Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

zaterdag 17 oktober 2009

Eindeloos

O, o, het houdt niet op met dat vaccineren. Op 4 oktober had ik het er nog over in ‘Griep’. Indirect kwam ik er op 11 oktober in ‘Kackadorissen’ en eergisteren, op 15 oktober, in Tegenstanders’ op terug. En nog is het niet gedaan. Maar eerst even recapituleren, anders raken we het overzicht kwijt. ‘Waar waren we gebleven?’, om maar weer eens met Geert Mak te spreken.

Het gaat in de eerste plaats om de ‘Nieuwe Influenza A (H1N1)’ (voorheen Mexicaanse griep). In de tweede plaats om de rol die Ab Osterhaus in het vaccinatiebeleid bij deze griep speelt. En in de derde plaats om het ‘Spoeddebat over het bericht dat Ab Osterhaus aandelen heeft in de fabriek die griepvaccins maakt’ dat de Tweede Kamer zou houden.

Zoals ik 4 oktober meldde, had Antroposana de dag tevoren pittige vragen opgesteld in haar ‘Brief aan kamerleden over Mexicaanse griep’. Ik moest in een paar updates de daaropvolgende dagen berichtten dat het spoeddebat wel was gepland, maar niet had plaatsgevonden. Ik heb er niet meer aan toegevoegd dat het ten langen leste verplaatst was naar afgelopen donderdag 15 oktober. Maar op de website van de Tweede Kamer staat nu vermeld:

‘NB Het VAO IGZ en Toezicht en het Spoeddebat over het bericht dat viroloog Osterhaus aandelen heeft in een bedrijf dat betrokken is bij de ontwikkeling van vaccins zijn van de agenda van hedenavond afgevoerd.’

En dat is natuurlijk jammer. Want je wilt nu wel eens weten hoe het werkelijk zit met Osterhaus, minstens in politieke zin. Er wordt zo veel over hem gezegd en geschreven. De stroom aan berichtgeving is schier eindeloos. Zal ik hier naar een paar berichten verwijzen? Ach ja, waarom ook niet. Kunt u in ieder geval goed geïnformeerd raken. U zult later wel merken waarom dit zo van belang is. Ik doe het in chronologische volgorde.

‘Spoeddebat over belangenverstrengeling Osterhaus’ meldde Janine Budding van Medicalfacts op 29 september.

‘De Tweede Kamer houdt een spoeddebat met minister Ab Klink (Volksgezondheid) over vermeende belangenverstrengeling van viroloog Ab Osterhaus. Het radio 1-programma Argos bracht dit aan het licht. Osterhaus blijkt een belang van 9,8 of 9,9 procent te hebben in het bedrijf ViroClinics, een Rotterdams bedrijf dat in 2000 is opgericht door het aan de universiteit verbonden Erasmus Medisch Centrum (EMC).

PVV-Kamerlid Fleur Agema verwees dinsdag naar mediaberichten over aandelen die Osterhaus zou hebben in een bedrijf dat vaccins ontwikkelt.
Het kabinet besloot, onder andere op advies van Osterhaus, om 34 miljoen vaccins in te slaan om iedere Nederlander tweemaal in te kunnen enten tegen deze griep.

Ab Osterhaus, influenzadeskundige en regeringsadviseur over de Mexicaanse griep is een belangrijke adviseur van de Nederlandse regering maar blijkt tevens aandelen in een bedrijf te hebben dat bezig is met de ontwikkeling van vaccins tegen H1N1.

In de uitzending wordt door Anton Westerlaken van de Raad van Bestuur van het EMC bevestigd dat Osterhaus aandelen heeft in ViroClinics. De twee beweren echter dat de waarschuwingen van Osterhaus geen verband hebben met zijn zakelijke belangen. Osterhaus geeft echter toe “het spanningsveld te zien”.

Osterhaus stelt tegenover Argos niet zo veel te verdienen aan ViroClinics, maar zou bij verkoop van het bedrijf wel zijn deel krijgen. De griepspecialist is zowel in dienst bij ViroClinics als bij de universiteit van Rotterdam.’

Maar nog diezelfde dag kwam er een tegenbericht, ‘Rol Osterhaus bij Viroclinics gewoon gepubliceerd door Erasmus MC’:

‘Slecht geïnformeerde Fleur Agema eist ontslag van Osterhaus

Op de homepage van zijn vakgroep in het Rotterdamse Erasmus Medisch Centrum staan de nevenfuncties gewoon vermeld dat Osterhaus aandelen heeft bij Viroclinics is eenvoudig op te zoeken en mevrouw Agema had dat gewoon kunnen weten. Ook staat Osterhaus gewoon als manager op de website van Viroclinics.

Nieuw zijn de gegevens over Osterhaus’ industriële banden dus niet. Agema maakt een punt over iets wat niet eens een publiek geheim blijkt te zijn.

De Gezondheidsraad heeft in 2007 de viroloog Ab Osterhaus ‘adviseur’ in plaats van ‘lid van de adviescommissies’ over griepkwesties gemaakt. Het gebeurde nadat de Gezondheidsraad de regels rond belangenverstrengeling aanscherpte. De reden voor het beperken van Osterhaus’ rol, aldus de Gezondheidsraad, was het belang van bijna tien procent dat Osterhaus heeft in het door hem opgerichte bedrijf Viroclinics. Dat bedrijf werkt aan de ontwikkeling van een vaccin tegen de Mexicaanse griep.Dit meldt een woordvoerder van de raad aan het NRC.

De PVV heeft inmiddels een spoeddebat in de Tweede Kamer aangevraagd over de kwestie Osterhaus, en eist het ontslag van de viroloog als adviseur van het ministerie van Volksgezondheid, omdat, zo liet ze bij Pauw en Witteman weten, het vooraf had willen weten. Naar nu blijkt had ze dat kunnen weten en heeft ze verzuimd zich goed te informeren.’

Er werd zelfs ‘Bijgaand het CV van de heer Osterhaus’ aan toegevoegd.

Maar de volgende dag kwam Remco Tomesen van De Pers met een andere insteek, in ‘Griep – Regeringsviroloog Ab Osterhaus heeft belangen in vaccinbedrijf. Zware kritiek op paniekviroloog’:

‘Het ene land (Nederland) laat zich leiden door een paniekviroloog, het andere (België) door een geruststel-viroloog. En niet zonder gevolgen. Nederland reageerde veel paniekeriger op de Mexicaanse griep dan België, zegt de Belgische epidemiloog Luc Bonneux.

Ab Osterhaus doet volgens Bonneux aan stemmingmakerij, maakt de griep erger dan hij is. Zijn Belgische tegenhanger, viroloog Mark van Rast, doet precies het tegenovergestelde. Hij relativeert de Mexicaanse griep “sinds dag een”.

Van Rast kan tevreden zijn. Wat hij de hele tijd al zei, is nu voor iedereen duidelijk: de Mexicaanse griep is een mild griepje. Osterhaus krijgt het echter steeds benauwder. Zijn doemscenario’s komen niet uit; mede door zijn toedoen als regeringsadviseur zijn 34 miljoen grotendeels overbodige griepvaccins besteld; en nu wordt hij ook nog beschuldigd van belangenverstrengeling. Uit onderzoek van radioprogramma Argosblijkt namelijk dat hij een belang van iets minder dan 10 procent heeft in het bedrijf ViroClincis, dat vaccins ontwikkelt tegen ziektes als de Mexicaanse griep.

Osterhaus ontkent dat hij een dubbele agenda heeft en dat hij zelf financieel profiteert van paniek over een virus (meer vraag naar vaccins). “Alle mensen die belangrijk zijn, werken per definitie ook samen met de industrie”, zei hij gisteren op de website van HP/ De Tijd. Over “het groter maken van de Mexicaanse griep” zegt Osterhaus: “Soms ga je uit van een worst case scenario”, en: “Voorkomen is nog altijd beter dan genezen”.

Zijn critici vinden echter dat hij veel kwaad heeft gedaan. Zo vindt arts-microbioloog Miquel Ekkelenkamp dat Osterhaus permanent van televisie moet worden verbannen. Bonneux vindt dat regering en media al na de vogelgriep hadden moeten weten dat Osterhaus “een gekleurde interpretatie heeft”. Ook bij de vogelgriep kwam hij met zwarte scenario’s die nooit uitkwamen.

Dat Osterhaus betrokken is bij het bedrijf ViroClinics beïnvloedt zijn kijk zeker, zegt Bonneux. Osterhaus werkt vier dagen per week aan het Erasmus Medisch Centrum, en een dag bij ViroClinics. “Het is bekend dat hij veel belangen heeft, ook buiten de universiteit. Daar is hij zelf open over. Het lijkt me onwaarschijnlijk dat hij zich niet laat beïnvloeden door financiële belangen. Als je je in zo’n omgeving begeeft, wordt je blik gekleurd.” Die beïnvloeding kan heel subtiel zijn, misschien dat Osterhaus zich er zelf nauwelijks van bewust is, zegt Bonneux.

Natuurlijk spelen de Nederlandse media ook een rol bij de invloed die Osterhaus heeft. Andere virologen zijn minder mediageniek of te genuanceerd in hun meningen. Dus mag Osterhaus steeds komen opdraven. “Je bent in Nederland veel interessanter als je zegt dat er 40 miljoen doden vallen, dan als je zegt dat het een simpel wintergriepje is”, zegt Bonneux.

Nee, dan Van Rast, de belangrijkste adviseur voor de Belgische regering. Ook hij communiceert duidelijk, is mediageniek. Alleen wel met nuance. Al vanaf het moment dat duidelijk was dat er een nieuwe griepvariant was ontstaan, zegt hij dat het meevalt. En daarom hebben de Belgen een bescheiden aantal vaccins ingeslagen, en zit Nederland met 34 miljoen grotendeels overbodige vaccins.

Als er iemand is die in Nederland de toon heeft gezet van de berichtgeving over de griep, is het Ab Osterhaus. Geen wetenschapper die zo vaak op de buis en in de krant zijn mening heeft verkondigd over de ernst van de pandemie en de manier waarop die te bestrijden. Al voordat hij als lid van een commissie van de Gezondheidsraad het kabinet officieel adviseerde over de aanschaf van griepvaccins, riep hij in de media de regering op daar haast mee te maken. Osterhaus verkoopt onzin over het nut van virusremmers, vindt epidemioloog Luc Bonneux. Meer in Vrij Nederland.’

Op dezelfde dag kwam de werkgever van Osterhaus, het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam, met een persbericht onder de titel ‘Geen belangenverstrengeling Ab Osterhaus’:

‘Werkwijze van viroloog is volledig transparant en conform afspraken en regels

Het Erasmus MC benadrukt dat de werkzaamheden van prof. Ab Osterhaus volledig passen binnen het beleid van het Universitair Medisch Centrum. In relatie tot de Nieuwe Influenza A H1N1 is geen enkele sprake van zakelijke belangenverstrengeling.

Geheel volgens de wettelijke regels is het intellectueel eigendom waarop prof. Osterhaus als onderzoeker aanspraak kan maken ondergebracht in het bedrijf ViroClinics Biosciences. Zijn recht op aandelen in dit bedrijf is ondergebracht in een onafhankelijke stichting genaamd Stichting Administratie Kantoor Erasmus Personeelsparticipaties (Stak). Dit betekent dat prof. Osterhaus geen zeggenschap heeft over het financiële beleid van ViroClinics Biosciences. Deze constructie voorkomt dat een ‘conflict of interest’ kan ontstaan.

Het kennisvalorisatiebeleid van het Erasmus MC is geheel conform de richtlijnen van de Nederlandse overheid en de VSNU en gericht op volledige transparantie. Dit beleid is erop gericht dat binnen universiteiten ontwikkelde kennis in de samenleving kan worden toegepast. Dit houdt in dat vindingen van wetenschappers worden geoctrooieerd. Het Erasmus MC hanteert hierbij een verdeelsleutel waarbij van de eventuele opbrengsten 40 procent ten goede komt aan het Universitair Medisch Centrum, 40 procent aan de betrokken afdeling en 20 procent aan de onderzoekers.

Onderzoekers kunnen certificaten van aandelen krijgen waarbij de aandelen worden ondergebracht in de Stak, waarmee de zeggenschap over de aandelen wordt overgedragen aan het stichtingbestuur. In het geval van ViroClinics heeft prof. Osterhaus certificaten die recht geven op 9,9 procent van de aandelen. Het Erasmus MC heeft 71,6 procent van de aandelen in handen, waarmee het Erasmus MC het beleid volledig bepaalt. De waarde van de aandelen is in eerste instantie een waarde op papier die de onderzoeker niet ten gelde kan maken. In het geval van ViroClinics worden uit de omzet onderzoekers en huisvesting betaald en wordt de winst geïnvesteerd in nieuwe onderzoeksfaciliteiten.

ViroClinics houdt zich niet bezig met ontwikkeling en productie van vaccins. Het bedrijf verricht onderzoek naar diverse virussen en de werkzaamheid van vaccins. ViroClinics doet dit in opdracht van zowel de overheid als de farmaceutische bedrijven. In het geval van Nieuwe Influenza A H1N1 heeft het bedrijf contractonderzoek verricht voor alle farmaceutische bedrijven die er op dit terrein toe doen. Er is dus geen intellectueel eigendom van de vaccins bij ViroClinics en er bestaat dus geen conflict tussen de adviesfunctie van prof. Ab Osterhaus en werkzaamheden binnen ViroClinics.

De suggestie in commentaar of vraagstelling dat prof. Osterhaus niet of niet voldoende integer zou handelen, verwerpt het Erasmus MC volledig. De wetenschappelijke integriteit staat al vele jaren op bijzondere hoogte. De manier waarop prof. Ab Osterhaus met belangen omgaat is volledig transparant, vooraf bekend en volledig conform afspraken en regels.’

Voor het Erasmus Medisch Centrum was dit blijkbaar toch nog niet afdoende. Op 6 oktober kwam het met ‘Alle vragen beantwoord over Ab Osterhaus’:

‘In antwoord op de vragen in de media over het nevenfunctioneren van viroloog prof. Ab Osterhaus heeft het Erasmus MC een lijst met veelgestelde vragen opgesteld, voorzien van verhelderende antwoorden.

Transparantie
De Raad van Bestuur van het Erasmus MC heeft laten weten veel waarde te hechten aan zorgvuldigheid en transparantie, ook als het gaat om nevenactiviteiten. Mede vanuit dit oogpunt heeft het Erasmus MC een lijst met veelgestelde vragen én antwoorden gemaakt, in reactie op de ophef die in de media is ontstaan over de activiteiten van Erasmus MC-viroloog prof. Ab Osterhaus.

Geen twijfel
Het Erasmus MC geeft aan dat Osterhaus zich aan alle gemaakte afspraken houdt en dat er geen enkele reden is om te twijfelen aan de integriteit van de viroloog. Wel vindt de Raad van Bestuur het belangrijk om alle feiten over het functioneren van Ab Osterhaus op een heldere manier op een rij te zetten, om daarmee eventuele vragen van het publiek te kunnen beantwoorden.’

Volgt een lange lijst met vragen en antwoorden, die overigens ook op Medicalfacts is te vinden. Alleen staan daar een paar reacties onder, die doen vermoeden dat hiermee nog niet alles is gezegd. Zo weet journalist Micha Kat in zijn commentaar op October 7, 2009 at 07:20 dertien nevenfuncties van Ab Osterhaus op te sommen, waarvan er vijf algemeen bekend (‘Disclosed’), maar ook acht niet openbaar gemaakt (‘Not Disclosed’) zijn:

‘1. Voorzitter van de ESWI, een lobbyclub van Big Farma. Via deze functie staat Osterhaus in direct contact met GSK en Novartis, de producenten van het Nederlandse vaccin (NIET DISCLOSED)

2. Bekleden van vijf functies binnen de WHO die na te lezen zijn op zijn offciele lijst van nevenfuncties. Deze functies zijn echter extreem alarmerend omdat de WHO leading is in het aanwakkeren van de hysterie en het verplicht voorschrijven van het vaccin. Ook is vast komen te staan dat de WHO een misdadige rol heeft gespeeld bij het opzettelijk besmetten van vaccins. (DISCLOSED)

3. Lid van de Wetenschappelijke Raad van Advies van Octoplus NV, een beursgenoteerde farmaceutische onderneming (NIET DISCLOSED)

4. Lid van het Managment Team van Virgo-NGI, een samenwerkingsverband tussen universiteiten en big farma (NIET DISCLOSED). Zijn banden met het NGI (Netherlands Genomics Institue) zijn zeer alarmerend daar met “genomics” een directe link wordt blootgelegd met de depopulatie-agenda van de NWO. Ook de professor in de Vaccinatie Communicatie-kunde Frans Meijman zat tot over zijn oren in de genomics en de eugenetica.

5. Onderzoeker bij TI Pharma dat synergie wil creeeren tussen universiteiten en big farma (NIET DISCLOSED). TI Pharma heeft weer nauwe banden met de WHO. Een van de directeuren is D. Crommelin, tevens een van de oprichters van Octoplus waar Osterhaus ook weer een functie heeft.

6. Winnaar van de Organon-award 2004 (NIET DISCLOSED)

7. Aandeelhouder IscoNova, een Zweeds bedrijf dat vaccins maakt (DISCLOSED, al probeerde Osterhaus zelfs dit nog te verzwijgen bij Pauw & Witteman).

8. Aandeelhouder in ViroClinics BV dat onderzoek doet voor big farma (DISCLOSED)

9. Wetenschappelijk adviseur van het Jenner Institute (GB) dat zich toelegt op het ontwikkelen van vaccins voor dieren en wordt ondersteund door big farma. (DISCLOSED)

10. Lid van het MT van ViroScope, deel van ViroVentures, dat onderzoek doet naar virussen in een samenwerking van universiteit en big farma. (NOT DISCLOSED)

11. Lid van het Scientific MT van ViroNovatie BV, een onderdeel van ViroVentures en ViroClincs. (NOT DISCLOSED)

12. Lid van de Raad van Advies van Cirion, een koepel die zich toelegt op het bestuderen van infectieziekten met een zware aanwezigheid van big farma waaronder het bedrijf Gilead waar Donald Rumsfeld vanaf 1997 tot 2001 chairman van de board was (zeg maar: voorzitter van de Raad van Commissarissen, in feite de machtigste positie binnen de onderneming). Rumsfeld bleef nadien echter (groot)aandeelhouder van Gilead voor een bedrag tussen de 5 en 25 mio dollar (eind 2005). Gilead is patenthouder van Tamiflu, vanaf het uitbreken van de vogelgriep (eind 2005) een van de meest gevraagde medicijnen ter wereld, echter niet werkend en zelfs schadelijk. (NOT DISCLOSED). Ook Louise Fresco, lid van de NWO-club Trilateral Commission, is aan Cirion verbonden.

