Op gezag van persbureau Novum schrijft NRC Handelsblad
vanavond
‘Crèches willen niet-ingeënte kinderen kunnen weigeren’:
‘Zeker 118 kinderdagverblijven willen kinderen die niet
ingeënt zijn kunnen weigeren. Ten minste vijf doen het al of voeren een
ontmoedigingsbeleid. Dat blijkt uit een
rondgang van RTL Nieuws.
De crèches vinden dat de gezondheid van andere kinderen en
medewerkers boven het recht van ouders gaat om hun kind niet in te enten. Een
van die kinderdagverblijven is Tijd voor Kinderen in Sint Willebrord. “Ik ben
van mening dat als ouders de keuze maken om hun kinderen niet te laten inenten,
wij de keuze mogen hebben om deze ouders te weigeren”, zegt eigenaar Petra den
Braber.
Uit het onderzoek blijkt verder dat 156 kinderdagverblijven
de afgelopen jaren niet-ingeënte kinderen hebben opgevangen. Op zeventig van
deze crèches hebben kinderen ook daadwerkelijk een ziekte gehad waartegen
ingeënt kan worden. Het ging om kinkhoest, mazelen, bof of rodehond.
Veel kinderdagverblijven negeren het advies van de GGD om te
screenen of kinderen wel zijn ingeënt. Vijftien procent weet niet of alle
kinderen alle vaccinaties hebben gehad. De meeste andere crèches vragen het bij
inschrijving, maar controleren niet of het ook daadwerkelijk is gebeurd.
Branchevereniging
wijst naar wetgever
De branchevereniging vindt dat het niet aan
kinderdagverblijven is om niet-ingeënte kinderen te weigeren, maar aan de
wetgever. Verantwoordelijk minister van Volksgezondheid Edith Schippers (VVD)
zei eerder echter al dat weigering juridisch gezien niet mogelijk is, omdat het
discriminatie op grond van geloofsovertuiging zou betekenen. De minister kon vanwege
het reces niet op de bevindingen van RTL Nieuws reageren.
RTL Nieuws benaderde voor het onderzoek alle 3193
kinderdagverblijforganisaties in Nederland. Daarvan reageerden er 560. (Novum)’
U herinnert zich misschien wel dat ik drie weken geleden, op
zaterdag 12 april in ‘
Terugkeer’,
nog geruststellend kon schrijven:
Voor meer over inenten, en dan vooral bij mazelen, kan ik
verwijzen naar eerdere bijdragen hier, zoals op 8 en 12 augustus 2013 in ‘
Beweegredenen’
en
‘
Uitgangspunten’,
en op 1 en 4 september 2013 in ‘
Wol’ en
‘
Tegengeluiden’.
Overigens is het interessant dat de ‘canard van Trouw’ die notabene scepticus Jan
Willem Nienhuys constateerde inzake mazelen en antroposofen bij de
berichtgeving van Emiel Hakkenes op de voorpagina van Trouw op 3 augustus (zie
‘
Beweegredenen’)
vandaag een herhaling lijkt te krijgen, maar dan met het begrip christelijk
‘neofundamentalisme’, zoals Pieter Smit beschrijft in de Volkskrant in ‘
Lopend
Vuur: hoe de media aan de haal gingen met “neofundamentalisme”’. We zijn
exact negen maanden verder, en wie heeft hierin een sleutelrol? Jawel, Emiel
Hakkenes, chef religie en filosofie van Trouw. Is dit nog toeval? Maar het is
ook best moeilijk om aan zuivere berichtgeving te doen (zo komt ombudsman Sjoerd de Jong van NRC Handelsblad vandaag heel geestrijk terug op het woord- en praktijkgebruik in ‘
NRC en het fanatisme van de christenjeugd: een exegese’). Lees bijvoorbeeld
vandaag van Ellen de Visser in de Volkskrant over ‘
Medicijnen
werken bij veel patiënten niet goed’. Er zijn zoveel parameters, factoren
die een rol spelen. Dat benadrukte ook hoofdredacteur Bart Hommersen op zijn ‘
Blog
van Vruchtbare Aarde’ op 9 april, in ‘
Arts moet
alternatieve geneeskunde benutten’:
‘Met enige opwinding las ik vanochtend een bericht in Trouw
over de alternatieve geneeswijzen. Geen wereldschokkend bericht. Maar door de
huidige benauwde omgang van beleidsmakers met alternatieve geneeswijzen en de
doorverwijsangst bij artsen toch een interessante stap.
“Artsen moeten gaan onderzoeken of alternatieve geneeswijzen
zoals bijvoorbeeld vitaminepreparaten, meditatie, acupunctuur of yoga de
‘traditionele’ behandelingen kunnen aanvullen en versterken.” Dat maakte
onderzoeksbureau ZonMw vandaag bekend.
Trouw schrijft op basis van het rapport – waaraan
verscheidene medici en ziekenhuisbestuurders hebben meegewerkt – dat
Nederlandse artsen “alternatieve zorg waarvan de effectiviteit is bewezen”
vaker moeten toepassen. Als voorbeelden van werkzame zorg worden genoemd:
chiropractie (behandeling van gewrichten), voedingssupplementen bij het
voorkomen van veroudering en allerlei therapieën gericht op lichaam en psyche die
pijn en stress verminderen. Naast acupunctuur wordt ook muziektherapie
specifiek genoemd.
Hoogleraar chirurgie Hans Jeekel stelt voor bewezen
effectieve zorg te vergoeden via de zorgverzekering. “Ook omdat het om een
relatief goedkope variant gaat – er komen geen dure medicijnen aan te pas –
waarmee je juist op andere zorg kunt besparen.”
Als chirurg en hoogleraar chirurgie deed Hans Jeekel zelf
trouwens uitgebreid onderzoek naar “muziek als medicijn”. Patiënten die tijdens
een operatie onder narcose naar klassieke muziek luisteren, zouden na afloop
sneller herstellen en minder pijnbehandeling nodig hebben. Ook onderzoek met te
vroeg geboren kinderen en klassieke muziek leidde tot verrassende resultaten;
hun groei bleek te kunnen worden bevorderd door ze in een couveuse naar
klassieke muziek te laten luisteren.
Het nieuws van vandaag sluit aan bij het openingsinterview
in de aankomende “Vruchtbare Aarde” (die sinds maandag j.l. bij de drukker
ligt). Daarin komt ook oud-chirurg Piet Leguit aan het woord. Voormalig
voorzitter van de beroepsvereniging van chirurgen. Hij houdt een gloedvol
pleidooi voor een meer bezielde vorm van geneeskunde.
We kunnen nu eenmaal, zegt hij, niet zonder compassie en
gevoel. Als mens niet; als patiënt niet en als dokter niet. “Er is meer dan
alleen het lichaam repareren.” In het interview gaat hij uitgebreid in op zijn
eigen ervaringen met meditatie, ademhalingstechnieken en
ontspanningsoefeningen. En vertelt over de omslag in zijn denken toen hij de
waarde van deze aanvulling op de reguliere zorg begon in te zien. “Aandacht
voor het innerlijk van de mens in de geneeskunde is minstens zo belangrijk.”
En wat betreft de huidige krampachtige reactie op
alternatieve geneeswijzen... die is volgens hem niet meer van deze tijd.
De voorjaarseditie van “Vruchtbare Aarde” wordt medio
volgende week verwacht.
Bericht NU.nl
Bericht Trouw’
‘De nieuwe lente-editie 1-2014 van Vruchtbare Aarde is zaterdag 19 april verschenen (gedrukt op 100%
wit recycled FSCpapier): Piet Leguit blikt terug op zijn loopbaan als chirurg
en vertelt over zijn ervaringen met meditatie en ontspanningsoefeningen en
houdt een hartstochtelijk pleidooi voor meer compassie in de gezondheidszorg |
In het honderdste geboortejaar van Etty Hillesum een interview met actrice
Julika Marijn die tien jaar lang solovoorstellingen op Hillesums dagboeken
baseerde | Een nieuwe ontmoeting met de Duitse meesterfilmer Edgar Reitz |
Kunstenaar Bruno van den Elshout vertelt over zijn fascinatie voor de
oneindigheid van de horizon | H.C. Moolenburgh schreef de nieuwe Spock. Meer info over deze editie
» en klik
hier voor de nieuwsbrief ».En klik
hier voor VA’s filmwebwinkel ». En klik hier voor VA’s eigen
Facebook pagina».
Welkom bij VA-Magazine
/ Vruchtbare Aarde. Een driemaandelijkse uitnodiging tot blikverruiming.
Misschien willen we het onmogelijke en misschien lukt het ons niet altijd, maar
we streven ernaar, elke drie maanden weer: op een leesbare wijze door proberen
te dringen tot de binnenkant der dingen.’
Ben je bereid dieper te kijken, kun je ook uitkomen op
de magistrale weblog van Ridzerd van Dijk, die het presteert om ‘gewoon’ elke
dag een citaat te plaatsen op ‘
De grote Rudolf Steiner Citatensite.
Meer dan 1000 citaten en fragmenten uit het werk van de grote ziener in het
land der blinden, Rudolf Steiner.’ Eergisteren, de dag waarop ‘Antroposofie in
de pers’ precies zes jaar bestond, zodat we inmiddels het zevende jaar zijn
ingegaan, kwam hij met dit cadeautje aanzetten, zo beschouw ik het tenminste,
getiteld ‘
Waardeloos
woordgekraam’:
‘Het gaat erom dat abstracte logica vandaag de dag niet meer
voldoende is, wat men zegt moet realiteit hebben. Want tegenwoordig zijn we
reeds aanbeland in een stadium van de mensheidsontwikkeling dat een journalist
de mooiste dingen kan neerpennen, en de mensen staan in bewondering, en ze
zeggen; “Ja, als ik dat lees, dat is zuivere geesteswetenschap!” – maar daarom
gaat het helemaal niet. Het gaat vandaag niet meer om hoe de woorden klinken,
maar wel: wat is de zielebodem van waaruit iets dergelijks gesproken wordt; het
gaat om de substantie die men als mens in zich heeft! Of, om een vergelijking
te gebruiken die ik al vaker aangehaald heb: Er zijn vandaag de dag dichters,
die dichten ongemeen moeiteloos, ze maken mooie verzen die men kan bewonderen.
Maar toch geldt: er wordt tegenwoordig 99 % te veel gedicht. Er zijn er echter,
en die hun verzen klinken als een gestamel, maar deze verzen die een gestamel
zijn, kunnen uit een echte menselijke diepte, dus een geestelijke diepte
stammen, terwijl de verzen die bewonderd worden waardeloos woordgekraam kunnen
zijn omdat de talen nu zover geëvolueerd zijn dat iedere onnozele hals vanuit
de taal iets bewonderenswaardig kan maken. Wat vandaag dringend noodzakelijk
is, is dat men van de klank van de woorden overgaat naar het motief, dus dat
men niet bij het abstracte blijft, dat men niet letterlijk leest, maar dat men
zich ten volle in het leven stelt en vanuit het leven de verschijnselen
beoordeelt. Aldus gaat het erom dat geesteswetenschap zoals ze hier bedoeld
wordt, vooral bevruchtend moet werken op de verschillende geledingen van het
leven, anders zal er niet komen wat er moet komen.
Overgenomen uit Tijdschrift De Brug – Trefwoord Ahriman – 24 (Bron: GA 235)’
‘De tijd zal komen, misschien zelfs in een niet zo verre
toekomst, dat men zal zeggen: het is toch een ziekte bij de mens wanneer hij aan
geest en ziel denkt. Gezonde mensen, die spreken alleen van het lichaam. – Men
zal het als een symptoom van een ziekte beschouwen wanneer de mens zich
dusdanig ontwikkelt dat hij tot het begrip kan komen: er is een geest of een
ziel. Die zal men als een ziek mens beschouwen. En men zal het gepaste
geneesmiddel vinden – daar kunt u heel zeker van zijn – waardoor men kan
ingrijpen. Toentertijd (op het Concilie van Constantinopel in 869 – fdw) heeft
men de geest afgeschaft. De ziel zal men afschaffen door een farmaceutisch
product. Vanuit een “gezonde” levensbeschouwing zal men een vaccin vinden
waardoor in het organisme dusdanig ingegrepen wordt, liefst zo jong mogelijk,
als het kan na de geboorte, zodat dit menselijk lichaam niet tot de gedachte
kan komen: er is een ziel en een geest.
