Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

zaterdag 26 september 2009

Statement

Antroposofie doet ertoe. Dat zou mijn boodschap voor vandaag zijn. En niet alleen voor vandaag, eigenlijk voor elke dag. Ik weet dat er mensen zijn die dat niet graag hebben. Daar hebben ze ook hun reden voor. Maar van mij mag het een slogan worden: antroposofie doet ertoe. Het is tegelijk de kortste manier om te zeggen wat de bedoeling van deze weblog is.

Ik kom erop door Trouw. ‘Misschien wel de beste krant van Nederland.’ Daar adverteerden ze vroeger mee. Tegenwoordig hebben ze iets anders, ik weet niet wat. Minder pakkend blijkbaar. Ook met genoemde kwalificatie, al hebben ze haar verlaten, zullen veel Nederlanders het ongetwijfeld niet eens zijn. Maakt niet uit. Het gaat erom wat je zelf wilt wezen en of je dat met overtuiging doet.

Vandaag in Trouw de wekelijkse brief van de hoofdredactie, door Willem Schoonen. Hij is nog niet op de website te lezen, dat komt vast nog. Maar wel als gesproken column te zien en te beluisteren. Hij heeft als titel ‘De cultureel creatieven ruiken hun kans’. Schoonen zegt/schrijft daarin:
‘Winkels die dingen verkopen waar mensen echt iets aan hebben, zoals tuincentra, doen het heel goed. Ze hebben meer bestellingen dan ooit, terwijl in de wegwerpsector de klappen vallen. 
Dat zei Herman Wijffels deze week tijdens een symposium van businessuniversiteit Nyenrode. We deden daarvan verslag in de krant van afgelopen donderdag. En net als zijn toehoorders in Breukelen, waren veel lezers onder de indruk van het betoog van Wijffels, die zijn sporen verdiende bij Rabobank, SER en Wereldbank, en die een centrale figuur is in de Nederlandse polder.
Dat is duidelijk kleur bekennen. Cultureel creatieven is een interessante term. Michaela Hordijk heeft daarover eens een essay in Motief geschreven, in nr. 28 van maart 2000. Het is te vinden op de website van de Antroposofische Vereniging in Nederland, met de titel ‘De creatieve samenleving: niet meer te onthoofden’. Onder het kopje ‘Cultural Creatives’ schrijft zij:
‘Het gaat daarbij om netwerken van de meest uiteenlopende signatuur. Het verbindt armoedebestrijders met vakbonden, mensenrechtenactivisten met milieuactivisten, behartigers van consumentenbelangen met protestzangers, studentenbewegingen met ouderenverbonden. 
Wat hebben de meeste spelers in dit nieuwe internationale netwerk gemeen? In de gewone sociologie hebben ze er al een naam voor: de “Cultural Creatives”. Deze term werd in 1997 gemunt door de Amerikaanse socioloog Paul Ray. Hij deed onderzoek naar de veranderende normen en waarden in de Amerikaanse samenleving en kwam tot de conclusie dat zich daar nauwelijks waarneembaar een belangrijke verschuiving voordeed. Nog altijd is er een groep “traditionelen”: mensen die vasthouden aan de oude kerkelijke waarden, aan het geloof in God en de staat. Daarnaast is er een groep “modernen”, die vooral wordt gedreven door de drang naar persoonlijk succes, materiële welstand, consumptie en technologische vooruitgang. Samen maken deze twee groepen volgens Ray nog altijd driekwart van de Amerikaanse samenleving uit. Maar er is een nieuwe, sterk groeiende groep die hij typeert als mensen die “gevoelig zijn voor milieuvraagstukken, een diep verlangen hebben naar gemeenschapsvorming en de belichaming vormen voor het nieuwe bewustzijn als sleutelfactor voor de transformatie van de aarde. Cultural Creatives denken zelfstandig.” 
