Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

maandag 14 november 2011

Patroon

Ik had het afgelopen donderdag 10 november in ‘Vergaan’ nog over het op 9 december te verschijnen boek, ‘Imaginatie, Inspiratie, Intuïtie. Handboek antroposofische onderzoeksmethoden’, waarop ik in ‘Taskforce’ op 19 oktober uitgebreid inging. Daar noemde ik ook dat er in het septembernummer van Motief zelfs een voorpublicatie van was verschenen. Nu ontving ik vrijdag een mail van Albert de Vries van de Academie voor Ervaringsleren, waarin hij schreef:
‘In september is er in Motief 154 een artikel verschenen van Erik Baars en Auke van der Meij. Voor mij is het interessante aan dat artikel dat het door zijn concreetheid aanknopingspunten biedt om in dialoog te komen, om met elkaar mee te kijken over het methodisch werken vanuit antroposofische geesteswetenschap.

Als aanzet tot die dialoog heb ik een artikel geschreven: “De kwaliteit van te laat zijn”. Dit artikel heb ik zowel aan de auteurs gestuurd als aan de redactie aangeboden. De redactie van Motief heeft niet het voornemen om dit artikel op korte termijn te plaatsen. De digitale snelweg lijkt mij dan ook nu het aangewezen alternatief om mijn artikel te “publiceren”.

Graag zie ik reacties tegemoet.’
Daar kan ik hem wel bij helpen, bij dat publiceren. Daarom laat ik hier eerst dat artikel van Erik Baars en Auke van der Meij volgen, om daarna het zijne eraan toe te voegen.
Methodisch werken vanuit de antroposofische geesteswetenschap
Imaginatie, inspiratie en intuïtie
Erik Baars en Auke van der Meij

Op verzoek van de Antroposofische Vereniging heeft een onderzoeksgroep zich gebogen over de vraag: wat is geesteswetenschappelijk onderzoek en wat is in dat kader imaginatie, inspiratie en intuïtie? Op basis van workshops, literatuur, eigen ervaringen en gesprekken met experts, hebben de onderzoekers een boek geschreven over geesteswetenschappelijk onderzoek, dat binnenkort verschijnt. Een deel ervan is omgewerkt en uitgebreid met een methodisch onderdeel tot een how-to-do-boek voor mensen die werkzaam zijn in de antroposofische werkgebieden. Het beoogt een praktisch overzicht te geven van wat de antroposofische geesteswetenschap op dit moment methodisch te bieden heeft.

Aan de hand van aansprekende voorbeelden vertellen de auteurs over imaginatie, inspiratie en intuïtie en hoe deze begrippen in de dagelijkse praktijk zijn toe te passen. Een ingekorte voorpublicatie.

Imaginatie, inspiratie en intuïtie zijn op het eerste gehoor bekend klinkende begrippen, maar wat houden ze in deze trits eigenlijk in? Karakteristiek voor de afbeelding in het alledaagse bewustzijn van een imaginatie is dat we een kenmerkende vorm ervaren, een karakteristiek patroon ‘zien’. Denk bijvoorbeeld aan de specifieke vorm van een plant of een bepaald gezicht. We kunnen ons voorstellen dat zich hierin een hoger ordeningsniveau of -richting uit.

Voor de afbeelding van een inspiratie geldt dat we ‘(vorm)scheppende activiteit’ ervaren. We merken hoe een nieuwe samenhang ontstaat. In bijvoorbeeld een kunstzinnig proces geeft de kunstenaar vanuit een beleefde ‘impuls’ vorm aan een nieuwe samenhang, waarvan we ons kunnen indenken dat het een uiting is van een hoger ordeningsniveau of (wils )richting.

De karakteristiek van de afbeelding van een intuïtie is dat we de (wils)richting of betekenis zelf ervaren. Bijvoorbeeld: we weten plots wat we moeten doen.

In nog andere woorden zouden we kunnen spreken van achtereenvolgens een gereed beeld (van iets); een wordend beeld (van iets); en het ervaren van iets dat zich wil realiseren, zonder dat er iets zichtbaar is in scheppende activiteit of eindresultaat.

