Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

woensdag 8 mei 2013

Compositie

Ik had iets moois in gedachten voor vandaag. Maar nieuwe vondsten doorkruisen die planning. Dus de selectie kan wel eens anders uitvallen. Ik had eerst willen terugkijken op het feest vorige week, waardoor wij nu een nieuwe koning hebben. Dat kon mooi met Hugo Verbrugh, want die berichtte er gisteren op zijn weblog op De Ster Online over. Daarna had ik aandacht willen besteden aan wat faits divers: zoals de uitbreiding van Marjatta in Den Haag en de nieuwe weblog van meester Wim den Blancken. Om vervolgens de draad van de briefwisseling op de Bernard Lievegoed weblog en aanpalende Stichting Parsifal Fonds op te pakken. En ten slotte weer te eindigen bij onze Prins van Oranje, o nee, Koning der Nederlanden bedoel ik natuurlijk. Door een uitvoerig artikel, in feite een hoofdstuk uit een boek, van Werner Greub namelijk, dat Robert Jan Kelder al op 26 februari ter ere van de feestelijkheden op zijn Willehalm-weblog had geplaatst. Waarmee ook de dichter en schrijver van het Parzival-epos, Wolfram van Eschenbach, geëerd zou zijn. Dat zou een mooie compositie opleveren, had ik me gisteren al bedacht. Eens kijken wat er van die intentie vandaag overblijft. Want zo zou het al lang genoeg worden. Dat krijg je ervan als je te lang wacht met nieuwe berichten. Het vorige verscheen immers zaterdag, nu vier dagen geleden. In de tussentijd gebeurt er zó veel. En moet ik dat alles nu op elkaar stapelen? Of wordt de selectie dan gewoon strenger?

‘Een nieuw Plakkaat’ heette de tekst van Hugo Verbrugh gisteren:
‘Een eigenaardige stemming waarde vorige week door Nederland – tenminste zo proefde ik dat. We hadden een nieuwe koning gekregen, en alles wat daarmee te maken had was zó goed verlopen dat het leek alsof we met ons zestien-miljoenen burgers samen waren ondergedompeld in een collectieve nationale katharsis [geestelijk-psychisch reinigingsproces. Red.].

Het absolute hoogtepunt van die katharsis voor mij was iets totaal onverwachts. Het was de manier waarop de nieuwe koning in zijn eerste toespraak aan de de beide Kamers van de Staten-Generaal stiekem een beetje tegemoet kwam aan de bezwaren die ik voel jegens het erfelijk koningschap. Ik citeer uit het hoofdartikel van NRC/Handelsblad van 1 mei: “Het nieuwe staatshoofd ziet zijn taak, terecht, als bescheiden en dienstbaar. Met een verwijzing naar het Plakkaat van Verlatinghe uit 1581, de Nederlandse onafhankelijkheidsverklaring van Filips II, toonde hij zich thuis te voelen in een republiek met een erfelijk vorst aan het hoofd.”

Het Plakkaat van Verlatinghe uit 1581... – dat was me wat! Dat “Plakkaat” is immers zogezegd de onafhankelijkheidsverklaring van de republiek die Nederland toen werd en, als ik het goed begrijp, nog steeds is...!

Een immens probleem lijkt oplosbaar te zijn geworden. Republikeinen aller Nederlanden, verenigt en verheugt u! De strijd hoeft niet meer gestreden te worden – we kunnen van Nederland zó een echte republiek maken; de koning zal zich er niet tegen verzetten. En ik weet hoe we nu het beste verder kunnen.

Ik kom terug op wat ik 17 november 2009 hierover schreef. “Nederland worde een republiek,” schreef ik toen, “en wel naar Zwitsers model. Zwitserland is een republiek. Het heeft, bij mijn weten als enige land ter wereld, geen staatshoofd. Het wordt geregeerd door zeven ministers die samen de ‘bondsraad’ (Bundesrat, Conseil Fédéral) vormen. Bij toerbeurt is één van die zeven voorzitter van de vergaderingen. Deze bondsraad als geheel is tevens ‘staatshoofd’. Wanneer uiterlijke omstandigheden maken dat een persoon die rol moet vervullen, wanneer bijvoorbeeld een buitenlands staatshoofd op bezoek komt en ontvangen moet worden, wordt die rol gespeeld door de persoon die op dat moment de vergaderingen voorzit. Die persoon is uitdrukkelijk ‘primus inter pares’: de eerste onder zijns gelijken, de persoon die toevallig op dat moment als eerste het woord neemt. Dàt is democratie.”

Zo een systeem worde in Nederland ingevoerd. De koning krijgt een nieuwe titel, bijvoorbeeld “’s Lands Eerste Adviseur”. Niks ministeriële verantwoordelijkheid – hij of zij mag zeggen en doen wat hij of zij wil – vier wijze koninginnen die we gehad hebben en nu de nieuwe koning die in hun sporen lijkt te zullen treden en dat doet geheel in de geest van deze tijd, bieden daarvoor een bemoedigend perspectief. “De nieuwe Koning maakte een foutloze start,” besloot het hierboven geciteerde hoofdartikel.

Op één bijzonderheid in het hoofdartikel wil ik nog even ingaan. “De nieuwe koning voelt een eigen verantwoordelijkheid om te verbinden, te vertegenwoordigen en te signaleren,” schrijft de krant ook, “maar ook om de democratie te ‘onderhouden’. Zolang daarin geen eigen agenda schuilgaat, is daar niets op tegen.” De cursivering in de vorige zin is van mij. “Geen eigen agenda”? Kom nou! “Geen mens is illegaal” is sinds kort ook weer een populaire slagzin, vooral in de PvdA, “en ieder mens heeft een eigen agenda,” vul ik aan [antroposofen zien in die agenda een uiting van het karma, maar dit terzijde]. Mag Willem Alexander dus misschien ook?

Het plaatje toe is de eed op de Rütli, een weiland ergens boven Luzern in centraal Zwitserland, anno 1291. Vertegenwoordigers van de drie Zwitserse oerkantons, Uri, Schwyz en Unterwalden beloven wat ónze voorouders drie eeuwen later in het Plakkaat van Verlatinghe aan de wereld zouden melden. [Ontleend aan P. Bertrand en P. Robert, “A Toi Patrie – Histoire Suisse pour la jeunesse”, Editions “Joie de Lire”, Genève, (zonder jaartal. Kort na 1945)].

Hugo Verbrugh’
Op 18 april in ‘Verschijningsvorm’ plaatste ik de laatste brief van Jelle van der Meulen inzake ‘Bernard Lievegoed. Werkplaats voor monografieën over Bernard Lievegoed’. Op 28 april antwoorde ik hem daar met ‘Tenzij gij mij zegent’:
‘Beste Jelle,

Recentelijk las ik “Tenzij gij mij zegent. Geschiedenis van de Lievegoed Zorggroep – met vensters op vandaag en morgen” van Huib van den Doel. Het is uitgekomen ten tijde van de naamsverandering van de Lievegoed Zorggroep tot eenvoudigweg ‘Lievegoed’, wat najaar 2012 feestelijk werd gevierd:

“Op 22 november organiseerde Lievegoed in Amsterdam het debat Antroposofie, met het oog op een gezonde samenleving.” (Bron: “Barometer”)

Op de website van “Lievegoed ®, Antroposofische zorg” is dit gegeven netjes weggewerkt, want daar is het nergens meer te vinden. Er is echter elders nog een verslag van in te zien, geschreven door Petra Essink en verschenen in “Stroom”, het blad van de patiëntenvereniging Antroposana, getiteld “Lievegoed zet de deuren wijd open”. Over het boek van Van den Doel wordt daar gemeld:

“Een omvangrijk en rijk geïllustreerd boek dat een grondig historisch overzicht geeft van de totstandkoming van Lievegoed. Vele mensen, hun verhalen, hun idealen en ook hun teleurstellingen komen, naast vele achtergronden en inhouden, aan bod. Een aanrader voor de betrokkenen en een niet te onderschatten bron van informatie voor mensen die dieper in willen gaan op de achtergronden van de antroposofische gezondheidszorg. Het boek is gratis verkrijgbaar bij Lievegoed door een mail te sturen naar communicatie@lievegoed.nl. Ook te ontvangen als pdf bestand.”

Je zult het vast wel met me eens zijn dat dit boek door het onderwerp onze bijzondere aandacht verdient, alleen al in het licht van de laatste en tot de kern doordringende naamswijziging van “Lievegoed”. In zekere zin neemt de geschiedenis van deze onderneming een aanvang op 1 februari 1990, wanneer een psychiatrische kliniek start op het terrein van in Berg en Bosch in Bilthoven, nog zonder expliciete naam. Op 1 december 1991 wordt de kliniek officieel geopend, onder meer met een voordracht door Bernard Lievegoed. Op 2 september 1992 wordt Bernard Lievegoed 87 jaar; op deze laatste verjaardag van hem is hij aanwezig wanneer de kliniek wordt gedoopt tot “Bernard Lievegoed Kliniek”, waarbij hij wederom een voordracht houdt. Ruim drie maanden later overlijdt hij.

