Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

zaterdag 30 augustus 2008

Historie

Dit zal wel weer een lange bijdrage worden, vrees ik. Op bepaalde momenten komen er een paar dingen bij elkaar. Zo ook nu, en dan heb je veel tekst nodig. – Ik heb een bijzondere voorliefde voor historie, en dat betekent vaak lange verhalen. Volgens mij is het kennen en op waarde schatten van historie een voorwaarde om wat in het heden gebeurt überhaupt te kunnen plaatsen. Goed, eerst een oudere bijdrage van mij aan de AntroBoulevard, op 19 oktober 2006 geplaatst op AntroVista. Het droeg de titel ‘Verrassende nieuwe graalstudie’:

‘Precies achthonderd jaar geleden vond er op het kasteel de Wartburg in Duitsland een strijd tussen minnezangers plaats, die de verliezer met de dood zou moeten bekopen. Deze strijd betrof ridders van zang en woord. Toen echter de vijandelijke partij niet kon winnen en de hulp inriep van de duistere magiër Klingsor, moest zanger Wolfram von Eschenbach alle zeilen bijzetten om te overwinnen. Wolfram von Eschenbach kennen wij nu nog als de auteur van de meest volmaakte vertelling over Parzival die er bestaat. Ridder Parzival die op zoek gaat naar de graal; een veel geroemde complete Nederlandse vertaling door vrijeschoolleerkracht Leonard Beuger is in 2002 verschenen in de reeks Ambo Klassiek.

Het is lang geleden dat er in Nederland een grote zelfstandige studie over Parzival en de graal vanuit antroposofische invalshoek is verschenen. “Tempel en graal” van Wim Veltman uit 1992 was de laatste. In oktober verscheen echter opeens uit het niets “Het graalmysterie van Parzival”, dat niet alleen een grootse, maar ook een diepgaande opzet kent en het geheel voor een Nederlands publiek opnieuw en met veel frisheid ontsluit. Het neemt het werk van Steiner voor een belangrijk deel als basis en bouwt voort op ontdekkingen op graalsgebied door verschillende antroposofen na hem: W.J. Stein, Meyer, Teutschmann, Lampe en Veltman.

De schrijfster, Benita Kleiberg, vertelde bij de presentatie in Rotterdam dat zij een paar jaar geleden de Wartburg bezocht. De zangersstrijd fascineerde haar en in het bijzonder de figuur van Klingsor, zij ging zelfs naar Sicilië om daar de resten van zijn toverslot op te sporen. Toen zij echter de Parzivalvertaling van Beuger in handen kreeg, sloeg de vlam in de pan. De machtige imaginaties, als beelden die tot iedere mensenziel in onze tijd spreken, brachten haar ertoe haar eigen graalsweg te gaan. Zij rustte niet voordat ze alles wat van belang was bijeen had gebracht, om licht te kunnen werpen op het verhaal van Parzival en de heilige graal.

Opvallend aan het boek is dat zij daarbij niet alleen een uitvoerig gebruik maakt van het werk van Rudolf Steiner, maar dat zij met hetzelfde gemak put uit de publicaties van Jan van Rijckenborg, oprichter van het Haarlemse Lectorium Rosicrucianum. Wat Kleiberg voor alles nastreeft, is een wetenschappelijke benadering, waarbij een integratie van antroposofische en christelijk-gnostische invalshoeken plaatsvindt. Zij heeft een bijzondere prestatie geleverd die respect afdwingt.

Benita Kleiberg, “Het graalmysterie van Parzival”, Rozekruis Pers Haarlem, 288 blz.’

Ik werd hieraan herinnerd door een artikel op de website van de in Duitsland levende Noor Jostein Saether. Om iets meer van hem te weten te komen, wie hij is, wat hij doet en wat hij heeft meegemaakt, kan ik het beste het begin van een artikel over Saether uit Bruisvat 6 (2001) citeren, van de hand van Ezrah Bakker, dat al een paar jaar op zijn Zachariël-website staat:

‘In 1999 verscheen het boek “Wandeln unter unsichtbaren Menschen” van Jostein Saether. Het boek is een hoogstpersoonlijk verslag van Saether’s ervaringen op het gebied van zijn eigen incarnatie-onderzoek. Opmerkelijk hierbij is de grote hoeveelheid herinneringen aan incarnaties die tot in oeroude tijden teruggaan. Een bijzondere plaats is daarbij ingeruimd voor herinneringen aan Atlantis. In 2001 verscheen de Engelse vertaling.