Zo scherp zullen de twee wereldbeschouwingen tegenover
elkaar komen te staan. De ene zal erover nadenken hoe begrippen en
voorstellingen moeten gevormd worden om bruikbaar te zijn in de reële
werkelijkheid, de geestelijke en de zielewerkelijkheid.
De anderen, de opvolgers van de materialisten van nu, zullen
een vaccin zoeken dat het lichaam “gezond” maakt, t.t.z. dat het lichaam zo
verandert dat het door zijn constitutie niet meer van zo’n dwaze dingen praat
als “ziel” en “geest”, maar op een “gezonde” manier praat over de krachten die
in machines en in de scheikunde leven, die in het heelal planeten en zonnen
doen ontstaan. Dat gaat men door lichamelijke procedures bewerkstelligen. Men
zal het aan de materialistische geneeskunde overlaten om de zielen uit de
mensheid uit te drijven.
Overgenomen uit Tijdschrift De Brug – Trefwoord Ahriman – 27 (Bron: GA 177
– 7 oktober 1917)’
‘Geld is en blijft een van de belangrijkste thema’s als we
proberen zicht te krijgen op een wereld met meer vrijheid en gelijkheid en
waarin mensen meer en beter samen werken en delen. Begrijpen wat geld is, hoe
het werkt en hoe het beter zou kunnen werken is misschien wel een hele
belangrijke stap op weg naar die wereld. In een reeks van korte blogs staan we
stil bij een aantal belangrijke aspecten van geld. Je reactie is meer dan
welkom!
Geld is misschien wel de grootste uitvinding die de mens
ooit gedaan heeft. Stel je eens voor dat het niet zou bestaan: de samenleving
zoals we die kennen, zou direct vastlopen. De economische activiteit zou
stilvallen, mensen zouden ophouden naar hun werk te gaan, in winkels zou je niet
meer met geld kunnen betalen.
Geld als ruilmiddel maakt economische productiviteit
mogelijk, dient als tegenprestatie voor het resultaat van het werken van mensen
en is praktisch onmisbaar bij het verkopen of aankopen van producten of
spullen.
Daarnaast kunnen we met behulp van geld de dingen (producten
uit de economie) een waarde toekennen en daarmee bepalen we ook de
waardeverhoudingen van producten ten opzichte van elkaar. Het geld vormt de
rekeneenheid waarin we waarde uitdrukken.
Een derde functie van geld is, dat dankzij geld waarde kan
worden opgeslagen. De oogst die de boer van het land haalt, is bederfelijk en
zal vroeg of laat verrotten en zonder waarde zijn. Indien hij zijn oogst
verkoopt, ruilt tegen geld, blijft de waarde in stand en kan worden “opgeslagen”
totdat hij de waarde gebruikt om er iets mee te kopen.
Geld functioneert als ruilmiddel, als rekeneenheid en als
middel om waarde te bewaren. Deze functies zijn noodzakelijk: er moet iets zijn
waarmee we kunnen ruilen, rekenen en bewaren. In die zin is geld misschien wel
de grootste uitvinding die de mens ooit deed en zouden we niet zonder kunnen.
Maar weten we daarmee ook werkelijk wat geld is???
John Hogervorst, 1 april 2014
2. Geld als afspraak
In het voorgaande blog “De functies van geld“ zijn
drie functies van geld beschreven. Maar weten we daarmee wat geld is? Wie met
een rubberbootje beladen met koffers vol geld op een onbewoond eilandje
aanspoelt, zal merken dat zijn geld niets waard is. Mijn pinpas zal me weinig
baten als ik langs de Amazonerivier in westelijke richting diep het regenwoud
intrek. Met mijn Eurobiljetten kom ik niet ver als ik wil betalen in een
tankstation in het onbevolkte zuiden van de Verenigde Staten.
Geld zelf – de munten, bankbiljetten, pasjes, afschriften –
is niets waard. Geld wordt pas geld wanneer mensen afspreken er waarde aan toe
te kennen en wanneer zij die afspraak nakomen.
Een groep mensen kan onderling afspreken schelpen, munten,
bankbiljetten of wat dan ook als geld te beschouwen. In de moderne samenleving
is geld steeds minder gebonden aan een materieel voorwerp, bijvoorbeeld een
munt of bankbiljet, maar heeft het een “virtueel” karakter aangenomen: geld is
een getal op je beeldscherm, door delen van dat getal aan anderen over te
schrijven, betaal je.
Lang geleden was de waarde van geld verbonden met het object
dat als geld diende, bijvoorbeeld in de vorm van een gouden munt. Nu heeft geld
meer het karakter van een afspraak en behoudt het zijn waarde zolang die
afspraak wordt nageleefd.
Geld kan zijn functies vervullen wanneer we hebben
afgesproken dat geld geld is. Je zou dus kunnen zeggen: geld heeft heel veel te
maken met het vertrouwen dat mensen hebben in de afspraak die ze met elkaar
gemaakt hebben. Geld en vertrouwen hebben veel met elkaar te maken, ze zijn als
de twee kanten van een munt. Maar door vertrouwen alleen verkrijgt het geld nog
geen waarde en alleen op basis van vertrouwen kan het geld de drie beschreven
functies niet uitoefenen. Daar is nog iets anders voor nodig en dat heeft te
maken met de vraag: hoe krijgt geld zijn waarde?
John Hogervorst, 2 april 2014
3. Het fundament van vertrouwen
Geld op zichzelf is waardeloos. Krijgt en behoudt geld zijn
waarde wanneer mensen erop vertrouwen dat ze de afspraken om geld als middel om
te ruilen, te rekenen en te bewaren nakomen?
Nee, vertrouwen alleen is niet voldoende om tot een goed
functionerend geldsysteem te komen. Zonder vertrouwen krijg je nooit een goed
functionerend geldsysteem, maar vertrouwen alleen is niet voldoende.
Waarde kan worden uitgedrukt in geld en kan worden
opgeslagen in geld. Maar het geld zelf zorgt niet voor het ontstaan van waarde:
geld schept geen waarde. De waarde van het geld berust niet op het geld zelf en
ook niet op de afspraken die mensen rond het gebruik van geld maken. De waarde
van geld berust op economische activiteit.
In de economie wordt waarde geschapen en dat gebeurt
feitelijk op twee manieren. De mens bewerkt de natuur. Hij bewerkt het land,
zaait en oogst en verwerkt de oogst tot producten. Of hij delft grondstoffen
die hij bewerkt tot bruikbare waren. Menselijke arbeid die wordt toegepast op
wat de natuur ons aan grondstoffen of als mogelijkheden biedt, dat is de ene weg
waarlangs waarde wordt geschapen.
De andere manier van waarde-schepping vindt plaats door
menselijke arbeid zó te verrichten, te organiseren en te faciliteren dat de
productiviteit toeneemt. Met minder arbeid meer maken (en dat gebeurt
bijvoorbeeld door het toepassen van apparaten, machines en technologie of door
het inrichten en stroomlijnen van productieprocessen), dat is de tweede weg
waarlangs waarde wordt geschapen.
Wanneer er in de economie geen waarde wordt geschapen, op
basis van de natuur die bewerkt wordt en op basis van arbeid die productief
wordt gemaakt, is geld een overbodig iets: dan is er niets om te ruilen, niets
waarvan de waarde door middel van geld kan worden uitgedrukt en niets dat kan
worden opgeslagen.
Zonder economische productiviteit geen waarde, zonder waarde
geen geld.
John Hogervorst, 9 april 2014
4. Met geld geld verdienen?
Maar is het niet zo dat er nog op een andere manier waarde
wordt geschapen, bijvoorbeeld in de financiële wereld? Nee, dat is niet zo.
Geld verdienen is niet hetzelfde als waarde scheppen.
Het is wel zo dat mensen geld verdienen door te handelen in
aandelen, in opties, beleggingen en al het andere dat in de financiële wereld
wordt uitgedacht. Met dit soort activiteiten wordt geld verdiend maar wordt
geen waarde geschapen. Het geld dat in de financiële wereld wordt verdiend,
wordt altijd van elders “weggenomen”. Een financiële transactie gaat niet
gepaard met een waardescheppend proces. Anders gezegd: door financiële
transacties wordt geen waarde geschapen, er wordt niets geproduceerd. Een
financiële transactie voegt niets toe aan wat al bestaat en is feitelijk
slechts een herverdeling (of heen en weer schuiven) van geld.
Voor de financiële sector geldt hetzelfde als voor
bijvoorbeeld het onderwijs, de wetenschap, de kunst: mensen kunnen er slechts
werkzaam zijn, omdat er andere mensen zijn die in de “real economy” werkzaam
zijn en waarde scheppen. Het is de concrete economische productie die de basis
legt voor de waarde van het geld.
John Hogervorst, 11 april 2014
5. De drie geldkwaliteiten
Laten we nog eens op een andere manier naar geld kijken en
ons de vraag stellen: wat kun je er eigenlijk mee doen?
In het dagelijks leven gebruiken we geld in de eerste plaats
om er dingen mee te kopen; we hebben immers voedsel nodig, kleding, een dak
boven ons hoofd enzovoort. Met geld kopen we de zaken die we nodig hebben om te
leven. Wanneer je zou vervolgen wat dit geld in de samenleving voor effect
heeft, kun je zien dat dit geld de economische productie mogelijk maakt.
Dankzij het feit dat mensen dagelijks allerlei zaken kopen die ze nodig hebben
(en niet nodig hebben), is het mogelijk (en nodig!) dat de economische
productie in gang blijft. Met dit geld, we kunnen het koopgeld noemen, maken we
het dus mogelijk dat er geproduceerd wordt wat wij nodig hebben.
Wanneer ik meer geld heb dan ik nodig heb om spullen van te
kopen, of wanneer ik er vanaf zie om bepaalde spullen te kopen, ontstaat er een
“spaarpotje”: geld dat ik zelf niet (direct) gebruik of nodig heb. Ik kan dit
geld “naar de bank brengen”, het op een spaarrekening zetten. Wat gebeurt er
vervolgens met dit geld? De bank leent het direct uit (en in werkelijkheid
zelfs meer, namelijk circa 14 keer meer dan ik spaar). Dit geld, we noemen het “leengeld”,
wordt uitgeleend aan ondernemers die er hun investeringen mee kunnen betalen:
een uitbreiding, een nieuwe vestiging, een nieuwe productielijn of wat dan ook.
Leengeld maakt investeringen in de economie mogelijk en zorgt er daarmee voor
dat de economie zich voortdurend kan vernieuwen en ontwikkelen – want dat is
wat er feitelijk gebeurt wanneer er in de economie geïnvesteerd wordt. Wanneer
de economie werkelijk gericht is (gericht zou zijn) op het vervullen van de
behoeften van de mens, is het voor ieder van belang dat er steeds in de
economie geïnvesteerd kan worden.
En dan is er nog iets anders dat we met geld kunnen doen: we
kunnen het besteden aan iets waar we in eerste instantie niets van terugzien,
oftewel we kunnen het wegschenken. We schenken het aan een leraar, een arts,
een priester, een kunstenaar of een wetenschapper, opdat zij kunnen doen waar
ze goed in zijn. Voor dit geld, dat we “schenkgeld” noemen, krijgen we niets
tastbaars terug. We ruilen het niet tegen een economische waarde. Toch kan dit
geld heel goed besteed zijn: dit geld, schenkgeld, maakt het namelijk mogelijk
dat mensen zich ontwikkelen, dat wetenschap, kunst of onderwijs bloeien en
daarmee de mens in zijn ontwikkeling stimuleren en de samenleving in zijn
geheel bevruchten.
Koopgeld maakt het mogelijk dat het economisch proces
voortgaat.
Leengeld maakt het mogelijk dat de economie zich vernieuwt
en uitbreidt.
Schenkgeld maakt ontwikkeling mogelijk.
Dit zijn de drie ‘kwaliteiten’ van geld.
