Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

zondag 8 september 2013

Geestgeboorte


AntroVista heeft het al sinds donderdag 5 september op zijn website staan. Maar ik put uit de website van de Christengemeenschap zelf, die op dezelfde dag ‘Overlijden Arie Boogert’ bekend maakte, ‘Gepubliceerd op 5 september 2013’:
‘Op woensdag 4 september 2013 is, na een ingrijpende operatie, in het Bronovo-ziekenhuis in Den Haag overleden Arie Willem Boogert, emeritus-geestelijke in de Christengemeenschap. Arie Boogert werd op 26 januari 1933 in Bandoeng (Java) geboren en op 12 juli 1959 in Stuttgart door Emil Bock tot priester gewijd. Hij werkte – tot zijn emeritaat in 2004 – in Hamburg, Rotterdam, Den Haag, Zeist, Sydney, Denver en Boston.

Hij is auteur/redacteur van o.a. de volgende bij Christofoor uitgegeven boeken:
“De Christengemeenschap – een monografie” (1981)
“Bij het sterven van kinderen” (1981)
“Spreuken, gedichten en liedjes voor kinderen” (1987)
“Altijd scheiding. Altijd weer begroeten – over het sacrament van de stervenswijding” (1991)
“Het Onze Vader” (1996)

De uitvaartdienst met aansluitend de begrafenis vindt plaats op maandag 9 september, 13.30 uur op de Oosterbegraafplaats, Rodelaan 64, 2272 BB Voorburg. De Mensenwijdingsdienst voor de overledene wordt gehouden op zaterdag 14 september om 10.00 uur in de Thomaskerk, Den Haag.’
Ik zocht meer informatie over hem op internet, maar heb die nauwelijks kunnen vinden. Het meeste nog over de boeken die hij schreef of waar hij bij betrokken was. Een van zijn eerste boeken moet ‘Spreuken, gedichten en liedjes voor kinderen’ zijn geweest, waarvan trouwens volgende maand een volledig nieuwe herdruk verschijnt. ‘De Boekensalon’ noemt zelfs 1975 als verschijningsjaar. Dit is de recensie bij de uitgave uit 1985:
‘Naast de spreuken en gebeden voor moeder en kind van Rudolf Steiner bevat dit boek spreuken voor bij de maaltijden en spreuken en gedichten voor allerlei bijzondere gelegenheden. De gedichten bij de kringloop van het jaar en de daarbij behorende feesten vormen een rijk geschakeerde en unieke keuze. Meer dan 150 liederen voor avond en morgen, voor de feestgetijden van het jaar en voor andere gelegenheden, besluiten deze zeer verzorgde uitgave, die in deze vorm in geen gezin zou mogen ontbreken als begeleiding van ouders en opvoeders, die kinderen naar hun volwassenheid leiden.