Jostein Saether (1954) is afkomstig uit Noorwegen. Op zijn 17e had hij een intensieve droom die onmiskenbaar op een vorig leven scheen te wijzen. Als twintiger kwam hij op het spoor van de verschillende karma-oefeningen die vervat zijn in het werk van Steiner; zo rolde hij de antroposofische beweging binnen. Daarbinnen werkte hij als pedagoog en kunstzinnig therapeut. Als veertiger beleefde hij midden in een levenscrisis een grote doorbraak in zijn vermogens om incarnatie-onderzoek te doen. Dit mede omdat hij in de loop der jaren gaandeweg zelf tot nieuwe onderzoeksmethoden was gekomen. Hij besloot ermee naar buiten te treden, omdat het antroposofisch incarnatie-onderzoek sinds Steiner op een laag pitje was komen te staan. Saether’s primaire drijfveer is echter de overtuiging dat incarnatie-onderzoek per saldo grote mogelijkheden biedt om spanningen tussen mensen te verminderen c.q. vruchtbaar te maken, omdat men zo de diepere achtergronden van persoonlijke relaties kan leren onderkennen. De persoonlijke consequenties van zijn openbaarmaking liegen er echter niet om. Vele vrienden en familieleden hebben het contact verbroken. De redactie van het internationale antroposofische verenigingsblad ‘das Goetheanum’ was een jaar lang niet in staat iemand te vinden die zijn boek überhaupt wenste te bespreken. Het doodzwijgen en gepraat achter zijn rug om namen uiteindelijk zulke groteske vormen aan, dat Jostein Saether eind 2000 uit de “Hogeschool voor Geesteswetenschap” is gestapt.

De kern van Saether’s onderzoeksmethode is, wat hij noemt, het ‘bouwen van een hut’: het creëren van een veilige plaats in je eigen binnenwereld van waaruit je op onderzoek uitgaat. Dit gaat allemaal niet van vandaag op morgen: reïncarnatie-onderzoek is niet een hobby die eenvoudigweg opgepakt kan worden. Saether heeft zelf thuis een ruimte gecreëerd die al een bepaalde veilige sfeer heeft, en aldaar begeleidt hij mensen bij hun eerste onderzoekstappen. Begeleiding is toch zeer van belang, aangezien er welzeker bepaalde risico’s aan reïncarnatie-onderzoek kleven. Ook aan de eigenlijke hoofdmeditatie gaat nogal wat vooraf, nog afgezien van het feit dat de mensen met wie Saether wil werken, doorgaans al een lange weg op het gebied van innerlijke ontwikkeling hebben doorlopen. Zo wordt er uitgebreid bij de biografie stilgestaan met de vele wetmatigheden, zoals 7-jaarsritmen, spiegelmotieven en dergelijke, om uiteindelijk gaandeweg enkele hoofdmotieven op het spoor te komen.’

Op zijn eigen website Gamamila (de herkomst van die aparte naam wordt in het artikel van Ezrah Bakker uitgelegd), die Saether pas in februari van dit jaar is begonnen, met het bijbehorende weblog dat hij sinds mei bijhoudt, is over zijn profiel onder meer het volgende te lezen:

‘2002 trat ich aus der AAG [Algemene Antroposofische Vereniging, MG] wegen einer Kontroverse mit dem Vorstand in Dornach aus. Ich pflege aber weiterhin gute Kontakt zu vielen Mitgliedern der beiden Organisationen. [Bedoeld is ook de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap, MG.]

