Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

dinsdag 18 juni 2013

Mayonaise

In het ‘Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009’ zijn we vandaag de vierhonderdduizend (400.000) gepasseerd. En als ik kijk op mijn Sitemeter, die bijna vanaf het begin van deze weblog in mei 2008 de tel aangeeft, zijn we nog slechts driehonderd verwijderd van driehonderdduizend (300.000) ‘visits’, dat als ‘bezoekers’, of nog beter: bezoeken (dat iets anders is dan bekeken webpagina’s), geïnterpreteerd mag worden. Dus voordat het vrijdag zomer wordt, hebben we dat mooie ronde aantal ook al gehaald.

Wat is er vandaag voor nieuws te melden? De Facebookpagina van de De Kleine Johannes Vrijeschool in Deventer komt met:
‘Goed nieuws!!! Gisteren hebben wij de hele dag bezoek van de onderwijsinspectie gehad en zij hebben ons goedgekeurd!! Wij hebben weer een zogenaamd basisarrangement voor de komende vier jaar ontvangen. Dat wil zeggen dat zij vinden dat ons onderwijs op goed peil is en zij hebben er vertrouwen in dat wij ons goed doorontwikkelen. Nu vonden wij dat zelf ook al maar het is toch erg fijn als de opdrachtgever en financier dat ook zo beoordeelt. Het mooiste compliment dat wij kregen vond ik dat wij een stevig team van leerkrachten hebben met grote pedagogische kwaliteiten.’
En de Facebookpagina van de Rudolf Steinerschool Alkmaar meldt:
‘Een groen schoolplein is niet alleen leuker maar ook beter voor de ontwikkeling van uw kind. Dat wisten we natuurlijk al, maar nu is het ook wetenschappelijk aangetoond. Gelukkig heeft onze school een van de groenste speelplaatsen van Alkmaar. Lees het artikel van de AVS: 
Groen schoolplein is beter voor het kind: Rudolf Steinerschool – Wij hebben een van de groenste schoolpleinen van Alkmaar. Dat is niet alleen leuker maar ook beter voor de ontwikkeling van uw kind, volgens de AVS. Lees het artikel.
De website van de Vereniging van vrijescholen berichtte gisteren over ‘90 jaar vrijeschoolonderwijs – conferentie 27 en 28 september Den Haag’:
‘Een samenwerking van De Vrije School Den Haag, HenS initiatieven en de Pedagogische Sectie Nederland. Al 90 jaar staan vrijeschoolleerkrachten met hart en ziel voor de klas. Met liefde voor de wordende mens en met enthousiasme voor het ontwerpen van passend onderwijs.

Een conferentie op 27 en 28 september georganiseerd door De Vrije School Den Haag, Hens initiatieven en de Pedagogische Sectie Nederland.

Het programma van deze conferentie wil inspiratie en handvatten bieden voor het dagelijkse werk in de klas! Daarbij worden steeds drie vragen gesteld:

– Wat zijn de kwaliteiten van het vrijeschoolonderwijs?
– Hoe staan we er nu in?
– En hoe zetten we de stap in/naar de toekomst?

De Vrije School Den Haag, als eerste vrijeschool in Nederland, leek de organisatoren hiervoor de meest geschikte locatie! Kom ook en laat je inspireren! Kijk voor meer informatie over de inhoud van de lezingen en de werkgroepen op: www.hensinitiatieven.nl 
Bijlages: 13-05-17-Aankondiging-met-hart-en-ziel-27-en-28-september-2013
De Facebookpagina van ‹Das Goetheanum› meldt ‘Eurythmie in Avignon’:
‘Das ‹Festival d’Avignon› ist eines der größten Festivals für Theater, Tanz und darstellende Kunst. Zum 67. Mal treffen sich im Juli drei Wochen lang Ensembles aus aller Welt. Das Festival fungiert als Brennspiegel zeitgenössischer Bühnenkunst: Es zeigt Stars, aber auch Exoten, klassisches Theater ebenso wie improvisatorisch-experimentellen Tanz – und dieses Jahr auch erstmals Eurythmie! Das Stuttgarter Ensemble ‹Mistral› hat die begehrte Einladung erhalten und führt ‹Die lachende Maske› von Victor Hugo auf.

Festival d’Avignon – ACCUEIL
Gisteren meldde ‹Das Goetheanum›:
‘‹Catching Fire› heißt der neue Jahreskurs für junge Menschen am Emerson College, der am 16. September beginnt. Auf ähnlichen Prinzipien wie das Youth Initiative Program (YIP) in Järna basierend, setzt die Initiative auf Kreativität, praktisches Handeln und Ideen, die das Zusammenleben in einer internationalen Gemeinschaft und die Suche nach dem Sinn des eigenen Lebens anregen:

Catching Fire | find meaning and purpose
En dan de Facebookpagina van Warmonderhof. Die bracht vandaag dit nieuws:
‘Warmonderhof staat in Onkruid! Het tijdschrift over spiritualiteit, persoonlijke ontwikkeling en gezondheid. Het is een prachtig artikel geworden over vier meiden op Warmonderhof. Martha, Sarah, Noa en Iris geven een openhartig inkijkje over hun leven op Warmonderhof. Het tijdschrift is onder andere te koop in iedere Albert Heijn.’
De Frankfurter Allgemeine Zeitung had een week geleden, op woensdag 13 juni, ‘Mayonnaise im Test’. Thomas Platt schreef over ‘Bequemlichkeit im Glas’:
‘Wer macht Mayonnaise schon selbst? Nein, meistens vertraut man auf das Produkt aus dem Supermarkt – und hat dort die Wahl. Zur Entscheidungshilfe ein Test verschiedener Sorten.’
En wat staat er op één in de test? Jawel, Demeter-mayonaise van De Rit. – Gisteren werd een nieuw online tijdschrift gelanceerd:
‘Welcome to Correspondences, an international, peer-reviewed online journal devoted to the academic study of Western esotericism. By providing a wider forum of debate regarding issues and currents in Western Esotericism than has previously been possible, Correspondences is committed to publishing work of a high academic standard as determined by a peer-review process, but does not require academic credentials as prerequisite for publication. Students and non-affiliated academics are encouraged to join established scholars in submitting insightful, well-researched articles that offer new ideas, positions, or information to the field.

Editors
Jimmy Elwing, rMA student, Universiteit van Amsterdam, The Netherlands.
Aren Roukema, rMA student, Universiteit van Amsterdam, The Netherlands.’
In ‘About’ schrijft de redactie:
‘Correspondences is an international, peer-reviewed online journal dedicated to the academic study of “Western Esotericism”. The editors acknowledge that the use of this umbrella term for a widely variant field of alternate scientific and religious ideas is problematic. Correspondences therefore maintains an openness toward varying interpretations of the boundaries of the field of Western Esotericism. For example, articles related to esoteric currents from other global cultural centers may be accepted if a connection to alternative currents in “western culture” is implicitly established. The following list of areas of study is provided for clarification:

Alchemy, Anthroposophy, Astrology, Eco-spirituality, Esotericism in art, literature, and music, Freemasonry, Geomancy, Gnosticism, Hermeticism, Illuminism, Initiatory secret societies, Kabbalah, Magic, Mesmerism, Mysticism, Naturphilosophie, Neo-paganism, New Age, Occultism, Occulture, Paracelsianism, Rosicrucianism, Satanism, Spiritualism, Theosophy, Traditionalism, Ufology, Witchcraft.

Correspondences encourages submissions from a variety of disciplinary backgrounds, such as History of Religions, Sociology, Art History, Philosophy, History of Science, Literature, Musicology, and Cultural Studies.’
Nu we eenmaal hier zijn beland, kan ik voor de dag komen met een oud artikel uit Vrije Opvoedkunst. Op 18 december 2011 in ‘Duister overal’ maakte ik voor het eerst gewag van het initiatief van onder meer AntroVista, dat geleid heeft tot het ‘Archief Vrije Opvoedkunst’:
‘In dit archief vindt u op termijn alle uitgaven van Vrije Opvoedkunst. Dit tijdschrift wordt sinds 1932 uitgegeven door de Vereniging voor Vrije Opvoedkunst, en heeft als doel informatie te verschaffen over de pedagogie die op de Vrije Scholen wordt toegepast. In het bijzonder ook de oudere uitgaven bevatten een schat aan informatie, geschreven door bekende auteurs van het eerste uur. De meeste van deze artikelen zijn nadien niet meer in druk verschenen; door dit archief komen ze nu weer beschikbaar.

Iedere week zal een tijdschrift worden toegevoegd, waardoor u steeds iets nieuws aantreft. Het archief start met het januari-nummer uit 1936. De tijdschriften van 1932 t/m 1935 zijn momenteel nog niet allemaal voorhanden, en zullen daarom later worden toegevoegd. Dit archief is een samenwerkingsproject met Stichting AntroVista, en wordt mede mogelijk gemaakt door de Iona Stichting.’
Op dit moment zijn er de jaargangen van 1936 tot en met 1954 te vinden. Mijn oog viel op ‘Vrije Opvoedkunst jaargang 17, nummer 4, mei 1954: De mens en zijn verhouding tot de kunsten’, en dan speciaal op de pagina’s 36 tot en met 41. Daar is in de rubriek ‘Rondblik’ een artikel van Cornelis Los opgenomen dat me herinnerde aan wat ik op 12 mei plaatste in ‘Tomtom’, een vertaling door Robert Jan Kelder van een
‘hoofdstuk over de onderliggende drijfveren voor het huwelijk tussen Willehalm, de historische Frankische 9de-eeuwse Willem van Oranje en de Arabische prinses Arabel is afkomstig uit het door de Willehalm Stichting in 2009 uitgegeven onderzoeksverslag Willem van Oranje, Parzival en de Graal – Wolfram von Eschenbach als historicus van Werner Greub.’
Cornelis Los (1895-1984) was een priester van de Christengemeenschap, over wie meer te lezen valt in ‘Deel 6 – Cornelis Los’, een onderdeel van deze reeks:
‘In de serie “Het bewogen begin” staan een aantal pioniers in de Christengemeenschap centraal. De artikelen hebben geen wetenschappelijk biografische pretenties; de levensschetsen willen weergeven wat deze pioniers heeft bewogen en welke van hun impulsen in onze tijd verder ontwikkeld zouden kunnen worden.’
Goed, genoeg ingeleid, nu zijn artikel zelf, helemaal intact overgenomen, inclusief oude spellingswijze. Het gaat niet over de negende eeuw, zoals dat andere artikel dat ik hiervoor noemde, maar over de achtste. Toch zijn hier dezelfde onderliggende tendensen te bespeuren, dezelfde strijd om de hegemonie tussen twee stromingen:
‘Iets over de betekenis van Winfrid Bonifatius (ca. 675-754)

Op 5 Juni is het twaalfhonderd jaar geleden, dat de “apostel der Friezen”, Winfrid-Bonifatius bij Dokkum werd vermoord en het jaartal 754 is een van de weinigen uit de historie van de 8e eeuw, dat elk Nederlands kind zich moet inprenten. Daardoor krijgt het een extra glans en het schijnt, alsof dit nu een van de belangrijkste gebeurtenissen uit die periode der geschiedenis zou zijn geweest. Zo verschuift het perspectief der tijden vaak de belangrijkheid der gebeurtenissen op wonderlijke wijze: stromingen, die zeer belangrijk voor de geestesgeschiedenis der mensheid zijn geweest, worden ten enen male uitgewist, alsof zij nooit bestaan hadden en een enkel feit, wel daarmee verband houdend, maar toch volkomen los er van, blijft alleen over.