Boekrecensie: Verscheen in 1975 zonder “gedichten”. De omvang is meer dan verdrievoudigd èn meer teksten op 1 blz. De spreuken en de gedichten hebben een aparte inleiding en de liedjes ook. Men richt zich tot de ouders en opvoeders, opdat deze het kind al van voor de geboorte af begeleiden in zijn ontwikkelingsgang door verschillende “geboortes” tot de beginnende ziele-geboorte. Duidelijk is de inspiratie door de antroposofische leringen van Rudolf Steiner van wie diverse spreuken zijn opgenomen, die binnen- en buitenwereld verbinden. Men betracht een ritme: dag/nacht, een jaarkring met de feesten. Daarbij maakt men ook gebruik van bijbelse noties. Veel gedichten van geestverwanten zijn opgenomen, ook in vertaling. Men kan daarnaast zulke onderscheiden, waarin men iets herkende maar die niet met dezelfde bedoeling werden geschreven. Naast veel van Verwey bijv. veel van Ida Gerhardt. In alle afdelingen eenvoudige aanvang gaande tot 14-jarigen. Die krijgen ook canons en vreemde talen te zingen. Voor gezins- en ander verband, vooral voor de “Christengemeenschap”.’
Bol.com geeft als nieuwe verschijningsdatum ‘oktober 2013’ aan, met deze recensie van W. van Es-Kik:
‘Deze bundel bevat spreuken voor moeder en kind van Rudolf Steiner. Het gaat daarbij vooral om gebeden en tafelspreuken voor jonge en oudere kinderen. Daarna volgt een keuze aan teksten en gedichten o.a. van Ida Gerhardt, Judith Herzberg, Verwey en Vasalis die bij bepaalde gelegenheden zoals bij de maaltijd en bij het wakker worden en slapen gaan, kunnen worden opgezegd. Ook voor de jaarfeesten en de maanden van het jaar is een belangrijke plaats ingeruimd. In het laatste gedeelte van de bundel staan de liedjes (met muziek) die mede ten doel hebben de muzikale ontwikkeling van het kind te bevorderen. Ze zijn gerangschikt naar onderwerp en leeftijd; de richtlijnen die gevolgd zijn, komen overeen met het muziekonderwijs dat op de Vrije Scholen wordt gegeven. Bevat een verantwoording van de teksten en liedjes, een lijst van titels en beginregels van de liedjes en een lijst van auteurs en componisten. Een goede bron van inspiratie, vooral voor ouders en leerkrachten van de Vrije Scholen.’
Dan hebben we ‘In de stroom van het jaar’, waarbij Bol.com als co-auteur Maarten Udo de Haes aangeeft en als jaar van verschijnen juni 1993. De Boekensalon schrijft:
‘De zgn. “Christengemeenschappen” proberen, vooral geïnspireerd door Rudolf Steiner, een beweging te vormen voor religieuze vernieuwing. Samen met antroposofen streven ze naar een herwaardering van het esoterische Christendom. Het hoofddeel van dit boek bestaat uit een jaaroverzicht van christelijke kalenderfeesten en feestgetijden. Bij elk feest wordt een toelichting gegeven, een bezinningstekst, een bespreking van epistel en evangelie, waarna een aantal religieuze gedichten volgt en een reeks beschouwingen rond figuren die in die periode “gevierd” worden. Het boek wordt ingeleid door een heldere beschouwing over het beleven van de (religieuze dimensie van de) tijd en sluit af met een verhaal over tijd en eeuwigheid en de relatie met de overledenen. Het munt niet alleen uit door een sobere en geslaagde vormgeving, maar is ook inhoudelijk voor religieus geïnspireerde lezers zeer genietbaar.’
Volgens Bol.com is uit augustus 1996 ‘Het Onze Vader’. De Boekensalon geeft eerst een samenvatting van de inhoud:
‘Waarom bidden we? Wanneer bidden we? Welke woorden spreken we dan? Op deze vragen probeert Arie Boogert, aan de hand van de beden die samen het Onze Vader vormen, in dit boek een antwoord te vinden. Wie bidt wendt zich tot een hogere macht, tot een wereld die de onze te boven gaat. Maar vaak gaan we pas bidden als er een gerede aanleiding voor is. Moeilijkheden, tijden van nood stellen ons soms voor problemen en vragen waarvoor we geen antwoord vinden in onze wereld van alledag. Maar bidden is meer dan alleen een vragen om hulp in de nood. De zekerheid groeit dat we er zonder hulp niet komen, maar anderzijds komt er ook een moment waarop we ons afvragen wat we terug kunnen doen. Hebben wij, heeft de mens God iets te bieden? Het Onze Vader maakt duidelijk wat de mens God te bieden heeft. Voorafgaand aan de uitgesproken “vragende” beden die beginnen met het “Geef ons heden”, bidden we een ander soort beden, beden die de Vader zelf betreffen, beden die zijn werkelijkheid binnenroepen in onze werkelijkheid, beden die deze werkelijkheid bekrachtigen. Had de mens God niets te bieden, dan zou het hele Onze Vader zonder zin zijn. Het gebed is eigenlijk een voortdurend gesprek, een gesprek niet tussen mensen, maar tussen de mens en de godheid. En zoals bij elk gesprek vraagt dit ons dat wij luisteren, luisteren naar wat tot mij komt, als ingevingen, als situaties die ik op mijn weg vind, in de dingen die er zoal gebeuren tussen mensen. Zo, luisterend, kan ik proberen in mijn gebed te spreken tot Een die luistert. Dan wordt mijn gebed meer dan alleen de opwelling van een ogenblik, dan krijgt het een weerklank, dan zal het mij gemakkelijker vallen een echo te horen.’
De ‘Biblion recensie’ is geschreven door Dr. H.S. Verbrugh:
‘De auteur is al vele jaren geestelijke in de Christengemeenschap, een beweging voor religieuze vernieuwing die stoelt op de antroposofie van Rudolf Steiner; hij heeft al verschillende andere boeken geschreven. In dit boek werkt hij uit hoe het bekende christelijke gebed “Onze Vader” gelezen, geleerd en gepraktiseerd wordt in het raamwerk van de uitvoerige, diepzinnige en originele beschouwingen die Steiner heeft gegeven over leven en leer van Christus en alles wat daarmee samenhangt. Het boek is tevens geschikt als eerste oriëntatie in de denk- en belevingswereld van de Christengemeenschap en aangezien deze beweging niet een geijkte theologie, laat staan een dogmatiek kent, is deze ruimere functie van belang. Wèl vragen begrip en waardering van dit boek bij de lezer een zekere gevoelsmatige vertrouwdheid met de denktrant van de antroposofie en/of de Christengemeenschap.’
Oktober 1998 wordt aangegeven als verschijningsdatum van ‘Daar sta je dan met je goeie gedrag’. De Boekensalon legt uit:
‘De auteur neemt ons als het ware mee op een speurtocht naar de realiteit waarbinnen zowel natuur als menselijke moraliteit hun plaats hebben, het zichtbare en onzichtbare, buitenwereld en binnenwereld, alsook de mens als groeiend geestelijk wezen, die door zijn “geloof” nieuwe realiteiten bereikt, wanneer het hem althans lukt de eigen grenzen en die van zijn leefwereld te doorbreken.’
Bol.com noemt dit:
‘Een boeiende studie over de omvorming van gevoelens van vervreemding of van een identiteitscrisis in innerlijke krachten en innerlijke groei.’
De ‘Biblion recensie’ is van J. Tietema-van der Sommen:
‘Elk mens vraagt zich wel eens af: “wat doe ik hier?” Je bekijkt jezelf van buitenaf. Arie Boogert neemt ons mee op een zoektocht naar hoe die gevoelens van vervreemding en vereenzaming omgevormd kunnen worden tot positieve krachten; tot innerlijke groei. Met verhalen uit de bijbel en andere bronnen illustreert hij hoe we omhuld worden door het geestelijke, hoe we grenzen kunnen doorbreken en nieuwe realiteiten kunnen bereiken. Het is een boek om te bestuderen, dat verrassende en nieuwe ideeën geeft over biijvoorbeeld geloven en hemelvaart. Hij plaatst je in één groot geheel, van verleden en toekomst; van zichtbaar en onzichtbaar; van binnen en buiten laat hij zien dat de mens een “groeiend” geestelijk wezen is dat door zijn “geloof” (aanhalingstekens zijn belangrijk!) nieuwe realiteiten kan bereiken. A. Boogert is priester in de Christengemeenschap. Een van zijn inspiratiebronnen is de antroposofie. Verder schreef hij “Bij het sterven van kinderen” en “Onze doden: Rudolf Steiner over het omgaan met dood en sterven”.’
Voordat we naar die twee genoemde boeken overschakelen, eerst nog ‘Altijd scheiding, altijd weer begroeten. Over het sacrament van de stervenswijding in de Christengemeenschap’ van november 1990. Bij Bol.com staat dit te lezen:
‘Op een bepaald moment krijgt de dood een heel persoonlijk gezicht. Dat ook ik zal sterven is dan niet meer de algemene waarheid, voor “later”. Dit heeft voor ons niet alleen allerlei praktische consequenties, het vraagt vooral om een zekere levenskunst: de dood voortaan te accepteren als deel van het leven. Voor de stervende, maar ook voor allen er omheen wordt het probleem van het “hierna” actueel en dwingend. Hoe concreet kan het geleide bij de dood worden, van de zijde zijde van mensen, van de zijde van Christus? Maar de stervensbegeleiding is meer dan de laatste dienst aan de stervende; zij vindt haar noodzakelijke voortzetting in de eerste dienst aan de dode en aan de eeuwige individualiteit. Hoe gaan wij met het sterven om? Met de eigen komende dood, met het sterven van mensen die ons nà zijn? Dit boekje gaat op deze vragen in aan de hand van de sacramentele en rituele diensten die in de Christengemeenschap bij het sterven worden gehouden: de stervenswijding, het ritueel bij de begrafenis of crematie en de dienst voor de overledene in de vorm van de dagelijkse eredienst, de mensenwijdingsdienst.’
De ‘Biblion recensie’ is van R. de Winter:
‘In het kerkgenootschap De Christengemeenschap wordt rondom het sterven een aantal sacramentele en rituele diensten gehouden: de stervenswijding, het ritueel bij de begrafenis of de crematie en de dienst voor de overledene in de omlijsting van de dagelijkse eredienst, de Mensenwijdingsdienst. Aangezien karma en reïncarnatie in De Christengemeenschap centraal staan, krijgt de kijk op de dood een geheel andere dimensie dan traditioneel het geval is. Dood moet volgens de auteur geaccepteerd worden als deel van het leven. De thema’s die hij behandelt, zijn gegroepeerd rond drie uitgangspunten: scheiding (het doodgaan, stervensbegeleiding, opbaring, begrafenis of crematie), begroeten (het “leven” na de dood), het “omgaan” met de gestorvenen in de eredienst en het rouwproces van de nabestaanden) en ontmoeten. In een korte aantekening wordt ingegaan op euthanasie. Het boekje maakt deel uit van een serie over de zeven sacramenten in De Christengemeenschap.’
Dan dus ‘Bij het sterven van kinderen’, dat volgens de Boekensalon in 1991 verscheen. Bol.com geeft februari 2011 aan. De ‘Biblion recensie’ van R. de Winter luidt aldus:
‘Dit boek is bedoeld als handreiking aan iedereen die met kinderen te maken heeft, waarbij in de eerste plaats is gedacht aan ouders, die te maken krijgen met ziekte en dood van een kind. Dood betekent voor kinderen vaak iets anders dan voor volwassenen, omdat zij als het ware nog dichter bij de wereld waaruit zij komen, leven. De auteur beschrijft die verschillen in beeldende taal. Hij staat uitvoerig stil bij de stervensbegeleiding en gaat in op wat het betekent als een kind sterft en in het bijzonder als het je eigen kind betreft. Het tweede gedeelte van het boek bevat citaten uit het werk van Rudolf Steiner, de grondlegger van de antroposofie, over het thema sterven. Daarna volgen gedichten, sprookjes en verhalen waarin de dood een rol speelt. Met dit beeld raken kinderen in hun jeugd door (voor)lezen bekend. Wat dit boek zo bijzonder maakt, is de directe taal waarmee Boogert de lezer benadert. Geen abstracte, afstandelijke benadering, maar het wijze woord van een vriend, die weet wat het verlies van een klein mensje betekent. Bevat noten en literatuurverwijzingen.’
‘Onze doden’ verscheen volgens Bol.com in april 1992. De Boekensalon geeft deze samenvatting van de inhoud:
‘De dood brengt verlatenheid. De stervende zal zijn lichaam achterlaten, de gestorvene betreedt een bovenzinnelijke wereld. Het rouwproces van nabestaanden en vrienden is voortdurend in verandering, zowel vóór als tijdens de begrafenis en ook daarna. Hoe kunnen wij de band met de gestorvene leggen en onderhouden? Rudolf Steiner sprak, door de jaren heen, veelvuldig over de dood en alles wat deze voor de levenden en voor de gestorvenen kan betekenen. Zijn geesteswetenschappelijke ervaringen en inzichten verlenen de aanwijzingen die hij gaf een verrassende spirituele directheid. Wij levenden kunnen met zijn meditatieve spreuken en gebeden de doden begeleiden op hun weg in de werelden van de geest.’
En deze Boekrecensie:
‘In de antroposofie, de wereldbeschouwing die door Steiner werd ontwikkeld en uitgewerkt, nemen de dood en het leven na de dood een belangrijke plaats in. Steiners opvattingen zijn echter in diens werk zeer verspreid en derhalve moeilijk als geheel toegankelijk. Boogert heeft de niet geringe taak op zich genomen een overzicht te geven van dit fascinerende onderwerp. Hij vat de antroposofische gezichtspunten samen ten aanzien van het gestorven zijn, de wereld na de dood (o.a. de eerste dagen na het sterven), het verschil tussen begrafenis en crematie voor de gestorvenen, alsook de omstandigheden waarin iemand kan sterven (het “gewone” sterven, het plotseling uit het leven weg geroepen worden, zelfmoord). Bijzondere aandacht besteedt de auteur aan de band tussen levenden en gestorvenen en geeft aan hoe aan die verbinding inhoud kan worden gegeven. Hij gaat ervan uit dat de lezer reeds kennis van de antroposofie heeft opgedaan. Alhoewel de tekst op zich niet moeilijk is geschreven, is de inhoud zonder die kennis niet goed te begrijpen.’
Bol.com vult hierop aan:
‘“Onze doden” geeft, in veertien hoofdstukken samengevat, een vaak dringend noodzakelijke hulp – al dan niet in de vorm van meditatieve spreuken en gebeden – aan allen, die op een verantwoorde en reële wijze met sterven en dood willen omgaan.’
De ‘Biblion recensie’ is van Dr. H.S. Verbrugh:
‘De auteur is een van de oudste Nederlandse geestelijken in De Christengemeenschap, de beweging voor religieuze vernieuwing die in hoge mate vanuit de antroposofie geïnspireerd is. Hij heeft zich het werk van Rudolf Steiner grondig eigen gemaakt, heeft ook lange tijd als geestelijke in Amerika en elders gewerkt en is auteur van meer boeken. In dit boek heeft hij zijn vertrouwdheid met wat Steiner heeft geleerd over het bestaan na de dood geïntegreerd met zijn tientallen jaren ervaring in de omgang met stervenden en nabestaanden van overledenen. Op basis daarvan schetst hij in veertien hoofdstukken even zovele facetten van hoe wij levenden ons begrip kunnen vormen over wat ons na de dood te wachten staat en hoe wij een relatie kunnen ontwikkelen met overledenen. Anders dan met andere boeken in deze sfeer vaak het geval is, hoeft de lezer niet van zich zelf al vertrouwd te zijn met de antroposofie of met dit thema in het bijzonder. Uit de stijl en het woordgebruik spreekt een unieke mix van esoterische ernst, betrokkenheid bij de lezer en gevoel voor wat gewone mensen in het alledaagse leven beweegt.’
Bij zijn uitgever, Christofoor, worden alleen twee andere boeken vermeld, in ieder geval met een andere titel dan bovenstaande. Dat is ten eerste ‘Ons voorland. Rudolf Steiner over het leven na dit leven’ uit oktober 2000:
‘In dit boek brengt Arie Boogert vele facetten in kaart van Rudolf Steiners inzichten in het leven dat volgt op de dood en voorafgaat aan de nieuwe geboorte. Ingebed in een spirituele menskunde komen onder meer aan bod: de gang door de werelden van ziel en geest, de bemoeienissen van de engelen bij het verwerken van het afgelopen leven en de voorbereiding van het volgende, lotsvorming, continuïteit met jezelf.’
De ‘Biblion recensie’ van J. Tietema-van der Sommen luidt als volgt:
‘Rudolf Steiner, grondlegger van de antroposofie, heeft in vele gesprekken, voordrachten en boeken het leven na dit leven beschreven. Arie Boogert brengt al deze inzichten samen en neemt de lezer mee op een eerste verkenningstocht in een wereld waar we meestal aan voorbij gaan. Na een uitgebreide inleiding, waarin een aantal antroposofische begrippen word uitgelegd, gaan we op weg door de verschillende sferen van de geest, de ziel, de engelen, de zon en de maan, tot we op het punt komen dat het leven na de dood overgaat in het leven voor de geboorte. Wat de gestorvene beleeft, staat centraal. Ook wordt de vraag hoe je als mens omgaat met dit leven tussen dood en geboorte behandeld. Wat je zou kunnen doen voor de gestorvenen en hoe je je kunt voorbereiden. Het boek vormt een mooi vervolg op “Onze doden” en voor ieder die zich bezighoudt met dood en leven, is het een aanrader. Steiners inzichten zijn op een goede wijze toegankelijk gemaakt. Er zijn een uitgebreide bronvermelding en literatuurlijst opgenomen en een aanhangsel waar nog op bijzondere bijkomende zaken wordt ingegaan, bijvoorbeeld zelfmoord. Boogert is geestelijke in de Christengemeenschap in Boston.’
En ten tweede ‘Met de doden leven’ uit april 2010. Bol.com geeft als samenvatting:
‘Hoe kunnen we vanuit ons bewustzijn, in de geest de brug slaan naar de gestorvenen met wie wij de geestelijke dimensie van ons bestaan delen? Hoe bereiken wij hen? Arie Boogert laat in dit boek zien welke weg hiertoe bewandeld kan worden. Het boek bevat naast veel verhelderende ervaringen van tijdgenoten ook concrete oefeningen, gebeden en meditaties, die ons kunnen helpen een duurzame en bewuste verbinding op te bouwen met degenen met wie we nog altijd nauwe banden hebben.’
Drs. M. Ploeger schreef deze recensie:
‘Als priester van de Christengemeenschap biedt Arie Boogert (1933) ons een verrassend praktische routebeschrijving naar concrete omgang met (dierbare) gestorvenen. Hij gaat uit van Rudolf Steiners beschrijvingen van wat de gestorvene in de geestelijke wereld doormaakt. Nauw aansluitend hierop geeft Boogert tal van oefeningen, spreuken, gebeden en meditaties waarmee je twee doelen tegelijk kunt dienen. Ten eerste: de gestorvene effectief ondersteunen bij diens “binnen groeien” in de geestelijke wereld. Ten tweede: jezelf in de relatie tot de overledene ontvankelijk maken voor eigen geestelijke ervaringen en waarnemingen. Voor wie ervoor open staat, is deze “handleiding” met veel voorbeelden van getuigenissen uit eigen kring en uit de literatuur zeer toegankelijk. De context van het antroposofisch mens- en wereldbeeld wordt kernachtig en raak geschetst. Deze vormt de rode draad, waardoor de vele uiteenlopende voorbeelden hun samenhang krijgen. Het boek is vlot geschreven. Met een ruim notenapparaat.’

woensdag 4 september 2013

Tegengeluiden

Ik heb toch wel interessant nieuws. De NVAZ (Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders) maakt op haar website een ‘EO-reportage antroposofie en vaccinatie’ bekend:
‘Op woensdag 4 september 2013 om 20.30 uur zal (in principe, actualiteit kan dat altijd veranderen) op Nederland 2 in De Vijfde Dag van de EO een reportage uitgezonden worden met als onderwerp Antroposofie en vaccinaties. Madeleen Winkler, huisarts en CB arts in Gouda heeft hieraan meegewerkt.’
Die begintijd klopt niet; dat moet 21.10 uur zijn. [Update 17.30 uur: Foutje van mij: het begint toch om 20.25 uur. Eerder stond die andere tijd op de website, maar nu niet meer. Misschien was het vorige week om die tijd? MG] En de reportage zit zeker in het programma. Want Hans van der Steeg, ‘Reporter Dutch TV “De vijfde dag”’, liet gisteren via twitter (@hansvandersteeg) weten:
‘Niet alleen streng gelovigen laten hun kinderen niet vaccineren tegen mazelen. Ook antroposofen hebben bezwaren. Waarom? Woe in #devijfdedag

Update 17.45 uur:

Inmiddels staat op de website van ‘De Vijfde Dag’ deze toelichting, getiteld ‘Waarom antroposofen hun kind niet inenten’:
‘Kinderen niet inenten zou het risico op kanker verminderen. Antroposofen hebben zo hun eigen opmerkelijke beweegredenen om hun kinderen niet in te enten. “Vertrouw op het eigen afweersysteem.”