13. Onderzoeker voor het beursgenoteerde farmaceutische bedrijf Crucell, ondermeer naar een vaccin tegen de vogelgriep en SARS. Hier horen we Osterhaus als onderzoeker van Crucell (NOT DISCLOSED).’

Hoe gaat de politiek nu met deze zaken om? Dat blijft de vraag. Het geplande spoeddebat op 8 oktober vond dus niet plaats. En ook niet op 15 oktober. Al eerder, op 30 september, had minister Klink van Volksgezondheid een brief aan de Tweede Kamer geschreven, waarin hij de stand van zaken vanuit zijn optiek schetste:

‘Minister Klink informeert de Tweede Kamer over de rol van prof. dr. Osterhaus bij de totstandkoming van de adviezen aan de regering over Nieuwe Influenza A (H1N1) in relatie tot zijn (financiële) belangen in het bedrijf ViroClinics, dat meewerkt aan de ontwikkeling van onder meer griepvaccin door het doen van testen.

Verwijzingen: prof. dr. Osterhaus Kamerstuk 30 september 2009 pdf, 4 pag., 47 kB’

In deze brief staat te lezen:

‘Op verzoek van uw Kamer informeer ik u hierbij over de positie van prof. dr. Osterhaus bij de totstandkoming van adviezen aan de regering over Nieuwe Influenza A (H1N1) in relatie tot zijn (financiële) belangen in het bedrijf ViroClinics, dat meewerkt aan de ontwikkeling van onder meer griepvaccin door het doen van testen.

Mijn besluit om vaccins tegen Nieuwe Influenza A (H1N1) aan te schaffen heb ik, naast informatie die tot mij kwam vanuit onder andere de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), mede genomen op basis van het advies van de Gezondheidsraad van 8 mei 2009. In dit advies, dat ook aan uw Kamer is gestuurd1, geeft de Gezondheidsraad mij adviezen en overwegingen over vaccinatie tegen influenza A (H1N1), die ik heb meegenomen in mijn besluitvorming.

De Gezondheidsraad is een onafhankelijk wetenschappelijk adviesorgaan dat als taak heeft om regering en parlement te adviseren op het gebied van de volksgezondheid en het gezondheids(zorg)onderzoek. Leden van een commissie van de Gezondheidsraad moeten deskundig en onafhankelijk zijn. Daarnaast kunnen in een commissie adviseurs plaatsnemen die geen stemrecht hebben in de commissie.

Het betreffende advies van de Gezondheidsraad is tot stand gekomen in de reeds bestaande commissie Vaccinatie bij een grieppandemie die voor dit specifieke advies is uitgebreid met gastdeskundigen. Bij de instelling van deze commissie heeft de Gezondheidsraad zoals gebruikelijk een belangenverklaring gevraagd aan alle beoogde leden van de commissie.

Prof. dr. Osterhaus heeft toen aangegeven een relatie te hebben met Viro-Clinics en ook financiële belangen te hebben in het bedrijf. Die informatie was al langer breed bekend en was door hem ook in eerdere belangenverklaringen opgevoerd bij de Gezondheidsraad. Op basis van die verklaring heeft de voorzitter van Gezondheidsraad, volgens de regels van de raad, besloten om prof. dr. Osterhaus niet als lid toe te laten treden tot de commissie, maar als niet-stemhebbend adviseur.

De voorzitter van de Gezondheidsraad heeft geconcludeerd dat de betrokkenheid van prof. dr. Osterhaus, gelet op zijn expertise, een meerwaarde heeft voor de advisering van de raad, zodat een adviseurschap zonder stemrecht gewenst was. Ik merk daarbij op dat de adviezen van de Gezondheidsraad over Nieuwe Influenza A (H1N1) en vaccinatie daartegen, tot stand zijn gekomen met betrokkenheid van een groot aantal leden en adviseurs, waaronder hoogleraren van verschillende universiteiten die ieder een vooraanstaande positie innemen in hun vakgebieden.

Zoals voor veel onderzoek geldt, is diepgaand en grootschalig onderzoek op het gebied van ontwikkeling van vaccins alleen mogelijk samen met het bedrijfsleven. Ook vaccinonderzoek dat door de overheid zelf wordt verricht, gebeurt in samenwerking met het bedrijfsleven. Wetenschappers in dit veld hebben dus vrijwel altijd samenwerkingsprojecten met bedrijven. Juist daarom heeft de Gezondheidsraad heldere procedures om belangen van leden en adviseurs in beeld te krijgen, zodat de voorzitter de verantwoordelijkheid kan nemen voor de weging en besluitvorming van benoemingen.

Tot slot wijs ik u erop dat ik mij breed laat adviseren. De Gezondheidsraad heeft daarin een belangrijke rol, maar ook is de informatie die de WHO aan lidstaten verschaft van groot belang. In de media, maar ook in uw Kamer, wordt prof. dr. Osterhaus met regelmaat dè adviseur van de regering genoemd wanneer het gaat om griep. Ik kan mij voorstellen dat de vele media-optredens van prof. dr. Osterhaus die indruk kunnen geven, maar dat is een onjuist beeld.

Ik vertrouw erop uw Kamer afdoende te hebben geïnformeerd met deze brief.

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
A. Klink’

Ook niks aan de hand dus. Maar dat was nog op 30 september. Nu berichtte Medicalfacts op 15 oktober over ‘Tegenstanders griepvaccin dagvaarden Belgische staat’:

‘Leden van het collectief “Initiative citoyenne”, die gekant zijn tegen de vaccinatiecampagne tegen het A/H1N1-virus, hebben woensdag een kort geding aangespannen tegen de Belgische staat. Dat schrijft Le Soir donderdag. Het collectief wijst op het experimentele karakter van het vaccin en het gebrek aan informatie over het risico door de gezondheidsinstanties, en stelt dat de staat hiermee de fysieke integriteit aantast.’

En die blijken niet alleen te staan. Ook in niet Nederland is er al enige tijd zo’n groep actief. Maar voor ik daarover begin, eerst een andere journalistieke ontwikkeling, namelijk bij het eerder genoemde VPRO-programma Argos. De uitzending van vandaag gaat namelijk over:

17 oktober 2009 - Osterhaus of Osterhype?
Door Barbara Schreuders

Opnieuw aandacht voor de vermeende belangenverstrengeling van Nederlands bekendste viroloog Ab Osterhaus. Na de Argos-uitzending over de Mexicaanse griep van drie weken geleden kwam hij in de media onder vuur te liggen en vroeg de Tweede kamer een spoeddebat aan. Dat debat zal overigens pas na het herfstreces plaatsvinden.

Argos dook dieper in de wereld van de bv’s die het Erasmus Medisch centrum rond de activiteiten van Osterhaus heeft opgetrokken. Juridisch deskundigen geven commentaar.

In de studio reageren Sybolt Noorda,voorzitter van de Vereniging Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU), Huub Schellekens, hoogleraar medische biotechnologie aan de Universiteit Utrecht en Hans van der Linde, huisarts in Capelle. Er wordt door hen gediscussieerd over de vraag of Ab Osterhaus eigenlijk niet een goed voorbeeld is van waar de ondernemende universiteit toe kan leiden.

Enkele uren na uitzending te beluisteren.’

Goed, nu terug naar die Nederlandse groepering, ‘StralingsArm Nederland’ (SAN) geheten, een stichting die een wel heel wilde website heeft. Die zou je niet serieus nemen, als er niet ook dingen op stonden die wel degelijk te denken geven. Alleen zijn die binnen de chaotische wirwar van die website bijzonder moeilijk eruit te filteren. Je komt er bijvoorbeeld niet alleen een ‘Kort Geding tegen Minister Klink’ tegen, maar zelfs ook een ‘Strafaanklacht tegen de WereldGezondheidOrganisatie wegens medewerking aan bio-terrorisme’.

Maar dan staat er, naast alle hysterie en apokalyptische visioenen, bij ‘Kort Geding tegen Minister Klink’ in normaal Nederlands:

‘Minister Klink weigert categorisch om de documenten vrij te geven, die wij via de Wet Openbaarheid Bestuur opgevraagd hebben en die onontbeerlijk zijn om het door zijn ministerie gevoerde en te voeren vaccinatiebeleid te kunnen toetsen.’

Al op 25 september is er namelijk de nodige actie hiervoor ondernomen, zoals een persbericht laat weten (waarbij het CBG het College ter Beoordeling van de Geneesmiddelen is):

‘Vanochtend is bij de Rechtbank in Den Haag het Kort Geding ingediend. De stichting eist dat de rechtbank het Ministerie van VWS, dat onder verantwoording staat van minister Ab Klink, haar voorbereidende activiteiten, werkzaamheden en protocollen rondom de vaccinatie tegen de Mexicaanse Griep staakt.

Het Ministerie en haar adviesorgaan CBG hebben verzuimd te beslissen op ons verzoek in het kader van de Wet Openbaarheid Bestuur van 23-7 jl. en het daarop volgende Bezwaarschrift van 3-9 jl. De stichting wil inzage in alle belangrijke documenten, die helderheid verschaffen over de specifieke ingrediënten van de griepvaccins, de producenten en de afspraken omtrent de juridische aansprakelijkheid, indien door vrijwillige / verplichte / gedwongen vaccinatie burgers gezondheidsschade oplopen.

Deze informatie is cruciaal voor iedere burger om het beleid van de overheid te kunnen toetsen en zich een oordeel te vormen over het al dan niet toestemmen in de vaccinatie.

Pas als het Ministerie van VWS en het CBG deze informatie vrijgeven, is een opheffing van het gerechtelijk verbod bespreekbaar.’

Gisteren, op 16 oktober, werd een nieuw persbericht over deze zaak uitgebracht:

‘Het Kort Geding, dat de stichting heeft aangespannen tegen minister Ab Klink van het Ministerie van VWS en het College ter Beoordeling van geneesmiddelen (CBG) dient op 22 oktober om 14.00 uur, Rechtbank Zwolle, Hanzelaan 351.

Inzet van het Kort Geding is de weigering van zowel de Minster als het CBG om documenten inzake het griepvaccin vrij te geven. Op grond van de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB) heeft de stichting SAN daar op 23 juli 2009 om gevraagd. De Rechter wordt verzocht om VWS en CBG te verplichten tot het verstrekken van deze informatie.

Gevraagd wordt naar alle documenten die helderheid kunnen verschaffen omtrent de specifieke ingrediënten en adjuvantia van deze griepvaccins, over de producenten en over de afspraken omtrent de juridische aansprakelijkheid, wanneer burgers gezondheidsschade oplopen door vrijwillige / verplichte / gedwongen vaccinatie.

Deze informatie wordt als cruciaal gezien voor iedere burger om het beleid van de overheid te kunnen toetsen en zich een oordeel te vormen over het al dan niet toestemmen in de vaccinatie (informed consent).

Voor de stichting SAN is deze informatie van groot belang; bepaalde ingrediënten in de vaccins, zoals kwik en aluminiumverbindingen, worden immers onder invloed van elektromagnetische straling “elektro-aktief” en zouden daardoor, vooral in zenuwweefsel, onvoorspelbaar onheil kunnen aanrichten.

Daarnaast wil de stichting uitsluiten dat tegelijk met de vaccinatie een nano RFID-chip ingebracht zal worden.

Op de website van de stichting, www.stralingsarm-nederland.org, kan een dossier over de achtergronden gedownload worden.’

Als contactpersonen worden vermeld Jannes Koetsier, arts, en Luuk van Dinter, juridisch adviseur van de stichting.

Nu is dat dossier weliswaar heel lang, maar ook heel interessant. Zeker in het licht van al het voorgaande. Ik laat het hier gewoon in zijn geheel volgen, heeft u alles wat u weten moet bij elkaar.

Stichting Stralingsarm Nederland is in juli jl. een WOB-procedure aangaande de vaccinaties gestart, gesteund door:
www.verontrustemoeders.nl
www.meerwetenoverfreek.nl
www.prikmijmaarlek.nl
www.despuitblijfteruit.nl
www.hetc.nl
www.meld.gezondheidenmilieu.nl
www.wijwordenwakker.org
www.wanttoknow.nl
www.wehaveachoice.weebly.com
www.kiesbewust.wazzup.nl
www.argusoog.org
www.groundcrew.nl
www.citizensinactionbelgium.ning.com
www.tobyornottoby.com

De Stichting en haar belanghebbenden hebben VWS en CBG gevraagd om specifieke informatie te overleggen die uitsluitsel zal geven over de mogelijk risico’s verbonden aan de geplande vaccinatie tegen de Mexicaanse griep, en ook aangaande de verantwoordelijkheden en verhaalsmogelijkheden indien dit tot gezondheidsschade zou kunnen leiden in de toekomst.

Aanleiding was met name de informatie in het advies van de Gezondheidsraad aan de minister VWS, waarin aangeraden wordt om over te gaan tot vaccinatie bij zwangeren terwijl het advies onderstreept dat: “er vrijwel geen wetenschappelijk gegevens zijn over het gebruik van de in de vaccins gebruikte adjuvantia (immuunstimulerende middelen) tijdens de zwangerschap”. Het is verontrustend dat de overheid op basis van deze gegevens zwangeren aanraadt om zich te laten injecteren met dit ongesteste influenza H1N1 vaccin, wat zelfs het adjuvant squalene bevat waarvan bekend is dat het auto-immuunziekte kan veroorzaken. Zeker ten aanzien van de foetus en jonge kinderen wiens immuunsysteem nog kwetsbaar en in ontwikkeling is, lijkt dit een riscovol beleid, en helemaal gezien het feit dat de Mexicaanse griep vooralsnog vrij mild blijkt te zijn. Kortom, de burger is onvoldoende ingelicht ten aanzien van de risico’s van vaccinatie en kan dus geen weloverwogen beslissing nemen.

VWS en CBG hebben echter geweigerd om de gevraagde informatie openbaar te maken, en geen enkel document is overlegd. Nadat alle termijnen binnen de WOB al verlopen waren, en een kort geding voor voorlopige voorziening was aangevraagd, werd door VWS alsnog een beschikking gestuurd. VWS heeft niet ontkend niet over deze informatie te beschikken, maar beroept zich op de uitzonderingsgronden in de WOB (zie VWS-beschikking WOB-verzoek dd. 29 sept. 2009). Ook CBG stuurde uiteindelijk een beschikking waarin ook zij het verzoek om informatie afwezen, deels omdat ze niet over deze informatie zou beschikken (zie CBG beschikking WOB-verzoek dd. 10 sept. 2009). Tegen beide beschikkingen hebben de Stichting en haar belanghebbenden bezwaar gemaakt (zie CBG-bezwaarschrift WOB beschikking dd. 12 okt. 2009).

De Stichting is dus genoodzaakt tot verdere maatregelen en heeft de Rechtbank om een voorlopige voorziening gevraagd; a) om de verzochte informatie bij VWS en CBG alsnog openbaar te maken; b) om niet eerder over te gaan tot vaccinatie dan dat deze informatie voor de burger bekend is gemaakt. De Rechtbank in Zwolle heeft zich bevoegd verklaard. De zitting is op 22 oktober 2009 om 14.00, Hanzelaan 351 in Zwolle.

Recht op Informatie

Op grond van internationaal recht heeft de overheid een plicht tot het waarborgen van de gezondheid van de burger. Hieraan kunnen burgers volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof van de Rechten van de Mens tevens het recht ontlenen om door de overheid actief te worden geïnformeerd over gevaren voor hun leefmilieu. Ook de WOB erkent de plicht van de overheid om informatie te verschaffen uit eigen beweging (art. 8).

Informatieplicht van de overheid

De plicht van de overheid om actief informatie te verstrekken geldt ook ten aanzien van de mogelijke nadelige gevolgen cq. gezondheidsrisico’s van de vaccinaties (o.a., op basis van art. 2 en 8 EVRM). De vaccinatie-campagne is tot dusver zeer eenzijdig en uitsluitend gericht op de Mexicaanse griep en het belang van inenting. Zonder voorbehoud, wordt aangedrongen op vaccinatie en druk uitgeoefend op de burger door het doen van individuele oproepen, om zich zo spoedig mogelijk te laten vaccineren. De overheid treedt dus sturend op en tracht het gedrag van de burger te beïnvloeden, waardoor haar zorgplicht, met name ten aanzien van tijdige, juiste, transparante en betrouwbare informatievoorziening, (verder) toeneemt. Het actief optreden en beleid van de overheid vóór vaccinatie staat echter in schril contrast tot het geheel niet actief optreden ten aanzien van informatieverstrekking over mogelijke risico’s en effectiviteit van vaccinatie op korte en lange termijn.

De burger moet een weloverwogen beslissing kunnen nemen

Vaccinatie is vooralsnog op vrijwillige basis. Alvorens te beslissen om zich op advies van de overheid te laten vaccineren tegen het, vooralsnog milde, influenza H1N1 2009, heeft de burger recht op adequate en complete informatie van de overheid aangaande de mogelijke gezondheidsrisico’s, zodat hij op basis daarvan daadwerkelijk kan overwegen wat hij wel of niet wil toelaten in zijn lichaam. Vaccinatie moet gebaseerd zijn op vrijwillige, voorafgaande en geïnformeerde toestemming. Het is dus van belang dat de overheid specifiek informatie verstrekt over de ingrediënten van het vaccin, inclusief de niet-vaccingerelateerde ingrediënten en non-virale componenten, wat ter beschikking wordt gesteld, de mogelijke nadelige gevolgen, de veiligheid en de effectiviteit daarvan. Tevens is duidelijkheid vereist omtrent de vraag bij wie en op basis waarvan de aansprakelijkheid berust indien gezondheidsschade optreedt; zijn de leveranciers, zoals in de Verenigde Staten gevrijwaard van aansprakelijkheid en ligt die dan bij de overheid, of ligt die bij de burger op basis van de ‘vrije keuze’?

Veiligheid van het vaccin

Tevens blijkt uit het advies van de Gezondheidsraad aan de Minister VWS dat het vaccin tegen de Mexicaanse griep niet een gewone seizoensgriepvaccinatie is, zoals wel wordt gesuggereerd, maar dat aan die vaccins tegen de H1N1 “adjuvantia (immuunstimulerende middelen) worden toegevoegd, waarmee nog maar beperkte ervaring is opgedaan”. Het gaat hier dus om een volledig nieuw systemisch medicijn dat aanvullende, potentieel schadelijke en onvoldoende geteste ingrediënten bevat.

