Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

vrijdag 9 mei 2014

Trots of voldoening

‘Gedoe over ballonnen bij Amstelveense kinderdagverblijven’ schreef ‘dichtbij-meeschrijver’ ‘Opvang Anders’ vandaag op ‘Dichtbij.nl’:
‘“Is dit nou chique?”, vraagt de antroposofische kinderopvang Opvang Anders zich af. Aan de auto’s van ouders die hun kinderen vrijdagmorgen kwamen brengen, waren ballonnen bevestigd van concurrent Compananny.

Opvang Anders laat in het meeschrijfbericht weten: “Ouders en medewerksters zijn ontdaan door deze manier van reclame maken. De directie van Opvang Anders reageert verbaast. Wij zijn al meer dan 15 jaar een kleine, specifieke opvang aanbieder in Amstelveen, deze manier van elkaar beconcurreren is nieuw. Tot op heden hebben wij altijd prettig collegiaal contact met zowel grote als kleine opvang organisaties. We ontmoeten, kennen en respecteren elkaar.

Natuurlijk maakt iedereen reclame, zeker in deze tijd is dat nodig, maar we doen dit altijd met respect voor elkaar. Het is ook niet nodig het op deze manier te doen. Tevreden ouders, die een inhoudelijk bewuste keuze hebben gemaakt laten zich niet verleiden door een ballon, maar het is gewoon niet chique.”

Reactie Compannany: “Misverstand”

De vestigingsmanager van het Amstelveense Compananny laat weten dat er bij het ophangen van de ballonnen niet is gerealiseerd dat ze in de straat van een collega-kinderdagverblijf bezig waren. “Het is bedoeld om moeders in het zonnetje te zetten en absoluut niet om klanten te werven”, zegt Rachel van Erkel. “Vorig jaar is dit ook al per ongeluk gebeurd, maar toen heeft Opvang Anders het laten gaan omdat we toen nog niet in Amstelveen gevestigd waren.”

Inmiddels is Compananny met een bloemetje bij Opvang Anders langs geweest om excuses aan te bieden.’
Dichtbijredacteur Uhro van der Pluijm schreef vandaag ‘Schoolbesturen houden komst vrije school in Noord tegen’:
‘Amsterdam – Er komt waarschijnlijk toch geen vrije school in Noord. De gemeente heeft de toezegging die eerder gedaan werd aan de oprichters, ongedaan gemaakt. De drie grote schoolbesturen in Noord wisten de gemeente op een procedurefout te wijzen.

Dat meldt het Parool. Een groep ouders had zich in september 2013 bij de gemeente gemeld omdat zij een vrije school op wilden richten. Om de oprichting te versnellen, zou de school van start gaan als dependance van de Geert Groote School in Zuid. De gemeente zegde daarop toe en wees een gebouw aan de Klimopweg toe aan de nieuwe vrij school. Die toezegging werd na drie weken weer ingetrokken.

De schoolbesturen Asko, Amos en Stichting Openbaar Onderwijs Noord hadden inmiddels namelijk ook kennis genomen van het oprichten van de vrije school in Noord. Daarbij werd ook een procedurefout aan de kant van de gemeente ontdekt: De nieuwe school was niet opgenomen in het plan van scholen. Dat is tegen de regels en dat betekent dat het oprichten van de school onwaarschijnlijk is. Er stonden al 115 kinderen ingeschreven bij de school.

Wethouder Freek Ossel geeft tegenover de krant toe dat er fouten zijn gemaakt, maar de bal ligt volgens hem nu bij de schoolbesturen. De gemeente ziet nu alleen nog een bemiddelende rol voor zichzelf: Zij willen de schoolbesturen en de vrije school bij elkaar brengen, de schoolbesturen zien daar weinig in. De Vrije School Noord heeft een advocaat in de arm genomen. Zij denken in hun recht te staan.’
Lex Schuijl schreef op 2 mei in de ‘Harderwijker Courant’ over de ‘Meest sociale ondernemer van Harderwijk’:
‘Op de Vrije School Valentijn is juf Marjan Deurloo in het zonnetje gezet als meest sociale ondernemer van 2014.

De Socialistische Partij in Harderwijk heeft op 1 mei, de Dag van de Arbeid, een oorkonde uitgereikt aan de meest Sociale Ondernemer van 2014. Namens de SP overhandigen Catherine Rousseau en Mirjam Janson de oorkonde aan Marjan Deurloo van “Juffie in ’t groen”. De SP in Harderwijk wil met dit initiatief ondernemers in Harderwijk stimuleren om vooral sociaal, milieu- en maatschappijbewust te ondernemen.

Janson vindt Marjan Deurloo de terechte winnaar. “Zij heeft met grote voorsprong gewonnen, uit al die reacties die bij SP Harderwijk zijn binnengekomen. Juffie in ’t Groen is het meest sociaal omdat Deurloo met haar bedrijf mensen weet te stimuleren om duurzaam en creatief met de natuur om te gaan.”

Juffie is het initiatief van Marjan Deurloo, landschapsecoloog, ecologisch hovenier, vormgever en educator. “Als landschapsecoloog zie ik dat in veel steden en dorpen zoveel groen is verdwenen en vervangen door steen en asfalt. Ik wil meer natuur naar de mensen brengen. We gebruiken het landschap om kinderen en volwassenen bewuster te maken van hun omgeving. We zien ook zoveel ‘grijze’ schoolpleinen waardoor de kinderen de natuur missen. Daarom streven we naar meer natuurlijke schoolpleinen en speelplaatsen, waar kinderen kunnen knoeien met zand en water, klauteren over boomstammen, klimmen in bomen en verstoppen in de struiken. Een mooi voorbeeld in Harderwijk is de Vrije School Valentijn, waar we van 2008 tot 2010 aan hebben gewerkt. De kinderen voelen zich hier helemaal thuis in een omgeving waarin de natuur zijn gang mag gaan maar waar zij zich kunnen uitleven en tegelijkertijd ook veel over de natuur leren.”’
Het ‘News Team’ van ‘gezondheid.blog.nl’ kwam eergisteren met het bericht ‘Tekà Kappers strijdt tegen verspilling’:
‘Tekà Kappers (1983, Addis Abeba, Ethiopië) komt als kind naar Nederland en wordt opgenomen in een gezin dat woont op een boerderij in Hierden, Gelderland. Vader en broer zijn beiden landbouwingenieur. In Tekà’s opvoeding staat de natuur centraal. Na de middelbare school weet hij het zeker: een opleiding in biologisch-dynamische landbouw aan de Warmonderhof in Dronten moet het zijn. Sinds zijn 18e werkt hij bij biodynamisch landbouwbedrijf Zonnehoeve te Zeewolde, waar hij inmiddels mede-eigenaar is.

Waar komt melk vandaan?

Tekà werkt als één van de vier ondernemers bij Zonnehoeve en runt de veehouderij en akkerbouw. Volgens Tekà is het cruciaal om het verhaal van de biologisch-dynamische landbouw te vertellen. Uit onderzoek van de Britse milieu-organisatie LEAF blijkt dat 60% van de Britse jongeren niet weet dat melk van een koe komt.

Tekà wil Zonnehoeve uitbreiden met het initiatief “Zuivelfabriek” om zelf zuivel te verwerken. Hij doet dit via crowdfunding op doorgaan.nl, het initiatief van ondernemersverzekeraar De Amersfoortse.

Voor ruim 1 miljard euro aan biologische voeding in Nederland

Biologisch eten is here to stay en de kennis over de oorsprong van ons voedsel wordt steeds belangrijker. Motieven zijn gezondheid, hart voor de natuur en natuurlijk de smaak. Zonnehoeve speelt hier op in en heeft decennialange ervaring met het produceren, het delen van kennis hierover en de lokale verkoop van biodynamische producten. De vraag naar biologische producten groeit al meer dan tien jaar. Waar Nederlanders in 2002 nog minder dan 400 miljoen euro aan biologische producten uitgaven, gaven ze in 2012 al meer dan 1 miljard euro hieraan uit. Daarom is dit volgens Tekà het juiste moment om te starten met een nieuw initiatief in de vorm van een eigen fabriek om biodynamische zuivel te produceren. Via crowdfunding op doorgaan.nl wil hij dit idee realiseren.

Tekà: “De vraag naar onze lokale biologische producten groeit. Onze producten zijn goedkoper dan in de winkel, gezonder en lekkerder van smaak. Veel mensen bezoeken onze boerderij. Wij helpen ze hier (her)ontdekken waar ons voedsel vandaan komt. Dat zorgt ervoor dat ze gezonder en bewuster omgaan met eten. Een dag op de boerderij is een leerzaam avontuur. De meeste bezoekers zien we vaker terug, zowel op de boerderij als in de winkel. Gelukkig maar, want we hebben mensen nodig om de toekomst te creëren voor onze vorm van landbouw en daarmee voor het welzijn van de mens.”

Eerste biologisch-dynamische boerderij

Tijdens zijn studie kwam Tekà voor het eerst met Zonnehoeve in aanraking. “Het bedrijf was in 1981 de eerste boerderij in de polder waarvan de grond werd vrijgegeven voor de biologisch-dynamische productie.” Zonnehoeve beschouwt zichzelf als een klein dorp, een soort gemeenschap. Verschillende ondernemers zijn verantwoordelijk voor de tuinbouw, stoeterij, bakkerij en zorg. Op Zonnehoeve wonen permanent 20 zorgcliënten die helpen bij de productieprocessen. Uitgangspunt is het creëren van producten met respect voor mens en milieu. Het doel is de duurzame en rendabele landbouw te verbreden tot een duurzame samenleving.

100.000 euro voor Zonne Zuivel

De Nederlandse biologische melkveehouderij is met een aandeel van 1,2% in de totale melkproductie klein. De melk van de koeien die niet wordt opgedronken of verkocht op de boerderij gaat door naar een fabrikant waar het verder wordt verwerkt. Met het initiatief Zuivelfabriek wil Tekà deze melk zelf verwerken tot biodynamische producten en aanbieden onder het merk “Zonne Zuivel”. De productlijn zal bestaan uit halfvolle melk, karnemelk, yoghurt, kwark, boter, hangop en kevie. In totaal is 100.000 euro nodig om de beschikbare ruimte klaar te maken voor het zuivelverwerkingsproces. De eerste 55.000 euro wil Tekà verzamelen op het crowdfundingplatform doorgaan.nl, het platform waar elke Nederlander ondernemers kan helpen door een financiële bijdrage te leveren, te liken of te sharen. Het plan is om een coöperatie op te zetten waarvan consumenten door deelcertificaten zelf “mede-eigenaar” worden. In de beginfase produceert Zuivelfabriek zo’n 750 à 800 liter zuivel per week. De producten worden regionaal afgezet via de Hofwebwinkel en de winkel van de boerderij. www.zonnehoeve.net
Dan nog wat ouder nieuws, van 14 april op de website van het Louis Bolk Instituut, dat een beetje tussen de wal en het schip is geraakt. Daarom nu alsnog ‘Pledges met partners in de zorg ondertekend’:
‘In het kader van het programma Alles is Gezondheid heeft Machteld Huber drie pledges ondertekend met GGD Nederland, Emile Thuiszorg en werkgroep Positieve Gezondheid Noordelijke Maasvallei.

Tijdens het landelijke NCVGZ-gezondheidscongres van 11 april 2014 in Rotterdam heeft Machteld Huber van het Louis Bolk Instituut drie pledges (plechtige beloften) ondertekend in het kader van het programma Alles is Gezondheid.

Zo hebben wij met GGD/Nederland afspraken gemaakt om gezamenlijk het begrip positieve gezondheid verder te concretiseren, in de vorm van onderzoeksinstrumenten, beleidsadvisering en in de praktijk van de gezondheidsbevordering. Met de werkgroep Positieve Gezondheid van de Noordelijke Maasvallei is afgesproken dat we de gezondheid van mensen bevorderen en chronische ziekten voorkomen door een integrale aanpak in de omgeving waarin mensen wonen, werken en leren. Ook bij de organisatie Emile Thuiszorg gaan we het concept Positieve Gezondheid concretiseren en implementeren.

Het concept Positieve Gezondheid is door het Louis Bolk Instituut ontwikkeld en wordt volop geïmplementeerd in de zorg.

De pledges zijn onderdeel van het nationaal preventie programma “Alles is gezondheid”. De integrale teksten van de pledges kunt u nalezen:
Pledge Louis Bolk Instituut en GGD Nederland
Pledge Louis Bolk Instituut en Noordelijke Maasvallei
Pledge Louis Bolk Instituut en Emile Thuiszorg
En nog zo’n bericht tussen de wal en het schip is ‘Sociale driegeleding in de Kunsthal!’ van 28 maart op de website van Driegonaal (zie ook ‘Wereldbeelden’ op 3 mei):
‘13 september 2014 tot en met 11 januari 2015 in de Kunsthal in Rotterdam:
Rudolf Steiner, de alchemie van het alledaagse
Rudolf Steiner in de Kunsthal:
sociale driegeleding en associatieve economie in de Kunsthal!

De Arnaud Joannes Stichting zoekt mensen die meedenken en meedoen om bijvoorbeeld de volgende activiteiten (in samenwerking met de Kunsthal) te organiseren:

– een “markt” waarop alle organisaties, ondernemingen e.d. die zich bezighouden met sociale driegeleding en/of associatieve economie zich kunnen presenteren
– een symposium over associatieve economie
– andere bijeenkomsten/gespreksavonden/workshops e.d. over thema’s uit de sociale driegeleding
– het voorbereiden/realiseren van een “lesbrief” bestemd voor middelbare scholen (economie/maatschappijleer) en het verzorgen van ‘lessen’ sociale driegeleding / associatieve economie voor geïnteresseerde schoolklassen tijdens hun bezoek aan de Kunsthal
– tevens worden verschillende publicaties voorbereid die ter gelegenheid van de expositie in de Kunsthal zullen verschijnen.

De expositie in de Kunsthal biedt een unieke gelegenheid om Rudolf Steiner onder de aandacht te brengen als sociaal vernieuwer. Kan en wil je een bijdrage leveren aan de voorbereiding en realisering van een of meer van deze activiteiten?

Neem dan contact op met de Arnaud Joannes Stichting: john@hogervorst.info
www.ajstichting.nl

Meld het ook via bovenstaand emailadres wanneer je op de hoogte gehouden wil worden van de komende activiteiten.’
Op 4 mei stelde de website van de aanpalende Uitgeverij Nearchus de vraag ‘Op elkaar bouwen?’ en gaf daarbij dit antwoord:
‘“...de gedachte dat zo- en zoveel mensen werken opdat daarmee een minimale basis voor het levensonderhoud gelegd is – is onverbrekelijk verbonden met een andere gedachte, namelijk dat men de gemeenschap weer terug moet geven, niet in geld maar in werk, wat een ander aan werk voor jou verricht heeft. Pas wanneer mensen zich verplicht zullen voelen de hoeveelheid werk die voor hen verricht is ook weer in de vorm van werk terug te geven, pas dan leeft er werkelijke interesse voor de medemens. Dat de ene mens de ander geld geeft, betekent slechts dat men de ander aan de leiband heeft, dat men hem als een slaaf kan leiden en dwingen voor zich te werken.”

Een citaat van Rudolf Steiner (voordracht van 30/11/1918, gepubliceerd in We kunnen op elkaar bouwen). Misschien niet voor iedereen even leuk om er kennis van te nemen, maar in deze gedachtegang ligt een belangrijke reden om het idee van het onvoorwaardelijke basisinkomen resoluut af te wijzen.

(Daar gaat het komende dinsdagavond over in het Studiecentrum voor Anthroposofie in Den Haag).’
Dan komen we op de homepage van de Antroposofische Vereniging sinds een week als ‘Laatste nieuws’ de ‘Jaarvergadering AViN 2014’ tegen. Volgen we ‘Lees verder »’ komen we uit bij:
‘Het bestuur van de Antroposofische Vereniging in Nederland nodigt alle leden van harte uit tot het bijwonen van de jaarvergadering op zaterdag 7 juni a.s. in het Ionagebouw te Driebergen.

Met het jaarthema “‘Het ik kent zichzelf’ – in het licht van een Michaëlische aanvaarding van de wereld” wordt de lijn van vereniging naar individualiteit verder doorgetrokken. Met deze zin opent het artikel over het jaarthema 2014/15 van de AAG. Door dit thema ook voor Nederland tot jaarthema te benoemen sluiten wij ons er niet alleen innerlijk bij aan, maar drukken daar tevens mee uit dat wij deel uitmaken van de Algemene Antroposofische Vereniging. Het thema staat centraal op het programma. Wij zijn zeer verheugd dat Paul Mackay, bestuurslid van de AAG, komt inleiden over het thema. Na de inleiding zal er gelegenheid zijn om daar in groepen met elkaar aan te werken.

Over het thema opvolging van de voorzitter en daarmee verbonden bestuurswisselingen wordt in Motief en op de website van de vereniging bericht. Helaas is het bestuur hierover niet tot een eensluidend advies kunnen komen; het is mogelijk dat zich tussen het moment van schrijven van dit bericht en de jaarvergadering nog wijzigingen in standpunten kunnen ontstaan, daarover wordt u op 7 juni geïnformeerd.

In het middengedeelte van de vergadering worden het jaarverslag 2013, de jaarcijfers 2013 en de begroting 2014 gepresenteerd. De penningmeester verduidelijkt de jaarcijfers 2013, en zal vooraf ingediende vragen daarover bespreken. Naar aanleiding daarvan kunnen de leden zich uitspreken over de “rekening en verantwoording 2013”: goedkeuring van de rekening en verantwoording strekt het bestuur tot décharge. Tevens worden de leden gevraagd, na beantwoording van eventuele vragen, in te stemmen met het voorstel tot herbenoeming van een lid van de kascommissie.

Programma

9.30 Ontvangst met koffie en thee 
10.00 Opening, welkom en korte inleiding op het programma door de voorzitter
10.05 Voordragen van de namen van de leden die door de poort van de dood zijn gegaan 
10.20 Muzikaal intermezzo 
10.35 Jaarthema: “Het ik kent zichzelf” – in het licht van een Michaëlische aanvaarding van de wereld. Ingeleid door Paul Mackay, bestuurslid AAG met daarna gesprek in groepen 
12.15 Lunch 
13.30 Jaarverslag en jaarcijfers 2013 en begroting 2014: presentatie en vragen
Voorstel tot (her)benoeming van een lid van de kascommissie 
15.00 Theepauze 
15.30 Voorstellen voor opvolging van de voorzitter en bestuurswisselingen:
1. Voorstel Robert Jan Kelder (zie deze webpagina)
2. Voorstel van Kees Lam en Jaap Sijmons (zie: interview met Jaap Sijmons in Motief nr. 182 mei 2014, pagina 28 en 29) 
16.15 Stemmingen over de voorstellen voor bestuurswisseling:
– Voorstel tot benoeming van Robert Jan Kelder tot voorzitter.
– Voorstel tot benoeming van nieuwe bestuursleden:
Jaap Sijmons (voorzitter), Pim Blomaard, Andreas Reigersman, Auke van der Meij, Clarine van Lookeren Campagne en Rik ten Cate, onder gelijktijdige beëindiging van het bestuurslidmaatschap van Rodim van Es, Michel Gastkemper, Hanneke de Leeuw en Marieke Uytenbogaart. 
17.00 Afsluiting van de jaarvergadering door de voorzitter

Na afloop van de vergadering is er gelegenheid tot napraten met een drankje.

