Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

dinsdag 30 september 2008

Crisis

Onder het Poortgebouw doorgegaan, kijken we nu rechtdoor, over de Binnenhavenbrug. In de verte, helemaal aan het eind, zien we al een glimp van het Bruggebouw van Unilever.

Op 12 juni 2008 schreef ik over Duurzaamheid en haalde Peter Blom aan, CEO van Triodos Bank, die een interview aan NRC Handelsblad had gegeven. ‘Triodos Bank heeft geen last gehad van de onrust op de financiële markten, want de bank belegt niet in ondoorzichtige financiële producten,’ zo stond er te lezen. Dat interview, met de titel ‘Wij beleggen niet in schaarste’, is tegenwoordig trouwens op de website van Triodos Bank te vinden. Blom pleitte daarin onder meer voor het stimuleren van duurzaamheid door het belonen van lange-termijnbeleggers.

Vandaag de dag, met de huidige, ongekende mondiale financiële crisis, komen zijn uitspraken weer terug, bijvoorbeeld in een artikel van economieredacteur Han Koch in Trouw. In ‘Keerpunt in denken over belonen?’ schrijft deze:

‘De crisis die de banken treft, leidt bijna onherroepelijk tot een nieuw inzicht over beloning, risico en de waarde van het ondernemen. Is dit het einde van hoge salarissen en de enorme bonussen?’
Hij eindigt zijn artikel met:

‘De gemeenschappelijke noemer in deze reacties op de crisis is dat de wijze waarop de bancaire sector was opgetuigd en van stimulerende prikkels is voorzien, niet duurzaam is gebleken.

Peter Blom, topman van de Nederlandse Triodosbank verweet in augustus, dus voor de chaos van Wall Street, dat bij de bankensector winst-maximalisatie de boventoon is gaan voeren. En dat terwijl maximalisering van de duurzaamheid de hoogste prioriteit van de economie dient te zijn. De meer dan honderdduizend werknemers van banken die afgelopen jaar hun banen zijn kwijtgeraakt zullen dat met terugwerkende kracht met Blom eens zijn.’

Al bijna anderhalf jaar geleden sprak Hidde van den Brink van ‘Vrij Nederland’ met Peter Blom over hetzelfde thema, destijds naar aanleiding van de verkoop van ABN Amro: ‘Triodos heeft zich, anders dan ABN Amro, beschermd tegen te veel invloed van de aandeelhouders.’ Peter Blom legde daarin uit:

‘Onze waarden zijn niet te koop. Toen wij het bord “niet te koop” hier in de tuin van het hoofdkantoor zetten, om de uitgifte van onze aandelencertificaten onder de aandacht te brengen, was de kwestie ABN Amro nog helemaal niet aan de orde. De eerste tekst die we hadden was gewoon “te koop”, om klanten te informeren. Toen zaten we bij elkaar en dachten: dat is nou juist wat we niet willen overbrengen: je kunt wel participeren in het eigen vermogen van een bank met een bepaalde doelstelling, maar onze waarden zijn niet te koop. Zo kwamen we op “niet te koop”. Nu blijkt dat opeens heel actueel. Door de verkoop van ABN Amro is de principiële onderlaag meteen duidelijk. Dat is een gelukkig toeval.

De vraag die nu wordt opgeworpen, is: is een onderneming een verhandelbaar goed, of heeft die een eigen identiteit die niet overdraagbaar is. Ik denk het laatste. Juridisch gezien is het volkomen duidelijk: ABN Amro is een beursgenoteerd bedrijf en kan dus verkocht worden. Dat is het systeem dat we met zijn allen hebben gecreëerd. Maar je ziet dat klanten en werknemers, die in dit spel weinig in de melk te brokkelen hebben, daar nu vraagtekens bij plaatsen.

Wij geven daarom ook geen aandelen uit, maar certificaten van aandelen. Dat betekent dat het deel van het aandeel waarmee je eigenaarsrechten kunt uitoefenen, het stemrecht, is ondergebracht in een stichting. Het bestuur van die stichting is onafhankelijk en benoemd door de certificaathouders. Het is er volgens de statuten aan gehouden niet alleen te kijken naar de belangen van de certificaathouders, maar ook die van de onderneming, en naar de missie van de onderneming. Dat betekent in ons geval dat de sociale en milieubelangen niet ondergeschikt zijn aan het maken van winst, maar nevengeschikt. Dat is een volstrekt andere uitgangspositie dan het maximaliseren van de winst van de aandeelhouders. Je moet het systeem dus echt heel anders inrichten, wil je niet het soort vreemde toestanden krijgen als nu bij ABN Amro. Je ziet dat die omslag in denken in de financiële wereld ook steeds vaker wordt gemaakt.’

En over de onontkoombaarheid van een beursgang zei hij destijds:

‘De vraag is of een echt duurzame onderneming wel kan functioneren in een beurssetting met anonieme aandeelhouders die van alles kunnen bedenken. Maar er is voor een groot bedrijf eigenlijk geen alternatief, dus ik wil daar ook niet te hard over oordelen. In het ideale geval moet je kunnen zeggen: de strategie is de verantwoordelijkheid van de onderneming. Als u het daarmee niet eens bent, dan kunt u gaan als aandeelhouder. Dan kom je uit bij duurzaam aandeelhouderschap, waarbij je je richt op een periode van tien, twintig jaar en een idee hebt van waar je met de economie, met de samenleving naar toe wilt. Je hebt aandeelhouders nodig die daarin stappen, die weten dat ze hun doelen niet een, twee, drie realiseren. Mijn indruk is dat ondernemers die stap vaak wel willen zetten, maar dat de aandeelhouders achterblijven.’

maandag 29 september 2008

Jubileum

Vandaag is het een bijzondere dag voor de Geert Groote School, de vrijeschool in Amsterdam. De hele septembermaand is feestmaand vanwege het 75-jarig bestaan. ‘In 1933 opende de Geert Groote School/College voor zeven leerlingen haar deuren. Anno 2008 verwelkomen we bijna 1100 leerlingen op een van onze vier locaties.’ Zaterdag 13 september was er een reünie voor oudleerlingen, maandag 15 september hadden de klassen 7 tot en met 11 een sportdag in het Olympisch Stadion, en van dinsdag 23 tot en met zaterdag 27 september werd ‘Die Zauberflöte’, de opera van Wolfgang Amadeus Mozart, vier keer uitgevoerd door leerlingen en leraren van de bovenbouw in de eigen theaterzaal van de school.

En dan is er vandaag, precies op de feestdag van de aartsengel Michaël, een grootse afsluiting met een symposium over ‘De rechten van het kind op goed onderwijs’ in het Muziekgebouw aan het IJ, voorgezeten door Yoeri Albrecht, die we twee maanden geleden ook al tegenkwamen bij het pedagogische congres van de Iona Stichting. Hierbij zal het eerste exemplaar van het nieuwe boek van Marcel Seelen, ‘Geert Groote en het onderwijs, spiritualiteit van de werkvloer’, na afloop van het debat in ontvangst worden genomen door Leo Prick, jarenlang onderwijscolumnist van NRC Handelsblad en auteur van ‘Drammen, dreigen draaien. Hoe het onderwijs twintig jaar lang vernieuwd werd’. Marcel Seelen is leraar aan het Geert Groote College en bekend als auteur van ‘Mijn lot heeft vlam gevat. Droom en daad van de Vrije School’. Maar ook bekend als ‘enfant terrible’ binnnen de vrijeschool- en ook wel antroposofische beweging vanwege zijn omstreden opvattingen, hoewel hij intussen geen ‘enfant’ en ook geen jong broekie meer is (zo heeft Paul Heldens hem, bijvoorbeeld in zijn hoedanigheid als columnist voor het tijdschrift Vrije Opvoedkunst eind jaren negentig, begin eerste decennium van de 21e eeuw, aardig wat keren op de korrel genomen).

Op de website van de Geert Groote School is een tekst over ‘de visie en missie van de vrije school’ te vinden, die zeer waarschijnlijk door Marcel Seelen geschreven is, met als bovenliggende vraag: ‘Wat wil de vrije school?’

‘Over die vraag sprak ook Rudolf Steiner in 1922 in Oxford. De eerste vrije school was in 1919 opgericht in Stuttgart en het succes was overrompelend. Vanaf dat moment zoemde Steiners naam door West Europa als veelbelovend onderwijsvernieuwer. Hij werd in 1922 uitgenodigd in Oxford waar een wetenschappelijk congres werd gehouden. In twaalf voordrachten ontvouwde hij zijn visie op wereld, de taak van de mens en de opdracht van de vrije school. Rudolf Steiner hield vanaf 1919 ongeveer 180 voordrachten over de vrije schoolpedagogiek, maar de Oxfordcyclus heeft een bijzondere status, omdat hij hier enthousiasmerend sprak voor buitenstaanders, die niet vertrouwd waren met het antroposofisch jargon.’

Op de uitgebreide website van de Geert Groote School is ook te lezen over de historie van de school en de herkomst van de naam ‘Geert Groote School’. Mark Mastenbroek, een andere leraar aan de school, beschrijft dit uitvoerig. Eerst hoe hij aan zijn informatie is gekomen:

‘In 1983 werd mij gevraagd om ter gelegenheid van het vijftigjarig jubileum van de Geert Groote School een stukje te schrijven. Als leraar en oudleerling werd ik geacht de biografie van de school goed te kennen. Maar van de jaren vóór 1953, toen ik als leerling werd ingeschreven, wist ik vrijwel niets. Daarom besloot ik een oudleraar te interviewen: Jan Baggerman, van wie ik nog Engels en godsdienstles had gekregen in de onderbouw. Ik koos hem, omdat hij een lange staat van dienst aan mijn oude school had vervuld, maar ook omdat hij me dierbaar was. De verhalen die hij kon vertellen waren adembenemend, niet alleen vanwege de spanning die hij wist op te roepen, maar ook omdat hij in mijn ogen een soort morele integriteit uitstraalde.

Jan Baggerman woonde, inmiddels gepensioneerd, in een landelijk gehucht in het Oosten des lands. De conflicten die eind jaren zestig binnen het lerarencollege van de Geert Groote School een crisis hadden veroorzaakt, hadden bij hem wonden geslagen die duidelijk nog niet waren geheeld. Hij ontving mij als jonge, enthousiaste leraar aan die met historie beladen school, dan ook met enige reserve.’

Het verhaal is nogal uitvoerig, maar wel erg mooi. Het laat veel zien van wat in de praktijk tot het wezen van een vrijeschool behoort. Dus hier komen enkele fragmenten:

‘De school begon met zeven leerlingen, die voor het merendeel uit twee kleine vrije peuterklasjes kwamen, die eerder uit particulier initiatief waren ontstaan en die ook aan huis resideerden. Eén op de Parnassusweg vlakbij de Stadionkade waar de stad abrupt ophield en het weiland begon, en één in de Deltastraat onder de wolkenkrabber die, amper voltooid, met liefst twaalf verdiepingen Nieuw-Zuid domineerde. Deze kleuterklasjes waren de oogst van een aantal lezingen. Een zekere Max Stibbe, leraar aan de Vrije School te Den Haag, had in 1929 voor geïnteresseerde ouders te Amsterdam voordrachten gehouden over het vrijeschoolonderwijs. (...)