Wat het lot is van deze Bernard Lievegoed Kliniek wordt nauwgezet beschreven in het genoemde boek. De kliniek kent enerverende lotgevallen, waarvan ik hier enkel de twee grote stappen vasthoud. In 2002 vindt een fusie plaats van de Bernard Lievegoed Kliniek met Arta (verslavingszorg), wat leidt tot de Arta-Lievegoedgroep. In 2005 is er vervolgens een fusie van deze nieuwe organisatie met de Ita Wegman Stichting, waarbij de naam van het geheel wijzigt in Lievegoed Zorggroep. Die naam is dus zeven jaar later weer verlaten en vervangen door “Lievegoed”. Het boek houdt echter net voor dat moment op, zodat de reden hiervan niet genoemd wordt en buiten het bestek van het boek valt. In die twintig jaar is er in ieder geval het nodige gebeurd.

Universitas

Mijn vraag zou zijn: zou de organisatie met de naam Lievegoed, of misschien nog beter: zouden de medewerkers bij Lievegoed, iets kunnen hebben aan waar wij ons nu mee bezighouden? En hoe moet dat er dan uitzien? Dan heb je meteen ook de periode van ruim twintig jaar overbrugd, waar ik het de vorige keer over had, sinds de dood van Lievegoed. Het zou mooi zijn als de Lievegoed waar wij ons op richten, kan landen bij de Lievegoed-organisatie die zijn naam draagt, zou ik denken. Niet alleen daar natuurlijk, maar het zou wel een mooi kristallisatiepunt kunnen zijn.

Er zijn meer instanties die de naam Lievegoed dragen. Daar zou je ook naar zo’n soort verbinding op zoek kunnen gaan en een onderzoek kunnen beginnen. Ik denk bijvoorbeeld aan de “Bernard Lievegoed Leerstoel inzake ethische aspecten van de zorg- en hulpverlening vanuit de antroposofie”, zoals die door prof. dr. Hans Reinders sinds 2005 aan de Vrije Universiteit in Amsterdam wordt ingevuld. Dan is er sinds vorig jaar het “Lievegoed Fonds voor wetenschap” binnen de Iona Stichting, en het daar aanpalende “Lievegoed Academisch Netwerk”, een nieuwe vorm van de vroegere “Netwerkuniversiteit” dat onderdeel was van de “Stichting Prof. Dr. Bernard Lievegoed Fonds”, fonds voor antroposofisch wetenschappelijk onderzoek, dat bestond van 2006 tot 2012.

Of wat te denken van de “Bernard Lievegoed University”, de vroegere “Vrije Hogeschool” in Driebergen, die ook een hele ontwikkeling heeft doorgemaakt? Gestart in 1971, werd de naam 37 jaar later veranderd in “Bernard Lievegoed College for Liberal Arts”. Om vier jaar later tot “University” omgedoopt te worden.

Ons doel is een of meer monografieën over of in verband met Bernard Lievegoed te schrijven. Het idee was om dit schrijfproces gepaard te laten gaan met een weblog, waarin de voortgang gedocumenteerd en door iedereen gevolgd kon worden. Waar zouden we beginnen? Lievegoed heeft in zijn leven drie initiatieven genomen die tot complete organisaties zijn uitgegroeid. Achtereenvolgens het Zonnehuis (gehandicaptenzorg), het NPI (organisatieadvieswerk) en de Vrije Hogeschool (voor studenten). Hij was bij nog meer succesvolle initiatieven betrokken, meer deze waren heel persoonlijk gemotiveerd en staan in ieder geval als een paal boven water. Ook al is het leven ervan niet oneindig gebleken, of in ieder geval geschikt voor een “total makeover”. Het leek zinnig om een van deze drie als aangrijpingspunt te nemen om daar vanuit aan het werk te gaan, en we kozen daarvoor zijn laatste initiatief, op het gebied van het tertiair onderwijs. Zo hebben we het ook in december nog genoemd in “De Vrije Hogeschool en Bernard Lievegoed”.

Onze hoop en verwachting om op deze manier doelgericht te werk te kunnen gaan, werden niet bewaarheid: er ontbreken momenteel voldoende van de daartoe nu eenmaal noodzakelijke middelen. Wat dan? Zo werd het idee geboren om een briefwisseling te beginnen, een openbare correspondentie op ons weblog, waardoor we als schrijver vrijer zouden zijn in de vorm en het onderzoekende karakter zichtbaarder en duidelijker naar voren kon komen. Dat is waar wij nu staan. We hebben in de vijf brieven tot nu toe al aardig wat thema’s en vragen de revue laten passeren. Bovendien heeft onze zeer gewaardeerde voorzitter van de Stichting Parsifal Fonds Hans Wessel verschillende waardevolle bijdragen geleverd met teksten die als aparte pagina’s zijn opgenomen.

In “Nieuwe impuls voor Lievegoed” op 3 december 2012 werd de meer historische benadering die ik hierboven aanstipte al uiteengezet. In “De Vrije Hogeschool en Bernard Lievegoed”, eveneens op die datum gelanceerd, werd gefocust op jonge studenten in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, op wie Bernard Lievegoed zijn initiatief afstemde, waarna hij vervolgens wilde koersen op een Vrije Europese Academie voor Wetenschappen. Daarbij vroegen wij naar de rol van de wetenschap in de maatschappij en naar de geestelijke achtergrond van het werk van Lievegoed, in het kader van de maatschappelijke betekenis van de antroposofie.

Recapitulatie

In “Waarom eigenlijk?” op 3 februari ging onze eigenlijke correspondentie van start, waarbij jij, Jelle, uitging van de vraag waarom wij ons met Lievegoed willen bezighouden. Voor jouzelf lag dat in de eerste plaats in een bepaald gevoel van onafheid in verband met Over de redding van de ziel. Lievegoed onderzocht daarin de geestelijke achtergrond van de vraag waarom de antroposofie zich in een maatschappelijk isolement bevindt. Het heeft tot lang na publicatie geduurd voordat jijzelf echt begon te begrijpen hoe dat volgens Lievegoed zat. “Bernard Lievegoed wilde de wekroep van Mani met de middelen van de antroposofie in het centrum van zijn handelen plaatsen”, schrijf je daar. Dat zou je willen onderzoeken. Een cultuur van het hart was waar het hem en ook jou om gaat.

In “Opheldering zoeken” op 20 februari keek ik naar mijn eigen relatie met Lievegoed, hoe ik hem in en buiten de Zonnehuizen in de jaren tachtig was tegengekomen. Dat betrof ook zijn belangstelling voor mysteriestromen. Was zijn opkomende interesse voor het manicheïsme helemaal aan het eind van zijn leven dan wel zo anders en bijzonder?

Jij riposteerde in “De wil tot het goede” op 10 maart dat er, ondanks de onderlinge verwantschap die er zeker ook bestaat, een groot verschil is tussen de drie stromingen die Lievegoed op het eind van zijn leven zo duidelijk onderscheidde, en die aangevoerd worden door Steiner, Rosenkreutz en Mani. Bij de antroposofie staat in zekere zin de vraag naar de waarheid voorop, wat, als je niet oppast, makkelijk kan ontaarden in een onvruchtbare opstelling. Om juist het goede te gaan doen, om niet stil te blijven staan maar in het handelen te komen, is er niet zo’n uitgestippelde route. Dan moet je je vol vertrouwen durven storten in het onbekende, zonder van een goed resultaat verzekerd te kunnen zijn. “De wil tot het goede leidt tot handelingen inzake mensenrechten, armoede, milieubeheer, misbruik in alle mogelijke vormen”, gaf jij als voorbeelden hiervan, waarbij antroposofen echter aan de zijlijn staan. “Abstracties overwinnen” las ik ook in jouw slot, en dat is iets wat iedereen tegenwoordig wel uit eigen ervaring kan herkennen.

In mijn “Gevoelstemperatuur” op 24 maart sputterde ik een beetje tegen het aanbrengen van een al te strikte scheiding tussen hoofd en hart, denken en doen, theorie en praktijk. Ik zocht naar concreetheid, zoals Lievegoed die voorleefde, om deze scheiding te kunnen opheffen. Ook om de abstracties voor te blijven. Die concreetheid bestaat voor mij bijvoorbeeld uit de persoonlijke levenservaringen van mensen; die kunnen hierbij een goede leidraad zijn. De drie biografieën in Over de redding van de ziel waren in dit opzicht voor mij een schoolvoorbeeld. En de ontwikkelingen die hadden plaatsgevonden in de initiatieven die Bernard Lievegoed had genomen, sinds hij was overleden, ook die leken mij een goed richtsnoer te kunnen vormen in ons spirituele zoeken.

In jouw laatste brief, “Oorspronkelijke impuls” van 8 april, gaf je te kennen niets te zien in dualiteiten die ik hiervoor noemde. En je toonde je geprikkeld dat ik je te grote woorden toedichtte, alsof ik wat je schreef theoretisch zou vinden. Je voerde dat terug op een mogelijk verschil in kijkrichting. Maar dat verschil beleef ik helemaal niet zo; en theoretisch vind ik jouw benadering al helemaal niet! Ik probeer wel eerlijk naar mijn beperkingen te kijken en aan te geven wanneer ik dingen tegenkom die ik niet uit mezelf kan putten, zodat ik moeite moet doen om erbij te komen. Als ik het over fikse beweringen en reuzenstappen heb, bedoel ik dat ik kleinere tussenstappen nodig heb en zaken eerst nader moet bekijken en ontleden, voordat ik me die eigen heb gemaakt. Het zegt dus meer over mijn eigen onvermogen, dan dat ik kritiek op jou uitoefen. Daar zie ik en heb ik ook helemaal geen reden toe.

