Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

woensdag 27 november 2013

Lichtapostel


Nee, dit is niet de Vrije Universiteit in Amsterdam! Ik verklap nog steeds niet wat dit wel is, en waar.

Vandaag is dan het historische moment. Aan de Vrije Universiteit in Amsterdam promoveert Roland van Vliet, zoals ik op 8 november meldde in ‘Tellingen’, op ‘Gnostischer Adoptianismus in der manichäischen Christologie’:
‘Startdatum: 27-11-2013
Tijd: 11.45
Locatie: Aula
Titel: Gnostischer Adoptianismus in der manichäischen Christologie
Spreker: R. van Vliet
Promotor: prof.dr. A.P. Bos, prof.dr. A. van Tongerloo
Onderdeel: Faculteit der Wijsbegeerte
Wetenschapsgebied: Theologie en wijsbegeerte
Evenementtype: Promotie’
De website van de VU presenteerde dit persbericht ‘Manicheïsme niet Perzisch, maar christelijk’:
‘Het manicheïsme was een wereldreligie van Spanje tot China en is gesticht door Mani (216-276). In de 20ste eeuw, door de vondst van manicheïsche teksten in Turfan en Egypte, is duidelijk geworden dat het hier om een hoofdstroming binnen het christendom gaat. Roland van Vliet levert in zijn promotieonderzoek een bijdrage aan een beter begrip van het manicheïsme en beschrijft zijn ontdekking van een manicheïsche tempel in 2008; Santa Maria de Lara in Spanje, waarin de manicheïsche Jezus de Zonne-Maan-God of Christus te zien is, die in Jezus mens geworden is bij de doop in de Jordaan.

Sinds Augustinus wordt de manicheïsche opvatting over Jezus Christus gekarakteriseerd als “docetisme”: Hij is niet werkelijk in een vergankelijk lichaam op aarde verschenen, maar alleen geestelijk en simuleerde mens te zijn. Docetisme werd als de consequentie gezien van een radicaal dualisme van geest en materie in het manicheïsme: Christus als goddelijk lichtwezen zou onmogelijk in een aards lichaam kunnen incarneren. Van Vliet weerlegt in zijn onderzoek dit docetisme en dit radicaal dualisme.

Van Vliet vond zestien argumenten om uit te kunnen gaan van een gematigd of afgeleid dualisme. Het weerleggen van radicaal dualisme is een belangrijke reden voor het weerleggen van docetisme in de manicheïsche christologie. Ook ging hij uit van de stelling dat Jezus Christus in het manicheïsme wél werkelijk mens is geworden, geleden heeft en is opgestaan, en dat van docetisme geen sprake is, maar van adoptianisme. In het manicheïsme was de tegenstrijdigheid dat Christus niet als de zoon van Maria werd beschouwd en dat er toch sprake is van werkelijk lijden van Jezus Christus bij de kruisiging. Van Vliet vond de sleutel voor het oplossen hiervan in een uitspraak van Faustus over (gnostisch) adoptianisme: Christus incarneert bij de doop in de Jordaan in de mens Jezus; zijn menswording. Vóór de doop in de Jordaan is Christus (of Jezus de Zonneglans) niet de zoon van Maria en ná de doop is Christus geïncarneerd in de “historische Jezus de Lichtapostel”.

Door radicaal dualisme en docetisme te weerleggen, hoopt Van Vliet eraan te kunnen bijdragen dat het manicheïsme niet als een Perzische, maar als een werkelijk christelijke stroming gezien wordt. Het gangbare woordgebruik waarbij iets “manicheïstisch” genoemd wordt, omdat het radicaal dualistisch is, is onjuist; het zou – gezien het wezensmotief – veeleer de betekenis moeten krijgen van het ethische principe, dat liefde zich met het kwaad verbindt om het te kunnen omvormen.

Meer informatie over het proefschrift in VU-DARE
Volgen we deze link, vinden we de inhoud van het gehele proefschrift. Ik houd het hier bij de samenvatting in het Nederlands, nog gevolgd door die in het Duits (abusievelijk is de titel van het pdf-document ‘abstract english’), zodat ook de Duitse vrienden van deze weblog een goede indruk kunnen krijgen waar het om gaat.
‘Gnostisch adoptianisme in de manicheïsche christologie – samenvatting

Het manicheïsme is een wereldreligie geweest die zich uitgestrekt heeft van Spanje tot China en is gesticht door Mani, die in 216 werd geboren in Zuid-Babylonië en stierf in het jaar 276 in Perzië.

