets van dat alles. Daarom ga ik door naar de tweede tekst die ik aankondigde. Die laat ik hier eveneens integraal volgen, dan is de context ook meteen duidelijk. De titel luidt ‘Bijeenkomst algemene secretarissen in Bologna’ (waarmee functionarissen in de Antroposofische Vereniging zijn bedoeld):

‘Tijdens de bijeenkomst van de Europese algemene secretarissen eind juni waren de centrale thema’s: het omgaan met een toekomstgericht lidmaatschap, samenwerking op meerdere gebieden van de vereniging en de werkzaamheid van de vereniging in de wereld. Jan Borghs geeft enkele persoonlijke impressies van de bijeenkomst.

In 2011 is het 150 jaar geleden dat Rudolf Steiner werd geboren. Dit zal op vele plaatsen herdacht worden met speciale activiteiten, onder meer in Bologna waar Rudolf Steiner in 1911 een eenmalige voordracht hield aan de universiteit tijdens een filosofencongres. Het is de bedoeling om in Bologna in 2011 een belangrijke internationale bijeenkomst te organiseren. De Europese Generalsekretäre zullen intensief betrokken worden bij de voorbereiding. En de initiatiefnemers hopen dat alle Europese landen met delegaties van de leden aanwezig kunnen zijn op dat congres. Ook aan het Goetheanum, in Duitsland en in Scandinavië zullen congressen met internationaal karakter de 150ste geboortedatum van Rudolf Steiner herdenken.

Lidmaatschap van een “tegen” beweging?

We spraken verder over de kwaliteiten van het lidmaatschap. Een gesprek dat in de lente al in de zittingen aan het Goetheanum werd begonnen. Waarom zou een modern mens nu lid willen worden van de Antroposofische Vereniging? Ten tijde van Rudolf Steiner kregen de leden nog iets aangeboden in ruil voor hun lidmaatschap: ze mochten de voordrachten van Rudolf Steiner bijwonen en ze konden de afschriften van zijn voordrachten kopen. Geeft het lidmaatschap nu nog voordelen? En moet dat wel zo zijn? Wat te denken van het idee om aan alle leden wekelijks een gratis tijdschrift, zoals het weekblad Das Goetheanum, op te sturen? Is dat realiseerbaar en vooral financierbaar? En moeten we wel tegemoetkomen aan het toenemende consumenten- of klantenbewustzijn: wat krijg ik voor mijn (lid)geld? Zijn we nog steeds en teveel een “tegen” beweging? Een beweging die de vinger legt op de negatieve kanten van de samenleving en tegelijk aangeeft dat de antroposofie antwoorden kan geven op wat er mis gaat? Moeten we niet eerder een “mee” beweging worden? Waar zijn onze vrienden waarmee we samen kunnen werken aan de ontwikkeling van het algemeen menselijke in de wereld? Laat ons niet strijden tegen, maar laat ons werken vóór algemene menselijkheid, gedragen door het spirituele.

Dat veronderstelt Zugehörigkeit en Teilhabeschaft, twee prachtige Duitse woorden, die moeilijk met dezelfde gevoelswaarde te vertalen zijn. Er leeft bij de leden een groot verlangen erbij te horen, deel te kunnen nemen aan het cultuurscheppende van de antroposofie. Daaraan kan men warmte en vreugde beleven. Deelnemer zijn aan de schepping van een toekomst waar het algemeen menselijke, het spirituele richtinggevend kunnen werken. Dit warme gevoel vinden we gemakkelijker terug in de werkgebieden. Toch is het de opgave de denkmens en de wilsmens samen te brengen. We mogen het denken niet tegen het willen uitspelen. Dat verstoort het geestesleven. Drie principes liggen aan de basis van het werken met het spirituele: inzichten worden doorgegeven, samen met anderen besproken en in de praktijk gebracht.

Een doorzichtige organisatie

We vroegen ons ook af: met welk bewustzijn kijken we naar de ontwikkeling van de antroposofische vereniging? We kennen de bewustzijnsziel die uit de erfenis van de verstandsziel ontwikkeld is als een historische continuïteit. Zou het mogelijk zijn dat deze bewustzijnsziel zichzelf kan grijpen en dat daardoor een diepere bewustzijnslaag kan worden aangeboord? Als we dan vanuit deze laag kijken naar de vereniging, stijgen we misschien uit boven de vraag: welk voordeel brengt het lidmaatschap aan mij? Dan worden we meer betrokken, nemen we deel aan en verbinden we ons op een andere wijze met het lot van de vereniging. Zo’n bewustzijn vraagt een doorzichtigere organisatie. We kunnen dan niet blind zijn voor onze moeilijkheden en moeten die moedig onder ogen zien en trachten oplossingen te vinden. We willen als algemene secretarissen in die richting verder zoeken.