Erg mooi vind ik jouw formulering van de verschillende “regionen in de (geestelijke en aardse) werkelijkheid”. In mezelf beleef ik al verschillende regionen, waar ik verschillend mee moet omgaan. Dan is het niet moeilijk om die ook in het groot te herkennen. En dat we onderling verschillende aanzetten kennen, dat is ook niet vreemd. Jij hoopt dat Hans die van hem nog eens wil accentueren, misschien helpt dat in onze zoektocht. Ik heb niet zo veel ervaring met zo’n discours; het is voor mij al een hele onderneming om zo’n correspondentie zoals wij die nu voeren gestalte te geven. Maar ik verlaat mij graag op mensen met meer ervaring en ben altijd benieuwd wat anderen hebben in te brengen.

Ficino

Deze brief is alweer veel te lang geworden; dat heeft ook te maken met mijn behoefte om te recapituleren en enigszins orde te scheppen. Lezen en herlezen helpt mij namelijk om te pakken te krijgen waar het eigenlijk om gaat. Er waren nog twee dingen die ik graag in deze brief ter sprake wilde brengen. Het voert echter te ver om dat nu ook werkelijk te doen. Misschien de volgende keer. Maar ik mag nu vast wel een tipje van de sluier oplichten.

Ik las namelijk “Makrokosmos und Mikrokosmos”, de reeks voordrachten die Steiner in 1910 in Wenen hield (GA 119 voor de kenner) en die gepland staat voor volgend voorjaar als nieuwe uitgave in de reeks van de Rudolf Steiner Vertalingen. Dat was Lievegoeds favoriete reeks, zoals hij bijvoorbeeld in “Mens op de drempel” uiteenzette. Ik was er nooit aan toegekomen en had die dus nog niet eerder gelezen. Mij trof in de laatste twee voordrachten dat Steiner blijkbaar al die tijd had toegewerkt naar een goed begrip van de “logica van het hart”, die de “logica van het verstand” moet gaan aflossen. Dat is een buitengewoon interessant thema. Bovendien vielen mij bepaalde overeenkomsten op met die andere favoriete reeks van Lievegoed, veertien jaar later door Steiner gehouden: “Het bewustzijn van de ingewijde” (GA 243). Ik kan het nu alleen maar noemen en er niet op ingaan.

Het andere is waar ik mee begon, de geschiedenis van de Lievegoed Zorggroep, beschreven door Huib van den Doel. Zijn boek is tegelijk ook een persoonlijke geschiedenis, omdat hij zelf er zo nauw bij betrokken was. Hij was namelijk gedurende ruim twaalf jaar voorzitter van de Raad van Toezicht, van 1998 tot 2011, en heeft in die hoedanigheid de beide eerdergenoemde fusies in letterlijke zin meegemaakt. Hij was trouwens ook nog op andere manieren betrokken bij de antroposofische gezondheidszorg. Nu is het interessante dat hij de spirituele bronnen van deze gezondheidszorg in het derde hoofdstuk nader onderzoekt, en deze, in tegenstelling tot wat in antroposofische kringen gebruikelijk is, terugvoert tot de Renaissance. De hoofdbron van de antroposofie was in de zestiende eeuw in Europa een breed aanvaard gedachtegoed, zo stelt hij. Hij voert daarbij in concreto Marsilio Ficino (1433-1499) aan, en noemt hem een neoplatonist die, “na als arts te zijn opgeleid, filoloog, filosoof en priester” is geworden. In diens kielzog noemt hij verder Paracelsus (1493-1541) als belangrijke exponent van een nieuwe geneeskunde. Pas daarna komt ook Ita Wegman aan bod (1876-1943) en uiteraard Rudolf Steiner (1861-1925) Lievegoed zelf komt er enigszins bekaaid vanaf. Hoe moeten we dit zien?

Met een hartelijke groet uit het Rotterdamse,
Michel Gastkemper’
Op 3 mei reageerde genoemde Hans Wessel ook op de correspondentie, met ‘Trillingsfrequentie’:
‘Beste Jelle en Michel,

Met enige aarzeling neem ik de uitdaging van Jelle aan om mij te mengen in de tussen hem en Michel op deze site gaande briefwisseling. Ik heb in de afgelopen jaren heel wat geschreven, met name ook columns, en vind het gedachten in kort bestek onder woorden brengen een interessante aangelegenheid. Maar in het kader van het Parsifal Fonds waren we een bepaalde taakverdeling overeengekomen en wel een waarbij het bijhouden van het weblog een taak is voor Michel en Jelle.

Deze weblog heeft echter met het starten van de briefwisseling mede een wat andere functie gekregen, en wel die van tussenstation voor de te verschijnen publicaties. We vragen ons: af wie was Lievegoed eigenlijk, wat bewoog hem en waarom is het nu nog interessant aandacht aan hem te besteden? Met die briefwisseling zijn we op zoek gegaan naar een of meer invalshoeken voor komende geschriften.

En bovendien blijkt het gewenst nog enige toelichting te geven op de impuls die mij overkomen is en die er op gericht is meer bekendheid te geven aan de betekenis van Bernard Lievegoed, ook voor de komende jaren. Zoals ik reeds in mijn bijdrage over de twaalf impulsen van Bernard Lievegoed heb uiteengezet, heb ik slechts gedurende relatief korte tijd een soort werkrelatie met hem onderhouden door mijn lidmaatschap van het Curatorium van de Vrije Hogeschool. Tevens was ik in de gelegenheid in dat kader enige klasseuren van hem bij te wonen. Hij maakte op mij destijds een krachtige indruk, wat ik me overigens pas later realiseerde.

Nadat ik in 1996 gepensioneerd werd, kreeg ik veel meer tijd om me in esoterische aangelegenheden te verdiepen en wel eerst rond juridische thema’s in het kader van het door mij geïnitieerde Jura Nova, later in het kader van de Stichting Water Drager van Leven. Gedurende die periode was ik ook lid van de Sociale Sectie van de Antroposofische Vereniging (AViN) en leefde ik mee met de ontwikkelingen rond bestuur en activiteiten.

Allengs ontwikkelde zich bij mij een gevoel van teleurstelling over de manier waarop het bestuur en de leden van de AViN met het kostbare goed van Rudolf Steiner omgingen. Ze deden wel enorm hun best om cursussen aan te bieden, goede en inhoudsvolle presentaties te verzorgen en jaarfeesten en overige bijeenkomsten te organiseren. Maar het bleef vaak bij eenmalige activiteiten, waardoor er zo weinig continuïteit tot stand kwam. Bovendien ontbrak een gerichte uitstraling naar buiten, naar de maatschappij.

Zo leefde ik vele jaren met dit gevoel, sprak er wel over met enige leden, maar kwam niet tot daden. Wel ontdekte ik dat met het klimmen der jaren mijn geestelijk leven rijker werd. Ik kreeg geestelijke ingevingen en enige subtiele ervaringen. Toen ik in november 2011 weer eens mijn teleurstelling met anderen deelde, kreeg ik de ingeving dat we zouden kunnen teruggrijpen op de rijke erfenis van Bernard Lievegoed. Hier was iemand die vanuit een innerlijke gedrevenheid de antroposofie in de wereld had gezet. In de daarop volgende maanden werd die impuls tot wilsbesluit om daarmee zelf aan de slag te gaan.

Een eerste start in de Sociale Sectie en een eerste contact met de familie Lievegoed verliepen niet in het door mij beoogde tempo. Daarop legde ik contact met Jelle en Michel. Dat klikte en die waren enthousiast. Beiden roepen bij mij zeer onderscheiden imaginaties op. Jelle zie ik als een unieke komeet, die helderder straalt naarmate het duister toeneemt. Michel ervaar ik als het weldadige schijnsel van een maan met spiegelingen in een (diep) bergmeer.

Mede door het (her)lezen van zijn boeken en het interpreteren van zijn biografie en die van de door hem opgerichte instituties kreeg ik meer besef van de enorme betekenis van Bernard Lievegoed. Hij had grote ambities en inzichten zowel op het exoterische als op het esoterische vlak. Daarbij gesteund door een (hem – en ook anderen – soms overrompelende) grote wilskracht. Een wilskracht die hem in staat stelde op zijn sterfbed nog aan Jelle een boek te dicteren. Maar uit dit voorval valt ook af te leiden dat hij voelde dat zijn missie eigenlijk nog niet voltooid was.

