Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

vrijdag 25 september 2009

Randgebieden

Met dank aan Cees Renckens. Ik weet niet hoe het persoonlijk met hem gaat momenteel, of er al meer duidelijkheid is over wie verantwoordelijk zijn voor de torenhoge problemen op zijn afdeling in het Westfries Gasthuis in Hoorn (zie Giller’ op 13 september). Maar nu gaat het even over iets anders. Over een artikel van hem van 2 maart 2002, dat ik tegenkwam op de website van de Vereniging tegen de Kwakzalverij, onder de titel ‘De kwantitatieve ontwikkeling van de alternatieve geneeskunde in ons land sinds 1975’. Daarin staat een hele serie interessante feiten. Zoals dit, onder het kopje ‘Statistieken’:

‘De volgende getallen zijn merendeels ontleend aan de jaarlijkse gezondheidsenquête van het CBS.

Het aantal artsen, dat een alternatieve geneeswijze toepast, steeg sterk vanaf 1975 (toen plm. 100) tot 1993 (1150) en begon daarna licht te dalen: in 2001 plm. 1100. In volgorde van omvang van hun beroepsvereniging zijn dat m.n. de acupuncturisten, homeopaten, antroposofen, manueel artsen, natuurgeneeskundige en orthomoleculaire artsen.

De alternatieve “consumptie” steeg vlgs. CBS-cijfers van 1981 (jaarlijks 4% van de bevolking) tot 1989 (jaarlijks 6% van de bevolking) met ruim 50%, om sindsdien constant te blijven. Al ruim tien jaar neemt deze niet meer toe.

Het percentage huisartsen dat (ook) alternatieve geneeswijzen biedt steeg dramatisch vanaf 1975 (1-2%), via 4,6% (1985), naar 8,7% (1990) tot een piek in 1993 van 9,4%. Daarna zette een gestage en nog steeds doorgaande daling in tot 6,3% in 2000.

Momenteel is 2,2% van alle artsen in Nederland lid van een vereniging van alternatieve artsen. In 2000 bezochten plm. 950.000 mensen een alternatieve genezer, hetgeen leidde tot bijna 6 miljoen consulten.

Hoger opgeleiden (Hbo/Univ.) maken veel vaker gebruik van alternatieve genezers dan lager opgeleiden: 9,5% tegen 3,6%.

Vergeleken met de gewone medische consumptie is de behandeling door alternatieve genezers betrekkelijk onbeduidend. Het percentage Nederlanders dat per jaar resp. een huisarts, specialist, tandarts, fysiotherapeut of alterneut bezocht bedraagt 75%, 38%,77%, 15% en 6%.’

Dat is handig om te weten en op een rijtje te hebben. Oké, het zijn inmiddels feiten van negen jaar geleden. Misschien kan hij nog een keer een update geven (of heeft hij dat soms inmiddels al gedaan)? Wat ook interessant is, is dit lijstje:

‘De oprichtingsdata van de diverse alternatieve artsenclubs onderstrepen de constatering – en jongeren weten dat niet altijd – dat de alternatieve geneeskunde een fenomeen is van de jaren zeventig en niet veel ouder.

1898 Vereniging van Homeopathisch Artsen Nederland (VHAN)
1968 Ned. Ver. Antroposofische Artsen (NVAA)
1973 Ned. Artsen Acupuncturisten Vereniging (NAAV)
1975 Artsenvereniging tot Bevordering der Natuurgeneeswijze (ABGN)
1981 Artsenfederatie Alternatieve/ Additieve Geneeswijzen (AAG)
1981 Ned. Ver. Artsen Manuele Geneeswijzen (NVAM)
1987 Maatschappij ter Bevordering der Orthomoleculaire Geneeskunde (MBOS)’

Hoewel Renckens aan het begin dit schrijft:

‘Er zal een korte schets gegeven worden van de opkomst van de alternatieve geneeskunde in Nederland, vanaf 1975 tot 2001. Cijfers worden gepresenteerd over de (beschamende) toename van het aantal artsen dat enige vorm van alternatieve geneeskunde beoefent. Ook de groei van de consumptie (sterke toename vanaf 1975 tot 1990 en sindsdien – anders dan veelal gedacht – geleidelijke afname) wordt geschetst.’