John Hogervorst, 16 april 2014
6. De geldhoeveelheid
Hoeveel geld is er eigenlijk nodig? Dat is natuurlijk deels
een onmogelijke vraag. Maar deels ook niet: ieder mens zou over zoveel geld
moeten beschikken dat hij op een menswaardige manier in zijn behoeften kan
voorzien. Als er minder geld zou zijn dan vanuit dit gezichtspunt nodig is, dan
moet er meer geld komen. Als er meer geld is, zou die extra hoeveelheid geld in
zekere zin “onschadelijk” moeten worden gemaakt.
Dit “onschadelijk” maken is eigenlijk hetzelfde als wat er in
blog 5 “De drie kwaliteiten van geld” over het “schenkgeld” is gezegd: dat is
het geld waarmee alle sectoren in de samenleving die niet tot de werkelijke
economie behoren, moet worden bekostigd. Die sectoren – denk aan onderwijs,
wetenschap, kunst, religie, rechtspraak, gezondheidszorg – zijn bepaald niet
overbodig. Het zijn sectoren waarbinnen geen concrete waarde wordt geschapen en
die voor hun voortbestaan afhankelijk zijn van deze “derde geldstroom”: het
schenkgeld, het geld dat onschadelijk wordt gemaakt door het te besteden zonder
er een waarde voor terug te krijgen.
We hebben eerder gezien dat de waarde van het geld berust op
de productiviteit van de economie: in de economie wordt, in de vorm van
producten, waarde geschapen en om die waarde uit te drukken is geld nodig. Bij
wijze van spreken zouden we kunnen zeggen: parallel aan het scheppen van waarde
in de economie, kan ook geld worden geschapen waarmee die waarde wordt
uitgedrukt. Zo is er een relatie tussen de economische productiviteit en de hoeveelheid
geld.
Maar... alles dat in de economie wordt geproduceerd, wordt
geconsumeerd en verliest daarmee zijn waarde. Een liter melk wordt laten we
zeggen binnen tien dagen verbruikt. Een kledingstuk gaat mogelijk een paar jaar
mee maar is daarna versleten. Een auto is misschien een jaar of tien, vijftien
te gebruiken maar is daarna op: niets meer waard. En zo is het met alles dat de
economie aan productie voortbrengt: na verloop van tijd is het zonder waarde.
Wat betekent dat voor de waarde van het geld? Om het geld
zijn waarde te laten behouden, kan het niet zo zijn dat de waarde van de
economische productie – waarvan het geld uitdrukking is – uiteindelijk altijd
tot nul daalt, terwijl het geld zijn waarde behoudt en de geldhoeveelheid ook
alsmaar toeneemt.
Het geld zou dus een leeftijd moeten krijgen: een uiterste
houdbaarheidsdatum. Als die datum verstreken is, is het geld niets meer waard.
Zo kunnen we een balans scheppen tussen de waarde van de economische productie
en de hoeveelheid geld.
John Hogervorst, 23 april 2014
7. De geldkringloop
Geld dat van hand tot hand gaat, doet wat geld eigenlijk “moet”
doen: het maakt transacties mogelijk; het maakt investeringen mogelijk en het
maakt ontwikkeling mogelijk. Geld in beweging is “geld in optima forma”. Geld
dat “stilstaat” bewerkt niet veel: het maakt geen productie mogelijk, het
draagt niet bij aan investeringen in de economie en het stimuleert ook geen
ontwikkeling.
Daarom is het goed om geld een leeftijd mee te geven. Hoe
zou dat eruit kunnen zien? Allereerst hoeven we ons werkelijk geen zorgen te
maken over de uitvoeringstechnische kant van de zaak: met de moderne
IT-technologie ligt daar geen werkelijk probleem. Het is belangrijker om op de
eerste plaats in te zien dat geld op een gegeven moment zijn waarde moet
verliezen en vervolgens helder te krijgen hoe we het geld een uiterste
houdbaarheidsdatum kunnen geven.
Dat kan als volgt:
– het geld dat mensen krijgen als tegenprestatie voor hun
werk in de economie (dus voor hun bijdrage aan het scheppen van waarde) is “nieuw”
geld;
– dit nieuwe geld krijgt, fysiek of virtueel, een uiterste
houdbaarheidsdatum mee, bijvoorbeeld 30 jaar;
– wanneer er met dit geld een product wordt gekocht, is dit
geld direct “ont-waard”: het is teruggevloeid naar de economie en maakt weer
nieuwe productie, nieuwe waardeschepping mogelijk – die vervolgens weer tot “nieuw”
geld leidt;
– wanneer geld wordt gespaard, en bijvoorbeeld via een bank,
wordt uitgeleend, zal de lening vóór het verstrijken van de uiterste
houdbaarheidsdatum van dit geld moeten worden afgelost. Nadat het is afgelost,
kan het alsnog worden gebruikt om producten mee te kopen, dan vloeit ook dit
geld terug naar de economie, wordt “ont-waard” en maakt weer nieuwe productie,
nieuwe waardeschepping en nieuw geld mogelijk;
– wanneer geld zijn uiterste houdbaarheidsdatum nadert en
niet wordt gebruikt om producten aan te schaffen en ook niet (meer) wordt
gebruikt om uit te lenen, dan zit er nog maar een ding op (tenzij de eigenaar
van dit geld ervoor kiest om het letterlijk waardeloos te laten worden),
namelijk om het te besteden aan onderwijs, kunst, wetenschap, religie,
rechtspraak of gezondheidszorg: aan zaken die geen directe waarde
vertegenwoordigen maar wel ontwikkeling stimuleren. Degenen die in deze
sectoren werkzaam zijn en die geld, dat vlak voor zijn uiterste
houdbaarheidsdatum zit, ontvangen, zullen het heel snel “ont-waarden”: zij
kopen er producten voor – en zo vloeit ook dit geld terug naar de economie,
maakt nieuwe productie en waardeschepping en nieuw geld mogelijk...
Daarmee is de geldkringloop “rond” en door de uiterste
houdbaarheidsdatum blijft het geld binnen de kringloop in beweging.
John Hogervorst, 28 april 2014
8. Geen geld buiten de kringloop
Geld dat zich in de geschetste geldkringloop bevindt zoals
beschreven in mijn vorige blog: “De
geldkringloop“, is geld dat in sociaal opzicht een nuttige, wenselijke
functie vervult. Geld dat zich buiten deze kringloop bevindt, vervult geen
sociaal wenselijke functie of, sterker nog, werkt in sociaal opzicht
schadelijk. Dit gaat op voor veel activiteiten in de financiële wereld.
Al het geld zou in de geldkringloop opgenomen moeten zijn.
Niet alleen het geld dat nu in de financiële wereld circuleert, maar ook het
geld dat nu wordt gebruikt om land, grond, onroerend goed of productiemiddelen
mee te kopen. Deze “middelen” zouden niet overdraagbaar moeten zijn.
Land, grond, onroerend goed of productiemiddelen zijn
namelijk de middelen waarover een ondernemer moet kunnen beschikken om zijn onderneming
te “runnen”. Een boer heeft land nodig om het boerenbedrijf te kunnen
uitoefenen. Een bakker heeft een pand en een oven nodig om brood te kunnen
bakken. Een transporteur heeft een vrachtwagen nodig, een winkelier een
winkelpand.
Ondernemers kunnen, afhankelijk van de aard van hun
onderneming, niet zonder deze “middelen”. Maar wanneer deze middelen niet
verhandelbaar zijn, wanneer ze geen privé-eigendom zijn, kunnen we ze gewoon inzetten
als middelen die gebruikt mogen worden door de ondernemer die bekwaam is om ze
te gebruiken, voor de duur dat hij daartoe bekwaam is en zolang datgene wat
zijn onderneming voortbrengt ook daadwerkelijk in een behoefte voorziet.
Geld zou niet mogen worden gebruikt om land, grond,
onroerend goed of productiemiddelen mee te kopen. Geld moet binnen de
geldkringloop stromen en zich niet “vastzetten” in het eigendom van deze
middelen. Dat werkt namelijk schadelijk op de economische productiviteit, op de
waarde van het geld en op het welzijn van een samenleving. Klik hier voor meer “Ideeën
voor de samenleving van de toekomst”.
John Hogervorst, 30 april 2014’
‘Het World Economic Forum gaf in januari
2014 aan dat de kloof tussen arm en rijk het grootste probleem van de komende
jaren wordt. Het IMF (Internationaal Monetair Fonds), een van de meest
invloedrijke instanties als het gaat om economisch beleid, stelt dat de
groeiende ongelijkheid economische groei in de weg staat.
Uit de berekeningen van het IMF komt naar voren, dat het
bevorderen van gelijkheid in de inkomensverdeling een gunstige invloed heeft op
de groei van de economie. In landen met meer gelijkheid groeit de economie niet
alleen sneller maar ook langduriger. Ook blijkt dat de herverdeling van rijkdom
door geld over te hevelen van de rijken naar de armen, geen negatief effect
heeft op de groei, tenzij dat in zeer extreme mate gebeurt.
Volgens Jonathan Ostry, adjunct-directeur van de afdeling
Onderzoek bij het IMF, heeft de groeiende kloof tussen arm en rijk een
ongunstig effect op de economische ontwikkeling en vormt deze bovendien een
serieuze bedreiging voor de democratie: “Als er binnen een samenleving een hoge
economische ongelijkheid is, kom je onherroepelijk in een situatie terecht
waarin je moet kiezen tussen een democratische en een kapitalistische
maatschappij. Democratisch bestuur wordt steeds moeilijker als de rijkdom
ongelijk verdeeld wordt. De rijken zullen dan het politieke proces gaan
bepalen, ook in een democratie en dat maakt het zeer ingewikkeld om een
democratie naar behoren te laten functioneren.”
Voor het volledige IMF rapport klik
hier
Bron: Tegenlicht (VPRO) en www.imf.org’
‘Waarom laten sommige mensen hun hamburger staan om het
klimaat te helpen, terwijl voor anderen het recyclen van het oude papier nog te
veel moeite is? Onderzoek van de Vrije Universiteit Amsterdam onder ruim
duizend Nederlanders toont aan dat het wereldbeeld van mensen van grote invloed
is op in hoeverre ze een duurzame levensstijl hebben. Met name mensen met een
wereldbeeld gericht op innerlijke groei blijken geneigd te zijn tot het maken
van duurzamere gedragskeuzes. Zij eten bijvoorbeeld minder vlees, stemmen vaker
groen, en geven meer aan natuur- en milieuorganisaties. Deze inzichten bieden
aanknopingspunten voor het duurzaamheidsbeleid van organisaties en overheden.
De resultaten zijn verschenen in the Journal of Environmental Psychology.
Mensen met postmodern
wereldbeeld geneigd tot duurzamere levensstijlen
In de steekproef troffen de onderzoekers drie typen
wereldbeelden aan:
– Traditioneel religieus (14% van de steekproef),
– Modern, onder te verdelen in “Focus op geld” en “Seculier
materialisme” (27%),
– Postmodern, onder te verdelen in “Innerlijke groei” en “Hedendaagse
spiritualiteit” (21%).
Uit het onderzoek blijkt dat mensen met de postmoderne
wereldbeelden – met name “Innerlijke groei” – vaak een “verbondenheid met de
natuur” ervaren en een “bereidheid te veranderen” hebben, wat resulteert in
meer duurzame levensstijlen. Mensen met de moderne wereldbeelden, waarin
materialistische en individualistische waarden en opvattingen dominant zijn,
zien de natuur vooral als gebruiksobject voor de mens. Zij vertonen minder
duurzame leefstijlen en zien oplossingen van milieuproblemen in technologische
ontwikkelingen en marktwerking, zoals het duurder worden van olie. Mensen met
een “traditioneel religieus” wereldbeeld zijn minder uitgesproken en scoren qua
milieuhouding en gedrag tussen de twee andere typen wereldbeelden in. Een grote
groep (ongeveer 38%) is niet goed in te delen qua wereldbeeld, en kenmerkt zich
door het afwijzen van innerlijke groei. Opvallend is dat deze minder “reflectieve”
groep het slechtst scoort qua milieugedragingen.