In de antroposofische wereld werd met gemengde gevoelens op Bernard teruggekeken. Velen werden geraakt door de snelle teloorgang van de door hem geïnitieerde instituties, zoals de Zonnehuizen en het NPI. Een tragiek die nog verscherpt werd door het feit dat het faillissement van Zonnehuizen plaatsvond in het jaar van het heengaan op 101-jarige leeftijd van zijn vrouw Nel Schatborn, de feitelijke kracht achter de Zonnehuizen. Wat daarvan te denken? Mij werd langzamerhand duidelijk dat deze instituties de vrucht waren van een innerlijke impuls en dat die gezien zijn geestelijke inhoud veruit belangrijker was dan de vergankelijke gedateerde producten ervan. En gaandeweg kwam het besef: hier is niet sprake van een impuls, maar van een veelvoud ervan. Ik kon er een twaalftal detecteren.

Die veelheid vraagt om als tableau te worden geëtaleerd. Een eerste begin daarvan staat op deze site. Maar voor een verdere bewerking zal een keuze moeten worden gemaakt.

Daarbij dient mijns inziens naar een niche te worden gezocht. We moeten niet schrijven over onderwerpen die al sterk in de belangstelling staan en waarover al veel is geschreven. En evenmin over onderwerpen die slechts een beperkte groep aanspreken.

Voor mij is de nadruk die Bernard in dit tijdperk van de bewustzijnsziel legde op de biografie van primair belang. Zijn visie op de ritmen in de menselijke ontwikkeling in relatie tot de zeven cultuurtijdperken had kosmische dimensies. Hij gaf ook persoonlijk biografisch advies aan tal van studenten. Daarbij ging het om het zelf onderkennen van het belang van het biografisch proces als zodanig en voorts om de eigen verantwoordelijkheid voor het verdere verloop van dit proces. Dit geldt zowel voor elk individu, maar ook voor een (karmische) groep zoals de AViN en zelfs voor de maatschappij en cultuur als geheel.

Rond dit thema valt veel te ontwikkelen, waarbij die verantwoordelijkheid in een karmisch perspectief te plaatsen ware. En dat kan dienen om de mijns inziens vertraagde trillingsfrequentie van de AViN weer op peil te brengen. Wat vinden jullie ervan? Ontwaakt gij die slaapt...

Hans’
Tijd voor enige faits divers. Niet toevallig is dit afkomstig van de website van Lievegoed. Op 26 april verscheen daar ‘Marjatta verhuist en breidt uit’:
‘In juni verhuizen we naar een prachtig nieuw pand in de gerenoveerde Rivierenbuurt.

Nieuwe locatie: Servaas van Rooyenhof 19

Kinderdagcentrum Marjatta verhuist in juni naar een prachtige nieuw pand in de gerenoveerde Rivierenbuurt. We bieden zorg en begeleiding aan 9 kinderen met een ernstige en/of meervoudige beperking, nu nog op onze locatie Koningsplein. De komende tijd breiden we op onze nieuwe plek geleidelijk uit naar 5 kleine groepen van ongeveer 8 kinderen in de leeftijd van 0 tot 18 jaar.

Ruim opgezet

Onze nieuwe locatie geeft ons alle ruimte om de kinderen uiteenlopende activiteiten aan te bieden. Ruim opgezette klassen, met een aangename en lichte sfeer. Het pand is volgens moderne antroposofische principes ingericht. Er is een aparte kamer voor onze specifieke antroposofische behandelingen als euritmie, logopedie en fysiotherapie. Daarnaast is er een voor de wat oudere kinderen een ambachtelijke werkplaats waar we onder andere met hout aan de slag gaan. De grote keuken biedt ons de mogelijkheid om met een groep een kookactiviteit te doen. Er is voldoende ruimte om aan een grote tafel samen te komen.

Goed bereikbaar

Kinderdagcentrum Marjatta zit op de hoek van de Servaas van Rooyenhof en de Scheldestraat. Dat is middenin de Rivierenbuurt, nabij openbaar vervoer en zeer goed bereikbaar met de auto. De buurt ligt centraal in Den Haag en zit flink in de lift. Er is een kinderdagverblijf in de buurt en er zijn plannen voor een Brede School. We werken samen met verschillende Haagse therapeuten, onder andere het Haags kinder therapeuticum.

Interesse?

We hebben vanaf juni weer plek bij Marjatta voor kinderen van 0 tot 18 jaar. Wilt u eens overleggen of kinderdagcentrum Marjatta een geschikte plek is voor uw kind? Neem gerust contact met ons op.

Kinderdagcentrum Marjatta (178,9 KB)
Eergisteren meldde de website van ‘Iona vzw. Voorziening voor kinderen, jongeren en volwassenen met een beperking’ in Kessel, België, ‘Nieuwe directeur voor Iona’:
‘De Raad van Bestuur van Iona vzw heeft afgelopen maandag de beslissing genomen over een nieuwe algemeen directeur. Na een selectieperiode van enkele maanden, gesprekken en een assessment via een extern bureau, werd Jan Jacobs formeel aangesteld als nieuwe algemeen directeur.

Jan Jacobs had in de voorbije maanden de functie van ad interim directeur opgenomen. Uiteraard is Jan enorm tevreden over deze beslissing en heeft hij al laten weten er enorm veel zin in te hebben. We wensen Jan veel succes in deze nieuwe opdracht.’
Via de Facebookpagina van ‘De Kleine Johannes Vrijeschool’ kwam ik gisteren achter ‘den Blanken blogt’; ‘Wim den Blanken is directeur van Vrijeschool de Kleine Johannes in Deventer’. Om te beginnen in ‘Levenskunst’:
‘Enige tijd geleden schreef emeritus socioloog Abraham de Swaan in het NRC dat de huidige mens bijna uitsluitend gericht is op instant genot. Idealen zijn verdwenen, het morele gezag is verkruimeld. De tijd dat men elkaar wil verheffen, zichzelf wil verdiepen of naar iets hogers wil streven behoort volgens hem tot het verleden.

Nu ben ik niet zo’n cultuurpessimist als mijnheer Swaan. Wel constateer ik dat we in een posttraditionele samenleving zijn terecht gekomen waar wij in een woud van keuzemogelijkheden, zélf de richtlijnen voor ons leven moeten bepalen. De standaard levensloop heeft plaatsgemaakt voor een keuzebiografie. En wat blijkt: het zelf zinvol richting geven aan ons leven in onze consumptiemaatschappij met een overvloed aan informatie, is geen sinecure. Dit probleem is volgens mij het grootst onder jongeren. En zoals zo vaak dreigen de Verenigde Staten ons voorland te zijn. Daar zien we een explosieve toename van twintigers met burn-outs, zingevingsvraagstukken en therapie-sessies.

Onlangs woonde ik een lezing bij van Prof. Dr. Joep Dohmen. Hij stelt dat het van belang is dat we jongeren helpen om hun te leven goed te leven. Daarmee bedoelt hij min of meer soeverein, zelfstandig en authentiek. Hij noemt dat levenskunst. Hij pleit in dit kader voor het versterken van eigen oordeelsvorming en zelfonderzoek door jongeren in het voortgezet onderwijs. Wat mij in zijn lezing trof was zijn boodschap dat de Grieken en later Romeinen zich ooit oefenden in allerlei vormen van zelfkennis, het uitstellen van behoeftebevrediging, het omgaan met emoties en vrienden, het ontwikkelen van aandacht en empathie, luisteren en zwijgen. Allemaal deugden en omgangsvormen die de basis vormen om tot goede oordeelsvorming te kunnen komen. De kunsten werden als een belangrijk middel gezien bij dit oefenen. Verbeelding om de wereld om je heen te gaan begrijpen. En dat is precies de reden waarom wij op de Vrijescholen veel aandacht besteden aan kunstzinnig onderwijs.’
Hij kan schrijven, deze meester Wim den Blanken. Dat bewees hij meteen ook in ‘Ten Strijde!!
‘Mijn zoon volgt de studie Docent Theater. Dat doet hij met zeer veel inzet en plezier. Er is echter iets wat hem niet aanstaat: in zijn leerjaar is er maar één andere mannelijke student. Binnen de hele opleiding ligt het aandeel mannen trouwens onder de 10%. Deze mannen organiseren daarom mannenavonden. Om “testosteron bij te tanken”. Dat doen ze in het geheim en onder een codenaam want de ervaring leert dat de meiden anders de bijeenkomsten komen verstoren.

Ik begrijp het probleem van mijn zoon goed. We vermaken ons uitstekend met vrouwen maar je kan het ook overdrijven. Hoewel ik op onze school nog geluk hebben met twee meesters en de conciërge is het duidelijk dat het basisonderwijs al jaren stijf staat van de vrouwelijke energie. En dat is geen goede zaak.

Mijn zoon en ik redden ons wel. We grommen wat naar elkaar bij een biertje en gaan een paar rondjes karten . Maar hoe zit dat met al die kleine jongetjes?

De man is de afgelopen jaren in de opvoeding steeds meer uit beeld geraakt. Vanaf hun geboorte worden jongens omringd door moeders en de vele vrouwen in kinderopvang en onderwijs. Veel vrouwen hebben moeite met het impulsieve en in hun ogen drukke testosteron-gedrag van jongens. En wat gebeurt er met dat waar je last van hebt? Dat wil je uitroeien en onderdrukken. Arme jongens want zo wordt hen eigenlijk verteld dat ze niet goed zijn als jongen en dat ze zich dienen aan te passen aan de mores van vrouwen. De hele opvoeding is daarmee gefeminiseerd en daardoor kan het tot de pubertijd duren voor een jongen voldoende mannelijke rolmodellen tegenkomt.