Met name heerst onrust en onduidelijkheid over het adjuvant squalene dat toegevoegd is aan de door de overheid aangekochte vaccins, en noodzakelijk blijkt om grote producties van vaccins te kunnen realiseren. In de wetenschap en de praktijk bestaat de serieuze verdenking dat de bereidingswijze van het vaccin met dit adjuvant squalene auto-immuunziekten kan veroorzaken. Verschillende wetenschappelijke onderzoeken concluderen dat squalene tot schadelijke gevolgen kan leiden, vooral op de lange termijn. Het is tevens in verbinding gebracht met het Anthrax vaccin wat geleid heeft tot het Golfoorlogsydroom.

In Amerika is gebruik van squalene (nog) niet toegestaan door de FDA, echter EMEA, de Europese tegenhanger wijst dit af omdat het adjuvant blijkbaar al meer dan 10 jaar wordt gebruikt in Fluad (Chiron), een seizoensgriepprik voor Senioren. Onduidelijk is hoe goed dan de lange termijn effecten kunnen worden onderzocht.

Squalene is een lichaamseigen stof, een voorloper van cholesterol. Er is een essentieel verschil tussen het via de voeding innemen van squalene, en het in het lichaam injecteren van deze stof. Op zich is deze adjuvant niet nodig om het vaccin te laten werken, alleen zijn zonder squalene meer antigenen nodig, en die zijn maar beperkt voorhanden vanwege productielimitaties. Squalene zet het immuunsysteem een tandje hoger, vandaar dat er minder antigenen in het virus hoeven te zitten. Maar er kunnen ook antilichamen worden geproduceerd door je immuunsysteem tegen squalene zelf. Aangezien squalene een lichaamseigen stof is, zou dit zodoende tot een auto-immuunziekte kunnen leiden, zoals gesteld en onderzocht door een aantal wetenschappers.

Aansprakelijkheid voor gezondheidsschade op korte of lange termijn

Over de aansprakelijkheid van vaccinatie voor eventuele gezondheidsschade op korte en lange termijn bestaat geen duidelijkheid. Hierover wordt geen informatie verstrekt. In geval van mogelijke gezondheidsschade door vaccinatie, is het van belang om te weten of er verhaalsmogelijkheden bestaan jegens de arts die het vaccin toedient, de vaccin-leveranciers en/of producenten of de overheid zelf. Op de informatielijn (0800-1100) over de “grieppandemie” wordt uitgelegd dat, aangezien vaccinatie op vrijwillige basis geschiedt, de burger dan ook zelf verantwoordelijkheid draagt voor eventuele gezondheidsschade.

Het verleden heeft ons geleerd dat vertrouwen op de informatie en de goedkeuring van een bepaald geneesmiddel in sommige gevallen toch tot dramatische gezondheidsschade kan leiden, zowel op korte en lange termijn (DES, Softenon, Vioxx, anthrax etc.). Dit betreft geneesmiddelen die de gebruikelijke langjarige testprocedure hebben doorlopen.

Dezelfde onduidelijke informatie en tegenstrijdige berichtgevingen hebben ook onrust gecreëerd ten aanzien van de recente campagne (die zelfs tot op het niveau van de scholen is gevoerd) om jonge meisjes in te enten ter voorkoming van een HPV-infectie, mogelijk leidend tot baarmoederhalskanker. Ook toen heeft de overheid nagelaten de burger te informeren over de mogelijk nadelige gevolgen voor de gezondheid (op korte en lange termijn). Een belangrijk deel van de doelgroep heeft toen afgezien van inenting, omdat niet het gevoel leefde dat de overheidsvoorlichting terzake betrouwbaar en volledig was.

Verplichte/gedwongen vaccinaties en andere dwangmaatregelen

Vaccinatie is vooralsnog niet verplicht. Echter, in theorie zou dit (snel) kunnen veranderen; zelfs buiten een actief wilsbesluit van de Nederlandse overheid om.

Op 15 juni 2007 is de, binnen de WHO tot stand gekomen, Internationale Gezondheidsregeling bindend voor 194 staten waaronder Nederland, in werking getreden. Elke staat die partij is, heeft zich verplicht deze regeling in nationale wetgeving en beleid om te zetten, wat in Nederland gebeurd is in de Wet Publieke Gezondheid (WPG) en de daarop gebaseerde richtlijnen en KBs.

De IGR voorziet in maatregelen die wereldwijd gevolgd zullen worden om de volksgezondheid te beschermen, onder meer op het gebied van het internationaal reisverkeer. Dergelijke maatregelen voorzien tevens, onder andere, in verplichte en/of gedwongen vaccinatie, quarantaine, isolatie en medisch onderzoek voor reizigers die als “verdacht” worden aangemerkt bij aankomst in een “point of entry” in een bepaalde staat die partij is.

Op basis van het IGR moet een reiziger in het bezit zijn van een internationaal WHO certificaat wat voorziet in het bewijs van vaccinatie met een vaccin goedgekeurd door de WHO. Alternatieve influenza bescherming, ook vaccinatie met een vaccin dat niet goedgekeurd is door de WHO, is dus niet geldig. Zonder dit certificaat kan een reiziger als ‘verdacht’ worden aangemerkt, ongeacht of er griepverschijnselen zijn, en dan alsnog worden aangeraden, verplicht of gedwongen om zich te laten vaccineren.

Deze IGR maatregelen treden pas in werking in geval van “a public health emergency of international concern”, waarover de beslissingsmacht enkel en alleen bij de WHO ligt. Ook de beslissing tot het nemen van - en het soort maatregelen - ligt uiteindelijk alleen bij de WHO.

In juni 2009 heeft de WHO de verspreiding van het “H1N1 influenza” tot een pandemie verklaard (Phase 6); op basis van voorlopige informatie. Ondanks dat inmiddels duidelijk is dat de Mexicaanse griep qua omvang en ernst in verhouding tot de normale seizoensgriep mild blijkt te zijn, is de pandemie-status thans nog steeds van kracht. Reëel was daarom geweest wanneer de WHO deze fase 6 had teruggedraaid tot fase 3 of 4. De overheid is gehouden, zelfs wanneer zij andere inzichten zou hebben, de WHO hierin te volgen en te handelen conform de opgelegde richtlijnen voor het “pandemie” scenario.

De overheid stelt dat dit slechts aanbevelingen zijn die een staat niet hoeft op te volgen. Het is echter onduidelijk of dat voor alle maatregelen geldt. Verder stelt de overheid dat in geval van WHO-aanbevelingen “grote internationale politieke druk” zal bestaan om dergelijke aanbevelingen (tegen beter weten in) wel op te volgen. Bovendien vallen sommige activiteiten, zoals grensmaatregelen ten aanzien van reizigers (inclusief mogelijke verplichte vaccinatie), binnen de bevoegdheid van de Europese Gemeenschap. Nederland kan dus gehouden zijn om IGR-aanbevelingen op te volgen indien de Europese Commissie hiertoe beslist zonder dat instemming van de lidstaten vereist is. Tenslotte heeft de overheid geen invloed over de mate waarin deze IGR-aanbeveling wel worden opgevolgd door andere staten, en dus ook niet over de mate waarin, in zodanig geval, ook daar inbreuk wordt gemaakt op onze mensenrechten. Aangezien de IGR ook van toepassing is op reizigers, doet zich de vraag voor in hoeverre Nederlandse reizigers in het buitenland kunnen worden beschermd tegen gedwongen (niet-geteste en potentieel gevaarlijke) vaccinaties, quarantaine, isolatie en medisch onderzoek. Dit fenomeen zou dan indirect alsnog dwang opleveren voor een Nederlandse burger om de vaccinatie hier te lande “vrijwillig” te nemen.

Dus, zolang er sprake van is een “pandemie-status”, kan de WHO op elk moment dat zij dit noodzakelijk acht, overgaan tot het nemen van gezondheidsmaatregelen die de lidstaten zullen opvolgen. De mogelijke grensoverschrijdende dwangmaatregelen (inclusief verplichte en/of gedwongen vaccinaties), welke, met name in afwezigheid van een feitelijke noodtoestand, strijdig zijn met de in de Grondwet, het EVRM en in andere verdragen neergelegde waarborgen, kunnen dan dus van toepassing worden verklaard.

EMEA/FDA: ‘Pandemie’ rechtvaardigt versnelde goedkeuringsprocedures en trials achteraf

Deze pandemie-status blijkt niet alleen van belang voor de bevoegdheid tot het nemen van maatregelen van massale vaccinatie van de wereldbevolking, maar vormt tevens de rechtvaardiging om over te gaan tot versnelde testprocedures. Volgens de Europese Commissie is de Gemeenschap goed voorbereid voor een pandemie omdat er al speciale regels zijn aangenomen die fast-track scientific assessment and subsequent authorisation for marketing of human influenza vaccine toestaat en tevens toestaat to authorise the distribution of unauthorised vaccines in an Influenza pandemic”.

Het is bovendien niet bekend of het door het EMEA/FDA voorgeschreven deugdelijk wetenschappelijk onderzoek spoedig kan of zal plaatsvinden, en tevens of, indien de vaccins “in vivo” vooraf worden getest, dit dan met of zonder de potentieel schadelijke adjuvantia wordt gedaan. Wanneer namelijk zonder adjuvantia wordt getest geeft dit geen bruikbare informatie over de potentiële gezondheidsschade omdat het merendeel van deze schade juist door de adjuvantia wordt veroorzaakt. EMEA stelt:

“As with all medicines, rare adverse reactions may only be detected once the vaccines are used in large numbers of people. The Agency has requested that vaccine manufacturers implement plans to actively investigate and monitor the safety of vaccines as soon as they are used across the EU, so that action can be taken as early as possible if a safety issue emerges. As part of this, the manufacturers have committed to carry out post-authorisation safety studies in about 9,000 subjects for each vaccine.”

Hieruit blijkt dat de vereiste clinical trials voor het recente mock-up vaccin, geladen met het huidige H1N1 virus (thans nog in ontwikkeling), dus pas achteraf zullen plaatsvinden (“postauthorisation”), niet door een onafhankelijke instantie maar door de “manufacturors” zelf (!), en wel met de eerste doelgroepen die zich “vrijwillig” zullen hebben laten vaccineren. Het is tevens onduidelijk onder welke voorwaarden dergelijk onderzoek en risico-analyse plaatsvindt.

Inperking van fundamentele burgerrechten in geval van WHO ‘pandemie-status’

Nu de overheid (“www.grieppandemie.nl”) en de WHO, al dan niet gerechtvaardigd, spreken van pandemie, (“noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid van internationaal belang”), kunnen de bijzondere bepalingen van de IGR in kracht treden op zeer korte termijn, zoals verplichte cq. gedwongen maatregelen van vaccinatie, quarantaine, isolatie, medisch onderzoek, certificatie, etc. De grondwettelijke beschermingswaarborgen binnen de lidstaten kunnen dan automatisch ter zijde worden gesteld en de deur wordt opengezet voor vergaande inbreuken op de fundamentele mensenrechten en dit alles zonder voor het getroffen individu hiertegen beroepsmogelijkheden openstaan. Van een dergelijke beslissing en van de daarop gebaseerde maatregelen van de WHO, die verregaande beperking van fundamentele burgerrechten mee kunnen brengen, is geen toetsing mogelijk door de burger. Bovendien zijn er op grond van de Nederlandse wet (WPG) strafrechtelijke consequenties verbonden aan niet-naleving van dergelijke maatregelen (bijv. weigering van quarantaine en isolatie kwalificeert als een misdrijf waarop een gevangenisstraf staat van maximaal vier jaar).

In geval van een dodelijk virus dat de wereldbevolking serieus bedreigt, zich internationaal snel verspreidt en in de praktijk al duizenden mensen, zoniet meer, het leven heeft gekost, is er sprake van een echte “noodtoestand” en biedt de ernst daarvan een rechtvaardiging tot een bepaalde inperking van specifieke fundamentele mensenrechten. De vraag is echter of in zo’n situatie, een dergelijk rigide systeem van gereedliggende dwangmaatregelen, zoals gedwongen vaccinaties, wel doelmatig is. Het ligt in dergelijk scenario veel meer voor de hand om zich toe te leggen op de handhaving van de openbare orde, omdat paniek en angst, evenals een grootschalige “run” op het beschikbare vaccin, al snel tot ongeregeldheden zouden kunnen leiden, zeker indien er, zoals in de meeste gevallen, vaccinschaarste zou zijn. De logica en feitelijke noodzaak van het concentreren op vaccinatie, dwang- en strafmaatregelen ontbreekt totaal in zo’n realiteit. De overheid dient zich terdege de vraag te stellen waarom dwangmaatregelen nodig zijn wanneer de WHO en de farmaceutische industrie in staat zouden zijn een grondig getest en volledig veilig vaccinproduct te leveren. Het is immers evident dat op basis van gezond verstand, de burger een dergelijke vaccinatie niet alleen vrijwillig zou nemen, doch deze zelfs van de overheid zou eisen. Deze dwangmaatregelen worden kennelijk noodzakelijk geacht vanwege de wetenschap dat er een groeiend wantrouwen in bevolking is ten aanzien van vaccins.

Feitelijk biedt het WHO/IGR juridisch raamwerk, dat waarschijnlijk met goede intenties werd ontworpen, een mogelijkheid tot een “hijack” van wereldomvang ten gunste van politicoeconomische machtsblokken en/of industriële consortia, om economisch voordeel te behalen; dit uit de aard der zaak met een geheel andere agenda dan de lidstaten thans wordt voorgesteld. Door dit internationaal stelsel van regelgeving zou in feite ons systeem van mensenrechten en andere verworvenheden kunnen worden ontmanteld. Het moge duidelijk zijn dat bij activering van een dergelijk totalitair juridisch mechanisme détournement de pouvoir en willekeur in alle bestuursniveaus voorzienbaar is.

In het bijzonder baart het grote zorgen dat er nauwelijks of geen controle is op de feitelijke inhoud van de vaccins, hetgeen, indien de agenda niet zou zijn gericht op gezondheidsverbetering maar slechts op economisch gewin, dit ernstige gevolgen zou hebben. Het reeds geïmplementeerde systeem biedt vandaag namelijk geen enkele bescherming tegen een dergelijk grootschalig misbruik. Het is nu aan de lidstaten en de rechtelijke macht om de houdbaarheid van de IGR en daaraan gerelateerde en reeds geïmplementeerde regelgevingen in haar huidige vorm grondig en met de nodige spoed te onderzoeken. Omdat de IGR geen expliciete bepalingen heeft omtrent de opzegging of beëindiging daarvan, zijn de mogelijkheden voor de lidstaten om zich te onttrekken aan de toepassing van de IGR onduidelijk.

De vordering aan de Rechtbank

Gezien het voorgaande, is de informatie die de Stichting en belanghebbenden hebben gevorderd van het ministerie VWS en het CBG van zeer groot belang voor elke burger. De volgende informatie is daarom met spoed gevraagd:

Ten aanzien van eventuele vrijheidsbeperkende maatregelen:
– deugdelijk en onafhankelijk bewijs ten aanzien van het feitelijk bestaan van een “internationale emergency” of “pandemie” met grote risico's voor de internationale volksgezondheid;
– wanneer, in welke specifieke gevallen en onder welke omstandigheden in Nederland op grond van de IGR en WPG tot verplicht vrijheidsbeperkende maatregelen wordt overgegaan (gedwongen vaccinatie, quarantaine, isolatie, binnentreden van woningen, etc.)
– de beroepsmogelijkheden voor de burger indien de WHO hiertoe aanbeveelt en de overheid dit dwingend advies voornemens is op te volgen;
– uitsluitsel over evt. verplichte/gedwongen vaccinaties voor reizigers, binnen welke termijn, wie daartoe beslist, en de mate, vorm en mogelijkheid van rechtsbescherming in het buitenland;
– onder welke omstandigheden de overheid besluit de bijzondere maatregelen van de WHO te volgen, cq. aanvullende gezondheidsmaatregelen te treffen.

Ten aanzien van de vaccinatie:
– opgave van de precieze ingrediënten van het gekozen vaccin, inclusief de samenstelling en verhouding daarvan, alsmede de gebruikte virusvarianten;
– hoe het vaccin is gekweekt; waar het in een trial of studie is getest, door wie en wanneer, en of dit met of zonder adjuvantia is gedaan, en de resultaten daarvan;
– volledige informatie t.a.v. van de risico's van het vaccin, de non-virale componenten van het vaccin, de adjuvantia en de overige niet-vaccin gerelateerde ingrediënten;
– een volledig overzicht van de documenten t.a.v. de regeling(en) van de aansprakelijkheid van overheid, producenten, arts, burger, en tevens duidelijke informatie over wie in welk geval aansprakelijk kan worden gehouden, en tevens de mate waarin de burger zelf de verantwoordelijkheid draagt voor eventuele gezondheidsschade als gevolg van vaccinatie;
– bewijslast van proportionaliteit waarin het volgende in ogenschouw dient te worden genomen:
– – verwachte gezondheidsrisico's voor de burger van de pandemische griep indien hij van vaccinatie afziet (inclusief andere mogelijke gevolgen daarvan);
– – de gezondheidsrisico’s versus de effectiviteit van het vaccin inclusief de verschillende adjuvantia;

– – de bijzondere risico's voor met name zwangere vrouwen en ongeboren kinderen, met name gezien de ontwikkeling van het immuunsysteem op langere termijn;

– – een wetenschappelijk gefundeerd advies hetgeen duidelijkheid en zekerheid verschaft over het veiligste moment en dosering, als dit al zou bestaan, binnen de zwangerschapsperiode waarin een vaccinatie kan worden toegediend zonder (immuun-gerelateerde) schade aan te richten aan de zeer kwetsbare foetus;

– – de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van dubbele vaccinatie met een tussentermijn van minimaal drie weken (en tevens gezien de eerste vaccinatie vermoed wordt slechts een beschermingsniveau van 40% te bieden);

– – het feit dat thans geen meldingsplicht meer bestaat voor de “Mexicaanse griep”, en de eventuele gevolgen voor personen die het vaccin krijgen toegediend terwijl ze die griep juist al hebben gehad;

– – complete veiligheidsanalyse van verschillende leveranciers van de vaccins, studieresultaten, contracten en vergunningen;
– tenslotte, ook op basis van bovenstaande, de proportionaliteit van verdere geplande en mogelijke maatregelen in het kader van een pandemische influenza in relatie tot de Nederlandse burgerrechten en de fundamentele rechten van de mens.