Onze voornaamste kennis over het manicheïsme ontleenden we tot aan de 20e eeuw aan de kerkvaders: aan Augustinus, die zelf negen jaar lang manicheeër was, en aan paus Leo de Grote, Severus van Antiochië, Hegemonius, Theodorus Bar Kônay, Titus van Bostra en daarnaast aan de Arabische historicus Ibn al-Nadîm. In 1904 zijn in Turfan in Noord-West China en in 1930 in Medinet Madi in Egypte teksten van de manicheeërs zelf uit de achtste respectievelijk de vierde eeuw gevonden, waaruit we een beter en helderder beeld van deze stroming hebben kunnen krijgen. Het manicheïsme kon daardoor begrepen worden als een grote stroming binnen het christendom. Gebruik makend van deze teksten, wil ik in mijn onderzoek een bijdrage leveren aan het nieuwe verstaan van het manicheïsme.

Ik onderzoek in deze dissertatie ten eerste de vraag of in de christologie van Mani Christus wel of niet werkelijk mens is geworden. Ten tweede stel ik het radicaal dualisme ter discussie dat vaak als kenmerk van het manicheïsme is aangewezen. Mijn proefschrift heeft de vorm van zeven hoofdstukken.

Ik begin met een uitvoerige beschrijving van de literaire bronnen in Hoofdstuk I. Sinds Augustinus de leer van Mani over Jezus heeft samengevat en er kritiek op uitgeoefend heeft, wordt de manicheïsche opvatting over Jezus Christus gekarakteriseerd als “docetisme”. Docetisme houdt in: Jezus Christus is niet werkelijk in een vergankelijk lichaam op aarde verschenen, maar alleen geestelijk, waarbij hij simuleerde mens te zijn. Door een fragment uit Augustinus geschrift Over de Ketterijen wordt de indruk gewekt dat Christus niet echt in het “vlees” is gekomen. Dat vrijwaart de Verlosser ervan, zoals Augustinus laat zien, het menselijke lijden te moeten ondergaan. De goddelijke Jezus kan geen aards lijden ondergaan. Het lijden van Jezus is slechts schijn geweest, zegt Augustinus in zijn geschrift Tegen Faustus. Jezus Christus simuleerde zijn vlees en zijn dood, zijn wonden en hun littekens. Ook Leo de Grote spreekt over de ontkenning van de lichamelijkheid, van de geboorte, van de realiteit van het menselijk lijden en van de dood van de Christus door de manicheeërs. Hij zegt over de manicheeërs dat zij geloofden dat Christus een geestelijk lichaam bezat. Alexander van Lykopolis, Hegemonius en Theodorus Bar Kônî, laten bij Mani eerst en vooral een goddelijke Jezus ten tonele verschijnen. Euodius beweert zelfs dat volgens de Manicheeërs niet Christus, maar de Vorst der Duisternis is gekruisigd.

Als de manicheeërs inderdaad een docetische opvatting ten aanzien van Jezus Christus beleden, dan is zijn historische verschijning niet als resultaat van incarnatie te beschouwen. In dat geval zou de manicheïsche opvatting over Jezus Christus aanmerkelijk verschillen van die welke over Jezus Christus gepresenteerd wordt in de nieuw-testamentische evangeliën. In de moderne wetenschap heeft er lange tijd consensus over bestaan dat de status van de manicheïsche Christus “docetisch” moet worden genoemd. De verschillende vertegenwoordigers van dit standpunt worden kritisch besproken in Hoofdstuk II. Kenmerkend is de interpretatie van H.J. Klimkeit; hij begrijpt het docetisme bij Mani zo dat Jezus als een kameleon zijn gestalte kan veranderen in een goddelijke of in een menselijke vorm. In het manicheïsme wordt namelijk gesproken van Jezus “die zijn gestalte verandert”. Alleen in de exegese van S. Richter, die de manicheïsche Psalmen van Heracleides analyseert, wordt een gematigd docetisme in de christologie van Mani zichtbaar. Daarmee komt S. Richter het meeste in de richting van mijn standpunt.

Mijn eerste werkhypothese in dit proefschrift is de stelling dat Jezus Christus volgens de manicheïsche christologie wél werkelijk mens is geworden, geleden heeft en is opgestaan, en dat van docetisme geen sprake is.

Mijn tweede werkhypothese is de stelling dat de manicheïsche christologie wordt gekenmerkt door adoptianisme: de Zoon van God incarneert bij de doop in de Jordaan in de zoon van Maria.

Voordat ik deze hypothesen ben gaan uitwerken, heb ik in Hoofdstuk III een daaraan verwante kwestie onderzocht. Het feit dat vaak gesteld is dat het docetisme in het manicheïsme de consequentie is van een radicaal dualisme van geest en materie (F.C. Baur), heeft er herhaaldelijk toe geleid dat de christologische teksten van de manicheeërs haast automatisch als docetisch zijn geïnterpreteerd. Dit gebeurde vanuit de aanname dat volgens de manicheeërs Jezus de Zonneglans als goddelijk Lichtwezen onmogelijk in een aards lichaam zou kunnen incarneren, juist door zijn taak de verlossende Gnosis te brengen die de weg wijst om de gebondenheid aan het aardse lichaam te overstijgen. Zelfs zou er sprake geweest zijn van een goede God en een kwade God, ondanks het feit dat de manicheïsche bisschop Faustus dit tegenover Augustinus al ontkend had.