Het zijn mensen die te vinden zijn in de milieubeweging, maar ook mensen die op allerlei manieren bezig zijn met spiritualiteit. Hoe word je een “Cultural Creative”? Dat heeft weinig te maken met afkomst of opvoeding, volgens Ray. “Mensen worden Cultural Creative ten gevolge van een langdurig omwentelingsproces in hun biografie. Dikwijls wordt dit veroorzaakt door een persoonlijke levenscrisis. Geconfronteerd met ongeluk en innerlijke pijn beginnen oude waarden te wankelen, mensen gaan experimenteren, hetgeen de weg opent naar de omwenteling”. (...) 
Ray’s artikel leidde tot verschillende publicaties, waarin ook in Europa werd geturfd hoeveel “cultural creatives” er zijn. De basis voor de getalsmatige uitspraken die daarin gedaan worden, zijn wankel, de aangegeven trend dat het een groeiende groep betreft is echter interessant. En het zijn vooral de Cultural Creatives die te vinden zijn in de bewegingen die de onderhandelaars in Seattle en op andere plaatsen zo onder druk zetten. Hoewel overwegend nog geïsoleerd, groeien de verbindingen tussen de Cultural Creatives. Opvallend is dat de Cultural Creatives zwaar oververtegenwoordigd zijn onder de internetgebruikers. (Wie op hun websites op internet surft komt daar overigens ook de Noord-Amerikaanse Associatie van Vrije Scholen tegen.)’
Eerder in haar essay had Michaela Hordijk een vergelijking gemaakt van deze cultureel creatieven met het werkelijk vrije geestesleven, zoals dit in de sociale driegeleding van Rudolf Steiner wordt onderscheiden. Daarbij baseerde zij zich op de ideeën van de Filippijnse antroposoof Nicanor Perlas, die zich overigens juist dit voorjaar kandidaat heeft gesteld voor het presidentschap van zijn land volgend jaar (u kunt hierover in het Nederlands lezen bij de Vrije Consumenten; daar op de website klikken op ‘Actueel’ en dan scrollen naar juli 2009). Steiner voorzag een ontwikkeling waarbij het zwaartepunt van de wereldeconomie vanaf zijn tijd natuurlijkerwijs zou verschuiven van Europa naar Amerika. Michaela Hordijk haalt hem aan onder het kopje ‘Het Primaat van de Economie’:
‘Rudolf Steiner wees er op dat het in de huidige tijd niet alleen onvermijdelijk is, maar zelfs voor de wereldontwikkeling noodzakelijk, dat het primaat ligt bij de economie. De grote uitdaging daarbij is, zo stelde hij in 1919, de economische krachten vanuit een zelfstandig geestesleven in bedwang te houden. “Het economisch leven, dat uit de aard van de aardeontwikkeling voortdurend rijp is voor verval, heeft voortdurende het helende innerlijke geestesleven nodig” En: “Het is onzin het economisch leven uit zichzelf gezond te willen maken”.  
Voorts geeft Steiner aan het eind van datzelfde jaar al aan waar de drijvende kracht achter de wereldeconomie zou komen te liggen. De verhoudingen waren door het verloop van de Eerste Wereldoorlog immers grondig gewijzigd. Wat is er eigenlijk veranderd bij de zogenaamde overwonnenen en overwinnaars? “De eigenlijke overwinnaar is het anglo-amerikaanse element. (...) En dit is voorbestemd voor de toekomstige wereldheerschappij. (...) De verantwoordelijkheid van het Duitse volk om een rol te spelen in de uiterlijke gebeurtenissen in de mensheid valt weg – natuurlijk niet die van het individu. Des te groter wordt de verantwoordelijkheid die bij de andere partij ligt, want daar zal hij eigenlijk komen te liggen. Het zal gemakkelijk zijn om de uiterlijke heerschappij te verwerven. Dit gaat via krachten, die geen eigen verdienste hebben. Als een natuurlijke noodzakelijkheid voltrekt zich deze overgang naar de uiterlijke heerschappij. Maar de verantwoordelijkheid zal voor de zielen van diepe betekenis zijn. Zullen er bij degenen die door een uiterlijke noodzakelijkheid de uiterlijke heerschappij verkrijgen voldoende mensen te vinden zijn, die de verantwoordelijkheid nemen ten aanzien van de eisen van het spirituele leven dat in deze werkelijk puur uiterlijke materialistische heerschappij binnen treedt?”’