Mede in het belang van de volksgezondheid en openbare orde, heeft de Stichting de Rechtbank verzocht om een voorlopige voorzieningen te treffen; te bepalen dat VWS de burger zo spoedig mogelijk, uiterlijk voordat de (eerste) vaccinatie plaatsvindt, alsnog deugdelijk dient te informeren c.q. te waarschuwen over de (mogelijke) gezondheidsrisico’s van vaccinatie, zoals hierboven uiteengezet.

vrijdag 16 oktober 2009

Winterschilder

Ik begin vandaag met iets curieus. Tenminste, voor deze weblog. De titel slaat op een bericht dat ik vandaag vond op de website van het muziektijdschrift ‘Oor’.

‘Muziekkrant OOR is het oudste nog bestaande (pop) muziektijdschrift op de Nederlandse markt’,

zo schrijft Wikipedia. Het werd in 1971 opgericht en bestaat nog steeds. Onder het ‘Nieuws’ werd vandaag het volgende gemeld (waarbij de bovenstaande titel hoort, die de baldadig/jongensachtige sfeer die dit oude blad nog steeds uit wil stralen prima uitdrukt):

‘Op 23 oktober verschijnt het nieuwe album van Sting: If On A Winter’s Night. Voor dit album met het thema winter heeft Sting samengewerkt met producer en arrangeur Robert Sadin.

Het album bevat traditionele muziek van de Britse eilanden zoals The Snow It Melts The Soonest (traditioneel Newcastle ballad), Soul Cake (traditioneel Britse “begging” song) en Now Winter Comes Slowly (Henry Purcell), maar ook twee van Stings eigen composities: Lullaby For An Anxious Child en The Hounds Of Winter, die allebei al te horen waren op Stings vorige album Mercury Falling. Voor de nieuwe cd heeft Sting samengewerkt met zijn vaste gitarist Dominic Miller, violist Daniel Hope, trompettist Chris Botti en vele anderen.

“De winter is een rijke inspiratiebron”, zegt Sting. “Door al die verschillende stijlen op een album te verzamelen, hoop ik dat we iets nieuws en verfrissends hebben gecreëerd. Onze voorvaderen vierden de paradox van het licht in het hart van de duisternis en het consequente wonder van de hergeboorte van de seizoenen.”

Precies een maand later, op 24 november, verschijnt er een live-dvd onder de titel Sting: A Winter’s Night... Live from Durham Cathedral. Het betreft een opname in Durham Cathedral, vlakbij Stings woonplaats Newcastle-upon-Tyne. Sting kreeg bij de opnamen van de cd hulp van plaatselijke artiesten als Kathryn Tickell (Northumbrian pipes en viool), Peter Tickell (viool) and Julian Sutton (Melodeon). In totaal werkten 35 muzikanten aan de live uitvoering mee.

De dvd bevat verder een opname van de zanger met het Durham Cathedral Boys’ Choir, aangevuld met een aantal songs die het album niet haalden. Zoals Peter Warlock’s Bethlehem Down, een arrangement van de traditional I Saw Three Ships en Stings eigen Ghost Story. Plus natuurlijk een documentaire over het idee achter het concert, de opnamen van het album in Stings huis in Toscane en de repetities in Durham Cathedral.’

Wat zegt u? Niet zo van belang? Daar heeft u wel gelijk in. Maar toch zit er wel een leuke link in. Oude vrind en ex-freelance journalist Renzo Verwer uit Amsterdam schreef op 12 september op zijn weblog nog over hem, in ‘When Sting used to be cool’:

‘Geniaal commentaar bij een liedje van The Police op youtube:
door ene “enriquefn” die meldt:

“The best The Police B-Side by far. This was when Sting used to be cool”.

Die teleurstelling herken ik.
Zie: deze link op youtube.

Wat betekent Shambelle eigenlijk? Of is het gewoon een naam? Vroeg ik me nog af.’

Dat weten de lezers hier waarschijnlijk wel. Ik heb hem dan ook in die zin geantwoord:

‘Zou dat niet gewoon een variatie zijn op “Shambalah” ofwel “sjambala”? Hoewel gecomponeerd door Andy Summers, wijst dit toch al in een bepaalde richting...’

Andy Summers was de drummer van dit illustere driemanschap. Dat hielp echter niet, er ging hem niets dagen. Dus er nu aan toegevoegd:

‘Op Bol.com vind ik bij “Shambala, het verborgen land waar het wiel van de tijd stil staat” onder meer dit:

“In het hart van Azië bevindt zich ergens in een geheime vallei een verborgen koninkrijk. Over dit paradijselijk oord op aarde bestaan eeuwenoude legenden, liederen en folklore. Die overleveringen vertellen dat de tijd daar stil staat en de bewoners zelf mogen bepalen hoe lang zij willen leven. Onder verschillende benamingen is het mysterieuze koninkrijk bekend. Als ‘Shambhala’ is het mystieke land in de westerse wereld het meest bekend geworden. Dat gebeurde door de verhalen van ontdekkingsreizigers en bergbeklimmers aan het begin van de vorige eeuw. De paar uitverkorenen die Shambhala hebben bezocht zeggen dat het wordt afgeschermd door bovennatuurlijke krachten. Alleen degenen die spiritueel gezuiverd zijn, kunnen de obstakels omzeilen die de toegang versperren. Communistische regimes in Centraal-Azië hebben gepoogd om deze culturele tradities en religieuze stromingen uit te roeien. De eeuwenoude legenden en profetieën van Shambhala zijn desondanks blijven voortbestaan. Hieruit blijkt de tijdloze waarheid van deze overlevering die de bron is van talrijke oude culturen en mystieke tradities. In dit boek staat beschreven hoe de legende van Shambhala in een ver verleden ook in Europa bekend is geweest. Daarbij wordt de link gelegd met de Kelten, het verdwenen continent Atlantis en tijdloze fenomenen zoals graancirkels en ufo’s.’”

Dat boek is overigens van Rudi Klijnstra, ook wel bekend van een boek dat negen jaar geleden bij Uitgeverij Vrij Geestesleven uitkwam: ‘In de ban van de cirkel, graancirkels in de lage landen’. Maar dat is lang geleden. – Nu weer terug naar de Sting van nu. Ik kwam hem onlangs namelijk ook tegen bij de website van Michael Mentzel, ‘Themen der Zeit’. Die schreef over: ‘Popstar Sting und Rudolf Steiner’:

‘Essen ja, Weihnachten nein.

ots. 11.10.2009 – Eine zweite Karriere am Herd kommt für Popstar Sting wohl eher nicht in Frage. “Ich kriege höchstens gebackene Bohnen auf Toast hin”, verrät der 58-Jährige im Interview mit der Frauenzeitschrift “FÜR SIE”.

Mehr Geschick beweise er dagegen als Hobby-Landwirt. “Ich habe seit 20 Jahren ein Gut in England und seit zwölf Jahren eines in Italien. Aber meine Frau und ich bauen da nur unser eigenes Essen an – und in Italien unseren eigenen Wein”, so Sting.

Dabei bevorzuge das Paar biologisch-dynamische Landwirtschaft nach der Philosophie Rudolf Steiners. “Im Angesicht des Mondes muss man dies oder das tun”, erklärt Sting. “Eine ziemlich merkwürdige Form von Voodoo.” Etwas woran der Musiker glaube – im Gegensatz zur heiligen Nacht. “Weihnachten ist überhaupt nicht mein Ding”, sagt Sting. Deshalb habe er auch kein Album mit Weihnachts-, sondern mit mittelalterlichen Winterliedern aufgenommen. “If On A Winter’s Night” erscheint ab 23. Oktober.

Quelle: Für Sie (22/09; EVT: 13. Oktober)’

Aha, dat verklaart veel. Dan gaat zo’n bericht in Oor opeens veel meer zeggen. En zo somber als Michael Menztel zie ik het niet in. Niet als je dat bericht in Oor leest. Daar zit wel degelijk een heleboel in. Okee, je moet ervan houden. Maar dat is bij elke muziek zo.

Nog iets anders vermeldenswaards vandaag. Een beetje in gelijke richting. Ook over muziek in ieder geval. De website van Trouw weer, dat is hier vaste prik, zoals ik op 15 september uitlegde in ‘Oase’. Op een van de onderafdelingen, ‘Religie & Filosofie’, die een eigen homepage heeft, zoals meer kranten tegenwoordig hun website in thema’s onderverdelen, trof ik vandaag een mooie ‘Uitgelicht’ aan. Waarmee ik eindelijk terugkom op wat ik op 16 juni schreef in ‘Hart’. Daarin had ik het over Jac Hielema en Hugo Verbrugh als webloggers bij respectievelijk Trouw en de Volkskrant (waar ik bij de laatste nu ook Frans Wuijts zou kunnen toevoegen, die onlangs de overeenkomsten en verschillen tussen DSB Bank en Triodos Bank beschreef: respectievelijk ‘organische architectuur’ en ‘wel/ niet zelfverrijkend bankieren’). Terloops schreef ik toen:

‘Overigens is ook Frans Olofson, met inhoud van zijn website ‘Salicornia’ op Trouw van de partij, zij het bij een andere afdeling, “Religie & Filosofie” namelijk – maar dat is weer een ander verhaal (dat ik hier trouwens nog nooit verteld heb).’

Die is vandaag door de redactie van ‘Religie & Filosofie’ dus extra ‘Uitgelicht’:

Weblog Salicornia
Bioloog Frans Olofsen schrijft in zijn blog “over grenzen en grensgangers” over kunst, evolutie en natuur.’

De link leidt hier naartoe:

Non-dualiteit

Tussen juni 1763 en november 1766 reisde Wolfgang, samen met vader Leopold Mozart, moeder Anna en het ook muzikaal begaafde zusje Nannerl, door Europa. Tegenwoordig zouden we het een promotietournee noemen. Ze deden ook Haarlem aan. Tien jaar oud was het jochie toen hij op het orgel speelde in de Bavo-kerk op de Grote Markt (de foto boven toont de kerk in de versie van Gerrit Berckheyde). Een gedenksteen, rechtsonder naast het orgel geplaatst, memoreert deze gebeurtenis. En ik vroeg me af, staande voor de gedenksteen, wat hij gespeeld zou hebben, dat wonderkind, met al pianoconcerten op zijn naam, symfonieën, pianostukken, aria’s, vioolsonates...

reageer

Geschreven door salicornia op 2 oktober 2009 13:39’

Klikken op die titel ‘Non-dualiteit’ leidt naar de volledige tekst. De datum van 2 oktober is een beetje misleidend. Want dit verhaal stond al op 26 september op zijn eigen weblog, overigens met dezelfde naam, ‘Salicornia’. Het verschil is alleen dat de verwijzing naar een foto daar wél klopt:

‘Tien jaar oud was het jochie toen hij op het orgel speelde in de Bavo-kerk op de Grote Markt. De gedenksteen, rechtsonder naast het orgel geplaatst, en te zien op bovenstaande foto, memoreert deze gebeurtenis.’

En niet die vreemde formulering op de website van Trouw:

‘(de foto boven toont de kerk in de versie van Gerrit Berckheyde)’

want het gaat daar om een schilderij van een paar eeuwen geleden. Maar goed. Het vervolg gaat dus zo:

‘Vader Leopold was ambitieus en wist dat hij een grenzeloos talent in handen had. Hij stroopte de koningshuizen en adellijke families van Europa af, om de kunsten van zijn zoon (en dochter) te tonen en om, met succes, geld binnen te halen. Toen ze Haarlem aandeden, was het onvermijdelijk dat Wolfgang op het, toen al, wereldberoemde Müller-orgel spelen. Het is precies bekend: een uur lang zat hij achter dat gigantische instrument.

Kon hij met zijn voeten wel bij de pedalen?

Even, nadat ik de foto had genomen, meende ik in mijn ooghoeken Leopold te zien. Hij stond tegen de zijmuur aangeleund en keek wat verlegen omhoog naar dat dieprood geverfde instrument waar zijn zoon klanken uittoverde. Ontroerd was hij, maar ook verontrust. Je zult maar een kind hebben met zoveel talent! In brieven schreef hij: ‘Wie het niet ziet of hoort, kan zich er gewoon geen voorstelling van maken’. En: ‘Het gaat eenvoudig je verstand te boven.’

Ja, wat zou Wolfgang gespeeld hebben? Niet iets specifieks, vermoed ik, en zonder twijfel uit het blote hoofd. Hij improviseerde graag op bestaande werken die hij desnoods achterstevoren speelde, of van de ene in de andere toonsoort omzette, alsof het niets was. Het orgel zal hij op zijn tenen hebben getrapt, door het lage register te laten dreunen, en het hoge register te laten gillen. Hij zal geluisterd hebben naar de echo, de nagalm, de clusters van tonen en akkoorden. Want spelen wilde hij, dat jongetje, vanuit pure Spieltrieb.

Ik liep een rondje door de kerk en dacht aan het laatste werk dat hij schreef, vijfentwintig jaar later, en niet afkreeg omdat het zijn zwanenzang werd, het overbekende Requiem, dat permanent in de Klassieke Top 10 staat genoteerd. Dit door anderen in zijn geest afgemaakte werk is zó grijs gedraaid, dat je het unieke ervan bijna niet meer hoort ... totdat je zelf meezingt in het koor ... die eer had ik een paar maanden geleden. De inspanning van lange tijd samen instuderen mondde uit in welgeteld één uitvoering van een krap uur. Zou iedereen eens moeten doen, inefficiënt met je tijd omgaan. Eens een keer compromisloos voorbijgaan aan die geprotocolliseerde smart-geformuleerde targets waar we collectief achteraan hijgen.

Maar dat terzijde.

Het overkwam me tijdens het Agnus dei. Je weet dat je zingt, maar de eigen stem verdwijnt. Je ziet monden bewegen, orkestleden spelen, maar de muziek is ergens anders, in de ruimte. Gedurende een paar tellen ervaar je geen scheiding meer, tussen koor en orkest, tussen dirigent en orkest, tussen podium en publiek. De zwarte nootjes van het papier verdampen. De tijd staat stil. Geen tegenstellingen, geen tweeheid, geen dualiteit, maar non-dualiteit. Voor eventjes. En, voordat ze wegstierven, bleven een paar woorden als een naklank in de ruimte hangen, in die kortstondig opengebroken hemel ... Agnus dei ... qui tollis peccata mundi ... Lam Gods ... dat de zonden van de wereld wegneemt ... zó vaak hoorde ik deze woorden gedachteloos aan, als vaag gelispelde kreten uit een dode taal. Maar ineens kwamen ze tot leven, kortstondig, losgemaakt van die eeuwenoude, bedompte en moraliserende dogma’s, vederlicht en springlevend.

Met dank aan dat jongetje achter het orgel.

(Literatuur: Mozart in de Lage Landen, door Jos van der Zanden, Uitgeverij Pimento, 2005)’

Moet ik hier trouwens nog uitleggen wie Frans Olofsen is? Nee toch? Leraar aan de vrijeschool in Amsterdam die jarenlang voor Jonas schreef en ook enkele boeken op zijn naam heeft staan, al dan niet samen met Willem Beekman. Iemand die kan schrijven, dat blijkt.

donderdag 15 oktober 2009

Tegenstanders

Ik kan vandaag onverwacht weer helemaal naar het begin van deze weblog terugkeren. We zijn nu 468 berichten verder en meer dan 40.000 bezoeken. Destijds besteedde ik de eerste twee dagen meteen aandacht aan het probleem van het inenten. ‘De bof en inenten’ was op 1 mei 2008 de eerste, terwijl ‘Opnieuw inenten’ de dag daarop kwam.

U heeft hier heel recent kunnen meebeleven hoe de Vereniging tegen de Kwakzalverij het een levensgevaarlijke ontwikkeling vindt dat er aan vaccinaties kan worden getwijfeld. Op zondag 11 oktober in ‘Kackadorissen’ en twee dagen geleden nog in Overtreding’. U heeft de ontwikkelingen op de voet kunnen volgen, bijna live. En nu, ja juist nu, dus op dit moment, komt de Antroposofische Vereniging in Nederland met een nieuwe themabijdrage naast alle andere die er al zijn, namelijk:

Vandaag is er dus een bijgekomen:

‘Op deze pagina worden actuele thema’s vanuit een antroposofisch perspectief belicht. De teksten zijn op persoonlijke titel geschreven door auteurs die deskundig zijn op het gebied van het betreffende thema. Als u wilt reageren op de inhoud, stuurt u dan een e-mail naar webredacteur Arianne Collee, a.collee@antrop-ver.nl. Voor suggesties voor een nieuw thema kunt u ook bij haar terecht.

Vaccineren bij kinderen en volwassenen

Vaccineren is niet verplicht. Er spreekt veel voor om het wel te doen. Maar er kunnen ook redenen zijn om hiervan af te zien. Om voor uzelf, of als ouders voor uw kind een weloverwogen besluit te kunnen nemen, treft u hier een aantal antroposofische gezichtspunten aan. Lees verder.’

Het is bijna niet te geloven, zulk treffend inspelen op de actualiteit. We zijn dan ook reuze benieuwd wat er verder te lezen valt. De tekst blijkt afkomstig van Madeleen Winkler, huisarts, CB arts. En is reuze interessant. Eindelijk, ‘Antroposofische gezichtspunten over vaccineren bij kinderen en volwassenen’! Op het gevaar af selectief te citeren, wil ik hier toch een paar opmerkelijke passages weergeven. Bijvoorbeeld waar expliciet wordt verwezen naar die barbaarse Nederlandse Vereniging Kritisch Prikken (barbaars dan in de ogen van de Vereniging tegen de Kwakzalverij):

‘Bij onderzoek vinden voorstanders van vaccinatie geen of weinig bijwerkingen. Tegenstanders menen heel veel ongewenste bijwerkingen te zien (www.nvkp.nl). Zie voor de risico’s op complicaties van de verschillende ziektes waartegen wordt gevaccineerd www.rivm.nl/rvp/. Voor risicoafweging per ziekte verwijzen we naar de brochure Kinderziektes en inenten (www.gezichtspunten.nl).’