Bovendien zie ik een fors aantal echtscheidingen waarbij mannen hun opvoedingsverantwoordelijkheid slecht nemen en uit beeld verdwijnen. Arme jongens. Want hun behoeften verschillen nogal ten opzichte van meisjes. Jongens hebben behoefte aan avontuur, strijd, competitie, risico’s nemen, grenzen en regels zonder daar uitgebreid over te moeten praten. En dit zijn eigenschappen die gekoesterd dienen te worden. Ze moeten genoeg ruimte krijgen en begeleid worden omdat ze zo waardevol zijn voor die jongens én voor onze samenleving.

Ik roep daarom mannen op om het mooie vak van leerkracht uit te gaan oefenen. Laat de marine, de landmacht of luchtmacht maar even links liggen. Het is het onderwijs dat naar echte mannen snakt! En vaders, laat je gelden in de opvoeding. Jullie zonen hebben een held nodig. Niet alleen achter de buggy en om ’s avonds voor het slapen gaan voor te lezen en te knuffelen. Maar ook om de wereld te ontdekken en met één hooguit twee woorden aan te geven waar de grenzen liggen. Én om samen ten strijde te trekken, draken te verslaan en prinsessen te redden.’
Een schrijvende vrijeschoolleerkracht, en een goede ook (nou ja, directeur; maar op een vrijeschool). Waar vind je die nog tegenwoordig? Dit riep meteen Marcel Seelen bij mij in herinnering. Zou diens website nog in bedrijf zijn? Had ik die eigenlijk hier ooit wel eens genoemd? Het laatst had ik Marcel Seelen op 7 februari in ‘Ballotagesysteem’; maar voor de rest is het een hele tijd terug, namelijk 2009: ‘Heraarding’ op 16 januari, ‘Brandpunt’ op 11 maart en ‘Significant’ op 8 mei, nu dus precies vier jaar geleden. Van zijn website/weblog echter geen spoor. Dat is gek. Of misschien ook niet. Want die ging op 29 oktober 2010 in bedrijf, zoals blijkt uit ‘Wie is Marcel Seelen?
‘Marcel Seelen (1958) is docent Nederlands, conrector pedagogiek en taalcoördinator aan het Geert Groote College Amsterdam. Verder zit hij in taalprojecten van de gemeente, maakt lesmateriaal en lerarenhandleidingen voor vrijescholen vanuit de Vereniging voor Vrijescholen en publiceert in Motief en De Seizoener.

Hij schreef “Mijn lot heeft vlam gevat” over droom en daad in het vrijeschoolonderwijs en “Geert Groote – spiritualiteit van de werkvloer” over de contemplatieve traditie van het vrijeschoolonderwijs.’
Dezelfde dag plaatste hij het kernstuk, waar het om ging, hier op internet, namelijk ‘De zesjarige Havo’, wat blijkens de inleiding eerder was ontstaan:
‘In de jaren tachtig zond de VPRO een geruchtmakende documentaire uit over een Havo 4 klas. Een storm brak los. De rusteloosheid van de leerlingen, de chaos in de lessen, de verregaande desinteresse riep herkenning op bij leraren, leerlingen en ouders. Havo 4: een fenomeen.

Voor de mensen uit het veld, die lesgeven aan leerlingen uit havo 4 en voor de theoretici die zich sinds jaar en dag bezighouden met de opstandige houding van die Havoleerling, dreigt meer en meer het gevoel met de rug tegen de muur te staan. Machteloos staat men tegenover de motivatieproblematiek, al tientallen jaren.

In de afgelopen jaren werd op diverse conferenties, met als thema de Havo 4 leerling, door verschillende rectoren een idee geopperd: verleng de havo met een jaar!

Waarom een verlenging? Wie het traject met een schooljaar uitbreidt, geeft leraren meer tijd om hun vak over te brengen, zo luidt de redenering en bovendien zijn de leerlingen dan een jaar ouder, wat gunstig kan uitpakken, want wie is er na 5 jaar havo nu klaar voor het hbo onderwijs? Tussen droom en daad staan wetten in de weg, en praktische bezwaren, zegt de dichter, en zo blijkt het opnieuw. Alles blijft tenslotte bij het oude. Punt.

Wat is de kern van het probleem? Waarom is de havo 4 klas berucht, met ordeproblemen en een hoog percentage zittenblijvers en schoolverlaters? Hoe komt het dat een 4 vwo klas deze problemen helemaal niet kent? De havist heeft, in vergelijking met de vwo-er, een jaar minder school en daardoor lijkt het probleem zich te manifesteren: vrijwel dezelfde leerstof moet in aanzienlijke kortere tijd worden behandeld, terwijl juist op datzelfde moment waarop die leerdruk wordt vergroot, in havo 4, de puberteit in alle hevigheid losbarst en school. Is er een verband tussen puberteit en een neergaande spiraal van schoolse prestaties?

Op de vrije scholen wordt al een verlengde Havo route van zes in plaats van vijf jaar aangeboden. De ervaringen met deze verlenging zijn ongewoon positief. Wat ligt ten grondslag aan dit succes en hoe kan worden beargumenteerd dat een verlenging van de Havo-route een uitkomst is voor de problemen waar alle Havisten mee kampen? Deze studie is een zoektocht naar een helder en overtuigend antwoord.

Voor een goed begrip moet nog worden vermeld dat er in deze studie sprake is van puberteit en adolescentie, waarbij het volgende onderscheid wordt gemaakt: de puberteit valt tussen 12-16 jaar, de adolescentie tussen 17-22 jaar.

De studie is in opdracht van de Vereniging van Vrije Scholen uitgevoerd. Ik ben Piet van Pinxteren en Inge Haagsma buitengewoon erkentelijk voor hun uitvoerige constructieve kritiek op een eerdere versie van het manuscript.

Marcel Seelen

15 mei 2009’
En dit staat zomaar verloren ergens op internet! Want verder is er, zo lijkt het, niets mee gebeurd. Mij is in ieder geval niets ervan bekend. De volgende dag, 30 oktober 2010, is er op dit internetadres nog een groot aantal losse artikelen van Marcel Seelen bijgeplaatst, 26 stuks maar liefst. Die zal hij nog ergens in de kast gehad hebben moeten liggen. Het laatste, nummer 27, werd ten slotte geplaatst op 1 november 2010. En toen was het op en klaar blijkbaar. Er zitten heel mooie bij. Ik roep eerst dit in herinnering, over het proefschrift van Hilde Steenbergen. Dat was immers ook zijn voornaamste thema in 2009. Maar daar en toen in fragmenten, nu en hier in zijn volledigheid. Dus wat schreef hij erover in ‘Tussen traditie en toekomst’? Dit:
‘“Op vrije scholen scoort kind laag.” Deze kop op de voorpagina van NRC-Handelsblad van vrijdag 27 februari 2009 blafte me toe. Regels van de dichter Remco Campert schoten me te binnen:

“maar de kranten willen het anders
willen droog en zwart van koppen staan
werpen dammen op en dwingen.”

Wat bleek uit het krantenbericht? In de eerste drie jaren van het voortgezet onderwijs scoren vrije schoolleerlingen voor de vakken Nederlands en rekenen beduidend lager dan de leerlingen uit het reguliere onderwijs.

Was die boude bewering wel steekhoudend? Het bleek om een proefschrift te gaan, waarin jarenlang onderzoek op wetenschappelijke wijze, dus verifieerbaar voor iedere onderzoeker, werd gepresenteerd. Hilde Steenbergen zou pas promoveren op 12 maart, maar de landelijke kwaliteitskrant nam alvast een voorschot.

De krant was ook zo attent om met een hyperlink te verwijzen naar het proefschrift, zodat al het materiaal was te downloaden, en ik heb buitengewoon geboeid een middag gebogen gezeten over de tweehonderd bladzijdes. Hilde Steenbergen stelt in de dissertatie ook de vraag of de vrijeschoolleerling een “ander soort” leerling is, dan de leerling uit het reguliere onderwijs. Ze onderzocht alle leerlingen op vijf persoonlijkheidskenmerken: mildheid, ordelijkheid, extravert, emotioneel stabiel en autonoom. De uitkomst luidt: de vrijschoolleerling is mild, niet ordelijk, weinig extravert (waaronder bijvoorbeeld wordt verstaan: roept hij snel de hulp in van zijn leraar), emotioneel weinig stabiel en uitgesproken autonoom. De emotionele instabiliteit verbaasde me. Natuurlijk vallen de eerste jaren van het voortgezet onderwijs samen met het begin van de adolescentie, maar waarom zijn de vrijeschoolleerlingen dan, in vergelijking met de leerlingen uit het reguliere onderwijs, instabieler? In de zeer enerverende klassengesprekken die ik in verschillende klassen tijdens de les Nederlands voerde over de onderzoeksresultaten, stak een eindexamenleerling direct haar vinger op. Zij wist het gegeven als volgt te verklaren: op een vrijeschool leer je als leerling te praten over wat je voelt en denkt, je beseft dat je iemand bent die nog in ontwikkeling is, dat je nog niet de zekerheid bezit die een volwassene als je eigen leraar al bezit, terwijl in het reguliere onderwijs de leerlingen veel meer in een keurslijf worden gepropt en gevoelens en gedachten amper of niet worden besproken!