Seit der Begegnung mit der Anthroposophie übe ich Karmaübungen und Meditationen nach Rudolf Steiner – der Initiator der Anthroposophie. Nach einem Burnout im Jahre 1995 intensivierte ich die Karmaübungen, was dann im Herbst 1996 zu umfassenden karmischen und geistigen Erkenntnissen führte.
Ab 1997 widme ich mich der übersinnlichen Forschung, gebe Vorträge und Seminare, leite Arbeitsgruppen und berate zur geistigen Schulung in u. a. Norwegen, Großbritannien, Deutschland und Spanien. (...)

Seit 1998 bin ich verheiratet; ich lebe mit meiner Frau und unserem Sohn in Saarland (DE). Ausserdem ich bin leiblicher Vater von 2 Töchtern und 2 Söhne. Ich bin norwegischer Staatsbürger und ausser Norwegisch beherrsche ich Schwedisch, Englisch und Deutsch.’

Inmiddels is zijn tweede boek bij Ch. Möllemann Verlag verschenen: ‘Einstimmen aufs Karma – Ein Wegbegleiter durch dynamische Meditation zu karmischem Hellsehen’. De onvolprezen Michael Eggert heeft dit boek recent op zijn drukbezochte website, die al jaren bestaat en de eigenaardige titel ‘Egoisten’ draagt, zeer welwillend besproken (zie mijn blogroll helemaal onderaan). Overigens haalt Jostein Saether deze recensie ook aan op zijn eigen weblog.

Waar het mij vandaag om gaat, is een artikel dat hij gisteren op zijn weblog aanprees (met meteen een directe link er naartoe), dat hij in 1984 voor het Zweedse tijdschrift ‘Antropos’ heeft geschreven. Hij was hiervan redacteur tussen 1980 en 1988. Het artikel werd overigens in 1994 opnieuw gepubliceerd (ik kan alleen niet ontdekken waar, aangezien Saether aangeeft dat dit tijdschrift intussen ter ziele was). Bij een recent bezoek aan Järna in Zweden herontdekte hij dit artikel en besloot het voor zijn website in het Duits te vertalen. Zo kom ik erop. Ik laat hier het gedeelte volgen waarin hij over de middeleeuwse historie schrijft. Het is het gedeelte dat in de opeenvolging het cijfer ‘5’ heeft gekregen; het begint bij de Griekse wijzen Plato en Aristoteles (vergeet vooral niet naar de prachtige illustraties te kijken). Ook de rest is interessant, maar wat te al te lang voor hier; wie wil kan het eventueel zelf via de link gaan lezen.

‘Plato stand noch in der Schlussphase von den Aufgaben der uralten Mysterien mit Verankerung in der Leitung planetarischer Wesen und in der Sternenweisheit. Plato war der Erste, der die Fackel empfing und die Flamme in der Grotte der Seele entzündete. Er ist in der Grotte stehen geblieben, und zuerst in der Gegenwart wartet er auf die Möglichkeit, herausgerufen zu werden. Aristoteles dagegen ging mit der Fackel aus der Grotte heraus und zündete der Funke im Wesen des jeden Dings in der Welt. Er gründete die Philosophie als Wissenschaft mit der Vielfalt von systematischen Lehren, die wir noch heute haben als Treppe hinauf zu den Pyramiden der Gelehrsamkeit.

Mit Mohammed und mit dem Islam geschah im 7. Jahrhundert ein Aufwachen in der Verstandeskultur der Seelenkräfte, die ein sublimes Verhältnis zum göttlichen Vaterwelt entwickelte. Die christliche Kultur entwickelte gleichzeitig die Seelenkräfte, die das Leben der Seele nach dem Tod aufblühen wollte in der Nachfolge des göttlichen Sohnes. Das muslimische Gebet - Richtung zur Erde. Das christliche Gebet - Richtung zum Himmel.

Eine Vielfalt Polarisierungen ging weiter, und umwechselnde Verhaltensweisen lebten sich aus bei Individuen und in verschiedenen Ländern und lösten sich ab während des Mittelalters. Die Polarisierung zwischen einer Art Sonnenkultur und einer Mondenkultur verstärkte sich ab dem 11. Jahrhundert mit den Kreuzzügen, mit den Gründungen vieler christlicher Orden und mit der Konsolidierung der muslimischen Welt während der Herrschaft Saladins - Salah ad-Din Yusuf bin Ayyub - im 12. Jahrhundert.