Vermoedelijk zijn er maar weinig mensen, die er zich rekenschap van hebben gegeven, welke betekenis deze prediker van het Christendom in waarheid heeft gehad en wat de reden er van is, dat de R.K. Kerk hem als een heilige vereert. Laten wij iets van de feiten uit zijn leven hier spreken, die ons door zijn biografen zijn overgeleverd, aangevuld door materiaal uit zijn bewaard gebleven brieven, dan blijkt daaruit van zelf, welk een tragische rol deze man op een kentering der tijden heeft moeten vervullen. Door de machten, die als noodzakelijk remmende krachten in de voortstuwende stroom der geschiedenis zo vaak moeten optreden, werd hij als een instrument gebruikt om beslissend in te grijpen in de uitgebreide werkzaamheid, die de uit Ierland afkomstige geloofspredikers op het vasteland van Europa hadden ontplooid. Het bestaan van deze autonome christelijke kerk is voornamelijk af te lezen aan het werk van een Columbanus (± 615) in de Elzas en Noord-Italië, maar naast hem waren vele Ierse geestelijken de stichters van de oorspronkelijke christelijke gemeenten in het Noordwesten en midden van Europa. Deze stroming putte haar geestelijke inspiratie direct uit de goddelijke wereld, daarin begunstigd door een bijzondere aanleg tot helderziende waarneming, die het Keltische ras eigen is.

Reeds in het midden van de 7e eeuw heeft Rome in Engeland een felle strijd gevoerd tegen de Oud-Ierse Kerk. die zij langzaamaan wist te verdringen. Zij maakte daarbij gebruik van de intellectueler aangelegde Angelsaksers, die een veel sterkere zin tot waarneming der uiterlijke wereld hadden, dan het op de hogere werelden gerichte gemoed der Ieren. Een merkwaardig, sprekend voorbeeld van deze Angelsaksische aard is de “Kerkgeschiedenis der Engelse stammen” door Beda Venerabilis geschreven. Een rustige, objectieve beschouwing der zich afspelende gebeurtenissen op aarde treedt hier in de plaats van de voor ons gevoel veelal zo verwarde, namelijk nog geheel met phantasievolle beelden doorweven stijl der kronieken, vooral interessant, omdat deze man toch van een grote sympathie voor de Oud-Ierse Kerk blijk geeft. Men kan uit zulk een feit ook voldoende begrijpen, dat de voortgang van het denkende bewustzijn der cultuur-mensheid het voorlopige verdwijnen van zulk een van nature gegeven helderziende aanschouwing eiste. De Roomse Kerk knoopte vooral aan bij deze nuchtere, op de verovering der aarde gerichte gezindheid der Angelsaksische vorsten. Deze hadden veel meer begrip voor de simpele, intellectuele formules, waarin hun de geloofsmysteriën op gezag der kerk werden overgeleverd, dan voor de zoveel dieper en inniger met een hogere wereld levende hartekrachten der leren. Daar kwam nog een belangrijke kwestie bij: de onbetwistbare suprematie van de apostolische autoriteit van Rome over de gehele christenheid gaf een veilig gevoel van bescherming en eenheid aan de nog jonge en kleine vorstendommen. Toen op de beslissende synode van Streneshealch in 664 Wilfrid met alle kracht de oude autoriteit van Petrus op de voorgrond bracht, kon Bisschop Colman der Ieren zich “slechts” op Christus beroepen. Vervingen dus de Angelsaksers hun Ierse voorgangers in Engeland, op het vasteland vond dezelfde gang der gebeurtenissen plaats.

Tegenover de op geestelijke kracht steunende Ierse geloofsgemeenschappen, die door hun genezende, cultuur-scheppende daden in de primitieve Germaanse stammen zuiver “aantrekkelijk” op hun omgeving wilden werken, zoals dit van Columbanus en diens medewerkers zelfs door de Roomse bewerking der “levens” heen klinkt, trad met al de hoogmoedige autoriteit van Rome de uit Wessex geboren Angelsakser Winfrid op. Men kan zich géén grotere tegenstelling tussen deze mensen denken. Zo groots en vrijmoedig de eerste uit de innerlijke leiding van de geest alles in de weegschaal werpt om in onherbergzame wouden het licht van Christus in een alle bezwaren trotserende gemeenschap te doen stralen, zo angstig klampt de ander zich aan elke regel der pauselijke decreten vast, die hij in Rome maar heeft kunnen bemachtigen. Even moedig als Columbanus het waagde om de brutale overmacht der Frankische vorsten het hoofd te bieden, even onderworpen dong Winfrid naar hun gunst, om steunend op hun uiterlijke kracht overal de reeds bestaande geloofsgemeenschappen aan de juridisch dwingende macht van Rome te onderwerpen.

Vermoedelijk zal in de omstreeks 675 geboren en in het Benedictijner klooster Nutshalling in Z.W. Engeland opgevoede jongeling al vroeg bet ideaal zijn opgerezen, om later de heidense Friezen tot het Christendom te bekeren. Als 42-jarige man stak hij naar Holland over, maar kwam daar op het ongelegenste ogenblik aan. Juist had de koning der Friezen Radboud een belangrijke overwinning op de Franken behaald (716). Winfrid, die vermoedelijk daar zijn werk met ondersteuning van de Frankische hofmeier Karel Martel hoopte te beginnen, moest onverrichterzake terugkeren. Karakteristiek voor zijn gehele gedragswijze is nu het eerste, wat hij daarna deed; hij reisde naar Rome, waar hij enige maanden bleef. (718).

In de volmacht, die Paus Gregorius II hem op 15 Mei 719 overhandigde, werd hij voor de eerste keer met zijn nieuwe naam Bonifatius (d.i. die het goede volbrengt) genoemd. Terwijl een Willebrord (die ondanks zijn Roomse wijding toch de Ierse kerk in zijn hart trouw bleef) nauwelijks de hem door Rome gegeven naam Clemens ooit heeft gebruikt, heeft Bonifatius van die dag af aan zich nooit meer met zijn oorspronkelijke naam Winfrid genoemd (voor zijn waardering en onderworpenheid aan het pausdom hoogst karakteristiek, zegt Michael Tangl *).

Deze in zeer algemene bewoordingen luidende missiebrief van de paus wijst Bonifatius géén bepaald arbeidsveld aan, zoals dit gebruikelijk was, maar legt er vooral de nadruk op de voorschriften en gebruiken der R.K. Kerk zorgvuldig te verspreiden. Daaruit blijkt van begin af aan zijn zending als tegen de Oud-Ierse missie gericht, wat nog versterkt wordt door de bijzondere formule, die in zijn belofte van trouw aan de kerk was opgenomen en die Bonifatius voor zijn bisschopswijding op 30 November 722 in Rome onder ede bekrachtigde. Deze aparte formule luidde: “Ik beloof de omgang met bisschoppen, die tegen de inzettingen van de kerkelijke leer handelen, te mijden”. Daar men toenmaals in deze Noordelijke streken nauwlijks ketterse afwijkingen zal hebben gekend, is het duidelijk, dat dit alleen op de overal werkzame Ieren kan slaan. Alleen wordt noch in de pauselijke brieven, noch door Bonifatius deze Oud-Ierse gemeenschap ooit bij name genoemd. Zo kon de treurige geschiedvervalsing optreden, dat zij, die slechts volgens archiefstukken geschiedenis schrijven, het bestaan van een bloeiende christelijke kerk helemaal niet konden opmerken, zo grondig is daarvan elk spoor uitgewist!

Bonifatius reisde daarna – volgens zijn biograaf Willibald **) – door de “onbekende streken van Beieren”. Zoals men merken zal, was deze Willibald nogal een humoristisch heer. Beieren is hier nu plotseling een soort niemandsland, omdat hier, zoals later duidelijk blijkt, een uitgebreide Ierse zending met succes werkzaam was, die de daar heersende vorsten langdurig en hardnekkig zijn blijven beschermen, Daarom ging Bonifatius door naar Thüringen. Het is grotesk om te lezen, hoe de toenmalige kronisten op honigzoete wijze de waarheid wisten te verbloemen. In plaats van daar te prediken, wat toch zijn taak was, “vloog hij – volgens Willibald – met zacht gezoem der vleugels als een ‘vernuftig’ bijtje om het grote getal geurende bloemen heen”, etc.

Wie uit andere bronnen iets van deze geschiedenis af weet, leest uit dit schone beeld, toch wel waarderend voor de reeds aanwezige christenzielen, dat het de rondzwevende heilige man dus niet gelukt is, zich hier veilig neer te zetten. Ook in dit gebied hadden de Ieren, o.m. St. Kilian uit Würzburg, zoveel werk verricht, dat Hertog Heden van Thüringen, Willebrord zijn vader in Christo noemde. Het voorafgaande wil dus eenvoudig weg zeggen, dat de Christenen niet op de verlokkingen van Rome ingingen. Maar nu komen er verder in Willibald’s verhaal enige karakteristieke benamingen der Ierse predikers voor, die in roomse beschrijvingen dezer missionarissen als altijd terugkerende epitheta ornantia hen met afgrijzen bestempelen. De Ierse priesters onderscheiden zich n.l. onder meer van de Roomse priesters, door het uiterlijke feit, dat zij wel gehuwd waren, terwijl het streven van de RK. Kerk toen al sterk in de richting van het celibaat ging. Willibald schrijft daarover omtrent Thüringen, “dat ook hier de geestelijken en priesters (waar Bonifatius dus zonder veel succes zo vredig om heen zoemde), waarvan weliswaar enkelen de dienst van den almachtigen God volbrengen, anderen daarentegen besmeurd en verontreinigd door hoererij, de kuise onthouding, die zij als dienaren der heilige altaren dienden te bewaren, verloren hadden.” De overweging, dat de algemene invoering van het celibaat der priesterschap eerst vanaf de 5e eeuw door Rome sterk werd bevorderd – een der maatregelen, om de afstand en de macht van de clerus over de leken te versterken – maar wat in feite, zoals uit de actes der concilies genoegzaam blijkt heel moeilijk ingang vond, is reeds voldoende om te begrijpen, dat dit voorschrift in de Oud-Ierse geloofsgemeenschap onbekend was. Uit de nog bestaande abtslijsten der tot in de 12e eeuw in Schotland onafhankelijk van de kerk van Rome levende culdëische gemeenten blijkt duidelijk, dat hun geestelijke leiders, abten of vaders genoemd, elkaar ononderbroken als vader en zoon zijn opgevolgd. Maar ook de Oostelijke Grieks-Katholieke Kerk, waar het celibaat niet is doorgedrongen, behield immers deze oud-christelijke positie der geestelijkheid.