Ik heb zestien argumenten gevonden om de stelling dat het manicheïsme als het type van het conflict-dualisme of radicaal dualisme gecategoriseerd zou moeten worden, te weerleggen. Deze correctie van de filosofische typering van het manicheïsme is vooral mogelijk gemaakt door een exegese van de Koptische manicheïsche geschriften. Er is daarin echter geen sprake van een radicaal dualisme in kosmologie en theologie.

Al deze overwegingen leiden mij ertoe, het manicheïsme in te delen in de categorie van het gematigd dualisme of het afgeleid dualisme. Mani heeft zich echter onthouden van een geëxpliciteerde ontologische herleiding van de Vorst der Duisternis tot de Vader der Grootheid. Daardoor is zijn kosmologie niet gemakkelijk te herkennen als een afgeleid dualisme. Toch wordt in zijn religiesysteem een impliciet monotheïsme zichtbaar. Het gangbare woordgebruik waarbij iets “manicheïstisch” genoemd wordt, omdat het radicaal dualistisch is, is onjuist. Het woord “manicheïstisch” zou – gezien het wezensmotief van het manicheïsme – veeleer de betekenis moeten krijgen dat liefde het kwaad omvormt. Als radicaal dualisme de grond voor het docetisme vormt, dan is het kunnen weerleggen van het radicaal dualisme in het manicheïsme een belangrijke basis voor het weerleggen van het docetisme in de manicheïsche christologie.

De werkhypothese dat docetisme in de manicheïsche christologie ontkend moet worden en de werkhypothese dat adoptianisme de manicheïsche christologie bepaalt, worden in Hoofdstuk IV uitgewerkt. Deze is het hart van de dissertatie, waarin ik het docetisme ontken en tegelijkertijd het gnostisch adoptianisme als interpretatie-alternatief voorstel, dat de tegenstrijdigheden kan oplossen. Deze laatste bestaan daarin dat enerzijds gezegd wordt dat Jezus niet de zoon van Maria is en niet geboren is, en anderzijds dat Jezus werkelijk geleden heeft en aan het kruis gestorven is. Dat is docetisme en tegelijkertijd ook geen docetisme. Het was voor de manicheeërs onvoorstelbaar dat het macrokosmische Licht der Wereld, in het aannemen van een menselijke gestalte, negen maanden lang in een embryonale ontwikkeling verduisterd zou zijn. Dat is docetisme. Aan de andere kant stellen de manicheeërs dat er sprake is van werkelijk lijden. Er zijn in verschillende westerse en oosterse manicheïsche bronnen heel duidelijke passages te vinden waarin het lijden van Jezus Christus met kracht geponeerd wordt. Tegen de docetische visie dat Christus alleen een schijnlichaam had, en dus niet geleden zou hebben, pleit dat in de westerse bronnen, met name in de “Coptica”, verschillende gedeelten staan, waarin beschreven wordt dat de Verlosser aan het kruis wel degelijk als een mens geleden heeft. Zo wordt bijvoorbeeld in de Psalm van het Verdragen in het manicheïsche Psalm-boek dit lijden vergeleken met het lijden van andere Lichtapostelen, zoals Boeddha en Zarathoestra, van wie we ook zeker weten dat ze volgens Mani in een menselijk lichaam gewoond hebben. Van Jezus de Lichtapostel, maar ook de Zoon van God, wordt gezegd dat hij de beproeving op zich genomen heeft, dat hij gedood wordt en dat zijn bloed bij de kruisiging heeft gevloeid. Dat kan geen Zoon van God met louter een geestelijk lichaam zijn. En ook in de oosterse bronnen, de Midden-perzische en Parthische teksten, kunnen meerdere passages gevonden worden die het werkelijke lijden van Jezus Christus aan het licht brengen. Hoe is deze problematiek van de manicheïsche christologie op te lossen?