Der Übergang von einem Raphael- zu einem Samael-Zeitalter geschah im Jahre 1190. Der dritte Kreuzzug war im Gang, aber als Friedrich Barbarossa starb beim Ertrinken während eines Feldzugs und Richard 1. von England, genannt Löwenherz, wegen politischen Unruhen im Heimatland gezwungen wurde, umzukehren, misslang die Wiedereroberung Jerusalems für lange Zeit.

Als die Kathedrale von Chartres im Jahr 1194 nieder brannte, dämmerte eine neue Zeit. Wie in einem Brennpunkt sammelten sich nun all die christliche Bildung und Innerlichkeit, die sich entwickelt hatten durch die Breite der Lehrer und Schüler, die auf diesem heiligen Platz der Mutter während 200 Jahre gewirkt hatten. Namen wie Fulbert, Bernhard von Chartres, Bernardus Silvestris, Gilbert de la Porée, John of Salisbury, Alanus ab Insulis wurden in die vielfältigen Kunstwerke der Kathedrale eingeordnet. Die Kirche wurde in weniger als dreißig Jahren gebaut.

Gleichzeitig als diese und andere gotische Kathedrale sich gegen den Sternen rund um in Europa sich erhoben, fand eine andere künstlerische und spirituelle Konfrontation statt. Worte und Töne begegneten sich in einem Brennpunkt im sogenannten Sängerkrieg auf der Wartburg im Jahre 1206.

Minnesänger und Dichter trafen sich auf dieser Burg mitten in Europa auf einem Platz, der während der späteren Hälfte des 20. Jahrhundert an der Grenze der geteilten Europa gelegen hat, eine Sache, die wir nun fast vergessen haben. Sie trafen sich, um der Gunst der Fürsten und der Hofdamen zu genießen. Walter von der Vogelweide, Wolfram von Eschenbach, Reinmar von Zweter kämpften um die Ehre der Fürsten und um ihr eigenes Ansehen. Aber es gab einer, der gegen allen anderen war: Heinrich von Ofterdingen.

Falls Heinrich verlor, sollte er erhängt werden. Der Henker war schon ernannt. Heinrich entzog sich der Sache und rief der Zauberer Klingsohr von Ungarn. Dieser wirkte mit in diesem Sängerkrieg so, dass er mit Hilfe eines singenden Jünglings auf die Stelle des Heinrichs von Ofterdingen eintrat. Klingsohr lockte sozusagen den Geist wieder in die Flasche, er ließ geistige Wesen anwesend sein, und er fügte ein solches Wesen in die singende Seele des Jünglings ein.

Wolfram von Eschenbach, der Gralssänger, wurde gedrängt und erst als er begann vom heiligen Abendmahl zu singen, von der Anwesenheit Christi in der Transsubstantiation, musste der Geist weichen. Aus diesem Geist wuchs eine Vielfalt von Wesen, die sich über die Erde verbreiteten. Idole nannte Rudolf Steiner diese Art von geistigen Wesen, die im Schicksalsfeld entstehen. Es gelang Klingsohr, der die Sternenweisheit besaß, Wolfram zu beweisen, dass dieser ein sternenloses Christentum besaß. Der Gralssänger kannte nur dasjenige, welches ausgelassen hatte das kosmische Christentum. Klingsohrs Weisheit aber hatte nicht das irdische Christentum aufgenommen, weswegen seine Kunst eine Auswirkung von schwarzer Magie hatte.