Duurzaamheidsbeleid
moet aansluiten op wereldbeelden
Omdat er een diversiteit aan wereldbeelden bestaat binnen de
Nederlandse samenleving, zullen overheden en organisaties ook gebruik moeten
maken van een diversiteit aan beleidsstrategieën. VU-wetenschapper Annick
Hedlund-de Witt: “Mensen met de meer postmoderne wereldbeeld krijgen een goed
gevoel als ze producten kopen die beter zijn voor het milieu, zelfs als deze
duurder zijn. Voor hen is duurzaam gedrag een intrinsiek bevredigende manier
van leven; ze voelen zich er simpelweg beter bij. Ze verlangen ernaar hun
eigen, unieke bijdrage aan de samenleving te leveren, en geloven dat hun gedrag
er toe doet. Er is momenteel een maatschappelijke trend zichtbaar van het
streven naar bewustwording, persoonlijke groei, zingeving, en hedendaagse
spiritualiteit. Nu duidelijk is hoe belangrijk innerlijke bewustwording is bij
het ontwikkelen van milieuvriendelijke levensstijlen, is het voor het
duurzaamheidsbeleid zinvol daar actief bij aan te sluiten. Op deze manier kunnen
mensen die zich aangetrokken voelen tot deze waarden, maar nog niet heel
duurzaam leven, verleid worden ook deze stap te gaan maken. Mensen met de meer
moderne wereldbeelden moeten juist via extrinsieke prikkels gestimuleerd worden
om duurzaam te leven, zoals economische voordelen en regelgeving.”
Voor meer informatie: www.vu.nl’
Over wereldbeelden gesproken. Dat doet me denken aan ‘Alchemie
van het alledaagse’. In ‘
Roof’ en in ‘
Ananassen’ op 17 en 20 juli 2013 had ik het voor het laatst
over deze tentoonstelling (even afgezien van ‘
Proactief’ op 27 maart, waarin ik die alleen maar noemde
als mogelijk onderwerp). Dus wordt het hoog tijd er eens naar terug te keren
en te kijken wat
de Kunsthal in Rotterdam nu hierover meldt. Dat is het
volgende:
‘Rudolf Steiner,
Alchemie van het alledaagse
13 september 2014 t/m 11 januari 2015
Voor het eerst in Nederland presenteert de Kunsthal een
overzicht van het veelomvattende oeuvre van Rudolf Steiner (1861-1925). Steiner
is één van de meest invloedrijke en veelzijdige hervormers van de twintigste
eeuw. Zijn gedachtegoed is nog springlevend. Steiner was een inspiratie bron
voor vele kunstenaars zoals Piet Mondriaan, Wassily Kandinsky en Joseph Beuys en
is dat nog steeds voor hedendaagse kunstenaars en designers als Olafur Eliasson
en Konstantin Grcic. De tentoonstelling laat een rijke verzameling van meubels,
maquettes, sculpturen en “blackboard” tekeningen zien en biedt een fascinerend
inzicht in zijn leven, werk en wijdverbreide gedachtegoed. Een aantrekkelijk
activiteitenprogramma op het gebied van voeding, architectuur, dans en sociaal
ondernemen, met een Steinerdag en symposium, plaatst Steiners gedachtegoed in
het licht van de actualiteit.
De tentoonstelling “Alchemie van het alledaagse” wordt
mogelijk gemaakt door alle deelnemers van de BankGiro Loterij, de
cultuurloterij van Nederland.
Activiteiten
Bij deze tentoonstelling wordt educatief materiaal
ontwikkeld voor het basis- en voortgezet onderwijs. In de schoolvakanties zijn
er activiteiten voor families.
In het SteinerLAB in de tentoonstelling zijn er doorlopende
activiteiten, waar iedereen aan mee kan doen, zoals het bouwen van een huis
volgens de uitgangspunten van de organische architectuur. De organische
bouwwerken kunnen worden meegenomen naar huis of direct worden tentoongesteld
in de Kunsthal. Daarnaast kunnen families op de wanden een eigen “blackboard
tekening” maken. Voor de allerkleinsten zijn er spelletjes met als thema kleur
en vorm.’
‘De initiatiefgroep heeft deze week een aantal stappen gezet
om op korte termijn tot een oplossing te komen voor de stagnatie waarin we
verkeren. Dit heeft geleid tot de volgende acties:
– Vragen in de gemeenteraad
– Juridisch
– Advies en ondersteuning door Onderwijs Consumenten Organisatie
(OCO)
– Oudervereniging
– Mogelijkheid huisvesting
– Bijeenkomst
Vragen in de
gemeenteraad
Afgelopen woensdag (23 april) hebben raadsleden van de SP en
D66 tijdens het mondelinge vragenuur van de gemeenteraadsvergadering aan
demissionair Wethouder van Onderwijs Freek Ossel vragen gesteld over de gang
van zaken rond het intrekken van de toezegging voor het schoolgebouw . Zij
hebben de heer Ossel flink aan de tand gevoeld. De wethouder legde uit dat er
sprake is van een uniek situatie en dat dat de reden is dat de Dienst
Maatschappelijke Ontwikkeling pas in dit late stadium terugkomt op eerdere
besluiten.
De zaak rondom het al dan niet kunnen toekennen van een
schoolpand voor de dependance is inmiddels naar zijn zeggen goed uitgezocht.
Het zou wettelijk onmogelijk zijn om de school op deze wijze huisvesting te
bieden. De wethouder gaf aan dat er voor de huisvesting een privaatrechtelijk
aanbod is gedaan, terwijl dat eigenlijk via het publieke domein had gemoeten
(dus via een volkshuisvestelijk plan).
Maureen v/d Pligt (SP) stelde dat deze gang van zaken
onbehoorlijk bestuur is en eiste de garantie dat de school op 1 september van
start kan gaan. Ook Zoe Kwint(D66) vroeg de wethouder huisvesting te
garanderen. Dit kon de wethouder niet toezeggen, wel dat er op korte termijn
inzage komt in de juridische onderbouwing van het besluit.
Daarnaast gaf de wethouder aan dat hij het oprichtingsproces
absoluut steunt en in overleg wil gaan met andere partners, met name de ouders.
De vergadering kunt u hier terugzien: http://amsterdam.raadsinformatie.nl/notucast/gemeenteraad_23-04-2014
vanaf 41:30 tot 51:20
Juridisch
Op korte termijn moet de wethouder inzicht geven in de
juridische gronden waarop het intrekken van de toezegging voor een eigen pand
(Klimopweg 150) gebaseerd was. Op basis van deze informatie kunnen we verdere
concrete acties plannen en eventuele juridische stappen nemen.
Advies en ondersteuning
door Onderwijs Consumenten Organisatie (OCO)
De initiatiefgroep wordt zeer actief bijgestaan door een
medewerker van OCO. OCO ziet dat we een sterk burgerinitiatief zijn, dat niet
weggewimpeld kan worden. Zeker niet nu we zo ver zijn in het oprichtingsproces
van de school.
Oudervereniging
Er wordt gewerkt aan het oprichten van een oudervereniging
vanuit de initiatiefgroep. Als vereniging hebben we als ouders meer slagkracht,
ook in juridische processen. Begin mei hoort u hier meer over.
Mogelijkheid
huisvesting
Op 1 mei verwacht bestuurder Ruud van Velthoven
duidelijkheid te kunnen geven over de mogelijkheden om de school per augustus
te starten in een gebouw van een (openbare) school met leegstaande lokalen. We
zien dit als een tijdelijke oplossing en blijven ondertussen werken aan een
zelfstandig pand.
Bijeenkomst
Wij krijgen veel vragen en reacties en ook voorstellen van
mensen die graag meedenken of meehelpen. Dit is zeer welkom. We willen daarom
op korte termijn een bijeenkomst organiseren waarin we de mogelijke verdere
stappen verder bespreken. U ontvangt hiervoor snel een uitnodiging.’
‘Deutschland erlebt einen Privatschulboom. Während das
Vertrauen der Eltern in das staatliche Schulwesen sinkt, steuern wir geradewegs
auf ein Zwei-Klassen-System mit Privatschulen für die Wohlhabenden und
staatlichen Schulen für alle anderen zu. In den angelsächsischen Ländern mit
ihrer großen Kluft zwischen Arm und Reich hat dieses Modell schon eine lange
Tradition.
Wo stehen die
Waldorfschulen inmitten unserer gesellschaftlichen Entwicklung?
Sind sie einfach einer von vielen Anbietern im
Privatschulsektor? Bieten sie für die alternativ angehauchte Mittelschicht eine
pädagogische Spielwiese mit »Lernen light«, ohne allzu viele Ecken und Kanten?
Kann man hier seine Kinder vor den brennenden sozialen Fragen unserer Zeit in
Sicherheit bringen?
Perspektivwechsel I:
1995 herrschte in Sierra Leone Bürgerkrieg. Unzählige Kinder wurden, oft unter
Drogeneinfluss, zu den furchtbarsten Gräueltaten gezwungen. Damals begann
Shannoh Kandoh in Freetown, wenigstens einige von ihnen aufzusammeln und zu
unterrichten. 2000 durfte er eine Schule gründen, musste aber wegen steigender
Mietpreise mehrmals umziehen, bis er 2009 in Rokel die Goderich Waldorf School
gründen konnte, in der mit Hilfe von Alfred Barlatt seither immer ungefähr 60
Kinder kostenlos, also durch Spenden finanziert, unterrichtet werden.
Perspektivwechsel II:
1999 nahm im taiwanischen Lo Tung auf Initiative von Chuen Sue Chang die erste
Waldorfschulklasse ihre Arbeit auf und wuchs bis heute mit 600 Kindern zur
größten Waldorfschule Ostasiens heran. 2004 wurde der erste Waldorfkindergarten
im chinesischen Cheng Du eröffnet. Zehn Jahre später gibt es in China 172
Kindergartengruppen, eine wachsende Anzahl von Schulen und vier mehrjährige Ausbildungskurse,
Tendenz rapide steigend.
Perspektivwechsel III:
In der malerischen Mittelmeerstadt Alanya begann 2013 die erste türkische
Waldorfschulklasse mit dem Unterricht. Die Gründungsinitiative des Unternehmers
Orhan Demirtas wird von der intellektuellen Elite der Stadt intensiv
beobachtet, ein eigener Ausbildungsgang zum Waldorflehrer ist über die
Kooperation einer ortsansässigen Hochschule mit dem Berliner
Waldorflehrerseminar im Gespräch. Obwohl noch nichts gesichert ist, ist der
starke Wille spürbar, hier eine zivilgesellschaftlich organisierte,
pädagogische Entwicklung in Gang zu setzen.
Verschiedener können die politischen, ökonomischen und
kulturellen Bedingungen kaum sein, unter denen sich die beteiligten Eltern und
Lehrer entschließen, eine pädagogische Arbeit zu initiieren, die in krassem
Gegensatz zu der existierenden Schulwirklichkeit ihrer Heimatländer steht.
Weltweit gibt es heute weit über tausend Waldorfschulen und fast dreimal so
viele Waldorfkindergärten, die immer aus solchen Initiativen einzelner Menschen
hervorgegangen sind. Was ist das für ein Impuls, für dessen Verwirklichung die
Menschen oft große Opfer bringen?
Das Beispiel Sierra Leones steht für viele Initiativen in
Lateinamerika, Afrika oder Asien und zeigt, was dieser Impuls ganz sicher nicht
ist, nämlich ein Rückzugsraum für sozial Privilegierte. »Privare« ist das
lateinische Wort für rauben. Die Waldorfinitiativen in den Townships, Favelas
oder Bürgerkriegsgebieten versuchen dagegen, den Kindern etwas zurückzugeben: ihre
geraubte Kindheit. Sie stehen für gelebte Brüderlichkeit, genauer für
Geschwisterlichkeit. Die rapide Ausbreitung der Waldorfpädagogik in vielen
ostasiatischen Staaten, in denen die Kindheit nicht durch Hunger oder
Gewaltexzesse, sondern durch rigorose Unterordnung, endlose Paukerei und die
immer präsente Gefahr der Aussonderung bedroht wird, lässt einen zweiten Impuls
sichtbar werden: die freie Persönlichkeitsentwicklung der Kinder und die
Sehnsucht nach Unabhängigkeit von staatlich oder ökonomisch induzierten
Zwängen. Es geht um die Freiheit des Individuums. Blickt man schließlich auf
eine zentrale Frage vieler Eltern in Deutschland, so ist es die nach echter
Partizipation und Begegnung auf Augenhöhe in der Gestaltung des Schullebens.