Als Bonifatius dus onophoudelijk over de zogen. fornicatores d.w.z. gehuwde geestelijken ach en wee riep, zo kwam dat slechts uit zijn roomse politiek voort, evenals alles, wat voortdurend door hem over “valse” priesters werd beweerd: de trouwe opvolging van pauselijke richtlijnen.

In hetzelfde jaar 719 (waarin Bonifatius zijn pauselijke volmacht tot de zending ontving), stierf Koning Radboud en dit was voor Bonifatius een welkome reden, om naar Friesland te reizen en Bisschop Willebrord te Utrecht te bezoeken. Ook hier speelde zich een modern conflict af tussen de beide mannen die elkaar volkomen verkeerd begrepen, omdat zij uit twee verschillende werelden spraken; een duidelijke illustratie van de volkomen andere instelling en geaardheid der Ierse en der R.K. Kerk. Willebrord drong er natuurlijk op aan, dat Bonifatius met alle kracht nu zijn missie-arbeid onder de moeilijke Friezen zou ondersteunen, ja deze eenvoudige christen hoopte volgens het gebruik der Ierse Kerk, Bonifatius tot zijn opvolger te kiezen. Deze kwam eerst na heel wat voorwendsels met zijn werkelijke bezwaren daartegen voor den dag: “als afgezant van de Apostolische Stoel was het hem niet geoorloofd, zonder diens uitdrukkelijk bevel de wijding tot zulk een belangrijke positie te ondergaan.” Volkomen onbegrijpelijk voor de Ieren, bij wie het ambt van bisschop een zuiver geestelijke functie betekende, maar geen enkele graad van jurisdictie bezat.

Daarop keerde Bonifatius – dus zonder iets in Friesland te hebben verricht – naar Thüringen terug en het duurde nog vele jaren, eer hij voor de hem gegeven opdracht enig resultaat kon behalen. A. Ebrard heeft in zijn belangwekkende studie: “Bonifatius, der Zerstörer des columbanische Kirchentums auf dem Festlande” ***), de zeer waarschijnlijke reden opgespoord, waarom eerst in het jaar 732 een ommekeer optrad en het sindsdien Bonifatius steeds meer gelukte de in Thüringen bestaande kerk van Rome te onderwerpen.

Nog in dit zelfde jaar klaagde hij aan een oude vriend zijn nood, toen hij aan Bisschop Daniël van Winchester in zijn angelsaksisch vaderland schreef, “hoe moeilijk de strijd tegen de valse priesters en huichelaars hem viel: zonder de bescherming van den Frankischen vorst (Karel Martel) kan ik het kerkvolk niet leiden en de priesters, clerici, monniken en maagden Gods niet beschermen” (!) ****). Dat was immers volkomen de manier, waarop door Rome de grondslagen der kerk in deze gewesten werden gelegd. Ebrard veronderstelt terecht, dat Bonifatius op de dood van Hertog Heden II van Thüringen heeft moeten wachten, eer het hem, door Karel Martel gesteund, kon gelukken de Ierse gemeenten aan zich dienstbaar te maken. In een antwoord van Paus Gregorius III aan Bonifatius (ep. 45) wordt op deze wereldlijke steun duidelijk gewezen. Deze zelfde paus verhief Bonifatius direct na zijn intrede tot aartsbisschop. Zodoende kon Bonifatius zich in 738 naar Beieren begeven, om daar een nog veel moeilijker te bereiken usurpatie tot stand te brengen. Ofschoon Paus Gregorius in een brief verzekert in Beieren slechts één bisschop: Vivilo van Passau, te hebben gewijd, richt hij merkwaardig genoeg eens een zeer kort aangebonden schrijven, zelfs zonder de gebruikelijke begroeting aan hoogwaardigheidsbekleders, aan meerdere met name genoemde, dus Ierse bisschoppen, met de opdracht: “den bij ons vertoevenden Bonifatius als onze vertegenwoordiger met de hem toekomende en verschuldigde eerbied te ontvangen”. Bovendien beveelt hij aan dezelfden: “De gebruiken en leringen van het heidendom òf uit Britannië afkomstige òf van valse, dwalende of in echtbreuk levende of ronddolende priesters moet gij (!) afwijzen, vervolgen en afleggen.” (Ep. 44). Men voelt uit dit karakteristieke òf, waardoor heidendom en de overige bekende aanduidingen der Ierse geestelijken synoniemen worden, hoe de paus de moeizame arbeid van zijn mede-christenen waardeert! Volgens zijn standpunt zijn niet door Rome gevolmachtigden eenvoudig heidenen en echtbrekers. Aldus blijkt de ware toestand in de zuidelijke streken van Germanië uit dit zeer verhelderende schrijven uit Rome aan de Abt-bisschoppen van Regensburg, Spiers, Constanz en Straatsburg: welk een uitgebreide betekenis de columbaanse zending hier bezat. Van Salzburg bezitten wij zelfs een lijst der abtbisschoppen van 696 af, waar in het jaar 745 de geleerde, uit Ierland afkomstige Bisschop Virgilius, beroemd wegens zijn kosmologische leringen, o.m. dat de aarde rond was, zijn zetel innam en zich daar tot zijn levenseinde in 784 wegens zijn groot aanzien heeft weten te handhaven.

Na de dood van Karel Martel in 741, ontstond voor Bonifatius een nog gunstiger situatie, toen de Rome zeer toegedane zoon van Karel Martel, Karloman, als zijn aandeel aan het rijk Austrasië, Zwaben en Thüringen ontving. Niet alleen kreeg Bonifatius nu volledig de vrije hand in Thüringen, maar hij kon zelfs ook in Oost-Frankrijk de bloeiende gemeenten onder leiding van talrijke opvolgers van Columbanus in zijn geest “organiseren”. Frankische synodes vaardigden strenge bepalingen uit tegen de “rondtrekkende en onzedelijk levende bisschoppen” (wij weten nu langzamerhand wel, wie dat zijn), die zich niet aan het gezag van een aartsbisschop willen onderwerpen.

De verovering van Alemannië en Beieren door Karloman stelde eindelijk de R.K. Kerk in staat ook deze gebieden onder haar jurisdictie te brengen, wat door de Synode van Soissons in 744 nog met het door Pepijn de Korte beheerste Neustrië werd uitgebreid. De uiterlijke macht van Bonifatius was door dit verbond met de invloedrijke Karolingers zo toegenomen, dat hij in 745 er zelfs toe durfde overgaan, om een paar van de hardnekkig vervolgde priesters, Aldebert en Clemens, als afschrikwekkend voorbeeld in de gevangenis te doen opsluiten. Aldebert schijnt op zijn vlucht om het leven te zijn gekomen; van de lotgevallen van Clemens is niets naders bekend.

In zijn laatste levensjaren trad Bonifatius tegen de aanspraken van het Bisdom Keulen op, die men daar over de zetel van Utrecht wilde laten gelden en wel merkwaardig genoeg: uit eerbied voor diens stichter Willebrord, “want men wilde niet, dat Utrecht een aan een rooms bisschop onderworpen bisschopszetel zou worden.” De pauselijke kerkelijke organisatie streefde er in die tijd namelijk naar Keulen tot een metropolitaanzetel te verheffen en niet Mainz, welke laatste stad eerst in 782 tot aartsbisdom werd verheven. Midden in deze bemoeiingen van de uit Rome organiserende kerk is de grijze Bonifatius eindelijk van Utrecht uit naar het land der Friezen vertrokken, alsof hij zich zijn jeugdige idealen herinnerde, waar hij dan spoedig daarna op 5 Juni 754 de dood heeft gevonden.

Wij zien in deze zeker met een buitengewoon organisatie-talent begaafde man een persoonlijkheid, die door het lot werd gebruikt om aan de christelijke stroming, die de harten der Germaanse stammen vervulde, een strenge vorm en ordening te geven, waardoor zij veel van haar oorspronkelijke spiritualiteit inboette. Maar het zeer kinderlijke en onzelfstandig denkende gemoed had stellig deze strenge opvoeding nodig, die in de loop van de 8e eeuw een eind maakte aan de geestelijke arbeid der Ieren en hun edel werk zelfs geheel in vergetelheid deed geraken. Veeleer als organisator en verdrijver van het reeds zo vruchtbaar begonnen werk is Bonifatius te beschouwen dan als een zelfstandig prediker en missionaris en hij heeft daarbij geen middelen geschuwd, om het hem door Rome opgedragen werk te volbrengen.

*) In diens inleiding tot de uitgave der brieven van Bonifatius (Geschichtschreiber der deutschen Vorzeit, Bd 92, Leipzig 1912).
**) In: Geschichtschreiber der deutschen Vorzeit. Band 13 (Leipzig 1920).
***) Gütersloh, 1882.
****) M. Tangl, Briefe, Ep. 63.’
Ik vermoed dat dit artikel later onderdeel is geworden van het boek ‘De Oud-Ierse kerk’ van de auteur, dat in 1975 verscheen bij Vrij Geestesleven, en daar een hoofdstuk van vormt. Maar dat heb ik nog niet kunnen verifiëren. En ja, dit is nog niet genoeg. Ik heb ook nog een ander degelijk artikel voor u. Vooral voor de architecten onder u, en de architectuur-minnenden en -geïnteresseerden. Op 1 december 2012 had ik hier in ‘Karate’ al een studie van Uwe Werner geplaatst. Dat kwam uit ‘Anthroposophie weltweit Nr. 12, 1. Dezember 2012’ en ging over ‘Bauvorhaben am Goetheanum. Standort der Gruppe im Goetheanum’. Intussen is het juninummer, ‘Anthroposophie weltweit Nr. 6’, verschenen (net zo min online), met op de bladzijden 8 tot en met 12 een nieuwe studie van Uwe Werner, dit keer over het ‘Zweites Goetheanum: Studie zur Dachhöhe und -form’:
‘Zu den Planungsvorgängen für den zweiten Goetheanumbau 1924/25
Vom Entwurfsmodell zur Ausführung

In einer Petition* zur Generalversammlung der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft 2013 wurde die Dachhöhe und -form des zweiten Goetheanumbaus thematisiert. Der Vorstand am Goetheanum bat daraufhin Uwe Werner, die historischen Bedingungen zu diesem Punkt zu recherchieren und zugänglich zu machen.