In diesem Zusammenhang führt es zu weit, die karmischen Verläufe vorzuführen, die die betreffende Individualität durchging. In den Karmavorträgen informiert Steiner von diesen Motiven. Das Wichtige in diesem historischen Beispiel ist die allgemeine Tendenz des Wesensartigen, das weitergeht. Dieselben geistigen Wesen, die heraus beschworen wurden bei diesem Sängerkrieg im Mittelalter, tauchten wieder auf im 19. Jahrhundert im Vorspiel am Kampffeld, wo Michael sein Zeitalter vorbereiten sollte. Und während der Jahre vor 1879 mussten die Mitarbeiter Michaels in den erdnahen übersinnlichen Feldern diesen Wartburg-Wesen in neuen Ringen begegnen. Diejenigen Wesen, die damals zwischen 1840-79 nicht verwandelt werden konnten, sangen Gesänge für viele Wissenschaftler, Philosophen, Autoren, Denker, Erfinder, Politiker und andere, meist Männer, während dieser Jahre und später. Und diejenigen, die von anderen Geistern inspiriert wurden, verstummten oder wurden eingeschüchtert. Außer eine Anzahl, die gegen den Strom gingen.

Zurück zum Jahr 1206.

Weit drüben in Asien wurde ein begnadeter und imponierender mongolischer Leiter Namens Temüüdschin von seinem Volk huldigt. Er bekam den Titel Dschingis Khan. Während den folgenden Hundert Jahren wurde durch die Leistungen dieses Mannes die Machtbilanz der ganzen Welt verändert. Viele dieser Mongolen, die sukzessiv enorme Landstriche im Süden und im Westen unter sich legten, wurden Christen.

Der Großkhan Möngke (regierte die Mongolei zwischen 1251-59) soll nach einigen Historikern wie viele Männer in seiner Umgebung selbst Nestorianer gewesen sein. Er gönnte auch den Buddhismus und den Taoismus und er schützte den Islam. Diese bewusste Toleranz war eine Konsequenz der ursprünglichen Volksreligion der Mongolen, ein Animismus, wo die Welt von Naturwesen und Göttern bevölkert ist. Alle Priester, die man dachte, dass sie über geistige Mächte einen Einfluss hatten, wurden von den Mongolen respektiert, unabhängig der religiösen Zugehörigkeit. Ludwig IX, der Heilige, schickte den flämischen Franziskanermönch Wilhelm von Rubruk (Willem van Ruysbroek) als Gesandter zu Möngke.

Gleichzeitig waren in Paris die Dominikaner Albertus Magnus und Thomas von Aquin (1225-74) wirksam an der Universität, um zu christianisieren die aristotelische Philosophie, die jetzt Europa in arabischer Abzapfung bekommen hatte. Bernard Lievegoed beschreibt in seinem Buch “Über die Rettung der Seele” die folgende Situation am Schluss des Lebens von Thomas: “Es kommt ein Augenblick im Leben von Thomas, als er eine innere Offenbarung kriegt. Er schaut dann, wie sein wahres geistiges Wesen sich in der Lichtsphäre der Sonnenwelt offenbart. Nach dieser Erfahrung zieht Thomas sich zurück vom öffentlichen Leben und sagt kein Wort mehr. Er schweigt.”

In diesem letzten Schweigen erschien für Thomas das innere Bild des Jahres 1206. Mit seinem himmlischen und irdischen Karmamöglichkeiten. Eine der Möglichkeiten war, dass nach 1250 die christliche Welt in Europa hätte der mongolischen Gefahr mit ausgestreckten Armen begegnen können. Eine atlantische Frage wurde der Christenheit gestellt. Trotz z. B. den Empfehlungen des englischen Königs Edward I (1272-1307), dass man sich mit den Mongolen alliieren sollte, begegnete Dschingis Khans Nachfolger bei den Christen eine massive Unverständnis und eine konsequente Eigenmächtigkeit. Und die mongolische Seele wurde aus moralischen Gründen muslimisch, rechtschaffen. Europa zeigte Asien den Rücken und segelte bald gegen den Westen mit dem Christentum der Kanone. Das Gold lockte. Das Gold der Erde.’

Geen opmerkingen:

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Volgen op Facebook


Translate

Volgers

Herkomst actuele bezoeker(s)

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code

Gezamenlijke antroposofische agenda (in samenwerking met AntroVista)