Hij houdt zich hier niet aan. Ik bedoel, hij gaat verder terug dan 1975. Want onder ‘Feiten en jaartallen’ begint hij al in 1958:

‘Allereerst geef ik een chronologische opsomming van de belangrijkste gebeurtenissen, die de bloei van de alternatieve geneeskunde in ons land hebben geïnitieerd en begeleid.

– 1958: Rekest van de Ned. Werkgroep v. Paranormaal begaafden (NWP) aan het parlement om bona fide genezers niet meer te vervolgen.
– 1966: Begin van een serie ambtelijke commissies om de Wet op de Uitoefening der Geneeskunst (de wet van Thorbecke, de meest overtreden wet uit de geschiedenis van de vaderlandse rechtspraak) te moderniseren.
1975: Bezoek van prins Bernhard aan een Londense acupuncturist.
1975: KNMG-jaarcongres (Zwolle) over “randgebieden der geneeskunde”: homeopathie, antroposofie en acupunctuur. Veel protest in Med. Contact.
– 1977: Congres Gelijke Rechten voor Alle Geneeswijzen, Amsterdam (1500 deelnemers).
– 1980: Verschijnen Rapport-Muntendam (Commissie Alternatieve Geneeswijzen).
1980-1993: Door VWS gefinancierd effectiviteitsonderzoek van alternatieve geneeswijzen.
– 1987: Pro-alternatief vestigingsbeleid huisartsen door staatssecretaris Van der Reijden.
Medisch Contact plaatst advertenties waarin bijv. “homeopathische huisarts” wordt gevraagd. Vergeefs protest hiertegen door voorzitter Ver. tegen de Kwakzalverij.
– 1988-1990: Affaire Van der Smagt: Biltse huisarts veroordeeld door KNMG-rechtspraak wegens “openlijke kritiek” op (alternatieve) collega’s.
– 1989: Besluit Wijziging Farmaceutische Hulp door staatssecretaris Dees, waarin het ziekenfondspakket werd geschoond van goedkope, maar werkzame huismiddelen, maar waarin de vergoeding van homeopathische en antroposofische middelen gehandhaafd werd.
– 1991: Nieuwe gedragsregels van de KNMG inzake toelaatbaarheid alternatieve behandelwijzen door artsen. Blijkt in “proefproces” te leiden tot blijvende acceptatie van alternatieve artsen binnen de KNMG.
– 1993: Verwijdering antroposofische en homeopathische middelen uit het ziekenfondspakket door staatssecretaris Simons.
– 1993: Wet BIG; geneeskunde wordt een vrij beroep.
– 1993: Notitie Alternatieve Geneeswijzen van Simons: overheid treedt terug, ook t.a.v. alternatieve geneeskunde.
– 1993: Verschijnen Rapport Gezondheidsraad over “Alt. Behandelmethoden en Wetenschappelijk Onderzoek” (AB&WO). Conclusie: dit onderzoek is mogelijk. Regering legt de aanbevelingen van de commissie (die onder leiding stond van Borst-Eilers) naast zich neer.
– 1996: Start rijksgesubsidieerd “Kwaliteitsbeleid alternatieve beroepsorganisaties” door NIVEL, CBO en Consumentenbond.
– 1998: Start registratie homeopathica door College ter Beoordeling van Geneesmiddelen.
– 1999: Optreden van “niet-toxische tumor-arts” Houtsmuller als “invited speaker” op KWF-jubileumcongres.’

Ook hier zou je graag zien dat het lijstje ge-update wordt tot de huidige tijd. Maar waar hierbij mijn oog vooral op viel, was dit jaartal:

‘1975: KNMG-jaarcongres (Zwolle) over “randgebieden der geneeskunde”: homeopathie, antroposofie en acupunctuur. Veel protest in Med. Contact.’