Im Zusammenhang mit den aktuell geplanten Renovierungsarbeiten am Goetheanumbau sind folgende Fragen wieder aufgetaucht:

1. Die Architektenzeichnungen für die erste Entwurfseingabe bei den Baubehörden im Mai 1924 ergaben eine geschätzte Scheitelpunkthöhe von 44 Meter. Wie kam die Reduktion auf 37 Meter (410 Meter über Meer) in der Ausführung zustande?

2. Das plastische Entwurfsmodell, das Steiner im März 1924 im Maßstab 1:100 entwarf, misst aber im Scheitelpunkt 38,5 Zentimeter und nicht 37 Zentimeter, was in der Ausführung einer Höhe von 38,5 Meter entsprochen hätte.[1] Wie löst sich dieser Widerspruch?

3. Der erste Goetheanumbau maß im Scheitelpunkt der großen Kuppel 34 Meter. Es war aber in dieser Zeit immer wieder die Rede davon, dass der zweite Bau nicht höher als der erste werden sollte. Wie kam es zu dieser Differenz?

4. Das Entwurfsmodell enthält in der Dachführung eine deutliche Abstufung des Ostteils. Diese findet sich nicht in der Ausführung. Wie kam es dazu?

5. Zum Orchstergraben

Der Kontext

Die Vorplanungen für den zweiten Goetheanumbau zogen sich über die Monate März bis Dezember 1924 und auch noch darüber hinaus hin. Erst Anfang Januar 1925 wurden die ersten Fundamente gegossen. Die Vorgänge fanden vor dem Hintergrund einer extrem kontroversen öffentlichen Diskussion und reger Kontakte des Vereins des Goetheanum mit den Behörden in Solothurn und in Dornach statt.[2] Das Geschehen lässt sich weitgehend dokumentieren, Einzelnes bleibt aber im Ergebnis dieser Recherchen thesenartig.

Grundsätzlich war es ein lebendiges Entwicklungsgeschehen. Was damit für den Bau gemeint ist, verdeutlicht eine Schilderung des von Steiner geschätzten Architekten Ernst Fiechter von Februar 1925: «Was an Planskizzen und Modellansichten veröffentlicht worden ist, in der Sondernummer des ‹Goetheanum› vom 18. Dezember 1924 und in verschiedenen Tagesblättern der Schweiz, gibt nur eine skizzenhafte Vorstellung der Absichten, die Dr. Steiner mit dem neuen Bau in Beton vorhat. Es ist noch gar nicht möglich, Fertiges zu zeigen, denn über die erste allgemeine Idee hinaus ist zurzeit noch kaum etwas gediehen. Es wird in Dornach anders gearbeitet, als das sonst heute üblich ist. Unserem maschinellen, auf äußerste Nützlichkeit gestellten Zeitalter ist auch das Bauen unterworfen: man spricht ja schon von Wohn-Maschinen. Auch dort wird ein Plan als Grundlage geschaffen. Aber das einzelne entsteht durch die unmittelbare Anregung und persönliche Anleitung von Dr. Steiner selbst. Die Entscheidung fällt im Augenblick, wo die Mauer, die Türe, das Fenster entstehen soll, unmittelbar aus der Anschauung der Zusammenhänge heraus. Daher sind die bestehenden, von den kantonalen Behörden zur Erteilung der Bauerlaubnis verlangten Pläne nicht als endgültige Risse anzusehen, sondern eben nur als ein allgemeiner Ideenplan. Man kann daraus und am Modell in Dornach ersehen, wie etwa die Gestalt des neuen Baues werden soll.»[3]

Am plastischen Entwurfsmodell Steiners lässt sich das «im Entstehen Befindliche», das Unabgeschlossene auch heute erleben. Die Dynamik des Gewollten ist deutlich, verlangt aber für die Übertragung in ein Ausführungsmodell und in Architektenpläne mit eindeutigen Linien und Flächen, die eben zeichnerisch genau sein müssen, ein erhebliches Maß an Kompetenz und Einfühlungsvermögen seitens der beteiligten Architekten und Künstler. Das waren neben Ernst Aisenpreis, der schon leitender Architekt am ersten Goetheanumbau gewesen war, die Architekten Hermann Ranzenberger und – der ab Juni 1924 im Baubüro mitarbeitende – Albert von Baravalle sowie die Bildhauer und Maler Carl Kemper und Oswald Dubach.[4]

Die Höhenreduktionen von 44 Meter im Entwurf auf 37 Meter in der Ausführung

Die beiden ersten Fragen werden hier zusammen behandelt, weil die dazugehörigen Entwicklungen ineinandergreifen.

Zum Verständnis gehört die Tatsache, dass Steiner sein Entwurfsmodell auf einem grob zugeschnittenen Holzsockel errichtete, der wie im ersten Bau sechs Zentimeter hoch war und den östlichen Teil nicht umfasste. Zweitens waren die Entwurfszeichnung des Architekten so wie erste künstlerische Zeichnungen eines vorgestellten, für alle noch ungewohnten Baues in der Dachführung bis zum Scheitelpunkt gegenüber dem Modell nur scheinbar genau, letztlich aber deutlich überhöht ausgeführt (vgl. den Längsschnitt vom April 1924 in Abbildung 1). Als die Solothurner Behörden diese als Teil der Voreingabe im Mai 1924 erhielten, maßen sie die Höhe des Scheitelpunktes mit 44 Meter und forderten eine Reduktion, allerdings ohne genauere Angaben. Auch die Gemeinde Dornach, die in die Vorgänge einbezogen wurde, hielt das Projekt für zu hoch.

Am 4. August versammelten sich Vertreter der Regierungen von Solothurn und Liestal sowie Gemeinderäte aus Dornach und Arlesheim auf dem Bauplatz. Steiner erläuterte ihnen das Modell im Glashaus. Ob dabei auch die Frage der Höhe erörtert wurde, ist nicht dokumentiert, aber nach den weiteren Vorgängen nicht unwahrscheinlich, denn Steiner sagte bei der Beratung zu, dass der Bau mit hohen Bäumen umgeben werde, damit die «aus der Anthroposophie hervorgehenden Formen niemand werden stören können».[5]

Dokumentiert ist, dass es auch um Fragen der Feuersicherheit ging.[6] Ab 9./10. August war Steiner in Großbritannien. Am 3. September war er zum letzten Mal mit der Lehrerschaft in Stuttgart zusammen. Nachts ging die Fahrt nach Dornach zurück. Am nächsten Tag, dem 4. September 1924, reiste Steiner, begleitet von Albert von Baravalle, nach Solothurn. Dort betonte er mit Vehemenz die Notwendigkeit, dieses Projekt zu realisieren. Die Behördenvertreter waren von Steiners Engagement sichtlich beeindruckt. Einer von ihnen klopfte ihm beruhigend auf die Schulter mit der Bemerkung: «Herr Doktor, Sie bekommen Ihren Bau!»[7] Bei dieser Zusammenkunft sagte Steiner eine Reduzierung des Projekts durch eine geänderte innere Einteilung des Baues in der Höhe um sieben Meter zu.[8] Das bedeutete, dass der Bau in der Ausführung im Scheitelpunkt 37 Meter messen sollte. Am 9. September beschloss der Solothurner Regierungsrat, unter dieser und anderen Bedingungen (zum Beispiel die Ausgestaltung des Ostteils und die Baumumgebung) das Bauvorhaben zu genehmigen.[9]

Am 10. November 1924 bestätigte der Verein des Goetheanum mit den Unterschriften von Rudolf Steiner und Ita Wegman, dass die Änderungen nun vorgenommen wurden und mit den dazugehörigen Plänen die formelle Baueingabe an die Regierung des Kantons Solothurn eingereicht werde.[10] Die Architektenpläne der zweiten Baueingabe im November 1924 entsprachen deutlich genauer dem Modell Steiners, da sie sich dessen Proportionen eindeutig näherten (vgl. den Längsschnitt vom November 1924 in Abbildung 1).

Abb. 1: Längsschnitte und Grundrisse für den zweiten Goetheanumbau von April und November 1924 (in: ‹Stil›, Sonderheft Michaeli 1994, S. 19, hier aus: Christiaan Stuten: Die künstlerische Entwicklung Rudolf Steiners vom ersten zum zweiten Goetheanumbau, Dornach 2001, S. 84)

Gegenüber dem Modell ergab die zeichnerische Überhöhung der Voreingabe vom Mai aber nur 5,50 Meter (44 Meter minus 5,50 Meter = 38,5 Meter). Es fehlten also noch 1,50 Meter Höhenreduzierung.

Nun stand das Modell noch auf dem Sockel von sechs Zentimeter, der der Terrassenhöhe des ersten Baues entsprach. Inzwischen hatte eine Nachprüfung ergeben, dass der Betonsockel des ersten Baues so brüchig war, dass er den vorgesehenen Bau nicht hätte tragen können. Die neue Terrasse wurde um rund einen Meter niedriger konzipiert, zusätzlich um den Ostteil gelegt und auch in ihrer Ausformung der Architektur des zweiten Baues angepasst.

Von der Absenkung der Gesamthöhe um sieben Meter bleibt somit ein halber Meter ungeklärt: fünf Millimeter an der Modellhöhe. Für deren Reduktion gibt es zwei Annahmen:

Erstens liegt die Terrassenhöhe je nach Messpunkt zwischen 4,5 und 5,5 Meter, da das Terrain, auf welchem der Bau errichtet ist, nicht vollkommen waagerecht ist. Damit kann die Höhe der Terrasse unterschiedlich eingeschätzt werden.

Ein Zeugnis des Kollegen von Kemper, Albert von Baravalle, spricht aber für eine andere Erklärung: Er berichtete, dass die maximale Höhe von der Baubehörde nach der zweiten Baueingabe vom 11. November 1924 nochmals leicht reduziert worden sei. Die eingereichten Pläne entsprachen offensichtlich genau dem Entwurfsmodell nach Absenkung der Terrasse um etwa einen Meter, ergaben also eine Höhe von 37,5 Meter, nicht aber der von Steiner vorgeschlagenen und genehmigten Höhe von 37 Meter. Diese Reduktion habe den Modellentwurf aber nur um weniges getroffen, jedoch genug, um die Formen für die Ausführung nicht von dem Modell unmittelbar übertragen zu können.