Logischerwijze kunnen deze afbeeldingen in het alledaagse bewustzijn zich manifesteren in het waarnemen, denken en in het handelen. Bij het (verwerken van het) waarnemen In bijvoorbeeld de patiëntenbesprekingen of kinderbesprekingen in antroposofische gezondheidszorginstellingen en scholen zouden we bij beelden die opkomen na het meditatief inleven in een ‘object’, het ervaren van de dynamiek van het beeld, en het innerlijk nascheppen vanuit de gevonden wetmatigheid, kunnen spreken van manifestaties van respectievelijk imaginatie, inspiratie en intuïtie in het alledaagse bewustzijn. Hieronder leest u een uitgewerkt voorbeeld van hoe we deze methodische kennis van de beschreven afspiegelingen in de praktijk kunnen toepassen.

Voorbeeld

De studente zit met haar mentor in een klein kamertje. Ze was de dag ervoor afgewezen op de vervolgopleiding van haar keuze, de toneelschool. Waarom? Ze was te laat verschenen voor de auditie.

Ze huilde, dit was de enige opleiding die ze echt wilde. Wat nu?

De mentor toont zijn teleurstelling over haar afwijzing, hij had het haar graag gegund. Dan vraagt hij haar in welke stad de toneelschool ook al weer was. O ja, Maastricht, dat is waar ook. En hoe laat ze er dan had moeten zijn. En was ze erg te laat?

‘Tja, ik was vergeten de wekker te zetten.’

De mentor nodigt haar uit het hele verhaal te vertellen, wie ze daar gesproken heeft, wat er gezegd werd. En hoe teleurgesteld ze was in de trein naar huis.

‘O, en ik had iets moeten voorbereiden, maar dat was ik vergeten.’

‘O ja? Wat had je dan precies moeten doen?’ wil de mentor weten.

Ze vertelt overeen opdracht, maar die ging natuurlijk helemaal niet goed.

Heel vervelend, maar deze toneelschool behoort dus niet meer tot de mogelijkheden.

Dan halen ze koffie. Na een moment stilte vraagt hij:

‘Overkomt je dat wel vaker, dat je dingen vergeet?’

‘ ... Ja, ik geloof het wel ... ‘

‘Was je laatst ook ergens te laat?’

‘Ja, afgelopen maandag, denk ik.’

‘Goed, waar had je toen moeten zijn? Hoe ging dat toen?’

Er volgen meer voorbeelden. ‘Dingen vergeten’ blijkt een gedragspatroon te zijn geworden.

‘Hoe denk je dat je studietijd er gaat uitzien, als je dingen blijft vergeten?’

Een vervelende maar terechte vraag.

Op een gegeven moment zegt ze: ‘Ja, oké, zo gaat niet langer.’

Ze besluiten een volgende keer te bespreken hoe ze het patroon kan verbeteren.

Reflectie op het voorbeeld

Voor de studente is er een hoop in duigen gevallen. De toneelschool, dat was het helemaal. Ze is overtuigd van haar talent en eigenlijk vindt ze dat haar groot onrecht is aangedaan. Maar de afwijzing is definitief.

De mentor ziet af van een be- of veroordeling. Ook stelt hij niet de waarom-vraag: ‘Hoe komt het toch dat je “dingen vergeet”?’ Wat hij wel doet is dat hij een aantal stappen zet. We lopen ze langs.

Stap 1

Mentor en studente bespreken eerst het feitelijke voorval in Maastricht. Feiten gebruik je als houvast om het crisismoment onder ogen te zien. Door alleen naar de feiten sec te kijken, isoleer je ze van hun oorzaken en gevolgen. En daarmee ook van de schuldvraag en de consequenties. Het voorval krijgt zo echt ‘buitenwereld’karakter, dat wil zeggen: je zit daar niet (meer zo) innerlijk aan vast. Je kunt ernaar kijken. Je krijgt de feiten tot je beschikking. Door de feiten alleen maar te beschrijven, accepteer je met de betrokkenen het voorval. Er ontstaat een bodem waarop je kunt staan, een beginpunt waarnaar je kunt teruggaan.