Dat is inmiddels 34 jaar geleden. Een jaarcongres van de Koninklijke Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst waarop over antroposofie wordt gesproken? Daar moest ik het mijne van weten. Op naar Medisch Contact. Daar staat onder ‘Tijdschrift’:

‘het overzicht van het nieuwste nummer van Medisch Contact; Nr. 39 - 24 september 2009 en:
de wekelijkse rubrieken uit Medisch Contact;
het archief;
en informatie voor auteurs.

Het archief van Medisch Contact bestaat uit vele duizenden artikelen uit alle nummers sinds de oprichting. Alle jaargangen tot 2000 zijn in Manilla omgezet naar pdf-bestanden.’

Ik weet niet of dat betekent dat dat monnikenwerk op de Filipijnen in Manilla is gedaan. Daar lijkt het op. Maar ga ik in dat archief zoeken en roep ik een bepaald nummer op, bijvoorbeeld nr. 41 van 10 oktober 1975, dan verschijnt er in de adresbalk dit: http://medischcontact.artsennet.nl/tijdschrift/Manilla-tijdschrift/10-okt-1975.htm. En dat ziet er een beetje gek uit. Manilla-tijdschrift? Dus misschien betekent dat toch iets anders.

In ieder geval, zo is meer te weten te komen over dat KNMG-congres. Dat is wel heel interessant; dat het meteen toen al zo sterk speelde. Op bladzijde 1268 van dat bewuste nummer lees ik, onder de titel ‘Wetenschappelijk gedeelte Maatschappijcongres 1975’:

‘Wetenschappelijk gedeelte Maatschappijcongres 1975, Buitensociëteit-Zwolle
“De Geneeskunde en haar Randgebieden”

Het wetenschappelijk gedeelte van het inmiddels geopende 27ste Ledencongres van de K.N.M.G. is gewijd aan het thema “De geneeskunde en haar randgebieden”. Via een reeks voorpublikaties in Medisch Contact zijn de belangstellenden ingeleid in de problematiek die thans in Zwolle wordt aangesneden.

Zaterdagmorgen zal de voorzitter van de wetenschappelijke commissie, Dr. A. F. Casparie, die beraadslagingen openen. In eerste instantie zal dan een drietal voordrachten worden gehouden: door Prof. Dr. P. J. Thung over “Spanningen en samenspel tussen geneeskunde, geneeskunst en geneeskitsch”; door Dr. C. W. Aakster, “Sociologische beschouwing over de patiënt die de randgebieden van de geneeskunde bezoekt”; door Dr. K. van Dijk over “Politieke en maatschappelijke gevolgen van de eventuele erkenning van de randgebieden van de wetenschap”. Naar aanleiding van deze voordrachten zal een paneldiscussie worden gehouden, geleid door Dr. Casparie die de drie inleiders gelegenheid zal geven nader in te gaan op hetgeen zij dan naar voren hebben gebracht.

De middagzitting is allereerst gereserveerd voor een drietal sectiebijeenkomsten:

1. Acupunctuur – Voordrachten: J. D. van Buren, Prof. Dr. P. E. Voorhoeve, Mevr. J. Overweg-van Kints, P. J. Struelens; voorzitter: H. S. Verbrugh; secretaris: A. A. G. M. Mentink.
2. Antroposofische geneeskunde – Voordrachten: Prof. Dr. B. C. J. Lievegoed, J. van Dam; voorzitter: Dr. A. L. Troostwijk; secretaris: W. G. Sillevis Smitt.
3. Homeopathie – Voordrachten: A. van ’t Riet; Prof. Dr. E. L. Noach; voorzitter: J. F. van Gils; secretaris: P. Been.

Na de theepauze wederom een paneldiscussie: eerst rapportage uit de sectiebijeenkomsten door de voorzitters, dan groepsdiscussie. Dit panel zal bestaan uit de acht sprekers van de sectiebijeenkomsten en Prof. Dr. J. Groen – als voorzitter zal Prof. Dr. M. J. de Vries optreden.
Met een “Filosofische nabeschouwing” zal Prof. Dr. A. de Froe het congres besluiten.