Hij was degene die de naam Geert Groote School bedacht. Omdat hij in die tijd veel over Geert Groote en diens Broederschap des Gemeenen Levens publiceerde. Voorheen heette het de Nieuwe School der Amsterdamsche Vereeniging voor Vrije Opvoedkunst. Stibbe zag in het streven van Geert Groote elementen, die in moderne vorm ook in de antroposofie te vinden zijn. Bovendien had Rudolf Steiner, toen hij lezingen hield in Nederland, gewezen op het belang van Geert Groote voor de geschiedenis van het onderwijs.
Ieder jaar kwam er een nieuwe klas en dus een nieuwe leraar bij. Mevrouw Talsma, Carel van der Willigen, Jan Baggerman, Ans Hezemans en Cees van der Linden waren al voor de tweede wereldoorlog bij de gestaag groeiende school betrokken. Het was een klein groepje dat hevig pionierde, gedreven door een sterk levend ideaal waarvoor men ook bereid was veel te offeren. Enkelen waren oud-leerlingen van de vrijeschool te Den Haag en hadden enige ervaring. Maar het overheersende gevoel uit die jaren was toch dat ieder voor zich ontdekkingen deed, ingroeide, op een klein eilandje. De maatschappij stond niet bepaald te springen om een nieuwe vorm van onderwijs. Subsidie was ondenkbaar. (...)

Max Stibbe kwam steeds op dinsdagochtenden uit Den Haag om in de klassen te kijken. ’s Middags was er dan een soort studiebijeenkomst waarbij een voordracht van Rudolf Steiner werd gelezen en besproken. ‘s Avonds at hij bij de familie Bienfait, een van de oprichters en weldoeners van de school. Daarna was op school de pedagogische vergadering. Op dinsdagavond. Een uniek feit in het leven van de vrijeschoolbeweging, omdat Max Stibbe op de traditionele donderdagavond in zijn thuisbasis te Den Haag de pedagogische vergadering moest bijwonen.

Op grond van wat Stibbe ’s ochtends in de klassen had gezien en na gesprekken bij de Bienfaits, sprak hij die avond de vergadering toe. Hij was een krachtige, cholerische persoonlijkheid en het kleine groepje leraren, soms aangevuld met belangstellende ouders, kreeg zo nu en dan een ware donderspeech. Een enkele maal waren er echter ook wel lovende woorden. (...)

Verschillende oud-leraren spreken het gevoel uit dat de school met het betrekken van het eerste eigen schoolgebouw, een ietwat afwerend bakstenen pand in de stijl van de Versoberde Amsterdamse School aan het Hygiëaplein, pas echt begon. Vanaf die tijd, 1947, zijn ook hun herinneringen directer, kleurrijker en preciezer. Het leek wel, al vragend en interviewend, alsof de daaraan voorafgaande tijd achter een onbestemde sluier verborgen ging, nooit helemaal concreet werd, moeilijk tot beeldrijke voorstellingen te maken viel. Misschien kwam dat wel doordat de school nu een eigen gebouw bezat, waardoor ook in de beleving van de betrokkenen de school als zelfstandige eenheid geboren werd, haar eigen belichaming kreeg. Men was niet langer de anonieme gast, werd niet gedoogd of op de vinger gekeken. (...)

Het college groeide uit tot een solide groep erudiete mensen. Dick van Romunde gaf een topbaan bij Werkspoor op om les te kunnen geven aan de bovenbouw. Walter Soesman, Hermien Cox, Erna Landweer, Henk Sweers – om enkele namen te noemen – vulden de bestaande kern aan. Het werd een echte Vrije School waar kracht van uitging. In de jaren vijftig omvatte de school 10 klassen. Ik weet nog goed hoe voor mij als derdeklasser, klas tien als een onbereikbaar hooggestemd gezelschap in een hemelsblauw lokaal huisde. Alle lokalen hadden toen hun eigen kleur, afgestemd op de leeftijdsfase, dus ieder jaar schoof je een lokaal en een kleur op. Vanaf 1961 trok men de opleiding door tot en met klas 13.

Aan de inrichting van een bovenbouw was in 1948 de beslissing vooraf gegaan dat de school, tot dat moment geheel vrij van staatsbemoeienis, subsidie ging aanvragen. Voor de lagere school en voor een Mulo-opleiding werd die status ook verkregen. Het HBS-b-examen in klas 13 was dus noodgedwongen een staatsexamen en werd uit eigen middelen bekostigd. De beslissing om subsidie binnen te halen was zwaarwegend, omdat de school aldus toch een stuk vrijheid van inrichting prijsgaf. Er waren lange, diepgravende discussies aan voorafgegaan. Enkele collega’s vonden het ontvangen van subsidie in wezen onjuist, omdat dit het aspect Vrijheid (de hoeksteen van het gelijknamige woord in de naam vrijeschool) onmogelijk maakte. Eigenlijk was de Geert Groote volgens deze collega’s na 1948 geen echte vrijeschool meer. Maar vooral Cees van der Linden zette dóór. Met de subsidie haalde men toezicht vanuit de inspectie binnen en moest aan wettelijke kaders worden voldaan. Hoe vertaal je een leerplan van een 10e klas in Mulo-termen? Wel leverde de subsidiëring de school wat meer financiële armslag, hoewel veel leraren toch echt op een bestaansminimum bleven; de subsidie dekte lang niet alles.

Ook voor leerlingen was het evident dat de groep leerkrachten dagelijks veel comfort en persoonlijke armslag inleverde. Daar stond een geweldige bevlogenheid voor het ideaal tegenover. Het indringende portret van Rudolf Steiner in de hal onderstreepte het belang van de zaak. Tijdens de dag waarop ik werd aangenomen, werd ik door de leraar die mij ontving - Walter Soesman - persoonlijk naar dat portret gevoerd. ‘Kijk Mark, dat is nu Rudolf Steiner, de grondlegger van onze school. Misschien komt er eens een dag waarop ook jij je met hem en zijn werk zult willen verbinden.’ Je wist als leerling dus heel goed, welk een uitzonderlijke positie deze vorm van onderwijs binnen het maatschappelijk bestel van die jaren innam. In zekere zin voelde je jezelf als leerling daardoor medebetrokkene, zelfs een beetje medepionier. Tegelijkertijd moet tot eer van de toenmalige school gezegd worden, dat wij als leerlingen nooit het gevoel hebben gekregen dat wij ons toch eigenlijk tot de antroposofie zouden moeten bekennen.

In dat licht is het des te tragischer dat in de jaren zestig binnen het lerarencollege spanningen begonnen op te treden, die rond 1968 uitgroeiden tot een onoplosbaar conflict dat diepe wonden heeft geslagen. Veel leraren verlieten de school, enkelen groeven zich in. Over dat conflict is veel nagepraat. Natuurlijk speelden in de eerste plaats verschillen van inzicht in het vormgeven van een vrijeschool een rol. Maar daarnaast was er ook sprake van wat in het Frans zo fraai incompatabilité des humeurs wordt genoemd. Persoonlijke tegenstellingen die in de loop der jaren onverzoenlijk bleken. Bovendien hadden alle leraren van enig gewicht binnen deze school enorm veel geïnvesteerd. Er was eindeloos veel liefde en energie in de school gestoken, men had zich in vergelijking met andere beroepssituaties ook erg veel ontzegd aan comfort; aan de gewone alledaagse geneugten des levens kwam men nauwelijks toe. En dat jaar in, jaar uit. Zoiets wreekt zich. (...)

De vier jaren in de Ruysdaelstraat zijn de meest roerige en hachelijke uit de latere biografie van de school geweest. Het oude college vertrok, een nieuw en zeer jong team nam het vaandel over. Wouter de Gans, Hugo Pronk, Christine Cornelius, Ton Mensenkamp en ondergetekende vormden daar de kern van. Peter Landweer, Claar Wijnbergh en Luc Altink waren al wat eerder in de school actief, Jan Sint, Ansje Vogel en Maarten Ploeger kwamen er een jaar of wat later bij. Van de oude garde bleven Henk Sweers, Tiny Veenhof, Henriët de Boer en Cees van der Linden op hun post. Als enigen van hun generatiegenoten. Veel leraren kwamen, redden het niet en gingen weer, soms al na een paar maanden. Soms letterlijk met een losgerukte deurkruk van het lokaal in de hand. (...)

Persoonlijke ontwikkeling ten dienste van de school werd als belangrijker ervaren dan het inzetten van parate expertise. Dit alles natuurlijk geheel passend in de geest van de jaren zeventig. We waren allemaal heftig aan het pionieren en verder natuurlijk vooral onervaren. Je kreeg als jonge leraar binnen een dergelijke opzet natuurlijk onvermoede kansen. Wie iets wilde kon dat ook vrijwel altijd realiseren. Tegelijkertijd waren velen van ons op zijn minst een béétje gelijkhebberig. Wij zouden de wereld wel eens even laten zien hoe antroposofie in de praktijk op moderne wijze gepraktiseerd moest worden. Diverse zusterscholen in den lande keken met enige zorg naar de spurt die in Amsterdam werd ingezet. Wás dat nog wel een vrije school?’

zondag 28 september 2008

Hogeschool Helicon

Het Poortgebouw uit 1879 van J.S.C. van der Wall werd oorspronkelijk ontworpen als hoofdgebouw van de Rotterdamsche Handelsvereeniging. Maar het kende veel verschillende gebruikers: 1880-1901 de Holland-Amerika Lijn, 1889-1950 de Rotterdamse afdeling van het KNMI, en tot 1978 het Gemeentelijk Havenbedrijf. In 1980 kreeg het een woonbestemming. Aanvankelijk waren er twee poortgebouwen gepland, aan weerszijden van de brug over de Binnenhaven, om te dienen als windscherm voor passerende schepen. Het tweede Poortgebouw verrees echter pas veel later en werd al in 1937 gesloopt in verband met de vervanging van de basculebrug.

Op dit weblog is Hogeschool Helicon er tot nu toe erg bekaaid vanaf gekomen. Op 12 juli heb ik een overzichtje gegeven van wat er hier over ‘Academies, hogescholen, universiteiten’ is te vinden. De oogst wat Helicon betreft is nogal dun. Tijd om daar verandering in aan te brengen. En wat kan daar beter toe dienen, behalve het raadplegen van de website, dan het meest recente jaarverslag door te nemen?

‘Hogeschool Helicon is ontstaan in september 1995 uit een fusie tussen de Vrije Pedagogische Akademie te Zeist en de Akademie voor Eurythmie te Den Haag. In 1998 is ook de Vrije Muziek-Akademie te Zeist met Hogeschool Helicon gefuseerd.’

Dit staat op de website te lezen. In het jaarverslag over 2007, gedateerd op juni 2008, wordt op bladzijde 5 nader omschreven wat Hogeschool Helicon inhoudt:

‘Hogeschool Helicon is met ca. 340 studenten de kleinste zelfstandige hogeschool van Nederland. Zij bestaat uit drie opleidingen, de Bacheloropleiding leraar basisonderwijs vrijescholen met ca. 245 studenten, de Masteropleiding SEN met ca. 20 studenten, de Opleiding docent muziek met ca. 10 studenten en de Opleiding docent dans/euritmie met ca. 65 studenten.

Hogeschool Helicon neemt een unieke plaats in binnen het Nederlandse hoger onderwijs. Hogeschool Helicon wil vanuit een geesteswetenschappelijk georiënteerde missie een vernieuwende cultuurimpuls geven. Hogeschool Helicon staat open voor allen die belang stellen in deze missie.’

Dit wordt ook al op de website duidelijk gemaakt. Daar is een pagina gewijd aan de vraag: ‘Wat is onderwijs vanuit antroposofie?’ Het antwoord begint als volgt:

‘De visie van de Bacheloropleiding Leraar basisonderwijs van Hogeschool Helicon op het beroep van de leraar basisonderwijs en op opleiden is geïnspireerd door geesteswetenschappelijke, antroposofische uitgangspunten. Die inspiratie heeft geleid tot het beroepsbeeld van het leraarschap in basisonderwijs, onderverdeeld in de volgende componenten:

1 grondhoudingen van de leraar basisonderwijs;
2 de ontwikkelingsgerichte kernkwaliteiten van de leraar basisonderwijs;
3 de belangrijkste rollen van de leraar basisonderwijs;
4 specialisatie naar drie leeftijdsgroepen.’