Freiheit, Gleichheit,
Brüderlichkeit
Was hier beispielhaft nebeneinander gestellt wurde, sind
drei Grundimpulse, die sich in der Neuzeit mit der Entdeckung der
Menschenrechte immer wieder neu Bahn zu brechen versuchen. Nicht ohne Grund
findet man über dem Portal jedes französischen Rathauses bis heute die
Losungsworte der französischen Revolution »Liberté, Égalité, Fraternité«. Dass
es sich bei diesen Begriffen nicht um bloße Floskeln, sondern um konkrete
Gestaltungsideen handelt, wird sofort sichtbar, wenn man sie auf die
gesellschaftliche Wirklichkeit bezieht:
– Freiheit ist die Voraussetzung für jede individuelle
Entwicklung und damit zugleich der Quellort für jeglichen gesellschaftlichen
Fortschritt.
– Gleichheit ist die Grundsignatur einer auf Partizipation
gegründeten Zivilgesellschaft, in der nicht mehr die »Obrigkeit« die Richtung
vorgibt, sondern die betroffenen Menschen selbst.
– Brüderlichkeit – oder etwas nüchterner: assoziative
Zusammenarbeit – ist die Voraussetzung für ein an den Bedürfnissen der Menschen
orientiertes Wirtschaftsleben, in dem sich unternehmerische Initiative und
soziale Verantwortung nicht ausschließen, sondern wechselseitig befruchten.
Wozu die Ignoranz gegenüber diesen Idealen führt, zeigt sich
an den globalen Krankheitssymptomen unserer Gesellschaften, mit denen die
heranwachsenden Generationen zurecht kommen müssen: Sie reichen von dem rapide
wachsenden Sucht- und Konsumverhalten in den »zivilisierten« Gesellschaften –
dem Zerrbild der »Freiheit« – über die fundamentalistischen oder totalitären
Gesellschaftsordnungen – dem Zerrbild der »Gleichheit« – bis zu der Ausbeutung
der Bevölkerung und der Natur durch die »Zwänge« global agierender
Finanzjongleure – dem Zerrbild der »Brüderlichkeit«. Rudolf Steiner betrachtete
die Ideale der Französischen Revolution nicht als Leerformeln, sondern als
Ordnungsprinzipien des gesellschaftlichen Lebens: Die Freiheit gehöre ebenso
notwendig dem geistigen oder kulturellen Leben an, wie sich das Rechts- oder
politische Leben auf die Gleichheit aller Menschen gründe. Die Brüderlichkeit
wiederum sei längst Teil des arbeitsteiligen Wirtschaftslebens, das nur noch
assoziativ funktioniere, aber immer noch wie eine Tauschwirtschaft behandelt
werde.
Die Schattenseite der
Intelligenz
Die erste Waldorfschule ging folgerichtig aus einer Kampagne
für die »Dreigliederung des sozialen Organismus« hervor, bei der Steiner unter
anderem die Unabhängigkeit des Bildungswesens von staatlichen oder ökonomischen
Interessen forderte. An Stelle einer auf gesellschaftlichen Konventionen
basierenden Erziehung setzte er die Erneuerungskraft, die dieser Gesellschaft
durch frei sich entwickelnde Individualitäten zufließt. Die Schule sollte zu
einem Ort werden, an dem junge Menschen sich ebenso lebenspraktisch wie
phantasievoll entwickeln können.
Unmittelbar vor Beginn seines berühmten Kurses für das erste
Lehrerkollegium hielt Steiner im August 1919 eine Vortragsreihe mit dem Titel
»Die Erziehungsfrage als soziale Frage«. Darin schilderte er, welche
Fähigkeiten Menschen brauchen, um überhaupt aktiv an der gesellschaftlichen
Wirklichkeit teilnehmen zu können. Vor dem Hintergrund der historischen
Erfahrungen, die die Menschheit seit damals durchgemacht hat, und im Wissen um
die ungelösten Probleme unserer Zeit erscheinen diese Vorträge aktueller denn
je. Aus dem riesigen Bogen, den Steiner damals spannte, möchte ich ein Motiv
herausgreifen: Die Entwicklung der Intelligenz von der Antike bis zur Neuzeit.
Während die Menschen in vorgeschichtlicher Zeit eine
unmittelbare Beziehung zum Lebendigen hatten, das sich ihnen in einem mit den
Erscheinungen verwobenen bildhaften Bewusstsein offenbarte, entstand in der
griechischen Antike das gegenständliche Denken, mit dem sich der Mensch der
Natur und den »Göttern« gegenüberstellte. In der Neuzeit entwickelte sich die
Intelligenz bis zum operativen Erfassen des Toten, das einerseits den enormen
Fortschritt in der technischen Beherrschung der Welt bewirkte, andererseits die
Trennung von Kunst, Wissenschaft und Religion in voneinander unabhängige
Regionen. Damit ist die Entwicklung der »Intelligenz« aber noch nicht zu Ende.
Im 20. Jahrhundert wird sie laut Steiner allmählich zum zweischneidigen
Schwert: Sie kann entweder durch aktive seelische Arbeit zum erneuten Erfassen
lebendiger Zusammenhänge erzogen werden oder die Neigung zum »Bösen«
entwickeln. Ich möchte es jedem selbst überlassen, manche Entwicklungen in
unserer Zeit daraufhin zu überprüfen.
Die soziale Bedeutung
von Autorität und Liebe
Statt nun allerdings moralische Grundsätze für die Lehrer
oder Schüler aufzustellen, ging Steiner nüchtern auf die Frage ein, welche
Kräfte ein junger Mensch ausbilden muss, um als Erwachsener seine Entwicklung
selbst in die Hand nehmen zu können.
Während sich die Kinder in den ersten Lebensjahren durch
angeborene Hingabekräfte unmittelbar mit der Welt verbinden, bereiten sie sich
darauf vor, als Jugendliche mit ihrem denkenden Bewusstsein in die Welt
einzudringen und selbstständig Zusammenhänge herzustellen. Deshalb empfahl
Steiner den Eltern und Erziehern dringend, eine Umgebung für die Kinder zu
schaffen, in der alles nachahmenswert ist, und zwar nicht nur in der äußeren
Umgebung, sondern auch in den Gedanken, Gewohnheiten und Gefühlen der
Erwachsenen, welche die Kinder umgeben. Der Mangel an nachahmenswerter Kultur
in diesem Alter führe zu einer »Animalisierung der Leiber«, die sich auf das
gesamte weitere Leben auswirke.
Später entsteht das Bedürfnis, die Welt in Anlehnung an
Menschen zu erfahren, denen die Kinder vertrauen und zu denen sie wegen ihrer
Urteilsreife und seelischen Beweglichkeit aufblicken können. Aus diesem
Aufblicken – Goethe sprach im »Wilhelm Meister« von den »drei Ehrfurchten«, die
gegenüber dem, was über uns, neben uns und unter uns ist, entwickelt werden
sollten – entsteht der Blick für die Würde jedes einzelnen Menschen, die
notwendige Voraussetzung dazu, Gleichheit überhaupt denken zu können. Die
Sehnsucht nach einer »geliebten«, weil dieser Liebe würdigen, Autorität ist die
Grundlage des Rechtsempfindens und einer demokratischen Kultur. Das negative
Gegenbild ist eine allgemeine Kulturschläfrigkeit, eine »Vegetabilisierung der
Seelen«.
Die Zeit zwischen Pubertät und Mündigkeit beschrieb Steiner
als Lebensalter, in dem sich das Interesse an der Welt und an den anderen Menschen
aus der allgemeinen Menschenliebe herausentwickelt. Deshalb kommt in diesem
Alter alles darauf an, dass die jungen Menschen in der Schule und ihrer
Umgebung diese »umfassendste Liebe zur äußeren Welt« entwickeln können, also
ein tiefes, individuell errungenes Interesse am anderen Menschen und an der
Zeit, in der sie leben. Nur aus solchen Erfahrungen können die jungen Menschen
einen Sinn für Brüderlichkeit im Umgang miteinander entwickeln. Allgemeine
Menschenliebe wird zum Impuls der Brüderlichkeit. Kurz gesagt:
– Echte Nachahmung in der frühen Kindheit wird zur
erkennenden Grundlage der Freiheit.
– Die Erfahrung berechtigter Autorität im zweiten Jahrsiebt
führt zum Verständnis der Würde jedes einzelnen Menschen.
– Die umfassende Liebe zur Welt im dritten Jahrsiebt führt
durch das Erlebnis sozialer Verantwortung zum Verstehen wirtschaftlicher
Prozesse.
Krisen sind
Entwicklungschancen
Die eingangs gestellten kritischen Fragen spiegeln einiges
von dem wider, was heute oft mit Waldorfschulen assoziiert wird, jedenfalls in
Deutschland. Wer die Waldorfschulen besser kennt, weiß, dass es darum nicht
geht und noch nie gegangen ist.
Trotzdem müssen sie sich die Frage stellen, warum sie in
dieser Ecke gelandet sind und ob sie sich dort vielleicht wohler fühlen, als es
ihrem Anspruch entspricht.
Eigentlich sind die Waldorfschulen ein groß angelegter
Versuch, die Ideale der Freiheit, Gleichheit und Brüderlichkeit im
Zusammenwirken von Eltern, Lehrern und Schülern zu verwirklichen. Das können
wir allesamt noch nicht besonders gut. Deshalb entstehen immer wieder Krisen
und in ihrem Gefolge Sehnsüchte nach einer autoritären Schulführung oder nach
verbindlichen Standards. Wie in jeder Krise liegt darin aber auch die Chance
zur Entwicklung. Als Zeitgenossen kommen wir nicht umhin, an der Entwicklung
der Kräfte zu arbeiten, die die Kinder und Jugendlichen zunächst an uns erleben
müssen, um sie im späteren Leben aus eigener Kraft zur Verfügung zu haben.
Freiheit, Gleichheit und Brüderlichkeit sind keine verstaubten
Ideale aus vergangenen Epochen, sondern Gestaltungsideen für die globalen
Aufgaben unserer Zeit. Sie müssen im Kleinen geübt werden, um im Großen zu
funktionieren.
Deshalb sind Waldorfschulen keine Privatschulen.
Der Abgeordnete Pauer aus Neiße rief während der
Paulskirchenversammlung im Jahr 1848 den Parlamentariern zu: »Wenn Sie die
Freiheit des Volkes wollen, dann gründen Sie freie Schulen!« Es wird Zeit,
wieder auf ihn zu hören. Bündnispartner gibt es auf der ganzen Welt.
Zum Autor: Henning Kullak-Ublick ist Leiter der
Öffentlichkeitsarbeit im Bund der Freien Waldorfschulen und Mitglied des
Bundesvorstandes. Im März erschien sein Buch Jedes Kind ein Könner. Fragen und Antworten zur Waldorfpädagogik.
Link: www.freunde-waldorf.de
‘Vanaf 1 juli zal de Warmonderhofstede VOF, onderdeel van
Warmonderhof, een nieuwe start maken als volwaardig gemengd bedrijf. Het
VOF-contract is afgelopen vrijdag 25 april getekend. Johan Verheye is als
ondernemer in 2010 op Warmonderhof gekomen. Paul Fischer start vanaf juli 2014.
Johan en Paul zijn beiden oud-student van Warmonderhof. Zij staan voor de mooie
uitdaging het gemengde BD-bedrijf verder te ontwikkelen, waarbij Paul primair
verantwoordelijk zal zijn voor de akkerbouw en Johan voor de melkveehouderij.
Paul heeft na zijn opleiding gewerkt als akkerbouwer/groenteteler
in de polder. Hij is werkzaam geweest in de biologische retail en heeft in de
afgelopen jaren de biologische tak van Vroegop-Windig opgezet. De passie voor
het primaire productieproces is gebleven. Ondernemer worden in een gemengd bio-dynamisch
bedrijf als onderdeel van het grotere geheel met collega’s en leerlingen, past
bij de ambitie van Paul.
Beide ondernemers zien er naar uit om gezamenlijk een
gedegen bijdrage te leveren aan de vakbekwaamheid en ontwikkeling van de
leerlingen op Warmonderhof.