Ik vond de sleutel in een uitspraak van bisschop Faustus tegen Augustinus, waarin hij zei dat de menswording van Christus eerder met adoptianisme samenhangt, dan met een geboorte als kind. Adoptianisme is de opvatting dat Christus de mens Jezus bij de doop in de Jordaan adopteert of op dat moment in hem incarneert, wat een werkelijke menswording is. Om dit adoptianisme van dat van Nestorius te onderscheiden, spreken we van gnostisch adoptianisme. Hierdoor konden we alle tegenstrijdigheden oplossen: vóór de doop in de Jordaan is Christus of (de kosmische) Jezus de Zonneglans niet de zoon van Maria en heeft niet een embryonale ontwikkeling doorgemaakt en ná de doop in de Jordaan is Christus geïncarneerd in de historische Jezus de Lichtapostel. Vóór de doop in de Jordaan geldt docetisme en ná de doop geldt geen docetisme. En als er in bepaalde teksten voor de periode ná de doop in de Jordaan de suggestie gewekt lijkt te worden dat Jezus Christus niet werkelijk lijdt, dan heeft dat met een bepaalde opvatting van Mani over Jezus Christus te maken. Doordat Mani de goddelijkheid van Jezus de Zonneglans heeft benadrukt, werd ook in de manicheïsche teksten de goddelijke onvatbaarheid voor lijden ten opzichte van het menselijke lijden in Jezus Christus ná de doop in de Jordaan geaccentueerd. Mede hierdoor is de suggestie van docetisme ontstaan. In de manicheïsche christologie is de goddelijke en menselijke natuur in Jezus Christus zo te verklaren dat bij de doop in de Jordaan Jezus de Zonneglans mens wordt in de historische Jezus; twee worden één. Dan wordt ook begrijpelijk wat de betekenis is geweest van wat in de Kephalaia staat, namelijk dat Jezus de Zonneglans “een knechtsgestalte aannam” en daarna zijn apostelen uitverkoos; dat is ná de doop in de Jordaan. Vanaf dat moment “wandelde God drie jaar op aarde”, zoals in de Coptica beschreven is. Jezus “die zijn gestalte verandert”, is geen symptoom van docetisme. Het blijkt ook de betekenis te kunnen hebben dat er bij de doop in de Jordaan sprake is van een overgaan van een geestelijke vorm in een concreet-menselijke vorm.

Significant is ook de recognitie-scène in de manicheïsche christologie: Maria Magdalena meende na de opstanding een tuinman te zien. Dat betekent dat Jezus Christus een verandering heeft ondergaan; Maria herkende haar geliefde rabbi niet meteen. Een docetische Christus kent geen verandering; die blijft altijd en eeuwig dezelfde. Ook dat levert een argument dat Jezus Christus in de voorstelling van het manicheïsme werkelijk gestorven is en is opgestaan uit de dood en in een opstandingslichaam verschijnt. De manicheeërs beschrijven ook de vernieuwende kracht van de opstanding. De opstanding van de Verlosser blijkt door te werken in de bij de manicheeërs beschreven individuele voleindiging. Doordat dood en opstanding van Jezus in de manicheïsche christologie erkend worden, is het manicheïsme tot in zijn kern christelijk te noemen.

In Hoofdstuk V betoog ik, dat in de manicheïsche theologie alle godsgestalten hypostasen zijn van de Triniteit. Geen polytheïsme, maar een complexe leer van de Triniteit.

In Hoofdstuk VI kan ik mijn ontdekking van een manicheïsche tempel Santa Maria de Lara in Sierra de la Demanda in Noord-Spanje beschrijven. Ik was in 2008 bijzonder verrast in deze zevende eeuwse Visigotische kerk twee zuilen te zien, waarop Jezus de zon (Sol) en Jezus de maan (Luna) zichtbaar zijn. De zon en maan staan niet boven Jezus, maar zijn vereend met Jezus zelf; dat is manicheïsch. Voor Augustinus was dit spiritueel materialisme, waarbij hij Mani verweet dat God samenvalt met de zon en de maan. Bij Mani evenwel transcendeert Christus ook de zon en de maan als de tweede persoon van de Triniteit. Dit is de door Mani genoemde Jezus de Zonne-Maangod of Christus, die in Jezus mens geworden is bij de doop in de Jordaan.

In Hoofdstuk VII besluit ik met een opsomming van de argumenten op grond waarvan radicaal dualisme en docetisme niet de kern vormen van de manicheïsche kosmologie en christologie. Die kern is veeleer daarin gelegen dat het goede in de liefde het kwaad overwint en dat het wezen van liefde zich tot op het niveau van de aarde met de mensheid verbonden heeft. Dit is ook het perspectief waardoor een toekomstig manicheïsme zich kan laten inspireren.’
En hier de Duitse tekst:
‘Einführung

Der Manichäismus war eine Weltreligion, die durch Mani ins Leben gerufen wurde und sich von Spanien bis China erstreckte. Mani wurde im Jahre 216 in Süd-Babylonien geboren und starb im Jahre 272 in Persien.

Bis zum 20. Jahrhundert entnahmen wir den größten Teil der Kenntnis über den Manichäismus den Lehren der Kirchenväter. Bei Augustinus, der neun Jahre Manichäer gewesen ist, finden wir die meisten Schriften aber auch bei Papst Leo dem Großen, Severus von Antiochien, Hegemonius, Theodorus Bar Kônay, Titus von Bostra und dem arabischen Historiker Ibn al Nadîm.

1904 sind dann in Turfan im Nordwesten von China und in Medinet Madi in Ägypten manichäische Texte aus dem achten und vierten Jahrhundert gefunden worden. Diese Texte geben uns ein noch besseres und klareres Bild dieser Strömung. Mithilfe dieser Texte kann der Manichäismus als eine große Strömung innerhalb des Christentums verstanden werden. Mit meiner Forschung will ich einen Beitrag liefern, den Manichäismus auf eine neue Art als eine große Strömung innerhalb des Christentums zu verstehen.