In het beroepsbeeld worden acht bekwaamheden onderscheiden:

‘1 Kunstzinnig onderwijzen en begeleiden.
2 Inter-persoonlijk handelen.
3 Spiritueel-menskundig pedagogisch handelen.
4 Vakinhoudelijk en vakdidactisch ontwerpen en handelen.
5 Organisatorisch handelen.
6 Sociaalcommunicatief handelen in de schoolgemeenschap.
7 Sociaalcommunicatief handelen met de schoolomgeving.
8 Zelfontwikkeling.’

En binnen deze acht bekwaamheden weer vier kernkwaliteiten:

‘1 Open en onderzoekend.
2 Doelgericht en flexibel.
3 Inspirerend en helend.
4 Tegenwoordigheid van geest.’

(We kunnen hiervoor trouwens ook terecht bij het beroepsbeeld, waarin uitvoeriger wordt beschreven wat dit allemaal inhoudt, en dat als een apart pdf-document op de website staat.)

Dat is natuurlijk mooi, zulke rijtjes. Maar wat houden ze in de praktijk in? Daarvoor kunnen we teruggrijpen naar het jaarverslag. Het volgende staat behalve in het jaarverslag (bij de ‘Terugblik’ op bladzijde 5) ook op de website:

‘In 2007 heeft het College van Bestuur na intensief overleg met de Raad van Toezicht het besluit genomen de kleinste opleiding Odm [opleiding docent muziek, MG] vooralsnog te laten voortbestaan. Dat kon slechts met een kwaliteitsimpuls in de vorm van het aantrekken van nieuwe medewerkers en intensieve externe begeleiding bij de voorbereiding van de accreditatieaanvraag. Ook bij de andere opleidingen werd verder gewerkt aan verbetering van kwaliteit en transparantie, mede in het licht van de visitaties die in 2008 bij de drie opleidingen plaatsvinden. De hogeschool werkte in 2007 verder aan de mogelijkheden van huisvesting voor de Lerarenopleiding basisonderwijs in Amersfoort samen met 2 andere onderwijsinstellingen. De verwachting is dat dit in 2010 gerealiseerd kan worden. Dat betekent een grote verandering voor de Lerarenopleiding basisonderwijs na langjarige huisvesting in Zeist. De verticale verantwoording in het kader van de Governance kreeg een kwaliteitsimpuls door het toetreden van 4 nieuwe leden tot de Raad van Toezicht.’

In de ‘Vooruitblik’ op de bladzijden 5 en 6 in het jaarverslag worden deze ontwikkelingen nader omschreven:

‘Het jaar 2008 is voor de hogeschool een belangrijk jaar. De drie opleidingen worden in dit jaar gevisiteerd door de NQA en moeten hun aanvraag voor de vernieuwing van de accreditatie bij de NVAO indienen. In 2009 zal de NVAO uitspraak doen. De verwachting is dat de uitkomst van de visitaties positief zal zijn en dat de NVAO een positief besluit zal nemen.

De hogeschool is ervan overtuigd dat een intensieve samenwerking tussen de twee kunstvakopleidingen, de Opleiding docent dans/euritmie en de Opleiding docent muziek en gezamenlijke huisvesting hiervan, zal leiden tot een kwaliteitsvermeerdering en groei van beide opleidingen. In 2008 zal deze verhuizing verder worden voorbereid.

Het College van Bestuur zet het beleid “zelfstandig verder” voort. Het zal het beleid hiervoor in 2008 nader uitwerken. Wel is duidelijk dat dit beleid extra kosten met zich mee zal brengen, mede door de noodzaak om extra personeel aan te trekken.

Het College van Bestuur is zich ervan bewust dat de financiële prognoses voor de komende jaren ongunstig zijn. In tegenstelling tot de uitgesproken verwachting in het jaarverslag van 2006 laat de begroting voor 2008 voor het eerst sinds jaren een tekort zien van € 120.163. Dit tekort wordt vooral veroorzaakt door de hoge kosten van de externe ondersteuning t.b.v. de accreditatie en het oplopende tekort bij de Odm.

Ook voor 2009 wordt een tekort verwacht, omdat dan naast de doorlopende uitgaven van de Odm ook de extra kosten voor het beleid “zelfstandig verder” op de begroting zullen drukken. Het College van Bestuur verwacht dat in de jaren daarna het beleid weer tot positieve financiële resultaten zal leiden.’

In het gedeelte over ‘Visie’ wordt teruggekomen op het thema ‘antroposofisch onderwijs’:

‘Hogeschool Helicon werkt vanuit een open en kritischonderzoekende houding. Antroposofie is geen “leer” in de gebruikelijke zin, maar een geesteswetenschappelijke onderzoeksmethode die steunt op een (bepaald) kentheoretisch fundament. Kennis- en cultuuroverdracht staan voor Hogeschool Helicon hoog in het vaandel, vanuit de visie dat leerstof die getransformeerd is tot ontwikkelingstof levende, morele impulsen in de jonge mens kan wekken. De medewerkers stimuleren deze open en kritische houding bij de studenten door die houding vóór te leven en door hen in studieonderdelen uit te nodigen zélf op onderzoek uit te gaan.’

Vervolgens wordt als ‘Beleid’ omschreven:

‘Het beleid van Hogeschool Helicon is in al zijn aspecten bewust gefundeerd op het antroposofische mensbeeld. Dit spirituele uitgangspunt dient als inspiratiebron en richtsnoer voor het maatschappelijke functioneren van de hogeschool. Hogeschool Helicon combineert deze interne bezinning met een onbevangen blik naar buiten, gericht op het opbouwen van nieuwe contacten en het verwerven van nieuwe inzichten. Daarmee wil de hogeschool een duidelijk beeld krijgen van die ontwikkelingen in onderwijs en samenleving, die voor haar educatief beleid en de ontwikkeling van haar curricula relevant zijn. De kwaliteitseisen van collega’s uit vakgebieden in binnen- en buitenland vormen hierbij belangrijke uitgangspunten.’

Nou, dat is tenminste duidelijk. Er wordt niet omheen gedraaid en er worden er geen doekjes om gewonden. Dat het echter niet eenvoudig is dit in de praktijk te brengen, blijkt uit het verslag van de Medezeggenschapsraad. Die heeft een aantal kritische noten te kraken. Deze MR bestond in 2007 uit ‘3 studenten en 4 medewerkers van Hogeschool Helicon’. Onder ‘Jaarlijks terugkerende zaken’ schrijven zij op bladzijde 8:

‘Jaarrekening en jaarverslag 2006 – De verslagen zijn pas achteraf, na verzending aan belanghebbenden aan de MR voorgelegd. De MR heeft adviezen uitgebracht over het jaarverslag en verzocht om in de toekomst tijdig en tijdens het proces van totstandkoming geïnformeerd te worden.
Begroting 2007 – De MR heeft de ingediende begroting niet kunnen accorderen vanwege het ontbreken van de resultaten van de Odd/e [opleiding docent dans en docent muziek, MG]. De begroting is toegelicht in een bijeenkomst van de MR met het CvB [College van Bestuur, MG].’

En onder de titel ‘Eenmalige zaken’ schrijven zij:

‘Raad van Toezicht – De personeelsleden hebben kennisgemaakt met de nieuwe leden van de Raad van Toezicht en hebben hun vertrouwen in hen uitgesproken met als toevoeging het advies aan het CvB om er voor te zorgen dat minstens één lid van de Raad een antroposofische achtergrond heeft.’

Het is natuurlijk een beetje flauw om hier alleen de kritische noten weer te geven. De MR is niet over alles ontevreden. Maar wel over dit (op bladzijde 9):

‘Het CvB heeft een nieuwe directeur voor de Opleiding docent muziek benoemd zonder dat daar een heldere procedure aan vooraf is gegaan. De Raad heeft het CvB daarover bevraagd.’

En ook bij de Opleiding docent muziek liep het merkwaardig:

‘Het CvB heeft eind mei een besluit genomen de Odm te beëindigen. Na die datum is de Raad om advies gevraagd. De Raad heeft vastgesteld dat er te weinig ondubbelzinnige informatie voorhanden was op basis waarvan zij een beargumenteerd advies zou kunnen uitbrengen. De Raad heeft gevraagd om de tijd te nemen voor een procedure waarbij beslissingen genomen konden worden op basis van alle noodzakelijke relevante informatie. Bovendien heeft ze gevraagd om heldere criteria waaraan de beslissing getoetst kon worden. De Raad heeft ook de RvT van haar standpunt op de hoogte gebracht. Het CvB heeft eind juni het voorgenomen besluit om de Odm op te heffen opgeschort en heeft voor intrekking daar een tweetal voorwaarden aan verbonden. Aan deze beide voorwaarden werd voldaan en daarmee is het besluit tot beëindiging van de Opleiding docent muziek ingetrokken.’

Zo kan dat dus gaan. In ieder geval staat het allemaal open en bloot vermeld in het jaarverslag, dat is al heel wat. Maar begrijpelijk wordt dan wel wat het College van Bestuur, bij monde van voorzitter Chris Wissenburg, helemaal aan het begin van het jaarverslag schrijft:

‘De drie opleidingen van de hogeschool hebben een enorme prestatie geleverd om hun kwaliteit te vermeerderen en transparant te maken. Op die gronden zie ik de kwaliteitstoets van NQA en NVAO in 2008 met vertrouwen tegemoet.
Ik ben trots op Hogeschool Helicon en heb alle waardering voor het enthousiasme en de betrokkenheid, waarmee alle medewerkers van Hogeschool Helicon hun bijdrage leveren. Zij zijn de voorwaarde tot succesvol voortbestaan van deze unieke hogeschool.’

En ook niet belangrijk is het oordeel van de ‘Keuzegids Hoger Onderwijs’ (op bladzijde 19):

‘Voor de derde keer op rij kiezen studenten de Pabo van Hogeschool Helicon tot de beste van Nederland. Hogeschool Helicon in Zeist steekt ook in 2007 weer fors uit boven de rest en scoort hoog voor alle facetten.
Dit heeft alles te maken met de bijzondere kwaliteit van Hogeschool Helicon, een kleine organisatie waar de menselijke maat voorop staat.’

Als laatste wil ik nog twee heel praktische zaken vermelden. Ze staan op bladzijde 7. De eerste gaat over ‘Nieuw beleid voor Hogeschool Helicon’:

‘Aan het einde van het verslagjaar is met het CvB afgesproken om begin 2008 een speciale conferentie te gaan beleggen over de toekomst van de hogeschool. Dit in het bijzonder gezien de teruglopende studentenaantallen en de noodzaak van het op termijn aantrekken van nieuw management.’

En de tweede over ‘Panden Riouwstraat’:

‘De Raad stemde in met het doen van een hernieuwde onderhandelingspoging door het CvB wat betreft het in eigen beheer krijgen van de onderwijspanden Riouwstraat 1 en 3 in Den Haag.’

zaterdag 27 september 2008

Toegevoegde waarde

Meteen na de ‘derde dinsdag in september’ kon een kind op zijn vingers natellen dat hier herrie van zou komen: het plan van de staatssecretaris van Financiën om complementaire behandelvormen nu toch met 19% btw te gaan belasten. In mijn bericht hierover met de titel ‘Herrie’ haalde ik de weblog van Aertjan Grotenhuis op de website van NRC Handelsblad aan. Zijn bijdrage ‘Alternatieve artsen moeten toch btw betalen’ had toen vier reacties gekregen. Inmiddels zijn dit er al 25 geworden. De vijfde reactie, van Xavier Beijering, is bepaald humoristisch, maar maakt wel duidelijk waar het probleem zit. In de achttiende reactie op de daarop volgende donderdagmiddag, van Ed Brink, worden de argumenten tegen elkaar afgewogen:

‘De huidige regering zegt aandacht voor het milieu en ecologie te hebben. Ze wil zelfs de belastingen vergroenen. Als de regering dit echt wil dan vraagt dit juist een stimulering van de complementaire geneesmethoden. Bij deze methoden staat het milieu en energiehuishouding van de patiënt centraal. Er worden voornamelijk natuurlijke materialen gebruikt en [de middelen, MG] zijn vergeleken met de reguliere zorg goedkoop in het gebruik.