De ondernemers zijn te bereiken op:
Johan Verheye, jverheye@online.nl,
06 51311365.
Paul Fischer, paulfischer@hetnet.nl,
06 21204213.’
‘Eind februari 2013 heeft Strategie Architecten de opdracht
gekregen voor het maken van een ontwerp voor de uitbreiding van de
biologisch-dynamische boerderij Veld en Beek in Doorwerth. De opdrachtgevers
hadden ambitieuze plannen en vroegen om een duurzame en fraaie oplossing voor
de nieuwbouw van een foliestal met werkgebouw en woonhuis. Een belangrijk aspect
hierbij betrof de planning; de bedrijfsvoering van de boerderij moest namelijk
doorgaan en er was de nadrukkelijke wens dat de koeien voor de volgende winter
de nieuwe foliestal in konden. Deze doelstelling is inmiddels gehaald en april
2014 is het gehele project opgeleverd.
Boerderij Veld en Beek heeft zogenaamde dubbelkoeien, die
melk én vlees produceren. Bijzonder is dat de producten direct verkocht worden
aan de klant. Omdat Veld en Beek graag aan haar klanten wil laten zien hoe er
gewerkt wordt op de boerderij is er in het ontwerp rekening gehouden met de
ontvangst van klanten en andere geïnteresseerden. Bij aankomst op het erf sta
je meteen oog in oog met de koeien die staan te eten bij het voerhek. Ook het
melken en kaasmaken is zichtbaar gemaakt, speciaal voor de gasten is een skybox
gemaakt van waaruit je in de stal kan kijken en zicht hebt op het melken van de
koeien.
De koeien staan in de stal op een bed van houtsnippers, door
toevoeging van de stikstofrijke mest van de koeien en een geavanceerd
ventilatiesysteem ontstaat compost. Op deze manier wordt een groot deel van de
mest omgezet in een bruikbare voedingstof die Veld en Beek zelf weer kan
gebruiken voor het telen van gewassen.
Bij de duurzame bedrijfsvoering van de boerderij hoort ook
een duurzaam gebouw, vandaar dat er gekozen is voor een materiaalgebruik met
een minimale milieubelasting. De gevels van het woon-werkgebouw zijn bekleedt
met verduurzaamd vurenhout en het dak is begroeid met sedum. De binnenwanden
zijn afgewerkt met leemstuc en op de vloer ligt bamboe. Uiteraard is er ook
gekeken naar materialen die qua eigenschappen goed passen bij de functie van
een boerderij. De wanden en vloeren van de melkstal en het tanklokaal moeten
bijvoorbeeld eenvoudig en goed te reinigen zijn en bestand tegen mest en urine.
De foliestal is een standaard product waar we houten kolommen aan hebben
toegevoegd zodat het een vriendelijker uitstraling krijgt en beter past bij het
woon-werkgebouw. Het boerenbedrijf voorziet grotendeels in hun eigen energie,
op het dak van een bestaande stal zijn zonnepanelen gelegd en er zijn bronnen
geboord waarmee met behulp van een warmtepomp kan worden voorzien in warmte
voor het woonhuis.
Al tijdens de bouw is een deel van de nieuwbouw in bedrijf
genomen, de koeien stonden al in de stal terwijl de bouwvakkers nog op de
steiger stonden bij het woon-werkgebouw. Door een goede planning en veel
overleg met alle partijen is het gelukt om een bijzonder project te realiseren
zonder dat het boerenbedrijf daar teveel last van had. Er staat nu een
bijzonder fraaie en duurzame boerderij die klaar is voor de toekomst.
Contactgegevens architect: Jeroen ter Maat, Strategie
Architecten, Cornelis Koningstraat 3a, 6862 CK Oosterbeek, 026 3337555, jeroen@strategie-arch.nl,
www.strategie-arch.nl
Projectgegevens: Veld en Beek, Fonteinallee 33, 6865 ND
Doorwerth, www.veldenbeek.nl’
‘Uit een nieuw Noors onderzoek dat is gepubliceerd door Food
Chemistry blijkt dat de gentech-soja van Monsanto nog schadelijker is dan tot
nu toe werd verondersteld. Consumenten komen vaak niet rechtstreeks met de
gentech bulksoja in aanraking, maar worden er wel aan blootgesteld via
bijvoorbeeld plantaardige oliën. De rest van de gentechsoja wordt gevoerd aan
dieren in de vee-industrie en komt via de koeien en varkens bij de consument
terecht.
Wat blijkt uit het onderzoek? De sojabonen van Monsanto die
bestand zijn tegen het bijbehorende Roundup, bevatten meer resten van
bestrijdingsmiddelen dan de niet-gemanipuleerde sojabonen. In alle 10 monsters
van gentech-soja bonen werd het schadelijke middel glyphosaat aangetroffen. De
waarden waren soms nog hoger dan wat Monsanto zelf als “extreem” aanmerkt. Eet
smakelijk.
Verder kwam uit het onderzoek naar voren dat de gentech-soja
een lagere voedingswaarde heeft dan gangbare en biologische soja. De studie
verwerpt daarom de opvatting dat gentech-soja een gelijkwaardig alternatief zou
zijn voor gangbare en biologische soja.
Soja heeft een centrale plek gekregen in het huidige
voedsel- en landbouwsysteem: Op een kwart van alle landbouwgrond in de VS wordt
soja geteeld. Daarvan is 90% genetisch gemanipuleerd, 9% is gangbaar zonder
gentech en 1% is biologisch.
Wie liever gezond wil blijven en niet mee wil
werken aan de vervuilende gentech-sojateelt van firma's als Monsanto, kan het
best kiezen voor biologische producten. Biologische boeren en tuinders werken
gegarandeerd gentechvrij, dieren in de biologische veehouderij krijgen de
gentech-soja dus niet binnen.
Het hele onderzoek naar de sojabonen is hier te bekijken. Zie ook dit artikel van Tom Philpott: “Monsanto GM Soy Is Scarier Than You Think”’
‘De Nederlandse biologische sector verzet zich tegen het
voorstel van de Europese Commissie om medio 2017 volledig nieuwe wetgeving in
te voeren voor biologische landbouw en voeding. De nieuwe wetgeving zou moeten
zorgen voor behoud van het consumentenvertrouwen, ondersteuning van de
ontwikkeling van de snel groeiende biologische sector en eerlijke competitie in
Europa. Volgens ketenorganisatie Bionext zijn die doelen sneller te halen door
de huidige wetgeving stapsgewijs aan te scherpen.
Bavo van den Idsert, directeur Bionext: “Het invoeren van
volledig nieuwe wetgeving leidt tot een lange periode van onzekerheid bij
ondernemers en remt de marktontwikkeling. Wij kiezen voor evolutie in plaats
van revolutie. Je kunt bijvoorbeeld extra duurzaamheidseisen voor
verwerkingsbedrijven opnemen en geleidelijk meer biologisch zaadgoed en jongvee
verplicht stellen. Zo steun je de ontwikkelingen in de sector en haal je niet
alles overhoop.”
Op het vlak van certificering en controle ziet de
biologische sector ook mogelijkheden om de huidige wetgeving aan te scherpen.
Bionext pleit in Brussel voor verplichte internationale samenwerking tussen
certificeerders en wil dat risicomanagement voor biologische handel en
verwerking verplicht wordt gesteld.
De opvatting van Bionext over de stapsgewijze aanpassing van
de huidige wetgeving wordt gedragen door alle ketenpartijen in de biologische
sector: Biohuis (biologische boeren en tuinders), VBP (handel en verwerking) en
de Biowinkelvereniging. De ketenpartijen verwachten dat het invoeren van
volledig nieuwe wetgeving leidt tot een afwachtende houding bij omschakelaars
en investeerders. Van den Idsert: “Wij voorzien dat de marktontwikkeling van
biologisch hierdoor sterk wordt afgeremd. Je krijgt precies het omgekeerde
effect van wat de Europese Commissie met de nieuwe wetgeving wil bereiken: de ontwikkelingen
in de sector ondersteunen.”
IFOAM EU wijst
voorstel ook af
De Europese koepelorganisatie voor de biologische sector,
IFOAM EU, wijst het nieuwe wetgevingsvoorstel eveneens af. Op dinsdag 29 april
kwamen de vertegenwoordigers van de biologische sector uit de lidstaten in
Brussel unaniem tot het standpunt dat het nieuwe wetgevingsvoorstel in zijn
huidige vorm onacceptabel is. De Europese biologische sector, inclusief
koplopers als Duitsland en Oostenrijk, is voorstander van geleidelijke verbeteringen
in de bestaande biologische wetgeving. Deze wetgeving is pas sinds 2009 van
kracht.
In de komende maanden zullen de Raad van Europese
Landbouwministers en het Europese Parlement een oordeel vellen over het
voorstel van de Commissie.’
‘Wat is de kwaliteit van zorg en ondersteuning die door
zorginstellingen aan mensen met een verstandelijke beperking wordt geboden? En,
hoe komen we aan een antwoord op deze vraag? Het gangbare antwoord luidt: door
het meten van prestatie-indicatoren. In dit boek bewandelt de auteur een andere
weg: op locatie gaan kijken en met mensen praten.
De uitkomst van dit kwaliteitsonderzoek bestaat uit
observaties van de dagelijkse zorgpraktijk die een beeld geven van hoe het
leven van mensen met een beperking eruitziet. Vandaar Beelden van Kwaliteit. De
auteur heeft een aantal van deze beelden verzameld en geeft er zijn commentaar
bij. Belangrijke vragen die aan bod komen, zijn: wat zegt de tevredenheid van
cliënten over de kwaliteit van de zorg? Wat is de relatie tussen kwaliteit en
veiligheid? Wat is de betekenis van werk voor mensen met een beperking?
Uit zijn bespreking komt naar voren dat de kunst om goed
naar cliënten te kijken, laat zien hoe het anders en beter kan. Het boek maakt
duidelijk dat een vermogen om goed waar te nemen een andere mogelijkheid
zichtbaar maakt.
Uit de inhoud:
Inhoudsopgave
Inleiding
ISBN: 9789044131628
Aantal Pagina’s: 93
Status: Verschenen – bestelbaar – leverbaar
Prijs: € 14,00
Uitgever : Garant Uitgevers nv’
‘Dit jaar vieren wij een jubileum. Het dertig jarig bestaan
wordt op 27 juni ’s middags en ’s avonds gevierd. En de dag erna is de open
dag, mede in het teken van de Hart & Hoofdprijs van de Triodosbank, maar
ook in het teken van ons jubileumfeest. Het programma krijgt al contouren.
Het ziet ernaar uit dat wij in de middag van de 27e ons
vooral bezighouden met de komende dertig jaar! En ook op de open dag van 28
juni is er ruim baan voor de komende generatie: speciaal met het oog op de
cliënten van ons boerenbedrijf én van onze leefwerkgemeenschap zijn er tal van
activiteiten voor kinderen. Maar ook de volwassenen worden uiteraard niet
vergeten.
Nieuwsgierig? Op onze website worden langzaam maar zeker
tipjes van de sluier opgelicht. En het is natuurlijk al vast goed om deze twee
dagen in de agenda te blokken!’
‘Die Leistungen der anthroposophischen Medizin, der
traditionellen chinesischen Medizin, der Homöopathie und der Phytotherapie
sollen grundsätzlich von der obligatorischen Krankenpflegeversicherung übernommen
werden.
Dabei sollen umstrittene Leistungen gezielt daraufhin
überprüft werden, ob sie wirksam, zweckmässig und wirtschaftlich sind. Mit
diesem Vorgehen möchte das Eidgenössische Departement des Innern (EDI) einem
Verfassungsauftrag nachkommen.
Im Mai 2009 haben Volk und Stände den neuen
Verfassungsartikel zur Besserstellung der Komplementärmedizin deutlich
angenommen. Seit 2012 übernimmt die obligatorische Krankenpflegeversicherung
(OKP) provisorisch bis 2017 ärztliche Leistungen der anthroposophischen
Medizin, der traditionellen chinesischen Medizin, der ärztlichen Homöopathie
sowie der Phytotherapie.