Um sich von der Tragweite einer solchen Änderung ein Bild machen zu können – so schilderte es von Baravalle –, vergegenwärtige man sich die Verstellung, welche ein Antlitz erfahren würde, wenn es auch nur um einen halben Zentimeter in der Höhe zusammengepresst werden würde.[11] Diese geringfügige, aber nichtsdestoweniger hochkomplizierte Höhenreduktion wurde mit Erfolg durch eine leichte proportionale Zusammenziehung erreicht, gelang aber nicht für die Westseite. Hier war es Carl Kemper, der die Westfront direkt vom Entwurfsmodell übernahm und die notwendige Verkürzung in die Dachflächen verlegte (vgl. hierzu das Profil der Dachführung im Längsschnitt zwischen Modell und Ausführung in Abbildung 3).[12]

Auch Rex Raab ging in seiner späteren Publikation davon aus, dass mit der nun allein zuständigen Baukommission nach der Baueingabe vom November 1924 noch eine durchschnittliche Höhenreduktion von 0,60 Meter vereinbart wurde. Das entspricht in etwa dem fehlenden halben Meter, der zusammen mit der um einen Meter niedrigeren Terrasse den Höhenunterschied zwischen Modell (38,5 Meter) und Ausführung (37 Meter) verständlich macht.[13] Dieser ist in der Abbildung 3 von Rex Raab verdeutlicht worden.[14]

Die Höhendifferenz zwischen dem ersten und zweiten Bau

Nun muss aber noch die Frage gestellt werden, warum Steiner am 4. September gerade eine Bauhöhe von 37 Metern vorschlug, während der erste Bau im Scheitelpunkt der großen Kuppel bei 34 Metern gelegen hatte. Für die Solothurner und Dornacher Behördenvertreter war das Argument, der zweite Bau solle nicht höher als der erste werden, nicht relevant, denn beide hätten wie gesagt auch eine Höhe von 40 oder 41 Metern akzeptiert (vgl. Abbildung 2). Gerüchteweise war verbreitet, dass der erste Bau 37 Meter hoch gewesen sei. Zumindest für diejenigen Teile der Öffentlichkeit, die dem Bauvorhaben skeptisch bis feindlich gegenüberstanden, war es wichtig, zu betonen, dass der zweite Bau nicht größer projektiert sei als der erste. Gerhard Bölin hatte mit seinem ‹Aktionskomitee gegen den Neubau› noch nach der engültigen Zusage der Solothurner Behörden im November eine Eingabe in Bern gemacht und auch noch im Dezember von Steiner persönlich Änderungen gefordert. Das geht aus Steiners Schreiben vom 30. Dezember 1924 an den Vorsitzenden der Schweizerischen Vereinigung für Heimatschutz, Gerhard Bölin, örtlich der größte agitatorische Gegner des Projekts, hervor: «Ich war durchaus darauf bedacht, den Bau nicht größer zu machen, als der erste war. Und so brachte ich ein Modell zustande, das nach Höhe und Horizontalausdehnung genau dem vorigen Goetheanum gleich war.»[15] Das «genau» stimmte so nicht, und diese überspitzte Formulierung lässt sich wohl nur vor dem Hintergrund des eben Gesagten verstehen: Hätte man jetzt – nachdem die behördliche Genehmigung vorlag – von sich aus diese Höhendifferenz ins Spiel gebracht, wäre das ganze Projekt unnötig in Gefahr gewesen. Entscheidend war die offizielle Genehmigung, nicht der vom ‹Aktionskomitee gegen den Neubau› aufgewiegelte Teil der Öffentlichkeit.

Abb. 2: Schreiben des Landammanns des Kantons Solothurn an den Gemeindeammann der Einwohnergemeinde Dornach vom 18. November 1924 (Polizeiakten des Kantons Solothurn. Dokumentation am Goetheanum)

Denn dass der zweite Bau in diesem Punkt aus architektonischen Gründen höher sein musste, geht unmittelbar aus der unterschiedlichen Lage der beiden Scheitelpunkte hervor: Sie liegen nicht auf derselben Vertikale, weil der Scheitelpunkt des zweiten Baus weiter westlich liegt, da die Dachführung in der Dynamik des zweiten Baus noch ansteigend ist, nachdem der Scheitelpunkt des ersten Baus überschritten ist. Das zeigt sich, wenn die Längsschnitte der beiden Bauten übereinandergelegt werden (vgl. Abbildung 3).

Abb. 3: Längsschnitt des zweiten Goetheanumbaus im Vergleich zum Entwurfsmodell Rudolf Steiners (gestrichelte Linie) und zum Längsschnitt des ersten Goetheanumbaus (in: Rex Raab: Sprechender Beton, Dornach 1972, S. 60/61)

Dass Steiner «in etwa» den zweiten Bau in der Größe des ersten plante, ist gewiss. Dass dieser aber schon wegen der wachsenden Gesellschaft insgesamt andere, größere Dimensionen haben musste, geht daraus hervor, dass wesentlich mehr Räumlichkeiten geplant werden mussten, als das im ersten Bau der Fall war, und dass der architektonische Ansatz ein ganz neuer war. So ‹umschließt› der zweite Bau im Wesentlichen die Raumausdehnung des ersten, ist mit dieser aber nicht identisch.[16]

Modell und Ausführung des Ostteils im zweiten Goetheanumbau

Es ist aus dem Vorhergehenden eindeutig, dass die Erhöhung des Ostteils in der Ausführung gegenüber dem Modell nicht auf die geschilderte geringe Höhenreduktion des Daches zurückzuführen ist (siehe Abbildung 3), sondern auf andere, im folgenden geschilderte Vorgänge.

Von der auf Bühnentechnik spezialisierten Maschinenfabrik Wiesbaden wurde am 10. September 1924 – einen Tag nach dem prinzipiellen Einverständnis des Regierungsrates – ein Angebot erbeten.[17] Die Verhandlungen zu Details des Angebots, das nach Vorgesprächen am 28. Dezember eintraf, zogen sich dann parallel zur Bautätigkeit über die Jahre 1925 und 1926 hin, bevor das Baubüro (Aisenpreis) 1927 die ersten Aufträge erteilte. Dazu ist eine umfang- und detailreiche Korrespondenz überliefert. Rudolf Steiner selbst hat keine Aufträge für die Erstellung der Bühnentechnik erteilt.

Aus dem Briefwechsel geht hervor, dass das Baubüro am 31. Januar 1925 der Maschinenfabrik einen neuen Längen- und Querschnitt (Plankopien 28 und 29) zuschickte, in welchem die von dieser im Schreiben vom 28. Dezember 1924 ausdrücklich geforderte Höhe von «21 Meter am tiefstliegenden Bühnendachbinder» berücksichtigt war. Im Planarchiv findet sich die von Raab erwähnte Werkzeichnung des Baubüros vom 30. Januar 1925.[18] Was damit gemeint war, geht auch aus der Antwort der Maschinenfabrik vom 2. Februar 1925 hervor: «Wir sind sehr erfreut, dass es Ihnen gelungen ist, die größere Höhe für den Bühnenraum durchzusetzen.»[19] Im Planarchiv sind entsprechende Entwurfszeichnungen der Längs- und Querschnitte des Bühnenteils mit dem 14. und 28. Februar 1925 seitens der Maschinenfabrik Wiesbaden überliefert. Die endgültigen Ingenieurpläne für die Dachkonstruktion über dem Bühnenraum wurden am 9. Oktober 1925 nach Wiesbaden geschickt.[20] Erst dann konnte die Maschinenfabrik die genauen Pläne aufstellen.[21]

Es ist nicht unmöglich, aber unwahrscheinlich, dass Aisenpreis eigenmächtig handelte und diese wichtige Frage nicht mit Rudolf Steiner besprach und dessen Einverständnis einholte, auch wenn sich in seinen Notizen aus dieser Zeit – die keineswegs systematisch sind – keine entsprechende Eintragung findet. Jedenfalls wurde die Erhöhung des Ostteils gegenüber der im Modell projektierten Absenkung von Aisenpreis als notwendig für die Bühne ab Anfang Februar 1925 als beschlossene Sache behandelt und in die Planungen einbezogen.[22]

Zur Frage des Orchestergrabens

In den Plänen ist das Projekt eines Orchestergrabens – um 2,4 Meter höher gelegen als der Boden der Unterbühne – verzeichnet. Das Projekt wurde baulich realisiert; aber als Marie Steiner die Proben zur Aufführung des ersten Mysteriendramas am 5. September 1928 auf die Bühne des Baus verlegte, entdeckte sie mit Schrecken, dass «ein abgrundtiefer Orchestergraben Zuschauerraum und Bühne» trennte und das Goetheanum zu einem Opernhaus statt zu einer Mysterienstätte zu werden drohte. Sie war nicht informiert worden. Aisenpreis erläuterte, dass ein versenkbarer Orchestergraben auch von Rudolf Steiner selbst vorgesehen worden sei, und nur aus Geldmangel hätte man dafür keine Vorrichtungen einbauen können. Auch schon für den ersten Bau habe Steiner Aisenpreis gebeten, Pläne für einen Orchestergraben zu entwerfen.[23]

Wichtige Hinweise erhielt ich von den Architekten Kurt Remund, früherer Leiter der Administration des Goetheanum-Baus, heute verantwortlich für das Planarchiv, und Martin Zweifel, Leiter der Administration des Goetheanum-Baus.

Uwe Werner, ehemaliger Leiter des Archivs am Goetheanum, April 2013


* Unterzeichner der Petition: Gottfried Caspar, Ingrid Caspar, John C. Ermel, Andrea Hitsch, Christian Hitsch, Christoph Hug, Ingeborg Maresca, Bettina Müller, Astrid Oelssner, Ulrich Oelssner, Peter A. Wolf, Regine Wolf. – Der ‹Denkmalschutz› machte bei einer Begehung am 20. Februar mündlich und am 20. März 2013 schriftlich deutlich, dass er einer Umgestaltung des Daches nicht zustimmen würde.