En daarom zullen we in januari bijzondere aandacht besteden aan de financiële kant van de vereniging. Ook vroegen we ons af: welke vorm zou de vereniging met het oog op de toekomst moeten aannemen? Hoe moet onze vereniging geleid worden? Afgesproken werd dat de bijeenkomsten van de Europese algemene secretarissen in het vervolg op vrijdagmorgen zullen beginnen. Zo ontstaat er meer tijd voor overleg. De volgende bijeenkomst zal in Duitsland plaatsvinden. De stad moet nog gevonden worden...

Jan Borghs, secretaris generaal van de Antroposofische Vereniging in België’

Het leuke is dat op een bepaalde manier dezelfde vragen worden gesteld als in de column, alleen vanuit een heel andere richting komend. Zou het met elkaar afgesproken zijn? Of hangt het gewoon in de lucht? Het laatste zou je gaan denken als je er een ander verslag bij neemt, namelijk in ditzelfde katern voor leden (op bladzijde 32 en 33), van de jaarvergadering 2009 van de Antroposofische Vereniging in Nederland, die op 12 en 13 juni in Zutphen werd gehouden (ik berichtte hierover op zaterdag 13 juni 2009 in ‘Roemen’), van de hand van secretaris Pieter Meester. Vorig jaar werd trouwens zijn verslag meteen op de website gezet; dat is dit jaar dus niet het geval, helaas. Die tekst van hem uit 2008 is nog in het ‘Nieuwsarchief’ te vinden:

‘21/06/2008 10:39 Verslag jaarvergadering AViN
Vrijdagavond 6 en zaterdag 7 juni vond de jaarvergadering plaats van de Antroposofische Vereniging in Nederland (AViN). Secretaris Pieter Meester schreef een beknopt verslag. Om het verslag te lezen, klik op het pdf-document hieronder.
Beknopt verslag jaarvergadering 2008 284 Kb’

Nu staat dat van 2009 dus nog alleen in Motief. Waar het mij hier om gaat, is een gedeelte dat een lezing van de Nederlandse voorzitter Ron Dunselman weergeeft. Die zegt in een historische schets van de Antroposofische Vereniging onder leiding van Rudolf Steiner begin twintigste eeuw onder meer:

‘De grote vraag is dan: waarom eigenlijk een vereniging, zijn voordrachten niet genoeg? Steiner zegt daarop dat als mensen elkaar vinden, ze samen nieuwe krachten opbrengen. In het tijdperk van de bewustzijnsziel kunnen we onzelfzuchtig nieuwe sociale verbanden aangaan. Als dat niet lukt, wacht ons in het komende tijdperk van het “geestzelf” de barbarij van het egoïsme. Het gaat om de ontplooiing van drie kwaliteiten: echt, diep medeleven, absolute vrijheid in religie en levensbeschouwing en de geest in de stof kunnen ervaren. De opdracht in de vereniging is daaraan te werken, met de mensen die het lot bijeenbrengt. Daar geldt het bijbelwoord: “Waar twee of meer in Mijn Naam aanwezig zijn, daar ben Ik aanwezig.” Dat wil niet zeggen dat alle neuzen dezelfde kant op moeten, maar wel dat je elkaar in de eigenheid accepteert en in de onderlinge samenwerking kiemen legt voor het tijdperk van het geestzelf.’

Ook hier dus een redengeving voor het bestaan van de Antroposofische Vereniging. Of die in de huidige tijd genoeg is, en niet slechts een woord uit het verleden, dat is nog maar de vraag. Maar meer openheid en ook durf om openlijk je mening te geven, zoals Lisette Thooft in haar column vraagt, zou in ieder geval helpen om deze dingen bespreekbaar te maken. Daaraan heb ik vandaag een steentje willen bijdragen, bij – hopelijk tijdelijke – ontstentenis van het eigen online communicatieorgaan.

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Volgen op Facebook


Translate

Volgers

Herkomst actuele bezoeker(s)

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code

Gezamenlijke antroposofische agenda (in samenwerking met AntroVista)