Die Vergütung ist provisorisch und befristet, weil der
Nachweis aussteht, dass die Leistungen der vier komplementärmedizinischen
Fachrichtungen wirksam, zweckmässig und wirtschaftlich sind. Nach zwei Jahren
zeichnet sich nun ab, dass dieser Nachweis für die Fachrichtungen als Ganzes
nicht möglich sein wird.
Deshalb schlägt das Eidgenössische Departement des Innern
(EDI) vor, diese Fachrichtungen den anderen von der OKP vergüteten
medizinischen Fachrichtungen gleichzustellen. Damit gälte auch für sie das
Vertrauensprinzip und die Leistungen würden grundsätzlich von der OKP vergütet.
Analog zu den anderen medizinischen Fachrichtungen sollen lediglich einzelne,
umstrittene Leistungen daraus überprüft werden. Wie die Kriterien der
Wirksamkeit, Zweckmässigkeit und Wirtschaftlichkeit angewendet werden, muss
dabei für die Komplementärmedizin noch präzisiert werden.
Das EDI und das Bundesamt für Gesundheit (BAG) haben die
betroffenen Kreise über das geplante Vorgehen informiert und sie eingeladen,
bei der Erarbeitung der Kriterien und Prozesse mitzuwirken.
Um dem Verfassungsauftrag auf diese Weise nachzukommen,
müssen die Verordnung über die Krankenversicherung sowie die Verordnung des EDI
über Leistungen in der obligatorischen Krankenpflegeversicherung angepasst
werden. Diese können der Bundesrat beziehungsweise das EDI in eigener Kompetenz
beschliessen.
Herausgeber: Der Bundesrat. Internet: http://www.bundesrat.admin.ch/
Bundesamt für Gesundheit. Internet: http://www.bag.admin.ch
Links: https://www.news.admin.ch/message/index.html?lang=de&msg-id=52855’
Ik moet hier zeker ook melden dat tijdschrift ‘Die Drei’
zijn website inmiddels helemaal up-to-date heeft gemaakt. Ik kwam er al mee op
8 april in ‘
Aart-zijn’. Maar nu is de operatie voltooid. En het is echt
buitengewoon goed gedaan! Een voorbeeld voor anderen. En ingesteld op de
toekomst. Waarbij op de website bijvoorbeeld ook per artikel kan worden
betaald. Bij
‘Heft 5, 2014’ staat ‘Schwerpunkt: Soziale Landwirtschaft’:
‘Landwirtschaftsbetriebe werden zu Trägern von Aufgaben im
ländlichen Raum, schaffen Arbeit und Beschäftigung für sozial Benachteiligte
und Menschen mit Behinderung und übernehmen Bildungsaufgaben ... Soziale
Landwirtschaft ist mehr: Zusätzlich zu den bei Green Care im Vordergrund
stehenden Aspekten von Therapie, Pflege und »grüner Umgebung« besteht ein Fokus
auf Sozialer Arbeit, die zudem meist den Anspruch erhebt, sinnerfüllt und
produktiv zu sein.’
Onder
‘AKTUELL’ vinden we bijvoorbeeld ‘Aktuelle Ausgabe:
Heft 5, 2014’:
‘Nationalökonomischer
Kurs
Die Ruhefaktoren Arbeit, Kapital und Boden im
volkswirtschaftlichen Prozess.
Zur Komposition des »Nationalökonomischen Kurses«
Im äußeren Leben stoßen die Menschen mit ihren Interessen
oft aneinander. Dabei setzt sich auch im heutigen demokratischen Rechtsstaat
zumeist der Stärkere gegen den Schwächeren durch. Stephan Eisenhut zeigt in
seiner Betrachtung zum siebten Vortrag des Nationalökonomischen Kurses von
Rudolf Steiner, wie dies eine Folge davon ist, dass ein egoistisches
Geistesleben sich des staatlichen Machtmonopols bemächtigen konnte, um das
Recht nach seinen Interessen zu gestalten. Ein Geistesleben, welches sich bloß
den äußeren Erscheinungen zuwendet, kann weder den Egoismus überwinden noch
Begriffe bilden, durch die sich die sozialen Verhältnisse sinnvoll gestalten
lassen.
Diesen Artikel können
Sie sowohl kostenlos lesen als auch kaufen. Mit letzterem unterstützen Sie
unsere Arbeit. Vielen Dank!
Stephan
Eisenhut / Heft 5, 2014
/ Seite: 21 / Serie Nationalökonomischer
Kurs (10. Betrachtung – 7. Vortrag) Artikel lesen / Artikel
kaufen
Soziale Landwirtschaft
Ökologische Inklusion
Soziale Landwirtschaft für Mensch und Natur
Die biologisch-dynamische Landwirtschaft feiert 2014 ihr
90-jähriges Bestehen. Kurz nach dem Landwirtschaftlichen Kurs zu Pfingsten 1924
hielt Rudolf Steiner seinen Heilpädagogischen Kurs und viele
biologisch-dynamisch wirtschaftende Höfe bezogen von Anfang an in ihre
Landbewirtschaftung soziale und pädagogische Arbeit mit ein. Inzwischen werden
europaweit »Soziale Landwirtschaft« und Green Care als Potenziale einer
multifunktionalen Landwirtschaft entdeckt. Darin ist mehr veranlagt als neue
Einkommensmöglichkeiten für Bauernhöfe oder die Nutzung der Landwirtschaft als
»Setting« für Soziale Arbeit. Parallel zur Inklusion von Menschen mit
Hilfebedarf ergibt sich die Perspektive einer »sozialeren« Landwirtschaft, die
die Naturgrundlage nicht nur zu therapeutischen Zwecken nutzt, sondern bewusst
die Frage nach Entwicklungsperspektiven der Naturreiche stellt. Ihnen verdankt
der Mensch seine Entwicklungsmöglichkeiten auf der Erde. Was ansteht ist eine
Umkehr der Blickrichtung vom Nutzen, Benutzen und Ausnutzen, vom Nehmen zum
Geben: Wie kann die Natur auf einen Entwicklungsweg mitgenommen werden?
Thomas
van Elsen / Heft 5, 2014
/ Seite: 7 Artikel
kaufen’
‘Die Zeitschrift die Drei hat eine lange Tradition: Das
Eröffnungsheft erschien am 27. Februar 1921 aus Anlass des 60. Geburtstag des
Begründers der Anthroposophie, Rudolf Steiner. Der ursprüngliche Untertitel
»Monatsschrift für Anthroposophie und Dreigliederung« wurde im darauf folgenden
Jahr um den Begriff »Goetheanismus« ergänzt. Mit diesen drei Begriffen sollte
gekennzeichnet werden, worum es in der anthroposophischen Bewegung geht:
Eine Geisteswissenschaft, die den Geist ernst nimmt und
diesen im einzelnen Menschen ebenso wie als Grundlage der Welterscheinungen
aufsucht (Anthroposophie im engeren Sinne, von Steiner (1861-1925) systematisch
entwickelt und nach seinem Tod durch viele seiner Schüler fortgebildet).
Eine am Menschen orientierte Gestaltung des sozialen Lebens:
freie, selbstverantwortete und -verwaltete Einrichtungen des kulturellen und
geistigen Lebens; ein Rechtsleben, in dem die Menschen auf der Grundlage der
Gleichheit ihr Zusammenleben regeln; ein bedürfnisorientiertes
Wirtschaftsleben, in dem sich Assoziationen von Produzenten, Händlern und
Verbrauchern bilden.
Eine Natur- und Weltanschauung, die dien Bereiche des
Sinnlichen und des Ideellen gleichermaßen zu Ausgangspunkten ihrer
Wahrnehmungsbemühungen macht. Die Gesichtspunkte, unter denen sie die
verschiedenen Seinsbereiche betrachtet, sucht sie aus dem Wesen der Dinge
selbst zu gewinnen, um darauf aufbauend den Zusammenhang zwischen den
Welterscheinungen aufzuzeigen. Ein wesentliches Element hierbei ist der
Entwicklungsgedanke, wie er der Goetheschen Metamorphosenlehre zugrunde liegt.
Rudolf Steiner hat der Goetheschen Anschauungsweise ein erkenntnistheoretisches
Fundament gegeben, indem er sie auf das Denken selbst anwendet und so die
Voraussetzungen dafür schafft, den Subjekt-Objekt-Dualismus zu überwinden.
Aus der Anthroposophie heraus sind zahlreiche praktische
Initiativen hervorgegangen, die z.T. seit Jahrzehnten mit großem Erfolg
arbeiten: Kindergärten und Schulen auf Grundlage der Waldorfpädagogik; die
biologisch-dynamische Landwirtschaft (»Demeter«), Kliniken, Altenheime,
Bankeinrichtungen, Forschungsinstitute – um nur einige zu nennen.’
‘Heute, nach über 90 Jahren, ist der Kulturimpuls der Drei
ungebrochen aktuell:
Eine Durchdringung der verschiedenen Wissensgebiete mit
einer konkreten Anschauung des Geistes, die im Denken des Menschen ihren
Ausgangspunkt nimmt und das bloße Wissen über die Dinge um ein Erleben von
Qualitäten und die Erfahrung von Entwicklung erweitert.
Ideen für eine Gestaltung des sozialen Lebens, das den
Menschen im Zeitalter der Technisierung und Globalisierung Mensch sein lässt
und den Gedanken der »Geschwisterlichkeit« auch im Umgang mit Natur und Umwelt
realisiert.
Die Pflege eines künstlerischen Schaffens, das eine
gesättigte sinnliche Erfahrung ermöglicht und dadurch eine Kreativität
freisetzt, aus der heraus Lebens- und Weltgestaltung zum schöpferischen
Ereignis wird.
Galt es in der Anfangszeit der Drei die Anthroposophie mit
ihren Ideen, Impulsen und Möglichkeiten in der Welt bekannt zu machen und sie
auf die Erscheinungen der Welt anzuwenden, so steht heute im Vordergrund, über
alle Grenzen hinweg das Gespräch über den Geist zu suchen, Fähigkeitsbildungen
anzuregen sowie Menschen und Situationen aufzusuchen, durch die und in denen
der Geist eine konkrete Wirksamkeit in der Welt entfaltet.
»Was ich als Redakteur vermitteln möchte, sind individuelle
Erfahrungen und Sichtweisen, die den Menschen berühren: selbst Erarbeitetes,
selbst Erübtes – reflektierte eigene Erfahrungen im Umgang mit einem
Gegenstand, einem Thema oder Arbeitsfeld. Daran können andere auf eine
gleichberechtigte Weise anknüpfen; es entsteht ein Dialog, in dem sich die
Rollen von LeserInnen und AutorInnen vertauschen können. Auf dieser elementaren
Ebene spielt es keine Rolle, ob man einer bestimmten Institution angehört oder
nicht, ob man die Welt von rechts oder links, von oben oder unten anschaut.
Daher verstehe ich die Drei als eine Zeitschrift aus Anthroposophie, in der man
einen Kulturbegriff vorfindet, der den Menschen als eine freie geistige
Individualität ernst nimmt. Aus dieser Haltung heraus möchte ich kulturrelevante
Entwicklungen in Wissenschaft, Kunst und sozialem Leben begleiten sowie
›Zeichen der Bewusstseinseele‹ aufspüren und setzen.«
Stephan Stockmar,
Redakteur’
Als laatste nog twee dingen in het Duits. Twee heel
verschillende bijdragen. Twee heel verschillende wereldbeelden ook. Maar dat
kan allemaal bij antroposofie. Het eerste is afkomstig van het ‘Atelier für
Worte’ van Sophie Pannitschka. Op 17 april schreef zij
‘Ostern und der Gral. Zwischen Erinnerung und Gewissen’:
‘In den Vorträgen von Karl König, die jüngst unter dem
Titel: “Paulus und der Gral. Der Weg des Gewissens” herausgegeben wurden,
findet sich im 5. Vortrag: “Der Weg der Weisheit durch die Geschichte” ein
Bild, dass das Osterfest mit bestimmten Persönlichkeiten, die in der
Geistesgeschichte bekannt sind, verbindet. Die vier Ostertage, von
Gründonnerstag bis Ostersonntag, werden mit Eingeweihten und Protagonisten aus
dem “Parzival” von Wolfram von Eschenbach verbunden. Das Bild hat eine
unmittelbar elektrisierende Wirkung auf mich.