Opmerkelijk nu is dat die tegenbeweging inderdaad ook in Amerika lijkt te zijn geboren. Daarvan geeft Michaela Hordijk verschillende voorbeelden. Haar interessante essay beëindigt zij zo:
‘Kan de “opkomende kracht van vrije burgers, verenigd in netwerken van netwerken” een steeds sterker tegenwicht gaan bieden tegen de naakte economische krachten? Zeker is in ieder geval ook dat vanuit het perspectief van de sociologische onderzoekers de antroposofische beweging één van de vrije burgerorganisaties is, waarin de “cultural creatives” zich hebben verenigd en die deel uit maken van het wereldwijde netwerk dat niet meer te onthoofden is.’
Dat werd in het jaar 2000 geschreven. En nu, negen jaar later, zegt/schrijft Willem Schoonen over deze cultureel creatieven:
‘Helder is die term niet voor iedereen. Hij is uit de VS komen overwaaien; we zouden in Europa ongetwijfeld op een andere benaming zijn uitgekomen. Maar we weten wel precies wie ermee wordt aangeduid: de mensen die overtuigd zijn dat een betere, duurzame wereld mogelijk is, en die ook bereid zijn daaraan te werken. Bewust, betrokken en actief. 
(...) Het herstel van vertrouwen en economische groei is de eerste zorg. Maar als de rust in de financiële sector is teruggekeerd en de economie enigszins hersteld, liggen er nog altijd de grote vragen van schaarste van voeding en grondstoffen en de overbelasting van de aarde.
Dat is een duidelijk statement. Dat mag je van een hoofdredacteur ook verwachten. Wat vertelde Herman Wijffels eigenlijk precies op die bijeenkomst in Nijenrode? Ook dat staat in de krant. Cokky van Limpt beschreef dat namelijk in Die crisis is mooi op tijd’:
‘Hoe komen we de crisis te boven? Tweehonderd oud-studenten van businessuniversiteit Nyenrode hingen dinsdag aan de lippen van Herman Wijffels. “We moeten niet de oude orde restaureren”, hield hij hen voor, “maar een nieuwe set ideeën ontwikkelen.”’
In het artikel worden verschillende uitspraken van Wijffels weergegeven. Zoals deze:
‘Ik kijk naar mijn eigen leven en het leven als zodanig als een voortgaand proces van ont-wikkelen, van het uit de wikkels halen van potentie – de essentie van het leven. In dat proces spelen mensen een co-creërende rol, en is bewustzijn evolutionair gezien de drijvende kracht. In de loop der geschiedenis is er steeds meer bewustzijn toegevoegd aan de materie. Steeds weer nieuwe ideeën en interpretatie van het leven zetten volgende fasen in van maatschappelijke ontwikkeling en beschaving: de Egyptische, Griekse en Romeinse beschaving, de Renaissance, de Verlichting.’
Waar doet dit aan denken? Ik schreef al eerder over Wijffels, op 7 maart in ‘Geuzentitel’, en noemde hem bij die gelegenheid een ‘halve antroposoof’. Hij was namelijk uitgeroepen tot de lijstaanvoerder (samen met Pieter Winsemius) van de ‘Duurzame 100’ van Nederland. Ook dat gebeurde trouwens in Trouw. Maar dat terzijde. Laten we nog even verder luisteren naar wat hij te vertellen heeft:
‘Elk systeem doorloopt verschillende fasen. In de beginfase is er een nieuwe set van uitgangspunten en ideeën, die tijd nodig heeft om te rijpen. Zo zijn de ideeën van de Verlichting uit de 17de en 18de eeuw de dragers geworden van de 19de eeuwse industriële maatschappij, en zijn de ideeën van denkers als Descartes en Darwin de uitgangspunten geworden voor onze samenleving. “Ik denk, dus ben ik”, zei Descartes, met als gevolg dat we onszelf, als observators, buiten de natuur hebben geplaatst. Newton ging de natuur onderzoeken, deeltje voor deeltje en legde zo de basis voor het specialisatiebeginsel. Ook de ideeën over massa en beweging hebben hun sporen getrokken in onze samenleving, denk aan de bonussen: mensen zouden alleen maar in beweging komen, als ze een financiële