Aanmelden

U wordt verzocht zich aan te melden als u de jaarvergadering bij wilt wonen, tevens kunt u daarbij vermelden of u een lunch à € 17,50 wilt gebruiken.
De toegang tot de jaarvergadering is alleen op vertoon van de roze ledenkaart mogelijk.
U kunt uw lunchbon afhalen en betalen op zaterdagmorgen vanaf 9.15 uur in het Ionagebouw. Uw aanmelding voor de lunch ontvangen wij graag uiterlijk dinsdag 20 mei.’
Sinds ruim een half jaar is er een nieuw weblog op de markt die internet biedt en is, verzorgd door Walter Bunge, onder de titel ‘OnderSofen’. Over zichzelf schrijft hij:
‘Walter Bunge (1964) is vader van drie kinderen, is gehuwd en werkt in het speciaal onderwijs. Sinds zijn 28e studeert hij antroposofie, of probeert dat. Soms samen met anderen, soms alleen. Soms intensief, soms belemmerd door zijn luiheid. Van zijn tocht door leven en antroposofie doet hij verslag op OnderSofen.’
Hier wil ik nu een heel aantal van zijn ‘blogs’ gaan aanhalen. Zoals deze van 8 december 2013, ‘Kritische vragen’:
‘“Jij stelt altijd van die kritische vragen!”, dat kreeg ik op verschillende momenten in mijn leven op verschillende manieren te horen. Omdat ik van gezelligheid hou, heb ik ook wel geprobeerd mijn vragen voor me te houden. Zonder kritische vragen, ik bedoel vragen die soms door sommigen als kritisch worden beschouwd, blijft de gezelligheid beter in stand.

En dan komen er in een mensenleven ook momenten of periodes dat je weet dat gezelligheid heel fijn, maar niet het doel van het leven kan zijn. En dat het feit dat er vragen in je opwellen een teken is dat je nog niet afgestompt bent, dat je innerlijk nog leeft, beweegt en nieuwsgierig bent.’
Op 17 december 2013 schreef hij over ‘Nieuwe bezems’:
‘Inmiddels is de in 2012 doorgevoerde vernieuwing van het bestuur van de Antroposofische Vereniging (in Nederland) alweer bijna anderhalf jaar een feit en zijn we wel weer een beetje bedaard van de schok. Omdat – nietwaar? – niets onmogelijk is, is het ook niet onmogelijk dat een nieuw bestuur tot een nieuw klimaat, een nieuw elan, een nieuwe koers leidt. Wat zou een mens voor nieuws kunnen bedenken als het om de AViN gaat?

Nieuw (anno 2013) zou zijn:
– een bestuur dat zich vereenzelvigt met de intenties en doelen die Rudolf Steiner met de antroposofische vereniging verbond;
– een bestuur dat zich op de eerste plaats bezighoudt met het versterken van de antroposofie in Nederland;
– een bestuur dat zich niet laat inbedden in formele of informele stroompjes zoals die onder sofen in Nederland bestaan;
– een bestuur dat zich dienstbaar toont aan wat onder de leden in overeenstemming met de hiervoor genoemde drie punten leeft.

Vooralsnog vanuit Zeist geen nieuws.’
Op 20 december volgde ‘Nu of nooit?’:
‘Mijn voorgaande bericht, dat al een week of vier geleden geschreven werd, eindigde met een tussentijdse conclusie: “Vooralsnog vanuit Zeist geen nieuws.” Dat is nu wel anders.

Er is sprake van een verschil van visie op het werk van de Hogeschool én leden/lezers zijn uitgenodigd een uitgebreide vragenlijst over het tijdschrift Motief in te vullen. Dat lijken nuchtere feiten, maar achter nuchtere feiten gaan vaak hele werelden schuil. Die vragenlijst over het tijdschrift, daar kom ik misschien nog op terug. Het belangwekkendste nieuws uit Zeist vond ik in een klein berichtje op pagina 40 van Motief, waarin werd meegedeeld dat Jesse Mulder de functie van secretaris generaal zal gaan vervullen.

Achteraf is het makkelijk praten en niet moeilijk om vast te stellen dat het anders of beter had gemoeten. Ook staan de beste stuurlui zoals bekend aan wal. Zodoende geef ik de nu volgende, voorwaarts gerichte observatie toch vandaag maar aan de openbaarheid prijs, in plaats van deze in onbevangenheid en terughouding te verhullen. De secretaris generaal (in Motief wonderlijk genoeg met hoofdletters geschreven) vormt de verbinding tussen het bestuur van de Antroposofische Vereniging in Nederland en het bestuur van de internationale Antroposofische Vereniging in Dornach. Een aantal malen per jaar vergadert de secretaris generaal met het internationale bestuur en met zijn collega’s van andere nationale antroposofische verenigingen.

In Dornach is het al jaren kommer en kwel. Het bestuur van de internationale Antroposofische Vereniging is, naar we met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid mogen aannemen, nog nagenoeg geen dag gevrijwaard van “verschil van visie”. Ik bedoel dit letterlijk en wie zich heeft verdiept in de lotgevallen van de Antroposofische Vereniging zal het kunnen bevestigen. Hij of zij weet ook dat de werkelijkheid achter een “verschil van visie” in Dornach heftige, dramatische, soms ontstellende proporties kan aannemen. Dat mag iemand die de antroposofie ernstig neemt niet verbazen. Waar het licht fel is, zijn de schaduwen duister.

In de afgelopen jaren doet het bestuur in Dornach zijn best te blijven functioneren alsof er niks aan de hand is, terwijl het verscheurd wordt door vraagstukken als de “kwestie” Judith von Halle, de lamentabele financiële situatie en de vraag hoe de toekomst van de Antroposofische Vereniging er uit moet zien.

Waar ik nu naar toe wil met dit epistel? Jesse Mulder is 31 jaar en vader in een jong gezin. Een groot deel van zijn leven bracht hij door op school, op het Priesterseminar en op de universiteit. Volgend jaar hoopt hij te promoveren in de wijsbegeerte. Naast gezin en wetenschap is hij bestuurslid van de AViN en wordt hij dus secretaris generaal.

Als je 31 jaar oud bent, ik vermeld het hier speciaal voor lezers die jonger zijn, ben je jong. Als 50-er voel ik me nóg jong en frons ik mijn wenkbrauwen als jonge mensen tegen me beginnen te “u”-en. Maar als 50-er ben ik ook oud genoeg om te weten dat je, als je 31 jaar bent, héél jong bent.

Op het gevaar af dat sommige lezers mij niet geloven: ik zeg hier niets ten nadele van Jesse Mulder. Ik ben er van overtuigd dat hij een positief ingesteld mens is, intelligent, betrokken en sociaal. Misschien is het juist daarom dat ik hier en nu de vraag stel: is het wel verstandig dat Jesse Mulder secretaris generaal wordt?

Als ik als 31-jarige in dezelfde positie zou verkeren, hoop ik dat ik het gezonde besef zou hebben voorlopig van die functie af te zien. Als ik dat besef niet zou hebben, is er misschien wel iemand die het mij in alle ernst aanduiden wil.’
Op de voorlaatste dag van 2013 schreef Walter Bunge ‘Washandje’:
‘In mijn bericht Nu of nooit? (van 20 december jl) stelde ik de vraag of het verstandig is dat een mens van rond de dertig jaar de functie van secretaris-generaal vervult. In zijn lezenswaardige reactie op dat bericht komt Paul Christiaan van Panhuys tot hetzelfde antwoord als ik. Hij knoopt er vervolgens nog een ander vraagstuk aan vast, namelijk of de splitsing van de functie van het voorzitterschap met de functie van secretaris generaal wel zo maar binnen of rond het bestuur besloten kan worden en niet eerst met de leden besproken dient te worden.

Dat is het ontmoedigende van de werkelijkheid van de Antroposofische Vereniging (misschien moet ik hier zeggen: het ontmoedigende van de werkelijke staat van de nalatenschap van Rudolf Steiner): je neemt een enkel vraagstuk bij de kop en je krijgt er een hele reeks vraagstukken bij cadeau.

Alsof je een washandje uit de schone, net gecentrifugeerde was wilt halen: je trekt eraan maar het zit vast in een kussensloop dat op zijn beurt beklemd is geraakt in een badlaken waarvan de helft is verdwenen in een tweepersoons dekbedhoes. In plaats van een washandje te pakken, ben je binnen een halve minuut verwikkeld geraakt in een lijf aan lijfgevecht met de volledige inhoud van de wastrommel.

Is het nou wel zo verstandig dat Jesse Mulder secretaris generaal wordt, vroeg ik me af. Is het correct dat het bestuur dit besluit genomen heeft zonder hierover het gesprek met de leden aan te gaan, vraagt Paul Christiaan van Panhuys zich af. Handelt het bestuur in het algemeen niet wat eigengereid, is zijn volgende vraag, die weer uitmondt in een nieuwe vraag: is het bestuursbeleid ten opzichte van de Hogeschool voor Geesteswetenschap daar niet een heel kras en ingrijpend voorbeeld van?

Dit complex van vragen is op zijn beurt opnieuw te vergelijken met het washandje van hierboven. De toestand van de antroposofie en degenen die zich rond haar verenigen is rijker aan vragen dan aan antwoorden. Dat moge interessant lijken, maar is feitelijk diep tragisch. De antroposofie wil namelijk antwoorden bieden.’
Ook hierop kwamen reacties, in de eerste plaats van Jesse Mulder zelf:
‘Beste Walter, beste Paul,

Ik geloof niet zo in conversaties via internet. Maar nu er zo berichten over mij op internet verschijnen, wil ik toch graag een reactie plaatsen, om mijn waardering te uiten en wat achtergrondinformatie bij mijn keuze te geven.

Allereerst: ik vind het sympathiek om te merken dat er mensen zijn die zich oprecht zorgen maken over de stap die ik, als 31-jarige, heb genomen door de functie van secretaris-generaal op mij te nemen. In de besluitvorming daaromtrent ben ik door meerdere mensen gewaarschuwd voor het precaire vaarwater waar ik zodoende in verzeild raak. Voor zover men zich dat van een 31-jarige kan voorstellen ben ik mij daar terdege bewust van, en heb in dat bewustzijn voor deze opgave gekozen.

Natuurlijk zou het beter zijn als er iemand met meer levenservaring en -wijsheid en een diepere verbinding met onze landelijke vereniging die rol zou gaan vervullen – maar de werkelijkheid is dat zo iemand zich niet aangediend heeft. En, bovendien, wat niet is kan nog komen: ik word elk jaar weer een jaartje ouder (naar ik begreep zei Steiner dat ook ooit tegen Zeylmans, toen die met 30 jaar voorzitter werd). Praktisch gezien had ik natuurlijk liever eerst mijn promotie afgemaakt voordat ik deze opgave op me zou nemen, maar het is nu eenmaal hoognodig dat de verbinding tussen het landelijke bestuur hier en de wereldwijde vereniging op een goede manier onderhouden wordt.

Dan over mijn leeftijd. Het is interessant te merken dat er, “onder sofen”, enerzijds veel geroepen wordt dat er toch echt jonge mensen nodig zijn, terwijl er anderzijds, onder (misschien wel andere) sofen, een zekere scepsis lijkt te heersen over de capaciteiten van jonge mensen.

Dan nog een laatste opmerking: dat de functie van secretaris-generaal en die van voorzitter van elkaar gescheiden worden is niet nieuw, hier in Nederland is dat al meerdere keren zo geweest (zo heeft Roel Munniks die taak een tijdje waargenomen onder het voorzitterschap van Ron). En ook in andere landen komt dat geregeld voor – momenteel in Engeland, Oostenrijk en België, bijvoorbeeld. In de situatie hier te lande is het duidelijk dat Kees Lam, als binnenkort scheidend voorzitter, die rol niet op zich moet nemen, terwijl er nog geen nieuwe voorzitter in beeld is. Dus moet er een oplossing komen om, zoals gezegd, de verbinding te herstellen. Ook hier geldt weer: ook al is het misschien wenselijk als voorzitter en secretaris-generaal samenvallen, de huidige omstandigheden staan dat niet toe.

Ik hoop dat ik hiermee een bescheiden bijdrage aan de beeldvorming omtrent mijn aanstelling als secretaris-generaal heb kunnen leveren.

Met hartelijke groet,
Jesse’
Walter Bunge antwoordde hierop met:
‘Beste Jesse,

Allereerst mijn waardering voor het feit dat je reageert op wat op deze blog door mij en, in zijn reactie, door Paul van Panhuys naar voren is gebracht.

Ik begrijp uit je reactie dat je besluit om de functie van secretaris generaal te vervullen een weloverwogen besluit is geweest. Dat is vaak de beste manier om te besluiten (hoewel geen garantie voor het beste besluit) en ik kan en wil alleen maar hopen dat je geen reden zult hebben om het ooit te betreuren.

Ik ben, ik weet niet of het aangeboren of aangeleerd is, erg gespitst op dingen waarvan mensen zeggen dat ze “nu eenmaal” noodzakelijk/wenselijk/overbodig/duidelijk/o.i.d. zijn. Al is het maar omdat heel veel dingen op de wereld en in het leven “nu eenmaal” zijn zoals ze zijn – ik heb daarin op zich nooit een reden kunnen zien om ze niet ter sprake te stellen.

Waarmee ik maar bedoel te vragen: is het werkelijk “nu eenmaal” hoognodig dat de verbinding tussen het landelijke bestuur hier en de wereldwijde vereniging op een goede manier onderhouden wordt?

Hier zien we de bevrijdende werking van het vragen! Want achter deze vraag ligt een veelheid aan volgende vragen:
– waarom is dat dan hoognodig?
– is de manier waarop het nu gebeurt inderdaad de goede manier?
– is er niet een betere manier?
– is het onderhouden van de verbinding tussen landelijk bestuur hier en leden hier niet nog veel belangrijker?
– om nog maar niet te spreken over de verbinding van de vereniging tot de antroposofie en Rudolf Steiner
– hoe worden díe verbindingen onderhouden?

Ik hoop nog op deze vragen terug te kunnen komen, maar wil er rustig bij zeggen dat het mij liever ware wanneer deze vragen elders – daar waar ze thuishoren – besproken zouden worden. En dan nog iets in verband met het “leeftijdsvraagstuk” zoals daar “onder sofen” al dan niet mee omgegaan wordt; ook dat is een vraagstuk dat ik nog eens apart aan de orde wil stellen.

Mijn overwegingen rondom het feit dat jij de functie van secretaris generaal vervult, raken echter wat mij betreft niet aan de vraag naar de positie van jonge, of oude, mensen binnen de Vereniging: het ging mij om de combinatie van je leeftijd met de bewuste functie.

Een hartelijke groet,
Walter Bunge.’
Op 8 januari van dit jaar volgde ‘Correct? Natuurlijk niet!’:
‘Is het correct dat het bestuur van de AViN (de Antroposofische Vereniging in Nederland) een tweeledig besluit nam – namelijk dat de functie van secretaris generaal wordt losgemaakt van het voorzitterschap én dat een bepaald bestuurslid, Jesse Mulder, de functie van secretaris generaal zal vervullen – zonder dat hierover een gesprek met de leden gevoerd is? In een vereniging is het aan de leden om te bepalen of ze dit een correcte gang van zaken vinden of niet. Het bestuur heeft natuurlijk wel al een “voorschot” genomen: het nam een besluit zonder daarover met de leden in gesprek te gaan. Kennelijk ging het bestuur er daarbij van uit, bewust of onbewust, dat de leden geen probleem met dit besluit zouden hebben.

Helemaal los van de inhoud van dit besluit, want daar gaat het hier nu niet om, hebben we hier te maken met een paar eenvoudige feiten waar minder eenvoudige vragen aan te verbinden zijn:

– gaat het in de AViN altijd zo, dat een bestuur besluiten neemt zonder daarover de leden te raadplegen?
– is het bestuur zich bij het nemen van die besluiten bewust van het feit dat het binnen een vereniging zo is dat de leden uiteindelijk die besluiten kunnen goedkeuren of afwijzen?
– welke besluiten worden eigenlijk achteraf aan de leden voorgelegd, en welke niet – en op grond van welke criteria gebeurt dit?
– gaat het bestuur er van uit dat de leden door het bestuur genomen besluiten altijd, achteraf, goedkeuren?
– op welke gronden denkt het bestuur erop te kunnen vertrouwen dat bestuursbesluiten achteraf door de leden goedgekeurd worden?
– en hoe beoordelen bestuur en leden de kwaliteit van dit vertrouwen?
– zijn bestuur en leden zich er van bewust dat vertrouwen van heel verschillende kwaliteit kan zijn en dat “blind vertrouwen” binnen een antroposofische vereniging niet zou mogen voorkomen?
– wanneer gebeurt het dat kwesties waarover besluiten genomen moeten worden, vóóraf aan de leden worden voorgelegd?
– was het vraagstuk van de opvolging van Ron Dunselman als secretaris generaal een vraagstuk dat zich opeens en onverwacht aandiende, of was het een vraagstuk dat eraan zat te komen en misschien ook wel vooraf aan de leden had kunnen worden voorgelegd? 
Vanuit Zeist geen nieuws, schreef ik een paar berichten geleden, maar ach – wat zou er niet allemaal voor nieuws kúnnen gebeuren!’
Op 12 januari volgde ‘Knopen tellen’:
‘Scholen, artsenpraktijken, boerderijen, tehuizen, instellingen. Leerkrachten, artsen, therapeuten, verpleegkundigen, boeren, winkeliers, bakkers, kunstenaars. Hoeveel mensen in Nederland zijn vertrouwd met de antroposofie? Vijf-, tien-, hooguit twintigduizend?

Met honderden antroposofische initiatieven mogen we gerust zeggen dat ze heel actief zijn. Ik zou geen andere stroming durven noemen die met zo weinig mensen maatschappelijk gezien zó aan de weg timmert.’
Twee dagen later was er ‘Knopen tellen (2)’:
‘Voor trots of voldoening is ondanks de indrukwekkende antroposofische activiteit geen aanleiding. De vele antroposofische initiatieven in Nederland kunnen worden gezien als een aanwijzing voor de doorslaggevende betekenis die de antroposofie voor de menselijke cultuur in onze tijd zou kunnen hebben. We hebben er nog maar een heel klein partje van zichtbaar gemaakt.’
Op 27 januari kwam Walter Bunge terug op ‘Conversaties via internet’:
‘Heel verheugend dat Jesse Mulder reageerde op wat ik eerder schreef in Nu of nooit? op 20 december en, zijdelings, in Washandje op 30 december en op de reactie van Paul van Panhuys op Nu of nooit? De reactie van Jesse Mulder is te vinden onder Washandje.

“Ik geloof niet zo in conversaties via internet” zegt Jesse Mulder in zijn reactie en ik sta daarin helemaal aan zijn zijde. Want hoe vaak tref je op enig forum op internet een zinnige conversatie? Niet vaak. Veel vaker vervallen dergelijke conversaties in “het berijden van stokpaardjes, eindeloze herhalingen, domme praatjes, querulantisme en andere lulligheid” (zo omschreef ik wat mij betreft onwenselijke en overbodige gespreksbijdragen elders op deze website, zie Over OnderSofen). En dan praten we nog niet over het onderscheid tussen een conversatie op het internet en een echt gesprek.

Ook ik geloof dus niet in conversaties op het internet en deze hele website mag u gerust opvatten als een kale, armoedige poging om een werkelijk gesprek te stimuleren. Het echte werkelijke gesprek zou natuurlijk bij voorkeur een gesprek in een kring mensen zijn. En wanneer we ons hier bepalen tot een gesprek over het welzijn van de antroposofie in Nederland (we nemen nog even niet de zorgen van de héle wereld op ons) zou je een werkelijk gesprek vermoedelijk in eerste instantie verwachten in de Antroposofische Vereniging.

Dat vereist naar ik vrees wel een flinke omslag. Ik herinner mij dat Ron Dunselman, toen hij aantrad als voorzitter van de Antroposofische Vereniging, beloofde het gesprek en de ontmoeting centraal te gaan stellen. Zonder dat ik daarover iets of iemand enige schuld in de schoenen zou willen schuiven (de schuldvraag is doorgaans niet zo interessant), is het in mijn ogen op dit punt bij voornemens gebleven.