Hierop volgt meteen:

‘Over consequenties van vaccineren op de lange termijn is eigenlijk niet veel onderzoek bekend. Kinderen die niet gevaccineerd waren tegen bof, mazelen en rode hond, bleken minder vaak allergie te ontwikkelen. Mensen met kanker bleken minder kinderziektes met hoge koorts te hebben doorgemaakt. Klassieke kinderziektes als bof, mazelen en rode hond leveren levenslange immuniteit op. Of dat na vaccinatie ook zo is, is nog een open vraag. Na vaccinatie wordt bij één tot drie procent van de gevaccineerden geen antistoffen gevonden.’

(Er wordt overigens wetenschappelijke literatuur bij gegeven voor deze opmerkelijke resultantes.) Maar je kunt dit niet in het juiste perspectief plaatsen, als je niet ook de eerste twee alinea’s hebt gelezen:

‘Onze meest menselijke eigenschap is het vermogen tot ontwikkeling. Een ontwikkeling die voorbij de grenzen van geboorte en dood gaat. In de loop van hun kinderjaren leren kinderen lopen, spreken en denken. Maar niet alleen dat. Ze ontwikkelen lichamelijke afweer, hun immuunsysteem, tegen ongewenste stoffen en invloeden van buiten. Dat gebeurt door verkoudheden, maar ook door klassieke kinderziektes zoals bof, mazelen, rode hond en kinkhoest. Van nature heeft ieder mens de aanleg om die ziektes door te maken. Kijk je vanuit het gezichtspunt van karma en reïncarnatie dan is dat een mogelijkheid om een eenzijdige aanleg te vereffenen en meer mens te worden. Door onder begeleiding een ziekte goed door te maken, kan het lichaam van een kind iets “leren”. Niet alleen ontwikkelt het immuunsysteem zich, ook de levenservaringen die we opdoen dragen bij aan onze ontwikkeling. Bij kinderen die gevaccineerd zijn, kan men extra aandacht in de opvoeding besteden aan zulke ontwikkelingsmogelijkheden. Dan kunnen ze toch iets leren van wat zij zich anders eigen zouden maken door de ziekte door te maken.

Vanuit het Rijksvaccinatieprogamma (RVP) worden aan zuigelingen vaccinaties aangeboden ter voorkoming van een aantal ziektes die ernstige complicaties kunnen hebben. Bij sommige ziektes is die kans klein tot zeer klein. Daarbij dient zich tevens de vraag aan of je door te vaccineren ook een kans kunt mislopen. Alleen de ouders kunnen uiteindelijk beslissen welk risico of kans zij voor hun kind passend vinden.’

Het is absoluut de moeite waard om de hele tekst te lezen. Want het betoog is genuanceerd, met voors en tegens. Die uzelf zult moeten afwegen. – Vanuit het begin met de zuigelingen kunnen we hier meteen door naar het eind met de ouderen; dan is het hele leven bestreken:

‘Aan mensen boven de 60 jaar wordt griepvaccinatie aangeboden. Is het dan gevaarlijker als je ouder wordt? In principe niet. Dat is afhankelijk van of men ook aan andere aandoeningen lijdt, zoals astma, COPD, diabetes of een verminderde afweer heeft bijvoorbeeld door medicatie of chemotherapie. Hoewel er ook vormen van kanker beschreven zijn die spontaan genazen toen de patiënt een heftige koortsende ontsteking doormaakte. Heel oude mensen gingen vroeger dood aan wat “the old man’s friend” werd genoemd: een longontsteking bij een griep. Ze werden steeds suffer en gleden weg in de dood, een milde dood.

Veel mensen krijgen van hun huisarts een oproep voor vaccinatie tegen “de griep”. Zij kunnen zelf overwegen hoe hun gezondheidstoestand is en of vaccinatie voor hen wel of niet aan de orde is. Van het nieuwe H1N1-vaccin zijn zeker bijwerkingen te verwachten. Vaccinaties zijn in Nederland niet verplicht. Om economische redenen en om verspreiding van griepvirus te voorkomen worden ook vaccinaties aangeboden aan werkers in de gezondheidszorg, in het onderwijs en ook door grote bedrijven.’

Zo’n zin blijft natuurlijk hangen:

‘Van het nieuwe H1N1-vaccin zijn zeker bijwerkingen te verwachten.’

Nee, onze vrinden van de Vereniging tegen de Kwakzalverij zullen wel nooit iets zinnigs kunnen zien in ‘Antroposofische gezichtspunten over vaccineren bij kinderen en volwassenen’... De rest van Nederland hopelijk wel. Deze tekst zal daar zeker bij kunnen helpen. Hulde!

woensdag 14 oktober 2009

Opheffingen

‘De nieuwe Digitale Verbreding, uitgave 11 van 13 oktober is uit!’

Zo roept de website van de NVAZ, de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders, sinds gisteravond de bezoekers vrolijk toe. Eraan toevoegend:

‘Met heel veel nieuws en aankondigingen voor dit najaar. Klik voor het maandelijkse nieuws op de link hiernaast of hier. In het online tijdschrift De Digitale Verbreding is ook een samenvatting van het strategisch nieuws van de afgelopen periode opgenomen.’

Ga je daar naartoe, kan alle nieuwe kleurige vrolijkheid toch niet verhullen dat er ook een droeve ondertoon in zit. De redactie meldt namelijk:

‘In een brief aan leden en relaties heeft het bestuur van de NVAZ meegedeeld dat Adri Benschop de organisatie per 1 oktober als bureaudirecteur heeft verlaten. Dit houdt tevens in dat Adri Benschop geen deel meer uitmaakt van de redactie van De Digitale Verbreding.’

Dat wisten we al, sinds het bericht ‘Cowboys’ op 7 augustus. Maar treurig blijft het, nog maar twee jaar nadat de NVAZ haar startsymposium hield, waarover ik op 13 oktober 2008 berichtte in ‘Ontmoeting’. Het verslag hiervan, onder de titel ‘NVAZ-startsymposium: Verinnerlijking in de antroposofische zorg’, laat ik hier nog een keer volgen, speciaal voor de historische herinnering:

‘Goede geesten hadden zich verzameld onder een gelukkig gesternte. Zo leek het wel op 21 september in Leersum bij het startsymposium van de NVAZ. Niet in Antropia in Driebergen, zo legde directeur Adri Benschop uit, omdat daar de verbouwing nog gaande was. Dus werd conferentiecentrum Ginkelduin het alternatief. Een aparte, en tegelijk toch passende ambiance: een zaal waar op de muren Venetiaanse gevels waren geschilderd. Alsof we ons in gondels door het water begaven. Een mooi beeld voor de vliegende start van het NVAZ.

Want dat werd het, met sprekers zoals Hans Reinders, Ron Dunselman en Madeleen Winkler. Aan elkaar gepraat door Bert Vroon, die zich liet kennen als een bevlogen voorzitter van de NVAZ. Ook werden oude coryfeeën uitgeluid: Gerard Besten als voorzitter van het Heilpedagogisch Verbond en Huib van den Doel als voorzitter van de Federatie Antroposofische Gezondheidszorg.

De laatste gaf het verzamelde publiek een bijzondere boodschap mee: de geboortehoroscoop van de NVAZ. Deze kwam ter wereld bij de notaris te Haarlem op 27 december 2006 om kwart over elf ’s morgens. Het moet een hogere sterrenkunde zijn die de bijbehorende karaktereigenschappen tevoorschijn wist te toveren: levensbeschouwelijk ingesteld, met grote liefde voor kunst en religie, en belangstelling voor broederschap. Negatieve eigenschappen waren er natuurlijk ook: gemakzucht en egoïsme sprongen in het oog.

Maar ook professor Hans Reinders hield de aanwezigen een spiegel voor. Hij bekleedt sinds twee jaar de Bernard Lievegoed leerstoel aan de VU in Amsterdam. Men was gespannen wat zijn bevindingen zouden zijn, inmiddels bijna halfweg zijn opdracht voor vijf jaar. Hij maakte meteen duidelijk dat het wat hem betreft niet om verinnerlijking ván, maar ín de antroposofische gezondheidszorg gaat. In de zorg is het zaak om op een bewuste manier bij jezelf te zijn en verbinding te scheppen. Dat is geen toestand, maar een activiteit, beweging. Dit staat voor “goede zorg”, waarmee Reinders de “tegenwoordigheid van geest” aanhaalde die Pim Blomaard heeft geformuleerd. “Ontmoeting is beweging”, zo stelde Reinders onomwonden.

Ook Steiner werd door hem naar voren gehaald, met zijn begrip van “liefdevolle bewustwording”. Dat leidt niet tot vaststelling van, maar tot afstemming op de werkelijkheid. Dit bleek Reinders’ eigenlijke thema te zijn. Enerzijds gaat het in de zorg om “presentie”: aanwezigheid, tegenwoordigheid. Anderzijds om “representatie”: duidelijk maken en zich bewust worden door middel van beeld en taal. Dat is niet dezelfde tegenwoordigheid, kan dit ook niet zijn. Vaak is er nog een kloof tussen presentie en representatie, constateerde Reinders. Je kunt dit ook simpel vertalen in: men zegt iets heel anders dan wat men doet. Maar verinnerlijking en veruiterlijking horen bij elkaar als twee zijden van dezelfde medaille. Het is te hopen dat dit bloedinteressante, zorgvuldig opgebouwde betoog snel op schrift beschikbaar komt, want het is goud waard, niet alleen voor de antroposofische zorg.

Na deze wetenschappelijke verhandeling spraken Ron Dunselman en Madeleen Winkler een heel andere taal. Zij lieten zien wat de antroposofie voor de zorg kan betekenen en putten daarbij uit een jarenlange praktijkervaring. De antroposofie komt het meest overtuigend over als men uit zijn eigen concrete praktijk vertelt, blijkt elke keer opnieuw. Ron Dunselman richtte hierbij zijn aandacht op verschillende voorwaarden voor ontwikkeling, waarbij hij er zeven onderscheidde, die hij in het groot ook terugzag bij organisaties. Madeleen Winkler tot slot gaf zulke sprekende voorbeelden uit haar spreekkamer, dat het publiek er doodstil van werd, alsof de zaal moest slikken. Waarmee neem je eigenlijk waar wat er met de ander aan de hand is, was haar vraag. Daar zijn organen voor die men zich gewoonlijk niet bewust is, maar die je kunt activeren, onder meer door zo bewust en intensief mogelijk met de patiënt bezig te zijn.

Met deze bijdragen werd het startsymposium van de NVAZ niet alleen een vrolijke en gezellige bijeenkomst voor circa honderd mensen (dit hadden er natuurlijk veel meer mogen zijn), maar vooral ook een heel inhoudelijke. Nu was het centrale thema ook verinnerlijking, maar toch was dit verrassend. Het smaakt naar meer. Kan er niet ieder jaar in september zo’n startsymposium worden gehouden, om op te laden voor het nieuwe seizoen? Om met nieuwe kracht het dankbare, maar vaak o zo slopende werk in de zorg weer op zich te kunnen nemen.’

Adri Benschop blijft gewoon hieronder te volgen, via zijn fotoweblog. Maar u kunt ook met uw vragen bij hem terecht. Kijkt u maar eens naar zijn nieuwe website.

Nog even terug naar De Digitale Verbreding nr. 11 van 13 oktober. Tussen de vele berichten valt er eentje op, weer een historie die kan worden afgesloten. ‘Opheffing SAIG’ heet het. Het gaat over:

‘Opheffing Stichting Antroposofische Intramurale Gezondheidszorg
Opheffing Stichting Vrienden van de Zeylmans van Emmichoven Kliniek

Via deze weg informeren wij u over de opheffing van beide bovengenoemde stichtingen en over de vereffening van het resterende vermogen aan Stichting Bernard Lievegoed Fonds.

Een van de activiteiten waaraan wij in de afgelopen jaren onze steun hebben kunnen geven is het Centrum voor Integrale Geneeskunde (in oprichting), een initiatief binnen de Lievegoed Zorggroep. Het verheugt ons dat we door de vele schenkingen door donateurs aan onze stichtingen in staat waren dit kansrijke initiatief te ondersteunen.

Wij zijn onze donateurs zeer erkentelijk voor hun ondersteuning in de achter ons liggende jaren. Deze steun kwam al die jaren voort uit een warme betrokkenheid bij de Willem Zeylmans van Emmichoven Kliniek.

Vanwege de verwantschap in doelstellingen tussen onze beide stichtingen en die van onze rechtsopvolger zijn wij voornemens ons netwerk over te dragen aan het Bernard Lievegoed Fonds. Informatie over deze stichting en haar doelstellingen vindt u op www.lievegoedfonds.nl.

Dit fonds heeft primair een wetenschappelijke doelstelling, maar rekent ook het stimuleren en ondersteunen van plaatsen waar wetenschappelijk onderzoek in de praktijk getoetst dan wel gebracht wordt tot haar doelstellingen. Juist deze doelstelling sluit aan bij de doelstellingen van onze beide stichtingen.

Het feit dat het Bernard Lievegoed Fonds een goed functionerend bureau heeft onder leiding van zijn directeur Ted van den Bergh geeft een garantie van efficiënte en effectieve bureau-ondersteuning.

Met vriendelijke groet,
namens het bestuur Stichting Antroposofische Intramurale Gezondheidzorg en het Bestuur Stichting Vrienden van de Willem Zeylmans van Emmichoven Kliniek,

Paul Wormer,
Voorzitter’

Het is me wat allemaal. Het lijkt wel The Rise and Fall of Eras.

dinsdag 13 oktober 2009

Overtreding

Ik ga iets doen wat niet mag. Soms moet je gewoon durven om buiten de afgesproken paden te treden. Het komt door het bericht dat ik zondag gaf over onze Kackadorissen. Hoe kan het toch dat mensen tot in lengte van dagen, tot de dood hen scheidt waarschijnlijk, zo’n onbeweeglijke opstelling kiezen? Gisteren nog was de dagelijkse column van Frits Abrahams in NRC Handelsblad aan hetzelfde evenement gewijd. ‘Tegen kritische prikkers’ heette die. (U weet vast nog wel, de Nederlandse Vereniging Kritisch Prikken (NVKP) sleepte de hoofdprijs in de wacht en was daarmee gelijk de grootste verliezer.) Waarom heeft men het toch zo moeilijk met een kritische instelling?

‘In de Koepelkerk in Amsterdam werden de kritische prikkers zaterdag tot “onbetwiste winnaar” van het jaar uitgeroepen. De NVKP is opgericht door homeopaten en antroposofen, twee menssoorten die bij de VtdK louter gevoelens van diepe minachting opwekken. Daar ziet men de kritische prikkers als levensgevaarlijke bestrijders van vaccinaties.’

Interessant is dat op het bericht op de weblog van Aertjan Grotenhuis, waar ik het dezelfde dag ook over had, nu al achttien reacties zijn binnengekomen, precies zoals hij gevraagd had. Opmerkelijk is daar de vreemde opstelling van de CDA-politica Antoinette Vietsch, die heeft blijkbaar nog niet door hoe de hazen lopen (zie hier haar reactie op zondag 11 oktober 2009, 23:04 uur). Of ze probeert CDA-minister Ab Klink een beetje af te dekken, dat kan natuurlijk ook.

Pietje Sligcher schetste zijn (of haar) ervaring op maandag 12 oktober 2009, 11:10 uur:

‘Het congres van de antikwakzalvers afgelopen zaterdag was een grote schok. Vooral het niveau en de inhoud van de sprekers van de politieke partijen was ver beneden peil. Mevr. Vietsch zet ons even op een lijn met drugshandel en prostitutie. Wij waren uitgenodigd, maar werden niet behandeld zoals je in mijn ogen gasten behandeld. In de persoonlijke gesprekken met de anti-kwakzalvers bleek iedere keer weer, dat ze geen idee hebben hoe homeopaat-artsen werken. Ze hebben geen idee hoe onze zorg eruit ziet. Mijn grootste schok was, dat de woordvoerder van de SP, de heer W. van Gerven, met nadruk zelfs na vragen bleef volhouden, dat de SP tegen complementaire geneeswijzen is. Als dat bekend word onder de massa verliezen ze zeker 10 % van hun leden. Het gelijkheidsbeginsel tussen artsen zal altijd verhinderen, dat de BTW voor de ene groep wel kan en voor de andere niet.’

Dan was de bekende Wim Verest, beleidsmedewerker van de Samenwerkende CAM-artsenverenigingen, heel wat milder. Hij schreef op maandag 12 oktober 2009, 11:04 uur:

‘Afgelopen zaterdag was ik aanwezig bij de bijeenkomst van de VtdK en hoorde daar een bevlogen en genuanceerde lezing van Ton Nicolai, voorzitter van de European Committee for Homeopathy en een wat minder genuanceerde, maar daarom niet minder geïnspireerde rede van de heer Vermeulen, bestuurslid van de VtdK. Mw Borst trad op als een prettige en geïnteresseerde voorzitter die beide partijen voldoende ruimte bood. Tevens waren er 2 sprekers uit de Tweede Kamer: de heer van Gerven van de SP en de reeds genoemde mevrouw Vietsch van het CDA. Het was een geanimeerde middag. Het enige dat ontbrak waren de woordvoerders van politieke partijen die op een andere wijze denken over complementaire geneeskunde, want dat zijn er gelukkig veel meer dan genoemde twee van SP en CDA.’

Maar even afgezien van deze zeer concrete situatie, hield mij de vraag bezig wat de mensen bezield die zo totaal afwijzend, tot op het onredelijke, staan tegenover iets waar zij blijkbaar met hun pet helemaal niet bij kunnen. Wat op zichzelf ook weer niet zo vreemd is, dat je er niet helemaal bij kunt. Als het zo eenvoudig was... bestond het hele probleem waarschijnlijk niet. Kort en goed, ik liep een tekst tegen het lijf – meerdere eigenlijk – die me te denken gaven. Teksten van honderd jaar geleden, jawel. Maar mag dat nu ook eens een keer? Niet alles wat oud is hoeft toch verkeerd te zijn.

Bovendien kunnen we hierdoor mooi een experiment doen met de vertaalmachine van Google. Want ik zal het meteen maar eerlijk zeggen, ik ga twee artikelen van Rudolf Steiner hier laten volgen, en ook nog twee veel kortere vragenbeantwoordingen. Alles in het Duits, want zover ik weet is dit niet vertaald. En dan kunnen wij Nederlanders eens ervaren hoe het is als een buitenlander op deze weblog verzeild raakt en met Google Translate probeert te lezen wat ik schrijf. U hoeft alleen op de titel van deze bijdrage te klikken, dan heeft u de tekst van vandaag helemaal voor u alleen, en dan werkt het vertaalprogramma voor de gehele tekst (wel ‘Nederlands’ invullen uiteraard en dan klikken). Ik ben benieuwd.