Met name in de Verenigde Staten worden complementaire geneeswijzen juist gedoceerd aan de belangrijkste universiteiten en vele vooraanstaande ziekenhuizen hebben een aparte complementaire afdeling om de patiënt meer in zijn totaliteit te kunnen behandelen.

Waarom? Omdat het allemaal onzin is? Omdat het niet bewezen is dat het werkt? Integendeel! Steeds meer onderzoek laat zien dat complementaire geneesmethoden wel degelijk effecten sorteren. Het kan juist de gezondheidszorg bevorderen en zelfs de totale uitgaven aan de gezondheidszorg verlagen. Er zijn vele argumenten om de complementaire zorg juist te bevorderen in plaats van af te straffen met een btw heffing.

De complementaire zorg is voor de huidige machtstructuur in de gezondheidszorg met name de farmaceutische industrie eerder een bedreiging omdat de middelen die gebruikt worden niet te patenteren zijn en dus voor grote winsten niet interessant. Hun grote lobby en sympathie wordt groots gebruikt om de complementaire geneesmethode in diskrediet te brengen. Als er maar hard genoeg geroepen wordt dat het niet bewezen is, dan blijft een ieder het geloven, ook al zijn er genoeg onderzoeken die het tegendeel bewijzen (o.a. kan onderzoek bekeken worden op http://www.VHAN.NL).

Nederland blijkt in Europa het land dat het minst gebruik maakt van de complementaire zorg. Het is zeer de vraag of dit een verdienste is. We lopen juist ernstig achter in de ontwikkeling van de complementaire zorg. De financiële mogelijkheden om onderzoek te doen is zo goed als nul. De btw verhoging lijkt de zoveelste poging van de anti-complementaire zorg lobby om de zorg de das om te doen.

Een ander aspect van de voorgenomen btw belasting is dat vele mensen vooral met een laag inkomen gepakt worden. Als uiteindelijk uit nood een complementair werkende arts wordt geraadpleegd, moeten de meeste mensen sowieso al een flinke eigen bijdrage leveren omdat de kosten niet volledig te verzekeren zijn. De kosten zullen nu voor hen nog groter worden. Een extra verzwaring van de uitgaven van een kwetsbare groep die door de meestal chronische klachten al meer geld kwijt zijn aan hun zorg. Zij moeten extra betalen terwijl ze daarbij de onkosten van de totale gezondheidszorg juist verlagen door minder gebruik te maken van de reguliere zorg.’

Iemand die zelf chronisch ziek is, maakt zich boos als als tegenargument Sylvia Millecam weer van stal wordt gehaald:

‘Dat is nu al 5 jaar het paradepaardje van de tegenstanders van alternatieve geneeswijzen! In die 5 jaar tijd is er blijkbaar niet veel misgegaan bij de alternatieve artsen! Realiseer je, dat er per jaar 3.000 mensen sterven door medische missers! Dat zijn er dus, sinds de dood van S. Millecam, al 15.000! Daarover hoor je niets, want die zijn regulier behandeld. En wat over de 180.000 mensen in Nederland, die blijvende gezondheidsschade hebben ten gevolge van de medische behandeling, noem je dat effectief? En wist je dat Sylvia Millecam bewust koos om niet regulier behandeld te worden omdat een vriendin met een soortgelijke ziekte regulier behandeld was, en op een vervelende manier gestorven? Daarover hoor je niets! En denk je nou echt, dat mensen met een verkoudheid naar een alternatieve arts gaan? Verkoudheden gaan vanzelf over, mensen gaan meestal pas naar een alternatief arts als er op een gangbare manier niets aan hun klacht te doen is, dus dat zijn meestal de meest moeilijke gevallen!’

Dit alles maakte dat Aertjan Grotenhuis afgelopen donderdagavond op dit onderwerp terugkwam, met een nieuw bericht onder de titel: ‘Kamer lost schot voor de boeg’. Hij schreef naar aanleiding van de felle discussie die over de alternatieve btw is ontstaan:

‘De Tweede Kamer waarschuwt staatssecretaris Jan Kees de Jager. (...) Als de staatssecretaris niet wil toegeven, komt het tot een confrontatie met de Kamer in een spoeddebat.

Wat de btw-heffing over de diensten van alternatieve artsen betreft, hebben GroenLinks (Jolande Sap) en de VVD (Johan Remkes) het voortouw. Zij willen de behandeling van het Belastingplan 2009 niet afwachten maar wensen meteen een debat met de staatssecretaris. PvdA-woordvoerder Paul Tang, wist de gemoederen vanmorgen nog te sussen. Hij wil De Jager eerst nog de kans geven zijn redenen voor de btw-verzwaring uiteen te zetten voordat het tot een debat komt. Die kans krijgt de staatssecretaris nu, maar wel onder de dreiging van het debat.’

Tot op dit moment zijn hierop 18 reacties verschenen. En de discussie gaat nog steeds door. Ook Jan Willem Nienhuys, de nieuwe hoofdredacteur van de website van de Vereniging tegen de Kwakzalverij, mengt zich in het debat. Met de bekende opvatting:

‘De Vereniging tegen de Kwakzalverij steunt het plan om alle alternatieve geneeskunde onder de btw te laten vallen en de privileges van dokters op te heffen. Maar in de visie van de VtdK is dit slechts een begin. De bewezen effectieve geneeskunde moet helemaal losgemaakt worden van andere behandelwijzen. Zie >hier< de volledige visie van het bestuur van de Vereniging tegen de Kwakzalverij.

In mijn eigen woorden anders samengevat: het plan is helemaal niet om de acupunctuur duurder te maken. Er zijn heel veel acupuncturisten die toevallig geen arts zijn en die precies even goed zijn in de toediening van dit soort placebogeneeskunde. De prijzen daarvan gaan helemaal niet omhoog. Het plan is om de ongelijkheid op te heffen: gelijke diensten, gelijke belastingtarieven.’

Zo kan het nog erg interessant gaan worden: vorig jaar wilde de politiek zich niet uitspreken over de waarde van complementair, maar alleen over de belastingmaatregel. Lees je echter de volledige visie van de bestuur van de Vereniging tegen de Kwakzalverij, zoals de link van Nienhuys aangeeft, dan zie je dat het op deze manier niet alleen een gepolitiseerde kwestie hoeft te blijven, maar ook een echt inhoudelijke kan worden. Men heeft daar waarschijnlijk niet in de gaten dat het tij begint te keren – of juist wel, omdat men de zaak begint te verliezen en het pleit kan worden beslecht; dan is dit een laatste wanhoopsdaad – en dat deze actie daarom sterk in hun nadeel kan gaan werken. Het bestuur schrijft namelijk:

‘De Vereniging tegen de Kwakzalverij (VtdK) ziet elke vermenging van alternatieve geneeskunde met reguliere geneeskunde als ongewenst. De reguliere geneeskunde vindt dat alle behandelingen op deugdelijk onderzoek moeten berusten of in elk geval natuurwetenschappelijk aannemelijk behoren te zijn. De alternatieve geneeskunde bestaat per definitie uit behandelingen en diagnostische methoden die op zijn best placebogeneeskunde zijn. Bewijzen dat die beter werken dan een geloofwaardig placebo zijn er niet.

De alternatieve artsen proberen hun gebrek aan deugdelijke bewijzen op allerlei manieren te maskeren. De zes belangrijkste alternatieve artsenorganisaties (samen nog geen 900 artsen en tandartsen) hebben zelfs een “position paper” (te verkrijgen via de websites van VHAN en ABNG-2000) opgesteld, waarin ze betogen dat hun activiteiten eigenlijk gezamenlijk een specialisme vormen, vergelijkbaar met dat van een internist, chirurg of huisarts. Zij protesteren tegen het plan, omdat zij er terecht een ondermijning in zien van hun bewering dat ze meer doen dan wat elke lekentherapeut, of die nu acupuncturist of magnetiseur is, ook kan en doet.’

Haar visie op het belastingplan 2009 besluit zij door dit gegeven opnieuw op de spits te drijven:

‘De VtdK steunt het plan van “Aanpassing btw-vrijstelling medische diensten”, maar hoopt dat dit slechts een eerste serieuze stap is op weg naar de totale scheiding van enerzijds geneeskunde die in deugdelijk wetenschappelijk onderzoek bewezen is en anderzijds alle andere behandelwijzen. Een veel belangrijker stap zou zijn dat de verzekeringen niet meer aan koppelverkoop doen, dat wil zeggen dat zij ophouden in aanvullende verzekeringen reguliere en alternatieve behandeling als een geheel aan te bieden.

Het minuscule groepje bekende alternatieve artsen en tandartsen (circa 1350 personen, nog geen 2% van het totaal) maakt luidruchtig bezwaar tegen het intrekken van hun privileges, maar de VtdK hoopt dat de overheid en het parlement zich daardoor niet laten intimideren.’

Bij het eerstgenoemde weblogbericht was ook deze reactie:

‘inderdaad wordt het tijd dat het electoraat, het kiezersvolk nu opstaat tegen dit onrecht. Gelukkig dat er al een Patiënten Platform Complementaire Geneeskunde is opgericht, waar direct 9 patiëntenverenigingen bij zijn aangesloten: http://www.ppcg.nl. Onder het kopje nieuws is voor ons een voorbeeldbrief voor onze volksvertegenwoordigers. Die zullen wel voor ons willen opkomen tegen dit onchristelijke voornemen van “staatsman” Jan Kees de Jager.’

Het loont inderdaad de moeite om naar dat Patiënten Platform Complementaire Geneeskunde te gaan.

‘Complementaire gezondheidszorg omvat onder meer homeopathie, acupunctuur, antroposofische gezondheidszorg, natuurgeneeskunde en manuele therapie. Deze wordt verleend door artsen en andere zorgverleners, naast reguliere zorg of in plaats daarvan. Ieder jaar gebruiken meer dan 1,5 miljoen mensen in Nederland enige vorm van complementaire gezondheidszorg.’

Op de nieuwspagina is dit te lezen:

‘Het PPCG heeft een persbericht uitgestuurd en een brief naar de Vaste Kamercommissie van Financiën en VWS gestuurd om bezwaar te maken tegen de voorgenomen maatregel om BTW te heffen op de consulten van complementair werkende artsen. Klik op brief aan de Vaste Kamer Commissie om de brief te lezen. Het persbericht treft u hieronder aan. U treft onder aan het persbericht een voorbeeldbrief aan die u kunt downloaden als u ook een signaal wilt afgeven.’

Dat dit succes heeft, blijkt ook uit de weblog van Aertjan Grotenhuis, waar hij op zijn bericht van afgelopen donderdag nog een bijzondere, want politiek gevoelige reactie kreeg, namelijk van het Tweede-Kamerlid van GroenLinks, Jolande Sap. Haar reactie van gisteravond luidt als volgt:

‘Het kabinet is met Prinsjesdag opnieuw gekomen met het plan om BTW te gaan heffen over alternatieve medische diensten. Een plan dat veel maatschappelijke ophef veroorzaakt. Mijn mailbox loopt over van de post van artsen en patiënten die deze kabinetsmaatregel onacceptabel vinden. Terecht!

Mijn voorganger Kees Vendrik heeft bij het Belastingplan van vorig jaar, toen het kabinet voor het eerst met dit plan kwam, de BTW-heffing op deze belangrijke zorg met succes weten te voorkomen. Kamerbreed is zijn motie aangenomen, die het kabinet vraagt om voorjaar 2008 met een herzien voorstel te komen. Uitdrukkelijk hebben we het kabinet gevraagd om dit in overleg met de sector te doen. Dat is allemaal niet gebeurd. In de laatste drukke week voor het zomerreces kwam het kabinet met een uitstelbriefje: Kamer wacht maar tot Prinsjesdag. En tot onze verbijstering ligt nu opnieuw hetzelfde voorstel op tafel dat leidt tot veel duurdere zorg en tot een bijna onmogelijke opdracht aan complementaire artsen om een gescheiden boekhouding bij te houden.