Het werd juist heel stil in de Vereniging, misschien mede omdat een paar honderd betrokken leden halverwege de roerige jaren ’90 hun lidmaatschap opzegden. Daarmee verdween ook een heleboel gespreksstof, want veel vertrekkende leden hadden grote bedenkingen bij de koers die de Vereniging destijds voer. Niet voor niets werden zij in de wandelgangen aangeduid als “dissidenten” of “oproerkraaiers”.

De Vereniging bleek niet veerkrachtig genoeg om een open antroposofische “ontmoetingsplaats” te zijn, want bood niet het klimaat voor een vruchtbare uitwisseling tussen onderling van inzicht verschillende antroposofen. Ook het vertrek van deze leden had binnen de Vereniging kunnen worden opgepakt, als gespreksstof en als teken dat een nieuwe ontwikkeling gevraagd werd. Maar zo ging het niet.

De Vereniging werd voor een aantal leden een vereniging van gelijkgestemden. Een gesprek met gelijkgestemden heeft echter de neiging tot stilstand te komen. Voor anderen, ik spreek ze regelmatig, is de Vereniging iets geworden waarvan vinden dat ze, ter wille van Rudolf Steiner en de antroposofie, lid moeten zijn – maar waarin ze zich anderzijds niet thuis voelen. Ze zijn lid op afstand (en ook heel stil dus). Stilte alom!’
In de maand februari schreef hij verschillende keren over ‘Chaos’. ‘Salto mortale? (Chaos 4)’ op 17 maart was al de vierde keer:
‘Al verbergt de chaos zijn gelaat steeds achter nieuwe maskers, nog altijd bevindt de Antroposofische Vereniging zich in een danse macabre met de krachten van de chaos. In Nederland gaan we daar luchtig aan voorbij. Wij houden wél van gezelligheid maar niet van chaos en chaos is niet gezellig.

Je zou haast denken dat Rudolf Steiner het over “de Nederlander” had toen hij (in het citaat dat ik op 15 februari aanhaalde, opmerkte: “Hij vraagt minder graag naar wat in het leven noodzakelijk is want in de mens leeft toch het verlangen de dingen zo positief mogelijk te bekijken. Maar in een tijd als de onze moeten we toch aandacht schenken aan wat zich vanuit de chaos wil voorbereiden.”

In antroposofisch Nederland heerst op dit moment chaos rond de Vrije Hogeschool voor de Geesteswetenschap, al behoort chaos tot de zaken die men vaak liever niet bij de naam noemt. Het bestuurslid dat zich met de Hogeschool bezighield is opgestapt. Ook het “opperhoofd” van de Sectie voor Sociale Wetenschappen is er mee opgehouden. Na jaren van onderzoek en overleg over de betekenis en taak van de Vrije Hogeschool, over de manier waarop de activiteit van de verschillende secties van de Hogeschool gestalte kon krijgen en over de vraag hoe dit alles bekostigd kon worden – begint men dit proces nog eens rustig opnieuw.

Vast en zeker zijn er standpunten in te nemen van waaruit voor dit alles een verklaring te vinden is. Vast en zeker kan dit proces ook als een uitdaging gezien worden en liggen nieuwe kansen, inzichten en mogelijkheden in het verschiet. Net zo goed mogen we er van uit gaan dat de verschillende Secties ook in de komende jaren nauwelijks zullen toekomen aan wat de opgave van de Vrije Hogeschool is.’
Karretje op de zandweg’ was het thema op 29 maart:
‘Ledenavonden vergrijzen. Studiecentra vallen stil, of organiseren nog slechts af en toe een activiteit. Veel werkers in de antroposofische werkgebieden kennen de Antroposofische Vereniging alleen van buiten, niet van binnen. (De vraag of zij de antroposofie van binnen en/of van buiten kennen laten we hier onaangeroerd). Vertegenwoordigers van het bestuur van de Antroposofische Vereniging gaan een vaag traject in met vertegenwoordigers van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap, op zoek naar een weg om wederzijds vertrouwen op te bouwen.

Binnen de Vereniging gebeurt niets tot weinig, veel inspiratie is er niet op te doen, veel bemoediging is er niet te vinden. Een vereniging waarop dit van toepassing is, kan ook weinig uitstralen. Dat klopt ook: dat wat er van de Vereniging uit zou kunnen gaan, zou uit het hart van die Vereniging, vanuit de Hogeschool moeten komen. Maar die ligt op zijn gat.

Denkend aan de Antroposofische Vereniging in Nederland zie ik een karretje dat op de zandweg reed, maar nu tot stilstand is gekomen. En al diegenen die op dat karretje blijven zitten, zorgen er alleen maar voor dat het karretje dieper wegzakt. Opstaan, kijken wat er stuk is, repareren, vervangen, vernieuwen – het zou allemaal zou kunnen helpen.

Komt er nog “antroposofische beweging” in dat karretje?’
Op 2 april kwam daar ‘Omgaan (met elkaar en de antroposofie)’ bij:
‘Het karretje van de Antroposofische Vereniging in Nederland zit vast in het zand en komt geen meter vooruit. Iemand moet uitspreken dat dit de feitelijke toestand is en omdat ik er niemand anders over hoor doe ik het: het karretje van de Antroposofische Vereniging in Nederland zit vast in het zand en komt geen meter vooruit.

Nee, het past niet in onze omgangsvormen om dit zo duidelijk uit te spreken. Maar onze omgangsvormen, waarin het niet gewoon is om de dingen bij hun naam te noemen, vormen een deel van het probleem. Wie liever zijn kop in het zand steekt, in hetzelfde zand als waarin het karretje is vastgelopen – hij doet zijn ding.

Als we onze omgangsvormen ook hier, op deze plek, in acht zouden nemen, zouden we ook hier om de hete brij heen dansen. We zouden vriendelijk blijven, elkaar respect betonen, de goede bedoelingen van alle betrokkenen benadrukken, alles nog eens meenemen in de nacht – en de antroposofie zelf verder laten wegzakken in de shit.

Ja, zo kunnen we het ook verwoorden: in antroposofisch Nederland, onder sofen, hebben we de ons toevertrouwde kostbaarheid diep in de shit laten zakken. Want dat is waar we ons bevinden: diep in de shit.’
Om op 5 april terug te schrikken met ‘Lege fles’:
‘Tja.
“Dat laatste stukje van je was wel een beetje hard. Had dat niet wat milder gekund?”
“Als je het zó zegt is de kans groot dat je lezers afhaken en je wilt toch geen roepende in de woestijn zijn?”
Nee. Dat wil ik niet.

Struisvogels vinden in de woestijn al het zand dat ze maar nodig hebben. En dat karretje dat in het zand wegzakt, dat zou zich best wel eens in de woestijn kunnen bevinden. De Antroposofische Vereniging in Nederland bevindt zich in de woestenij. Vriendelijkheid, goede intenties en om de hete brij heen dansen zijn mooie dingen maar voor wie verdwaald is in de woestijn hebben ze net zo veel betekenis als een lege fles met statiegeld.

Wie was Rudolf Steiner?
Wat was zijn opgave?
Hoe kunnen we die in de 21e eeuw ter hand nemen?

Die vragen wijzen naar het enige dat relevant is in de situatie waarin de Antroposofische Vereniging is beland. Al het andere is geneuzel.’
Weer drie dagen later constateerde hij ‘In de shit’:
‘Maar wat wil je ook? Kent u iemand die er onvoorwaardelijk voor uit durft te komen dat hij antroposoof is? Is er in Nederland een bankier, een leerkracht, een schrijver, een kunstenaar, een boer, een arts, een heilpedagoog, een man, vrouw of bestuurslid te vinden die ronduit zegt: “Ik ben antroposoof”?

Nee, veel hebben we er niet van gebakken, van die antroposofie. En als we de kring eens rondkijken moeten we, sofen onder elkaar, ook erkennen: met dit zooitje ongeregeld slaan we nog geen deuk in een pakje boter.’
15 april volgde ‘Eerlijk gezegd’:
‘Mijn wat somber getinte bespiegelingen rond het AViN-karretje dat op de zandweg tot stilstand is gekomen schreef ik in volledige onwetendheid omtrent het aftreden van Jesse Mulder als bestuurslid.

Heel eerlijk gezegd?

Een sprankje hoop dat ik koesterde bij het aantreden van dit bestuur vond zijn kern in Jesse Mulder. Een jong, idealistisch en op de toekomst gericht mens die de antroposofie ernstig neemt, die indruk wekte hij op mij.

Nu is hij afgetreden.

“Hij had al langer het gevoel de koers van het bestuur niet te kunnen steunen, vooral waar het de Hogeschool voor Geesteswetenschap betreft, en zag voor zichzelf geen wegen meer om daar binnen het bestuur aan te werken” – zo schrijft de voorzitter van het bestuur in het laatste nummer van Motief.

De indruk die ik van Jesse Mulder had is overeind gebleven.

Dat wat in hem leeft ten aanzien van de koers van het bestuur vond kennelijk weinig aansluiting bij wat hieromtrent bij de andere leden van het bestuur leeft.’
Op 4 mei stelde Walter Bunge ‘Een innige verhouding’ vast:
‘Al heel lang is de antroposofie de bodem van mijn bestaan. En al is die innige verhouding tussen mijzelf en de antroposofie steeds anders, in al die jaren is zij door niets geschokt, verdrongen of geschaad. In diezelfde jaren heb ik nog nooit een antwoord kunnen vinden op de vraag wat de Antroposofische Vereniging bijdraagt aan de antroposofie.

Maakt zij de antroposofie bekend? Verdedigt zij de antroposofie of Rudolf Steiner als deze in het nauw gebracht worden? Vormt zij de ruimte waar antroposofie verdiept en verder ontwikkeld wordt? Is zij een steun in de rug voor antroposofische initiatieven? Is zij een ontmoetingsplek waar mensen de antroposofie levend houden, een plek die bruist en stimuleert – een plek waar je zou willen zijn?

Ik hoop werkelijk dat mijn antwoord niet het uwe is – maar ik heb in al de jaren dat ik met de antroposofie verbonden ben, nooit een eenduidig ja op ook maar één van deze vragen kunnen vinden.

In de jaren dat ik lid van de Antroposofische Vereniging ben word ik steeds beslopen door de vraag hoe lang ik dat nog wil zijn en waarom ik dat überhaupt zou willen zijn. In de jaren dat ik geen lid ben word ik beslopen door de vraag of ik mij niet toch bewust zou moeten verbinden met deze indirecte en niet helemaal zuivere formele rechtsopvolger van de vereniging die tijdens de Weihnachtstagung van 1923/1924 door Rudolf Steiner werd opgericht, en zou moeten proberen er wat van te maken.

Nu ben ik alweer een paar jaar lid. En hierboven, maar ook wel in vorige berichten, hebt u van mijn ambivalentie ten opzichte van de Vereniging kennis kunnen nemen. Die ambivalentie blijft, net zoals mijn verbinding met de antroposofie. Al kan ik na de berichten over de gang van zaken in het bestuur van de Antroposofische Vereniging in Motief (Nr 182 van mei 2014) eigenlijk alleen maar constateren: deze antroposofische vereniging is failliet.

Mijn voorgaande schrijfsels over het karretje op de zandweg waren nog te positief gesteld, het is nog erger dan ik dacht.’
De volgende dag beschreef Walter Bunge het ‘Proces’:
‘Is het, onder sofen, niet zo dat er in elk geval consensus bestaat over de wijsheid die ons zegt dat het om het proces, niet om het resultaat gaat? Geldt dat ook voor de processen via welke de Antroposofische Vereniging tot een bestuur komt?

Twee jaar geleden werd, als resultaat van een langdurig zoekend proces, een nagenoeg compleet nieuw bestuur gepresenteerd en, oh ja, ook gekozen. De enige link met het oude bestuur werd gevormd door voorzitter Kees Lam. Onervarenheid als bestuurder en een relatief jonge leeftijd waren de meest in het oog springende karakteristieken van de leden van het toen nieuwe bestuur. Dat op zich is niet noodzakelijk een nadeel.

Waarom ze toen het vertrouwen van de leden kregen? Positiviteit en onbevangenheid zijn geweldige kwaliteiten, vooral als ze ontstaan na een intensief lerend proces. Of ze een rol hebben gespeeld bij de leden die twee jaar terug vóór het nieuwe bestuur kozen? Laten we hopen dat het niet op basis van het gezag van het vroegere bestuur was. Voor zover er in een mens sprake is van een bewustzijnsziel, gaat hij namelijk op zijn eigen oordeel, en niet op dat van een ander af. Het zou trouwens ook niet netjes zijn om een stem uit te brengen voor een mens, of voor een groepje mensen, louter omdat een ander groepje mensen je dat aanbeveelt. Zo zouden we niet met mensen moeten omgaan.

Liefde maakt niet blind maar maakt “helderziend”: wie een ander mens met liefde ziet, ziet (ook) het hoger wezen van die ander. Vertrouwen dat blind gegeven wordt, daar doen we de ander, onszelf en “de zaak” geen goed mee. Ben benieuwd waar de leden in de komende ledenvergadering hun vertrouwen naar toe gaan dragen.’
Het meest recente weblogbericht is ‘Luisteren’, eergisteren geplaatst:
‘Wat valt er te zeggen over een bestuur dat een poging wil doen de Antroposofische Vereniging in Nederland weer vlot te trekken? Het is allereerst de vraag of dat bestuur zou moeten worden samengesteld uit mensen die elkaar al langer kennen en al van alles samen hebben gedaan. Dat betekent namelijk zeer waarschijnlijk dat het een eenzijdig samengesteld bestuur is en dat de bestuursleden voortkomen uit één van de informele groeperingen of stromingen binnen de vereniging. Dat is geen goed uitgangspunt.

Het bestuur dient geen leden te vertegenwoordigen (dat wil zeggen niet voor of namens groepen leden op te treden) maar omgekeerd dienen wel alle leden minstens één mens in het bestuur te kunnen zien in wie zij vertrouwen, “ziend vertrouwen”, kunnen hebben. Want een van de twee voornaamste taken van het bestuur zou moeten zijn: werkelijk luisteren naar wat onder de leden – onder alle leden – leeft. De andere hoofdtaak: het bestuur moet zich met de grootst mogelijk ernst verbinden met Rudolf Steiners intenties met de vereniging en haar taken ten opzichte van de antroposofie.

Voor wat betreft deze twee taken is “dienstbaarheid” de meest in het oog springende deugd die van bestuursleden gevraagd wordt. Eigen intenties, eigen initiatieven, zelf opgelegde taken en verplichtingen, grote of kleine voornemens, dat alles moeten bestuursleden thuis laten. Zij moeten zich richten naar wat zij waarnemen: in de kring van leden en in hun verbinding met Rudolf Steiners intenties.

Een bestuur dat in deze zin dienstbaar is, gaat niet gebukt onder pretenties. Er is geen arrogantie. Er leeft niet de neiging om tegen paaltjes te pissen, oftewel: het gaat niet alles anders doen om het anders doen, het gaat geen zaken op poten zetten om in enige nagedachtenis of akashakroniek voort te leven. Tegelijkertijd zal dat bestuur toch alles opnieuw kunnen zien wanneer het luisteren naar de leden en dat naar Rudolf Steiner daartoe aanleiding geeft. Dat bestuur bespreekt geen zaken die voor de leden verborgen blijven, die hebben in een antroposofische vereniging geen bestaansrecht. En de leden van dat bestuur gaan met elkaar om op een wijze die als voorbeeld kan dienen voor hopeloos verdeelde, vermoeide, passieve, zoekende, twistende en stokpaardjes berijdende leden.

Wil een lid van het nieuwe bestuur in deze zin bewust en oprecht “dienstbaar” zijn? We zouden het hem of haar in het openbaar moeten vragen. Op die vraag kan geen verhullend antwoord worden gegeven. Het is de vraag die alles duidelijk maakt. Daarbij moet wel bedacht worden dat het niet de woorden zijn die het antwoord op die vraag vormen.

Zo dienstbaar als hier beschreven is, zo zullen weinigen zijn. Maar het antwoord op de vraag maakt duidelijk of de mens die zegt dienstbaar te zijn, ook werkelijk de wil heeft dat te worden. In wie die wil leeft zou ik vertrouwen kunnen hebben.’
Tot slot een andere kritische stem. Gisteren werd door Ramon Brüll eindelijk weer eens zijn ‘Kolumne “Gut Gebrüllt”’ hervat, dit keer met ‘Von der Prüderie’:
‘Über den Wert der Vielfalt in der Anthroposophie – und groteske Missverständnisse, die entstehen, wenn ein längst verflossener Zeitgeist in heutige Leserbriefe Einzug hält.

Eines der überzeugendsten Argumente für die Anthroposophie ist, dass es nicht nur eine gibt. Schon Steiner selbst hat Anthroposophie anhand einer Vielzahl von Erkenntniswegen beschrieben. Mir fallen spontan und keineswegs erschöpfend die Meditation ein (beschrieben u.a. in Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten), das reine Denken durch die Wahrnehmung des Denkens (Die Philosophie der Freiheit), die goetheanistische Erkenntnismethode (Phänomenologie) sowie der handelnde Erkenntnisweg im Sozialen. Damit ist jedem Versuch (und jeder Versuchung!) definieren zu wollen, was Anthroposophie ist, und vor allem, was sie nicht ist, von vornherein die Grundlage entzogen. Wenn Anthroposophie als Weg zum Verständnis des Geistes verstanden wird und nicht als Lehrgebäude, wird man überdies in Kauf nehmen müssen, dass es mindestens so viele Anthroposophien gibt wie Menschen, die sich um diesen Weg bemühen. Das aber heißt: Wir müssen mit Widersprüchen leben, wir müssen aushalten, dass andere anders vorgehen als wir selbst, zu anderen Ergebnissen kommen und andere Prioritäten setzen. Wenn Anthroposophie nicht Wiedergabe einmal festgeschriebener Wahrheiten ist, sondern ein immerwährendes Herantasten, dann sollte man, selbstverständlich, in Kauf nehmen, dass dem einen oder anderen auch (Denk-)Fehler unterlaufen: einem selbst, dem verhassten ebenso wie dem beliebten Vortragsredner oder Autor – und auch Steiner. Fragen wie jene, ob etwa das bedingungslose Grundeinkommen, eine Zeitreise nach Golgatha, die Schriften Kritische Ausgabe oder das Transplantieren menschlicher Organe mit “der” Anthroposophie vereinbar sind, sind dann hinfällig.

Die Vielfalt hat aber ihre Grenzen, wo Einzelne ihre vor-anthroposophische Gesinnung für die Anthroposophie selbst erklären. Dass der mitgebrachte (anerzogene, angelernte) Habitus der Ausgangspunkt ist, von wo aus der Einzelne sich an die “Weisheit vom Menschen” herantastet, liegt auf der Hand; ebenso, dass diese Herkunft “abfärbt”. Das macht das Spektrum der Anthroposophien nur bunter und interessanter. Ebenso wird die Anthroposophie des 21. eine andere Signatur als die des 19. und 20. Jahrhunderts aufweisen. Wir sollten uns nur die Mühe machen, diese Färbung auch als solche zu erkennen und sie vom Eigentlichen zu unterscheiden. Bayrisch (oder Platt) ist nicht Deutsch, sondern eine Ausdrucksform von Deutsch; das Christentum, der Vegetarismus, kollegiale Selbstverwaltung, die Vorliebe für Wollsocken, klassische Musik oder für stumpfe Winkel in der Architektur sind nicht Anthroposophie, sondern Interessen oder Ausdrucksformen, mit denen man Anthroposophie leben kann. Wie mit vielen anderen Einstellungen auch.