Er klonk alom verbazing en protest toen de mazelenepidemie afgelopen maanden losbarstte en mensen uit reformatorische kringen standvastig voor hun overtuiging bleven staan dat God volgens hen niet toestond om kinderen in te enten. Maar zij zijn niet de enige die fel tegen inenten zijn.

In De Vijfde Dag een portret van antroposofen. Want ook in die groep leven grote bezwaren tegen vaccinaties. Wie zijn zij en waarom enten zij hun kinderen niet in?

Kanker

We spreken onder meer met de antroposofische huisarts Madleen Winkler die ook voorzitter is van de Nederlandse Vereniging voor Antroposofische Artsen. Bij deze vereniging zijn 150 artsen aangesloten. Als Winkler met ouders praat, legt ze hen de voor- én nadelen uit van inenten. Daarbij betrekt ze een opmerkelijke stelling: niet inenten zou de kans op kanker verkleinen. Dat baseert ze op een wetenschappelijk artikel.

Maar klopt dat ook? We leggen haar verhaal voor aan Jaap van Dissel, directeur infectieziektenbestrijding van het RIVM.

Onnatuurlijk

En we bezoeken het echtpaar Matthias en Eline van Oostwaard. Samen met hun drie (niet-ingeënte) kinderen leven zij op hun biologische dynamische boerderij. “Ik wil niet iets onnatuurlijks in mijn kind gespoten hebben.”’

Update 18.15 uur:

Ik moet dit er nog aan toevoegen (staat ook op de website van ‘De Vijfde Dag’):
‘RIVM verwacht 30.000 mazelenpatiënten
Antroposofisch arts: “Niet-vaccineren verkleint kans op kanker”

Het RIVM verwacht dat uiteindelijk 30.000 Nederlanders de mazelen zullen krijgen. Dat zegt directeur Infectieziektenbestrijding prof. dr. Jaap van Dissel vanavond in het programma De Vijfde Dag (EO).

Van Dissel is de opvolger van de bekende epidemioloog Roel Coutinho, die afgelopen juni vertrok bij het RIVM.

Het RIVM heeft nu enkele duizenden gevallen van mazelen geregistreerd. Volgens Van Dissel leren eerdere epidemieën dat het werkelijke aantal ziektegevallen tien keer zo hoog is. Hij denkt daarom dat tussen de twintig- en dertigduizend personen de mazelen zullen krijgen. “We verwachten (...) dat deze epidemie dezelfde grootte zal krijgen als de vorige epidemie”. De piek zal dit najaar zijn, aldus Van Dissel.

Minder kans op kanker

In de media was tot nu toe veel aandacht voor de mazelenepidemie onder orthodoxe christenen, omdat die inenting afwijzen. De Vijfde Dag portretteert vanavond de andere groep Nederlanders die bekend staat om haar bezwaren tegen inenten: de antroposofen. In de reportage komt dr. Madleen Winkler, antroposofisch huisarts en voorzitter van de Vereniging van Antroposofisch Artsen aan het woord. Bij haar vereniging zijn 150 artsen aangesloten. Veel antroposofen kiezen ervoor hun kinderen niet te vaccineren tegen ziektes als de mazelen.

Winkler stelt in de reportage dat niet-vaccineren de kans op het krijgen van kanker verkleint. Zij baseert zich daarbij op een artikel dat in 2006 verscheen in een voorloper van het wetenschappelijke tijdschrift “Cancer Epidemiology”, een uitgave van Elsevier.

Winkler: “In de groep die mazelen doorgemaakt heeft, komt minder kanker voor dan in de groep mensen die ingeënt is. Dan trek je dus de conclusie dat het doormaken van acute infecties waarschijnlijk een beschermende factor is waardoor je krachtiger in je immuunsysteem komt en bijvoorbeeld ziektes als kanker zich minder snel ontwikkelen”.

Onverstandig

Van Dissel van het RIVM noemt de uitspraak van Winkler “onverstandig”. Van de zeven studies die in het artikel besproken worden, geven er zes aan dat er geen verband is tussen vaccineren en het krijgen van kanker. Van Dissel: “Het lijkt een voorbarige conclusie van Winkler te zijn”.’

Ander interessant nieuws gisteren in ‘De Nieuwsbode Heuvelrug’, namelijk ‘Antroz en Warande samen?
‘Stichting Antroz en Stichting Warande gaan de mogelijkheden onderzoeken om op korte termijn tot een fusie te komen.

Tot Stichting Antroz behoren verzorgingshuis Huize Valckenbosch en Valckenhof-woningen in Zeist, Woonoord Kraaijbeek in Driebergen en verpleeghuis Leendert Meeshuis in De Bilt. In juli 2013 is Antroz gestart met thuiszorg. In totaal werken er ruim 300 medewerkers bij Antroz (168 fte), en 131 vrijwilligers. Antroz werkt vanuit het antroposofisch gedachtegoed.

Stichting Warande bevat verpleeghotel Bovenwegen en de wooncentra Heerewegen en Klein Heerewegen in Zeist, De Loericker Stee in Houten en Schutsmantel in Bilthoven. In het Diakonessenhuis Zeist heeft Warande een dependance voor geriatrische revalidatie. Bij Warande werken 1.030 medewerkers (563 fte) en 470 vrijwilligers. De vestiging Schutsmantel is van oudsher katholiek.

Antroz en Warande werken al sinds enkele jaren samen. Het doel van de fusie is om te komen tot een achttal vestigingen aan de oostkant van Utrecht. De antroposofische woonzorg behoudt daarbinnen een eigen identiteit met woonmogelijkheden in Driebergen, Zeist en De Bilt.

Met deze mogelijke combinatie ontstaat een breder aanbod aan voorzieningen voor de ouderen bij Antroz en Warande. Voor de medewerkers ontstaan ruimere mogelijkheden voor uitwisseling en ontwikkeling.

De mogelijke samenvoeging van Antroz en Warande leidt ook tot zorg voor ouderen in de thuissituatie rondom de vestigingen, samen met de eerste lijn en andere ondersteuners op wijkniveau.’
Dat zou een majeure verandering zijn. Een pad ook dat een aantal antroposofische organisaties eerder is ingeslagen, namelijk samenwerking of fusie met een reguliere instelling. Ik noem Christophorus en Amerpoort, Zonnehuizen en LSG-Rentray, Zonnehuizen en DeSeizoenen, allemaal in de gezondheidszorg. Is dat soms een teken aan de wand?

Ik heb nog een heel mooie update gevonden op de Facebookpagina van de in oprichting zijnde Vrijeschool in Amsterdam-Noord. Dit initiatief kwam hier eerder aan bod in ‘Indoctrinatie’ op 23 juni en in ‘Koppig’ op 6 juli. Dezelfde Nicoline Vink gaf nu opnieuw een prachtig geschreven ‘Update # 5: “China in our hands”’:
‘Hallo allemaal,

Vanmorgen (ma 2 september 2013) hadden we dan de afspraak bij wethouder Coby van Berkum van Stadsdeel Noord. Erg spannend! Onze inititatiefgroep was goed vertegenwoordigd: 3 dames van de kerngroep (Juleh van Velzen, Fleur Renes en ik), samen met Ruud van Velthoven (dagelijks bestuurder van de Geert Groote Scholen in Amsterdam en Parcival School in Amstelveen).

Dit was een onze eerste kennismaking met de wethouder. We hoopten natuurlijk allemaal dat ze ons zou ontvangen als langverwachte vrienden en dat we de deur uit zouden lopen met een prachtig pand in een lommerrijke omgeving in onze achterzak, zodat we dan volgende week de deuren open konden gooien voor onze eerste kleuterklas... Zoiets.

Dat... gebeurde niet. Het was zeker wel een (voorzichtig) positief gesprek. Mevrouw Van Berkum zei geen “nee”. Ze was onder de indruk van de belangstelling en het aantal aanmeldingen (de teller stond gisteren op 146! En vandaag waarschijnlijk al op 150!). Bovendien vertelde ze dat ze persoonlijk het Vrijeschoolonderwijs een warm hart toedraagt.

Maar in de hoedanigheid van wethouder heeft ze andere belangen te behartigen en moet ze zich verantwoorden voor gemeenschapsgelden. Ze vertelde bijvoorbeeld dat er momenteel 34 basisscholen zijn in Amsterdam-Noord! En dat sommigen hiervan kampen met leegstand (en er 1 is die zelfs moet sluiten). Om alle feiten wat betreft het primaire onderwijs in Amsterdam-Noord in kaart te brengen, heeft mevrouw Van Berkum uitvoerig onderzoek laten doen en dat heeft geresulteerd in een Integraal Huisvestingsplan. Dit IHP is net voor de zomer gepresenteerd aan de deelraad. Het ligt hier voor me, het ziet er indrukwekkend uit: 55 pagina’s inventarisaties, prognoses en berekeningen. Mevrouw Van Berkum heeft een goed zicht op de stand van zaken in het basisonderwijs hier in Noord.

Wat onze Vrije School betreft heeft dit de volgende consequentie: Zij wil dat wij (in elk geval in de opstartfase) ergens in een bestaande school de lege ruimtes gaan gebruiken.

Ik wil graag even open kaart spelen met jullie: Persoonlijk zie ik hier erg tegenop. Ik denk dat de school; het gebouw en -plein en de docenten een totaalpakket vormen dat ons “visitekaartje” moet worden. En als je hieraan niet vorm kan geven zoals je wilt, hoe duidelijk kun je dan de visie van deze Vrije School vormgeven en uitdragen? Zowel naar eigen leerlingen als naar potentiële geïnteresseerden? Ik weet het niet. Misschien valt het wel mee.

In elk geval hebben we nu de volgende stappen in het vooruitzicht: 1.Ruud van Velthoven gaat “om de tafel” met mevrouw Caroline Spaander van het stadsdeel om te bekijken welke school of scholen in aanmerking zouden komen om mee samen te werken en 2. Ruud van Velthoven onderzoekt m.b.v. zijn uitgebreide netwerk of er toch nog andere (onafhankelijke) mogelijkheden zijn wat betreft huisvesting. We hopen dat hij hiermee resultaten boekt en dat we bij de volgende kerngroepvergadering op 14 september a.s. iets nieuws te melden hebben.

Kort samengevat: het was eigenlijk best een positief gesprek. We kwamen binnen met niks en gingen de deur uit met een mogelijke school. We zijn al 1 stap verder: we zoeken nu (voorzichtig) naar een locatie! Best goed toch?