Met name het feit dat de vrijeschoolleerling als autonoom wordt gekenmerkt, beschouw ik als een bijzonder compliment aan ons onderwijs. Steenbergen definieert autonoom in haar proefschrift als “betekenisvol leren”. Hetgeen betekent dat de vrijeschoolleerling daadwerkelijk ervaart, waar het gehele Nederlandse voortgezet onderwijs met het nieuwe leren naar verlangt: leren dat er toe doet, ook wel authentiek leren genoemd.

Uit de studie van Hilde Steenbergen blijkt ook nog, dat de vrijeschoolleerling in de eerste drie jaren steeds gemotiveerder raakt voor het leren, terwijl dat in het reguliere onderwijs juist afneemt. De manieren om te leren worden in het vrijeschoolonderwijs in de loop der jaren steeds vindingrijker, terwijl in het reguliere onderwijs die leerstrategieën juist in kwaliteit afnemen. De band met de leraar wordt door de vrijeschoolleerling als positief ervaren, terwijl in het reguliere onderwijs de afstand tot de docent steeds groter wordt, hetgeen het leren negatief beïnvloedt. In haar slothoofdstuk merkt Steenbergen dan ook op, en het worden zonder twijfel gevleugelde woorden:

“De slotconclusie die uit dit proefschrift kan worden getrokken is dat de reguliere school de school is waar je leert, terwijl de vrijeschool de school is waar je leert leren en wilt blijven leren.”

Hilde Steenbergen heeft geen onderzoek gedaan naar het waarom van al deze effecten. De vrijescholen zijn nu aan zet om te gaan ontdekken in de komende jaren, wat de oorzaken zijn van het succes en om bij te spijkeren waar de scholen te kort schieten.

Maar hoe zit dat dan met de conclusie, dat rekenen en Nederlands beneden de maat is, en dat het niveau niet meer in te halen valt, aldus Steenbergen? Op donderdag 12 maart zat ik in de aula van de universiteit van Groningen, waar de promotie plaatsvond. Acht hoogleraren namen drie kwartier de tijd om de studie kritisch tegen het licht te houden. Een professor in de sociologie met grote kennis van statistiek vertelde dat hij zeer nauwkeurig de tabellen had bekeken met betrekking tot de resultaten voor het vak rekenen. Welnu, merkte hij op, als de wegingsfactoren werden meegerekend, dan zag hij geen enkel verschil in niveau tussen beide groepen leerlingen. Steenbergen sprak echter van “significante” verschillen. Hoe kwam zij daarbij? De promovenda viel stil, begon hakkelend aan een antwoord, raakte de draad kwijt, vervolgens de vraag en toen die opnieuw streng werd gesteld, gaf ze toe dat ze het niet kon verklaren. De hoogleraar vroeg toen of ze haar bewering moest intrekken. Ze antwoordde bevestigend. Er was geen aanwijzing voor haar conclusie... Er heerste een spanning in de aula die ons de adem benam. De volgende vraag, hoe zij dan voor het vak Nederlands kon verklaren dat... die vraag mocht zij van de rector magnificus naast zich neerleggen. De vragen erna moest ze ook onbeantwoord laten. De nederlaag was compleet. Maar omdat een promotie een formaliteit is, werden uiteindelijk de woorden “hora est” gesproken en de doctoraatsbul uitgereikt. De vrijescholen kunnen, na de eerste schrik, gelukkig zijn met het proefschrift. Maar tegelijkertijd zullen de negatieve resultaten te pas en te onpas jarenlang in de kranten verschijnen (“droog en zwart van koppen”), want de status van een proefschrift is onbetwist.

Wie de ontwikkelingen van de vrijescholen volgt, wordt niet alleen door de landelijke kranten op de hoogte gehouden over de prestaties van de vrijeschoolleerlingen, maar ook rellerig en uitvoerig geïnformeerd over de ruzies die er woeden in de vrijescholen basisonderwijs Geert Groote I en II te Amsterdam. De kranten “werpen dammen op en dwingen” de lezer tot de conclusie: de leerlingen presteren onder de maat en de besturen gaan elkaar te lijf, dus daar zal op al die vrijescholen wel veel mis zijn. Waar rook is, is vuur, nietwaar?

Het is niet eenvoudig om onbevangen te blijven kijken naar deze maatschappelijke signalen. Je kunt verbaasd zijn over de heftigheid waarmee het nieuws de wereld wordt ingeslingerd. Welke kans biedt ons deze crisis? Een mogelijk antwoord luidt, dat hier op straat wordt uitgevochten, wat in de lerarenkamer van de vrijescholen als strijd woedt: de spanning tussen traditie en de toekomst.

In het rapport “Vertrouwen in de school” van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) dat onlangs is verschenen onder leiding van hoogleraar Winsemius staat deze kritische passage over scholen die aan de leraren een grote mate van vrijheid en autonomie toekennen (zonder daarbij te verwijzen naar de vrijescholen):

“Onbegrensde vrijheid komt misschien wel ten goede aan de arbeidssatisfactie van sommige leraren, maar niet noodzakelijkerwijs ook hun leerlingen. Meer autonomie voor de professionals is in veel gevallen terecht, maar kan zonder tegenkrachten ook ontaarden in professionele slonzigheid, verdediging van verouderde routines en schadelijke vormen van groepsdenken.”

Deze woorden vinden in mij veel weerklank. Ze roepen ook de woorden van Rudof Steiner in herinnering. In zijn befaamde “Jugendkurs” benoemt Steiner de drie gevaren die elk lerarencollege in de toekomst bedreigen: frase, conventie en routine (6 oktober 1922).

Elk vrijeschoolcollege zal een eigen antwoord moeten vinden op de spanningen die nu ontstaan tussen traditie en toekomst. Zijn er meer tegenkrachten nodig, zoals het WRR rapport suggereert, op de scholen zelf, en als die ontbreken, schrikken we dan wakker van de publiciteit?

Het heeft in mijn ogen weinig zin, om zelf ideologische dammen op te gaan werpen, om op die manier te proberen alles bij het oude te laten. Elke school is verankerd in de samenleving, waarvan de kranten de herauten zijn. De tonen zijn soms opzettelijk schril en vals, maar vallen niet te negeren. Vragen zijn gewekt: worden verouderde routines verdedigd en zijn er schadelijke vormen van groepsdenken?

Het proefschrift van Hilde Steenbergen als PDF bestand is te vinden op: http://www.nrc.nl/redactie/binnenland/Vrije%20en%20reguliere%20scholen%20vergeleken.pdf
De artikelen uit het NRC Handelsblad over de vrijeschool staan op: http://www.nrc.nl/binnenland/’
Een volgend artikel over vrijeschoolonderwijs is ‘Ondergang van het onderwijs’:
‘“Want”, zo sprak Rudolf Steiner in Stuttgart op 28 augustus 1919 bij de oprichting van de allereerste vrije school, “U zult zich in de toekomst toch bezig moeten houden met hetgeen er op het gebied van pedagogie en psychologie gepubliceerd wordt – voor zover u daar de tijd en de rust voor heeft.”

In de stapel van publicaties die er de afgelopen maanden over het onderwijs is verschenen, valt Mirjam Schöttelndreier (“Kan ik ook van mijn kind scheiden”) op door haar onderhoudende toon. Ze laat verschillende onderwijsmensen aan het woord die hun gal spuwen op het louter zelfstandig laten werken van de leerlingen, de vernieuwende didactiek die het studiehuis wordt genoemd. Hoe moet dat dan, zo luidt de kritiek, met het verhaal van de leraar? In het boek van Corine Ex (“Opvoeden, wat kun je?”) worden 18 mensen geïnterviewd vanuit verschillende disciplines. Zo worden wetenschappers aan een groter leespubliek gepresenteerd. Het gesprek met de ontwikkelingspsycholoog Willem Heuves valt op, door de warmte en het begrip waarmee hij over pubers praat.

Het meest spraakmakend is echter het boek van Ton van Haperen. Sinds 1985 is hij leraar economie en daarnaast leidt hij leraren op aan de lerarenopleiding van de universiteit in Leiden. Zijn boek vangt aan met de schets van het schrijnende probleem waarover de titel spreekt: er zijn bijna geen doctorandussen meer werkzaam in het voortgezet onderwijs, kinderen krijgen steeds vaker les van onbevoegden, de beste leraren staan niet meer voor de klas maar zitten in het management en van de beginnende leraren die enthousiast beginnen, wijkt al binnen vijf jaar een groot deel (veertig procent) uit naar het bedrijfsleven. Het Sociaal en Cultureel Planbureau wijst er vervolgens op dat een derde van de leraren in het voortgezet onderwijs vanaf 2007 met pensioen gaat. Kortom: een dramatisch scenario.