Fehlt hier ein Quäntchen Unterscheidungsvermögen, kann es zu grotesken Missverständnissen kommen. In der Wochenschrift Das Goetheanum erschien in der Ausgabe vom 11. April eine Art Leserbrief zur Frage der sexuellen Aufklärung. Der Einsender hat ein Zitat Rudolf Steiners (aus nicht ganz eindeutiger Quelle übrigens) ausfindig gemacht, wonach den Schülern der “Ursprung des Menschen” in den “schönsten poetischen Bildern” erzählt werden soll. Weiter heißt es dort: “Und wenn dann der Zeitpunkt kommt, wo mit der Geschlechtsreife auch die physischen Befruchtungs- und Geburtsvorgänge ihnen klar werden, so werden sie diese Vorgänge eben nur als das, was sie sind, als das Unwesentlichere (Hervorhebung RB), auch den Kindern erscheinen.” – Wie bitte? Sollen die geschlechtsreifen Jugendlichen ihren Körper nicht entdecken dürfen und so “aufgeklärt” werden, dass ihnen die “physischen Vorgänge” als “unwesentlich” erscheinen? Eine Empfängnis (und wie man sie verhütet) oder die Geburt eines Kindes? – Nun bleibt offen, ob Steiner das wirklich so gesagt hat (was durchaus sein kann), ob es unkorrekt mitgeschrieben und/oder falsch zitiert wurde; klar ist jedenfalls, dass hier ein längst verflossener Zeitgeist spricht. Ob durch Steiner oder durch die Verschriftlichung, jedenfalls vom Einsender gierig aufgenommen.

Diese Aussage über das “Unwesentliche physischer Vorgänge” im Kontext des prüden theosophischen Milieus zu studieren, in dem Steiner mangels anderer Zuhörer seine Anthroposophie entwickelte, dürfte amüsante Ergebnisse zu Tage fördern. Sie für Geisteswissenschaft zu halten beruht auf einer folgenschweren Verwechslung.’

zaterdag 3 mei 2014

Wereldbeelden


Op gezag van persbureau Novum schrijft NRC Handelsblad vanavond ‘Crèches willen niet-ingeënte kinderen kunnen weigeren’:
‘Zeker 118 kinderdagverblijven willen kinderen die niet ingeënt zijn kunnen weigeren. Ten minste vijf doen het al of voeren een ontmoedigingsbeleid. Dat blijkt uit een rondgang van RTL Nieuws.

De crèches vinden dat de gezondheid van andere kinderen en medewerkers boven het recht van ouders gaat om hun kind niet in te enten. Een van die kinderdagverblijven is Tijd voor Kinderen in Sint Willebrord. “Ik ben van mening dat als ouders de keuze maken om hun kinderen niet te laten inenten, wij de keuze mogen hebben om deze ouders te weigeren”, zegt eigenaar Petra den Braber.

Uit het onderzoek blijkt verder dat 156 kinderdagverblijven de afgelopen jaren niet-ingeënte kinderen hebben opgevangen. Op zeventig van deze crèches hebben kinderen ook daadwerkelijk een ziekte gehad waartegen ingeënt kan worden. Het ging om kinkhoest, mazelen, bof of rodehond.

Veel kinderdagverblijven negeren het advies van de GGD om te screenen of kinderen wel zijn ingeënt. Vijftien procent weet niet of alle kinderen alle vaccinaties hebben gehad. De meeste andere crèches vragen het bij inschrijving, maar controleren niet of het ook daadwerkelijk is gebeurd.

Branchevereniging wijst naar wetgever

De branchevereniging vindt dat het niet aan kinderdagverblijven is om niet-ingeënte kinderen te weigeren, maar aan de wetgever. Verantwoordelijk minister van Volksgezondheid Edith Schippers (VVD) zei eerder echter al dat weigering juridisch gezien niet mogelijk is, omdat het discriminatie op grond van geloofsovertuiging zou betekenen. De minister kon vanwege het reces niet op de bevindingen van RTL Nieuws reageren.

RTL Nieuws benaderde voor het onderzoek alle 3193 kinderdagverblijforganisaties in Nederland. Daarvan reageerden er 560. (Novum)’
U herinnert zich misschien wel dat ik drie weken geleden, op zaterdag 12 april in ‘Terugkeer’, nog geruststellend kon schrijven:
‘Inmiddels berichtte Trouw gisteren op geleide van het ANP “Crèche kan niet zomaar kind weigeren dat niet is ingeënt”.’
Voor meer over inenten, en dan vooral bij mazelen, kan ik verwijzen naar eerdere bijdragen hier, zoals op 8 en 12 augustus 2013 in ‘Beweegredenen’ en Uitgangspunten’, en op 1 en 4 september 2013 in ‘Wol’ en Tegengeluiden’. Overigens is het interessant dat de ‘canard van Trouw’ die notabene scepticus Jan Willem Nienhuys constateerde inzake mazelen en antroposofen bij de berichtgeving van Emiel Hakkenes op de voorpagina van Trouw op 3 augustus (zie ‘Beweegredenen’) vandaag een herhaling lijkt te krijgen, maar dan met het begrip christelijk ‘neofundamentalisme’, zoals Pieter Smit beschrijft in de Volkskrant in ‘Lopend Vuur: hoe de media aan de haal gingen met “neofundamentalisme”’. We zijn exact negen maanden verder, en wie heeft hierin een sleutelrol? Jawel, Emiel Hakkenes, chef religie en filosofie van Trouw. Is dit nog toeval? Maar het is ook best moeilijk om aan zuivere berichtgeving te doen (zo komt ombudsman Sjoerd de Jong van NRC Handelsblad vandaag heel geestrijk terug op het woord- en praktijkgebruik in ‘NRC en het fanatisme van de christenjeugd: een exegese’). Lees bijvoorbeeld vandaag van Ellen de Visser in de Volkskrant over ‘Medicijnen werken bij veel patiënten niet goed’. Er zijn zoveel parameters, factoren die een rol spelen. Dat benadrukte ook hoofdredacteur Bart Hommersen op zijn ‘Blog van Vruchtbare Aarde’ op 9 april, in ‘Arts moet alternatieve geneeskunde benutten’:
‘Met enige opwinding las ik vanochtend een bericht in Trouw over de alternatieve geneeswijzen. Geen wereldschokkend bericht. Maar door de huidige benauwde omgang van beleidsmakers met alternatieve geneeswijzen en de doorverwijsangst bij artsen toch een interessante stap.

“Artsen moeten gaan onderzoeken of alternatieve geneeswijzen zoals bijvoorbeeld vitaminepreparaten, meditatie, acupunctuur of yoga de ‘traditionele’ behandelingen kunnen aanvullen en versterken.” Dat maakte onderzoeksbureau ZonMw vandaag bekend.

Trouw schrijft op basis van het rapport – waaraan verscheidene medici en ziekenhuisbestuurders hebben meegewerkt – dat Nederlandse artsen “alternatieve zorg waarvan de effectiviteit is bewezen” vaker moeten toepassen. Als voorbeelden van werkzame zorg worden genoemd: chiropractie (behandeling van gewrichten), voedingssupplementen bij het voorkomen van veroudering en allerlei therapieën gericht op lichaam en psyche die pijn en stress verminderen. Naast acupunctuur wordt ook muziektherapie specifiek genoemd.

Hoogleraar chirurgie Hans Jeekel stelt voor bewezen effectieve zorg te vergoeden via de zorgverzekering. “Ook omdat het om een relatief goedkope variant gaat – er komen geen dure medicijnen aan te pas – waarmee je juist op andere zorg kunt besparen.” 
Als chirurg en hoogleraar chirurgie deed Hans Jeekel zelf trouwens uitgebreid onderzoek naar “muziek als medicijn”. Patiënten die tijdens een operatie onder narcose naar klassieke muziek luisteren, zouden na afloop sneller herstellen en minder pijnbehandeling nodig hebben. Ook onderzoek met te vroeg geboren kinderen en klassieke muziek leidde tot verrassende resultaten; hun groei bleek te kunnen worden bevorderd door ze in een couveuse naar klassieke muziek te laten luisteren.

Het nieuws van vandaag sluit aan bij het openingsinterview in de aankomende “Vruchtbare Aarde” (die sinds maandag j.l. bij de drukker ligt). Daarin komt ook oud-chirurg Piet Leguit aan het woord. Voormalig voorzitter van de beroepsvereniging van chirurgen. Hij houdt een gloedvol pleidooi voor een meer bezielde vorm van geneeskunde.

We kunnen nu eenmaal, zegt hij, niet zonder compassie en gevoel. Als mens niet; als patiënt niet en als dokter niet. “Er is meer dan alleen het lichaam repareren.” In het interview gaat hij uitgebreid in op zijn eigen ervaringen met meditatie, ademhalingstechnieken en ontspanningsoefeningen. En vertelt over de omslag in zijn denken toen hij de waarde van deze aanvulling op de reguliere zorg begon in te zien. “Aandacht voor het innerlijk van de mens in de geneeskunde is minstens zo belangrijk.”

En wat betreft de huidige krampachtige reactie op alternatieve geneeswijzen... die is volgens hem niet meer van deze tijd.

De voorjaarseditie van “Vruchtbare Aarde” wordt medio volgende week verwacht.

Bericht NU.nl
Bericht Trouw
Inmiddels is op de website van dit blad te lezen:
‘De nieuwe lente-editie 1-2014 van Vruchtbare Aarde is zaterdag 19 april verschenen (gedrukt op 100% wit recycled FSCpapier): Piet Leguit blikt terug op zijn loopbaan als chirurg en vertelt over zijn ervaringen met meditatie en ontspanningsoefeningen en houdt een hartstochtelijk pleidooi voor meer compassie in de gezondheidszorg | In het honderdste geboortejaar van Etty Hillesum een interview met actrice Julika Marijn die tien jaar lang solovoorstellingen op Hillesums dagboeken baseerde | Een nieuwe ontmoeting met de Duitse meesterfilmer Edgar Reitz | Kunstenaar Bruno van den Elshout vertelt over zijn fascinatie voor de oneindigheid van de horizon | H.C. Moolenburgh schreef de nieuwe Spock. Meer info over deze editie » en klik hier voor de nieuwsbrief ».En klik hier voor VA’s filmwebwinkel ». En klik hier voor VA’s eigen Facebook pagina».

Welkom bij VA-Magazine / Vruchtbare Aarde. Een driemaandelijkse uitnodiging tot blikverruiming. Misschien willen we het onmogelijke en misschien lukt het ons niet altijd, maar we streven ernaar, elke drie maanden weer: op een leesbare wijze door proberen te dringen tot de binnenkant der dingen.’
Ben je bereid dieper te kijken, kun je ook uitkomen op de magistrale weblog van Ridzerd van Dijk, die het presteert om ‘gewoon’ elke dag een citaat te plaatsen op ‘De grote Rudolf Steiner Citatensite. Meer dan 1000 citaten en fragmenten uit het werk van de grote ziener in het land der blinden, Rudolf Steiner.’ Eergisteren, de dag waarop ‘Antroposofie in de pers’ precies zes jaar bestond, zodat we inmiddels het zevende jaar zijn ingegaan, kwam hij met dit cadeautje aanzetten, zo beschouw ik het tenminste, getiteld ‘Waardeloos woordgekraam’:
‘Het gaat erom dat abstracte logica vandaag de dag niet meer voldoende is, wat men zegt moet realiteit hebben. Want tegenwoordig zijn we reeds aanbeland in een stadium van de mensheidsontwikkeling dat een journalist de mooiste dingen kan neerpennen, en de mensen staan in bewondering, en ze zeggen; “Ja, als ik dat lees, dat is zuivere geesteswetenschap!” – maar daarom gaat het helemaal niet. Het gaat vandaag niet meer om hoe de woorden klinken, maar wel: wat is de zielebodem van waaruit iets dergelijks gesproken wordt; het gaat om de substantie die men als mens in zich heeft! Of, om een vergelijking te gebruiken die ik al vaker aangehaald heb: Er zijn vandaag de dag dichters, die dichten ongemeen moeiteloos, ze maken mooie verzen die men kan bewonderen. Maar toch geldt: er wordt tegenwoordig 99 % te veel gedicht. Er zijn er echter, en die hun verzen klinken als een gestamel, maar deze verzen die een gestamel zijn, kunnen uit een echte menselijke diepte, dus een geestelijke diepte stammen, terwijl de verzen die bewonderd worden waardeloos woordgekraam kunnen zijn omdat de talen nu zover geëvolueerd zijn dat iedere onnozele hals vanuit de taal iets bewonderenswaardig kan maken. Wat vandaag dringend noodzakelijk is, is dat men van de klank van de woorden overgaat naar het motief, dus dat men niet bij het abstracte blijft, dat men niet letterlijk leest, maar dat men zich ten volle in het leven stelt en vanuit het leven de verschijnselen beoordeelt. Aldus gaat het erom dat geesteswetenschap zoals ze hier bedoeld wordt, vooral bevruchtend moet werken op de verschillende geledingen van het leven, anders zal er niet komen wat er moet komen.

Overgenomen uit Tijdschrift De Brug – Trefwoord Ahriman – 24 (Bron: GA 235)’
Vandaag voegde Ridzerd van Dijk – het is net of hij aanvoelt wat er speelt en daar het treffende citaat bij plaatst; let wel, altijd ’s ochtends vroeg, wanneer niemand nog weet wat het thema van de dag zal worden – hier een nog lastiger tekst aan toe, waarin het thema oneindig verdiept wordt, namelijk ‘Men zal zeggen: het is toch een ziekte bij de mens wanneer hij aan geest en ziel denkt’:
‘De tijd zal komen, misschien zelfs in een niet zo verre toekomst, dat men zal zeggen: het is toch een ziekte bij de mens wanneer hij aan geest en ziel denkt. Gezonde mensen, die spreken alleen van het lichaam. – Men zal het als een symptoom van een ziekte beschouwen wanneer de mens zich dusdanig ontwikkelt dat hij tot het begrip kan komen: er is een geest of een ziel. Die zal men als een ziek mens beschouwen. En men zal het gepaste geneesmiddel vinden – daar kunt u heel zeker van zijn – waardoor men kan ingrijpen. Toentertijd (op het Concilie van Constantinopel in 869 – fdw) heeft men de geest afgeschaft. De ziel zal men afschaffen door een farmaceutisch product. Vanuit een “gezonde” levensbeschouwing zal men een vaccin vinden waardoor in het organisme dusdanig ingegrepen wordt, liefst zo jong mogelijk, als het kan na de geboorte, zodat dit menselijk lichaam niet tot de gedachte kan komen: er is een ziel en een geest.

Zo scherp zullen de twee wereldbeschouwingen tegenover elkaar komen te staan. De ene zal erover nadenken hoe begrippen en voorstellingen moeten gevormd worden om bruikbaar te zijn in de reële werkelijkheid, de geestelijke en de zielewerkelijkheid.

De anderen, de opvolgers van de materialisten van nu, zullen een vaccin zoeken dat het lichaam “gezond” maakt, t.t.z. dat het lichaam zo verandert dat het door zijn constitutie niet meer van zo’n dwaze dingen praat als “ziel” en “geest”, maar op een “gezonde” manier praat over de krachten die in machines en in de scheikunde leven, die in het heelal planeten en zonnen doen ontstaan. Dat gaat men door lichamelijke procedures bewerkstelligen. Men zal het aan de materialistische geneeskunde overlaten om de zielen uit de mensheid uit te drijven.

Overgenomen uit Tijdschrift De Brug – Trefwoord Ahriman – 27 (Bron: GA 177 – 7 oktober 1917)’
Nog meer weblogwerk. Dat vinden we op de website van de ‘Summer Foundation’. Ik besteedde er al eens aandacht aan in ‘Observaties’ op 6 augustus 2013 en in ‘Tellingen’ op 8 november 2013. Vanaf 1 tot en met 30 april vinden we daar een serie van acht bijdragen over geld door John  Hogervorst. Ik laat ze hier graag allemaal volgen, te beginnen met ‘1. De functies van geld’:
‘Geld is en blijft een van de belangrijkste thema’s als we proberen zicht te krijgen op een wereld met meer vrijheid en gelijkheid en waarin mensen meer en beter samen werken en delen. Begrijpen wat geld is, hoe het werkt en hoe het beter zou kunnen werken is misschien wel een hele belangrijke stap op weg naar die wereld. In een reeks van korte blogs staan we stil bij een aantal belangrijke aspecten van geld. Je reactie is meer dan welkom!

Geld is misschien wel de grootste uitvinding die de mens ooit gedaan heeft. Stel je eens voor dat het niet zou bestaan: de samenleving zoals we die kennen, zou direct vastlopen. De economische activiteit zou stilvallen, mensen zouden ophouden naar hun werk te gaan, in winkels zou je niet meer met geld kunnen betalen.

Geld als ruilmiddel maakt economische productiviteit mogelijk, dient als tegenprestatie voor het resultaat van het werken van mensen en is praktisch onmisbaar bij het verkopen of aankopen van producten of spullen.

Daarnaast kunnen we met behulp van geld de dingen (producten uit de economie) een waarde toekennen en daarmee bepalen we ook de waardeverhoudingen van producten ten opzichte van elkaar. Het geld vormt de rekeneenheid waarin we waarde uitdrukken.

Een derde functie van geld is, dat dankzij geld waarde kan worden opgeslagen. De oogst die de boer van het land haalt, is bederfelijk en zal vroeg of laat verrotten en zonder waarde zijn. Indien hij zijn oogst verkoopt, ruilt tegen geld, blijft de waarde in stand en kan worden “opgeslagen” totdat hij de waarde gebruikt om er iets mee te kopen.

Geld functioneert als ruilmiddel, als rekeneenheid en als middel om waarde te bewaren. Deze functies zijn noodzakelijk: er moet iets zijn waarmee we kunnen ruilen, rekenen en bewaren. In die zin is geld misschien wel de grootste uitvinding die de mens ooit deed en zouden we niet zonder kunnen.

Maar weten we daarmee ook werkelijk wat geld is???

John Hogervorst, 1 april 2014

2. Geld als afspraak

In het voorgaande blog “De functies van geld“ zijn drie functies van geld beschreven. Maar weten we daarmee wat geld is? Wie met een rubberbootje beladen met koffers vol geld op een onbewoond eilandje aanspoelt, zal merken dat zijn geld niets waard is. Mijn pinpas zal me weinig baten als ik langs de Amazonerivier in westelijke richting diep het regenwoud intrek. Met mijn Eurobiljetten kom ik niet ver als ik wil betalen in een tankstation in het onbevolkte zuiden van de Verenigde Staten.

Geld zelf – de munten, bankbiljetten, pasjes, afschriften – is niets waard. Geld wordt pas geld wanneer mensen afspreken er waarde aan toe te kennen en wanneer zij die afspraak nakomen.

Een groep mensen kan onderling afspreken schelpen, munten, bankbiljetten of wat dan ook als geld te beschouwen. In de moderne samenleving is geld steeds minder gebonden aan een materieel voorwerp, bijvoorbeeld een munt of bankbiljet, maar heeft het een “virtueel” karakter aangenomen: geld is een getal op je beeldscherm, door delen van dat getal aan anderen over te schrijven, betaal je.

Lang geleden was de waarde van geld verbonden met het object dat als geld diende, bijvoorbeeld in de vorm van een gouden munt. Nu heeft geld meer het karakter van een afspraak en behoudt het zijn waarde zolang die afspraak wordt nageleefd.

Geld kan zijn functies vervullen wanneer we hebben afgesproken dat geld geld is. Je zou dus kunnen zeggen: geld heeft heel veel te maken met het vertrouwen dat mensen hebben in de afspraak die ze met elkaar gemaakt hebben. Geld en vertrouwen hebben veel met elkaar te maken, ze zijn als de twee kanten van een munt. Maar door vertrouwen alleen verkrijgt het geld nog geen waarde en alleen op basis van vertrouwen kan het geld de drie beschreven functies niet uitoefenen. Daar is nog iets anders voor nodig en dat heeft te maken met de vraag: hoe krijgt geld zijn waarde?