Het blijft wel heel spannend. Hoe gaan we ervoor zorgen dat dit prachtige plan, deze mooie droom van een veilige plek waar onze kinderen kunnen opgroeien en ontwikkelen in al hun eigenheid, en al dat vertrouwen van alle mensen die hun kroost hebben aangemeld, niet straks kapot spat op een betegeld pleintje van een schooltje ergens in Noord? “China in our hands.” (dat jaren ’80 hitje speelt al de hele dag in mijn hoofd). Het is nog zo precair.

Dus hup, aan de slag! We gaan we nog meer flyers printen en verspreiden. Hoe meer kinderen, hoe steviger de start. We hebben waarschijnlijk al een directeur: 1 van de directrices van de GGS. We zoeken een paar fijne docenten. We gaan ervoor, het gaat lukken!

Groeten van Nicoline Vink’
Kunnen ze bij de Vereniging van vrijescholen niet zo iemand als Nicoline Vink aannemen voor de Public Relations? Dat zou een boost geven! Dat doet me denken aan de reactie gisteren van Joep Eikenboom op een artikel in de Volkskrant. Op de website van deze krant schreef Maud Effting ‘Zwembond komt met concurrerend diploma – crawl vóór schoolslag’:
‘De KNZB komt met een concurrent van het traditionele zwemdiploma. Niet de “ingewikkelde” schoolslag, maar de crawl is de basis ervan. Het papiertje moet in tien maanden te halen zijn.’
Joep Eikenboom becommentarieerde op zijn persoonlijke Facebookpagina:
‘KNZB, opnieuw een club, die niets van de ontwikkeling van kinderen weet, want:

– Zwemles is pas echt effectief vanaf 6-7jr. (Vroeger beginnen duurt langer),
– Crawl doet veel meer een appel op spierkracht, voor 9jr. beginnen verhardt het lichaam,
– competitie en wedstrijden is echt iets voor vanaf 12jr. Daarvoor moet sport gewoon spel zijn.
– niks “ingewikkelde schoolslag”. Kinderen moeten gewoon goed motorisch zijn uitgerijpt om goed te kunnen zwemmen. In de Schoolslag gaat beweging samen met gratie en lichtheid. Crawl is een primitieve beweging, die het lichaam in de zwaarte drukt, dierlijk, zoals een hondje zwemt.’
Zoiets zou je dan wel eens op de opiniepagina’s willen lezen, het liefst ingestuurd door de Vereniging van vrijescholen... Er zijn wel tegengeluiden, maar die komen niet met zulke gezichtspunten. Zo publiceerde de Volkskrant op basis van het ANP gisteren wel ‘Zwemplatform betreurt nieuwe opzet zwemles’:
‘Het Nationaal Platform Zwembaden (NPZ) betreurt dat zwembond KNZB zonder overleg nieuwe lesmethoden op basis van de borstcrawl introduceert.’
Maar dat is toch niet hetzelfde wat Joep Eikenboom schrijft. – Verder moet ik nodig eens terugkomen op de kwestie Judith von Halle. Maar omdat die nogal complex is en ik niet zo gelukkig ben over de manier waarop de discussie elders gevoerd wordt, zou dat betekenen dat ik daar zelf iets beters tegenover zou moeten stellen. Dat zou echter veel tijd kosten, wat ik me nu niet kan permitteren. Daarom houd ik me terug, wachtend op betere tijden, of op uitingen die ik in dezen wél nieuwswaardig, interessant of passend vind. Zoiets is wat Michael Eggert gisteren op zijn website schreef, Die Wut des Löwen’, als nieuw stadium op zijn persoonlijke zoektocht naar wat waar, authentiek en oprecht is in deze kwestie, waarbij ik allerlei eerdere en tussentijdse bijdragen voor het gemak maar even oversla. Wanneer hij het bij zijn persoonlijke queeste houdt, en niet allerlei anderen ruimte biedt voor veelal speculatief en denigrerend commentaar, spreekt mij dat het meeste aan:
‘Hella Wiesberger fasst Rudolf Steiners Darstellung des echten zeitgenössischen Rosenkreuzerweges (abgesehen von den zahllosen Verzerrungen und Verdrehungen, in denen dieser auch noch erscheint) in “Rudolf Steiners esoterische Lehrtätigkeit”* so zusammen: Der heute “maßgebende christlich-rosenkreuzerische Einweihungsweg hat die sieben Stufen: Studium zur wahren Selbsterkenntnis, Imagination, Lernen der okkulten Schrift oder inspirierten Erkenntnis, Rhythmisierung des Lebens (Bereitung des Steins der Weisen), die Entsprechung von Mikrokosmos und Makrokosmos (Erkenntnis des Zusammenhangs von Mensch und Welt), Verweilen oder Sichversenken in den Makrokosmos, Gottseligkeit.” (S. 92)

Frau Wiesberger sieht vor allem in der fünften Stufe, der Entsprechung von Mikrokosmos und Makrokosmos, die in der “fünften Kulturepoche” insofern maßgebliche, als es in dieser um das Halten des Gleichgewichts im Erkennen um das “Böse als die Abirrungen davon” ginge. Sie ignoriert in dieser Schwerpunktsetzung, dass als Voraussetzung jeglicher Imagination, die ja schon ein völlig von allen physischen Einflüssen autonomes geistiges Erkenntnis darstellt, bereits die erste Stufe des Einweihungsweges, die “wahre Selbsterkenntnis” eine Transparenz bezüglich der inneren und äußeren Einflüsse des Individuums erfordert, die notwendig einen Umgang mit dem eigenen Ego und dessen Schattenwürfen nötig macht – einen Umgang, der zweifellos keine nur intellektuelle Angelegenheit sein kann, sondern eine scharfe und vollkommen ehrliche Konfrontation mit dem Subjekt jeder Erkenntnis – mit sich selbst. Das ist übrigens der Grund, warum diese Website ihren Namen trägt. Die Autonomie des Erkenntnissubjekts muss mit aller Intensität deshalb gewonnen werden, weil es sonst bezüglich jeglicher äußeren (bei Anderen wahrgenommenen) oder inneren geistigen Erfahrung keine Erkenntnisgrundlage geben kann- denn solche Erfahrungen sind nicht abgleichbar mit gegebenen moralisch-ethischen Setzungen, mit dem inneren Kontext, mit der Erwartungshaltung, mit Wahrscheinlichkeit oder anderen aus der sinnlichen Welt gewonnenen Prämissen. Nur die vollkommene Transparenz des Erkenntnissubjektes kann die geistige Erfahrung als das stehen lassen, als was sie sich in ihrer Transparenz ausdrückt. Das erkennende Subjekt muss sich seiner Natur als “Gedanke” – als Gewordenes, als Konstrukt von Erziehung, Denk- und Reaktionsgewohnheiten, als Verteidigungsbastion gegen Infragestellung der eigenen Selbstbilder, als psychisches Empfindungsbündel, als begehrendes Wesen, das den Selbstverwirklichungs- Maximen seiner Zeit folgt; kurz, als liebgewonnene Projektion gewahr werden. Dagegen – gegen diese Zumutung, situativ-meditativ aus dem Nichts zu leben, als im Sinne des Neuen Testamentes “Armer” – laufen alle inneren Kräfte Sturm. Die Auseinandersetzung mit dem “Bösen” ist daher keinesfalls eine Aufgabe, die eine ferne Stufe des Einweihungsweges darstellt, sondern die notwendige existentielle Voraussetzung.
Es geht also nicht um das Sich-Wohlgefallen in Selbstbildern von Ausgewogenheit, sozialer Neigung, Geistesforscher- oder Sinnsuchertum, nicht um moralische Überlegenheit, nicht um das Gefühl intellektueller oder spiritueller Brillanz, um das lebenslange Schmökern in geheimen Schriften und kabbalistischen Spezialkenntnissen, sondern um die zunehmende Bereitschaft, dem ins Auge zu blicken, was “Identität” ausmacht und was an haftenden und berückenden Kräften aus dem Inneren aufsteigt. Es aushalten zu können, nicht auszuweichen, nichts zu beschönigen und nicht sich selbst zu verdammen. Aber auch Situationen in innerer Mitte zu meistern, in denen man unversehens zur Zielscheibe wird, in denen eine ganze Menge die “Wut des Löwen” an einem auslässt. Die innere Gelassenheit bewährt sich im Sturm, aber die Würde bewährt sich erst, wenn man verliert, wenn man der Verstossene ist, der, den der eherne Blick der Verachtung trifft.

In Rudolf Steiners Notizbuch (1906, Archiv-Nr B 105) findet sich hierzu: “Die Meister sind nicht ein Schutzwall gegen das Böse, sondern die Führer zur Absorption des Bösen. Wir sollen nicht das Böse aussondern, sondern es gerade aufnehmen und in der Sphäre des Guten verwenden. Die Wut des Löwen ist nur so lange böse, solange sie am Löwen egoistisch verwendet wird; könnte sich ein Herrscher diese Wut des Löwen aneignen und damit Wohlfahrtseinrichtungen machen, so wäre sie gut. Deshalb ist das Böse als Nicht- Wirkliches zu erkennen. Es gibt kein Böses. Das Böse ist nur ein versetztes Gutes. Erst mit dieser Erkenntnis ist geistige Alchemie möglich.”

So steigen wir in Gelassenheit die Treppen hinab in das kochende Grau. Hier sind wir nichts als als aktive Präsenz, die Mitte haltend im Ansturm der Wut des Löwen. Hier findet die Verwandlung statt.

* Dornach 1997’
Ik kwam nog een ouder artikel tegen op de website van maandblad ‘Erziehungskunst’ dat ook een tegengeluid laat horen, namelijk ‘Enträtselung der Symptomatologie. Von Johannes Kiersch, März 2010’:
‘Rudolf Steiner hat in seiner »Geheimwissenschaft im Umriß« von 1910, in dem zentralen Kapitel »Die Weltentwickelung und der Mensch«, ein umfassendes Panorama der Menschheitsgeschichte entworfen, ein grandioses Bild, hinter dem die Idee eines zielgerichteten »Weltenplans« höherer Mächte zu stehen scheint. Der dogmatische Eindruck, der hiervon ausgeht, wird heute vielfach als problematisch empfunden. (1) Auch die daraus hervorgehende Lehre von den sieben nachatlantischen Kulturepochen, von Steiner in zahlreichen historischen Vorträgen immer wieder herangezogen, erregt deshalb Anstoß. Steht sie nicht im Widerspruch zur Ethik der »Philosophie der Freiheit«?

Die bisher vorliegenden Darstellungen anthroposophisch orientierter Historiker wie Hans Erhard Lauer, Erich Gabert, Karl Heyer, Johannes Tautz, Jens Heisterkamp haben auf diese Frage keine völlig befriedigende Antwort gefunden. Sie alle, und auch Christoph Lindenberg, der wohl als erster auf diesen bemerkenswerten Tatbestand hingewiesen hat, haben nicht hinreichend berücksichtigt, dass Steiner erst während des Ersten Weltkriegs, etwa ab 1916, seinen Begriff einer »symptomatologischen Geschichtsbetrachtung« oder »geschichtlichen Symptomatologie« zu entwickeln beginnt, der den Widerspruch löst. Was Lauer eine »Geschichte als Stufengang der Menschwerdung« genannt hat, Steiners Vision der Menschheitsgeschichte, wird deshalb bis heute als eine Art Kulturgeschichte aufgefasst, eine bewusstseinsgeschichtliche Morphologie, mit spirituellem Hintergrund zwar, aber doch am Ideal einer »objektiv« gültigen Darstellung des »wirklichen« Geschehens orientiert. Die »Symptome«, von denen Steiner redet, sind da nichts weiter als charakteristische Merkmale vergangener Ereignisse, wie psychologisch und künstlerisch begabte Kulturhistoriker sie auch früher schon herauszuarbeiten vermocht haben.