Van Haperen ziet een tragedie in drie bedrijven: de leraar en zijn salaris (er is teveel bezuinigd), de leraar en zijn werk in de klas (het onderwijs is verkwanseld door de vernieuwingen: basisvorming, studiehuis en vmbo) en de organisatie van de school (alles is op losse schroeven komen te staan). Op deze drie aspecten gaat Van Haperen uitgebreid in.  Hij presenteert de harde feiten en zet alles nog eens op een rijtje te zetten in een wat droge stijl, die hij echter weet te kruiden door waar gebeurde verhalen uit de praktijk van het onderwijs in te lassen. (“Elize begint in 2004 als lerares. Tijdens haar opleiding...”). Van Haperen kraakt de ontwikkelingen van de laatste decennia – en dat is volkomen terecht. Het is natuurlijk ook bekende kost. Wie de columns leest van Leo Prick (NRC-Handelsblad), komt weinig nieuws tegen. Het wordt boeiend als Van Haperen een oplossing aandraagt. Hij breekt een lans voor de leraar. Want die wordt in het huidige onderwijs als productiemedewerker gezien, en niet als kenniswerker. Hoe ontstaat die sterke, erudiete, eigentijdse leraar? Als antwoord citeert hij een hoogleraar innovatiemanagement, die stelt: “Voor leraren die zelf niet willen blijven leren, is in de moderne school geen plaats.” Dat is de spijker op de kop. Hoe die leraar daartoe komt, daarover – helaas – geen woord.

Tijd en rust zijn nodig, aldus Rudolf Steiner, om dit soort publicaties te bestuderen. Tijd hebben we wel, maar de rust steeds minder. Het is ook in mijn ogen van betekenis dat je als vrije schoolleerkracht weet hebt van de recente ontwikkelingen in het onderwijs. Maar het is temeer van belang voor de vrije schoolleraar, omdat alleen studie van de antroposofie de maatschappelijke werkelijkheid uit zicht doet verdwijnen. Studie van de literatuur over onderwijs uit het veld leert je als vrije schoolleraar kijken in de spiegel en reikt de woorden aan, waarin je kunt spreken met anderen zonder in antroposofisch jargon te vervallen.

Lievegoed heeft eens over de betekenis van de antroposofie gezegd: “Wij hebben de wereld van de ideeën die we leren kennen door de antroposofie te studeren. Wij hebben ook de wereld van de maatschappelijke werkelijkheid. Het grote probleem is hoe deze twee elkaar zullen ontmoeten.” Lievegoed signaleerde dat probleem in 1976 en zijn woorden zijn actueler dan ooit, gezien de noodsituatie waarin nogal wat vrije scholen verkeren.

Ton Van Haperen. “De ondergang van de Nederlandse leraar”. Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2007.’
Het volgende artikel gaat meteen in op een verwant onderwerp; ‘De graal’:
‘“...en hij werd een instrument dat de woorden van Christus overbracht ... aan ons.” Met deze woorden werd Rudolf Steiner getypeerd door de Russische symbolist Andrej Belyj, toegewijd antroposoof, in zijn briljante biografie uit 1928 en hij vervolgt: “Hij scheen als het ware terug te schrikken voor de plicht zijn eigen woorden te gebruiken; hij stond er tegenover als tegenover de schaal van de graal; iemand die met zijn wil die heldendaad moest zien te verrichten, net als bij de ronde tafel waarop de graal staat.”

De schaal van de graal... wat mag dat wel betekenen? De eerste keer dat de graal in de literatuur opduikt is het een lichtgevende schaal. De middeleeuwse schrijver Chretien de Troyes schreef daar als allereerste over. De held die er naar op zoek gaat heet Parzival. Hij blijkt uitverkoren en betreedt de graalburcht, maar verzuimt om vragen te stellen, waardoor hij wordt uitgestoten. Tot bezinning gekomen gaat hij opnieuw op zoek naar de graalburcht en dan vertelt het verhaal plots over de verhalen van Gawan en door de dood van Chretien de Troyes bleef het verhaal onvoltooid. Robert de Borron schreef daarna een versie, waarin de graal een kelk is, Wolfram von Eschenbach schreef daarop een versie, waarin de graal een steen is. Het graalverhaal sprak enorm tot de verbeelding, werd mateloos populair en kende in de negentiende eeuw een revival (denk aan Richard Wagner) en is ook nu nog steeds een veelgelezen “pageturner” (denk aan Dan Brown).

Het oorspronkelijke verhaal van Chretien de Troyes is nu een in een frisse vertaling (door Ard Posthuma) opnieuw verschenen. Het is een feest om te lezen, omdat vaart, humor en lichtheid de toon bepalen. De rijmvondsten (het verhaal is in gepaard rijm hertaald) zijn speels en doen aan kwaliteit nog het meest denken aan het briljante werk van Annie M.G. Schmidt. Zee rijmt op chevalier, gedoe rijmt op clou, gevaren op Loire, gratuit op geniet. De lichtheid van toon is opvallend, omdat het zo’n zwaarwichtig onderwerp betreft. Koning Arthur en zijn ridders van de Ronde Tafel worden “maatjes” en “kanjers” genoemd en zij laten zich “potverdrie” en “stennismakerij” gewoon ontvallen. Het maakt de vertaling springlevend en het verhaal werkelijk onverhoeds toegankelijk.

Het is ook onthutsend om te bemerken dat Wolfram von Eschenbach driekwart van het verhaal gewoon letterlijk gekopieerd heeft. Maar dat is ook een a-historische opmerking. Men noemde dat geen plagiaat, maar navolging. De vraag naar originaliteit ging pas in de Romantiek een rol spelen.

Op 1 januari 1914 sprak Rudolf Steiner in Leipzig over de graal. (Het boek met deze voordrachtencyclus verscheen al eerder in vertaling onder de titel: “Christus en het mysterie van de graal”, GA 149). Hij maakte de luisteraar van toen (en de lezer van nu) deelgenoot van zijn vaak vergeefse pogingen de schaal van de graal te duiden. Hij ging te rade bij de Noorse volksgeest, maar hij begreep in eerste instantie het antwoord niet. Hij bezocht de St. Pieterskerk te Rome, zag de pieta van Michelangelo en kreeg niet een visioen maar, naar eigen zeggen, een ware imaginatie. Toen kon hij, jaren later, zijn waarheid onthullen. Wie naar de maan kijkt, ziet de donkere schijf en daaronder de sikkel die oplicht. Wat ziet iemand die dat schouwt? Rudolf Steiner: “...dan zie je de donkere schijf en in wonderbaarlijke lettertekens in okkult schrift op de maansikkel – de naam Parcival!” Het beeld valt ook zo te begrijpen: die goudglanzende sikkel is als de goudglanzende schaal, daarin rust de donkere hostie. Een imposant en onvergetelijk beeld. De berekening van Pasen, dat immers jaarlijks op een andere datum valt, is op die maanstand gericht, onthult Steiner.

Tegelijkertijd is het ook waar wat Steiner zelf opmerkt: “Je komt nooit dichter bij de graal met welke woorden dan ook.” Dat geldt natuurlijk ook voor zijn eigen voordrachten. In die zin gaat er niets boven het lezen van het oorspronkelijke verhaal zelf, dat nu in een sprankelende vertaling de hedendaagse lezer daartoe brutaal verleidt!

Chretien de Troyes “De graal”. Amsterdam, uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep.

Rudolf Steiner “Christus en de spirituele wereld”. Amsterdam, uitgeverij Pentagon, 2007. Prijs 27,-’
Nu begrijpt u dat Marcel Seelen niet meer stuk kan. Vooruit dan maar, nog eentje. ‘Een twee drie antroposofie’:
‘“Er zou nog veel te zeggen zijn als deze schets een kleurrijke schildering zou moeten worden.” Met deze verzuchting sluit Rudolf Steiner zijn laatste van tien verslagen af. Als Steiner sprak, werd alles altijd genotuleerd, maar bij deze voordrachtenreeks die hij in 1922 hield in het Goetheanum, de zogenaamde “Franse Kursus”, maakte Steiner zelf verslagen in beknopte vorm. Ed Taylor stelt dan ook in zijn nawoord: “De referaten geven zich niet gemakkelijk gewonnen.” Hetgeen betekent dat ze de lezer nogal op de proef stellen. Want de extracten zijn dor en beknopt als een uittreksel. De starre feiten staan schematisch bij elkaar. Het voordeel is, dat het er geen overdaad aan woorden is. Alles staat keurig gerangschikt bij elkaar.

Steiner gaat bijvoorbeeld in op filosofie, kosmologie en religie. Drie gebieden die hij opnieuw wil inspireren. Hoe? Kennis van de etherische mens is van belang voor de filosofie, de kennis van het astrale lichaam voor de kosmologie en begrip van het Ik voor de kosmologie. Op eenzelfde overzichtelijke wijze gaat hij in op de begrippen imaginatie, inspiratie en intuïtie. Er zijn weinig voordrachten aan te wijzen waarin Steiner zo helder over deze begrippen doceert. Vervolgens gaat Steiner in op de betekenis van de slaap en de functie van de dromen, waarin de mens herhaalde aardelevens beleeft. In een ander referaat zal hij daarover een veelbetekende opmerking plaatsen: “In het astrale organisme leeft een nabeeld van het vooraardse bestaan.” Parels van uitspraken tref je voortdurend aan: “Wat in de diepten van de ziel zich roert als religieus verlangen, is voor het waken de nawerking van het beleven van de sterren tijdens de slaaptoestand.”