Wij willen nu snel een brief van het kabinet met uitleg over deze gang van zaken. En we willen hierover een debat met de minister van Volksgezondheid en de staatssecretaris van Financiën. Dit is niet iets wat je eventjes tussendoor regelt bij het Belastingplan. Bij deze wil ik een oproep doen aan mijn collega’s in de Tweede Kamer: laten we opnieuw gezamenlijk optrekken om dit kabinetsplan snel van tafel te halen. Laten we onze rug recht houden!

Jolande Sap, Tweede Kamerlid GroenLinks’

vrijdag 26 september 2008

Ontkenningsfase

Zoals hij hier al had aangekondigd, is vandaag de reactie van Floris Schreve, onder andere op het teruggetrokken artikel van Paul Heldens, op zijn weblog verschenen. Dit is nog eens zo’n uitvoerig betoog, net als de vorige keer, waarin hij de punten naloopt die voor hem het racistisch karakter van de antroposofie uitmaken. Hij begint opnieuw met zijn persoonlijke ‘Werdegang’, vooral met betrekking tot de antroposofie, zodat duidelijk kan worden tot welke positie hij ten aanzien hiervan is gekomen. Vervolgens gaat hij in op Paul Heldens, verder bespreekt hij enkele van diens literatuurverwijzingen, waaronder het boekje ‘Antroposofie ter discussie’ uit 1985 en een extra editie over racisme van tijdschrift ‘Driegonaal’ uit 1996. Zijn artikel is echt een deel 2 geworden, waarin Floris Schreve de puntjes op de i zet. Inzichtelijk, navolgbaar, weldenkend en redelijk. En ja, antroposofen krijgen het voor hun kiezen. Maar hij doet dat met open vizier.

Hij schrijft dat hij zich in jonge jaren na zijn vrijeschooltijd ook met verschillende richtingen van de esoterie heeft beziggehouden. Maar dit heeft hij op een gegeven moment toch weer losgelaten.

‘Vanuit de universiteit kreeg ik echter volstrekt ander soort denkbeelden mee (vooral veel postmodernisme en later ook het “postkolonialisme” als ik het zo kan omschrijven, gezien mijn interesse voor hedendaagse kunst en cultuur uit de niet-westerse wereld). Ik ben me ook veel meer daarop gaan richten en heb de esoterie gelaten voor wat die was. Uiteindelijk vond ik het ook veel te megalomaan en, wat betreft de antroposofie, een idee als bijvoorbeeld de Aarde Evolutie en het bestaan van Wortelrassen (en ik verwar deze niet met de huidige mensenrassen, al blijf ik erbij dat het wel wat met elkaar te maken heeft, zie Blavatsky en overigens ook Steiner) werd voor mij een regelrechte absurditeit.’

Herinneringen aan zijn vrijeschooltijd kwamen weer boven toen medio jaren negentig antroposofie in opspraak raakte vanwege racisme. Alle publiciteit daarover liet hem niet onberoerd.

‘Vooral het denken in analogieën (nacht=zwarte ras, ochtend =Aziaten, dag=blanke ras, avond=indianen) was voor mij een schok van herkenning, al had ik het zelf nooit meegekregen dat dit soort modellen ook op mensenrassen werden geprojecteerd. Maar het antroposofisch wereldbeeld (overigens net zo goed andere esoterische denksystemen, maar bijvoorbeeld ook de astrologie) hangen aan elkaar van analogieën, in plaats van causaliteiten. Wat ik hiermee bedoel is dat in de antroposofie het hermetische principe wordt toegepast, het “zo boven zo beneden” beginsel. Krachten en verhoudingen die in de macrokosmos werkzaam zijn, bijvoorbeeld de sterren of de loop van de planeten, zijn ook aanwezig in de microkosmos, bijvoorbeeld de levensloop van de mens, en in het geval van de antroposofie, de mensenrassen. Steiners “de Volkszielen” is gebouwd op analoge causaliteiten of Hermetische “zo boven, zo beneden” redenaties. Zoals Steiner zijn rassenleer in astrologische termen heeft gegoten (...)’

Steen des aanstoots is ‘Die Mission einzelner Volksseelen im Zusammenhang mit der germanisch-nordischen Ideologie’; hiervan volgt, in aanvulling op zijn vorige artikel, een interpretatie van uitvoerige citaten. Met als conclusie:

‘Laten we dus vaststellen dat er wel degelijk sprake is van rassenleer en wel volgens een zeer doordacht en consequent model, al zijn de grondslagen van dat model regelrecht absurd te noemen volgens iedere “normale” logica. Fysionomie, astrologie, geografie en huidskleur, alles samengebracht tot een geheel. Hoe “mooi” de theorie ook in elkaar lijkt te zitten, deze manier van redeneren staat haaks op iedere vorm van academisch of filosofisch redeneren in de wetenschappelijke traditie, zoals die sinds Descartes gebruikelijk is. Dit plaatst de antroposofie ook buiten de wetenschap, hoezeer er in antroposofische kring wordt gesproken van “wetenschap”. Correcter is het om te zeggen dat het om een geloof gaat, al wil ik mij hier niet uitspreken over de mogelijkheid tot schouwen in de Hogere Werelden, zoals Rudolf Steiner zijn ‘Geesteswetenschap’ heeft omschreven (vooral Steiners ‘Wetenschap van de Geheimen der Ziel’ is op dit gebied zeer onthullend). Het gaat mij er hier overigens niet om, om een uitgebreide beschouwing te houden over wat wetenschap is en wat niet (dat is filosofisch nogal complex en voert dus wat ver), maar ik denk dat de vaststelling dat de antroposofie vooral een “geloof” is en geen “wetenschap” hier volstaat.’

Even later spreekt Floris Schreve zich zo mogelijk nog duidelijker uit:

‘De algemene generalisaties en de welhaast monolithische voorstellingen van niet alleen “rassen” maar ook “culturen” zijn een gruwel voor iedereen die vandaag de dag een beetje geschoold is in een historische of cultuurwetenschap. Ook in de culturele antropologie is dit soort etnocentrisch, laat staan racistisch denken (want dat is het) terecht volstrekt uit den boze. De hele theorie van de rassen, maar ook de cultuurperiodes kan wat mij betreft afgedaan worden als negentiende eeuwse eurocentrische rassenwaan, maar helaas tot op de dag van vandaag wordt het binnen sommige antroposofische kringen verkocht en beleden als een diepe mystieke en essentiële waarheid.’

Ook komt hij opnieuw te spreken over De Brug, een antroposofisch tijdschrift uit België, dat op internet zeer ruim is vertegenwoordigd. De vorige keer heeft hij de artikelen uit deze hoek al als volstrekt onder de maat beoordeeld; dat wordt dit keer niet minder. Het gaat er daar zo woest aan toe, dat dit tot een goed advies aanleiding geeft:

‘het lijkt mij genoeg reden voor de gemeenschap der antroposofen om zich definitief van tijdschrift de Brug te distantiëren. (...) Waarom zegt niemand uit antroposofische kring hier iets van?’

Helemaal aan het slot vat hij zijn bezwaren nog een keer samen:

‘Wat mijn probleem met de antroposofie is, is dat het zich allerlei uitspraken permitteert over onbewijsbare grootheden, met een air en een pretentie alsof het de universele waarheid is. Nu doen ook alle religies dat, maar erken dan tenminste dat de antroposofie geen wetenschap is maar een geloof. En voor als je er in kan geloven (en dat kan ik niet meer) waag je dan niet aan allerlei theorieën en uitspraken over rassen, homoseksualiteit (zijn ze bij de Brug heel goed in), over hoe de geschiedenis in rigide sjablonen van cultuurperiodes is in te delen, over de geschiedenis van de aarde, etc.

Ik zie ook wel de goede dingen (bepaalde kanten van het onderwijs en ik ben ook zeker voor ecologische landbouw), maar wat betreft het duiden of classificeren van rassen en culturen en de megalomane visie op de geschiedenis zijn voor mij persoonlijk eren.’

(Hier is blijkbaar iets weggevallen, ‘zijn voor mij persoonlijk moeilijk te verteren’ bijvoorbeeld, maar evengoed is duidelijk wat hij bedoelt.)

‘Ook van dit soort koloniaal gedachtegoed is de antroposofie doordrenkt, zij het dat er een dikke esoterische saus overheen is gegoten, verpakt in een universele en eeuwig geldende kosmologie. Het zou interessant zijn om dat te doorbreken, dan kan de antroposofie zich ook van het racisme bevrijden. Want dat racisme duikt constant in verschillende vormen op.
Ik denk dat dit het probleem is, hoewel het door Geuljans geopperde “ethisch individualisme” wellicht een uitweg biedt. Verder is het in verschillende antroposofische uitingsvormen, in talloze gedaantes, telkens weer raak. De vorm is vaak verschillend, maar de inhoud is steeds dezelfde. Of het nu gaat om de mysterieuze op astrologie en aardkrachten gebaseerde rassenleer van Rudolf Steiner in de Volkszielen (en dat is wel de bron), het kwakkelende betoog voor “rasbewustzijn” van Maarten Ploeger ( zwabberend tussen Senghor en Wounded Knee, waarvan hij de eerste niet begrepen heeft en van het tweede de feiten niet kent), het gezwam van meneer Wiechert over Ajax en wederom Wounded Knee, de agressieve vlucht naar voren methode van de auteurs van de Brug die er allerlei neo-nazi elementen bij sleuren (David Irving), of de kruidenvrouwtjespraat van Mellie Uyldert over het Jodendom en de concentratiekampen; keer op keer steekt het racisme de kop weer op. Dat is precies het probleem, en dat maakt voor mij de antroposofie onverteerbaar en uiteindelijk verwerpelijk. Ik denk dat aan dat racisme probleem echt iets gedaan moet worden. (...) als we wederom de oogst van het bovenstaande eerlijk onder ogen durven te zien lijkt mij een discussie niet meer dan normaal. Maar deze zal vooral door de antroposofen zelf gevoerd moeten worden, want een antroposoof ben ik niet.

Nu heb ik zelf geen hekel aan antroposofische mensen en ik meen te weten dat er genoeg rondlopen die dit probleem eigenlijk ook verschrikkelijk vinden, maar het probleem blijft als er niet een keer een gemeende en verinnerlijkte verandering optreedt. En de plaat van het verkeerd citeren, uit de context halen, etc. is langzamerhand wel grijs gedraaid. De tijd van de ontkenningsfase lijkt me nu wel voorbij.’

Nu wil de lezer natuurlijk weten wat ikzelf hiervan vind. Stem ik volledig met Floris Schreve in, ik haal hem hier immers zonder commentaar aan? Nee, dat hoeft helemaal niet. Ik zie genoeg punten waarop een discussie gevoerd kan worden. Dat kan ook al blijken uit hetgeen ik van hem heb geciteerd. Maar dat vraagt nog wel nader onderzoek, om met een gedegen reactie te kunnen komen. Dat vraagt ook tijd. Ik ga mezelf misschien herhalen: is er niet iemand anders die een reactie klaar heeft? Van Paul Heldens is die niet meer te verwachten helaas. Maar van wie dan wel?

donderdag 25 september 2008

Gedragsregel

Ja, hier is hij weer: de muur. Net als eergisteren. Maar nu vanaf de andere kant. Nee, ik heb dit echt niet van tevoren bedacht. Het komt puur toevallig precies zo uit. Als ik mijn tekst klaar heb, haal ik gewoon de eerstvolgende foto op uit mijn fotoalbum, om die erbij te plaatsen. Dan zie ik hem pas. Net als u nu.