[1] Das Entwurfsmodell befindet sich heute in der Kunstsammlung der Dokumentation am Goetheanum. Die Geschichte dieses Modells ist insoweit geklärt, als es in den 1950er- oder 1960er-Jahren an einigen Stellen restauriert wurde, da es beschädigt war und zusammenzufallen drohte. Die Teilrestaurierung wurde in einem helleren Plastilin ausgeführt, sodass sich diese von den von Steiner stammenden Originalteilen deutlich unterscheidet. Deshalb lohnte es sich auch, das Modell unbedingt zu erhalten. Es gibt aber einen Gipsabguss und das entsprechende Negativ, die lange vor der Restaurierung angefertigt wurden und den Entwurf Steiners erheblich besser wiedergeben, da die Südseite bei der Restaurierung entsprechend der Nordseite mit dem Außenpfeiler ergänzt wurde. Steiner hatte nur die Nordseite ausmodelliert. Das reichte auch, denn die spiegelbildliche Ausführung im Süden konnte den dafür qualifizierten Architekten überlassen werden. Die heute ausgestellten Repliken entsprechen dem ursprünglichen vor der Restaurierung erstellten Abguss. Die Historik dieser Ereignisse teilte der langjährige Goetheanum-Mitarbeiter Waldemar Kumm (1926–2009), der sich neben seinen übrigen Aufgaben bewusst für den Erhalt von allem historisch Relevanten einsetzte, nicht lang vor seinem Tod Mirela Faldey mit. Mirela Faldey ist Kuratorin für die Sammlung Modelle/Plastiken in der Kunstsammlung am Goetheanum. Sie redigierte eine ausführliche Aktennotiz dazu.

[2] Vgl. zur öffentlichen Diskussion zum Beispiel: Christiaan Stuten: Die Gemeinde Dornach und der zweite Goetheanum-Bau, Dornach 2010. In dieser Publikation kommt die außerordentlich wichtige, positive Rolle des Dornacher Ammanns Bernhard Krauss (1879–1947) zur Geltung. Ohne sein Engagement wäre das Projekt des Wiederaufbaus möglicherweise nicht gelungen. Besonders eindrucksvoll ist sein Eintreten für die Akzeptanz der den Dornachern fremden Denkweise der Anthroposophen. Wenn man diesen schon erlaubt habe, sich in Dornach niederzulassen, müsse man ihnen auch folgerichtig das Recht eines ihrer Denkweise entsprechenden Baues zugestehen, auch wenn man Letztere nicht verstehe (S. 33). Das zeigt sich nicht in der hier behandelten Thematik, gehört aber zum Hintergrund der eigentlich dramatischen Auseinandersetzungen. Vgl. auch die Chronik in: GA 260a, S. 587ff.

[3] Ernst Fiechter in der ‹Bauzeitung› vom 5. Februar 1925. Wiederabgedruckt in: Christiaan Stuten: Die künstlerische Entwicklung Rudolf Steiners vom ersten zum zweiten Goetheanumbau, Dornach 2001, S. 104. Ernst Fiechter (1875–1948) war Professor für Baugeschichte an der Technischen Hochschule Stuttgart und Gastredner an der  Eidgenössischen Technischen Hochschule in Zürich. 1919/20 Begegnung mit Rudolf Steiner. Ab 1937 Priester der Christengemeinschaft. Vgl.: Andreas Dollfus, in: Bodo von Plato (Hg.): Anthroposophie im 20. Jahrhundert. Ein Kulturimpuls in biografischen Portraits.

[4] Ernst Aisenpreis (1884–1949), Oswald Dubach (1884–1950), Carl Kemper (1881–1957), Hermann Ranzenberger (1891–1967), Albert von Baravalle (1902–1983).

[5] Schreiben Steiners an den Vorsitzenden der Schweizerischen Vereinigung für Heimatschutz vom 30. Dezember 1924, in: GA 260a, S. 556/557.

[6] Vgl. Uwe Werner in: ‹Anthroposophie weltweit› Nr. 12/2012, S. 11.

[7] Aus den Erinnerungen von Albert von Baravalle (im Gespräch mit Erika von Baravalle am 14. März 2013).

[8] Diese Reduzierung ging der Gemeinde zu weit. Sie befürchtete, dass der Bau dadurch zusammengedrückt erscheinen würde (Schreiben Gemeindeammann Bernhard Krauss an den Regierungsrat des Kantons Solothurn vom 6. September 1924). Das Schreiben zeigt, dass Krauss über den Besuch Steiners am 4. September in Solothurn durch den dortigen Landammann informiert worden war (Aktenkopie aus dem Staatsarchiv Solothurn in der Dokumentation am Goetheanum).

[9] Auszug aus dem Protokoll des Regierungsrates des Kantons Solothurn vom 9. September 1924. Aktenkopie aus dem Staatsarchiv des Kantons Solothurn in der Dokumentation am Goetheanum.

[10] Verein des Goetheanum der freien Hochschule für Geisteswissenschaft an die hohe Regierung des Kantons Solothurn vom 10. November 1924. Aktenkopie aus dem Staatsarchiv des Kantons Solothurn in der Dokumentation am Goetheanum. Am 18. November antwortete der Solothurner Landammann nochmals auf Bedenken des Dornacher Gemeindeammanns und betonte, dass der Regierungsrat nur eine namhafte Reduktion der Höhe gefordert habe, vier Meter wären ihm persönlich auch als angemessen erschienen, doch Steiner habe nun selbst diese Reduktion von sieben Metern vorgenommen. Das Baudepartement, nun allein maßgebende Instanz, könne, nach Genehmigung des Vorhabens, nicht noch einmal um eine geringere Reduktion gebeten werden. Quellen: Schreiben Landammann des Kantons Solothurn an das Ammannamt der Einwohnergemeinde, Herrn Dr. Krauss, Dornach. Polizeiakten des Kantons Solothurn. Aktenstück 161. Dokumentation am Goetheanum. Das Schreiben ist in Abbildung 2 wiedergegeben, weil es auch exemplarisch und zusammenfassend den Umgang der Behörden mit dem Projekt spiegelt. Den Hinweis auf diese Quelle verdanke ich dem langjährigen Inspizienten an der Goetheanum-Bühne, Günter Aschoff.

[11] Damit wird auch deutlich, dass bei der von Steiner zugesagten Reduktion um sieben Meter nicht davon ausgegangen werden kann, dass sein Entwurfsmodell ursprünglich höher gewesen wäre und er es dann einfach um sieben Zentimeter heruntergeschnitten hätte. Eine solche Geste hätte eine Gesamtrevision der Proportionen erfordert. Es gibt keinerlei Hinweis darauf, dass er das getan hätte. Im Übrigen hätte das nur nach dem 4. September geschehen können, und es müssten wenigstens die beteiligten Architekten bemerkt haben, wenn Steiner nochmals sein Modell so auffallend umgearbeitet hätte.

[12] Raske (Hg.): Carl Kemper. Der Bau, Stuttgart 1966, darin: Beitrag von Albert von Baravalle: Carl Kempers Arbeit am zweiten Goetheanum, S. 17/18. Die Westfront war offensichtlich eine besondere Herausforderung für die Architekten. Aisenpreis machte einen ersten Entwurf, der die durchschnittliche Verkürzung um 0,60 Meter auf den ganzen Bau verteilte. Das erschien Kemper und Dubach unbefriedigend, und sie machten einen zweiten Versuch, der aber auch nicht schlüssig war. Kemper schloss sich daraufhin im Glashaus ein und machte den Entwurf, der in der Ausführung heute zu sehen ist. Kemper übernahm die Maße der Westfront direkt vom Modell und verlegte wie gesagt die Verkürzung in den Dachbereich. Albert von Baravalle machte Ausführungszeichnungen von allen drei Versuchen. Die Ausführung von Kempers Entwurf war im Übrigen noch einmal höchst gefährdet, als die Verschalung in einer Sturmnacht verrutschte. Der Betonguss war für den nächsten Morgen vorgesehen. Albert von Baravalle prüfte noch in der Nacht die Verschalung und verhinderte einen Fehlguss (Gespräch mit Erika von Baravalle am 13. März 2013). Es gibt eine Aufnahme des Ausführungsmodells mit der ausplastizierten Westfront, abgebildet bei Christiaan Stuten: Die künstlerische Entwicklung Rudolf Steiners vom ersten zum zweiten Goetheanum-Bau, Dornach 2001, S. 117. Sie stammt aus dem Lichtbildervortrag Guenther Wachsmuths von Mai 1926. Das Originalfoto gibt auch die Umgebung wieder und verdeutlicht, dass es sich um ein Ausführungsmodell im Maßstab 1:50 handelte. Das Modell ist nicht überliefert (Foto in der Dokumentation am Goetheanum).

[13] Rex Raab: Sprechender Beton, Stuttgart 1972, S. 56. Ein Schriftwechsel zu diesem Punkt ist in den Akten nicht überliefert, kann aber durchaus aus mündlichen Verhandlungen mit der Solothurner Baukommission hervorgegangen sein. Rex Raabs Publikation enthält viele Einzelheiten zu den Planungsvorgängen und ist daher für die Vorgänge insgesamt eine wichtige Quelle.

[14] Die Längsschnitte der beiden Bauten sind in Abbildung 3 übereinandergelegt wiedergegeben. Der Orientierungspunkt für beide ist die Lage des Grundsteins, der den Brand überstanden hat.

[15] Schreiben Steiners an den Vorsitzenden der Schweizerischen Vereinigung für Heimatschutz vom 30. Dezember 1924, in: GA 260a, S. 556/557.

[16] Im Sinne der expliziten Intention Steiners, die beiden Bauten in der Höhe zumindest anzunähern, wäre es nicht adäquat, den mittleren Dachteil des zweiten Baues zu erhöhen und damit die bestehende Differenz zur Höhe des ersten Baues noch zu vergrößern.

[17] Vgl. dazu Emil Estermann: Über den Standort der ‹Gruppe›, in: Goetheanum. Freie Hochschule für Geisteswissenschaft. Sektion für Kunstwissenschaft, 10. Rundbrief, Weihnachten 1982, S. 32, wieder abgedruckt in: Christiaan Stuten, Die künstlerische Entwicklung Rudolf Steiners vom ersten zum zweiten Goetheanum-Bau, Dornach 2001, S. 82.

[18] Raab 1972, S. 66, im Planarchiv, Karte Nr. 15019 von November 1924, modifiziert am 30. Januar 1925, ein erster Entwurf dazu in Karte Nr. 12433, datiert Dezember 1924.

[19] Maschinenfabrik Wiesbaden an den Verein des Goetheanum vom 2. Februar 1925 (Dokumentation am Goetheanum).

[20] Pläne Nr. 200, 172, 199 und 190, insgesamt 14 Pläne.

[21] Verein des Goetheanum, BV Baubetrieb Ma-Me, 1925 bis 1927 (Dokumentation am Goetheanum).