Het is duidelijk dat zulke opmerkingen zich niet lenen voor een oppervlakkige lezing. Ze willen herkauwd worden en vragen om een persoonlijke respons. Het lezen van deze “Franse cursus” is beslist een stroeve aangelegenheid. De woorden hebben inderdaad weinig kleur. Ze doen een beroep op de actieve lezer, waarbij wel een grondige kennis van de antroposofie een vereiste is, om niet verloren te raken in deze occulte teksten. De titel van dit boekje is weliswaar zeer pakkend – “Antroposofie in drie stappen” – maar ook misleidend. Alsof je een korte inleiding in de antroposofie ter hand zou nemen. Niets is minder het geval.

Wat verder opvalt aan de voordrachten, is een doublure. Ergens komt Steiner te spreken over de zin van het lijden. Hij merkt op dat het geluk dat we beleven, te danken is aan ons lot, maar dat de echte inzichten die we in ons leven opdoen, te danken zijn aan de “bittere en smartelijke belevenissen.” Deze woorden treft men ook vrijwel letterlijk aan in een andere cyclus van Steiner, nl. in een extra voordracht die hij hield in Oxford, 20 augustus 1922. Steiner plagieert hier zichzelf. Een voetnoot was hier wel op zijn plaats geweest.

De voordrachten van Steiner smeken dus om een respons. Lievegoed is ons daarin voorgegaan, in zijn onmisbare boek “Mens op de drempel” (1983). Als Steiner bijvoorbeeld keer op keer spreekt van “het moreel-geestelijke waardewezen” en de lezer in verwarring achterlaat, spreekt Lievegoed van een “pakketje” dat ieder mens na zijn aardeleven in de geestelijke wereld achterlaat, om dat pakketje bij een nieuwe geboorte weer op te pikken. Onmisbaar zijn in mijn ogen zulke “vertalingen” in eigen woorden, van de inzichten van Steiner. Wie de voordrachten uit 1922 op deze manier uitgeeft, neemt zijn lezerspubliek zeer serieus, want gaat ervan uit dat men tot zo’n respons in staat is.

Ed Taylor schreef een inspirerend nawoord. Hoewel hij ook aanvechtbare uitspraken doet (over de ontwikkelingsweg merkt hij op: “Je kunt niet verliezen, alleen maar winnen” – alsof er nog nooit iemand is een psychose is geraakt!), trekt hij een sprekende vergelijking tussen het begaan van een ontwikkelingsweg en het leren spelen van een muziekinstrument. Het is jammer dat het nawoord zo kort uitvalt, want deze vergelijking smaakt naar meer.

In zijn nawoord vermeldt Taylor dat Steiner in 1922 ook de jongeren mobiliseerde, uit onvrede met de toenmalige beweging: “Teveel ingekeerdheid, te weinig daadkracht.” Hij zegt er niet bij dat Steiner ongelofelijk inspirerende woorden sprak tot diezelfde jongeren. Die cyclus ( de zogenaamde “Jugendkurs”) is veel te onbekend gebleven. Ligt hier een taak voor een nieuwe, kleurrijke uitgave in vertaling door uitgevrij Pentagon?

Rudolf Steiner “Antroposofie in drie stappen”. Uitgeverij Pentagon.’
Die smeekbede van Marcel Seelen is intussen verhoord. Niet bij Pentagon, maar bij de Rudolf Steiner Vertalingen. Zie voor ‘Antroposofie voor jonge mensen’ ook Jong’ op 26 december 2010. Als laatste hier een van de mooiste, maar meteen ook meest drastische artikelen, ‘De brieven van Steiner’:
‘Petrarca herontdekte de brief als communicatiemiddel tussen vrienden en deze heraut van de Renaissance inspireerde Erasmus ertoe ook een brede correspondentie op te zetten, met talloze koningen, geleerden en kardinalen. Daarmee vestigde Erasmus zijn faam in geheel Europa. Zijn in het Latijn geschreven correspondentie is later door een Engelse geleerde vertaald en uitgegeven – een levenswerk. Op basis van die uitgave schreef historicus Huizinga in 1924 zijn magistrale biografie over Erasmus. Over de jonge kloosterling constateert hij: “het is een jongeman van meer dan vrouwelijke overgevoeligheid.” Wat daar van te denken?

Later zijn er ook bloemlezingen uit de immense correspondentie verschenen. In 1960 (Noordenbos) bijvoorbeeld, waarbij de keuze een erudiete en een avontuurlijke Erasmus laat zien, met een scherpe pen en een natuur die soms ook naar roddel en achterklap neigde. In 2001 (Favy), waarin een geheel andere selectie uit de brieven werd gemaakt en er portret ontstond van de zeer geleerde bijbelse humanist. Elke bloemlezing, zo blijkt, is altijd ook een interpretatie. De bloemlezer toont het portret dat hij zelf waardeert.

Nu in deze jaren de verzamelde brieven van Erasmus voor het eerst in een Nederlandse vertaling verschijnen, krijgen de woorden van Huizinga opeens een verrassende context. De jonge Erasmus bleek verliefd op een andere kloosterling en uit zijn brieven spreken expliciet homo-erotische gevoelens. Huizinga en daarna diverse bloemlezers achtten die informatie kennelijk niet relevant voor een groot publiek. Hoe pakt de aangekondigde “brede selectie” uit bij de brieven van Steiner?

Een jonge Rudolf Steiner schrijft op 13 januari 1881 aan een dierbare vriend die in de liefde is teleurgesteld. Hij geeft hem deze raad: “...das ist echte Liebe, wo man mit dem Bilde zufrieden ist und das Fleisch nicht braucht, ja es unterdruckt.” Freud was toen pas 25 jaar en moest zijn theorieën nog ontvouwen! In de nieuwe Nederlandse vertaling luidt deze zinsnede zo: “...dat is ware liefde, als je met het beeld tevreden bent en het lichamelijke niet nodig hebt, ja, er zelfs van afziet.” Maar “afzien” is iets geheel anders dan “onderdrukken”! Wat gebeurt er hier? Ik wijs op een andere brief, van 12 juli 1891, waarin Steiner hoog oplopende ruzie heeft met zijn werkgever Suphan in Weimar en die gevoelens, schrijft hij aan Pauline Specht, “lieber unterdrucken will.” Wat zegt de vertaling nu? De brief blijkt niet te zijn opgenomen. Natuurlijk, niet alles kan gepubliceerd. Maar toch zijn talloze epistels uit die maanden aan Pauline Specht wel degelijk vertaald! De keuze valt echter telkens op van die brave brieven, die een voorbeeldige Steiner tonen. Of kattebelletjes waarin hij vraagt of hij mag komen logeren... Ongelofelijk! Waar is die prachtbrief van 3 januari 1891 aan Ladislaus Specht, waarin Steiner een onthullend zelfportret schetst: “O, die altijd betweterige en eigenwijze toon die ik altijd aansla!”? Niet opgenomen. Waar is zijn onthutsende brief van 23 december 1895, waarin hij een pijnlijke balans opmaakt over zijn hopeloos vergooide jaren in Weimar? Die man van vlees en bloed wordt buiten beeld gehouden. Waarom?

Laten we een andere steekproef nemen. Steiner wordt verliefd op een al wat oudere weduwe met vijf kinderen. Hij hield kennelijk van wat moederlijke zorg. De brieven aan deze Anna Eunike borrelen over van bruisende levenslust en ongetemde ambitie. Hij is als een kind zo verliefd (2 december 1896), maar tegelijkertijd gaat zijn werk – altijd – voor (24 maart 1897) en dus ziet hij geen tijd om haar te ontmoeten en put zich uit in welgemeende excuses (26 mei 1897), hij belooft zijn leven te beteren, maar desondanks verandert zijn gedrag niet, zo blijkt uit al die liefdesbrieven...! Deze innemende, want menselijke figuur, blijft geheel onzichtbaar, want, het wordt eentonig, al die brieven ontbreken. In plaats daarvan worden we getrakteerd op onbenullige kwesties, als hij (19 december 1896) aan Anna Eunike schrijft dat hij gratis onderkomen heeft gevonden in “Hotel Russischer Hof”. Wat kan ons dat huis schelen, als iemand zijn hart opent?

Ik stel vast dat de vertaling zouteloos is, de uitputtende aantekeningen bij de brieven niets dan lof verdienen, maar dat de bloemlezing ons bewust (elke keuze is een interpretatie!) een portret schetst van een man in muisgrijze tonen: vlak en vervelend.

Rudolf Steiner, “Brieven”. Zeist, Vrij geestesleven, 2007. (Werken en voordrachten). 45 euro.’
Dit is wel genoeg voor één dag. De rest volgt later wel; of niet natuurlijk. En of de compositie nu aangetast is... ik geloof niet echt.
.

Geen opmerkingen:

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Volgen op Facebook


Translate

Volgers

Herkomst actuele bezoeker(s)

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code

Gezamenlijke antroposofische agenda (in samenwerking met AntroVista)