Op de volgende bladzijden alvast samenvattingen van hetgeen de inleiders naar voren zullen brengen.
Verderop in dit nummer herhalingen van inleidende verhandelingen, zoals deze eerder in Medisch Contact werden gepubliceerd, achtereenvolgens over acupunctuur van de hand van H. S. Verbrugh, over antroposofische geneeskunde van J. van Dam en over homeopathie van A. van ’t Riet. Tenslotte nog een bewerkte herhaling van de M.C.-publikatie “Randgebieden van de geneeskunde en de moderne wetenschapstheorie” van eerdergenoemde H. S. Verbrugh, alsmede (nieuw!) enkele impressies over de acupunctuur in de medische literatuur door I. H. P. Oudeman en H. S. Verbrugh.’

Interessante namen treden daar op. Een aantal hebben we op deze weblog al leren kennen. Hugo Verbrugh natuurlijk; die is zelfs tegenwoordig nog alive and kicking op zijn eigen weblog. Maar Erik Noach zijn we ook al een keer tegengekomen. Net als Joop van Dam. Om over Bernard Lievegoed maar te zwijgen, die spant hier de kroon. Ga ik nu naar nr. 44 van 31 oktober 1975, dan wordt daar van het congres de laatste bijdrage gepubliceerd. Die is van Bernard Lievegoed: een vermoedelijk letterlijke weergave van zijn voordracht (of door hem achteraf op schrift gesteld, dat kan ook). En daarmee wil ik dit bericht van vandaag besluiten. Met dank aan Cees Renckens.

Handelingen K.N.M.G.-Congres 1975
Zwolle, 11 oktober 1975

Antroposofische geneeskunde
Aanvulling op de huidige geneeskunde

door Prof. Dr. B. C. J. Lievegoed

Antroposofische geneeskunde is geen ‘nieuwe receptuur’ of ‘nieuwe therapeutische techniek’, maar een onderdeel van een nieuw paradigma van wetenschap, dat behalve in de geneeskunde ook op andere gebieden voert tot een nieuw uitgangspunt van denken en handelen (o.a. in fysica, chemie, biologie, pedagogie en psychologie).

Wat de geneeskunde betreft is het een ‘aanvulling’ op de huidige geneeskunde en eist derhalve een volledige kennis van deze geneeskunde.

De Nijmeegse filosoof Strasser heeft gezegd: ‘Ik filosofeer als iemand die in de westerse cultuur is opgegroeid, ik filosofeer altijd samen met vroegere denkers.’ Deze uitspraak geldt misschien in nog hogere mate voor Rudolf Steiner, die zich tot taak gesteld had om het filosofische en wetenschappelijk denken een ‘volgende’ stap te laten doen. Antroposofie is niet het einde aller inzichten, maar een noodzakelijke stap in de ontwikkeling van filosofie en wetenschap, deze laatste te verstaan als natuur- en geesteswetenschap.

Het nieuwe paradigma van de antroposofische geneeskunde stelt zich tegenover het natuurkundig materialisme en tegenover het paradigma van 1842 toen Müller, Brücke en Dubois Reymond een eed zwoeren dat zij in de mens alleen fysisch-chemische processen zouden laten gelden. Dit paradigma heeft gevoerd tot een biochemisch mensbeeld en een biochemische geneeskunde met een overwegende laboratoriumdiagnostiek en het zoeken naar ‘zuivere’ geneesmiddelen met ‘aantoonbare werkingen’.

Dit paradigma is een bewuste keuze van uitgangspunt plus een methode van wetenschappelijk werken. Elke keuze is, filosofisch gesproken, legitiem, maar beperkt tegelijkertijd de mogelijk te stellen vragen èn de mogelijke antwoorden.