Dat zul je net zien. Heb ik twee dagen geleden geschreven over Peter Holland en Lode Wigersma, de eerste voorzitter van de KNMG, de tweede directeur beleid, verschenen ze vandaag gezamenlijk op de website van Iocob.

‘De voorzitter en secretaris van IOCOB spraken recentelijk in de Domus Medica met de directeuren van de KNMG, Dr. Peter Holland en Dr. Lode Wigersma. Onderwerp waren uiteraard de complementaire behandelvormen in Nederland in relatie tot het standpunt van de KNMG.’

Van de Iocob-gesprekspartners is de eerste de ons welbekende Jan Keppel Hesselink, de tweede David Kopsky. Zij zullen dit bericht wel geschreven hebben; ze vervolgen met:

‘Mede naar aanleiding van dit gesprek ontvingen we van de KNMG heden de volgende toelichting, die geschreven is om op de IOCOB website verder duidelijkheid te scheppen. “Het KNMG standpunt inzake niet-reguliere behandelwijzen: oog voor geneeskunde èn geneeskunst”.’

Na de weergave hiervan geven zij hier hun commentaar op, om te beginnen schrijven zij:

‘Het is allereerst verheugend dat de KNMG een open discussie geenszins uit de weg gaat, en graag haar positie en visie nog eens verduidelijkt met dit statement.’

Dat is natuurlijk ook zo. Zeker als ik bedenk wat ik eergisteren schreef naar aanleiding van uitspraken, met name van directeur beleid Lode Wigersma in het Weleda Artsen Forum van september 2008, dat de indruk pertinent onjuist was dat de KNMG met het nieuwe standpunt helemaal in de hoek van de Vereniging tegen de Kwakzalverij was gaan zitten:

‘Goed om te weten dat er mensen in de hogere regionen binnen de KNMG zijn die openlijk hun mening hierover durven te geven. Maar eigenlijk is het te gek voor woorden dat ik dit zo moet opschrijven, alsof het niet de gewoonste gang van zaken is dat mensen hun mening geven.’

Maar zouden Keppel Hesselink en Kopsky niet in de gaten gehad hebben dat zij een opnieuw opgewarmde oude hap voorgeschoteld hebben gekregen? Precies dezelfde tekst stond namelijk al op 20 mei op internet: ‘Het KNMG standpunt niet-reguliere behandelwijzen: oog voor geneeskunDE èn geneeskunST’. (Ik vraag me dan af of dit soms het artikel is dat Lode Wigersma in het interview noemt met: ‘Ik heb in mei een stukje in MC geschreven’, maar ik heb niet kunnen achterhalen of dit inderdaad zo is. Dan zou het helemaal grappig zijn.)

Hoe het ook zij, het is goed dat zij persoonlijk zaken hebben kunnen bespreken en hopelijk ook hebben kunnen uitpraten. Volgens beproefd Iocob-recept wordt vervolgens commentaar geleverd op deze tekst en de voors en tegen ervan besproken. Een prima methode om meer helderheid te verschaffen. Een vorm van tekstverklaring eigenlijk, heel ambachtelijk.

Als je op zoek gaat naar die KNMG-gedragsregel ‘De arts en niet-reguliere behandelwijzen’, dan kom je uit op dit bericht, waar onderaan de gedragsregel als pdf-doument kan worden gedownload. Het bericht heet: KNMG: strenge regels voor alternatief werkende artsen’. Nu is het interessant dat, volgens al genoemd beproefd Iocob-recept, zowel deze gedragsregel zelf als een nieuwsbericht hierover, van tekstverklarend commentaar worden voorzien. Het commentaar op het eerste heet: KNMG, alternatieve dokters en 1 april’ en begint zo:

‘Nee, het is geen 1 april grap. De KNMG deed op 1 april 2008 de nota met de titel: “Gedragsregel. De arts en niet-reguliere behandelwijzen” het daglicht zien. IOCOB geeft de gedragsregel weer en levert commentaar. Er zijn 2 belangrijke inconsistenties in de gedragsregels. (...) De gedragsregels zijn verder voor een groot deel duidelijk en daadwerkelijk zinvol. We nemen aan dat artsen impliciet deze regels al lang volgden, regulier of niet regulier. Naast die 2 tijdbommen hierboven genoemd, zijn er verder slechts bij enkele onderdelen addertjes onder het gras. Maar delen van het KNMG standpunt zijn een zinvolle omschrijving van wat (denken wij) vrijwel alle regulier en niet-regulier werkende artsen doen.’

En het becommentariërend artikel over het nieuwsbericht heeft de titel: En hoe het in de pers kwam. KNMG 1 april’. Ook hierdoor kunnen de diverse opvattingen worden verduidelijkt. Over verschillende opvattingen gesproken... In het interview met Lode Wigersma eergisteren kwam een KNMG-districtsvergadering in Zwolle ter sprake, waar sympathisanten – of misschien waren het zelfs wel leden – van de Vereniging tegen de Kwakzalverij zich ernstig misdroegen. Op de website van deze vereniging vond ik zowaar een aankondiging van deze bijeenkomst: ‘Symposium De dokter, de KNMG en de alternatieve geneeskunde’ op 27 oktober. Op dezelfde website kon ik geen verslag hiervan vinden. Ik begin te denken dat dit een soort VtdK-traditie aan het worden is, zoals eerder ook al bij de laatste aflevering van ‘Uitgedokterd?!’ Als VtdK-leden, in dit geval zelfs ook bestuursleden, uit de band springen, dan wordt dat doodgezwegen. Het zijn dus zeer selectieve mensen. Wat ik wel vond, was een verslag van een andere bijeenkomst op 7 november, van het district Spaarne en Amstel, door Petra Huijts, KNMG-lid en VtdK-lid. Maar die is zó redelijk in haar verslag, dat het bijna lief en daarmee gewoon verdacht is. Ze geeft echter ondertussen wel commentaar op de discussiebijeenkomst van de KNMG over haar standpunt aangaande Alternatieve Geneeswijzen, op donderdag 29 november.

Van deze bijeenkomst heeft de KNMG zelf verslag gedaan, geschreven door Gert van Dijk, beleidsmedewerker ethiek KNMG, onder de titel Complementair werkende artsen willen samenwerking’. Hierin schrijft hij onder meer:

‘Mogen artsen doorverwijzen naar niet-reguliere behandelaars als de patiënt daarom vraagt? Mogen artsen zelf niet-reguliere behandelwijzen uitvoeren? Moet al het handelen van artsen evidence-based zijn? Over deze en andere vragen hield de KNMG 29 november een geanimeerde discussiebijeenkomst met zowel voor- als tegenstanders van niet-reguliere behandelwijzen. Aanleiding was het oude standpunt van de KNMG – daterend uit 1994 – dat het afgelopen jaar onder vuur kwam te liggen. Kern van dit standpunt is dat alleen artsen niet-reguliere behandelwijzen mogen toepassen, en dan nog alleen onder zeer strikte voorwaarden.’

Een zeer interessant verslag. Hierin staat bijvoorbeeld:

‘Tegenwoordig is iedereen ervan overtuigd dat ook niet-reguliere behandelwijzen evidence-based moeten zijn. Volgens onderzoeker Jan Keppel Hesselink is er al veel evidence voor bepaalde niet-reguliere behandelingen, maar is het desondanks moeilijk om ze opgenomen te krijgen in het reguliere curriculum.’

Dit alles probeerde Petra Huijts echter meteen al te demonteren. Je bent lid van de Vereniging tegen de Kwakzalverij of niet. Een tussenweg lijkt er niet te zijn. Misschien wordt het tijd voor gedragsregels?

woensdag 24 september 2008

Familie

Soms weet je niet of iets een grap is of niet. Zeker bij webloggen moet je wat dit betreft oppassen. Onderaan dit weblog, op mijn blogroll, staan ook een paar van die grappenmakers: op Terra Canaillo zijn twee heren druk in de weer om ernst en luim af te wisselen, en bij hun filiaal The Uribistan Daily gaat het helemaal bont toe. De typetjes vliegen je om de oren, geheel in de beste Koot & De Bie traditie (ook al is het in het Duits, er liggen inderdaad roots in Nederland). Maar goed ook dat zij dit doen, want anders zou je bijna stikken in de loodzware ernst. Dat is ook weer niet de bedoeling. Zelfs niet bij antroposofie. Of juist niet bij antroposofie.

Via het weblog (ojé, dit blijkt verkeerd te zijn, volgens Van Dale is het lidwoord bij weblog ‘de’; ik ben er nog niet aan gewend), goed dan, opnieuw: via de weblog van Jostein Saether word ik attent gemaakt op een nieuw weblog, sinds 18 augustus op internet. En deze weblog word door niemand anders gemaakt dan Rudolf Steiner jr. De betreffende schrijft zelf:

‘Schön, dass Sie meinen Blog besuchen. Meine Name lautet eigentlich Christopher Rudolf Steiner, ich bin ein Urenkel Gustav Steiners, Bruder des berühmten Begründer der Anthroposophie, Dr. Rudolf Steiner, der leider am 30. März 1925 an den Folgen einer Vergiftung gestorben ist. Mit einiger Berechtigung darf ich mich, wenn auch augenzwinkernd, Rudolf Steiner jr. nennen. Es ist naheliegend dass ich mich mit dem Werk meines Urgroßonkels auseinandersetze. Meine Gedanken oder bisweilen auch Forschungsergebnisse möchte ich auf diese moderne, wenn auch ahrimanische, Art und Weise mit meinen Mitmenschen, ob sie es wollen oder nicht, teilen.’

Ik betwijfel ernstig of dit waar is. Ik heb nog nooit gehoord van een familielid dat nog in leven zou zijn. Maar dan is het nog wel leuk gevonden. En het belangrijkste is, wat de beste jonge man schrijft is helemaal niet gek. Integendeel. Gelijk op de eerste de beste dag vat hij een thema bij de horens dat ook hier onderwerp van gesprek is geweest. En net als degene die ik toen aanhaalde, heeft ook deze persoon de reeks voordrachten van Rudolf Steiner over ‘Die Mission einzelner Volksseelen im Zusammenhang mit der germanisch-nordischen Ideologie’ ter hand genomen. Nog dezelfde dag, alleen ruim negen uur later, komt hij met zijn eerste bevindingen, die mooi als aanvulling kunnen dienen op het thema hier:

‘Stein des Anstoßes ist bei dieser Ausgabe wohl die Passage auf Seite 113, in der es heißt:
“Alles, was der äthiopischen Rasse ihre besonderen Merkmale verleiht, das kommt davon her, dass die Merkurkräfte in dem Drüsensystem der betreffenden Menschen kochen und brodeln. Das kommt davon her, dass sie auskochen, was die allgemeine, gleiche Menschengestalt zu der besonderen der äthiopischen Rasse macht mit der schwarzen Hautfarbe, dem wolligen Haar und so weiter”.’

Hij kijkt er echter zo naar:

‘Aus dem Zusammenhang gerissen ist dieses Zitat natürlich für sich betrachtet in moderner Leseart rassistisch. Aber nur scheinbar.

Unterschlagen wird nämlich, dass es im gleichen Kapitel weiter heißt: “Jetzt gehen wir über die breiten mongolischen Flächen, in denen die Geister der Form vorzugsweise wirken, die den Umweg durch das Blut genommen haben. Da wird im Blute dasjenige ausgekocht, was die eigentliche Modifikation aus der Menschheit heraus, den Grundcharakter der Rasse bewirkt. [...] Da gehen ins Blut hinein die Marsgeister” (S.114) und:

“Wir haben noch weiter zu verfolgen, wie die Geister und Wesenheiten, die im Jupiter ihren Mittelpunkt haben, in dem Menschen kochen und brodeln [...] Der Angriff, der von dem Jupiter ausgeht, geht auf dem Umweg durch die Sinneseindrücke und strömt von da aus auf die Teile des Nervensystems, die im Gehirn und Rückenmark zentriert sind. [...] Das ist bei den arischen (die sind wir übrigens nicht, sondern die Perser, Anm. d. Blogger), vorderasiatischen und euopäischen Völkern, bei denen, die wir zu den Kaukasiern (das sind wir, Anm. d. Bloggers) rechnen, mehr oder weniger der Fall.” (S.116)

Man sieht, bei allen sogenannten Rassen “kochen und brodeln” irgendwelche geistigen Wesenheiten. Mal in den Drüsen, mal im Blut, mal in den Nerven. Oder um es noch mal in den einfachen Worten der Weltverbesserer zu sagen: “Beim Neger kochen die Drüsen über, bei Schlitzi brodelt das Blut und bei den Kalklatten aus Europa kochen die Nerven”. So wollt Ihr das doch gerne hören, oder?’