John Hogervorst, 2 april 2014

3. Het fundament van vertrouwen

Geld op zichzelf is waardeloos. Krijgt en behoudt geld zijn waarde wanneer mensen erop vertrouwen dat ze de afspraken om geld als middel om te ruilen, te rekenen en te bewaren nakomen?

Nee, vertrouwen alleen is niet voldoende om tot een goed functionerend geldsysteem te komen. Zonder vertrouwen krijg je nooit een goed functionerend geldsysteem, maar vertrouwen alleen is niet voldoende.

Waarde kan worden uitgedrukt in geld en kan worden opgeslagen in geld. Maar het geld zelf zorgt niet voor het ontstaan van waarde: geld schept geen waarde. De waarde van het geld berust niet op het geld zelf en ook niet op de afspraken die mensen rond het gebruik van geld maken. De waarde van geld berust op economische activiteit.

In de economie wordt waarde geschapen en dat gebeurt feitelijk op twee manieren. De mens bewerkt de natuur. Hij bewerkt het land, zaait en oogst en verwerkt de oogst tot producten. Of hij delft grondstoffen die hij bewerkt tot bruikbare waren. Menselijke arbeid die wordt toegepast op wat de natuur ons aan grondstoffen of als mogelijkheden biedt, dat is de ene weg waarlangs waarde wordt geschapen.

De andere manier van waarde-schepping vindt plaats door menselijke arbeid zó te verrichten, te organiseren en te faciliteren dat de productiviteit toeneemt. Met minder arbeid meer maken (en dat gebeurt bijvoorbeeld door het toepassen van apparaten, machines en technologie of door het inrichten en stroomlijnen van productieprocessen), dat is de tweede weg waarlangs waarde wordt geschapen.

Wanneer er in de economie geen waarde wordt geschapen, op basis van de natuur die bewerkt wordt en op basis van arbeid die productief wordt gemaakt, is geld een overbodig iets: dan is er niets om te ruilen, niets waarvan de waarde door middel van geld kan worden uitgedrukt en niets dat kan worden opgeslagen.

Zonder economische productiviteit geen waarde, zonder waarde geen geld.

John Hogervorst, 9 april 2014

4. Met geld geld verdienen?

Maar is het niet zo dat er nog op een andere manier waarde wordt geschapen, bijvoorbeeld in de financiële wereld? Nee, dat is niet zo. Geld verdienen is niet hetzelfde als waarde scheppen.

Het is wel zo dat mensen geld verdienen door te handelen in aandelen, in opties, beleggingen en al het andere dat in de financiële wereld wordt uitgedacht. Met dit soort activiteiten wordt geld verdiend maar wordt geen waarde geschapen. Het geld dat in de financiële wereld wordt verdiend, wordt altijd van elders “weggenomen”. Een financiële transactie gaat niet gepaard met een waardescheppend proces. Anders gezegd: door financiële transacties wordt geen waarde geschapen, er wordt niets geproduceerd. Een financiële transactie voegt niets toe aan wat al bestaat en is feitelijk slechts een herverdeling (of heen en weer schuiven) van geld.

Voor de financiële sector geldt hetzelfde als voor bijvoorbeeld het onderwijs, de wetenschap, de kunst: mensen kunnen er slechts werkzaam zijn, omdat er andere mensen zijn die in de “real economy” werkzaam zijn en waarde scheppen. Het is de concrete economische productie die de basis legt voor de waarde van het geld.

John Hogervorst, 11 april 2014

5. De drie geldkwaliteiten

Laten we nog eens op een andere manier naar geld kijken en ons de vraag stellen: wat kun je er eigenlijk mee doen?

In het dagelijks leven gebruiken we geld in de eerste plaats om er dingen mee te kopen; we hebben immers voedsel nodig, kleding, een dak boven ons hoofd enzovoort. Met geld kopen we de zaken die we nodig hebben om te leven. Wanneer je zou vervolgen wat dit geld in de samenleving voor effect heeft, kun je zien dat dit geld de economische productie mogelijk maakt. Dankzij het feit dat mensen dagelijks allerlei zaken kopen die ze nodig hebben (en niet nodig hebben), is het mogelijk (en nodig!) dat de economische productie in gang blijft. Met dit geld, we kunnen het koopgeld noemen, maken we het dus mogelijk dat er geproduceerd wordt wat wij nodig hebben.

Wanneer ik meer geld heb dan ik nodig heb om spullen van te kopen, of wanneer ik er vanaf zie om bepaalde spullen te kopen, ontstaat er een “spaarpotje”: geld dat ik zelf niet (direct) gebruik of nodig heb. Ik kan dit geld “naar de bank brengen”, het op een spaarrekening zetten. Wat gebeurt er vervolgens met dit geld? De bank leent het direct uit (en in werkelijkheid zelfs meer, namelijk circa 14 keer meer dan ik spaar). Dit geld, we noemen het “leengeld”, wordt uitgeleend aan ondernemers die er hun investeringen mee kunnen betalen: een uitbreiding, een nieuwe vestiging, een nieuwe productielijn of wat dan ook. Leengeld maakt investeringen in de economie mogelijk en zorgt er daarmee voor dat de economie zich voortdurend kan vernieuwen en ontwikkelen – want dat is wat er feitelijk gebeurt wanneer er in de economie geïnvesteerd wordt. Wanneer de economie werkelijk gericht is (gericht zou zijn) op het vervullen van de behoeften van de mens, is het voor ieder van belang dat er steeds in de economie geïnvesteerd kan worden.

En dan is er nog iets anders dat we met geld kunnen doen: we kunnen het besteden aan iets waar we in eerste instantie niets van terugzien, oftewel we kunnen het wegschenken. We schenken het aan een leraar, een arts, een priester, een kunstenaar of een wetenschapper, opdat zij kunnen doen waar ze goed in zijn. Voor dit geld, dat we “schenkgeld” noemen, krijgen we niets tastbaars terug. We ruilen het niet tegen een economische waarde. Toch kan dit geld heel goed besteed zijn: dit geld, schenkgeld, maakt het namelijk mogelijk dat mensen zich ontwikkelen, dat wetenschap, kunst of onderwijs bloeien en daarmee de mens in zijn ontwikkeling stimuleren en de samenleving in zijn geheel bevruchten.

Koopgeld maakt het mogelijk dat het economisch proces voortgaat.
Leengeld maakt het mogelijk dat de economie zich vernieuwt en uitbreidt.
Schenkgeld maakt ontwikkeling mogelijk.

Dit zijn de drie ‘kwaliteiten’ van geld.

John Hogervorst, 16 april 2014

6. De geldhoeveelheid

Hoeveel geld is er eigenlijk nodig? Dat is natuurlijk deels een onmogelijke vraag. Maar deels ook niet: ieder mens zou over zoveel geld moeten beschikken dat hij op een menswaardige manier in zijn behoeften kan voorzien. Als er minder geld zou zijn dan vanuit dit gezichtspunt nodig is, dan moet er meer geld komen. Als er meer geld is, zou die extra hoeveelheid geld in zekere zin “onschadelijk” moeten worden gemaakt.

Dit “onschadelijk” maken is eigenlijk hetzelfde als wat er in blog 5 “De drie kwaliteiten van geld” over het “schenkgeld” is gezegd: dat is het geld waarmee alle sectoren in de samenleving die niet tot de werkelijke economie behoren, moet worden bekostigd. Die sectoren – denk aan onderwijs, wetenschap, kunst, religie, rechtspraak, gezondheidszorg – zijn bepaald niet overbodig. Het zijn sectoren waarbinnen geen concrete waarde wordt geschapen en die voor hun voortbestaan afhankelijk zijn van deze “derde geldstroom”: het schenkgeld, het geld dat onschadelijk wordt gemaakt door het te besteden zonder er een waarde voor terug te krijgen.

We hebben eerder gezien dat de waarde van het geld berust op de productiviteit van de economie: in de economie wordt, in de vorm van producten, waarde geschapen en om die waarde uit te drukken is geld nodig. Bij wijze van spreken zouden we kunnen zeggen: parallel aan het scheppen van waarde in de economie, kan ook geld worden geschapen waarmee die waarde wordt uitgedrukt. Zo is er een relatie tussen de economische productiviteit en de hoeveelheid geld.

Maar... alles dat in de economie wordt geproduceerd, wordt geconsumeerd en verliest daarmee zijn waarde. Een liter melk wordt laten we zeggen binnen tien dagen verbruikt. Een kledingstuk gaat mogelijk een paar jaar mee maar is daarna versleten. Een auto is misschien een jaar of tien, vijftien te gebruiken maar is daarna op: niets meer waard. En zo is het met alles dat de economie aan productie voortbrengt: na verloop van tijd is het zonder waarde.

Wat betekent dat voor de waarde van het geld? Om het geld zijn waarde te laten behouden, kan het niet zo zijn dat de waarde van de economische productie – waarvan het geld uitdrukking is – uiteindelijk altijd tot nul daalt, terwijl het geld zijn waarde behoudt en de geldhoeveelheid ook alsmaar toeneemt.

Het geld zou dus een leeftijd moeten krijgen: een uiterste houdbaarheidsdatum. Als die datum verstreken is, is het geld niets meer waard. Zo kunnen we een balans scheppen tussen de waarde van de economische productie en de hoeveelheid geld.

John Hogervorst, 23 april 2014

7. De geldkringloop

Geld dat van hand tot hand gaat, doet wat geld eigenlijk “moet” doen: het maakt transacties mogelijk; het maakt investeringen mogelijk en het maakt ontwikkeling mogelijk. Geld in beweging is “geld in optima forma”. Geld dat “stilstaat” bewerkt niet veel: het maakt geen productie mogelijk, het draagt niet bij aan investeringen in de economie en het stimuleert ook geen ontwikkeling.

Daarom is het goed om geld een leeftijd mee te geven. Hoe zou dat eruit kunnen zien? Allereerst hoeven we ons werkelijk geen zorgen te maken over de uitvoeringstechnische kant van de zaak: met de moderne IT-technologie ligt daar geen werkelijk probleem. Het is belangrijker om op de eerste plaats in te zien dat geld op een gegeven moment zijn waarde moet verliezen en vervolgens helder te krijgen hoe we het geld een uiterste houdbaarheidsdatum kunnen geven.

Dat kan als volgt: 
– het geld dat mensen krijgen als tegenprestatie voor hun werk in de economie (dus voor hun bijdrage aan het scheppen van waarde) is “nieuw” geld; 
– dit nieuwe geld krijgt, fysiek of virtueel, een uiterste houdbaarheidsdatum mee, bijvoorbeeld 30 jaar; 
– wanneer er met dit geld een product wordt gekocht, is dit geld direct “ont-waard”: het is teruggevloeid naar de economie en maakt weer nieuwe productie, nieuwe waardeschepping mogelijk – die vervolgens weer tot “nieuw” geld leidt; 
– wanneer geld wordt gespaard, en bijvoorbeeld via een bank, wordt uitgeleend, zal de lening vóór het verstrijken van de uiterste houdbaarheidsdatum van dit geld moeten worden afgelost. Nadat het is afgelost, kan het alsnog worden gebruikt om producten mee te kopen, dan vloeit ook dit geld terug naar de economie, wordt “ont-waard” en maakt weer nieuwe productie, nieuwe waardeschepping en nieuw geld mogelijk; 
– wanneer geld zijn uiterste houdbaarheidsdatum nadert en niet wordt gebruikt om producten aan te schaffen en ook niet (meer) wordt gebruikt om uit te lenen, dan zit er nog maar een ding op (tenzij de eigenaar van dit geld ervoor kiest om het letterlijk waardeloos te laten worden), namelijk om het te besteden aan onderwijs, kunst, wetenschap, religie, rechtspraak of gezondheidszorg: aan zaken die geen directe waarde vertegenwoordigen maar wel ontwikkeling stimuleren. Degenen die in deze sectoren werkzaam zijn en die geld, dat vlak voor zijn uiterste houdbaarheidsdatum zit, ontvangen, zullen het heel snel “ont-waarden”: zij kopen er producten voor – en zo vloeit ook dit geld terug naar de economie, maakt nieuwe productie en waardeschepping en nieuw geld mogelijk...

Daarmee is de geldkringloop “rond” en door de uiterste houdbaarheidsdatum blijft het geld binnen de kringloop in beweging.

John Hogervorst, 28 april 2014

8. Geen geld buiten de kringloop

Geld dat zich in de geschetste geldkringloop bevindt zoals beschreven in mijn vorige blog: “De geldkringloop“, is geld dat in sociaal opzicht een nuttige, wenselijke functie vervult. Geld dat zich buiten deze kringloop bevindt, vervult geen sociaal wenselijke functie of, sterker nog, werkt in sociaal opzicht schadelijk. Dit gaat op voor veel activiteiten in de financiële wereld.

Al het geld zou in de geldkringloop opgenomen moeten zijn. Niet alleen het geld dat nu in de financiële wereld circuleert, maar ook het geld dat nu wordt gebruikt om land, grond, onroerend goed of productiemiddelen mee te kopen. Deze “middelen” zouden niet overdraagbaar moeten zijn.

Land, grond, onroerend goed of productiemiddelen zijn namelijk de middelen waarover een ondernemer moet kunnen beschikken om zijn onderneming te “runnen”. Een boer heeft land nodig om het boerenbedrijf te kunnen uitoefenen. Een bakker heeft een pand en een oven nodig om brood te kunnen bakken. Een transporteur heeft een vrachtwagen nodig, een winkelier een winkelpand.

Ondernemers kunnen, afhankelijk van de aard van hun onderneming, niet zonder deze “middelen”. Maar wanneer deze middelen niet verhandelbaar zijn, wanneer ze geen privé-eigendom zijn, kunnen we ze gewoon inzetten als middelen die gebruikt mogen worden door de ondernemer die bekwaam is om ze te gebruiken, voor de duur dat hij daartoe bekwaam is en zolang datgene wat zijn onderneming voortbrengt ook daadwerkelijk in een behoefte voorziet.

Geld zou niet mogen worden gebruikt om land, grond, onroerend goed of productiemiddelen mee te kopen. Geld moet binnen de geldkringloop stromen en zich niet “vastzetten” in het eigendom van deze middelen. Dat werkt namelijk schadelijk op de economische productiviteit, op de waarde van het geld en op het welzijn van een samenleving. Klik hier voor meer “Ideeën voor de samenleving van de toekomst”.

John Hogervorst, 30 april 2014’
Een buitengewoon heldere uiteenzetting. Hier kun je mee thuiskomen. Op dezelfde website van de Summer Foundation stond op 28 april ‘Inkomensongelijkheid belemmert economische groei’:
‘Het World Economic Forum gaf in januari 2014 aan dat de kloof tussen arm en rijk het grootste probleem van de komende jaren wordt. Het IMF (Internationaal Monetair Fonds), een van de meest invloedrijke instanties als het gaat om economisch beleid, stelt dat de groeiende ongelijkheid economische groei in de weg staat.

Uit de berekeningen van het IMF komt naar voren, dat het bevorderen van gelijkheid in de inkomensverdeling een gunstige invloed heeft op de groei van de economie. In landen met meer gelijkheid groeit de economie niet alleen sneller maar ook langduriger. Ook blijkt dat de herverdeling van rijkdom door geld over te hevelen van de rijken naar de armen, geen negatief effect heeft op de groei, tenzij dat in zeer extreme mate gebeurt.

Volgens Jonathan Ostry, adjunct-directeur van de afdeling Onderzoek bij het IMF, heeft de groeiende kloof tussen arm en rijk een ongunstig effect op de economische ontwikkeling en vormt deze bovendien een serieuze bedreiging voor de democratie: “Als er binnen een samenleving een hoge economische ongelijkheid is, kom je onherroepelijk in een situatie terecht waarin je moet kiezen tussen een democratische en een kapitalistische maatschappij. Democratisch bestuur wordt steeds moeilijker als de rijkdom ongelijk verdeeld wordt. De rijken zullen dan het politieke proces gaan bepalen, ook in een democratie en dat maakt het zeer ingewikkeld om een democratie naar behoren te laten functioneren.”

Voor het volledige IMF rapport klik hier
Bron: Tegenlicht (VPRO) en www.imf.org
‘Waarom laten sommige mensen hun hamburger staan om het klimaat te helpen, terwijl voor anderen het recyclen van het oude papier nog te veel moeite is? Onderzoek van de Vrije Universiteit Amsterdam onder ruim duizend Nederlanders toont aan dat het wereldbeeld van mensen van grote invloed is op in hoeverre ze een duurzame levensstijl hebben. Met name mensen met een wereldbeeld gericht op innerlijke groei blijken geneigd te zijn tot het maken van duurzamere gedragskeuzes. Zij eten bijvoorbeeld minder vlees, stemmen vaker groen, en geven meer aan natuur- en milieuorganisaties. Deze inzichten bieden aanknopingspunten voor het duurzaamheidsbeleid van organisaties en overheden. De resultaten zijn verschenen in the Journal of Environmental Psychology.

Mensen met postmodern wereldbeeld geneigd tot duurzamere levensstijlen

In de steekproef troffen de onderzoekers drie typen wereldbeelden aan:
– Traditioneel religieus (14% van de steekproef),
– Modern, onder te verdelen in “Focus op geld” en “Seculier materialisme” (27%),
– Postmodern, onder te verdelen in “Innerlijke groei” en “Hedendaagse spiritualiteit” (21%).
Uit het onderzoek blijkt dat mensen met de postmoderne wereldbeelden – met name “Innerlijke groei” – vaak een “verbondenheid met de natuur” ervaren en een “bereidheid te veranderen” hebben, wat resulteert in meer duurzame levensstijlen. Mensen met de moderne wereldbeelden, waarin materialistische en individualistische waarden en opvattingen dominant zijn, zien de natuur vooral als gebruiksobject voor de mens. Zij vertonen minder duurzame leefstijlen en zien oplossingen van milieuproblemen in technologische ontwikkelingen en marktwerking, zoals het duurder worden van olie. Mensen met een “traditioneel religieus” wereldbeeld zijn minder uitgesproken en scoren qua milieuhouding en gedrag tussen de twee andere typen wereldbeelden in. Een grote groep (ongeveer 38%) is niet goed in te delen qua wereldbeeld, en kenmerkt zich door het afwijzen van innerlijke groei. Opvallend is dat deze minder “reflectieve” groep het slechtst scoort qua milieugedragingen.

Duurzaamheidsbeleid moet aansluiten op wereldbeelden

Omdat er een diversiteit aan wereldbeelden bestaat binnen de Nederlandse samenleving, zullen overheden en organisaties ook gebruik moeten maken van een diversiteit aan beleidsstrategieën. VU-wetenschapper Annick Hedlund-de Witt: “Mensen met de meer postmoderne wereldbeeld krijgen een goed gevoel als ze producten kopen die beter zijn voor het milieu, zelfs als deze duurder zijn. Voor hen is duurzaam gedrag een intrinsiek bevredigende manier van leven; ze voelen zich er simpelweg beter bij. Ze verlangen ernaar hun eigen, unieke bijdrage aan de samenleving te leveren, en geloven dat hun gedrag er toe doet. Er is momenteel een maatschappelijke trend zichtbaar van het streven naar bewustwording, persoonlijke groei, zingeving, en hedendaagse spiritualiteit. Nu duidelijk is hoe belangrijk innerlijke bewustwording is bij het ontwikkelen van milieuvriendelijke levensstijlen, is het voor het duurzaamheidsbeleid zinvol daar actief bij aan te sluiten. Op deze manier kunnen mensen die zich aangetrokken voelen tot deze waarden, maar nog niet heel duurzaam leven, verleid worden ook deze stap te gaan maken. Mensen met de meer moderne wereldbeelden moeten juist via extrinsieke prikkels gestimuleerd worden om duurzaam te leven, zoals economische voordelen en regelgeving.”