(Ik heb nu, na het plaatsen van de tekst, de proef op de som genomen, en zo makkelijk blijkt het toch niet te gaan. Er zijn nog wat extra handelingen nodig. Maar het kan wel! Na het klikken op ‘vertaal’ krijgt u eerst de melding dat er niet vanuit het Nederlands naar het Nederlands kan worden vertaald. Dat klopt natuurlijk. Maar kijkt u linksboven, dan ziet u twee vakjes, met allebei ‘Nederlands’ erin. Maakt u van het eerste ‘Duits’, dan klopt alles wel, en klikt u vervolgens op ‘vertaal’, wordt het varkentje alsnog automatisch voor u gewassen. Proberen te lezen heb ik de vertaalde tekst overigens nu nog niet, daar is het nu te laat voor.)

Het eerste artikel staat bekend als ‘Die Kultur der Gegenwart im Spiegel der Geisteswissenschaft’ en komt uit het maandblad ‘Lucifer-Gnosis’ nr. 16 van september 1904. Het is opgenomen in GA nr. 34, ook ‘Lucifer-Gnosis’ geheten. De ondertitel van deze bijzondere GA-uitgave luidt: ‘Grundlegende Aufsätze zur Anthropsophie und Berichte aus den Zeitschriften «Luzifer» und «Lucifer-Gnosis» 1903-1908. Maar hier draagt het artikel de titel ‘Über moderne naturwissenschaftliche Anschauungen’ (blz. 457-466), wat overigens de originele titel uit 1904 is. Want in de aantekeningen op blz. 640 wordt uitgelegd:

‘Dieser Aufsatz erschien 1908 erstmals als selbständige Veröffentlichung unter dem ursprünglichen Titel «Die Kultur der Gegenwart im Spiegel der Theosophie».’

Om het nog ingewikkelder te maken is dit artikel ook opgenomen in ‘Aus der Akasha-Chronik’, GA 11, blz. 9-19. Bij de aantekeningen op blz. 253 staat echter een fout, namelijk dat dit artikel in Lucifer-Gnosis nr. 16 van september 1906 heeft gestaan. Dat jaartal klopt dus niet. Goed, genoeg over het bibliografische aspect, nu de tekst zelf.

Für denjenigen, welcher den Gang der wissenschaftlichen Entwickelung in den letzten Jahrzehnten verfolgt, kann kein Zweifel darüber bestehen, daß sich innerhalb desselben ein mächtiger Umschwung vorbereitet. Ganz anders als vor kurzer Zeit klingt es heute, wenn ein Naturforscher sich über die sogenannten Rätsel des Daseins ausspricht. – Es war um die Mitte des neunzehnten Jahrhunderts, als einige der kühnsten Geister in dem wissenschaftlichen Materialismus das einzig mögliche Glaubensbekenntnis sahen, das jemand haben kann, der mit den neueren Ergebnissen der Forschung bekannt ist. Berühmt geworden ist ja der derbe Ausspruch, der damals gefallen ist, daß «die Gedanken etwa in demselben Verhältnisse zum Gehirne stehen wie die Galle zu der Leber». Karl Vogt hat ihn getan, der in seinem «Köhlerglauben und Wissenschaft» und in anderen Schriften alles für überwunden erklärte, was nicht die geistige Tätigkeit, das seelische Leben aus dem Mechanismus des Nervensystems und des Gehirnes so hervorgehen ließ, wie der Physiker erklärt, daß aus dem Mechanismus der Uhr das Vorwärtsrücken der Zeiger hervorgeht. Es war die Zeit, in welcher Ludwig Büchners «Kraft und Stoff» für weite Kreise von Gebildeten zu einer Art Evangelium geworden ist. Man darf wohl sagen, daß vortreffliche, unabhängig denkende Köpfe zu solchen Überzeugungen durch den gewaltigen Eindruck gekommen sind, welchen die Erfolge der Naturwissenschaft in neuerer Zeit gemacht haben. Das Mikroskop hatte kurz vorher die Zusammensetzung der Lebewesen aus ihren kleinsten Teilen, den Zellen, gelehrt. Die Geologie, die Lehre von der Erdbildung, war dahin gekommen, das Werden unseres Planeten nach denselben Gesetzen zu erklären, die heute noch tätig sind. Der Darwinismus versprach auf eine rein natürliche Weise den Ursprung des Menschen zu erklären und trat seinen Siegeslauf durch die gebildete Welt so verheißungsvoll an, daß für viele durch ihn aller «alte Glaube» abgetan zu sein schien. Das ist seit kurzem ganz anders geworden. Zwar finden sich noch immer Nachzügler dieser Ansichten, die wie Ladenburg auf der Naturforscher-Versammlung von 1903 das materialistische Evangelium verkündigen; aber ihnen gegenüber stehen andere, welche durch ein reiferes Nachdenken über wissenschaftliche Fragen zu einer ganz anderen Sprache gekommen sind. Eben ist eine Schrift erschienen, welche den Titel trägt «Naturwissenschaft und Weltanschauung». Sie hat Max Verworn zum Verfasser, einen Physiologen, der aus Haeckels Schule hervorgegangen ist. In dieser Schrift ist zu lesen: «In der Tat, selbst wenn wir die vollkommenste Kenntnis besäßen von den physiologischen Ereignissen in den Zellen und Fasern der Großhirnrinde, mit denen das psychische Geschehen verknüpft ist, selbst wenn wir in die Mechanik des Hirngetriebes hineinschauen könnten wie in das Getriebe der Räder eines Uhrwerkes, wir würden doch niemals etwas anderes finden als bewegte Atome. Kein Mensch könnte sehen oder sonst irgendwie sinnlich wahrnehmen, wie dabei Empfindungen und Vorstellungen entstehen. Die Resultate, welche die materialistische Auffassung bei ihrem Versuch der Zurückführung geistiger Vorgänge auf Atombewegungen gehabt hat, illustrieren denn auch sehr anschaulich ihre Leistungsfähigkeit: Solange die materialistische Anschauung besteht, hat sie nicht die einfachste Empfindung durch Atombewegungen erklärt. So war es und so wird es sein in Zukunft. Wie wäre es auch denkbar, daß jemals Dinge, die nicht sinnlich wahrnehmbar sind wie die psychischen Vorgänge, ihre Erklärung finden könnten durch eine bloße Zerlegung großer Körper in ihre kleinsten Teile! Es bleibt ja das Atom doch immer noch ein Körper und keine Bewegung von Atomen ist jemals imstande, die Kluft zu überbrücken zwischen Körperwelt und Psyche. Die materialistische Auffassung, so fruchtbar sie als naturwissenschaftliche Arbeitshypothese gewesen ist, so fruchtbar sie in diesem Sinne auch zweifellos noch in Zukunft bleiben wird – ich verweise nur auf die Erfolge der Struktur-Chemie –, so unbrauchbar ist sie doch als Grundlage für eine Weltanschauung. Hier erweist sie sich als zu eng. Der philosophische Materialismus hat seine historische Rolle ausgespielt. Dieser Versuch einer naturwissenschaftlichen Weltanschauung ist für immer mißlungen.» So spricht ein Naturforscher am Anfang des zwanzigsten Jahrhunderts über die Anschauung, die um die Mitte des neunzehnten wie ein neues, durch die wissenschaftlichen Fortschritte gefordertes Evangelium verkündet worden ist.

Insbesondere sind es die fünfziger, sechziger und siebziger Jahre des neunzehnten Jahrhunderts, welche als diejenigen der materialistischen Hochflut bezeichnet werden dürfen. Einen wahrhaft faszinierenden Einfluß übte damals die Erklärung der geistigen und seelischen Ercheinungen aus rein mechanischen Vorgängen aus. Und die Materialisten durften sich damals sagen, daß sie einen Sieg über die Anhänger der geistigen Weltanschauung davongetragen haben. Auch solche, die nicht von naturwissenschaftlichen Studien ausgegangen waren, traten in ihr Gefolge. Hatten noch Büchner, Vogt, Moleschott und andere auf rein naturwissenschaftliche Voraussetzungen gebaut, so versuchte David Friedrich Strauß 1872 in seinem «Alten und neuen Glauben» aus seinen theologischen und philosophischen Erkenntnissen heraus die Stützpunkte für das neue Bekenntnis zu gewinnen. Er hatte schon vor Jahrzehnten in aufsehenerregender Weise in das Geistesleben durch sein «Leben Jesu» eingegriffen. Er schien ausgerüstet zu sein mit der vollen theologischen und philosophischen Bildung seiner Zeit. Er sprach es jetzt kühn aus, daß die im materialistischen Sinne gehaltene Erklärung der Welterscheinungen einschließlich des Menschen die Grundlage bilden müsse für ein neues Evangelium, für eine neue sittliche Erfassung und Gestaltung des Daseins. Die Abkunft des Menschen von rein tierischen Vorfahren schien ein neues Dogma werden zu wollen, und alles Festhalten an einem geistig-seelischen Ursprung unseres Geschlechtes galt in den Augen der Naturforschenden Philosophen als stehengebliebener Aberglaube aus dem Kindheitsalter der Menschheit, mit dem man sich nicht weiter zu beschäftigen habe.

Und denen, welche auf der neueren Naturwissenschaft bauten, kamen die Kulturhistoriker zu Hilfe. Die Sitten und Anschauungen wilder Volksstämme wurden zum Studium gemacht. Die Überreste primitiver Kulturen, die man aus der Erde gräbt, wie die Knochen vorweltlicher Tiere und die Abdrücke untergegangener Pflanzenwelten: sie sollten ein Zeugnis abgeben für die Tatsache, daß der Mensch bei seinem ersten Auftreten auf dem Erdball sich nur dem Grade nach von den höheren Tieren unterschieden habe, daß er aber geistig-seelisch sich durchaus von der bloßen Tierheit zu seiner jetzigen Höhe heraufentwickelt habe. Es war ein Zeitpunkt eingetreten, wo alles in diesem materialistischen Baue zu stimmen schien. Und unter einem gewissen Zwange, den die Vorstellungen der Zeit auf sie ausübten, dachten die Menschen so, wie ein gläubiger Materialist schreibt: «Das eifrige Studium der Wissenschaft hat mich dazu gebracht, alles ruhig aufzunehmen, das Unabänderliche geduldig zu tragen und übrigens dafür sorgen zu helfen, daß der Menschheit Jammer allmählich gemindert werde. Auf die phantastischen Tröstungen, die ein gläubiges Gemüt in wunderbaren Formeln sucht, kann ich um so leichter verzichten, als meine Phantasie durch Literatur und Kunst die schönste Anregung findet. Wenn ich dem Gang eines großen Dramas folge oder an der Hand von Gelehrten eine Reise zu anderen Sternen, eine Wanderung durch vorweltliche Landschaften unternehme, wenn ich die Erhabenheit der Natur auf Bergesgipfeln bewundere oder die Kunst des Menschen in Tönen und Farben verehre, habe ich da nicht des Erhebenden genug? Brauche ich dann noch etwas, das meiner Vernunft widerspricht? – Die Furcht vor dem Tode, die so viele Fromme quält, ist mir vollständig fremd. Ich weiß, daß ich, wenn mein Leib zerfällt, so wenig fortlebe, wie ich vor meiner Geburt gelebt habe. Die Qualen des Fegefeuers und einer Hölle sind für mich nicht vorhanden. Ich kehre in das grenzenlose Reich der Natur zurück, die alle Kinder liebend umfaßt. Mein Leben war nicht vergeblich. Ich habe die Kraft, die ich besaß, wohl angewendet. Ich scheide von der Erde in dem festen Glauben, daß sich alles besser und schöner gestalten wird!» (Vom Glauben zum Wissen. Ein lehrreicher Entwickelungsgang getreu nach dem Leben geschildert von Kuno Freidank.) So denken heute viele, auf welche die Zwangsvorstellungen noch Gewalt haben, die in der genannten Zeit auf die Vertreter der materialistischen Weltanschauung wirkten.

Diejenigen aber, die versuchten, sich auf der Höhe des wissenschaftlichen Denkens zu halten, sind zu anderen Vorstellungen gekommen. Berühmt geworden ist ja die erste Entgegnung, die von Seite eines hervorragenden Naturforschers auf der Naturforscher-Versammlung in Leipzig (1876) auf den naturwissenschaftlichen Materialismus ausgegangen ist. Du Bois-Reymond hat damals seine «Ignorabimus-Rede» gehalten. Er versuchte zu zeigen, daß dieser naturwissenschaftliche Materialismus in der Tat nichts vermag als die Bewegungen kleinster Stoffteilchen festzustellen, und er forderte, daß er sich damit begnügen müsse, solches zu tun. Aber er betonte zugleich, daß damit auch nicht das Geringste geleistet ist zur Erklärung der geistigen und seelischen Vorgänge. Man mag sich zu diesen Ausführungen Du Bois-Reymonds stellen wie man wolle: soviel ist klar, sie bedeutete eine Absage an die materialistische Welterklärung. Sie zeigte, wie man als Naturforscher an dieser irre werden könne.

Die materialistische Welterklärung war damit in das Stadium eingetreten, auf dem sie sich bescheiden erklärte gegenüber dem Leben der Seele. Sie stellte ihr «Nichtwissen» (Agnostizismus) fest. Zwar erklärte sie, daß sie «wissenschaftlich» bleiben und nicht ihre Zuflucht zu anderen Wissensquellen nehmen wolle; aber sie wollte auch nicht mit ihren Mitteln aufsteigen zu einer höheren Weltanschauung. (In umfassender Art hat in neuerer Zeit Raoul France, ein Naturforscher, die Unzulänglichkeit der naturwissenschaftlichen Ergebnisse für eine höhere Weltanschauung gezeigt. Dies ist ein Unternehmen, auf das wir noch ein anderes Mal zurückkommen möchten.)

Und nun mehrten sich auch stetig die Tatsachen, welche das Unmögliche des Unterfangens zeigten, auf die Erforschung der materiellen Erscheinungen eine Seelenkunde aufzubauen. Die Wissenschaft wurde gezwungen, gewisse «abnorme» Erscheinungen des Seelenlebens, den Hypnotismus, die Suggestion, den Somnambulismus zu studieren. Es zeigte sich, daß diesen Erscheinungen gegenüber für den wirklich Denkenden eine materialistische Anschauung ganz unzulänglich ist. Es waren keine neuen Tatsachen, die man kennenlernte. Es waren vielmehr Erscheinungen, die man in alten Zeiten schon und bis in den Anfang des neunzehnten Jahrhunderts herein studiert hatte, die aber in der Zeit der materialistischen Hochflut als unbequem einfach beiseite gesetzt worden waren.

Dazu kam noch etwas anderes. Immer mehr zeigte sich, auf welch schwachem Untergrunde die Naturforscher selbst mit ihren Erklärungen von der Entstehung der Tierformen und folglich auch des Menschen gebaut hatten. Welche Anziehungskraft übten doch die Vorstellungen von der «Anpassung» und dem «Kampf ums Dasein» bei der Erklärung der Artentstehung eine Zeitlang aus. Man lernte einsehen, daß man mit ihnen Blendwerken nachgegangen war. Es bildete sich eine Schule – unter Weismanns Führung –, die nichts davon wissen wollte, daß sich Eigenschaften, welche ein Lebewesen durch Anpassung an die Umgebung erworben hat, vererben könnten, und daß so durch sie eine Umbildung der Lebewesen eintrete. Man schrieb daher alles dem «Kampf ums Dasein» zu und sprach von einer «Allmacht der Naturzüchtung». In schroffen Gegensatz dazu traten, gestützt auf unbezweifelbare Tatsachen, solche, die erklärten, man habe in Fällen von einem «Kampf ums Dasein» gesprochen, wo er gar nicht existiere. Sie wollten dartun, daß nichts durch ihn erklärt werden könne. Sie sprachen von einer «Ohnmacht der Naturzüchtung». Weiter konnte de Vries in den letzten Jahren durch Versuche zeigen, daß es ganz sprungweise Veränderungen einer Lebensform in die andere gebe (Mutation). Damit ist auch erschüttert, was man von seiten der Darwinianer als einen festen Glaubensartikel angesehen hat, daß sich Tier- und Pflanzenformen nur allmählich umwandelten. Immer mehr schwand einfach der Boden unter den Füßen, auf dem man jahrzehntelang gebaut hatte. Denkende Forscher hatten ohnedies schon früher diesen Boden verlassen zu müssen geglaubt, wie der jung verstorbene W. H. Rolph, der in seinem Buche: «Biologische Probleme, zugleich als Versuch zur Entwicklung einer rationellen Ethik» schon 1884 erklärt: «Erst durch die Einführung der Unersättlichkeit wird das darwinistische Prinzip im Lebenskampfe annehmbar. Denn nun erst haben wir eine Erklärung für die Tatsache, daß das Geschöpf, wo immer es kann, mehr erwirbt, als es zur Erhaltung des Status quo bedarf, daß es im Übermaß wächst, wo die Gelegenheit dazu gegeben ist ... Während es für den Darwinisten überall da keinen Daseinskampf gibt, wo die Existenz des Geschöpfes nicht bedroht ist, ist für mich der Kampf ein allgegenwärtiger. Er ist eben primär ein Lebenskampf, ein Kampf um Lebensmehrung, aber kein Kampf ums Dasein.»