Na een uitstapje naar wat de encyclopedie over racisme vertelt, komt hij tot zijn slotsom:

‘Demnach kann man zu Steiners Ausführungen in diesem Band zwar sagen, dass er kompletten Blödsinn redet, aber bestimmt keine rassistische Wertung mit dem Eingangszitat vornimmt, auch wenn er sich, für sich genommen und isoliert, scheinbar so anhört. Man muss halt auch den Zusammenhang nennen.’

Zijn laatste bijdrage dateert echter alweer van 28 augustus. Nu is de vraag: zou Rudolf Steiner jr. het dan na een week al hebben opgegeven?

dinsdag 23 september 2008

Het zaad van de haat

Dit is een muur. Zo eentje waar je tegen op kunt lopen. Misschien een beetje symbolisch voor het onderstaande bericht? In Rotterdam is die muur maar klein, er is weinig van overgebleven (later zullen we verderop nog een deel tegenkomen). Waarschijnlijk gaat het hier om iets historisch, wat op de Kop van Zuid, aan de oever van de Maas waar zoveel in de oorlog is verwoest, in ere wordt gehouden.

Veel gaande momenteel in het wereldje van de gezondheidszorg en de geneeskunde. Zoals men daar elkaar in de haren kan vliegen; ik geloof dat deze heftigheid nergens geëvenaard wordt. Nog even en je gaat vrezen dat men elkaar werkelijk fysiek te grazen neemt. Hoe was het ook alweer: haat zaaien creëert een klimaat waarin op een gegeven moment een gek kan opstaan, die tot werkelijkheid maakt wat bij anderen alleen in hun woorden besloten ligt. Het is dus gevaarlijk, zoals we in het recente verleden in Nederland hebben kunnen zien. Sommige mensen zijn er echter zeer bedreven in om deze haatzaaierij listig te maskeren, zodat het niet meteen opvalt. Maar het zaad van de haat woekert onder het oppervlak onstuitbaar door.

Vermoedelijk is het zo dat juist mensen die beroepshalve hebben geleerd om mensen te genezen, het beste in staat zijn om hiermee juist ook tot het tegenovergestelde te realiseren. Daar hebben ze immers de kennis voor en vaak ook de vermogens. Hoezo heeft de psyche geen invloed op het lichamelijk welbevinden? Wordt maar constant onterecht beschuldigd, voor leugenaar uitgemaakt, gepest, uitgescholden, verbaal aangevallen. Daar word je bijna vanzelf lichamelijk ziek van. Zo komt er de rot in die mooie beroepen die de gezondheidszorg en de geneeskunde in onze moderne maatschappij zo’n hoog aanzien hebben bezorgd. Waar blijft het zelfreinigend vermogen van deze omvangrijke beroepsgroep? Kan men niet meer zien wat normaal en redelijk is en wat niet?

In dit weblog heb ik regelmatig verslag gedaan van de botsingen tussen de Vereniging tegen de Kwakzalverij aan de ene kant, en de complementaire geneeswijzen bij monde van zijn tegenwoordig bekendste vertegenwoordiger in het openbaar, Jan Keppel Hesselink, voorzitter van Iocob. Als exemplarisch voor de eerste kan het bericht ‘Pijlen’ op 9 september dienen, voor de tweede het bericht ‘Niet objectief’, gisteren nog. Niks tegen botsingen, ook niet tegen heftige, wanneer tenminste slagen met navolgbare argumenten worden uitgewisseld, zodat men rijker uit de strijd komt, niet armer, en uiteindelijk liefst het redelijke en gezonde zegeviert. Maar daar schort het gauw aan in deze discussies, zoals hier al eerder te lezen was.

Het lijkt erop dat we nu weer een nieuw hoogtepunt in de strijd tegemoet gaan. Of moet je dat een dieptepunt noemen? In ieder geval heeft de Vereniging tegen de Kwakzalverij vorige week haar jaarlijkse Meester Kackadorisprijs-nominaties weer bekendgemaakt: voor personen of instellingen die een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de bevordering van de kwakzalverij in Nederland. Dat klinkt misschien humoristisch, maar dat is niet zo. Dat zou alleen zo zijn, wanneer die met een knipoog genomen werden, het wordt echter bloedserieus in de media overgenomen. Natuurlijk bestaat er echte kwakzalverij en die moet wel degelijk bestreden worden. Maar ziektekostenverzekeraar Azivo, de rector magnificus van de Vrije Universiteit prof.dr. Lex Bouter, het grootste maandblad over gezondheid in Nederland ‘GezondNu’ (van Biohorma, oplage 92.000), het televisieprogramma ‘Uitgedokterd?!’ van de NCRV, het ledenblad ‘Arts & Auto’ van de Vereniging van Artsen Automobilisten met 90.000 leden – allemaal kwakzalvers? Alleen omdat de Vereniging tegen de Kwakzalverij niet kan accepteren en nog minder begrijpen waarom en hoe complementair aan elkaar geneeswijzen werken? Je zou toch zeggen dat dit een zwaktebod van jewelste is, dat iedereen meteen doorziet.

Dat lijkt echter niet zo te zijn, gezien de echo die deze vereniging telkenmale in de media weer weet te bewerkstelligen. Vandaag nog in dagblad Trouw, zoals op de website van Iocob te lezen valt. Voorzitter Cees Renckens mag uitleggen wat zijn gedachten zijn achter de nominaties. Mikpunt hierbij is de NCRV, immers: ‘NCRV is forum voor kwakzalvers’; altijd al geweest trouwens. In het weerwoord van de Iocob worden zijn argumenten, onder andere persoonlijk gericht tegen Jan Keppel Hesselink, ontmaskerd als verdraaiingen en leugens. Het is goed dat Iocob zijn eigen platform heeft, waar het deze dingen kan rechtzetten. Want bij de Vereniging tegen de Kwakzalverij zelf op haar website kan dit niet: een teken aan de wand dat het debat juist niet gezocht wordt.

In dit licht is een interview elders op de Iocob-website bijzonder illustratief. De directeur beleid van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst (KNMG), Lode Wigersma, laat daarin zien hoe een en ander in zijn werk is gegaan. Hij doet dit trouwens in een interview dat door Arie Bos is afgenomen en dat geplaatst is in het Weleda Artsen Forum van september 2008. Arie Bos en Weleda, geen van beide is hier onbekend, ze zijn al vaker op dit weblog aan bod geweest (als u die berichten wilt zoeken, simpelweg de naam linksboven als zoekwoord intikken en op enter drukken). Het onderwerp van gesprek zijn de nieuwe gedragsregels voor artsen sinds april dit jaar. De directeur beleid vertelt in alle eerlijkheid dat de KNMG met een probleem te kampen heeft. Dit werd opgeroepen door

‘een rede die onze voorzitter, Peter Holland, eind 2006 op een vergadering van de Vereniging tegen de Kwakzalverij (VtdK) heeft gehouden over het al jaren geldende standpunt van de KNMG. Dat werd hem niet in dank afgenomen. Het leverde een hoop gekrakeel op en niet alleen op die vergadering.’

Want ook binnen het bestuur bleek hierover op de keper beschouwd ‘geen consensus’ te heersen. En wat doe je dan? Je houdt districtsvergaderingen en een enquête onder artsen. Die zouden tot een breder gedragen standpunt moeten leiden. Maar wat gebeurde er? Lode Wigersma denkt met afschuw terug aan zo’n vergadering in Zwolle:

‘Die vergadering werd door de VtdK gedomineerd. Sommige van hun leden voerden zo’n platvloerse discussie. Dat was echt niet leuk meer. Er werd geschreeuwd en gescholden. Ik kon me soms nauwelijks verstaanbaar maken. Het was ontluisterend. Er zijn VtdK-aanhangers die het idee hebben dat er maar één waarheid is, dat je maar op één manier kunt denken. Daarbij zijn ze fanatiek en humorloos.’

Maar de KNMG is redelijk. Er werd een nieuw standpunt geformuleerd ‘dat voor alle artsen geldt: regulier of niet regulier, dat maakt niet uit’. Alleen werd dit door velen geïnterpreteerd als gedragsregels die voorschrijven hoe wel of niet te handelen. Maar dat is niet het geval. Over de rol van Evidence Based Medicine (onweerlegbaar wetenschappelijk bewijs, alleen te verkrijgen met de grootste moeite, vaak door de werkelijkheid naar je eigen hand te zetten; zie het bericht van gisteren) zegt Wigersma dan ook:

‘van alle dingen die je als arts doet is hoogstens 30 procent evidence-based. Als je je daar toe zou beperken, zou je de patiënt tekort doen. In ons standpunt over professionaliteit staat dan ook dat je primair het belang van de patiënt voor ogen moet houden. Ook als je daarvoor af moet wijken van EBM.’

Hij heeft dit intern ook binnen de KNMG zelf gecommuniceerd, zoals in het eigen tijdschrift ‘Medisch Contact’ (MC):

‘Ik heb in mei een stukje in MC geschreven, omdat de commentaren op het nieuwe standpunt de indruk konden wekken dat de KNMG helemaal in de hoek van de VtdK was gaan zitten. Iedereen ging ermee aan de haal, zoals bijvoorbeeld Van Dam in De Telegraaf, die beweert dat de CAM-artsen de KNMG zouden worden uitgezet. Maar royeren kunnen wij niet – je moet wel zo ongeveer crimineel zijn, wil de rechter een royement goedkeuren – en royeren willen we ook helemaal niet.’

Goed om te weten dat er mensen in de hogere regionen binnen de KNMG zijn die openlijk hun mening hierover durven te geven. Maar eigenlijk is het te gek voor woorden dat ik dit zo moet opschrijven, alsof het niet de gewoonste gang van zaken is dat mensen hun mening geven. En dat binnen de KNMG? In dit licht is een andere gebeurtenis interessant. Sinds kort is bekend dat de KNMG met ingang van volgend jaar een nieuwe voorzitter krijgt. In Medisch Contact staat een kennismakingsinterview met deze Arie Kruseman, onder de veelzeggende titel ‘Polariseren leidt tot niets’, dat op 3 september op hun website werd geplaatst. Hij zegt daarin:

‘Van polariseren ben ik inmiddels een verklaard tegenstander. Het leidt meestal tot niets. En ongeduldig voor de troepen uitlopen, heeft geen zin. Als bestuurder moet je inzien waar je even moet wachten en waar je ruimte moet geven. Zonder draagvlak kom je niet ver. Mensen die daarbij spelletjes spelen, zijn bij mij aan het verkeerde adres.’ En: ‘Ik zeg wel eerlijk wat ik denk, neem geen blad voor de mond. Het maakt niet uit tegen wie. Als ik ergens enthousiast of verontwaardigd over ben, hou ik dat niet voor mij. Ik zal als voorzitter dus zéker aanwezig zijn. Ik heb ambitie en zal echt niet alleen op de winkel passen. Ik zal mensen uitdagen om over de rand van hun schuttersputje heen te kijken. Als het moet, kan ik goed besluiten nemen. Daar heb ik geen ingehuurde externe adviseurs voor nodig. Meestal zonde van het geld. Met gezond verstand en durf kom je een heel eind. Dat heb ik wel geleerd. Soms moet je ook juist geen besluit durven nemen, maar eerst draagvlak zoeken.’