Voor meer informatie: www.vu.nl
Over wereldbeelden gesproken. Dat doet me denken aan ‘Alchemie van het alledaagse’. In ‘Roof’ en in ‘Ananassen’ op 17 en 20 juli 2013 had ik het voor het laatst over deze tentoonstelling (even afgezien van ‘Proactief’ op 27 maart, waarin ik die alleen maar noemde als mogelijk onderwerp). Dus wordt het hoog tijd er eens naar terug te keren en te kijken wat de Kunsthal in Rotterdam nu hierover meldt. Dat is het volgende:
‘Rudolf Steiner, Alchemie van het alledaagse
13 september 2014 t/m 11 januari 2015

Voor het eerst in Nederland presenteert de Kunsthal een overzicht van het veelomvattende oeuvre van Rudolf Steiner (1861-1925). Steiner is één van de meest invloedrijke en veelzijdige hervormers van de twintigste eeuw. Zijn gedachtegoed is nog springlevend. Steiner was een inspiratie bron voor vele kunstenaars zoals Piet Mondriaan, Wassily Kandinsky en Joseph Beuys en is dat nog steeds voor hedendaagse kunstenaars en designers als Olafur Eliasson en Konstantin Grcic. De tentoonstelling laat een rijke verzameling van meubels, maquettes, sculpturen en “blackboard” tekeningen zien en biedt een fascinerend inzicht in zijn leven, werk en wijdverbreide gedachtegoed. Een aantrekkelijk activiteitenprogramma op het gebied van voeding, architectuur, dans en sociaal ondernemen, met een Steinerdag en symposium, plaatst Steiners gedachtegoed in het licht van de actualiteit.

De tentoonstelling “Alchemie van het alledaagse” wordt mogelijk gemaakt door alle deelnemers van de BankGiro Loterij, de cultuurloterij van Nederland.

Activiteiten

Bij deze tentoonstelling wordt educatief materiaal ontwikkeld voor het basis- en voortgezet onderwijs. In de schoolvakanties zijn er activiteiten voor families.

In het SteinerLAB in de tentoonstelling zijn er doorlopende activiteiten, waar iedereen aan mee kan doen, zoals het bouwen van een huis volgens de uitgangspunten van de organische architectuur. De organische bouwwerken kunnen worden meegenomen naar huis of direct worden tentoongesteld in de Kunsthal. Daarnaast kunnen families op de wanden een eigen “blackboard tekening” maken. Voor de allerkleinsten zijn er spelletjes met als thema kleur en vorm.’
De vorige keer, op zaterdag 26 april, schreef ik in ‘Koningsdag’ dat Initiatiefgroep Vrijeschool in Amsterdam-Noord op 19 april een ‘Teleurstellend bericht’ had. Een dag later, op 27 april, meldde men ‘Nieuwe stappen’:
‘De initiatiefgroep heeft deze week een aantal stappen gezet om op korte termijn tot een oplossing te komen voor de stagnatie waarin we verkeren. Dit heeft geleid tot de volgende acties:
– Vragen in de gemeenteraad
– Juridisch
– Advies en ondersteuning door Onderwijs Consumenten Organisatie (OCO)
– Oudervereniging
– Mogelijkheid huisvesting
– Bijeenkomst

Vragen in de gemeenteraad

Afgelopen woensdag (23 april) hebben raadsleden van de SP en D66 tijdens het mondelinge vragenuur van de gemeenteraadsvergadering aan demissionair Wethouder van Onderwijs Freek Ossel vragen gesteld over de gang van zaken rond het intrekken van de toezegging voor het schoolgebouw . Zij hebben de heer Ossel flink aan de tand gevoeld. De wethouder legde uit dat er sprake is van een uniek situatie en dat dat de reden is dat de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling pas in dit late stadium terugkomt op eerdere besluiten.

De zaak rondom het al dan niet kunnen toekennen van een schoolpand voor de dependance is inmiddels naar zijn zeggen goed uitgezocht. Het zou wettelijk onmogelijk zijn om de school op deze wijze huisvesting te bieden. De wethouder gaf aan dat er voor de huisvesting een privaatrechtelijk aanbod is gedaan, terwijl dat eigenlijk via het publieke domein had gemoeten (dus via een volkshuisvestelijk plan).

Maureen v/d Pligt (SP) stelde dat deze gang van zaken onbehoorlijk bestuur is en eiste de garantie dat de school op 1 september van start kan gaan. Ook Zoe Kwint(D66) vroeg de wethouder huisvesting te garanderen. Dit kon de wethouder niet toezeggen, wel dat er op korte termijn inzage komt in de juridische onderbouwing van het besluit.

Daarnaast gaf de wethouder aan dat hij het oprichtingsproces absoluut steunt en in overleg wil gaan met andere partners, met name de ouders.

De vergadering kunt u hier terugzien: http://amsterdam.raadsinformatie.nl/notucast/gemeenteraad_23-04-2014 vanaf 41:30 tot 51:20

Juridisch

Op korte termijn moet de wethouder inzicht geven in de juridische gronden waarop het intrekken van de toezegging voor een eigen pand (Klimopweg 150) gebaseerd was. Op basis van deze informatie kunnen we verdere concrete acties plannen en eventuele juridische stappen nemen.

Advies en ondersteuning door Onderwijs Consumenten Organisatie (OCO)

De initiatiefgroep wordt zeer actief bijgestaan door een medewerker van OCO. OCO ziet dat we een sterk burgerinitiatief zijn, dat niet weggewimpeld kan worden. Zeker niet nu we zo ver zijn in het oprichtingsproces van de school.

Oudervereniging

Er wordt gewerkt aan het oprichten van een oudervereniging vanuit de initiatiefgroep. Als vereniging hebben we als ouders meer slagkracht, ook in juridische processen. Begin mei hoort u hier meer over.

Mogelijkheid huisvesting

Op 1 mei verwacht bestuurder Ruud van Velthoven duidelijkheid te kunnen geven over de mogelijkheden om de school per augustus te starten in een gebouw van een (openbare) school met leegstaande lokalen. We zien dit als een tijdelijke oplossing en blijven ondertussen werken aan een zelfstandig pand.

Bijeenkomst

Wij krijgen veel vragen en reacties en ook voorstellen van mensen die graag meedenken of meehelpen. Dit is zeer welkom. We willen daarom op korte termijn een bijeenkomst organiseren waarin we de mogelijke verdere stappen verder bespreken. U ontvangt hiervoor snel een uitnodiging.’
In het meinummer van het Duitse maandblad ‘Erziehungskunst’ staat een artikel van Henning Kullak-Ublick, bestuurslid van de Duitse Bond van vrijescholen, met als titel ‘Der gesellschaftliche Auftrag der Waldorfschulen’:
‘Deutschland erlebt einen Privatschulboom. Während das Vertrauen der Eltern in das staatliche Schulwesen sinkt, steuern wir geradewegs auf ein Zwei-Klassen-System mit Privatschulen für die Wohlhabenden und staatlichen Schulen für alle anderen zu. In den angelsächsischen Ländern mit ihrer großen Kluft zwischen Arm und Reich hat dieses Modell schon eine lange Tradition.

Wo stehen die Waldorfschulen inmitten unserer gesellschaftlichen Entwicklung?

Sind sie einfach einer von vielen Anbietern im Privatschulsektor? Bieten sie für die alternativ angehauchte Mittelschicht eine pädagogische Spielwiese mit »Lernen light«, ohne allzu viele Ecken und Kanten? Kann man hier seine Kinder vor den brennenden sozialen Fragen unserer Zeit in Sicherheit bringen?

Perspektivwechsel I: 1995 herrschte in Sierra Leone Bürgerkrieg. Unzählige Kinder wurden, oft unter Drogeneinfluss, zu den furchtbarsten Gräueltaten gezwungen. Damals begann Shannoh Kandoh in Freetown, wenigstens einige von ihnen aufzusammeln und zu unterrichten. 2000 durfte er eine Schule gründen, musste aber wegen steigender Mietpreise mehrmals umziehen, bis er 2009 in Rokel die Goderich Waldorf School gründen konnte, in der mit Hilfe von Alfred Barlatt seither immer ungefähr 60 Kinder kostenlos, also durch Spenden finanziert, unterrichtet werden.

Perspektivwechsel II: 1999 nahm im taiwanischen Lo Tung auf Initiative von Chuen Sue Chang die erste Waldorfschulklasse ihre Arbeit auf und wuchs bis heute mit 600 Kindern zur größten Waldorfschule Ostasiens heran. 2004 wurde der erste Waldorfkindergarten im chinesischen Cheng Du eröffnet. Zehn Jahre später gibt es in China 172 Kindergartengruppen, eine wachsende Anzahl von Schulen und vier mehrjährige Ausbildungskurse, Tendenz rapide steigend.

Perspektivwechsel III: In der malerischen Mittelmeerstadt Alanya begann 2013 die erste türkische Waldorfschulklasse mit dem Unterricht. Die Gründungsinitiative des Unternehmers Orhan Demirtas wird von der intellektuellen Elite der Stadt intensiv beobachtet, ein eigener Ausbildungsgang zum Waldorflehrer ist über die Kooperation einer ortsansässigen Hochschule mit dem Berliner Waldorflehrerseminar im Gespräch. Obwohl noch nichts gesichert ist, ist der starke Wille spürbar, hier eine zivilgesellschaftlich organisierte, pädagogische Entwicklung in Gang zu setzen.

Verschiedener können die politischen, ökonomischen und kulturellen Bedingungen kaum sein, unter denen sich die beteiligten Eltern und Lehrer entschließen, eine pädagogische Arbeit zu initiieren, die in krassem Gegensatz zu der existierenden Schulwirklichkeit ihrer Heimatländer steht. Weltweit gibt es heute weit über tausend Waldorfschulen und fast dreimal so viele Waldorfkindergärten, die immer aus solchen Initiativen einzelner Menschen hervorgegangen sind. Was ist das für ein Impuls, für dessen Verwirklichung die Menschen oft große Opfer bringen?

Das Beispiel Sierra Leones steht für viele Initiativen in Lateinamerika, Afrika oder Asien und zeigt, was dieser Impuls ganz sicher nicht ist, nämlich ein Rückzugsraum für sozial Privilegierte. »Privare« ist das lateinische Wort für rauben. Die Waldorfinitiativen in den Townships, Favelas oder Bürgerkriegsgebieten versuchen dagegen, den Kindern etwas zurückzugeben: ihre geraubte Kindheit. Sie stehen für gelebte Brüderlichkeit, genauer für Geschwisterlichkeit. Die rapide Ausbreitung der Waldorfpädagogik in vielen ostasiatischen Staaten, in denen die Kindheit nicht durch Hunger oder Gewaltexzesse, sondern durch rigorose Unterordnung, endlose Paukerei und die immer präsente Gefahr der Aussonderung bedroht wird, lässt einen zweiten Impuls sichtbar werden: die freie Persönlichkeitsentwicklung der Kinder und die Sehnsucht nach Unabhängigkeit von staatlich oder ökonomisch induzierten Zwängen. Es geht um die Freiheit des Individuums. Blickt man schließlich auf eine zentrale Frage vieler Eltern in Deutschland, so ist es die nach echter Partizipation und Begegnung auf Augenhöhe in der Gestaltung des Schullebens.

Freiheit, Gleichheit, Brüderlichkeit

Was hier beispielhaft nebeneinander gestellt wurde, sind drei Grundimpulse, die sich in der Neuzeit mit der Entdeckung der Menschenrechte immer wieder neu Bahn zu brechen versuchen. Nicht ohne Grund findet man über dem Portal jedes französischen Rathauses bis heute die Losungsworte der französischen Revolution »Liberté, Égalité, Fraternité«. Dass es sich bei diesen Begriffen nicht um bloße Floskeln, sondern um konkrete Gestaltungsideen handelt, wird sofort sichtbar, wenn man sie auf die gesellschaftliche Wirklichkeit bezieht:

– Freiheit ist die Voraussetzung für jede individuelle Entwicklung und damit zugleich der Quellort für jeglichen gesellschaftlichen Fortschritt.
– Gleichheit ist die Grundsignatur einer auf Partizipation gegründeten Zivilgesellschaft, in der nicht mehr die »Obrigkeit« die Richtung vorgibt, sondern die betroffenen Menschen selbst.
– Brüderlichkeit – oder etwas nüchterner: assoziative Zusammenarbeit – ist die Voraussetzung für ein an den Bedürfnissen der Menschen orientiertes Wirtschaftsleben, in dem sich unternehmerische Initiative und soziale Verantwortung nicht ausschließen, sondern wechselseitig befruchten.

Wozu die Ignoranz gegenüber diesen Idealen führt, zeigt sich an den globalen Krankheitssymptomen unserer Gesellschaften, mit denen die heranwachsenden Generationen zurecht kommen müssen: Sie reichen von dem rapide wachsenden Sucht- und Konsumverhalten in den »zivilisierten« Gesellschaften – dem Zerrbild der »Freiheit« – über die fundamentalistischen oder totalitären Gesellschaftsordnungen – dem Zerrbild der »Gleichheit« – bis zu der Ausbeutung der Bevölkerung und der Natur durch die »Zwänge« global agierender Finanzjongleure – dem Zerrbild der »Brüderlichkeit«. Rudolf Steiner betrachtete die Ideale der Französischen Revolution nicht als Leerformeln, sondern als Ordnungsprinzipien des gesellschaftlichen Lebens: Die Freiheit gehöre ebenso notwendig dem geistigen oder kulturellen Leben an, wie sich das Rechts- oder politische Leben auf die Gleichheit aller Menschen gründe. Die Brüderlichkeit wiederum sei längst Teil des arbeitsteiligen Wirtschafts­lebens, das nur noch assoziativ funktioniere, aber immer noch wie eine Tauschwirtschaft behandelt werde.

Die Schattenseite der Intelligenz

Die erste Waldorfschule ging folgerichtig aus einer Kampagne für die »Dreigliederung des sozialen Organismus« hervor, bei der Steiner unter anderem die Unabhängigkeit des Bildungswesens von staatlichen oder ökonomischen Interessen forderte. An Stelle einer auf gesellschaftlichen Konventionen basierenden Erziehung setzte er die Erneuerungskraft, die dieser Gesellschaft durch frei sich entwickelnde Individualitäten zufließt. Die Schule sollte zu einem Ort werden, an dem junge Menschen sich ebenso lebenspraktisch wie phantasievoll entwickeln können.

Unmittelbar vor Beginn seines berühmten Kurses für das erste Lehrerkollegium hielt Steiner im August 1919 eine Vortragsreihe mit dem Titel »Die Erziehungsfrage als soziale Frage«. Darin schilderte er, welche Fähigkeiten Menschen brauchen, um überhaupt aktiv an der gesellschaftlichen Wirklichkeit teilnehmen zu können. Vor dem Hintergrund der historischen Erfahrungen, die die Menschheit seit damals durchgemacht hat, und im Wissen um die ungelösten Probleme unserer Zeit erscheinen diese Vorträge aktueller denn je. Aus dem riesigen Bogen, den Steiner damals spannte, möchte ich ein Motiv herausgreifen: Die Entwicklung der Intelligenz von der Antike bis zur Neuzeit.

Während die Menschen in vorgeschichtlicher Zeit eine unmittelbare Beziehung zum Lebendigen hatten, das sich ihnen in einem mit den Erscheinungen verwobenen bildhaften Bewusstsein offenbarte, entstand in der griechischen Antike das gegenständliche Denken, mit dem sich der Mensch der Natur und den »Göttern« gegenüberstellte. In der Neuzeit entwickelte sich die Intelligenz bis zum operativen Erfassen des Toten, das einerseits den enormen Fortschritt in der technischen Beherrschung der Welt bewirkte, andererseits die Trennung von Kunst, Wissenschaft und Religion in voneinander unabhängige Regionen. Damit ist die Entwicklung der »Intelligenz« aber noch nicht zu Ende. Im 20. Jahrhundert wird sie laut Steiner allmählich zum zweischneidigen Schwert: Sie kann entweder durch aktive seelische Arbeit zum erneuten Erfassen lebendiger Zusammenhänge erzogen werden oder die Neigung zum »Bösen« entwickeln. Ich möchte es jedem selbst überlassen, manche Entwicklungen in unserer Zeit daraufhin zu überprüfen.

Die soziale Bedeutung von Autorität und Liebe

Statt nun allerdings moralische Grundsätze für die Lehrer oder Schüler aufzustellen, ging Steiner nüchtern auf die Frage ein, welche Kräfte ein junger Mensch ausbilden muss, um als Erwachsener seine Entwicklung selbst in die Hand nehmen zu können.

Während sich die Kinder in den ersten Lebensjahren durch angeborene Hingabekräfte unmittelbar mit der Welt verbinden, bereiten sie sich darauf vor, als Jugendliche mit ihrem denkenden Bewusstsein in die Welt einzudringen und selbstständig Zusammenhänge herzustellen. Deshalb empfahl Steiner den Eltern und Erziehern dringend, eine Umgebung für die Kinder zu schaffen, in der alles nachahmenswert ist, und zwar nicht nur in der äußeren Umgebung, sondern auch in den Gedanken, Gewohnheiten und Gefühlen der Erwachsenen, welche die Kinder umgeben. Der Mangel an nachahmenswerter Kultur in diesem Alter führe zu einer »Animalisierung der Leiber«, die sich auf das gesamte weitere Leben auswirke.

Später entsteht das Bedürfnis, die Welt in Anlehnung an Menschen zu erfahren, denen die Kinder vertrauen und zu denen sie wegen ihrer Urteilsreife und seelischen Beweglichkeit aufblicken können. Aus diesem Aufblicken – Goethe sprach im »Wilhelm Meister« von den »drei Ehrfurchten«, die gegenüber dem, was über uns, neben uns und unter uns ist, entwickelt werden sollten – entsteht der Blick für die Würde jedes einzelnen Menschen, die notwendige Voraussetzung dazu, Gleichheit überhaupt denken zu können. Die Sehnsucht nach einer »geliebten«, weil dieser Liebe würdigen, Autorität ist die Grundlage des Rechtsempfindens und einer demokratischen Kultur. Das negative Gegenbild ist eine allgemeine Kulturschläfrigkeit, eine »Vegetabilisierung der Seelen«.

Die Zeit zwischen Pubertät und Mündigkeit beschrieb Steiner als Lebensalter, in dem sich das Interesse an der Welt und an den anderen Menschen aus der allgemeinen Menschenliebe herausentwickelt. Deshalb kommt in diesem Alter alles darauf an, dass die jungen Menschen in der Schule und ihrer Umgebung diese »umfassendste Liebe zur äußeren Welt« entwickeln können, also ein tiefes, individuell errungenes Interesse am anderen Menschen und an der Zeit, in der sie leben. Nur aus solchen Erfahrungen können die jungen Menschen einen Sinn für Brüderlichkeit im Umgang miteinander entwickeln. Allgemeine Menschenliebe wird zum Impuls der Brüderlichkeit. Kurz gesagt:

– Echte Nachahmung in der frühen Kindheit wird zur erkennenden Grundlage der Freiheit.
– Die Erfahrung berechtigter Autorität im zweiten Jahrsiebt führt zum Verständnis der Würde jedes einzelnen Menschen.
– Die umfassende Liebe zur Welt im dritten Jahrsiebt führt durch das Erlebnis sozialer Verantwortung zum Verstehen wirtschaftlicher Prozesse.

Krisen sind Entwicklungschancen

Die eingangs gestellten kritischen Fragen spiegeln einiges von dem wider, was heute oft mit Waldorfschulen assoziiert wird, jedenfalls in Deutschland. Wer die Waldorfschulen besser kennt, weiß, dass es darum nicht geht und noch nie gegangen ist.

Trotzdem müssen sie sich die Frage stellen, warum sie in dieser Ecke gelandet sind und ob sie sich dort vielleicht wohler fühlen, als es ihrem Anspruch entspricht.