Erstens untersuche ich in dieser Dissertation die Frage, ob in der Christologie des Mani, Christus wirklich Mensch geworden ist. Zweitens stelle ich den radikalen Dualismus und den Doketismus in Frage, die beide oft als die Merkmale des Manichäismus hingestellt werden.

Die Dissertation ist eingeteilt in 7 Kapitel:

Im 1. Kapitel: Allgemeine Einleitung, Der Manichäismus und Seine Quellen, beginne ich mit einer ausführlichen Beschreibung der literarischen Quellen. Als Einleitung zu meiner Forschung über den Manichäismus werden die publizierten Quellen und die Studien über diese religiös-philosophische Strömung kurz skizziert, sowie die (philosophischen und religiösen) Hauptrichtungen dieses Systems.

(Der christliche Ursprung und die sich hierauf beziehenden spezifischen Quellen des Manichäismus sind hier nicht aufgenommen, sondern stehen in Kap. 1.2 von Der Manichäismus, Van Vliet, 2007; Die Quellen zeigen den christlichen Charakter des Manichäismus. Es geht um die Bedeutung des Kölner Mani-Codex als Beweis für den christlichen Ursprung des Manichäismus. Der Manichäismus als eine Hauptströmung des Christentums. In dieser Dissertation wird sich manchmal bezogen auf das Buch von R. van Vliet, Der Manichäismus. Geschichte und Zukunft einer frühchristlichen Kirche, Stuttgart, 2007, in dem eine integrale Beschreibung des Manichäismus aufgenommen ist.)

Als Augustinus die Lehre des Mani über Jesus zusammengefasst und kritisiert hat, wurde die manichäische Auffassung über Christus als doketisch bezeichnet. Doketismus bedeutet: Jesus Christus ist nicht wirklich in einem vergänglichen, fleischlichen Leib auf der Erde erschienen, sondern nur in einem geistigen Leib, Er simulierte ein Mensch zu sein. Durch ein Fragment aus den Schriften des Augustinus Über die Ketzereien, wird der Eindruck geweckt, dass Christus nicht wirklich “Fleisch” geworden sei. Das befreie den Erlöser davon, wie Augustinus zeigt, die menschlichen Leiden erdulden zu müssen. Der göttliche Jesus könne keine irdischen Leiden erdulden. Das Leiden des Jesus sei nur Schein, sagt Augustinus in seiner Schrift Gegen Faustus. Jesus Christus simulierte sein Fleisch und seinen Tod, seine Wunden und Wundmale. Auch Leo der Große spricht, wenn er über die Lehre der Manichäer schreibt, von Verleugnung der Fleischwerdung, der Geburt, der Realität des menschlichen Leidens und des Todes des Christus, und vom Glauben, dass Christus nur einen geistigen Leib gehabt habe. Alexander von Lykopolis, Hegemonius, Theodorus Bar und Kônî stützen sich in ihren Ausführungen in erster Linie auf die Theorie des göttlichen Jesus in der Lehre Mani. Euodius vertritt sogar die Meinung, dass in der Lehre der Manichäer nicht Christus, sondern der Fürst der Finsternis gekreuzigt worden wäre.

Wenn die Manichäer tatsächlich eine doketische Auffassung, in Bezug auf den Jesus Christus gehabt haben, dann ist seine historische Erscheinung nicht als Resultat einer Inkarnation anzusehen. Diese Auffassung von Jesus Christus würde sich sehr unterscheiden von der Auffassung des Jesus Christus in den Evangelien des neuen Testamentes. In der modernen Wissenschaft hat lange Zeit die Übereinstimmung geherrscht, dass der Status des manichäischen Christus doketisch genannt werden muss.

Im 2. Kapitel: Doketismus bei Mani – Status Quaestionis, werden die verschiedenen Vertreter dieses Standpunktes kritisch besprochen. Hier beschreibe ich, wie in den verschiedenen Jahrhunderten die Kirchenväter, Historiker und Wissenschaftler die Christologie Manis interpretiert haben; wie immer wieder neu behauptet wird, dass im Manichäismus der Christus nicht wirklich Mensch geworden sei, sondern nur den Schein erweckt habe, ein Mensch zu sein: der sogenannte ›Doketismus‹. In der Diskussion dieser Standpunkte will ich zeigen, dass neben der doketischen Interpretation auch eine entgegengesetzte Interpretation möglich ist. Dies werde ich mithilfe der Methode der immanenten Kritik tun: das Suchen nach Widersprüchen in der Argumentation bzw. nach Einseitigkeiten in der Interpretation der Behauptung, dass der Christus als leibloser Geist im Manichäismus vorgestellt wurde.

Bezeichnend ist die Interpretation von H. J. Klimkeit; er versteht den Begriff des Doketismus bei Mani so, dass Jesus seine Gestalt verändern kann, in eine göttliche oder in eine menschliche Form. Denn im Manichäismus wird gesprochen von Jesus “der seine Gestalt verändern kann”. Nur in der Exegese von S. Richter wird ein gemäßigter Doketismus in der Christologie des Mani sichtbar. Damit steht S. Richter meinem Standpunkt am nächsten.