Nur natürlich ist es, daß sich bei solcher Lage der Tatsachen die Einsichtigen gestehen: Die materialistische Gedankenwelt taugt nicht zum Aufbau einer Weltanschauung. Wir dürfen, von ihr ausgehend, nichts über die seelischen und geistigen Erscheinungen aussagen. Und es gibt heute schon zahlreiche Naturforscher, welche auf ganz anderen Vorstellungen sich ein Weltgebäude zu errichten suchen. Es braucht nur an das Werk des Botanikers Reincke erinnert zu werden «Die Welt als Tat». Dabei zeigt es sich allerdings, daß solche Naturforscher nicht ungestraft in den rein materialistischen Vorstellungen erzogen worden sind. Was sie von ihrem neuen idealistischen Standpunkte aus vorbringen, das ist ärmlich, das kann sie einstweilen befriedigen, nicht aber diejenigen, welche tiefer in die Welträtsel hineinblicken. Solche Naturforscher können sich nicht entschließen, an diejenigen Methoden heranzutreten, die von der wirklichen Betrachtung des Geistes und der Seele ausgehen. Sie haben die größte Furcht vor der «Mystik», vor «Gnosis» oder «Theosophie». Das leuchtet zum Beispiel klar aus der angeführten Schrift Verworns heraus. Er sagt: «Es gärt in der Naturwissenschaft. Dinge, die allen klar und durchsichtig erschienen, haben sich heute getrübt. Langerprobte Symbole und Vorstellungen, mit denen noch vor kurzem ohne Bedenken jeder auf Schritt und Tritt umging und arbeitete, sind ins Wanken geraten und werden mit Mißtrauen betrachtet. Grundbegriffe, wie die der Materie, erscheinen erschüttert, und der festeste Boden beginnt unter den Schritten des Naturforschers zu schwanken. Felsenfest allein stehen gewisse Probleme, an denen bisher alle Versuche, alle Anstrengungen der Naturwissenschaft zerschellt sind. Der Verzagte wirft sich bei dieser Erkenntnis resigniert der Mystik in die Arme, die von jeher die letzte Zuflucht war, wo der gequälte Verstand keinen Ausweg mehr sah. Der Besonnene sieht sich nach neuen Symbolen um und versucht neue Grundlagen zu schaffen, auf denen er weiter bauen kann.» Man sieht, der naturforschende Denker von heute ist durch seine Vorstellungsgewohnheiten nicht in der Lage, sich einen andern Begriff von «Mystik» zu machen als einen solchen, der Verworrenheit, Unklarheit des Verstandes einschließt. – Und zu welchen Vorstellungen von dem Seelenleben kommt ein solcher Denker! Wir lesen am Schluß der angeführten Schrift: «Der prähistorische Mensch hatte die Idee einer Trennung von Leib und Seele gebildet beim Anblick des Todes. Die Seele trennte sich vom Leibe und führte ein selbständiges Dasein. Sie fand keine Ruhe und kam wieder als Geist, wenn sie nicht durch sepulkrale Zeremonien gebannt wurde. Furcht und Aberglauben ängstigten den Menschen. Die Reste dieser Anschauungen haben sich bis in unsere Zeit gerettet. Die Furcht vor dem Tode, das heißt vor dem, was nachher kommen wird, ist noch heute weit verbreitet. – Wie anders gestaltet sich das alles vom Standpunkte des Psychomonismus! Da die psychischen Erlebnisse des Individuums nur zustande kommen, wenn bestimmte, gesetzmäßige Verknüpfungen existieren, so fallen sie weg, sobald diese Verknüpfungen irgendwie gestört werden, wie das ja schon während des Tages unaufhörlich geschieht. Mit den körperlichen Veränderungen beim Tode hören diese Verknüpfungen ganz auf. So kann also keine Empfindung und Vorstellung, kein Gedanke und kein Gefühl des Individuums mehr bestehen. Die individuelle Seele ist tot. Dennoch leben die Empfindungen und Gedanken und Gefühle weiter. Sie leben weiter über das vergängliche Individuum hinaus in anderen Individuen, überall da, wo die gleichen Komplexe von Bedingungen existieren. Sie pflanzen sich fort von Individuum zu Individuum, von Generation zu Generation, von Volk zu Volk. Sie wirken und weben am ewigen Webstuhl der Seele. Sie arbeiten an der Geschichte des menschlichen Geistes. – So leben wir alle nach dem Tode weiter als Glieder in der großen, zusammenhängenden Kette geistiger Entwicklung.» Aber ist denn das etwas anderes als das Fortleben der Wasserwelle in anderen, die sie aufgeworfen hat, während sie selbst vergeht? Lebt man wahrhaft weiter, wenn man nur in seinen Wirkungen weiterbesteht? Hat man solches Weiterleben nicht mit allen Erscheinungen auch der physischen Natur gemein? Man sieht, die materialistische Weltauffassung mußte ihre eigenen Grundlagen untergraben. Neue vermag sie noch nicht zu bauen. Erst das wahre Verständnis von Mystik, Theosophie, Gnosis wird ihr solches möglich machen. Der Chemiker Ostwald hat vor mehreren Jahren auf der Naturforscher-Versammlung zu Lübeck von der «Überwindung des Materialismus» gesprochen und für das damit angedeutete Ziel eine neue naturphilosophische Zeitschrift begründet. Die Naturwissenschaft ist reif, die Früchte einer höheren Weltanschauung in Empfang zu nehmen. Und alles Sträuben wird ihr nichts nützen; sie wird den Bedürfnissen der sehnenden Menschenseele Rechnung tragen müssen.

Interessant, niet? Voor wie natuurlijk Duits kan lezen. Het volgende artikel is ook nog eens zo lang. Het heet ‘Vorurteile aus vermeintlicher Wissenschaft’, en komt uit hetzelfde tijdschrift Lucifer-Gnosis, maar dan nr. 35 van mei 1908. Het staat in GA 34 op blz. 298-308, en is ook in GA 11 opgenomen, op blz. 239-251.

Es ist gewiß richtig, daß es im Geistesleben der Gegenwart vieles gibt, was demjenigen, der nach Wahrheit sucht, das Bekenntnis zu den geisteswissenschaftlichen (theosophischen) Erkenntnissen schwierig macht. Und dasjenige, was in den Aufsätzen über die «Lebensfragen der theosophischen Bewegung» gesagt ist, kann als Andeutung der Gründe erscheinen, welche insbesondere bei dem gewissenhaften Wahrheitsucher in dieser Richtung bestehen. Ganz phantastisch muß manche Aussage des Geisteswissenschafters dem erscheinen, welcher sie prüft an den sicheren Urteilen, die er glaubt aus dem sich bilden zu müssen, was er als die Tatsachen der naturwissenschaftlichen Forschung kennengelernt hat. Dazu kommt, daß diese Forschung auf den gewaltigen Segen hinzuweisen vermag, den sie dem menschlichen Fortschritt gebracht hat und fortdauernd bringt. Wie überwältigend wirkt es doch, wenn eine Persönlichkeit, welche lediglich auf die Ergebnisse dieser Forschung eine Weltansicht aufgebaut wissen will, die stolzen Worte zu sagen vermag: «Denn es liegt ein Abgrund zwischen diesen beiden extremen Lebensauffassungen: die eine für diese Welt allein, die andere für den Himmel. Bis heute hat jedoch die menschliche Wissenschaft nirgends die Spuren eines Paradieses, eines Lebens der Verstorbenen oder eines persönlichen Gottes aufgefunden, diese unerbittliche Wissenschaft, die alles ergründet und zerlegt, die vor keinem Geheimnis zurückschreckt, die den Himmel hinter den Nebelsternen ausforscht, die unendlich kleinen Atome der lebenden Zellen wie der chemischen Körper analysiert, die Substanz der Sonne auseinanderlegt, die Luft verflüssigt, von einem Ende der Erde zum andern bald sogar drahtlos telegraphiert, heute bereits durch die undurchsichtigen Körper durchsieht, die Schiffahrt unter dem Wasser und in der Luft einführt, uns neue Horizonte mittelst des Radiums und anderer Entdeckungen eröffnet; diese Wissenschaft, die, nachdem sie die wahre Verwandtschaft aller lebenden Wesen unter sich und ihre allmählichen Formwandlungen nachgewiesen hat, heute das Organ der menschlichen Seele, das Gehirn ins Bereich ihrer gründlichen Forschung zieht.» (Prof. August Forel, Leben und Tod. München 1908, Seite 3.) Die Sicherheit, mit welcher man auf solcher Grundlage zu bauen glaubt, verrät sich in den Worten, welche Forel an die obigen Auslassungen knüpft: «Indem wir von einer monistischen Lebensauffassung ausgehen, die allein allen wissenschaftlichen Tatsachen Rechnung trägt, lassen wir das Übernatürliche beiseite und wenden wir uns an das Buch der Natur.» So sieht sich der ernste Wahrheitsucher vor zwei Dinge gestellt, die einer bei ihm etwa vorhandenen Ahnung von der Wahrheit der geisteswissenschaftlichen Mitteilungen starke Hemmungen in die Wege stellen. Lebt in ihm ein Gefühl für solche Mitteilungen, ja empfindet er durch eine feinere Logik auch ihre innere Begründung: er kann zur Unterdrückung solcher Regungen gedrängt werden, wenn er sich zweierlei sagen muß. Erstens finden die Autoritäten, welche die Beweiskraft der sicheren Tatsachen kennen, daß alles «Übersinnliche» nur der Phantasterei und dem unwissenschaftlichen Aberglauben entspringt. Zweitens laufe ich Gefahr, durch die Hingabe an solches Übersinnliche ein unpraktischer, für das Leben unbrauchbarer Mensch zu werden. Denn alles, was für das praktische Leben geleistet wird, muß fest im «Boden der Wirklichkeit» wurzeln.

Es werden nun nicht alle, die in einen solchen Zwiespalt hineinversetzt sind, sich leicht durcharbeiten bis zu der Erkenntnis, wie es sich mit den beiden charakterisierten Dingen wirklich verhält. Könnten sie das, dann würden sie zum Beispiel in bezug auf den ersten Punkt das folgende sehen: Mit der naturwissenschaftlichen Tatsachenforschung stehen die Ergebnisse der Geisteswissenschaft nirgends in Widerspruch. Überall, wo man unbefangen auf das Verhältnis der beiden hinsieht, zeigt sich vielmehr für unsere Zeit etwas ganz anderes. Es stellt sich heraus, daß diese Tatsachenforschung hinsteuert zu dem Ziele, das sie in gar nicht zu ferner Zeit in volle Harmonie bringen wird mit dem, was die Geistesforschung aus ihren übersinnlichen Quellen für gewisse Gebiete feststellen muß. Aus Hunderten von Fällen, die zum Belege für diese Behauptung beigebracht werden könnten, sei hier ein charakteristischer hervorgehoben.

In meinen Vorträgen über die Entwickelung der Erde und der Menschheit wird darauf hingewiesen, daß die Vorfahren der jetzigen Kulturvölker auf einem Landesgebiet gewohnt haben, welches sich einstmals an der Stelle der Erdoberfläche ausdehnte, die heute von einem großen Teile des Atlantischen Ozeans eingenommen wird. In den Aufsätzen «Aus der Akasha-Chronik» ist mehr auf die seelisch-geistigen Eigenschaften dieser atlantischen Vorfahren hingewiesen worden. In mündlicher Rede wurde auch oft geschildert, wie die Oberfläche des Erdgebietes im alten Atlantischen Land ausgesehen hat. Es wurde gesagt: damals war die Luft durchschwängert von Wassernebeldünsten. Der Mensch lebte im Wassernebel, der sich niemals für gewisse Gebiete bis zur völligen Reinheit der Luft aufhellte. Sonne und Mond konnten nicht so gesehen werden wie heute, sondern umgeben von farbigen Höfen. Eine Verteilung von Regen und Sonnenschein, wie sie gegenwärtig stattfindet, gab es damals nicht. Man kann hellseherisch dies alte Land durchforschen: die Erscheinung des Regenbogens gab es damals nicht. Sie trat erst in der nachatlantischen Zeit auf. Unsere Vorfahren lebten in einem Nebelland. Diese Tatsachen sind durch rein übersinnliche Beobachtung gewonnen; und es muß sogar gesagt werden, daß der Geistesforscher am besten tut, wenn er sich aller Schlußfolgerungen aus seinen naturwissenschaftlichen Erkenntnissen peinlich genau entäußert; denn durch solche Schlußfolgerungen wird ihm leicht der unbefangene innere Sinn der Geistesforschung in die Irre geführt. Nun aber vergleiche man mit solchen Feststellungen gewisse Anschauungen, zu denen sich einzelne Naturforscher in der Gegenwart gedrängt fühlen. Es gibt heute Forscher, welche sich durch die Tatsachen bemüßigt finden, anzunehmen, daß die Erde in einer bestimmten Zeit ihrer Entwickelung in eine Wolkenmasse eingebettet war. Sie machen darauf aufmerksam, daß auch gegenwärtig der bewölkte Himmel den unbewölkten überwiege, so daß das Leben auch jetzt noch zum großen Teile unter der Wirkung eines Sonnenlichtes stehe, das durch Wolkenbildung abgeschwächt werde, daß man also nicht sagen dürfe: das Leben hätte sich nicht entwickeln können in der einstigen Wolkenhülle. Sie weisen ferner darauf hin, daß diejenigen Organismen der Pflanzenwelt, welche man zu den ältesten zählen kann, solche waren, die auch ohne direktes Sonnenlicht sich entwickeln. So fehlen unter den Formen dieser älteren Pflanzenwelt diejenigen, welche wie die Wüstenpflanzen unmittelbares Sonnenlicht und wasserfreie Luft brauchten. Ja, auch bezüglich der Tierwelt hat ein Forscher (Hilgard) darauf aufmerksam gemacht, daß die Riesenaugen ausgestorbener Tiere (zum Beispiel der Ichthyosaurier) darauf hinweisen, wie in ihrer Epoche eine dämmerhafte Beleuchtung auf der Erde vorhanden gewesen sein müsse. Es fällt mir nicht bei, solche Anschauungen als nicht korrekturbedürftig anzusehen. Sie interessieren den Geistesforscher auch weniger durch das, was sie feststellen, als durch die Richtung, in welche die Tatsachenforschung sich gedrängt sieht. Hat doch auch vor einiger Zeit die auf mehr oder weniger Haeckelschem Standpunkt stehende Zeitschrift «Kosmos» einen beherzigenswerten Aufsatz gebracht, der aus gewissen Tatsachen der Pflanzen- und Tierwelt auf die Möglichkeit eines einstigen atlantischen Festlandes hinwies. – Man könnte, wenn man eine größere Anzahl solcher Dinge zusammenstellte, leicht zeigen, wie sich wahre Naturwissenschaft in einer Richtung bewegt, die sie in der Zukunft einmünden lassen wird in den Strom, der gegenwärtig schon bewässert werden kann aus den Quellen der Geistesforschung. Es kann gar nicht scharf genug betont werden: mit den Tatsachen der Naturwissenschaft steht Geistesforschung nirgends im Widerspruch. Wo von ihren Gegnern ein solcher Widerspruch gesehen wird, da bezieht er sich eben gar nicht auf die Tatsachen, sondern auf die Meinungen, welche sich diese Gegner gebildet haben und von denen sie glauben, daß sie aus den Tatsachen sich notwendig ergeben. In Wahrheit hat aber zum Beispiel die oben angeführte Meinung Forels nicht das geringste mit den Tatsachen der Nebelsterne, mit dem Wesen der Zellen, mit der Verflüssigung der Luft und so weiter zu tun. Diese Meinung stellt sich als nichts anderes dar denn als ein Glaube, den sich viele aus ihrem am Sinnlich-Wirklichen haftenden Glaubensbedürfnis heraus gebildet haben und den sie neben die Tatsachen hinstellen. Dieser Glaube hat etwas stark Blendendes für den Gegenwartsmenschen. Er verführt zu einer inneren Intoleranz ganz besonderer Art. Die ihm anhängen, verblenden sich dahin, daß sie ihre eigene Meinung nur für allein «wissenschaftlich» ansehen und die Anschauung anderer als nur aus Vorurteil und Aberglauben entspringen lassen. So ist es doch wirklich sonderbar, wenn in einem eben erschienenen Buche über die Erscheinungen des Seelenlebens (Hermann Ebbinghaus, Abriß der Psychologie) die folgenden Sätze zu lesen sind: «Hilfe gegen das undurchdringliche Dunkel der Zukunft und die unüberwindliche Macht feindlicher Gewalten schafft sich die Seele in der Religion. Unter dem Druck der Ungewißheit und in dem Schrecken großer Gefahren drängen sich dem Menschen nach Analogie der Erfahrungen, die er in den Fällen des Nichtwissens und Nichtkönnens sonst gemacht hat, naturgemäß Vorstellungen zu, wie auch hier geholfen werden könnte, so wie man in Feuersnot an das rettende Wasser, in Kampfesnot an den helfenden Kameraden denkt.» «Auf den niederen Kulturstufen, wo der Mensch sich noch sehr machtlos und auf Schritt und Tritt von unheimlichen Gefahren umlauert fühlt, überwiegt begreiflicherweise durchaus das Gefühl der Furcht und dementsprechend der Glaube an böse Geister und Dämonen. Auf höheren Stufen dagegen, wo der reiferen Einsicht in den Zusammenhang der Dinge und der größeren Macht über sie ein gewisses Selbstvertrauen und ein stärkeres Hoffen entspringt, tritt auch das Gefühl des Zutrauens zu den unsichtbaren Mächten in den Vordergrund und eben damit der Glaube an gute und wohlwollende Geister. Aber im ganzen bleiben beide, Furcht und Liebe, nebeneinander, dauernd charakteristisch für das Fühlen des Menschen gegenüber seinen Göttern, nur eben je nach Umständen beide in verschiedenem Verhältnis zueinander.» – «Das sind die Wurzeln der Religion ... Furcht und Not sind ihre Mütter; und obwohl sie im wesentlichen durch Autorität fortgepflanzt wird, nachdem sie einmal entstanden ist, so wäre sie doch längst ausgestorben, wenn sie aus jenen beiden nicht immer wieder neu geboren würde.» – Wie ist in diesen Behauptungen alles verschoben, alles durcheinandergeworfen; wie ist das Durcheinandergeworfene von falschen Punkten aus beleuchtet. Wie stark ferner steht der Meinende unter dem Einfluß des Glaubens, daß seine Meinung eine allgemein-verbindliche Wahrheit sein muß. Zunächst ist durcheinandergeworfen der Inhalt des religiösen Vorstellens mit dem religiösen Gefühlsinhalt. Der Inhalt des religiösen Vorstellens ist aus dem Gebiete der übersinnlichen Welten genommen. Das religiöse Gefühl, zum Beispiel Furcht und Liebe gegenüber den übersinnlichen Wesenheiten, wird ohne weiteres zum Schöpfer des Inhaltes gemacht und ohne alle Bedenken angenommen, daß dem religiösen Vorstellen etwas Wirkliches gar nicht entspreche. Nicht im entferntesten wird an die Möglichkeit gedacht, daß es eine echte Erfahrung geben könne von übersinnlichen Welten und daß an die durch solche Erfahrung gegebene Wirklichkeit sich hinterher die Gefühle von Furcht und Liebe klammern, wie ja schließlich auch keiner in Feuersnot an das rettende Wasser, in Kampfesnot an den helfenden Kameraden denkt, wenn er nicht Wasser und Kamerad vorher gekannt hat. Geisteswissenschaft wird in solcher Betrachtung dadurch für eine Phantasterei erklärt, daß man das religiöse Fühlen zum Schöpfer von Wesenheiten werden läßt, welche man einfach für nicht vorhanden ansieht. Solcher Denkungsart fehlt eben ganz das Bewußtsein davon, daß es möglich ist, den Inhalt der übersinnlichen Welt zu erleben, wie es möglich für die äußeren Sinne ist, die gewöhnliche Sinnenwelt zu erleben. – Das Sonderbare tritt bei solchen Ansichten oft ein: sie verfallen in diejenige Art der Schlußfolgerung für ihren Glauben, die sie als die anstößige bei den Gegnern hinstellen. So findet sich in der obenangeführten Schrift von Forel der Satz: «Leben wir denn nicht in einer hundertmal wahreren, wärmeren und interessanteren Weise in dem Ich und in der Seele unserer Nachkommen von neuem als in der kalten und nebelhaften Fata morgana eines hypothetischen Himmels unter den ebenso hypothetischen Gesängen und Trompetenklängen vermuteter Engel und Erzengel, die wir uns doch nicht vorstellen können und die uns daher nichts sagen.» Ja, aber was hat es denn mit der Wahrheit zu tun, was «man» «wärmer», «interessanter» findet? Wenn es schon richtig ist, daß aus Furcht und Hoffnung nicht ein geistiges Leben abgeleitet werden soll, ist es dann richtig, dieses geistige Leben zu leugnen, weil man es «kalt» und «uninteressant» findet? Der Geistesforscher ist gegenüber solchen Persönlichkeiten, welche auf dem «festen Boden wissenschaftlicher Tatsachen» zu stehen behaupten, in der folgenden Lage. Er sagt ihnen: was ihr an solchen Tatsachen vorbringt, aus Geologie, Paläontologie, Biologie, Physiologie und so weiter, nichts wird von mir geleugnet. Zwar bedarf manche eurer Behauptungen sicherlich der Korrektur durch andere Tatsachen. Doch solche Korrektur wird die Naturwissenschaft selbst bringen. Abgesehen davon sage ich «Ja» zu dem, was ihr vorbringt. Euch zu bekämpfen fällt mir gar nicht bei, wenn ihr Tatsachen vorbringt. Nun aber sind eure Tatsachen nur ein Teil der Wirklichkeit. Der andere Teil sind die geistigen Tatsachen, welche den Verlauf der sinnlichen erst erklärlich machen. Und diese Tatsachen sind nicht Hypothesen, nicht etwas, was «man» sich nicht vorstellen kann, sondern das Erlebnis, die Erfahrung der Geistesforschung. Was ihr vorbringt über die von euch beobachteten Tatsachen hinaus, ist, ohne daß dies von euch bemerkt wird, nichts weiter als die Meinung, daß es solche geistige Tatsachen nicht geben könne. In Wahrheit bringt ihr zum Beweis für diese eure Behauptung nichts vor, als daß euch solche geistige Tatsachen unbekannt sind. Daraus folgert ihr, daß sie nicht existieren und daß diejenigen Träumer und Phantasten seien, welche vorgeben, von ihnen etwas zu wissen. Der Geistesforscher nimmt euch nichts, aber auch gar nichts von eurer Welt; er fügt zu dieser nur noch die seine hinzu. Ihr aber seid damit nicht zufrieden, daß er so verfährt; ihr sagt – wenn auch nicht immer klar –, «man» darf von nichts anderem sprechen, als wovon wir sprechen; wir fordern nicht allein, daß man uns das zugibt, wovon wir wissen, sondern wir verlangen, daß man alles das für eitel Hirngespinst erklärt, wovon wir nichts wissen. Wer auf solche «Logik» sich einlassen will, dem ist allerdings vorläufig nicht zu helfen. Er mag mit dieser Logik den Satz begreifen: «In unseren menschlichen Ahnen hat unser Ich früher direkt gelebt und es wird in unseren direkten oder indirekten Nachkommen weiter leben.» (Forel, Leben und Tod, Seite 21.) Er soll aber nur nicht hinzufügen: «Die Wissenschaft beweist es», wie es in der angeführten Schrift geschieht. Denn die Wissenschaft «beweist» in diesem Falle nichts, sondern der an die Sinnenwelt gefesselte Glaube stellt das Dogma auf: Wovon ich mir nichts vorstellen kann, das muß als Wahn gelten; und wer gegen meine Behauptung sündigt, vergeht sich an echter Wissenschaft.