Het biochemisch paradigma is niet onjuist, maar een reductie van de totale mens. Door deze reductie kon op een beperkt gebied ver in de diepten van de biochemische processen worden doorgedrongen. Maar de resultaten zijn altijd beschrijvingen ‘a posteriori’ van wat er is. Vragen naar waarom zo en niet anders kunnen niet gesteld worden, en deze vragen kunnen in bepaalde gevallen van vitaal belang zijn. De fysische wetenschappen richten zich namelijk op de geworden, geschapen wereld, zij zijn causaal ingesteld. De geesteswetenschappen richten zich op een wordende, zich ontwikkelende wereld, waarin zingeving en doelstelling een finale richting bepalen.

Tot zover is de biochemische keuze positief. Onwetenschappelijk worden wij medici, wanneer wij de resultaten van onze gekozen sector uitbreiden over gebieden die buiten onze a-prioristische keuze liggen of nog onwetenschappelijker, wanneer wij het bestaan van andere sectoren van keuzen ontkennen. Ware de medische wetenschap een filosofische kenniswetenschap, dan zou dat niet zo’n bezwaar zijn, maar zij is tegelijk toegepaste wetenschap en dan gaat haar reductionisme iedere mens aan die als patiënt met haar in aanraking komt. Tegenover het materialistische mensbeeld van onze huidige medische wetenschap stelt de antroposofie als axiomatisch uitgangspunt een mensbeeld naar lichaam - psyche en geest (persoon), waarbij de psyche en de geest geen uitvloeisel zijn van de complexi· teit van de materie (Teilbard de Chardin) of van electrochemische informatiesystemen enz. enz., maar waarbij deze eigen bestaansvormen zijn, die volgens eigen methoden kunnen worden bestudeerd.

De wisselwerkingen tussen deze drie werelden, die in de mens naar een dynamische eenheid streven, bepalen uiteindelijk de gezondheid en ziekte èn de ontwikkeling van de mens tot echte menselijkheid. Het zal begrijpelijk zijn dat de antroposofische geneeskunde er naar streeft de mens te onderzoeken en te behandelen naar lichaam, psyche en geest. En dat een causale therapie slechts een therapie kan zijn die alle drie gebieden omvat.

Uit deze doelstelling vloeit voort, dat de antroposofische geneeskunde op drie gebieden probeert de bestaande methoden en wegen tot therapie een stap verder te voeren. Dit betekent ook dat de antroposofische arts in alle opzichten op de hoogte van zijn tijd staat, maar daarnaast een tweede studie, op zich moet nemen in biologisch, psychologisch en ‘pneumatologisch’ opzicht (pneuma = geest).

Van buitenaf gezien is in de antroposofische geneeskunde het meest opvallende: 1. een andere benadering van het levensverschijnsel; 2. een andere benadering van het psychologische gebied; 3. een andere benadering van het geestelijke (de persoon) in de mens. (Dat op deze drie gebieden momenteel al overal aanzetpunten zijn, wordt daarbij met vreugde vastgesteld.)

1. Een andere benadering van het levensverschijnsel.

Leven is niet gebonden aan materie, de materie is juist het minst blijvende in de levensverschijnselen. Leven is een specifiek proces in de tijd en moet ook als zodanig worden bestudeerd (zie bijvoorbeeld Paul Weisz: the science of life).

Bij wisselende materie is het proces van opbouwen afbraak het enige constante. Een levende cel toont een tumultueus gebeuren: stoffen worden opgenomen en uitgestoten, vacuolen ontstaan en verdwijnen enz. Eén druppeltje vergif onder het dekglaasje en ‘de film staat plotseling stil’: wij hebben bet plaatje van de cel uit het leerboek voor ons! Dit plaatje van de ‘niet-meer-Ievende-cel’ moeten wij snel fixeren omdat anders de fysische wetten van de entropie de nagelaten structuur afbreken.

Levensprocessen hebben een ordening in de tijd, met een richting van afloop (opbouw of afbraak) en zijn niet omkeerbaar. Deze levensprocessen in levende organismen, waarvan de cel de kleinste (maar niet de eenvoudigste) is, streven naar een evenwicht, dat wij als ecologie hebben leren kennen. Ons levende lichaam is een duizelingwekkende complexiteit van hiërarchisch geordende ecologische evenwichten tussen cellen binnen een orgaan en organen binnen een organisme.