Meine erste Arbeitshypothese in dieser Dissertation ist die Behauptung, dass in der manichäischen Christologie Jesus Christus wirklich Mensch geworden ist, gelitten hat und auferstanden ist und dass von einem Doketismus nicht gesprochen werden kann.

Meine zweite Arbeitshypothese ist die Behauptung, dass die manichäische Christologie gekennzeichnet wird durch Adoptianismus: der Sohn Gottes inkarniert sich im Moment der Taufe im Jordan, in den Sohn der Maria.

Bevor ich diese Hypothesen bearbeite gehe ich noch der Frage nach dem radikalen Dualismus im Manichäismus nach.

Im 3. Kapitel: Widerlegung des radikalen Dualismus diskutiere ich über den immer wieder postulierten Dualismus im Manichäismus. Die Tatsache, dass behauptet wird, dass der Doketismus im Manichäismus die Konsequenz des radikalen Dualismus von Geist und Materie sei (F. C. Baur), hat wiederholt dazu geführt, dass die christologischen Texte der Manichäer beinah automatisch als doketisch interpretiert wurden. Dies geschah, weil die Annahme herrschte, dass der manichäische Jesus der Sonnenglanz als göttliches Lichtwesen sich unmöglich in einen irdischen Leib inkarnieren könne, weil es seine Aufgabe sei, die erlösende Gnosis zu bringen, die den Weg weise, die Gebundenheit an den irdischen Leib zu überwinden. Es wird auch gesprochen über einen guten und einen bösen Gott, obwohl der manichäische Bischof Faustus dies gegenüber Augustinus bestritten hat.

Ich habe sechzehn Argumente gefunden, die die Behauptung, dass der Manichäismus als der Typus des Konflikt-Dualismus oder des radikalen Dualismus katalogisiert werden müsse, widerlegen können. Diese Korrektur einer philosophischen Typik des Manichäismus ist vor allem möglich geworden durch die Exegese der koptisch-manichäischen Schriften. In ihnen kann, sowohl in der Kosmologie wie auch in der Theologie, kein radikaler Dualismus gefunden werden.

Diese genannten Forschungsresultate brachten mich dazu, den Manichäismus einzuteilen in die Kategorie eines gemäßigten Dualismus und den eines abgeleiteten Dualismus. Mani hat sich in seiner Lehre enthalten einer expliziten ontologischen Zurückführung des Fürsten der Finsternis zum Vater der Größe. Dadurch ist es nicht einfach seine Kosmologie als einen abgeleiteten Dualismus zu erkennen. Doch wird in seinem Religionssystem ein implizierter Monotheismus sichtbar. Wenn im gangbaren Wortgebrauch der Wissenschaft etwas was radikal dualistisch ist “manichäisch” genannt wird, dann stimmt das nicht. Dem Wort “manichäisch” sollte – aus seinem Wesensmotiv heraus – eher die Bedeutung zuerkannt werden, dass die Liebe das Böse umforme. Wenn der radikale Dualismus der Grund ist auf dem der Doketismus entsteht, dann ist es wichtig, erst den radikalen Dualismus und dann den Doketismus in der manichäischen Christologie zu widerlegen.

Im 4. A Kapitel: Gnostischer Adoptianismus in der manichäischen Christologie, wird die Arbeitshypothese, dass der Doketismus in der manichäischen Christologie bestritten werden muss und die Arbeitshypothese des Adoptianismus in der manichäischen Christologie, beschrieben. Dieses Kapitel ist der Kern der Dissertation, denn darin bestreite ich den Doketismus und gleichzeitig stelle ich den Adoptianismus als eine Interpretation hin, die möglicherweise eine Auflösung der Gegensätze herbeiführen kann, die darin bestehen, dass einerseits behauptet wird Jesus sei nicht der Sohn der Maria und sei auch nicht geboren worden und andererseits, dass Jesus wirklich geboren wurde gelitten habe und am Kreuz gestorben sei. Das ist Doketismus und gleichzeitig auch kein Doketismus. Es war für die Manichäer unvorstellbar, dass das makrokosmische Licht der Welt, durch das annehmen einer irdischen Gestalt, neun Monate lang in einer embryonalen Entwicklung verdunkelt gewesen sein soll. Das ist Doketismus. Auf der anderen Seite behaupten die Manichäer, dass von einem wirklichen Leiden des Jesus Christus gesprochen werden kann.