Eigentlich sind die Waldorfschulen ein groß angelegter Versuch, die Ideale der Freiheit, Gleichheit und Brüderlichkeit im Zusammenwirken von Eltern, Lehrern und Schülern zu verwirklichen. Das können wir allesamt noch nicht besonders gut. Deshalb entstehen immer wieder Krisen und in ihrem Gefolge Sehnsüchte nach einer autoritären Schulführung oder nach verbindlichen Standards. Wie in jeder Krise liegt darin aber auch die Chance zur Entwicklung. Als Zeitgenossen kommen wir nicht umhin, an der Entwicklung der Kräfte zu arbeiten, die die Kinder und Jugendlichen zunächst an uns erleben müssen, um sie im späteren Leben aus eigener Kraft zur Verfügung zu haben.

Freiheit, Gleichheit und Brüderlichkeit sind keine verstaubten Ideale aus vergangenen Epochen, sondern Gestaltungsideen für die globalen Aufgaben unserer Zeit. Sie müssen im Kleinen geübt werden, um im Großen zu funktionieren.

Deshalb sind Waldorfschulen keine Privatschulen.

Der Abgeordnete Pauer aus Neiße rief während der Paulskirchenversammlung im Jahr 1848 den Parlamentariern zu: »Wenn Sie die Freiheit des Volkes wollen, dann gründen Sie freie Schulen!« Es wird Zeit, wieder auf ihn zu hören. Bündnispartner gibt es auf der ganzen Welt.

Zum Autor: Henning Kullak-Ublick ist Leiter der Öffentlichkeitsarbeit im Bund der Freien Waldorfschulen und Mitglied des Bundesvorstandes. Im März erschien sein Buch Jedes Kind ein Könner. Fragen und Antworten zur Waldorfpädagogik.
Link: www.freunde-waldorf.de
Hierna kunnen we moeiteloos overschakelen naar Biojournaal, waar men op 30 april berichtte over ‘Nieuwe VOF bij Warmonderhof. Johan Verheye en Paul Fischer’:
‘Vanaf 1 juli zal de Warmonderhofstede VOF, onderdeel van Warmonderhof, een nieuwe start maken als volwaardig gemengd bedrijf. Het VOF-contract is afgelopen vrijdag 25 april getekend. Johan Verheye is als ondernemer in 2010 op Warmonderhof gekomen. Paul Fischer start vanaf juli 2014. Johan en Paul zijn beiden oud-student van Warmonderhof. Zij staan voor de mooie uitdaging het gemengde BD-bedrijf verder te ontwikkelen, waarbij Paul primair verantwoordelijk zal zijn voor de akkerbouw en Johan voor de melkveehouderij.

Paul heeft na zijn opleiding gewerkt als akkerbouwer/groenteteler in de polder. Hij is werkzaam geweest in de biologische retail en heeft in de afgelopen jaren de biologische tak van Vroegop-Windig opgezet. De passie voor het primaire productieproces is gebleven. Ondernemer worden in een gemengd bio-dynamisch bedrijf als onderdeel van het grotere geheel met collega’s en leerlingen, past bij de ambitie van Paul.

Beide ondernemers zien er naar uit om gezamenlijk een gedegen bijdrage te leveren aan de vakbekwaamheid en ontwikkeling van de leerlingen op Warmonderhof.

De ondernemers zijn te bereiken op:
Johan Verheye, jverheye@online.nl, 06 51311365.
Paul Fischer, paulfischer@hetnet.nl, 06 21204213.’
‘Eind februari 2013 heeft Strategie Architecten de opdracht gekregen voor het maken van een ontwerp voor de uitbreiding van de biologisch-dynamische boerderij Veld en Beek in Doorwerth. De opdrachtgevers hadden ambitieuze plannen en vroegen om een duurzame en fraaie oplossing voor de nieuwbouw van een foliestal met werkgebouw en woonhuis. Een belangrijk aspect hierbij betrof de planning; de bedrijfsvoering van de boerderij moest namelijk doorgaan en er was de nadrukkelijke wens dat de koeien voor de volgende winter de nieuwe foliestal in konden. Deze doelstelling is inmiddels gehaald en april 2014 is het gehele project opgeleverd.

Boerderij Veld en Beek heeft zogenaamde dubbelkoeien, die melk én vlees produceren. Bijzonder is dat de producten direct verkocht worden aan de klant. Omdat Veld en Beek graag aan haar klanten wil laten zien hoe er gewerkt wordt op de boerderij is er in het ontwerp rekening gehouden met de ontvangst van klanten en andere geïnteresseerden. Bij aankomst op het erf sta je meteen oog in oog met de koeien die staan te eten bij het voerhek. Ook het melken en kaasmaken is zichtbaar gemaakt, speciaal voor de gasten is een skybox gemaakt van waaruit je in de stal kan kijken en zicht hebt op het melken van de koeien.

De koeien staan in de stal op een bed van houtsnippers, door toevoeging van de stikstofrijke mest van de koeien en een geavanceerd ventilatiesysteem ontstaat compost. Op deze manier wordt een groot deel van de mest omgezet in een bruikbare voedingstof die Veld en Beek zelf weer kan gebruiken voor het telen van gewassen.

Bij de duurzame bedrijfsvoering van de boerderij hoort ook een duurzaam gebouw, vandaar dat er gekozen is voor een materiaalgebruik met een minimale milieubelasting. De gevels van het woon-werkgebouw zijn bekleedt met verduurzaamd vurenhout en het dak is begroeid met sedum. De binnenwanden zijn afgewerkt met leemstuc en op de vloer ligt bamboe. Uiteraard is er ook gekeken naar materialen die qua eigenschappen goed passen bij de functie van een boerderij. De wanden en vloeren van de melkstal en het tanklokaal moeten bijvoorbeeld eenvoudig en goed te reinigen zijn en bestand tegen mest en urine. De foliestal is een standaard product waar we houten kolommen aan hebben toegevoegd zodat het een vriendelijker uitstraling krijgt en beter past bij het woon-werkgebouw. Het boerenbedrijf voorziet grotendeels in hun eigen energie, op het dak van een bestaande stal zijn zonnepanelen gelegd en er zijn bronnen geboord waarmee met behulp van een warmtepomp kan worden voorzien in warmte voor het woonhuis.

Al tijdens de bouw is een deel van de nieuwbouw in bedrijf genomen, de koeien stonden al in de stal terwijl de bouwvakkers nog op de steiger stonden bij het woon-werkgebouw. Door een goede planning en veel overleg met alle partijen is het gelukt om een bijzonder project te realiseren zonder dat het boerenbedrijf daar teveel last van had. Er staat nu een bijzonder fraaie en duurzame boerderij die klaar is voor de toekomst.

Contactgegevens architect: Jeroen ter Maat, Strategie Architecten, Cornelis Koningstraat 3a, 6862 CK Oosterbeek, 026 3337555, jeroen@strategie-arch.nl, www.strategie-arch.nl
Projectgegevens: Veld en Beek, Fonteinallee 33, 6865 ND Doorwerth, www.veldenbeek.nl
Op 24 april berichtte Bionext over ‘Onderzoek: alle gentech-soja Monsanto bevat glyphosaat’:
‘Uit een nieuw Noors onderzoek dat is gepubliceerd door Food Chemistry blijkt dat de gentech-soja van Monsanto nog schadelijker is dan tot nu toe werd verondersteld. Consumenten komen vaak niet rechtstreeks met de gentech bulksoja in aanraking, maar worden er wel aan blootgesteld via bijvoorbeeld plantaardige oliën. De rest van de gentechsoja wordt gevoerd aan dieren in de vee-industrie en komt via de koeien en varkens bij de consument terecht.

Wat blijkt uit het onderzoek? De sojabonen van Monsanto die bestand zijn tegen het bijbehorende Roundup, bevatten meer resten van bestrijdingsmiddelen dan de niet-gemanipuleerde sojabonen. In alle 10 monsters van gentech-soja bonen werd het schadelijke middel glyphosaat aangetroffen. De waarden waren soms nog hoger dan wat Monsanto zelf als “extreem” aanmerkt. Eet smakelijk.

Verder kwam uit het onderzoek naar voren dat de gentech-soja een lagere voedingswaarde heeft dan gangbare en biologische soja. De studie verwerpt daarom de opvatting dat gentech-soja een gelijkwaardig alternatief zou zijn voor gangbare en biologische soja.

Soja heeft een centrale plek gekregen in het huidige voedsel- en landbouwsysteem: Op een kwart van alle landbouwgrond in de VS wordt soja geteeld. Daarvan is 90% genetisch gemanipuleerd, 9% is gangbaar zonder gentech en 1% is biologisch.

Wie liever gezond wil blijven en niet mee wil werken aan de vervuilende gentech-sojateelt van firma's als Monsanto, kan het best kiezen voor biologische producten. Biologische boeren en tuinders werken gegarandeerd gentechvrij, dieren in de biologische veehouderij krijgen de gentech-soja dus niet binnen.

Het hele onderzoek naar de sojabonen is hier te bekijken. Zie ook dit artikel van Tom Philpott: “Monsanto GM Soy Is Scarier Than You Think”
Op 1 mei gevolgd door dit persbericht op de website van Bionext, ‘Biologische sector wijst voorstel volledig nieuwe Europese wetgeving af’:
‘De Nederlandse biologische sector verzet zich tegen het voorstel van de Europese Commissie om medio 2017 volledig nieuwe wetgeving in te voeren voor biologische landbouw en voeding. De nieuwe wetgeving zou moeten zorgen voor behoud van het consumentenvertrouwen, ondersteuning van de ontwikkeling van de snel groeiende biologische sector en eerlijke competitie in Europa. Volgens ketenorganisatie Bionext zijn die doelen sneller te halen door de huidige wetgeving stapsgewijs aan te scherpen.

Bavo van den Idsert, directeur Bionext: “Het invoeren van volledig nieuwe wetgeving leidt tot een lange periode van onzekerheid bij ondernemers en remt de marktontwikkeling. Wij kiezen voor evolutie in plaats van revolutie. Je kunt bijvoorbeeld extra duurzaamheidseisen voor verwerkingsbedrijven opnemen en geleidelijk meer biologisch zaadgoed en jongvee verplicht stellen. Zo steun je de ontwikkelingen in de sector en haal je niet alles overhoop.”

Op het vlak van certificering en controle ziet de biologische sector ook mogelijkheden om de huidige wetgeving aan te scherpen. Bionext pleit in Brussel voor verplichte internationale samenwerking tussen certificeerders en wil dat risicomanagement voor biologische handel en verwerking verplicht wordt gesteld.

De opvatting van Bionext over de stapsgewijze aanpassing van de huidige wetgeving wordt gedragen door alle ketenpartijen in de biologische sector: Biohuis (biologische boeren en tuinders), VBP (handel en verwerking) en de Biowinkelvereniging. De ketenpartijen verwachten dat het invoeren van volledig nieuwe wetgeving leidt tot een afwachtende houding bij omschakelaars en investeerders. Van den Idsert: “Wij voorzien dat de marktontwikkeling van biologisch hierdoor sterk wordt afgeremd. Je krijgt precies het omgekeerde effect van wat de Europese Commissie met de nieuwe wetgeving wil bereiken: de ontwikkelingen in de sector ondersteunen.”

IFOAM EU wijst voorstel ook af

De Europese koepelorganisatie voor de biologische sector, IFOAM EU, wijst het nieuwe wetgevingsvoorstel eveneens af. Op dinsdag 29 april kwamen de vertegenwoordigers van de biologische sector uit de lidstaten in Brussel unaniem tot het standpunt dat het nieuwe wetgevingsvoorstel in zijn huidige vorm onacceptabel is. De Europese biologische sector, inclusief koplopers als Duitsland en Oostenrijk, is voorstander van geleidelijke verbeteringen in de bestaande biologische wetgeving. Deze wetgeving is pas sinds 2009 van kracht.

In de komende maanden zullen de Raad van Europese Landbouwministers en het Europese Parlement een oordeel vellen over het voorstel van de Commissie.’
Ik ontdekte dat op 23 april dit boek is uitgekomen van Hans Reinders, ‘hoogleraar ethiek aan de Vrije Universiteit Amsterdam, waar hij ook de Bernard Lievegoed leerstoel bekleedt’, ‘De andere mogelijkheid. Beelden van kwaliteit voor mensen met een beperking’:
‘Wat is de kwaliteit van zorg en ondersteuning die door zorginstellingen aan mensen met een verstandelijke beperking wordt geboden? En, hoe komen we aan een antwoord op deze vraag? Het gangbare antwoord luidt: door het meten van prestatie-indicatoren. In dit boek bewandelt de auteur een andere weg: op locatie gaan kijken en met mensen praten.

De uitkomst van dit kwaliteitsonderzoek bestaat uit observaties van de dagelijkse zorgpraktijk die een beeld geven van hoe het leven van mensen met een beperking eruitziet. Vandaar Beelden van Kwaliteit. De auteur heeft een aantal van deze beelden verzameld en geeft er zijn commentaar bij. Belangrijke vragen die aan bod komen, zijn: wat zegt de tevredenheid van cliënten over de kwaliteit van de zorg? Wat is de relatie tussen kwaliteit en veiligheid? Wat is de betekenis van werk voor mensen met een beperking?

Uit zijn bespreking komt naar voren dat de kunst om goed naar cliënten te kijken, laat zien hoe het anders en beter kan. Het boek maakt duidelijk dat een vermogen om goed waar te nemen een andere mogelijkheid zichtbaar maakt.

Uit de inhoud:
Inhoudsopgave
Inleiding

ISBN: 9789044131628
Aantal Pagina’s: 93
Status: Verschenen – bestelbaar – leverbaar
Prijs: € 14,00
Uitgever : Garant Uitgevers nv’
‘Dit jaar vieren wij een jubileum. Het dertig jarig bestaan wordt op 27 juni ’s middags en ’s avonds gevierd. En de dag erna is de open dag, mede in het teken van de Hart & Hoofdprijs van de Triodosbank, maar ook in het teken van ons jubileumfeest. Het programma krijgt al contouren.

Het ziet ernaar uit dat wij in de middag van de 27e ons vooral bezighouden met de komende dertig jaar! En ook op de open dag van 28 juni is er ruim baan voor de komende generatie: speciaal met het oog op de cliënten van ons boerenbedrijf én van onze leefwerkgemeenschap zijn er tal van activiteiten voor kinderen. Maar ook de volwassenen worden uiteraard niet vergeten.

Nieuwsgierig? Op onze website worden langzaam maar zeker tipjes van de sluier opgelicht. En het is natuurlijk al vast goed om deze twee dagen in de agenda te blokken!’
Ook gisteren kwam Anthromedia.net met ‘Komplementärmedizin soll anderen Fachrichtungen gleichgestellt werden’, een bericht van ‘Die Bundesbehörden der Schweizerischen Eidgenossenschaft’:
‘Die Leistungen der anthroposophischen Medizin, der traditionellen chinesischen Medizin, der Homöopathie und der Phytotherapie sollen grundsätzlich von der obligatorischen Krankenpflegeversicherung übernommen werden.

Dabei sollen umstrittene Leistungen gezielt daraufhin überprüft werden, ob sie wirksam, zweckmässig und wirtschaftlich sind. Mit diesem Vorgehen möchte das Eidgenössische Departement des Innern (EDI) einem Verfassungsauftrag nachkommen.

Im Mai 2009 haben Volk und Stände den neuen Verfassungsartikel zur Besserstellung der Komplementärmedizin deutlich angenommen. Seit 2012 übernimmt die obligatorische Krankenpflegeversicherung (OKP) provisorisch bis 2017 ärztliche Leistungen der anthroposophischen Medizin, der traditionellen chinesischen Medizin, der ärztlichen Homöopathie sowie der Phytotherapie.

Die Vergütung ist provisorisch und befristet, weil der Nachweis aussteht, dass die Leistungen der vier komplementärmedizinischen Fachrichtungen wirksam, zweckmässig und wirtschaftlich sind. Nach zwei Jahren zeichnet sich nun ab, dass dieser Nachweis für die Fachrichtungen als Ganzes nicht möglich sein wird.

Deshalb schlägt das Eidgenössische Departement des Innern (EDI) vor, diese Fachrichtungen den anderen von der OKP vergüteten medizinischen Fachrichtungen gleichzustellen. Damit gälte auch für sie das Vertrauensprinzip und die Leistungen würden grundsätzlich von der OKP vergütet. Analog zu den anderen medizinischen Fachrichtungen sollen lediglich einzelne, umstrittene Leistungen daraus überprüft werden. Wie die Kriterien der Wirksamkeit, Zweckmässigkeit und Wirtschaftlichkeit angewendet werden, muss dabei für die Komplementärmedizin noch präzisiert werden.

Das EDI und das Bundesamt für Gesundheit (BAG) haben die betroffenen Kreise über das geplante Vorgehen informiert und sie eingeladen, bei der Erarbeitung der Kriterien und Prozesse mitzuwirken.

Um dem Verfassungsauftrag auf diese Weise nachzukommen, müssen die Verordnung über die Krankenversicherung sowie die Verordnung des EDI über Leistungen in der obligatorischen Krankenpflegeversicherung angepasst werden. Diese können der Bundesrat beziehungsweise das EDI in eigener Kompetenz beschliessen.

Herausgeber: Der Bundesrat. Internet: http://www.bundesrat.admin.ch/
Bundesamt für Gesundheit. Internet: http://www.bag.admin.ch
Links: https://www.news.admin.ch/message/index.html?lang=de&msg-id=52855’
Ik moet hier zeker ook melden dat tijdschrift ‘Die Drei’ zijn website inmiddels helemaal up-to-date heeft gemaakt. Ik kwam er al mee op 8 april in ‘Aart-zijn’. Maar nu is de operatie voltooid. En het is echt buitengewoon goed gedaan! Een voorbeeld voor anderen. En ingesteld op de toekomst. Waarbij op de website bijvoorbeeld ook per artikel kan worden betaald. Bij ‘Heft 5, 2014’ staat ‘Schwerpunkt: Soziale Landwirtschaft’:
‘Landwirtschaftsbetriebe werden zu Trägern von Aufgaben im ländlichen Raum, schaffen Arbeit und Beschäftigung für sozial Benachteiligte und Menschen mit Behinderung und übernehmen Bildungsaufgaben ... Soziale Landwirtschaft ist mehr: Zusätzlich zu den bei Green Care im Vordergrund stehenden Aspekten von Therapie, Pflege und »grüner Umgebung« besteht ein Fokus auf Sozialer Arbeit, die zudem meist den Anspruch erhebt, sinnerfüllt und produktiv zu sein.’
Onder ‘AKTUELL’ vinden we bijvoorbeeld ‘Aktuelle Ausgabe: Heft 5, 2014’:
‘Nationalökonomischer Kurs

Die Ruhefaktoren Arbeit, Kapital und Boden im volkswirtschaftlichen Prozess.
Zur Komposition des »Nationalökonomischen Kurses«

Im äußeren Leben stoßen die Menschen mit ihren Interessen oft aneinander. Dabei setzt sich auch im heutigen demokratischen Rechtsstaat zumeist der Stärkere gegen den Schwächeren durch. Stephan Eisenhut zeigt in seiner Betrachtung zum siebten Vortrag des Nationalökonomischen Kurses von Rudolf Steiner, wie dies eine Folge davon ist, dass ein egoistisches Geistesleben sich des staatlichen Machtmonopols bemächtigen konnte, um das Recht nach seinen Interessen zu gestalten. Ein Geistesleben, welches sich bloß den äußeren Erscheinungen zuwendet, kann weder den Egoismus überwinden noch Begriffe bilden, durch die sich die sozialen Verhältnisse sinnvoll gestalten lassen.