De ecologie is nog een jonge wetenschap, maar reeds zijn enkele grondwetten bekend: een ‘gezond’ meer bijvoorbeeld is een evenwicht tussen zeer uiteenlopende factoren als klimaat, doorstroming, bacterie, plant- en dierleven, zonnebestraling, windrichtingen enz. Dit gezonde ecologische evenwicht heeft een zekere elasticiteit en kan verstorende invloeden verwerken. Indien echter gedurende langere tijd sporen kunstmest van het land in het water komen, gaan de algen groeien, verbruiken de zuurstof, verstikken plant en dierlijk leven: de ecologie stort ineen, het meer hegint te stinken, het meer is ziek geworden. Een therapie bestaat niet in het bestrijden van de algen! Deze bestaat uit het zorgvuldig opbouwen van het oude of van een nieuw ecologisch evenwicht.

Dit eenvoudige voorbeeld is richtinggevend voor het therapeutisch denken in de antroposofische geneeskunde. De ecologie van het menselijk lichaam wordt al van nature belast door emotionele ingrepen en persoonlijke strevingen – momenteel bovendien door een groot aantal levensvreemde stoffen in levensmiddelen en medicamenten. Dit laatste heeft er al toe gevoerd dat in de U.S.A. 10% van de ziekenhuisbedden door iatrogene ziekten worden bezet.

Het antroposofisch wetenschappelijk onderzoek heeft methoden ontwikkeld om de mate van helasting in een ecologie te meten, vóór deze ineengestort is en als ziekte zichtbaar wordt. Het zeer uitgebreide statistisch-onweerspreekbare onderzoek in deze is tot nu toe gewoon geïgnoreerd! Dit onderzoek is als alle revolutionair onderzoek gedaan met beperkte geldmiddelen en met grote opoffering van de onderzoekers. Wanneer komt hierin een verandering?

Bij het onderzoek naar de kwaliteit en de werkzaamheid van geneesmiddelen worden dezelfde methoden gebruikt. Het gaat er niet om schokachtige werkingen tevoorschijn te roepen die ziektesymptomen doen verdwijnen (of versluieren), maar om werkzame geneesmiddelen te scheppen die op voorzichtige wijze ecologieën herstellen, die processen op gang brengen. Bij de geneesmiddelbereiding wordt in vele gevallen o.a. van de potentiëring van minerale en plantaardige substanties gebruik gemaakt, maar de uitgangspunten zijn andere en meer complexe dan in de homeopathie.

2. Een andere benadering van bet psychologische gebied

Het psychologische veld beweegt zich binnen een aantal psychische kwaliteiten die voor een oppervlakkige beschouwing meest polair gerangschikt zijn. Sympathie-antipathie, hoop-vrees, moed-angst, enz. Aristoteles heeft er al op gewezen dat deze duale kwaliteiten in werkelijkheid uit triaden bestaan. Hij stelt dat niet de tegenstelling moed-angst het juiste is, maar moed tussen overmoed en angst. Deze drieledigheid, bijvoorbeeld gelijkmoedigheid tussen hoop en vrees, is de grondslag voor een therapeutisch werken binnen het psychische gebied, dat weer een directe invloed heeft op de biologische gezondheid.

Denken, voelen en handelen zijn in een voortdurende ontwikkeling in kindheid, jeugd, volwassenheid en ouderdom. Regressies zijn in vele psychotherapeutische richtingen beschreven, maar ook propulsies, te snelle ontwikkelingen zijn ziektemakende oorzaken die tot in de levensprocessen doorwerken. Harmonisering (het vinden van voor de leeftijdsfase juiste evenwicht van de psyche) en activering van de psyche kan plaatsvinden door het ontwikkelen van specifieke kunstzinnige therapieën als schilderen, boetseren, musiceren en vooral heileurythmie. In samenwerking met opgeleide kunsttherapeuten is een geheel nieuw gebied van verrassend werkzame therapieën ontstaan. Voor het kunnen hanteren van deze therapieën zal de arts zelf deze therapeutische kunsten moeten leren kennen.