Andre Bartoniczek hat nun in dem hier vorzustellenden Buch einen Durchbruch zu einer neuen Sichtweise erzielt. Dies gelingt ihm vor allem durch den Kunstgriff, die wissenschaftstheoretischen und erkenntnispsychologischen Ausführungen Steiners in dem – auch unter Anthroposophen – viel zu wenig bekannten Buch »Von Seelenrätseln« von 1917 (GA 21) heranzuziehen, umsichtig zu kommentieren und auf die Enträtselung des Begriffs der »Symptomatologie« anzuwenden. Das Ergebnis ist ein methodologischer Basistext zur Einführung in die anthroposophische Geschichtsbetrachtung, an dem künftig niemand mehr vorbeikommen wird, der das Thema seriös behandeln will, besonders im Bereich der Lehrerbildung.

Einen breiten Grund für seine Argumentation legt Bartoniczek, indem er sachkundig an Beispielen der letzten zweihundert Jahre zunächst die Aporien diskutiert, in denen das Streben nach wissenschaftlich »objektiv« gültiger Beschreibung vergangener Ereignisse sich verloren hat. Barthold Georg Niebuhr, Leopold von Ranke, Theodor Mommsen werden mit dem Verlauf ihrer tragischen Erkenntnisschicksale liebevoll porträtiert. Am Geschichtsdenken Goethes und seiner Geistesverwandten zeigen sich erste Auswege aus einer verfahrenen Forschungssituation. Vor allem aber eröffnet der Ansatz bei den Grundbegriffen des Buches »Von Seelenrätseln« Zugänge zu den Entdeckungen Steiners: zu der Einsicht, dass die Realität des historischen Geschehens in einer Seelenregion unterhalb des Wachbewusstseins zu suchen ist (»Geschichte wird geträumt«!); zur Funktion der Bilder dabei; zu der Unterscheidung von »Abbild«, »Sinnbild« und »Vorbild«; zu dem Umgehen mit Imagination, Inspiration und Intuition beim »Symptomatologisieren«; zu dem Vergleich des historischen Erkennens mit dem »Lesen« einer Schrift, im Gegensatz zum »Buchstabieren« vordergründiger »Fakten«. Mit dem damit gewonnenen Instrumentarium interpretiert Bartoniczek dann die ersten fünf Vorträge der Reihe über »Geschichtliche Symptomatologie« von 1918 (GA 185), an denen sich vieles Grundsätzliche zeigen lässt. In reicher Fülle enthält das nicht ganz leicht zu lesende Buch Anregungen für den Geschichtsunterricht im Sinne der Waldorfpädagogik.

Noch unterbelichtet bleibt für mein Gefühl, was Steiner – leider nur andeutungsweise – über den Zusammenhang des historischen Geschehens mit dem persönlichen Schicksal des historisch Erkennenden ausführt. Wie Johannes Tautz am Beispiel des ersten Geschichtslehrers der Waldorfschule, Walter Johannes Stein, gezeigt hat, eröffnen sich mit dieser Perspektive Erkenntniswege, die noch weit über das Feld einer »imaginativen« Geschichtserkenntnis hinausgehen und besonders für einen authentischen, eigenverantwortlich praktizierten Unterricht für junge Leute im dritten Jahrsiebt entscheidend wichtig werden könnten. Bartoniczek berührt diesen Punkt (S. 231), geht aber noch nicht hinreichend ausführlich darauf ein.

(1) Als das Magazin »Der Spiegel« in den 80er Jahren in Fortsetzungen eine Reportage über »die Anthroposophen« brachte, geschah das unter dem Titel: »Der Weltenplan vollzieht sich unerbittlich.«

Andre Bartoniczek: Imaginative Geschichtserkenntnis. Rudolf Steiner und die Erweiterung der Geschichtswissenschaft. Stuttgart: Verlag Freies Geistesleben, 2009. 284 Seiten.’

zondag 1 september 2013

Wol


We beginnen de maand september met een bericht op de Facebookpagina van het weekblad ‹Das Goetheanum› op donderdag 29 augustus, getiteld ‘Eiche statt Wolle’:
‘Nach fast 40 Jahren Gebrauch verschwindet der Teppich auf der gesamten Vorstandsetage im Goetheanum, er weicht nun einem 600 Quadratmeter großem Eichenparkett. «Im Vorstand hat sich in den letzten Jahren viel getan, neue kollegiale Arbeitsformen sind eingeführt worden – da tut es gut, wenn dem nun auch in der Hülle ein Schritt folgt», so der augenzwinkernde Kommentar.
Eiche statt Wolle
De link leidt naar het bericht op 15 augustus van Wolfgang Held op de website van het Goetheanum, dat daar echter wat langer is:
‘Nach fast 40 Jahren Gebrauch verschwindet der Teppich auf der gesamten Vorstandsetage im Goetheanum. Für diese Renovierung, die mehr ist als eine Renovierung, gab es praktische und inhaltliche Gründe.

Für Besucher des Goetheanum war es oft ein merkwürdiges Erlebnis: Wenn man die Vorstandsetage betrat, war kein Schritt mehr zu hören, denn ein dicker Wollteppich mit Fliessunterlage schluckte alles Geräusch. So wurde der falsche Eindruck vermittelt, hier gehe man weicher durchs Leben, man dürfe hier niemanden stören, solle hier unbemerkt bleiben. Diese weiche Unterlage aus einer anderen Zeit weicht nun einem Eichenparkett, das bei 600qm Fläche zu günstigen Konditionen (Gesamtkosten der Renovierung ca. 75.000 CHF, so Susanne Böttge, Architektin am Goetheanum) zu bekommen war. “Jetzt gibt es keine Teppichetage mehr”, kommentiert Martin Zweifel augenzwinkernd das Projekt und weiter: “Im Vorstand hat sich in den letzten Jahren viel getan, neue kollegiale Arbeitsformen mit Sektionsverantwortlichen und Generalsekretären sind eingeführt worden – da tut es gut, wenn dem nun auch in der Hülle ein Schritt folgt.” Die Renovierung hat ausserdem praktische Gründe. Der neue Boden ist leichter zu pflegen. “Kann sein, dass wir jetzt etwas Schallprobleme bekommen, aber das müssen wir in Kauf nehmen”, so Zweifel. Auch für eine erweiterte Nutzung dieser Räume, wie für Studium und Tagungen, ist der neue Boden sinnvoll. Auf die Frage, ob denn auch die rosarote lasierte Wandfarbe der Vorstandsetage weichen müsse, da sie bei Ausstellungen sich oft als hinderlich erwiesen habe, antwortet Martin Zweifel: “Das lassen wir vorerst so, denn wenn es um Farbe geht, ist schnell ein Konflikt da, und da sollten wir uns aufs Wesentliche konzentrieren”.’
We gaan door naar Jesaiah ben-Aharon, wiens nieuwe boek ik op 28 augustus in ‘Doek’ aankondigde. Op zijn weblog geeft hij nu ‘Spiritual Science in the 21st Century: Excerpt from Lecture 8’:
‘Forthcoming
Spiritual Science in the 21st Century
Excerpt from Lecture 8

The Christ Experience of the 21st Century
Intimate Experiences in Thinking, Feeling, and Willing
(Stuttgart 2012)

We have a huge intellectual head. It’s very necessary and we love this intellect, we love our heads. No criticism will be leveled at our intellectual capacities, as we need this huge head in our technological time to regulate and order our physical lives. But spiritually seen this intellect is something quite different. Spiritually seen the intellect is something which deadens us, which turns us cold as people, and the more we have to use it, to order our outer lives, to research, construct our technologies and so on, the more we have to admit that we do not sufficiently feel the human-spiritual reality behind it. We are so fascinated by the inhumanness, the speed, and the brilliance of this intellect that we don’t notice that the very opposite power lies behind it. The first essential thing is to feel, to notice, to become aware of what lives in our feelings when we recognize something. I re-cognize my world! Re-cognizing means remembering. It’s always the same world, and it has to be, right? When I get up in the morning, I should enjoy the fact that it is the same room, and the chairs and table are the same as they were yesterday. When I look in the mirror, I’m happy to see that, with a few exceptions, it is the same face that I see and recognize. That is you, the same person, and the same self! Then when we see our fellow men we say — There you are again! The same as yesterday!

We need this sameness. I don’t want to criticize our faculty of recognition. But it is dead and can only know that which is dead. When I recognize you as the same person, then it is only that which is dead that arises in me. This dead picture of you is not really fitting for humans or nature, even if it is suitable in the case of other objects. We simply don’t experience this very strongly; it’s a question of experiencing a real problem. We should reach the point of being sufficiently attentive in the moment when we say — There you are again, the same old subject or object — that one feels something and this inner experience comes to consciousness. It’s always there! You don’t have to do anything to create it. This experience is always present just below the threshold, but we don’t notice it and we don’t want to notice it! We want things to go on as they are, in the same way. But then over and over again, human society collapses.

If we are attentive and listens to our feelings in this moment, then it’s possible to become aware of something different. These are intimate feelings, but it is exactly these intimate feelings that count. It is a matter of not continuing to move toward the future in a totally insensitive, unperceptive manner. These enormous waves from the future are rolling toward us and they need people with open senses and hearts to receive these forces. In the moment itself, I need to feel a real problem because I actually can’t perceive who you really are, because I constantly only produce the same image of a person according to my habits and my past, and because I cannot take hold of the new moment that is totally alive. People will increasingly experience this as a form of blindness. You will experience something and may hear a voice, it could be a very quiet and gentle voice, in the moment when you recognize and “know” the other as the same old self. If you really listen to this quiet voice, it will say, “You have re-cognized and identified this as the same object or person, and therefore you have become blind!” To feel this experience of cognition as blindness, that is what is absolutely necessary. Once you have experienced it and heard this voice that says, “You have re-cognized this as a subject or object, you have recognized your fellow man as the same being as yesterday and have thus made yourself blind in that moment!” When you experience this, the process reverses and you gain sight. You begin to see. You stop thinking, reflecting, and repeating the same cognitive process. One becomes clairvoyant which means “clear-seeing.” There are of course different types of clairvoyance. In the social, human, and inter-personal fields it is perhaps the most important strength there is. This also applies to our relationship to nature, but I will remain in the field of humans.

When you really see another person, you experience something cosmic, something unprecedented about the individual that you meet. The other person becomes a real revelation, a real spiritual experience, which acts and creates in a whole cosmos of utmost beauty. The other person becomes a revelation of the highest and the deepest of our world. Because I have experienced and recognized my blindness, I can now experience him with my new vision. In that moment he arises within my own being. He arises within my being as his true self and I arise with him. We both arise. The dead intellect that kills, binds, defines, orders, rationalizes, and explains everything; this same place becomes the place of resurrection. In this place of resurrection where you arise in me and I arise with you, there the human meeting becomes a true revelation. This is the first Christ-experience that comes to us, and actually is already there. It has been there for ages! It is only our attentiveness that isn’t sufficiently awake. This has nothing to do with exercises, meditations, regulations or ideals. One should not try to prepare for this in the usual, rational sense as if I could say, “Ahh, that is lovely, I want to see you! I’ve heard a lecture about it, and read some stuff and now off we go! I’ll set up a program, a meditational practice, then I’ll do it and tomorrow I will achieve it. I will see you!”