[22] Diese Frage ist deshalb von Bedeutung, weil das sogenannte Baumotiv aus der Tafelzeichnung vom 1. Januar 1924 in der Aufsicht auf den Gesamtbau erkennbar ist, wenn die Abstufung des Ostteils wie im Modell ausgeführt wird, aber bei der Erhöhung des Ostteils an Deutlichkeit verliert. Erika von Baravalle diskutierte diese Frage in ihren Beiträgen ‹Der Michaelbau. Zum Raumgedanken des zweiten Goetheanumbaus›, in: ‹Mitteilungen aus der anthroposophischen Arbeit in Deutschland›, Nr. 197, 1996, S. 209, und ‹Ita Wegman und die Michaelburg›, in: ‹Anthroposophie. Vierteljahresschrift zur anthroposophischen Arbeit in Deutschland›, Nr. 260, Johanni II, 2012, S. 139.

[23] Emil Estermann (1902-1998), von 1949 bis 1982 Leiter der Administration des Goetheanum-Baues, hatte zur Frage des Orchestergrabens in den beginnenden 1980er-Jahren recherchiert und sich auch an die Albert-Steffen-Stiftung gewendet. Deren damaliger Leiter, Friedrich Behrmann, schickte ihm Anfang August 1980 einen diesbezüglichen Auszug aus Steffens Tagebüchern vom 28. Januar 1928, der hier zusammengefasst wiedergegeben wird. Die Recherchen zu dieser Überlieferung sind Mirela Faldey zu verdanken. Die Architektenzeichnungen zum Orchestergraben befinden sich im Planarchiv am Goetheanum.

Verwendete Literatur

– Christoph Lindenberg: Rudolf Steiner, eine Chronik, Stuttgart 1988.
– Bodo von Plato (Hg.): Anthroposophie im 20. Jahrhundert. Ein Kulturimpuls in biografischen Portraits, Dornach 2003.
– Hilde Raske (Hg.): Der Bau. Studien zur Architektur und Plastik des ersten Goetheanum von Carl Kemper, Stuttgart 1966.
– Rex Raab, Arne Klingborg, Åke Fant: Sprechender Beton. Wie Rudolf Steiner den Stahlbeton verwendete, Dornach 1972.
– Christiaan Stuten: Die künstlerische Entwicklung Rudolf Steiners vom ersten zum zweiten Goetheanumbau, Dornach 2001.
– Christiaan Stuten: Die Gemeinde Dornach und der zweite Goetheanum-Bau, Dornach 2010.
– Rudolf Steiner: Die Konstitution der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft und der Freien Hochschule für Geisteswissenschaft (GA 260a).’

23 opmerkingen:

Ramon DJV zei

Een hele hoop 'faits divers' over antroposofisch onderwijs, maar het nieuws van de maand 'vergeet' je weer, Michel. De Franse Federatie van Steinerscholen heeft een door haar aangespannen rechtszaak tegen een gewezen antroposoof en steinerpedagoog verloren. De man, Grégoire Perra, had voor de Franse sekteorganisatie UNAFDI een verslag geschreven over hoe kinderen in antroposofische scholen worden geïndoctrineerd. De Franse Eerste Minister betuigde Perra zelfs zijn dank voor zijn goede werk.

Ik meld het ook op mijn blog: 'De antroposofische indoctrinatie van leerlingen in steiner/waldorfscholen'. Perra's essay, is ondertussen van het Frans naar het Engels vertaald. Je vindt het document hier: What the Steiner/Waldorf School Movement did not want you to read

Michel Gastkemper zei

Ja, dat klopt. Maar ik had het nog niet gelezen, en dat wil ik toch eerst doen voordat ik iets publiceer.

pieter ha witvliet zei

Voor een betere begripsomschrijving dient Ramon de Jonghe/Verachterts 'antroposofisch onderwijs' gelezen te worden als 'vrijeschoolonderwijs'

Ramon DJV zei

Daar is team Witvliet ook weer. :-)

Nee, het is echt antroposofisch onderwijs. Wat overigens maar weer blijkt uit Grégoire Perra's getuigenis en die van de voorzitter van de Franse Federatie van Steinerscholen.

Maar goed, dat wil en kan Pieter niet lezen, dus blijft hij maar doorgaan met zijn lastercampagne.

Dat is blijkbaar zijn antroposofie. Die hij gemeen heeft met tal van antroposofen. :-)

Maar wel benieuwd hoe antroposofen in Frankrijk om zullen gaan met het feit dat hun scholen nu als indoctrinerend zijn benoemd. In de samenleving is daar ovrigens ook al consensus antrobeweging een sekte is. In Nederland en België is men daar iets voorzichtiger mee, vanwege de invloed die antroposofen uitoefenen, maar stilaan is hier toch ook een kentering waar te nemen en begint men meer en meer te zien hoe de vork aan de steel zit. De Hokjesman was daar een mooi voorbeeld van. Dat hele programma leek te roepen: sekte!

pieter ha witvliet zei

#Verachtert:
Er bestaat geen 'team Witvliet'- mijn blogactiviteit is en was mijn persoonlijke aangelegenheid. Een eenmansactie!
Wat laster betreft: dat jij mij een uitspraak toedicht en deze ter beoordeling voorlegt aan officiële vrijeschoolinstanties: dat is, riekt pas echt naar laster; maar dat terzijde.

#Michel:
Ik hoop dat er een discussie op gang komt over deze zgn. indoctrinatie.
Wat bij een eerste lezing van het stuk van Perra al opvalt is, hoe verschillend er gedacht kan worden over dit begrip en over 'het benemen van geestelijke vrijheid'.
Wat hij bv. naar voren brengt uit het vak dierkunde in klas vier, is voor mij nooit een indoctrineren geweest met Steiners gedachtengoed; ik heb dat altijd als een verrijking ervaren om in de kinderen meer eerbied voor de hun omringende schepping te ontwikkelen: dit staat wel in een schrille tegenstelling tot 'indoctrinatie'en het 'beroven van geestelijke vrijheid'.

Ramon DJV zei

Quote van Pieter HA Witvliet hierboven: (...) Er bestaat geen 'team Witvliet'- mijn blogactiviteit is en was mijn persoonlijke aangelegenheid. Een eenmansactie! (...)

Quote van 'Joost Alfrik' op mijn blog (31/01/2011:

(...)Als je echt een ruggengraat hebt, verwijder je dit niet en ga je gewoon de discussie met mij aan, in de wetenschap dat ik dit niet alleen doe, maar met Pieter.(...)

Eenmansactie?????

Ramon DJV zei

(reactie deel 2. Deze blog neemt geen lange reacties aan blijkbaar)

Pieter zegt ook nog iets m.b.t. indoctrinatie in de steinerschool:'Wat hij bv. naar voren brengt uit het vak dierkunde in klas vier, is voor mij nooit een indoctrineren geweest met Steiners gedachtengoed; ik heb dat altijd als een verrijking ervaren om in de kinderen meer eerbied voor de hun omringende schepping te ontwikkelen'

Meer eerbied ontwikkelen door te indoctrineren met antroposofie?

Maar net zoals hij dit probleem niet ziet, houdt Pieter even goed nog steeds vol dat er geen team Witvliet is. Surrealistisch. Ik heb het hem (en zijn echtgenote) al zo vaak gevraagd, maar geen van beiden ontkent dat Catherine Witvliet onderstaande reactie heeft geschreven.

(...) j.alfrik zegt 31/01/2011 om 14:52

Waar het om gaat is, dat wij, als collega’s en ervaren vrijeschoolleerkrachten, tegenwicht willen bieden aan de vaak onzinnige beweringen op je site. (…)

Pieter wil hier zijn naam niet meer zien, ivm het lage peil van je misbruikrubriek.Maar verder denkt hij van harte mee over hoe wij hier de waarheid omtrent de Waldorfschool rechtdoen.

Dat wij ook af en toe bij elkaar komen en dan wellicht eens iets verzenden van een gelijk IP-adres, doet aan de inhoud van de discussie toch niets af.Het wordt je te heet onder de voeten enzo kom je mooi van ons af.
Als je echt een ruggengraat hebt, verwijder je dit niet en ga je gewoon de discussie met mij aan, in de wetenschap dat ik dit niet alleen doe, maar met Pieter. (…) (...)

Geen uitsluitsel over wie dit schreef, maar wel volgende vraag aan me.

C. Witvliet Novalis College

'Zou u s.v.p. willen stoppen met het noemen van mijn naam met betrekking tot de blogactiviteiten van P. Witvliet. Ik heb daar niets mee te maken. Het noemen van mijn vermeende betrokkenheid begin ik als laster te ervaren.'

Even samenvatten. De echtgenote van iemand met een lasterblog ervaart het noemen van haar betrokkenheid bij de activiteiten van haar echtgenoot als laster. Koekoek! Zie ik dat nu goed, maar dit impliceert toch dat Catherine de activiteiten van Pieter als iets ziet waarmee ze liever niet wordt geassocieerd? Laster is toch wanneer je iemand onterecht in een slecht daglicht stelt? Als Pieter niks oneerbaars zou doen, hoe zou ik zijn echtgenote Catherine dan m.b.t. hem in een slecht daglicht kunnen stellen? Mij een raadsel.

Ramon DJV zei

(en dan deel 3) :-)

Tot slot nog een fragment uit Perra's essay, waarin hij een voorbeeld geeft hoe de antroposofische school antroposofie binnenloodst.

(...) One last example. In the 11th and 12th grades (high school), Waldorf School students study two works of world literature: the romance of PARZIVAL and Goethe’s FAUST. An inspector opening the students’ notebooks would find at first glance a study, scene by scene or chapter by chapter, of the two works in question, with various interpretations being considered. But if, knowing Anthroposophy, you look carefully at these interpretations, you will find that they encompass many elements of Rudolf Steiner’s doctrines. For example, the study of the character of Mephistopheles in FAUST always leads to the conclusion that he is a bipolar character. He thus becomes the representative of the “Forces of Evil” which, according to Steiner, are divided into the forces of Lucifer and the forces of Ahriman. [9] The study of a seemingly innocent work thus becomes an opportunity for indoctrination that is difficult [for outsiders] to detect. Indeed, no mention of Rudolf Steiner will usually be made by the teacher. It suffices for the teacher to take (artificially) these interpretations of the work being studied, and then present them as universal and timeless truths (since they are found in other works at other times, as the teacher will then show). The same thing happens with the interpretation of the chapters of the romance PARZIVAL. Each time, the ideas of Rudolf Steiner are presented without mentioning their origin. [10] But this subtle process is at work in all subjects from Kindergarten on! To realize this, it suffices to read Steiner’s TEACHING PLAN [11] or COUNCILS [12], and then connect what is said by Waldorf teachers with the esoteric teachings of Rudolf Steiner.(...)