3. Een andere benadering van bet geestelijke in de mens

De menselijke levensloop is een eenheid, een totaliteit waarin bij bestudering één of meerdere ‘Leit’motieven zichtbaar worden. De menselijke levensloop is een muzikaal-dramatisch geheel, de wetten van het drama zijn van de menselijke levensloop afgelezen. Deze levensloop kan tenslotte al of niet tot vervulling, zingeving en realiseren van de eigen waarheid voeren. Naar de mate dat dat laatste slaagt spreekt men van een zinvol, gelukkig of een tragisch leven. Het geestelijke in de mens wordt voor ons kenbaar in de ontmoeting met de persoonlijkheid: het Ik of Zelf van de mens. Dit Ik wordt zichtbaar in de doelstellingen die men zich stelt. Geestelijk is de mens finaal ingesteld. In zijn psyche werken causaliteit (de levensgeschiedenis) en finaliteit beide. Het al of niet doorbreken van de eigen levensvervulling, het trouw blijven aan zichzelf, kan de grondslag leggen voor acute en chronische ziekten. Bij elke ziekte spelen ook biografische oorzaken een rol; het doen verdwijnen van symptomen (laat staan het verdoven van de geestelijke problematiek met psychofarmaca) is nog geen genezing. Voor een echte genezing moet de arts de verschillende ‘Leit’motieven in het leven van de patiënt leren kennen en vaststellen of deze misschien zijn eigen levenslijn laat wegdrukken of dat hij zijn ik-verwerkelijking met geweld doorzet, waardoor hij zijn sociale betrekkingen vernietigt. In beide gevallen kan vereenzaming optreden.

De arts zal het moeten aandurven met zijn patiënten een existentiële ontmoeting te zoeken. Hij is daarbij niet de beter-wetende toeschouwer, maar wordt in de ontmoeting tot meespeler en medemens, die zijn eigen biografie opent voor een rol in de biografie van de patiënt als medemens. Daarbij speelt een kennis van de geestelijke problematiek in de verschillende levensfasen een belangrijke rol. Een verstarring in een vastgelopen biografie voert tot vervroegde ouderdom en sclerose. Het vinden met de patiënt van een geestelijke uitweg, het weer zien van een doel, kan een verjongende opleving geven en een teruggang van de sclerose.

De geestelijke therapie is vooral van belang voor de tweede levenshelft, ja, is daar zelfs onmisbaar. De antroposofische arts zal daartoe zelf een bewuste ontwikkelingsweg moeten gaan en een warme menselijkheid moeten ontwikkelen.

Slot

De antroposofische arts zal steeds streven naar een totale werkelijk causale therapie. Hij zal daarbij bepaalde onconventionele middelen gebruiken in geneesmiddel – creatieve activering – en existentiële ontmoeting. Voor alle drie gebieden van therapie wordt van dezelfde diagnose uitgegaan, die steeds somatisch-psychisch-geestelijk behoort te zijn.

Hij zal, waar nodig, eventueel in samenwerking met een specialist, levensgevaarlijke situaties couperen met het bekende arsenaal, maar zal daarna nog eens met zijn causale therapie beginnen, die de patiënt zijn individuele levensweg helpt hervinden. Niet alle ziekten zijn geneeslijk, dit behoort tot het levensdrama, maar het is de taak van de arts mèt de patiënt te zoeken naar de zin ook van dit drama. Het kunnen begeleiden van een sterfproces behoort tot de meest menselijke kunst van de arts.

De antroposofische artsen vragen van hun collega’s door hen au sérieux te worden genomen en in een dialoog tot wederzijdse verdieping te komen.

Geen opmerkingen:

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Volgen op Facebook


Translate

Volgers

Herkomst actuele bezoeker(s)

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code

Gezamenlijke antroposofische agenda (in samenwerking met AntroVista)