If you do this you are already in the known, in the dead identification. Attentiveness can only be the Event. Attentiveness is Event! I have to experience that something is not right, that there is something untrue in my knowing: there you are again! This has to be experienced, you cannot prescribe this. You must experience it, and then it can be a real feeling experience. I am blind when I re-cognize you. Precisely where I think I know you, I donot see you. I am blind and this impossibility of sight has to shock us. Something has to happen within us, which shocks or jolts us a bit, an Event, and then this seeing wakes up, and one really “sees.” But this seeing of the other, comes from the tremor, from the problem, that comes with the painful realization: I am blind, I experience myself as blind!That is a true Event, and not anything that one can or should enforce.

A second element lies more in the realm of feeling...

Read more- the Book is coming soon!’
Nog een boek is uit: de langverwachte ‘Wissenschaftliche Neuausgabe von Steiners Schriften zur Religionsgeschichte’, zoals Jens Heisterkamp gisteren schreef op de website van Info3 in ‘Mystik als Umstülpung der Philosophie’:
‘Mit der neuen “SKA”, der ersten wissenschaftlichen Gesamtausgabe Steiners, wird sein Werk künftig stärker Zutritt auch in die akademische Welt erhalten – verlegt im gleichen Haus, das auch Ausgaben von Böhme, Kant, Fichte, Schelling, Hegel und anderen herausgibt. Wer immer den jetzt erschienenen ersten Band künftig in Universitätsbibliotheken oder in Forschungszusammenhängen in die Hand nimmt, wird darin nicht nur eine akribisch recherchierte, sondern auch eine äußerst verständnisvoll geschriebene Einführung in die Anthroposophie vorfinden. Ein Glücksfall.

Die gute alte “GA” bekommt Konkurrenz: Wer Steiner – insbesondere im wissenschaftlichen Kontext – zitiert, wird wohl künftig auf die “SKA”, die “Schriften Kritische Ausgabe” aus dem renommierten philosophischen Fachverlag frommann-holzboog zurückgreifen. Die auf zunächst acht Bände angelegte (und in Kooperation mit dem Steiner Verlag entstandene) Werkausgabe soll die wichtigsten von Steiner selbst in Buchform herausgegebenen Titel enthalten, angefangen von seinen philosophischen Frühschriften bis hin zur Geheimwissenschaft von 1910. Acht Bände sind zunächst geplant, für die Herausgabe zeichnet Christian Clement von der Brigham Young Universität in Utah, USA, verantwortlich (Info3 brachte ein Interview mit dem Herausgeber).

Als Erstes sind nun als Band 5 zusammengefasst Die Mystik im Aufgange des neuzeitlichen Geisteslebens und ihr Verhältnis zur modernen Weltanschauung sowie Das Christentum als mystische Tatsache erschienen – beides Werke, bei denen Steiner anlässlich von Neuausgaben teils wichtige Veränderungen vorgenommen hat. Diese Änderungen dokumentiert nun erstmals die SKA bis zum kleinsten Komma in einem durchlaufenden Anmerkungsapparat, ohne dass dabei der Lesefluss durch eine komplette Synchron-Darstellung der Texte gestört würde. Außerdem hat der Herausgeber – und das ist gerade bei diesen beiden Werken wichtig – in einem umfangreichen Stellenkommentar die von Steiner selbst oftmals nicht genau genannten Quellen für sein Sachwissen rekonstruiert. Wie hier die zitierten Mystiker in die Publikationen der vorletzten Jahrhundertwende und von dort minuziös bis in die entsprechenden Werkausgaben zurückverfolgt werden, verdient jeden Respekt. Was aber neben der dokumentarischen Arbeit ebenso wichtig scheint: Clement liefert im Apparat Querverweise und Verständnishilfen, die wichtige Formulierungen Steiners immer wieder in den Duktus seiner Grund-Intentionen einbetten.

Kontinuität statt “Bruch”

Das Verständnis, mit dem Clement bei seiner Edition zu Werke geht, betrifft keineswegs nur die philologische Ebene. Denn der Herausgeber hat sich ganz offensichtlich – im Unterschied etwa zu den Steiner-Biographen Zander und Ullrich – intensiv mit der Erkenntnistheorie Steiners auseinandergesetzt, begreift diese in ihrem spirituellen Duktus und kann so die Kontinuitäten in Steiners Gedankenentwicklung von der Philosophie der Freiheit zu seinen Darstellungen über die Mystik und das Christentum aufzeigen, anstatt vorschnell dem Eindruck eines “Kontinuitätsbruchs” zu erliegen, der sich lediglich einem Wechsel der Themen verdankt. Beide Schriften bilden eine Art Scharnier zwischen der philosophischen und der theosophisch-anthroposophischen Phase von Steiners Werkentwicklung. Clement zeichnet diese Scharnierfunktion in seiner Einleitung behutsam nach und ist – anders als andere Interpreten, die gar einen opportunistischen Wandel Steiner zwischen der “philosophischen” und der “theosophischen” Phase konstatieren – davon überzeugt, dass die “dialektische Konzeption”, die der Mystik-Schrift zugrunde liegt, “Steiner schon vor der Jahrhundertwende vor Augen stand” und “dass die Schriften von 1901 und 1902 als fundamentale Untersuchung von Wesen und Entwicklung des Bewusstseins konzipiert waren und somit als keimhafte Darstellung der anthroposophischen Wissenschaftskonzeption gedeutet werden können.” Besonders überraschend: Auch Steiners Christus-Verständnis wird von Clement als “konzeptionell bereits eindeutig im Wesens-Begriff der steinerschen Frühschriften angelegt” bezeichnet – und damit gegen den Verdacht in Schutz genommen, Steiner habe hier lediglich theosophische Vorbilder der Christus-Deutung von Blavatsky oder Besant adaptiert.

Seinsgrund jenseits von Subjekt und Objekt

Steiners Buch über das Christentum wird von Clement daher nicht als Neuansatz, sondern als Fortschreibung seiner erkenntnistheoretischen Grundlagen gedeutet. In den Mysterien sei für Steiner ein Erfahrungswissen darüber erlangt worden, dass die vom naiven Volksglauben zu Göttern erhobenen Größen in Wirklichkeit Spiegelbilder des menschlichen Bewusstseins sind – allerdings nicht in der trivial misszuverstehenden Weise, es handele sich hier nur um täuschende Projektionen, sondern so, dass “der Myste seine Aufmerksamkeit von den selbstgeschaffenen ‚Göttern‘ auf die in diesen wirksame ‚götterschaffende Tätigkeit‘ des eigenen Bewusstseins lenkte”. Steiner habe zeigen wollen, dass in dieser Tätigkeit “nicht nur er selbst als ‘Subjekt’, sondern vielmehr der Subjekt und Objekt umfassende Grund des Seins als solcher am Werk sei.” Dieser Gedanke sei, wie Clement in einer Anmerkung ergänzt, “unzweifelhaft eine ideelle Metamorphose des in der Philosophie der Freiheit (...) auftauchenden Theorems von der ‚Beobachtung des Denkens‘“ und meint daher, schon Steiners philosophisches Hauptwerk sei “im Geiste der antiken Mysterienidee gestaltet, wie sie Steiner ab 1901 imaginierte.”

Wenn Clement formelartig zusammenfasst, “die steinersche Esoterik kann als eine zum Zweck der Anschaulichkeit vorgenommene ideelle Umstülpung seiner Philosophie verstanden werden”, dann ist diese Verständnisbrücke zwischen “philosophischem” und “mystisch-christlichem” Steiner nicht nur im Blick auf die “externe” Steiner-Rezeption hilfreich. Sie könnte auch eine Besinnungshilfe darstellen für die heute teilweise stark konfessionalisierte binnen-anthroposophische Sicht auf Steiner als neuen “Verkünder des Christentums”. Der erste Band der neuen Edition ist also ein großer Schritt in Richtung akademischer Öffentlichkeit – und eine Herausforderung für die anthroposophische Szene gleichermaßen.

Rudolf Steiner: Schriften. Kritische Ausgabe (SKA). Herausgegeben von Christian Clement. 2013 ff.

Band 5: Schriften über Mystik, Mysterienwesen und Religionsgeschichte, Verlag frommann-holzboog und Rudolf Steiner Verlag, Stuttgart/Bad Cannstatt und Basel 2013, ISBN 978-3-7728-2635-1, 375 Seiten, Leinen, € 88,-.’
Dan gaan we naar hard nieuws uit de financiële wereld. Triodos Bank bracht op woensdag 28 augustus ‘Halfjaarcijfers 2013 Triodos Bank’ uit, met de ondertitel ‘Totaal in beheer gegeven vermogen groeit met 10% tot EUR 9 miljard’. En die cijfers zijn inderdaad niet niks:
‘– Totaal in beheer gegeven vermogen groeit met 10% tot EUR 9 miljard
– Balanstotaal stijgt met 11%
– Kredietverlening aan duurzame bedrijven stijgt met 5%
– 40.000 nieuwe klanten. Totaal 477.000 klanten
– Nettowinst stijgt met 35% ten opzichte van dezelfde periode in 2012

Het balanstotaal van Triodos Bank is in het eerste halfjaar van 2013 met 11% gegroeid tot EUR 5,9 miljard. In dezelfde periode van 2012 bedroeg de groei eveneens 11%.

Het totaal beheerd vermogen, bestaande uit Triodos Bank, de beleggingsfondsen en Private Banking, is toegenomen met 10% tot EUR 8,9 miljard.

De kredietportefeuille met leningen aan duurzame bedrijven en projecten groeide met 5%. In dezelfde periode van 2012 was de groei 8%.

De nettowinst bedraagt EUR 13,4 miljoen, een stijging van 35% ten opzichte van dezelfde periode in 2012.

Het aantal klanten is gestegen met ruim 40.000 tot 477.000 (9% groei).

Directievoorzitter Peter Blom: “Ondanks moeilijke economische tijden blijft de bank groeien. De economische situatie in Europa leidt echter tot minder vraag naar financieringen en vertraagde ook de opname van een aantal kredieten. Ook duurzame ondernemingen zijn in het huidige economische klimaat voorzichtig bij het aangaan van financiële verplichtingen. De effecten daarvan zijn merkbaar, net als die van overheidsbezuinigingen en van onduidelijkheid rond de regelgeving op het gebied van duurzame energie projecten. Consumenten blijven kiezen voor positieve verandering, duurzaamheid en bewuster omgaan met hun geld. Die ontwikkeling zien we terug in de groei van het aantal klanten met 40.000 in de eerste zes maanden van dit jaar.”

Het bedrag aan Triodos Bank toevertrouwde middelen, bestaande uit spaargelden, termijndeposito’s en tegoeden op betaalrekeningen, is de eerste zes maanden van 2013 gestegen met 12% (2012: 11%).

De toevoeging aan de voorzieningen voor probleemkredieten daalde tot EUR 5,5 miljoen ten opzichte van EUR 12,4 miljoen in dezelfde periode van 2012. Deze ontwikkeling heeft een positief effect op de winstgevendheid van de bank.

Kapitaal

De BIS-ratio, een belangrijke indicator voor de solvabiliteit, van Triodos Bank is 17,0%. De bank heeft een Tier 1 kernkapitaal ratio van 16,9%. De leverage ratio, berekend volgens de nieuwste Basel III richtlijnen, is 8,7% en is daarmee aanzienlijk beter dan de 3% die nu als minimumverplichting wordt overwogen voor Europese banken.