Interviewer en hoofdredacteur van Medisch Contact Ben Crul schrijft:

‘Rondlopend in zijn tempel van de geneeskunde wijst Kruseman naar de eed van Hippocrates op de muur in de hal: “We beloven in die tekst dat we de patiënt centraal stellen. Diens zorgvraag moet leidend zijn. Dat is momenteel ook het politiek correcte antwoord. Maar in de uitvoering valt daar nogal wat op af te dingen. (...)”.’

En over Medisch Contact zelf zegt Kruseman:

‘Goed en leuk blad. Essentieel dat het redactioneel onafhankelijk is; dat moet ook zo blijven. Controle op inhoud vanuit het bestuur, zoals sommige universiteiten dat bij hun bladen lijken na te streven, heeft niet mijn steun. Er moet een natuurlijke spanning zijn tussen bestuur en redactie. Soms kan er bewust iets uitlekken, soms staat er iets in dat een bestuurder helemaal niet leuk vindt. Dat alles maakt het extra leesbaar.’

Hij is expliciet over alternatieve geneeswijzen:

‘Niet-evidentie-geneeskunde moet je als arts niet aanbieden. Alternatieve geneeskunde is geen alternatief en kan dus ook niet interfereren met reguliere geneeskunde. Die suggestie moet je ook niet wekken door het te verbieden. Als additief heb ik er geen probleem mee, maar als alternatief voor reguliere geneeskunde zeker wel. Soms, zoals bij Sylvia Millecam, is het zelfs misdadig.’

Tussen twee haakjes, deze uitspraak over artsen is ook interessant:

‘Een arts moet behalve dienstbaar aan de patiënt ook dienstbaar aan de organisatie kunnen zijn. Tijdens mijn rectoraat heb ik ervaren dat artsen vaak minder professioneel zijn in organisatievraagstukken dan andere beroepsgroepen. Bij juristen of economen bijvoorbeeld is het debat klaar zodra er een besluit is genomen. Artsen willen het debat nog wel eens reanimeren als de uitkomst hen niet bevalt, alsof het om een patiënt met een circulatiestilstand gaat.’

Over de toekomst van de gezondheidszorg zegt hij, sprekend over de komende generatie artsen:

‘Zeer gemotiveerd en inhoudelijk geïnteresseerd. Ze zoeken meer dan wij vroeger naar de kwaliteit van leven in een goede verhouding tussen werk en privéleven. De toename van het aantal vrouwen heeft het vak goed gedaan. De menselijke artsen zijn in aantal gegroeid ten opzichte van de machoartsen.’

Dat klinkt toch zeker allemaal redelijk en weldenkend? Heel anders dan die lui van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Dan wordt de enige reactie die onder het interview staat, van een psychiater, wel heel kenmerkend (ik zal die hier maar niet herhalen, zo giftig is het). Zou die soms ook lid van deze vereniging zijn?

maandag 22 september 2008

Niet objectief

Inmiddels zijn we beland in de Stieltjesstraat en hebben we de brug over de Spoorweghaven overgestoken. We kijken even terug op de weg die we hierbij hebben afgelegd. Terwijl rechts de in aanbouw zijnde Nieuwe Maastoren ligt, is links nog een deel van wooncomplex De Compagnie van H.F. Kolhoff (2000-2005) te zien. Het zijn in totaal 196 woningen, met als grootste bijzonderheid de groenkoperen puntdaken die het geheel overdekken (nu niet hier, maar wel bij vrijdag 19 september te zien).

Er zijn soms dingen die geen enkel commentaar behoeven. Zoals wat ik op de hier intussen zeer bekende website van Iocob, de organisatie met informatie over complementaire geneeswijzen van Jan Keppel Hesselink, tegen ben gekomen. Of het zou moeten zijn wat er aan gedaan kan worden. Nou ja, als je bedenkt dat door de ernstige financiële crisis in de bancaire wereld nu eindelijk het ‘sell short’ aan banden wordt gelegd, dan kun je een soortgelijk scenario uittekenen. Pas als het kalf verdronken is, dempt men de put.

‘Het Amerikaanse tijdschrift JAMA luidde in september 2008 de noodklok. Veel onderzoek naar de effectiviteit en veiligheid van medicijnen is helemaal niet objectief! In de inleiding van het artikel meteen de feiten. Antibiotica die onderzocht worden door de industrie zelf, lijken in de artikelen die daarover in de pers verschijnen veiliger te zijn dan ze in werkelijkheid zijn! Manipulatie van onderzoeksgegevens komt dus nog steeds voor! We citeren:

Over the past 2 decades, the pharmaceutical industry has gained unprecedented control over the evaluation of its own products. Drug companies now finance most clinical research on prescription drugs, and there is mounting evidence that they often skew the research they sponsor to make their drugs look better and safer.

Dit bleek weer zo te zijn in twee recente artikelen over een veel gebruikt antibioticum: (...)

En de industrie houdt de gegevens graag in eigen hand: (...)

Studies zodanig opzetten dat bij voorbaat gunstige resultaten worden verkregen
In het JAMA artikel wordt ook aandacht besteed aan het feit dat studies vooraf al zo opgezet kunnen worden, dat achteraf de resultaten een grote kans maken om er “goed” uit te zien. Zowel de effectiviteit als de veiligheid kunnen er door manipulaties beter uit gaan zien. JAMA laat zien hoe dat in zijn werk gaat: (...)

Richtlijnen ook niet “objectief”
Nu nog wat ergers! In de richtlijnen die aangeven hoe bepaalde aandoeningen behandeld kunnen worden, zitten ook bugs. We volgen JAMA op de voet nu: (...)

En dan over cholesterolverlagers. Ook hier werden de richtlijnen vastgesteld door niet onafhankelijke wetenschappers, 8 van de 9 panelleden hadden een financiële band met de makers van de statines...: (...)

En we maken het nog ernstiger, ook de overheid in de VS is niet onpartijdig. En de richtlijnen voor het voorschrijven van medicijnen aan mensen met psychiatrische aandoeningen zijn eveneens niet zuiver: (...)

En de redacteur van een van ’s werelds meest invloedrijke medische bladen (The New England Journal of Medicine) stelt dan vervolgens:

Looking at this picture altogether, it would be naive to conclude that bias is only a matter of a few isolated instances. It permeates the entire system. Physicians can no longer rely on the medical literature for valid and reliable information.
This is the conclusion I reluctantly reached toward the end of my 2 decades as an editor of the New England Journal of Medicine, and it has been reinforced in subsequent years.
Clinicians just do not know anymore how safe and effective prescription drugs really are, but these products are probably nowhere near as good as the published literature indicates.

OEPS indeed! En wordt in Nederland recentelijk luid geroepen dat BTW op alternatieve geneeskunde nodig is, omdat het allemaal niet bewezen zou zijn... en dus “kwakzalverij” zou zijn. Gemeten volgens dezelfde onderzoeksnormen komt dan in de reguliere geneeskunde minstens evenveel “kwakzalverij” voor. Voor dit onloochenbare feit moeten de ogen van onze beleidsmakers en politici nu eens echt open gaan, evenals voor de nergens op slaande kreet dat alternatieve geneeskunde allemaal niet bewezen is! Dat hopen we nu langzaam met al die artikelen op IOCOB en onze nieuwsbrieven op indringende wijze duidelijk gemaakt te hebben.

De schrijver van dit artikel schreef er een heel boek over: Angell M. The Truth About the Drug Companies: How They Deceive Us and What to Do About It. New York, NY: Random House; 2004.’

Interessant is dat Iocob het niet bij deze constatering laat. Ze gaan door met bijvoorbeeld dit:

‘Het opzetten van nieuw onderzoek is tegenwoordig superingewikkeld, kost heel veel en duurt lang. Geen wonder dat er vrijwel geen onderzoek in Nederland gedaan wordt naar de effectiviteit van complementaire behandelvormen. Nadat u dit artikel gelezen heeft, begrijpt u ook waarom IOCOB zoveel geld nodig heeft. Nadat we duizenden euro’s eigen geld in deze website gepompt hebben, hebben we voor een doorstart echt meer geld nodig. U kunt ons steunen daarbij! Lees maar waarom, in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, we citeren:

Goedkeuring van een klinische trial: zeer veel werk!
Het verkrijgen van medisch-ethische goedkeuring voor een multicentrische, gerandomiseerde trial is een heel karwei. Van Santvoort et al. legden alle stappen vast voor een trial met 19 deelnemende centra.
De goedkeuring nam 2 jaar in beslag, en kostte in totaal 8314 A4-tjes (circa 42 kg), 172 telefoongesprekken en 136 e-mailberichten.
Dat moet efficiënter kunnen, vinden de onderzoekers. Er moeten landelijke afspraken komen voor de patiëntinformatiebrief en het toestemmingsformulier. Verder moet iedere lokale medisch-ethische toetsingscommissie (METC) zich onthouden van aanpassingen als de centrale METC het protocol heeft goedgekeurd.

De conclusie van de analyse was dan ook:

Het verkrijgen van medisch-ethische goedkeuring voor dit multicentrisch onderzoek in Nederland was een inefficiënt en langdurig proces dat gepaard ging met een grote investering van tijd en middelen. Stroomlijning van de procedure kan de huidige nodeloze vertraging in het opstarten van onderzoek verminderen.’

En dan dit:

‘In het kader van een grote studie in Zwitserland, het zogenaamde “Schweizerischen Programms zur Evaluation der Komplementärmedizin (PEK)” werden de kosten van alternatieve behandelvormen ook geanalyseerd op basis van een uitgebreid literatuuronderzoek. We vatten de resultaten voor u samen.

Met de nodige slagen om de arm concludeerden de onderzoekers, dat de kosten van alternatieve/complementaire behandelvormen lager waren dan die van conventioneel behandelde patiënten. De methodologie van kosteneffectiviteitsstudies is altijd enigermate kritiekgevoelig. Dat geldt evenzeer voor studies naar de kosten van effectiviteit van reguliere middelen. Het belangrijkste is dat uit deze studie in ieder geval duidelijk wordt, dat kostenbesparingen mogelijk zijn met complementaire behandelvormen.

Dat sluit ook aan bij de algemene inzichten. Ook in Nederland vonden we dat anthroposofisch werkzame huisartsen goedkoper werkten dan hun reguliere collega’s.’

(Let even kort op de oude ‘h’ in antroposofisch...) Om vervolgens de hele samenvatting van het artikel te plaatsen.

Alles wordt zo keurig in partjes geserveerd. Als laatste nog dit:

‘Er bestaat een groot scala aan alternatieve behandelvormen (of complementaire behandelvormen, zoals we ze bij voorkeur noemen), die volgens onderzoekers van de universiteit van Arizona (VS) goedkoper zijn dat vergelijkbare reguliere behandelingen. Zij bestudeerden de literatuur (van voor 2005) en kwamen tot het volgende.

These exemplary studies indicate CAM therapies that may be considered cost-effective compared to usual care for various conditions:

acupuncture for migraine,
manual therapy for neck pain,
spa therapy for Parkinson’s,
self-administered stress management for cancer patients undergoing chemotherapy,
pre- and post-operative oral nutritional supplementation for lower gastrointestinal tract surgery,
biofeedback for patients with “functional” disorders (eg, irritable bowel syndrome), and
guided imagery, relaxation therapy, and potassium-rich diet for cardiac patients.

Bron: Patricia M. Herman, Benjamin M. Craig and Opher Caspi. Is complementary and alternative medicine (CAM) cost-effective? a systematic review. BMC Complementary and Alternative Medicine 2005, 5:11 doi:10.1186/1472- 6882-5-11.’

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Volgen op Facebook


Translate

Volgers

Herkomst actuele bezoeker(s)

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code

Gezamenlijke antroposofische agenda (in samenwerking met AntroVista)