Met de vraag ‘Overkomt je dat wel vaker, dat je dingen vergeet?’ komt het gesprek in een volgende fase. De term ‘Dingen vergeten’ valt. ‘Dingen vergeten’ gaat boven de feiten sec uit. Het is een voorbeeld van ‘patroonherkenning’. Alle voorvallen van de vorige dag passen in deze ene karakterisering, in dit ene patroon. Door het herkennen van het patroon ontstaat samenhang. En daarmee een eerste inzicht.

Deze benoeming van wat er gebeurd is, is in het voorbeeld ‘dichtbij’ de feiten, het patroon heeft een zekere evidentie. Daarom gaat de studente ook op de vraag in of ze wel eens vaker ‘dingen vergeet’; ook voor haar is het patroon duidelijk.

Het ‘dingen vergeten’ uit het voorbeeld kunnen we een ‘beschrijvend oordeel’ noemen. De inhoud van dit beschrijvende oordeel geeft richting aan de volgende stap: gebeurt dat wel vaker, ‘dingen vergeten’? Aan een reeks fysieke feiten is iets ontdekt: een patroon.

Stap 2

In de tweede stap presenteert de mentor aan de studente het door hem gevonden patroon en geeft haar vervolgens de gelegenheid dit zelf verder te onderzoeken. Klopt het? Komt het vaker voor in mijn leven? Is het een gedragspatroon? Ze kan nu toetsen of het echt bij haar gedrag hoort. Dat blijkt in hoge mate het geval te zijn. Er vindt een vorm van toetsing plaats.

Stap 3

Omdat de mentor zelf geen onderzoek begint naar de oorzaken en ook geen vermanende woorden spreekt, krijgt de studente de gelegenheid het gevonden gedragspatroon zelf te beleven. Het gesprek is al enige tijd niet meer een evaluatie van het bezoek aan Maastricht alleen, maar gaat over haar gedragspatroon – in Maastricht, maar ook bij andere gelegenheden. Ze herkent haar gedragspatroon als een uiting van hoe zij innerlijk functioneert. Deze hoedanigheid van haar uit zich in verschillende situaties. Zij is zelf verantwoordelijk voor het mislukken van haar opleiding en soortgelijke situaties. Dit begint innerlijke werkelijkheid te worden. Er ontstaat beleving en betekenisgeving (verinnerlijking van de feiten).

Stap 4

De mentor nodigt de studente uit het spoor naar de toekomst te verkennen. Uitgaande van het haar bekende motief of patroon (‘dingen vergeten’) geeft ze in gedachten vorm aan haar toekomst (zo zou de toekomst er kunnen uitzien). Door deze toekomstgerichte fantasie toe te voegen aan de eerste drie stappen, wordt voor de studente de verinnerlijking en het werkelijkheidskarakter van het gevonden patroon nog groter. Zij accepteert het nu op een diepere laag, van waaruit ze zegt: ‘Zo gaat het niet langer.’ Daarmee maakt ze een eerste toekomstgerichte beweging.

Er ontstaat een innerlijke evidentie van wat de toekomst (mogelijk) zal worden als er niets verandert, waardoor een aanzet tot verandering kan ontstaan.

Oefenen en toepassen

Als je na het lezen van dit voorbeeld wilt oefenen, of de methodische stappen wilt toepassen, kies dan markante momenten, crisisachtige situaties en zet de volgende stappen. Doe het alleen of met anderen.

Stap 1: verzamelen van feiten en passende patronen

Bepaal het crisismoment dat duidelijk maakt dat het zo echt niet langer kan. Volg vervolgens het spoor dat tot deze crisissituatie heeft geleid. Hoe zag voor de betrokkenen de dag er uit vanaf het moment dat de crisis begon? Hoe waren de dagen daarvoor?

Zet de belangrijke gebeurtenissen op een rij. Maak het spoor aan elkaar zichtbaar. Beschrijf voor elkaar hoe dit moment en de voorafgaande gebeurtenissen er feitelijk uitzagen in ruimte, tijd en context. Beschrijf dit in hun samenhang (‘wat is er op de film van deze crisis te zien en te horen?’). Beperk je tot vertellen, alsof je het over een ander hebt, en vermijd oordelen. Deze fase is rijp (klaar) als je samen een verzadigd beeld van alle samenhangende feiten hebt. Bespreek vervolgens welke minimale en evidente karakterisering (patroonherkenning) overeenkomt met het beeld. Misschien zijn er meerdere patronen. Door het vragen naar de feiten en het in het bewustzijn houden van al het feitenmateriaal, schep je de mogelijkheid dat zich een patroon ermee kan verbinden. Wanneer er voldoende feiten verzameld zijn, kan dit idealiter maar één patroon zijn. Er is dan een overeenkomst in uniek patroon tussen het gedachte motief en het beeld (het geheel van de feiten).