Diesen Artikel können Sie sowohl kostenlos lesen als auch kaufen. Mit letzterem unterstützen Sie unsere Arbeit. Vielen Dank!

Stephan Eisenhut / Heft 5, 2014 / Seite: 21 / Serie Nationalökonomischer Kurs (10. Betrachtung – 7. Vortrag) Artikel lesen / Artikel kaufen

Soziale Landwirtschaft

Ökologische Inklusion
Soziale Landwirtschaft für Mensch und Natur

Die biologisch-dynamische Landwirtschaft feiert 2014 ihr 90-jähriges Bestehen. Kurz nach dem Landwirtschaftlichen Kurs zu Pfingsten 1924 hielt Rudolf Steiner seinen Heilpädagogischen Kurs und viele biologisch-dynamisch wirtschaftende Höfe bezogen von Anfang an in ihre Landbewirtschaftung soziale und pädagogische Arbeit mit ein. Inzwischen werden europaweit »Soziale Landwirtschaft« und Green Care als Potenziale einer multifunktionalen Landwirtschaft entdeckt. Darin ist mehr veranlagt als neue Einkommensmöglichkeiten für Bauernhöfe oder die Nutzung der Landwirtschaft als »Setting« für Soziale Arbeit. Parallel zur Inklusion von Menschen mit Hilfebedarf ergibt sich die Perspektive einer »sozialeren« Landwirtschaft, die die Naturgrundlage nicht nur zu therapeutischen Zwecken nutzt, sondern bewusst die Frage nach Entwicklungsperspektiven der Naturreiche stellt. Ihnen verdankt der Mensch seine Entwicklungsmöglichkeiten auf der Erde. Was ansteht ist eine Umkehr der Blickrichtung vom Nutzen, Benutzen und Ausnutzen, vom Nehmen zum Geben: Wie kann die Natur auf einen Entwicklungsweg mitgenommen werden?

Thomas van Elsen / Heft 5, 2014 / Seite: 7 Artikel kaufen
En zo gaat het verder. In ‘ÜBER UNS’ vinden we ‘Geschichte’:
‘Die Zeitschrift die Drei hat eine lange Tradition: Das Eröffnungsheft erschien am 27. Februar 1921 aus Anlass des 60. Geburtstag des Begründers der Anthroposophie, Rudolf Steiner. Der ursprüngliche Untertitel »Monatsschrift für Anthroposophie und Dreigliederung« wurde im darauf folgenden Jahr um den Begriff »Goetheanismus« ergänzt. Mit diesen drei Begriffen sollte gekennzeichnet werden, worum es in der anthroposophischen Bewegung geht:

Eine Geisteswissenschaft, die den Geist ernst nimmt und diesen im einzelnen Menschen ebenso wie als Grundlage der Welterscheinungen aufsucht (Anthroposophie im engeren Sinne, von Steiner (1861-1925) systematisch entwickelt und nach seinem Tod durch viele seiner Schüler fortgebildet).

Eine am Menschen orientierte Gestaltung des sozialen Lebens: freie, selbstverantwortete und -verwaltete Einrichtungen des kulturellen und geistigen Lebens; ein Rechtsleben, in dem die Menschen auf der Grundlage der Gleichheit ihr Zusammenleben regeln; ein bedürfnisorientiertes Wirtschaftsleben, in dem sich Assoziationen von Produzenten, Händlern und Verbrauchern bilden.

Eine Natur- und Weltanschauung, die dien Bereiche des Sinnlichen und des Ideellen gleichermaßen zu Ausgangspunkten ihrer Wahrnehmungsbemühungen macht. Die Gesichtspunkte, unter denen sie die verschiedenen Seinsbereiche betrachtet, sucht sie aus dem Wesen der Dinge selbst zu gewinnen, um darauf aufbauend den Zusammenhang zwischen den Welterscheinungen aufzuzeigen. Ein wesentliches Element hierbei ist der Entwicklungsgedanke, wie er der Goetheschen Metamorphosenlehre zugrunde liegt. Rudolf Steiner hat der Goetheschen Anschauungsweise ein erkenntnistheoretisches Fundament gegeben, indem er sie auf das Denken selbst anwendet und so die Voraussetzungen dafür schafft, den Subjekt-Objekt-Dualismus zu überwinden.

Aus der Anthroposophie heraus sind zahlreiche praktische Initiativen hervorgegangen, die z.T. seit Jahrzehnten mit großem Erfolg arbeiten: Kindergärten und Schulen auf Grundlage der Waldorfpädagogik; die biologisch-dynamische Landwirtschaft (»Demeter«), Kliniken, Altenheime, Bankeinrichtungen, Forschungsinstitute – um nur einige zu nennen.’
En als ‘Ziele’ wordt beschreven:
‘Heute, nach über 90 Jahren, ist der Kulturimpuls der Drei ungebrochen aktuell:
Eine Durchdringung der verschiedenen Wissensgebiete mit einer konkreten Anschauung des Geistes, die im Denken des Menschen ihren Ausgangspunkt nimmt und das bloße Wissen über die Dinge um ein Erleben von Qualitäten und die Erfahrung von Entwicklung erweitert.

Ideen für eine Gestaltung des sozialen Lebens, das den Menschen im Zeitalter der Technisierung und Globalisierung Mensch sein lässt und den Gedanken der »Geschwisterlichkeit« auch im Umgang mit Natur und Umwelt realisiert.

Die Pflege eines künstlerischen Schaffens, das eine gesättigte sinnliche Erfahrung ermöglicht und dadurch eine Kreativität freisetzt, aus der heraus Lebens- und Weltgestaltung zum schöpferischen Ereignis wird.

Galt es in der Anfangszeit der Drei die Anthroposophie mit ihren Ideen, Impulsen und Möglichkeiten in der Welt bekannt zu machen und sie auf die Erscheinungen der Welt anzuwenden, so steht heute im Vordergrund, über alle Grenzen hinweg das Gespräch über den Geist zu suchen, Fähigkeitsbildungen anzuregen sowie Menschen und Situationen aufzusuchen, durch die und in denen der Geist eine konkrete Wirksamkeit in der Welt entfaltet.

»Was ich als Redakteur vermitteln möchte, sind individuelle Erfahrungen und Sichtweisen, die den Menschen berühren: selbst Erarbeitetes, selbst Erübtes – reflektierte eigene Erfahrungen im Umgang mit einem Gegenstand, einem Thema oder Arbeitsfeld. Daran können andere auf eine gleichberechtigte Weise anknüpfen; es entsteht ein Dialog, in dem sich die Rollen von LeserInnen und AutorInnen vertauschen können. Auf dieser elementaren Ebene spielt es keine Rolle, ob man einer bestimmten Institution angehört oder nicht, ob man die Welt von rechts oder links, von oben oder unten anschaut. Daher verstehe ich die Drei als eine Zeitschrift aus Anthroposophie, in der man einen Kulturbegriff vorfindet, der den Menschen als eine freie geistige Individualität ernst nimmt. Aus dieser Haltung heraus möchte ich kulturrelevante Entwicklungen in Wissenschaft, Kunst und sozialem Leben begleiten sowie ›Zeichen der Bewusstseinseele‹ aufspüren und setzen.«

Stephan Stockmar, Redakteur’
Als laatste nog twee dingen in het Duits. Twee heel verschillende bijdragen. Twee heel verschillende wereldbeelden ook. Maar dat kan allemaal bij antroposofie. Het eerste is afkomstig van het ‘Atelier für Worte’ van Sophie Pannitschka. Op 17 april schreef zij ‘Ostern und der Gral. Zwischen Erinnerung und Gewissen’:
‘In den Vorträgen von Karl König, die jüngst unter dem Titel: “Paulus und der Gral. Der Weg des Gewissens” herausgegeben wurden, findet sich im 5. Vortrag: “Der Weg der Weisheit durch die Geschichte” ein Bild, dass das Osterfest mit bestimmten Persönlichkeiten, die in der Geistesgeschichte bekannt sind, verbindet. Die vier Ostertage, von Gründonnerstag bis Ostersonntag, werden mit Eingeweihten und Protagonisten aus dem “Parzival” von Wolfram von Eschenbach verbunden. Das Bild hat eine unmittelbar elektrisierende Wirkung auf mich.

Ich “verstehe” es (noch) nicht, kann es also nicht “erklären” – möchte es aber darstellen und dadurch in Bewegung bringen. Vielleicht laden die Ostertage von Gründonnerstag bis Ostersonntag dazu ein, sich in das vierfach lemniskatische Bild zu vertiefen und regen dazu an, Ahnungen, Gedanken und Erlebnisse damit auf diesem Blog zu teilen.

Karl König macht folgende Zuordnungen: Gründonnerstag – Titurel – Skythianos // Karfreitag – Trevrizent – Buddha // Ostersamstag – Anfortas – Zarathustra // Ostersonntag – Parzival – Manes. Über die jeweils letztgenannten Eingeweihten kann ich keine Aussagen machen, möchte sie aber, der Vollständigkeit halber, nennen. König schreibt über sie, “...die vier, die an jener Versammlung teilnahmen, die zur Offenbarung des Grals führte”. Innerhalb der Grals-Geschichte nehmen sie dann die genannten Namen der Gralsfamilie an.

Gründonnerstag und Titurel

Gründonnerstag ist der erste Feiertag vor Ostern, der auch der Weiße Donnerstag genannt wird, an dem still und leise geklagt wird. Er ist der Vorbote des österlichen Geschehens, das am Karfreitag zum Drama wird. Gründonnerstag ist der Tag des (unbewussten) Abschieds, an diesem Tag öffnet sich die Tür für den letzten Gang. Titurel ist der erste Gralskönig auf Erden, der den Gral hütet und beschützt. Titurel ist uralt, als Parzival ihn in der Gralsburg bei seinem ersten Aufenthalt sieht.

König schreibt: “Titurel ist der Hüter der Urweisheit, er ist derjenige, der das Grals-Schloss in 30 Jahren erbaut hat und der in diesem Schloss die gesamte Urweltweisheit der Menschheit wie in einem Schrein eingeschlossen hat. Titurel hat den Kelch vorbereitet.” Aber Titurel darf erst dann sterben, die Erde verlassen, wenn ein würdiger Nachfolger als Hüter des Grals gefunden ist. Titurel ist also ein Wartender, der darauf angewiesen ist, dass sein Urenkel Parzival “die” Frage stellt und somit sein Erbe antritt, das Sohn und Enkel nicht angemessen konnten.Titurel übt sich in Geduld.

Karfreitag und Trevrizent

Aber Parzival weiß nicht, wer er ist und was er zu tun hat. Am Karfreitag öffnet sich der Abgrund in zwei Richtungen. Auf der einen Seite stirbt Jesus am Kreuz. Auf der anderen Seite hat Titurel die Gralsherrschaft einst an seinen Sohn Frimutel abgegeben. Aber Frimutel ist zu früh verstorben und so musste einer von Frimutels fünf Kindern: Trevrizent, Herzeloyde, Schoysiane, Repanse de Schoye und Anfortas, die Gralsträgerschaft übernehmen. Anfortas wurde erwählt. Da er jedoch dem Minne-Gebot des Grals nicht gefolgt ist, ist er zum leidenden, siechenden, darniederliegenden König geworden, der unendliche Schmerzen erträgt und sein Gralsamt nicht ausführen kann.

Sein Bruder Trevrizent hat sich daraufhin entschlossen, Buße für ihn zu tun. Er hat sich in seine Klause zurückgezogen und lebt als Eremit im Wald. Und es ist ein Karfreitag, an dem Parzival nach viereinhalb Jahren des Umherirrens Trevrizent vor seiner Klause trifft. Trevrizent, der Wissende, “...ist derjenige, der weiß, dass die Erde zum Leib Christi geworden war; dass das Blut Christi die ganze Erde verwandelt hat” schreibt König. Trevrizent hat sein Leben dem Gralsgeschehen geopfert und belehrt Parzival über das, was er nicht weiß. Allerdings geht er nicht davon aus, dass Parzival Anfortas noch erlösen kann.Trevrizent übt sich in Treue.

Ostersamstag und Anfortas

Am Karsamstag oder am “Stillen Samstag”, wie es in Holland heißt, bleibt das Weltgeschehen einen Augenblick lang stehen, bereit, dem Ende entgegen zu gehen. Ostersamstag ist ein Tag der Einkehr vor der Wende, dem Schnittpunkt zur Auferstehung. Der Abgrund hat sich geöffnet und scheidet die christliche Welt von der nicht-christlichen. Wie weit reicht der Glaube, wird das Wunder der Auferstehung geschehen? Anfortas leidet an seiner Verletzung, aber er kann sein Amt nicht abgeben. Er hatte sich in den Minne-Dienst Orgeluses begeben, die ihm nicht bestimmt war, auf dem Gral war noch kein Name für Anfortas erschienen.

Der Schmerz ist unendlich, die Reue groß, aber nicht rückgängig zu machen, das Leid kann nur von einem anderen erlöst werden, auch Anfortas ist ein Wartender, Hoffender. Erst Parzival kann ihn erlösen. Anfortas weiß “dass die Macht des Blutes in ihrer alten Form sterben muss, und dass Krankheit und Tod die Erfahrungen sind, welche die Möglichkeit der Erneuerung schaffen”, sagt König. Anfortas übt sich in der Reue.

Ostersonntag und Parzival

Das Wunder geschieht, die Auferstehung findet statt – Christus überwindet den Tod! - die Fastenzeit wird beendet. Der höchste christliche Feiertag beginnt mit dem Friedenskuss. Die Menschen wenden sich einander zu, der Tod ist besiegt. Das Osterlicht erleuchtet schon in den frühen Morgenstunden die Welt, in die der Frieden einzieht. Parzival hat einen langen Weg hinter sich. Zweifel, Schuld und Gram haben ihn begleitet. Aber auch die Hinweise derjenigen, denen er begegnet ist.

“Parzival ist derjenige, der weiß, dass der Stein, der aus Luzifers Krone fiel, das Ich des Menschen ist – und er versucht zu vollenden, was Paulus gewusst hat: «Nicht ich, sondern der Christus in mir»“ schreibt König. Parzival überwindet nicht den Tod, sondern den Zweifel, die Verwirrung, die Unwissenheit. Parzival erringt sich sein Selbstverständnis aus der Erfahrung seines Weges, indem er Anfortas erlöst, kommt er bei sich selber an (und Sigune darf sterben) – er ist reif für die Krone, er ist geworden, was er werden konnte. Parzival übt sich in der Liebe.

Er wird der neue Hüter des Grals. Anfortas gesundet augenblicklich und zieht mit Feirefiz (der sich taufen lässt) und Repanse de Schoye, der Gralsträgerin, in den Osten nach Indien. Trevrizent staunt still ob des unbegreiflichen Geschehens und Titurel darf endlich, endlich sterben. König schreibt über die Wirklichkeit des Grals: “...es ist etwas, das im unserem Blut pulsiert und in unserem Herzen schlägt – zumindest wenn wir es wagen, Ostern als eines der Mysterien der gesamten Menschheit zu erleben.”

In den anderen Vorträgen schildert König die inneren Zusammenhänge zwischen Paulus und Parzival, die sich u.a. darin äußern, dass der Vergangenheitsstrom mit dem Mittel der Erinnerung und der Zukunftsstrom mit dem Mittel des Gewissens in Parzival aufeinandertreffen und ihn zu einem Vorreiter des modernen Menschen machen, der im Zeitalter der Bewusstseinsseele einen Weg zwischen Gut und Böse, zwischen Leben und Tod sucht und findet. Möge sich langsam verwirklichen: “Denn sie wissen, was sie tun”. In den nächsten Tagen wird nachzuspüren sein, was sich über die Ostertage diesbezüglich erahnen lässt.

Alle Zitate entstammen dem 5. Vortrag: “Der Weg der Weisheit durch die Geschichte”, 12. April 1962, S. 94-106, in: Karl König: Paulus und der Gral. Der Weg des Gewissens. Verlag Freies Geistesleben, 2014.’
Ik besluit met een thema waar ik de vorige keer in ‘Koningsdag’ op 26 april ook mee sloot: de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). En wel met dit boek, op 29 april gemeld op de website van Verlag Freies Geistesleben, van Markus Osterrieder, ‘Welt im Umbruch. Nationalitätenfrage, Ordnungspläne und Rudolf Steiners Haltung im Ersten Weltkrieg’, ‘Beschreibung’:
‘Nach 14-jähriger Forschungsarbeit vermittelt Osterrieder hier ein umfassendes Verständnis des Ersten Weltkriegs. Es ergeben sich ganz neue Zusammenhänge und Erkenntnisse zur Politik der beteiligten Kriegsmächte, zu ihren Motiven und geheimen Zielen. Ergänzt durch die scharfsichtigen Analysen Rudolf Steiners, zeigen sich die tieferen Ursachen des Ersten Weltkriegs in ihren tragischen und weitreichenden Konsequenzen.

Zu Recht gilt der Erste Weltkrieg als Urkatastrophe des 20. Jahrhunderts. In den Folgen der von ihm eingeleiteten Umbrüche lebt die Menschheit noch heute. Rudolf Steiner verglich diese Zäsur mit dem Untergang des Römischen Reiches; er wies darauf hin, dass durch den Krieg eine vollständige Zertrümmerung der menschheitlichen Vorstellungen und aller Kultur erfolgt sei, aber auch etwas ganz Neues seinen Anfang genommen habe. In der internationalen historischen Debatte sind in den letzten Jahren wichtige Neuinterpretationen erfolgt (etwa von Christopher Clark), die zeigen, dass die Verantwortlichkeit für den Ausbruch des Krieges nicht ohne starke Vereinfachungen und Verzerrungen auf ein einziges Land abgewälzt werden kann. Rudolf Steiner konstatierte bereits als Zeitgenosse ein viel umfassenderes Ursachengeflecht: von spirituellem und politischem Imperialismus über die Krisen im wissenschaftlichen Weltbild, die vorherrschende Wirtschaftsideologie, die ungelösten sozialen und nationalen Fragen bis hin zur grassierenden Neurasthenie, der Bewusstseinstrübung führender Persönlichkeiten, aber auch geistige Schicksalsfragen.

Zwei Themenbereiche werden anhand der Haltung Rudolf Steiners besonders erörtert: das ungelöste mitteleuropäische Nationalitätenproblem sowie die Weltordnungsvorstellungen, die z.T. kriegsauslösend waren oder erst während des Weltkriegs heraufzogen: Wie sollte die nächste Zukunft nicht nur der europäischen Menschheit gestaltet werden? In diesem Buch erschließen sich viele Hintergrundmotive der einzelnen Weltmächte, und es entsteht ein detailliertes Gesamtbild dieser dramatischen Zeit des Umbruchs.

► LESEPROBE:

(29.04.2014)

Produktinformation

ISBN-13: 978-3-7725-2600-8
Erscheinungsjahr: 2014
Auflage: 1
Extras: mit Schutzumschlag / mit 32-seitigem Bildteil
Einband: Gebunden
Seiten: 1754
Verlag: Freies Geistesleben

Inhaltsverzeichnis

1. Die Nationalitätenfrage in Mitteleuropa:

Vielvölkertum und Heimatlosigkeit
Von der Humanität zur Nationalität
Der Völkerfrühling in der Habsburgermonarchie
Im politischen Untergrund
Der Weg nach Sarajevo
Allianzen auf dem Weg in den Krieg

2. Das Ringen um eine Neue Weltordnung:

The English-speaking Idea
Das Ringen um Mitteleuropa
Rudolf Steiner zum Kriegsausbruch
Die Revolutionierung der Nationalitäten
Das Jahr 1917 und der Beginn der bipolaren Weltordnung
Der unvollendete Umbruch

Schluss:

Der Ruf nach der versunkenen Mitte.’
En vooral die ‘Leseprobe’ (ter plekke op de website in te zien) is natuurlijk uiterst interessant! En de prijs? Die is € 79.
.

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Translate

Volgers

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code