Es gibt die unterschiedlichsten, westlichen und östlichen manichäischen Quellen, in denen Passagen zu finden sind, die deutlich machen und sehr stark betonen, dass Jesus Christus wirklich gelitten hat. Gegen die doketische Auffassung, dass Christus nur in einem Scheinleib gelebt hat und darum auch nicht gelitten hat, sprechen die westlichen Quellen. Vor allem in der “Coptica”, können mehrere Stellen gefunden werden in denen beschrieben wird, dass der Erlöser am Kreuz wirklich als Mensch gelitten habe. Als Beispiel kann der Psalm vom Vertragen aus dem manichäischen Psalm-buch angeführt werden, in dem das Leiden des Christus verglichen wird mit dem Leiden anderer Lichtapostel zum Beispiel des Buddha und des Zarathustra, von denen wir sicher wissen, dass sie, nach Manis eigener Anschauung, in einem menschlichen Leib gewohnt haben. Von Jesus dem Lichtapostel und dem Sohn Gottes wird da gesagt, dass er die Prüfung auf sich genommen habe, getötet zu werden und am Kreuz sein Blut fließen zu lassen. Dies kann aber kein Sohn Gottes sein, der nur einen geistigen Leib hat.

Auch in den östlichen Quellen, den mittelpersischen und parthischen Texten, sind Passagen zu finden, die das wirkliche Leiden des Jesus Christus ins Licht rücken. Wie kann nun diese Problematik des manichäischen Christentums gelöst werden?

Ich fand den Schlüssel zu einer neuen Sichtweise der manichäischen Christologie, in einer Aussprache des Bischofs Faustus, die er gegen die Auffassung Augustinus stellte und in der er sagt, dass die Menschwerdung des Christus eher in Zusammenhang gebracht werden müsse mit dem Adoptianismus und nicht mit der Geburt als Kind. Adoptianismus ist die Auffassung, dass Christus den Menschen Jesus im Moment der Taufe im Jordan adoptiert oder sich in dem Augenblick in ihn inkarniert habe, was eine wirkliche Menschwerdung ist.

Um diesen Adoptianismus von dem des Nestorius zu unterscheiden, sprechen wir hier von dem gnostischen Adoptianismus.

Mithilfe dieser neuen Sichtweise können wir auch die Gegensätze der Anschauungen auflösen: vor der Taufe im Jordan ist Christus oder (der kosmische) Jesus der Sonnenglanz nicht der Sohn der Maria und macht er auch keine embryonale Entwicklung durch, denn Christus hat sich erst im Moment der Taufe im Jordan in den historischen Lichtapostel Jesus inkarniert. Vor der Taufe im Jordan gilt die Auffassung des Doketismus, nach der Taufe nicht mehr. Wenn aber in einigen Texten über die Periode nach der Taufe gesagt wird, dass Jesus Christus nicht wirklich gelitten habe, dann hat das mit einer speziellen Auffassung des Mani zu tun. Denn Mani hat besonders das göttliche des Jesus des Sonnenglanzes betont, darum wird in den manichäischen Texten das göttliche Geschütztsein gegenüber dem menschlichen Leiden von Jesus Christus noch nach der Taufe besonders hervorgehoben. Dies ist der Grund aus dem die Suggestion eines Doketismus entstanden ist. In der manichäischen Christologie ist aber die göttliche und menschliche Natur des Jesus Christus so zu verstehen, dass Jesus der Sonnenglanz sich, im Augenblick der Taufe im Jordan, verkörpert im historischen Jesus und dadurch Mensch wird; zwei werden eins. Dadurch wird auch die Bedeutung verständlich von dem, was in der Kephalaia steht, dass Jesus der Sonnenglanz “eine Knechtsgestalt annahm” und danach seine Apostel aussuchte; das ist erst nach der Taufe im Jordan. Ab diesem Zeitpunkt “wanderte Gott drei Jahre auf der Erde”. So steht es auch in der Coptica. Es kann vielleicht auch so aufgefasst werden, dass während der Taufe im Jordan eine geistige Form in eine konkret menschliche Form übergegangen sei.

Jesus “der seine Gestalt verändert” ist aber kein Merkmal eines Doketismus, wie gedacht war, sondern weist auf eine wirkliche Inkarnation hin.

Hilfreich ist auch die Szene aus der manichäischen Christologie, in der Maria Magdalena glaubt, nach der Auferstehung, einen Gärtner zu sehen, denn das bedeutet hier, dass Jesus Christus eine Veränderung durchgemacht hat; Maria erkannte ihren geliebten Rabbi nicht sofort. Ein doketischer Christus macht keine Veränderung durch, er bleibt für immer, bis in alle Ewigkeit, derselbe. Dies ist ein Grund anzunehmen, dass der Jesus Christus der manichäischen Christologie wirklich gestorben und vom Tod auferstanden und in einem Auferstehungsleib erschienen sei. Die Manichäer sprechen auch von einer erneuernden Kraft der Auferstehung, die bis in die individuelle Vollendung des Einzelnen hindurch wirke. Durch das Anerkennen von Tod und Auferstehung des Jesus Christus in der manichäischen Christologie kann der Manichäismus bis in seinen Kern hinein christlich genannt werden.

Das 4. A. Kapitel ist erweitert durch Kapitel 4. B.: Beilagen (die zur manichäischen Christologie gehören).