Fondsen in beheer

Fondsen in beheer bestaan uit twee onderdelen: het vermogen dat door Triodos Private Banking wordt beheerd, en het volume van de Triodos beleggingsfondsen waar Triodos Investment Management de directie over voert. In de eerste zes maanden van 2013 groeiden fondsen in beheer met 9% tot EUR 3,0 miljard. In dezelfde periode van 2012 was sprake van een groei van 3%.

In de eerste helft van 2013 realiseerde Triodos Private Banking een toename van het vermogen in beheer van 13% tot een totaal van EUR 627 miljoen. In dezelfde periode van 2012 was sprake van een groei van 11%.

Het volume van de door Triodos Investment Management beheerde beleggingsfondsen, nam in het eerste halfjaar van 2013 met 8% toe tot EUR 2,4 miljard. In dezelfde periode in 2012 was sprake van een groei van 2%. In de eerste zes maanden van 2013 verwierf Triodos Groenfonds het BNP Paribas Groenfonds. Dit betekende een forse toename van 25% in volume van het fonds, tot EUR 625 miljoen medio 2013.

Ook een sterke groei van het totale beheerd vermogen van Triodos Fair Share Fund (19%), Triodos Renewables Plc (12%), Triodos SICAV I (14%) en Triodos Microfinance Fund (16%) heeft bijgedragen aan deze groei.

Verwachtingen tweede helft 2013

Belangrijk punt van aandacht in de tweede helft van 2013 is de groei van de kredietportefeuille, waaronder duurzame hypotheken aan particulieren, waarbij Triodos Bank nauwlettend toeziet op het behoud van de kwaliteit van de portefeuille en verdere diversificatie nastreeft. De bank verwacht in 2013 EUR 60 tot 80 miljoen aan nieuw kapitaal aan te trekken. Onvoorziene omstandigheden daargelaten verwacht de bank een verdere stabiele groei in volume en resultaten.

Downloads: Halfjaarbericht Triodos Bank 2013 PDF 119.6 KB’
Dezelfde donderdag 28 augustus waarschuwde de Vereniging van vrijescholen voor ‘Media-aandacht mazelen en vrijescholen’:
‘De Vijfde Dag van de EO besteedt in het programma van 4 september aanstaande mogelijkerwijs aandacht aan het beleid van vrijescholen omtrent het al dan niet inenten tegen mazelen. In de uitzending staat een item gepland waarin in ieder geval ouders en een antroposofisch arts naar hun mening worden gevraagd.

De afgelopen periode berichtten enkele media over de terughoudendheid van antroposofen bij het inenten tegen mazelen. Daarbij wordt al snel de link gelegd met de rol van vrijescholen. Rian van Dam, voorzitter van de Vereniging van vrijescholen (Vereniging), heeft eerder laten weten dat het al dan niet inenten tegen de mazelen een private aangelegenheid is, waarbij ouders een persoonlijke afweging maken. De Vereniging van vrijescholen neemt dan ook geen standpunt in.

Wel geeft de Vereniging aan dat besturen van scholen zelf verantwoordelijkheid dragen voor hun beleid op dit onderwerp. Uit overleg tussen de Vereniging en de grotere schoolbesturen blijkt dat vrijescholen dezelfde richtlijnen naleven als andere scholen. Op het moment dat geconstateerd wordt dat een leerling besmet is met het mazelenvirus neemt het bestuur contact op met de plaatselijke GGD. In overleg met de ouders en de GGD worden eventuele maatregelen overwogen.’
Ik zou mensen die meer willen weten in dezen kunnen wijzen op de ‘Gesellschaft Anthroposophischer Ärzte in Deutschland’ (GAÄD) die onder meer een ‘Merkblatt Masern-Erkrankung’ heeft uitgebracht:
‘Masern sind eine hochfieberhafte und sehr ansteckende Kinderkrankheit. Auslöser ist ein Virus, das durch Tröpfcheninfektion übertragen wird. Es handelt sich hier um den Umgang mit dieser Infektionserkrankung. Zum Download des GAÄD-Merkblattes »
Onze oosterburen behandelen het thema uiteraard heel grondig:
‘Merkblatt Masern

Gesellschaft Anthroposophischer Ärzte in Deutschland

Masern sind eine hochfieberhafte und sehr ansteckende Kinderkrankheit. Auslöser ist ein Virus, das durch Tröpfcheninfektion übertragen wird. Etwa 10 Tage später kommt es erstmals zu Fieber, Schnupfen, Husten und Bindehautentzündung: Das Kind sieht “verrotzt, verheult und verschwollen” aus. Teilweise finden sich in der Mundschleimhaut kleine, weiße Flecken. Nach etwa 2 Tagen – das Fieber kann dabei vorübergehend abfallen – steigt das Fieber oft über 40° C und es entwickelt sich ein kräftig roter, mittel- bis grobfleckiger, manchmal zusammenfließender Hautausschlag, der sich vom Hals nach unten bis zu den Gliedmaßen ausbreitet (“herunterregnet”). Er blasst nach 3-5 Tagen ab, das Fieber sinkt und nach einer Woche ist das Kind nicht mehr ansteckend. Die Kinder wirken in dieser Zeit meist sehr krank, lichtempfindlich, weinerlich, die Gesichtszüge erscheinen weicher, das ganze Gesicht wie “aufgequollen”. Typisch ist der bellend-harte, oft quälende und hartnäckige Husten. Nach Abklingen des Fiebers benötigen die Kinder weiter Ruhe und eine ausreichende Erholungszeit, die mehrere Wochen dauern kann. Masern hinterlassen eine lebenslange Immunität.

Die Therapie ist eine begleitende und dient dem Verhindern von Komplikationen. Engmaschige ärztliche Kontrollen sind erforderlich. Das Kind braucht maximale Ruhe. Alle Wärmeprozesse und damit das Fieber sollten nur gelenkt, aber nicht unterdrücktwerden; “Fieberzäpfchen” können den Verlauf verschlechtern. Potenzierte homöopathische und anthroposophische Arzneimittel stellen eine wesentliche Säule der Masernbehandlung dar. Der Verlauf von über 1.000 Masernfällen in Coburg deutet darauf hin, dass Klinikeinweisungen unter dieser Behandlung deutlich seltener notwendig sind.

Noch in den 1990er Jahren waren Masern in Deutschland häufig. Ärzte waren es gewohnt, sie zu behandeln, und Eltern mit der Krankheit vertraut. Seit der Intensivierung von Impfkampagnen und der Einführung der Meldepflicht für Masern 2001 sind sie drastisch zurückgegangen, sodass es inzwischen Kinderärzte gibt, die noch nie Masern gesehen haben. Deshalb ist es wichtig, typische Komplikationen der Erkrankung zu kennen und von dem normalen Verlauf zu unterscheiden.

Komplikationen

Die häufigsten Komplikationen sind die Mittelohrentzündung, die sich durch Ohrenschmerzen bemerkbar macht, und die Lungenentzündung. Sie ist daran zu erkennen, dass das Kind Atemnot entwickelt, die Atmung “anstößt” und dabei Husten auslöst und der Allgemeinzustand des Kindes sich verschlechtert. Bei Masernkomplikationen muss immer der Arzt gerufen werden, bei Lungenentzündung kann eine Krankenhauseinweisung notwendig sein. Seltener, aber besonders ernst zu nehmen, ist eine Masern-Gehirnentzündung, die Masern-Enzephalitis.

Sie kann ab dem 3. Tag nach Beginn des Ausschlags, selten auch verzögert noch nach Wochen auftreten. Bemerkbar wird die Enzephalitis durch Störungen des Bewusstseins, Wesensveränderungen, Kopfschmerzen, Krampfanfälle und Lähmungen. Bei Ableitung der Hirnstromkurven (EEG) findet der Arzt charakteristische Veränderungen. Übergangsformen mit EEG-Veränderungen, Kopfschmerzen und leichten Wesensveränderungen sind wesentlich häufiger und verschwinden spontan wieder. Man kann annehmen, dass bei dem Vollbild der Masern-Enzephalitis etwa die Hälfte der Fälle ausheilt, etwa 15% der Betroffenen sterben und die anderen 35% Schädigungen des Nervensystems erleiden. Die Häufigkeit der Masern-Gehirnentzündung nimmt mit steigendem Alter zu: In den ersten 4 Jahren ist sie selten (1:15.000), bei über 10-Jährigen relativ häufig (1: 2.500). Insgesamt nimmt die Häufigkeit und Schwere von Masernkomplikationen ab dem 9. Lebensjahr deutlich zu.

SSPE: Subakute sklerosierende Panenzephalitis

Eine spät auftretende, seltene, aber immer tödliche Komplikation ist die subakut sklerosierende Panenzephalitis (SSPE). Sie führt über seelische Störungen und langsamen Verlust der erworbenen Fähigkeiten hin zu fortschreitenden Lähmungen und Demenz. Hier handelt es sich um eine schleichend verlaufende Entzündung des Gehirns, die Monate bis 10 Jahre (durchschnittlich 6-8 Jahre) nach einer Masernerkrankung auftreten kann. Sie ist sehr selten; man rechnet mit einer Häufigkeit von 1:10.000, berechnet auf die Gesamtzahl der Erkrankten, was jedoch bedeutet, dass Säuglinge ein deutlich höheres Risiko tragen.

Besonders gefährdet sind Säuglinge, deren Mutter ihnen keinen oder nur einen schwachen Nestschutz vermittelt. Das ist der Fall, wenn die Mutter weder geimpft ist noch Masern durchgemacht hat, oder wenn die Mutter geimpft ist, aber nur eine schwache oder unzureichende Masernimmunität erworben hat. Mütter, die noch “Wildmasern” durchgemacht haben, vermitteln einen stabileren Nestschutz. Die Begegnung mit Wildmasern verstärkt die Immunität der natürlich und der durch Impfung immunisierten Frauen – sie wird aber durch die aktuelle Masernimpfstrategie zunehmend verhindert. Dadurch wird der Masern-Nestschutz für Säuglinge immer unsicherer. Säuglinge ohne Nestschutz können von älteren Geschwistern, die sich mit Masern angesteckt haben, infiziert werden. Familien mit mehreren Kindern, in denen die älteren Kinder nicht geimpft sind, müssen sich dieses Risikos bewusst sein und sich die Frage stellen, ob sie nicht zugunsten des Säuglings die älteren Kinder impfen lassen. Gleiches gilt innerhalb einer Kinderkrippe, in der Säuglinge betreut werden. Die beobachteten Fälle von SSPE sollten in jedem Fall Anlass sein, nicht geschützte Säuglinge streng von Masernkranken fern zu halten.

Die Masernimpfung

Die Masernimpfung als Lebendimpfung mit abgeschwächten Erregern wird in Deutschland seit 1973, heute gemeinsam mit der Mumps- und Röteln- (MMR) und neuerdings auch der Windpockenimpfung (MMRV) öffentlich empfohlen. Bis heute ist neben den Mehrfachimpfstoffen auch ein Einzelimpfstoff verfügbar. Die Empfehlung der Ständigen Impfkommission (STIKO) lautet: Eine Impfung zwischen dem 11. und vollendeten 14. Lebensmonat sowie eine Zweitimpfung einen Monat nach der Erstimpfung. Nachholimpfungen sollten möglichst bis zum vollendeten 18. Lebensjahr erfolgen.