Zelf heb in mijn boek ook voorbeelden gegeven hoe de antroposofische doctrine wordt doorgegeven aan leerlingen: Focus op de steinerschool

pieter ha witvliet zei

#Verachtert:

'Meer eerbied ontwikkelen door te indoctrineren met antroposofie?'

Het geven van een diepere samenhang tussen mens en wereld kun je hier niet simpelweg rangschikken onder 'indoctrineren'.
Dat vraagt om een in detail nagaan van wat de inhoud van het vak dierkunde eigenlijk is.
Die zal ik binnenkort op mijn blog uiteenzetten.
Als Michel hier het stuk van Perra ter sprake brengt, pak ik de draad wel weer op.

Ramon DJV zei

Perra duidt het indoctrinatieproces in antroposofische scholen ook niet simpelweg. Hij analyseert dat proces heel uitgebreid, goed onderbouwd en gedetailleerd.Het is iemand die in het antroposofisch milieu is opgegroeid en er heeft lesgegeven (en nog veel meer). Alleen heeft hij zich weten los te maken uit het kluwen van leugens en bedrog (zie zijn weblog).

Dat verhaal van 'de draad weer oppakken' kennen we ondertussen al wel. Dat betekent in jullie geval eigenlijk 'geen verhaal hebben'.

Maar benieuwd wat Michel van Perra's essay gaat maken na een eerste spoeling. :-)

Over spoeling gesproken: nog een voorbeeld vanop Pieter Witvliets blog over steinerpedagogie over hoe in de antroposofische (vrije)school antroposofische inhouden hun weg vinden tot in de klas.

Esoterie als biologie gebracht in de steiner/vrijeschool

pieter ha witvliet zei

Over Perra's 'indoctrinatie'
Hier deel 1

Ramon DJV zei

Pieter HA Witvliet zegt in zijn grotendeels gerecycleerde tekst waarnaar hij hierboven verwijst het volgende:

(...) De heer Perra neem ik, wanneer ik bovengenoemd Engelse artikel begin te lezen wèl serieus. Wie zo lang binnen de antroposofie en de vrijescholen heeft verkeerd, moet wel zwaarwichtige redenen hebben, er afstand van te nemen.

Hoeveel innerlijke strijd, slapeloze nachten, heeft dit gekost?

Een man met een groot geweten, lijkt me, die geen verantwoording meer wil nemen voor wat hij ziet: leerlingen worden geïndoctrineerd.

Zo’n ernstige beslissing roept bij mij ook vragen op in de trant van: was mijn werk dan ook indoctrinatie? (...)

Als het een ernstige vraag is, kan Pieter - net zoals anderen die met gelijkaardige vragen zitten - zich best aanmelden bij Sektesignaal om samen met deskundigen naar een goed onderbouwd antwoord te zoeken.

pieter ha witvliet zei

Antwoord:
hier

pieter ha witvliet zei

Over Perra's 'indoctrinatie'
hier deel 2

Ramon DJV zei

Het bleek dus geen ernstige vraag van Pieter Witvliet te zijn, maar de gekende antroposofische schijnvraag.

Maar het interessante is dat hij op zijn blog wel het volgende aangeeft:

(...)'Conform de door Steiner gestelde eis dat antroposofie niet in het onderwijs thuishoort.'(...)

Dat is wel een paradox. Wat Pieter eigenlijk stelt is dat steiner/vrijescholen plaatsen zijn waar geen antroposofie aan te pas komt, waarbij hij Rudolf Steiner aanhaalt om Rudolf Steiner tegen te spreken, haha.

Steiner zelf was wel pleitbezorger voor antroposofie in de school.
'Niet theoretisch antroposofie doceren’ stond Steiner voor, maar wel ‘de antroposofische waarheden in de school gebruiken’.

Bron: R. Steiner, Konferenzen mit den Lehrern, GA 300c, p. 138.

Rudolf Steiner was overigens net zoals Pieter Witvliet zeer labiel in zijn uitspraken. Ik heb daar al vak iets over gezegd, hierbijvoorbeeld.

(...) In zijn streven om een school op te richten hanteerde Steiner unieke ethische normen. Zo adviseerde hij zijn leraren dat het nodig was om mensen ‘voor de gek te houden’ (‘eine Nase drehen’).[22] Naar buitenstaanders toe was het – ‘om hen niet voor het hoofd te stoten’ – van belang om, als er werd gesproken over de samenhang tussen de Antroposofische Vereniging en de school, ‘wijsheid aan de dag te leggen’. Er mocht van Steiner ‘niet te sterk de indruk gewekt worden’ dat in de school antroposofie gedoceerd wordt. Nee, ‘niet theoretisch antroposofie doceren’ stond Steiner voor, maar wel ‘de antroposofische waarheden in de school gebruiken’.[23] De antroposofische leer komt echter wel degelijk aan bod in de steinerschool. Een voorbeeldcasus is Atlantis.(...)






Ramon DJV zei

Leugens en misleiding.

Er is mij (eindelijk) vanuit huize Witvliet bevestigd (en ik ga er dan ook maar even vanuit dat het klopt) dat Pieter HA Witvliet onder de naam Joost Alfrik over zichzelf in de derde persoon heeft zitten schrijven alsof het om twee verschillende personen zou gaan.

j.alfrik zegt op 31/01/2011 om 14:52

Waar het om gaat is, dat wij, als collega’s en ervaren vrijeschoolleerkrachten, tegenwicht willen bieden aan de vaak onzinnige beweringen op je site. (…)
Pieter wil hier zijn naam niet meer zien, ivm het lage peil van je misbruikrubriek.Maar verder denkt hij van harte mee over hoe wij hier de waarheid omtrent de Waldorfschool rechtdoen.
Dat wij ook af en toe bij elkaar komen en dan wellicht eens iets verzenden van een gelijk IP-adres, doet aan de inhoud van de discussie toch niets af.Het wordt je te heet onder de voeten en zo kom je mooi van ons af.
Als je echt een ruggengraat hebt, verwijder je dit niet en ga je gewoon de discussie met mij aan, in de wetenschap dat ik dit niet alleen doe, maar met Pieter. (…)

Hiermee is Pieter Witvliet de zoveelste antroposoof die met dit soort geintjes door de mand valt en daardoor zichzelf diskwalificeert. Is dit de ethiek van een vrijeschoolleraar? Het publiek misleiden en niet te vergeten: de overheid voorliegen.

Omdat Pieter door zijn misleidende berichten de indruk heeft gewekt dat zijn echtgenote meewerkte aan zijn lastercampagne, heb ik haar naam in verband gebracht met Witvliets activiteiten. Ik heb nu vernomen dat Witvliets echtgenote iemand is die integriteit nastreeft en zich distantieert van zijn internetactiviteiten.

De ene steiner/vrijeschoolleraar is de andere niet. :-)

pieter ha witvliet zei

Kom nou toch, Verachtert: leugens en misleiding.
Ik heb een poosje een pseudoniem gebruikt, ja; maar op zeker ogenblik was dat genoeg. Ik heb je maanden aaneen gezegd dat mijn blogactiviteit alleen door mij werd gedaan. Jij bent –zonder enig bewijs – de naam van mijn vrouw gaan noemen.- jij noemt dat ‘ de indruk gewekt’ , maar jij komt ermee – zonder enig bewijs: dat is de echte leugen en misleiding die jezelf opvoert, maar kennelijk niet ziet.
Hoe durf jij het woord ethiek in de mond te nemen: je liegt vrijeschoolinstanties voor met een door mij nooit gedane uitspraak; je haalt uitspraken van Steiner uit zijn verband en geeft die verdraaid weer – onder het mom van ‘ parafrase’. En …ik ben geen antroposoof; en tenslotte – het zijn je eigen woorden: gaat het om wat er gezegd wordt, niet zozeer wie er wat zegt,

Nee, je hebt niet vernomen dat Catherine zich distantieert – dat zou betekenen dat ze er ooit mee te maken heeft gehad en dat nu niet meer wil; je hebt vernomen dat het niet haar activiteit is en nooit is geweest, wat ik je al maanden (dus niet 'eindelijk')aan een stuk door, m.n. op deze blog heb gezegd.

Overigens vind ik het wel fair van je dat je Catherine’s niet-betrokkenheid meldt en dat je eindigt met een waarheid! Als een koe!

Ramon DJV zei

Een pseudoniem is een ding.

Over jezelf schrijven in de derde persoon onder een andere naam is iets anders. Ik noem het misleiding. Niet akkoord?

Als het dat niet is, wat is het dan wel? Narcisme, grootheidswaanzin, schizofrenie, antroposofie... ??

Mij verbaast nog altijd het gemak waarmee antroposofen vieze spelletjes als 'niet zo erg' beleven, echt waar.

Ramon DJV zei

Ik ga hier geen mails kopiëren, maar zeg wel het volgende. Pieter 'Alfrik' Witvliet zeurt nu over de betekenis van het woord distantiëren, omdat hij het blijkbaar niet kan hebben dat zijn echtgenote me heeft laten weten zich als mens niet in te laten met zulke zaken als die waarmee Pieter bezig is.

Ik vind dat afstand nemen (distantiëren).

pieter ha witvliet zei

Zij bedoelt: zij laat zich niet in met blogs of het schrijven erop in het algemeen. Zij heeft jou noch mij in het bijzonder op 't oog.
Zij bedoelt 'waar ik mee bezig ben' niet inhoudelijk.

Ramon DJV zei

Pieter HA Witvliet zegt: 'Zij laat zich niet in met blogs of het schrijven erop in het algemeen...'

Pieter is 'vergeten' dat hij het volgende heeft verklaard:'Dat Catherine bij Korthof één keer heeft gereageerd kun je toch geen 'lastercampagne' noemen? Ze deed even mee in die discussie, dat is alles.'

Pieter heeft ondertussen al zoveel geluld, dat als lullen pudding was, hij Dr. Oetker zou zijn. :-)

pieter ha witvliet zei

Het ging over Perra.
'Een meester in het ontwijken' word je genoemd.
Het is veel betekenend voor je 'projectieve' manier van doen, dat je nu juist lollig wilt zijn met een citaat van Harry Jekkers, dat ik eens in een discussiedraad met jou (en anderen) gebruikte.

Ramon DJV zei

Perra legt in zijn essay uit hoe in het antroposofisch onderwijs gemanipuleerd en gelogen wordt.

Als ik zie dat een antroposofisch leraar daar een voorbeeldcasus van is, is dat een bevestiging van Perra's getuigenis en zodoende relevant m.b.t. Perra's essay.

Uiteindelijk komt het toch altijd op feiten aan en niet op luchtfietserij.

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Volgen op Facebook


Translate

Volgers

Herkomst actuele bezoeker(s)

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code

Gezamenlijke antroposofische agenda (in samenwerking met AntroVista)