impuls krijgen om te doen wat ze al geacht werden te doen. (...) We hebben de schitterendste technologieën ontwikkeld, maar die gaan wel ver uit boven het draagvermogen van de aarde. Ecologisch volstrekt onverantwoord. Wat we nú nodig hebben is samenwerken om samen te overleven. (...) De essentie daarvan is dat we streven naar een hoger niveau van kwaliteit van relaties, van de verbinding tussen mensen en tussen mens en aarde. De cartesiaanse positie moet op de helling. Dat betekent niet ophouden met denken maar hele mensen worden, die hun ratio, gevoel en intuïtie hebben geïntegreerd.’
Wijffels weet dit dan naar heel praktische beleidsvoornemens te vertalen. Na te lezen in Trouw. – Mij deed dit alles terugdenken aan het congres Naar nieuwe maatschappelijke verhoudingen op 9 februari 2002 in de Mozes en Aäronkerk te Amsterdam. Dat was het initiatief van drie leden van de sectie voor sociale wetenschappen van de Antroposofische Vereniging. Zij hadden interessante mensen weten te strikken om een inleiding te houden, onder wie ook Herman Wijffels. In het verslag dat ik van deze dag maakte, gepubliceerd in Motief nr. 51 van april 2002 (niet op de website), schreef ik dat hij degene was die de show stal. Ik zal het hele artikel hier laten volgen. Het had de titel gekregen ‘De overheid als ongeluksfabriek’. De reden daarvan wordt in het verslag uiteengezet.
‘De meeste overheden vormen juist een ongeluksfabriek’, stelde Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, in zijn bijdrage aan het congres Naar nieuwe maatschappelijke verhoudingen op 9 februari 2002 in de Mozes en Aäronkerk te Amsterdam. Hij reageerde daarmee op de titel van het essay van Cees Zwart, De overheid is geen geluksfabriek, geschreven in de zomer van 2001 als een publicatie van de Raad voor Verkeer en Waterstaat. De rijksoverheid is een product van de negentiende eeuw, toen ongelijkheid nog een politiek thema was. Nu is er een omgekeerde beweging gaande, waarbij het vooral om persoonlijke vrijheid gaat. In zijn opstel Bedreven en gedreven, waarin Schnabel de beleidsmatige Verkenningen 2002 van de verschillende departementen voor de toekomst samenvat, wordt niet het wat maar het hoe van de overheid ter discussie gesteld. De overheid moet zich niet alleen ‘maakbaar’, maar ook ‘vermaakbaar’ opstellen. Het zal uitvoerende taken aan anderen moeten overlaten, om zelf aan het begin en eindpunt van het beleidsproces en de uitvoeringspraktijk te gaan staan. ‘Richtinggevend aan het begin en rekenschap vragend aan het eind.’ Ruimte biedend en om resultaten vragend: ‘het 4-R-model’. 
Eerder op de dag had Cees Zwart het primaat van de politiek ‘onzin’ genoemd. Hij greep terug op de Griekse agora, waar de democratie in de samenleving door middel van ontmoeting, dialoog en afspraken werd geboren. In de achttiende eeuw ontstond de rechtsstaat met de bijbehorende parlementaire democratie, waar het primaat van de burger en het primaat van de rechtsorde telde. Voor de huidige tijd zag hij een klimaat van medemenselijkheid opkomen, in de vorm van een milde kracht die hij onder ‘het mysterie van de kwetsbaarheid’ schaarde. Daartoe behoort de loutering van de eigen schaduw, de verzoening met objectief onrecht en de berusting aangaande eigen en andermans onvermogen. Waarmee hij de toon zette voor dit congres in een bijzondere ambiance, waar 150 deelnemers op af waren gekomen. 