Kapitel V: Die Emanationsebenen der Trinität. Hier wird auf systematische Weise die manichäische Christologie angeschaut und eingeteilt in drei Emanationsebenen der Trinität und in die Schöpfungen der Trinität mit vierundzwanzig Gottesgestalten. Dieser Teil ist als eine erweiterte Beschreibung der manichäischen Christologie zu verstehen.

Kapitel VI: Die Entdeckung eines manichäischen Tempels in Nordspanien. Hier beschreibe ich meine Entdeckung eines manichäischen Tempels Santa Maria de Lara in Sierra de la Demanda in Nordspanien. Im Jahre 2008 war ich in der Visigotischen Kirche aus dem 7. Jahrhundert, als ich in ihr, zu meiner großen Überraschung, zwei Säulen entdeckte auf denen Jesus die Sonne (Sol) und Jesus der Mond (Luna) abgebildet waren. Sonne und Mond standen hier nicht über Jesus, sondern waren mit ihm vereint; das ist eine manichäisch Sichtweise. Doch diese Ansicht war für Augustinus spiritueller Materialismus und er warf Mani vor, dass auf diese Weise Gott mit Sonne und Mond zusammenfällt. Doch bei Mani transzendiert Christus auch die Sonne und den Mond in die zweite Person der Trinität. Dies ist, der durch Mani so genannte, Jesus der Sonnen – Mondgott oder Christus, der in Jesus Mensch geworden ist bei der Taufe im Jordan.

Kapitel VII: Schlussfolgerungen

Dieser Teil beinhaltet die Präsentation der einzelnen Resultate meiner Forschungen, deren Anliegen es ist, das sechzehn Jahrhunderte alte Vorurteil über den radikalen Dualismus und den Doketismus im Manichäismus, der bis in die Gegenwart in allen Enzyklopädien und Handbüchern postuliert wird, zu überwinden und den Manichäismus als eine – bis in die tiefsten Fasern hinein – wirklich christliche Strömung zu rehabilitieren.

Radikaler Dualismus und Doketismus sind nicht der Kern der manichäischen Kosmologie und Christologie. Der Kern des Manichäismus formt vielmehr die Überzeugung, dass das Gute in der Liebe das Böse überwindet und das das Wesen der Liebe sich mit der Erde und mit der Menschheit verbunden hat.

Diese Auffassung bildet eine Perspektive, durch die sich ein zukünftiger Manichäismus inspirieren lassen kann.’

2 opmerkingen:

Robert Kelder zei

Gefeliciteerd Roland Vliet. Nu nog een dissertatie over de twee Jezuskinderen, waarvan het hopelijk binnenkort verschijnende boek "De Jezusmysteriën" van Werner Greub een aanloop is. In Vliets proefschrift wordt wel naar Jezus als kind van Maria gewezen, waaronder het Nathanische kind uit het Lucas-evangelie kan worden verstaan. Maar natuurlijk zou het te ver gaan om dat mysterie in zijn proefschrift erbij te halen.

matthijs zei

Roland vraagt, met als voorbeeld de onderstaande citaten, véél van mijn 'ongedeelde aandacht'om niet in een teweeggebrachte denk-spagaat te geraken.
Door rap de tegenwoordigheid van geest te herstellen,alvorens voorgoed te splitsen, meen er goed aan te doen deze teksten spoedig te verlaten, eer ik ongewild een bijdrage zou moeten gaan leveren aan de stijging van de geestelijke gezondheidskosten.

Vóór de doop in de Jordaan is Christus (of Jezus de Zonneglans) niet de zoon van Maria en ná de doop is Christus geïncarneerd in de "historische Jezus de Lichtapostel". of

Gnostischer Adoptianismus in der manichäischen Christologie
en Het manicheïsme is een wereldreligie geweest die zich uitgestrekt heeft van Spanje tot China en is gesticht door Mani, die in 216 werd geboren in Zuid-Babylonië en stierf in het jaar 276 in Perzië.
Roland geeft niet de bron weer, waar Rudolf Steiner bij de bespreking van het Lukas evangelie, duidelijker en in toegankelijker taal aangeeft, waar Mani of Manes de grondlegger van afstamt en zijn rol is en welke wegen zich daaruit voortzetten.

In de vroege na-atlantische tijd vormen allochtonen en wat oudere achtergebleven autochtonen, onder leiding van Manu,innovative cultuurcentra, enige tijd later mond dit dan uit in het Goetheanum.

Maar nu nog stevig gearchiveerd in Michel's blog met Roland en de Vrije Universiteit in Amsterdam als tussenhalte.

Indachtig Robert Kelder,huist in de bibliotheek van de VU, nog een proefschrift met een mysterie, voer voor latere ontdekkers!

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Volgen op Facebook


Translate

Volgers

Herkomst actuele bezoeker(s)

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code

Gezamenlijke antroposofische agenda (in samenwerking met AntroVista)