Ich “verstehe” es (noch) nicht, kann es also nicht “erklären”
– möchte es aber darstellen und dadurch in Bewegung bringen. Vielleicht laden
die Ostertage von Gründonnerstag bis Ostersonntag dazu ein, sich in das
vierfach lemniskatische Bild zu vertiefen und regen dazu an, Ahnungen, Gedanken
und Erlebnisse damit auf diesem Blog zu teilen.
Karl König macht folgende Zuordnungen: Gründonnerstag –
Titurel – Skythianos // Karfreitag – Trevrizent – Buddha // Ostersamstag –
Anfortas – Zarathustra // Ostersonntag – Parzival – Manes. Über die jeweils
letztgenannten Eingeweihten kann ich keine Aussagen machen, möchte sie aber,
der Vollständigkeit halber, nennen. König schreibt über sie, “...die vier, die
an jener Versammlung teilnahmen, die zur Offenbarung des Grals führte”.
Innerhalb der Grals-Geschichte nehmen sie dann die genannten Namen der
Gralsfamilie an.
Gründonnerstag und
Titurel
Gründonnerstag ist der erste Feiertag vor Ostern, der auch
der Weiße Donnerstag genannt wird, an dem still und leise geklagt wird. Er ist
der Vorbote des österlichen Geschehens, das am Karfreitag zum Drama wird.
Gründonnerstag ist der Tag des (unbewussten) Abschieds, an diesem Tag öffnet
sich die Tür für den letzten Gang. Titurel ist der erste Gralskönig auf Erden,
der den Gral hütet und beschützt. Titurel ist uralt, als Parzival ihn in der
Gralsburg bei seinem ersten Aufenthalt sieht.
König schreibt: “Titurel ist der Hüter der Urweisheit, er
ist derjenige, der das Grals-Schloss in 30 Jahren erbaut hat und der in diesem
Schloss die gesamte Urweltweisheit der Menschheit wie in einem Schrein
eingeschlossen hat. Titurel hat den Kelch vorbereitet.” Aber Titurel darf erst
dann sterben, die Erde verlassen, wenn ein würdiger Nachfolger als Hüter des
Grals gefunden ist. Titurel ist also ein Wartender, der darauf angewiesen ist,
dass sein Urenkel Parzival “die” Frage stellt und somit sein Erbe antritt, das
Sohn und Enkel nicht angemessen konnten.Titurel übt sich in Geduld.
Karfreitag und
Trevrizent
Aber Parzival weiß nicht, wer er ist und was er zu tun hat.
Am Karfreitag öffnet sich der Abgrund in zwei Richtungen. Auf der einen Seite
stirbt Jesus am Kreuz. Auf der anderen Seite hat Titurel die Gralsherrschaft
einst an seinen Sohn Frimutel abgegeben. Aber Frimutel ist zu früh verstorben
und so musste einer von Frimutels fünf Kindern: Trevrizent, Herzeloyde,
Schoysiane, Repanse de Schoye und Anfortas, die Gralsträgerschaft übernehmen.
Anfortas wurde erwählt. Da er jedoch dem Minne-Gebot des Grals nicht gefolgt
ist, ist er zum leidenden, siechenden, darniederliegenden König geworden, der
unendliche Schmerzen erträgt und sein Gralsamt nicht ausführen kann.
Sein Bruder Trevrizent hat sich daraufhin entschlossen, Buße
für ihn zu tun. Er hat sich in seine Klause zurückgezogen und lebt als Eremit
im Wald. Und es ist ein Karfreitag, an dem Parzival nach viereinhalb Jahren des
Umherirrens Trevrizent vor seiner Klause trifft. Trevrizent, der Wissende, “...ist
derjenige, der weiß, dass die Erde zum Leib Christi geworden war; dass das Blut
Christi die ganze Erde verwandelt hat” schreibt König. Trevrizent hat sein
Leben dem Gralsgeschehen geopfert und belehrt Parzival über das, was er nicht
weiß. Allerdings geht er nicht davon aus, dass Parzival Anfortas noch erlösen
kann.Trevrizent übt sich in Treue.
Ostersamstag und
Anfortas
Am Karsamstag oder am “Stillen Samstag”, wie es in Holland
heißt, bleibt das Weltgeschehen einen Augenblick lang stehen, bereit, dem Ende
entgegen zu gehen. Ostersamstag ist ein Tag der Einkehr vor der Wende, dem
Schnittpunkt zur Auferstehung. Der Abgrund hat sich geöffnet und scheidet die
christliche Welt von der nicht-christlichen. Wie weit reicht der Glaube, wird
das Wunder der Auferstehung geschehen? Anfortas leidet an seiner Verletzung,
aber er kann sein Amt nicht abgeben. Er hatte sich in den Minne-Dienst
Orgeluses begeben, die ihm nicht bestimmt war, auf dem Gral war noch kein Name
für Anfortas erschienen.
Der Schmerz ist unendlich, die Reue groß, aber nicht
rückgängig zu machen, das Leid kann nur von einem anderen erlöst werden, auch
Anfortas ist ein Wartender, Hoffender. Erst Parzival kann ihn erlösen. Anfortas
weiß “dass die Macht des Blutes in ihrer alten Form sterben muss, und dass
Krankheit und Tod die Erfahrungen sind, welche die Möglichkeit der Erneuerung
schaffen”, sagt König. Anfortas übt sich in der Reue.
Ostersonntag und
Parzival
Das Wunder geschieht, die Auferstehung findet statt –
Christus überwindet den Tod! - die Fastenzeit wird beendet. Der höchste
christliche Feiertag beginnt mit dem Friedenskuss. Die Menschen wenden sich
einander zu, der Tod ist besiegt. Das Osterlicht erleuchtet schon in den frühen
Morgenstunden die Welt, in die der Frieden einzieht. Parzival hat einen langen
Weg hinter sich. Zweifel, Schuld und Gram haben ihn begleitet. Aber auch die
Hinweise derjenigen, denen er begegnet ist.
“Parzival ist derjenige, der weiß, dass der Stein, der aus
Luzifers Krone fiel, das Ich des Menschen ist – und er versucht zu vollenden,
was Paulus gewusst hat: «Nicht ich, sondern der Christus in mir»“ schreibt König.
Parzival überwindet nicht den Tod, sondern den Zweifel, die Verwirrung, die
Unwissenheit. Parzival erringt sich sein Selbstverständnis aus der Erfahrung
seines Weges, indem er Anfortas erlöst, kommt er bei sich selber an (und Sigune
darf sterben) – er ist reif für die Krone, er ist geworden, was er werden
konnte. Parzival übt sich in der Liebe.
Er wird der neue Hüter des Grals. Anfortas gesundet
augenblicklich und zieht mit Feirefiz (der sich taufen lässt) und Repanse de
Schoye, der Gralsträgerin, in den Osten nach Indien. Trevrizent staunt still ob
des unbegreiflichen Geschehens und Titurel darf endlich, endlich sterben. König
schreibt über die Wirklichkeit des Grals: “...es ist etwas, das im unserem Blut
pulsiert und in unserem Herzen schlägt – zumindest wenn wir es wagen, Ostern
als eines der Mysterien der gesamten Menschheit zu erleben.”
In den anderen Vorträgen schildert König die inneren
Zusammenhänge zwischen Paulus und Parzival, die sich u.a. darin äußern, dass
der Vergangenheitsstrom mit dem Mittel der Erinnerung und der Zukunftsstrom mit
dem Mittel des Gewissens in Parzival aufeinandertreffen und ihn zu einem
Vorreiter des modernen Menschen machen, der im Zeitalter der Bewusstseinsseele
einen Weg zwischen Gut und Böse, zwischen Leben und Tod sucht und findet. Möge
sich langsam verwirklichen: “Denn sie wissen, was sie tun”. In den nächsten
Tagen wird nachzuspüren sein, was sich über die Ostertage diesbezüglich erahnen
lässt.
Alle Zitate entstammen dem 5. Vortrag: “Der Weg der Weisheit
durch die Geschichte”, 12. April 1962, S. 94-106, in: Karl König: Paulus und
der Gral. Der Weg des Gewissens. Verlag Freies Geistesleben, 2014.’
Ik besluit met een thema waar ik de vorige keer in ‘
Koningsdag’
op 26 april ook mee sloot: de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). En wel met dit
boek, op 29 april gemeld op de website van Verlag Freies Geistesleben, van
Markus Osterrieder,
‘Welt im Umbruch. Nationalitätenfrage, Ordnungspläne und Rudolf Steiners
Haltung im Ersten Weltkrieg’, ‘
Beschreibung’:
‘Nach 14-jähriger Forschungsarbeit vermittelt Osterrieder
hier ein umfassendes Verständnis des Ersten Weltkriegs. Es ergeben sich ganz
neue Zusammenhänge und Erkenntnisse zur Politik der beteiligten Kriegsmächte,
zu ihren Motiven und geheimen Zielen. Ergänzt durch die scharfsichtigen
Analysen Rudolf Steiners, zeigen sich die tieferen Ursachen des Ersten
Weltkriegs in ihren tragischen und weitreichenden Konsequenzen.
Zu Recht gilt der Erste Weltkrieg als Urkatastrophe des 20.
Jahrhunderts. In den Folgen der von ihm eingeleiteten Umbrüche lebt die
Menschheit noch heute. Rudolf Steiner verglich diese Zäsur mit dem Untergang
des Römischen Reiches; er wies darauf hin, dass durch den Krieg eine
vollständige Zertrümmerung der menschheitlichen Vorstellungen und aller Kultur
erfolgt sei, aber auch etwas ganz Neues seinen Anfang genommen habe. In der
internationalen historischen Debatte sind in den letzten Jahren wichtige
Neuinterpretationen erfolgt (etwa von Christopher Clark), die zeigen, dass die
Verantwortlichkeit für den Ausbruch des Krieges nicht ohne starke
Vereinfachungen und Verzerrungen auf ein einziges Land abgewälzt werden kann.
Rudolf Steiner konstatierte bereits als Zeitgenosse ein viel umfassenderes
Ursachengeflecht: von spirituellem und politischem Imperialismus über die Krisen
im wissenschaftlichen Weltbild, die vorherrschende Wirtschaftsideologie, die
ungelösten sozialen und nationalen Fragen bis hin zur grassierenden
Neurasthenie, der Bewusstseinstrübung führender Persönlichkeiten, aber auch
geistige Schicksalsfragen.
Zwei Themenbereiche werden anhand der Haltung Rudolf
Steiners besonders erörtert: das ungelöste mitteleuropäische
Nationalitätenproblem sowie die Weltordnungsvorstellungen, die z.T.
kriegsauslösend waren oder erst während des Weltkriegs heraufzogen: Wie sollte die
nächste Zukunft nicht nur der europäischen Menschheit gestaltet werden? In
diesem Buch erschließen sich viele Hintergrundmotive der einzelnen Weltmächte,
und es entsteht ein detailliertes Gesamtbild dieser dramatischen Zeit des
Umbruchs.
► LESEPROBE:
(29.04.2014)
Produktinformation
ISBN-13: 978-3-7725-2600-8
Erscheinungsjahr: 2014
Auflage: 1
Extras: mit Schutzumschlag / mit 32-seitigem Bildteil
Einband: Gebunden
Seiten: 1754
Verlag: Freies
Geistesleben
Inhaltsverzeichnis
1. Die
Nationalitätenfrage in Mitteleuropa:
Vielvölkertum und Heimatlosigkeit
Von der Humanität zur Nationalität
Der Völkerfrühling
in der Habsburgermonarchie
Im politischen Untergrund
Der Weg nach Sarajevo
Allianzen auf dem Weg in den Krieg
2. Das Ringen um eine Neue
Weltordnung:
The English-speaking Idea
Das Ringen um Mitteleuropa
Rudolf Steiner zum Kriegsausbruch
Die Revolutionierung der Nationalitäten
Das Jahr 1917 und der Beginn der bipolaren Weltordnung
Der unvollendete Umbruch
Schluss:
Der Ruf nach der versunkenen Mitte.’
En vooral die ‘Leseprobe’ (ter plekke op de website in te zien) is natuurlijk uiterst interessant!
En de prijs? Die is € 79.
.