In de middag waren twee fora, een over nieuwe kerntaken van de overheid en een over een nieuwe burgerzin. Peter Blom, directeur van Triodos Bank, verdedigde de stelling dat maatschappelijk ondernemen niet primair de taak van de overheid is, dat is het toch al, maar juist van het bedrijfsleven en van NGO’s. Het is de overheid die daarbij, door middel van regelgeving en reglementering eisen van deugdelijkheid dient te stellen. Maar zijn idee om een nieuwe vorm van aandeelhouderschap voor ondernemingen van algemeen nut in te stellen, zodat bijvoorbeeld iedere Nederlander mede-eigenaar van de veelgeplaagde Nederlandse Spoorwegen wordt, werd met weinig enthousiasme ontvangen. Albertine van Vliet bleek een enthousiaste burgemeester van Amersfoort te zijn, die met élan en overtuiging het contact met de burger zocht. Toonden alle overheidsdienaren maar zo’n persoonlijke betrokkenheid! De nieuwe burgerzin werd vertegenwoordigd door Christine Gruwez en Willemjan Güthschmidt, de eerste een pleitbezorgster van directe democratie, de tweede van personendemocratie. Dat de laatste zich een echte volksvertegenwoordiger noemde en geen eigen inhoudelijk programma presenteerde, maar zich als bewaker van het proces tussen burger en overheid opstelde, vond de eerste juist een verontrustend teken. Waar moest de kiezer dan zijn stem op baseren? Het ging toch om de zaak, en niet alleen om de persoon? 
Maar, eerlijk is eerlijk, het was SER-voorzitter Herman Wijffels die deze dag de show stal. Het verhaal dat hij hield was eigenlijk heel eenvoudig, maar sneed hout. De bestaande structuur, zo zei hij, is gebaseerd op een oude industriële ordening: hiërarchisch, piramidaal en mechanistisch. Wel bracht het ons welvaart en emancipatie. Maar het menselijk leven en andere levensvormen tonen ons tegenwoordig dat iets anders nodig is: organisch leven en duurzame ontwikkeling. Voor de economische ontwikkeling betekent dat sociale gerechtigheid en samenhang, alsmede ecologische duurzaamheid. Geen aandeelhouderskapitalisme à la Wall Street, met 10% winstdoelstelling, maar maatschappelijk verantwoord ondernemen. Het levert ook een nieuw sociaal begrip: geen verzorgingsstaat, maar het stimuleren van de zelfredzaamheid en ondersteuning waar men het niet redt. In de gezondheidszorg zag hij een bij uitstek twintigste-eeuwse industriële ordening, die juist ziekmakend werkt. Geen wonder dat daar het hoogste ziektepercentage heerst! De processen worden niet vanuit de patiënt geordend, waar vraagsturing nodig is. Bij het onderwijs zie je in wezen hetzelfde probleem. ‘De wereld op zijn kop’, noemde Wijffels dit. Volgens hem moeten de doelen opnieuw geformuleerd worden, om vervolgens de daarbij passende middelen te zoeken. Het oude instrumentele denken is daar niet geschikt voor. 
Het deed het publiek verzuchten: als er in Den Haag nog mensen met zo’n duidelijke en gezonde visie rondlopen, is de politiek misschien nog niet helemaal verloren. Dat drie leden van de sectie voor sociale wetenschappen van de Antroposofische Vereniging de ruimte hiervoor hadden gecreëerd, mag daarom wel een groot succes genoemd worden.

1 opmerking:

Anoniem zei

Ik wil niemand voor zijn hoofd stoten maar de vraag rijst toch bij mij of antroposofie er toe doet of dat deze mensen er toe doen. Deze mensen die kennelijk de bron antroposofie op een bepaalde inspirerende en vruchtbare wijze in kunnen zetten. Daarbij weet ik van 2 van de drie dat antroposofie niet de enige bron is. Maar in ieder geval gaat het er toch om hoe mensen met bronnen omgaan. We kennen even goed het tegendeel en dan werkt het beklemmend en verstarrend. Dus het is de mens die er toe doet; dat hoeft niet tegen te spreken dat je wel degelijk geraakt en in beweging kan komen door een bron, in dit geval antroposofie. Astrid

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Volgen op Facebook


Translate

Volgers

Herkomst actuele bezoeker(s)

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code

Gezamenlijke antroposofische agenda (in samenwerking met AntroVista)