Die erste Impfung schützt in über 90%, mit der zweiten Impfung erreichen fast alle Geimpften einen Masernschutz. Der Schutz gegen Masern kann vom Arzt durch eine Blutabnahme nachgewiesen werden. Das bedeutet, dass bei über 90% der Geimpften eine zweite Impfung nicht notwendig ist. Ist der Antikörpernachweis im Blut positiv, kann er vom Arzt in den Impfpass eingetragen werden und wird weltweit als Nachweis ausreichen der Masernimmunisierung akzeptiert. Eine zweite Impfung ist nur bei Nichtansprechen der ersten Impfung notwendig. Es gibt allerdings Hinweise darauf, dass zwei Impfungen einen etwas höheren Antikörperspiegel im Blut bewirken als nur eine Impfung.

Die Dauer des Impfschutzes ist unsicher. Deshalb empfiehlt es sich in jedem Fall, z. B. vor Reisen in Entwicklungsländer oder vor einer möglichen Schwangerschaft, die Masernimmunität zu kontrollieren. Ist keine Immunität mehr nachweisbar, sollte das weitere vorgehen mit dem Arzt besprochen werden. Im Falle einer Nachimpfung ist eine Kontrolle des Impferfolgs zu empfehlen.

Eine Impfung nicht geschützter Personen kann noch innerhalb von 3-4 Tagen nach Ansteckung durchgeführt werden. Das schafft die Möglichkeit für “Riegelungsimpfungen” bei Masernausbrüchen, mit denen man Kontaktpersonen vor Ausbruch der Masern schützen und der Ausbreitung der Erkrankung entgegenarbeiten kann. Eltern von Kindern, die keine nachgewiesene Masernimmunität aufweisen, müssen mit Ausschlüssen ihrer Kinder aus Kinderkrippen, Kindergärten und Schulen rechnen, wenn dort Masern auftreten.

Nebenwirkungen der Masernimpfung

Im Einzelfall ist es schwer, das Auftreten einer neuen Krankheit einer Impfung ursächlich zuzuschreiben. Andererseits wäre es zur Klärung dieser Frage unbedingt erforderlich, jede Erkrankung in zeitlichem Zusammenhang mit der Impfung zu melden, was bisher in keiner Weise der Fall ist. Das schwächt die Aussagekraft der meisten Statistiken zur Sicherheit der Masernimpfung. Die maßgebliche wissenschaftliche Übersichtsarbeit (Cochrane Review) kam 2005 zu der immer noch aktuellen Aussage, dass es keine verlässlichen Studien zur Sicherheit und Effektivität der Masern-Mumps-Rötelnimpfung gibt.

Häufigste Folge der Masernimpfung als Lebendimpfung sind abgeschwächte Masern bei 3-5% der Geimpften in der 2. Woche nach Impfung. Diese können als Zeichen einer gesunden Reaktion des Organismus auf diese Lebendimpfung gesehen werden. Das Vermeiden außergewöhnlicher Belastungen des Organismus in den zwei Wochen nach der Impfung erscheint bei dieser Lebendimpfung sinnvoll, da der Geimpfte mit dem Impfvirus “angesteckt” wurde und diese Ansteckung aktiv überwinden muss. Fieberkrämpfe treten bei 1 von 500 Geimpften auf, andere, zum Teil schwere Nebenwirkungen relativ selten. Statistisch werden bei 1 von 200.000 Impfungen bleibende Schäden, bei 1 von 500.000 Impfungen ein Todesfall erwartet.

Masern und Globalisierung

Nach wie vor sind Masern ein gravierendes gesundheitliches Problem in wirtschaftlich armen Ländern: Weltweit starben 2003 etwa 530.000 Menschen – in der Mehrzahl Kinder – an Masern; die Sterblichkeit kann bis zu 25% und mehr betragen. In den Industrienationen kann mit einer Masernsterblichkeit in der Größenordnung zwischen 1:10.000 bis 1:1.000 gerechnet werden. Ein relativ höheres Risiko tragen Säuglinge, Erwachsene und Patienten mit Immundefekten. Diese Zahlen zeigen, dass die Masernsterblichkeit weltweit in erster Linie ein Problem der Lebensumstände in den Entwicklungsländern ist (Unterernährung, enge Wohnverhältnisse, Tuberkulose usw.).

Während die WHO 1984 die Masern bis zum Jahr 2000 weltweit durch Impfaktionen eliminieren wollte, musste dieses Ziel auf 2007, neuerdings für Europa auf 2010 verschoben werden. Aktuell scheinen Masern in Europa eher wieder zuzunehmen. Durch die großen und möglicherweise unüberwindlichen Schwierigkeiten, Masern in sehr armen Ländern zu eliminieren, verschiebt sich andererseits für die Bevölkerung der Industrienationen das Risiko, durch internationale Kontakte Masern zu bekommen, ins Erwachsenen- und Säuglingsalter. 30% der Masernkranken in der EU 2007 waren Erwachsene, 8% Säuglinge.

Welchen Sinn kann es haben, dass ein Kind Masern bekommt?

Die Frage nach dem möglichen Sinn einer Krankheit wird meist nicht gestellt. Aufmerksame Eltern erleben gerade bei den Masern oft eine tiefgreifende Reifung ihres Kindes. Andererseits sind Masern eine Kinderkrankheit: Sie verläuft ab dem 9. Lebensjahr und insbesondere ab Einsetzen der Pubertät wesentlich risikoreicher. Frauen sollten nicht ohne Masernimmunität schwanger werden und Reisen in die 3. Welt ohne Masernschutz stellen für den Reisenden wie für die dort lebende Bevölkerung ein hohes Risiko dar.

In einer Praxisstudie wurde bei 886 Kindern der Verlauf von Masern mit einem Fragebogen untersucht. Rund zwei Drittel der Kinder wirkten in der 4. Krankheitswoche, als wären sie nie krank gewesen, 40% der Kinder waren danach seltener krank als zuvor, 60 Prozent hatten nach Angaben der Eltern einen überraschenden Fortschritt in der Entwicklung gemacht. Neuere Studien zeigen, dass neben anderen Faktoren das Durchmachen von Masern eine Schutzwirkung im Hinblick auf ein Allergierisiko haben kann. Umgekehrtes gilt für fiebersenkende Arzneimittel, v. a. wenn sie im Kleinkindalter gegeben werden. Es gibt also Hinweise darauf, dass hochfieberhafte Erkrankungen im frühen Kindesalter sich auf die Reifung des Immunsystems günstig auswirken können.

Einen weiteren Gesichtspunkt zur Sinnhaftigkeit einer Masernerkrankung gibt die Anthroposophische Medizin. Sie zieht die geistig-seelische Individualität des Kindes als eigenständige, nicht von den Eltern abstammende Realität in Betracht. Diese muss und will den von den Eltern ererbten Leib individualisieren. Im Rahmen akutentzündlicher, hochfieberhafter Erkrankungen kann dies in besonderem Maße gelingen, da es dabei zu einem starken Abbau und eigenständigen Neuaufbau leiblicher Strukturen kommt. Im Fieber, in der selbst gebildeten Wärme, ist aus dieser Sicht die geistig-seelische Individualität des Kindes in gesteigertem Maße leiblich tätig. Durch das Fieber überwindet das Kind nicht nur die Maserninfektion, sondern individualisiert dabei seinen Organismus. So kann die Regulation des Immunsystems dabei ausreifen, die jeder Mensch individuell erlernen und erwerben muss. Mit der Abheilung des Ausschlags, der Bindehaut- und Atemwegsentzündung bildet das Kind neue, stabilere Leibesgrenzen aus. – Allergien entstehen, wenn der kindliche Lernprozess des Immunsystems ungenügend erfolgt oder gestört wird. Sie verlaufen typischerweise ohne Fieber und gehen mit chronisch-entzündlichen Hautausschlägen oder Entzündungen der Schleimhäute einher. Allergien werden dort häufiger, wo akut entzündliche Erkrankungen stärker unterdrückt und zurückgedrängt werden.

Es gibt also Gesichtspunkte, die einen freien, individuellen Impfentscheid rechtfertigen. Rechtlich können Eltern in Deutschland und der Schweiz selbst entscheiden, ob und wann sie ihr Kind (ggf. auch sich selbst) gegen Masern impfen lassen.

Verantwortliche Autoren

Dr. med. René Madeleyn, Kinderarzt, Stuttgart-Filderstadt
PD Dr. med. Alfred Längler, Kinderarzt, Herdecke
Dr. med. Stefan Schmidt-Troschke, Kinderarzt, Herdecke
Dr. med. Bernhard Wingeier, Kinderarzt, Arlesheim/Schweiz
Dr. med. Karl-Reinhard Kummer, Kinderarzt, Berlin
Georg Soldner, Kinder- und Jugendarzt, München

Weiterführende Literatur

Leitlinie Masern und Masern-Impfung, Der Merkurstab 61 (2008), 601–605, mit ausführlichen Literaturnachweisen.

Herausgeber

GAÄD – Gesellschaft Anthroposophischer Ärzte in Deutschland e.V., Roggenstr. 82, 70794 Filderstadt, Tel. (0711) 77 99 7-11, Fax -12, www.gaed.de, info@gaed.de

Stand April 2013 (3. Auflage)

Dieses Merkblatt und weitere Informationen stehen als Download unter www.gaed.de zur Verfügung oder können bei der GAÄD-Geschäftsstelle gegen eine geringe Schutzgebühr bestellt werden.’
‘Het aantal scholieren op Zutphense middelbare scholen is licht toegenomen ten opzichte van vorig schooljaar. (...) De Vrije School voortgezet onderwijs is gegroeid van 1014 naar 1085 leerlingen.’
Lenneke Schot van Biojournaal kwam eergisteren met het alarmerende bericht ‘EkoPlaza Nijmegen komende week nog dicht na brand. Thijs Teer: “De schade had veel groter kunnen zijn”’:
‘Woensdagavond 28 augustus is er brand uitgebroken bij EkoPlaza aan de Groenestraat 199 in Nijmegen. “De winkel moet nog een hele week dicht blijven. We hopen de winkel volgende week zaterdag of de maandag erna weer te kunnen openen. De hele winkel moet eerst grondig gereinigd worden”, reageert filiaalleider Thijs Teer.

Thijs geeft aan dat de brand ontstaan is in een container op de parkeerplaats achter de supermarkt, daarin lag afval van buurman Albert Heijn. De vlammen sloegen over op het gebouw en daardoor ontstond er brand in het hok waar de koelventilaroren staan. “Het was een flinke fik, de vlammen kwamen boven het dak uit. De brandweer was er gelukkig net op tijd bij. We hebben pech gehad, maar de schade had dus nog veel groter kunnen zijn.”

De filiaalleider ziet gelukkig ook een lichtpuntje: “In overleg met Udea wil ik de komende week het nieuwe schappenplan van EkoPlaza zo ver mogelijk wegzetten. Dat is wel het voordeel van deze nare situatie, we kunnen nu de indeling van de winkel meteen optimaliseren en waar nodig keuzes maken in het assortiment.”

Thijs had in de nacht van woensdag op donderdag amper geslapen en dat was vanmorgen goed te merken. “Ik heb vannacht enorm vast geslapen en daardoor was ik vanmorgen echt half van de wereld. Ik was zelfs de brand even vergeten, totdat ik besefte dat ik de winkel vandaag niet hoefde te openen.”

De Albert Heijn is vandaag (30 augustus) alweer open. “Zij hadden alleen wat aanslag in de winkel.” Of de EkoPlaza zaterdag 7 september of maandag 9 september weer open gaat is nog niet helemaal duidelijk. “We zullen via de website aan onze klanten communiceren wanneer ze weer boodschappen kunnen komen doen”, besluit Thijs.

Voor meer informatie: ekoplazanijmegen@odslmail.nl, www.ekoplaza.nl

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Translate

Volgers

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code