Wer die menschliche Seele in ihrer Entwickelung kennt, der findet es ganz begreiflich, daß durch die gewaltigen Fortschritte der Naturwissenschaft die Geister zunächst geblendet sind und sich heute nicht zurechtfinden können in den Formen, in denen hohe Wahrheiten traditionell überliefert sind. Die Geisteswissenschaft gibt der Menschheit solche Formen wieder zurück. Sie zeigt zum Beispiel, wie die Schöpfungstage der Bibel Dinge wiedergeben, die dem hellseherischen Blick sich entschleiern. Der an die Sinnenwelt gefesselte Geist findet nur, daß die Schöpfungstage den Errungenschaften der Geologie und so weiter widersprechen. Die Geisteswissenschaft ist bei dem Erkennen der tiefen Wahrheiten dieser Schöpfungstage ebensoweit davon entfernt, sie als bloße «Mythendichtung» zu verflüchtigen, wie irgendwie allegorische oder symbolische Erklärungsarten anzuwenden. Wie sie vorgeht, das ist allerdings denen ganz unbekannt, welche noch immer von dem Widerspruch dieser Schöpfungstage mit der Wissenschaft phantasieren. Auch darf nicht geglaubt werden, daß die Geistesforschung ihr Wissen aus der Bibel schöpft. Sie hat ihre eigenen Methoden, findet unabhängig von allen Urkunden die Wahrheiten und erkennt sie dann wieder in diesen. Dieser Weg ist aber notwendig für viele gegenwärtige Wahrheitssucher. Denn diese fordern eine Geistesforschung, die in sich denselben Charakter tragt wie die Naturwissenschaft. Und nur wo das Wesen solcher Geisteswissenschaft nicht erkannt wird, verfällt man in die Ratlosigkeit, wenn es sich darum handelt, die Tatsachen der übersinnlichen Welt vor den blendenden Wirkungen der scheinbar auf Naturwissenschaft gebauten Meinungen zu bewahren. Eine solche Gemütsverfassung wurde sogar schon vorhergeahnt von einem seelisch warmen Manne, der aber für sein Gefühl keinen geisteswissenschaftlichen übersinnlichen Inhalt finden konnte. Schon vor beinahe achtzig Jahren schrieb eine solche Persönlichkeit, Schleiermacher, an Lücke, der um vieles jünger war als er selbst: «Wenn Sie den gegenwärtigen Zustand der Naturwissenschaft betrachten, wie sie sich immer mehr zu einer umfassenden Weltkunde gestaltet, was ahndet Ihnen von der Zukunft, ich will nicht einmal sagen für unsere Theologie, sondern für unser evangelisches Christentum ... Mir ahndet, daß wir werden lernen müssen, uns ohne Vieles zu behelfen, was Viele noch gewohnt sind, als mit dem Wesen des Christentums unzertrennlich verbunden zu denken. Ich will gar nicht vom Sechstagewerk reden, aber der Schöpfungsbegriff, wie er gewöhnlich konstruiert wird ... wie lange wird er sich noch halten können gegen die Gewalt einer aus wissenschaftlichen Kombinationen, denen sich niemand entziehen kann, gebildeten Weltanschauung? ... Was soll denn werden, mein lieber Freund? Ich werde diese Zeit nicht mehr erleben, sondern kann mich ruhig schlafen legen; aber Sie mein Freund, und Ihre Altersgenossen, was gedenken Sie zu tun?» (Theologische Studien und Kritiken von Ullmann und Umbreit, 1829, Seite 489.) Diesem Ausspruch liegt die Meinung zugrunde, daß die «wissenschaftlichen Kombinationen» ein notwendiges Ergebnis der Tatsachen seien. Wären sie es, dann könnte sich ihnen «niemand» entziehen; und wen dann sein Gefühl nach der übersinnlichen Welt zieht, der kann wünschen, es möge ihm gegönnt sein, sich «ruhig schlafen zu legen» vor dem Ansturm der Wissenschaft gegen die übersinnliche Welt. Die Voraussage Schleiermachers hat sich insofern erfüllt, als in weiten Kreisen die «wissenschaftlichen Kombinationen» Platz ergriffen haben. Aber zugleich gibt es gegenwärtig eine Möglichkeit, die übersinnliche Welt auf ebenso «wissenschaftliche» Art kennenzulernen wie die sinnlichen Tatsachenzusammenhänge. Wer sich mit der Geisteswissenschaft so bekanntmacht, wie es gegenwärtig schon möglich ist, der wird durch sie vor manchem Aberglauben bewahrt sein, aber die übersinnlichen Tatsachen in seinen Vorstellungsinhalt aufnehmen können, und dadurch außer allem andern Aberglauben auch den abstreifen, daß Furcht und Not diese übersinnliche Welt geschaffen haben. – Wer sich zu dieser Anschauung durchzuringen vermag, der wird dann auch nicht mehr gehemmt sein durch die Vorstellung, er könne der Wirklichkeit und Praxis durch die Beschäftigung mit der Geisteswissenschaft entfremdet werden. Er wird dann eben erkennen, wie wahre Geisteswissenschaft nicht das Leben ärmer, sondern reicher macht. Er wird durch sie gewiß zu keiner Unterschätzung der Telephone, Eisenbahntechnik und Luftschiffahrt verführt; aber er wird manches andere Praktische noch sehen, das gegenwärtig unberücksichtigt bleibt, wo man nur an die Sinnenwelt glaubt und daher nur einen Teil, nicht die ganze Wirklichkeit, anerkennt.

Om het geheel nu compleet te maken, ik kan het niet laten om gewoon door te gaan, nog twee vragenbeantwoordingen. Ze komen uit Lucifer-Gnosis, de nrs. 20 en 21 van januari und februari 1905. Ze worden echter in omgekeerde volgorde weergegeven. ‘Gehen frühere Fähigkeiten der Menschenseele verloren?’ is van februari 1905 en staat in GA 34 op blz. 380-382, terwijl ‘Wie verhält sich die Theosophie zu den Geheimwissenschaften?’ van januari 1905 is en in GA 34 op blz. 379-380 staat. Ook deze twee zijn weer terug te vinden in GA 11, namelijk op blz. 233-237, maar dan in de volgorde hieronder. Zo bent u helemaal op de hoogte.

Es liegt folgende Frage vor: Wenn wir durch immer neue Verkörperungen in den aufeinanderfolgenden Rassen uns neue Fähigkeiten aneignen sollen, wenn ferner nichts von dem, was die Seele durch Erfahrung sich angeeignet hat, aus ihrem Vorratsschatz wieder verlorengehen soll, – wie erklärt es sich, daß in der Menschheit von heute so gar nichts übriggeblieben ist von den zu jenen Zeiten so hochentwickelten Fähigkeiten des Willens, der Vorstellung, der Beherrschung von Naturkräften?

In der Tat geht nichts verloren von den Fähigkeiten, welche sich die Seele bei ihrem Durchgang durch eine Entwickelungsstufe erworben hat. Aber wenn eine neue Fähigkeit erworben wird, so nimmt die vorher erworbene eine andere Form an. Sie lebt sich dann nicht mehr für sich selbst aus, sondern als Grundlage für die neue Fähigkeit. Bei den Atlantiern war zum Beispiel die Fähigkeit des Gedächtnisses angeeignet worden. Der gegenwärtige Mensch kann sich in der Tat nur sehr schwache Vorstellungen von dem machen, was das Gedächtnis eines Atlantiers zu leisten vermochte. Alles das nun, was in unserer fünften Wurzelrasse als gleichsam angeborene Vorstellungen auftritt, ist in Atlantis durch das Gedächtnis erst erworben worden. Die Raum-, Zeit-, Zahlenvorstellungen usw. würden ganz andere Schwierigkeiten machen, wenn sich sie der gegenwärtige Mensch erst erwerben sollte. Denn die Fähigkeit, die sich dieser gegenwärtige Mensch aneignen soll, ist der kombinierende Verstand. Eine Logik gab es bei den Atlantiern nicht. Nun muß aber jede früher erworbene Seelenkraft in ihrer eigenen Form zurücktreten, hinuntertauchen unter die Schwelle des Bewußtseins, wenn eine neue erworben werden soll. Der Biber müßte seine Fähigkeit, intuitiv seine künstlichen Bauten aufzuführen, in etwas anderes verwandeln, wenn er zum Beispiel plötzlich ein denkendes Wesen würde. – Die Atlantier hatten zum Beispiel auch die Fähigkeit, die Lebenskraft in einer gewissen Weise zu beherrschen. Ihre wunderbaren Maschinen konstruierten sie durch diese Kraft. Aber sie hatten dafür gar nichts von dem, was die Völker der fünften Wurzelrasse als Gabe zu erzählen haben. Es gab bei ihnen noch nichts von Mythen und Märchen. In der Maske der Mythologie trat zunächst bei den Angehörigen unserer Rasse die Lebenbeherrschende Kraft der Atlantier auf. Und in dieser Form konnte sie die Grundlage werden für die Verstandestätigkeit unserer Rasse. Die großen Erfinder unserer Rasse sind Inkarnationen von «Sehern» der atlantischen Rasse. In ihren genialen Einfällen lebt sich etwas aus, das ein anderes zur Grundlage hat, etwas, das während ihrer atlantischen Inkarnation als Lebenschaffende Kraft in ihnen war. Unsere Logik, Naturkenntnis, Technik und so weiter wachsen aus einem Boden heraus, der in der Atlantis gelegt worden ist. Könnte zum Beispiel ein Techniker seine kombinierende Kraft zurückverwandeln, so käme etwas heraus, was der Atlantier vermochte. Die gesamte römische Jurisprudenz war umgewandelte Willenskraft einer früheren Zeit. Der Wille selbst blieb dabei im Hintergrunde, und statt selbst Formen anzunehmen, verwandelte er sich in die Gedankenformen, die sich in den Rechtsbegriffen ausleben. Der Schönheitssinn der Griechen ist auf der Grundlage unmittelbarer Kräfte erbaut, die sich bei den Atlantiern in einer großartigen Züchtung von Pflanzen und Tierformen ausleben. In Phidias Phantasie lebte etwas, was der Atlantier unmittelbar zur Umgestaltung von wirklichen Lebewesen verwandte.

Eine weitere Frage ist die folgende: Wie verhält sich die Geisteswissenschaft (Theosophie) zu den so genannten Geheimwissenschaften?

Geheimwissenschaften hat es immer gegeben. Sie wurden in den sogenannten Geheimschulen gepflegt. Nur derjenige konnte von ihnen etwas erfahren, der sich gewissen Prüfungen unterzog. Es wurde ihm immer nur so viel mitgeteilt, als seinen intellektuellen, geistigen und moralischen Fähigkeiten entsprach. Das mußte so sein, weil die höheren Erkenntnisse, richtig angewendet, der Schlüssel zu einer Macht sind, die in den Händen der Unvorbereiteten zum Mißbrauch führen muß. Durch die Geisteswissenschaft sind nun einige, die elementaren Lehren der Geheimwissenschaft popularisiert worden. Der Grund dazu liegt in den gegenwärtigen Zeitverhältnissen. Die Menschheit ist heute in ihren vorgeschritteneren Mitgliedern in bezug auf die Ausbildung des Verstandes so weit, daß sie über kurz oder lang von selbst zu gewissen Vorstellungen kommen würde, die vorher ein Glied des Geheimwissens waren. Allein sie würde sich diese Vorstellungen in einer verkümmerten, karikierten und schädlichen Form aneignen. Deshalb haben sich Geheimkundige entschlossen, einen Teil des Geheimwissens der Öffentlichkeit mitzuteilen. Dadurch wird die Möglichkeit geboten sein, die in der Kulturentwickelung auftretenden menschlichen Fortschritte mit dem Maßstabe wahrer Weisheit zu messen. Unsere Naturerkenntnis führt zum Beispiel zu Vorstellungen über die Gründe der Dinge. Aber ohne geheimwissenschaftliche Vertiefung können diese Vorstellungen nur Zerrbilder werden. Unsere Technik schreitet Entwickelungsstadien zu, welche nur dann zum Heile der Menschheit ausschlagen können, wenn die Seelen der Menschen im Sinne der geisteswissenschaftlichen Lebensauffassung vertieft sein werden. So lange die Völker nichts hatten von moderner Naturerkenntnis und moderner Technik, war die Form heilsam, in der die höchsten Lehren in religiösen Bildern, in einer zum bloßen Gefühle sprechenden Art mitgeteilt worden sind. Heute braucht die Menschheit dieselben Wahrheiten in einer verstandesmäßigen Form. Nicht der Willkür ist die geisteswissenschaftliche Weltanschauung entsprungen, sondern der Einsicht in die angegebene historische Tatsache. – Gewisse Teile der Geheimkunde können allerdings auch heute nur solchen mitgeteilt werden, die sich den Prüfungen der Einweihung unterwerfen. Und auch mit dem veröffentlichten Teile werden nur diejenigen etwas anzufangen wissen, welche sich nicht auf ein äußerliches Kenntnisnehmen beschränken, sondern die sich die Dinge wirklich innerlich aneignen, sie zum Inhalt und zur Richtschnur ihres Lebens machen. Es kommt nicht darauf an, die Lehren der Geisteswissenschaft verstandesmäßig zu beherrschen, sondern Gefühl, Empfindung, ja das ganze Leben mit ihnen zu durchdringen. Nur durch eine solche Durchdringung erfährt man auch etwas von ihrem Wahrheitswert. Sonst bleiben sie doch nur etwas, was «man glauben und auch nicht glauben kann». Richtig verstanden, werden die geisteswissenschaftlichen Wahrheiten dem Menschen eine wahre Lebensgrundlage geben, ihn seinen Wert, seine Würde und Wesenheit erkennen lassen, den höchsten Daseinsmut geben. Denn sie klären ihn über seinen Zusammenhang mit der Welt rings um ihn her auf; sie verweisen ihn auf seine höchsten Ziele, auf seine wahre Bestimmung. Und sie tun dies in einer Weise, wie es den Ansprüchen der Gegenwart gemäß ist, so daß er nicht in dem Zwiespalt zwischen Glauben und Wissen befangen zu bleiben braucht. Man kann moderner Forscher und Geistesforscher zugleich sein. Allerdings muß man dann auch beides im echten Sinne sein.

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Translate

Volgers

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code