Het methodische eindresultaat van fase 1 is dus: het geheel van relevante feiten en een of enkele patronen die passen op de feiten.

Stap 2: toetsen van gevonden patronen

Toets het gevonden patroon door vragen te stellen waarop de antwoorden het patroon kunnen bevestigen of juist ontkennen. Verken andere situaties, die aan de crisissituatie voorafgegaan zijn. Volg het spoor dat naar de crisissituatie leidt in de tijd.

Op een gegeven moment wordt duidelijk dat het patroon (idealiter) klopt en ontstaat er een ervaring van ‘verzadiging’: feiten en patroon sluiten naadloos aan en er komen geen nieuwe feiten meer bij. Er is dan een overeenkomst in uniek patroon (van in dit voorbeeld het ‘dingen vergeten’) tussen het gedachte motief en het beeld (het geheel van de feiten).

Het methodische eindresultaat van stap 2 is een getoetst patroon dat past op de relevante feiten.

Stap 3: verinnerlijken van samenhangende feiten en passend patroon

Het herinneringsbeeld maak je opnieuw tot een geheel in ruimte, tijd en context (‘een film’) en neem je het samen met het gevonden passende patroon mee naar binnen in je bewustzijn. Hierdoor wordt het mogelijk om je erin in te leven. Hiermee overwin je het beleven van een uiterlijk ruimtelijk gebeuren en ontstaat er een grotere mate van verbonden zijn met het herinneringsbeeld. Ook kunnen er gevoelens ontstaan die aansluiten bij de dynamiek van de samenhangen in het beeld. Door de opgekomen gevoelens, die met het beeld en het patroon samenhangen, kun je het geheel verbinden met de rest van ‘jouw leven’ en begint het persoonlijke betekenis te krijgen.

Het methodische eindresultaat van stap 3 is het geheel van feitenbeeld, samenhangend patroon en de betekenis van dit geheel voor de betreffende persoon.

Stap 4: met exacte fantasie de toekomst voor-denken

Vervolgens probeer je vanuit het gevonden motief zo exact mogelijk het spoor naar de toekomst te vervolgen. Hierbij moet de toekomst aan twee eisen voldoen: (1) het patroon moet in de voorspelde feiten verschijnen, en (2) de feiten moeten aansluiten bij de ontwikkeling van het spoor vanuit het verleden tot nu. Is dit de toekomst die je wilt? Wanneer je deze vraag en het antwoord hierop goed tot je laat doordringen, kan dit een eerste aanzet geven om iets te veranderen; om iets te doen waardoor het spoor afgebogen wordt in een wél gewenste richting.

Het methodische eindresultaat van fase 4 is een exact voor-gedacht toekomstscenario en (eventueel) een aanzet tot verandering van het patroon dat hieraan ten grondslag ligt.

Uit Motief. Maandblad voor antroposofie, nr. 154, van september 2011
En dan volgt hier het artikel van Albert de Vries. Zoek de verschillen!
De kwaliteit van ‘te laat verschijnen’

Met het concrete voorbeeld in het artikel van Erik Baars en Auke van der Meij (Motief 154, september 2011) ontstaat er een mogelijkheid om in dialoog te komen, om met elkaar mee te kijken over het methodisch werken vanuit antroposofische geesteswetenschap. Als start voor dat gesprek beschrijft Albert hier eerst een variant op het voorbeeld. Vanuit zijn notie en ervaring van de begrippen imaginatie, inspiratie en intuïtie had dat gesprek tussen mentor en studente zich op de onderstaande manier kunnen voltrekken.

Voorbeeld

De studente zit met haar mentor in een klein kamertje. Ze was de dag ervoor afgewezen op de vervolgopleiding van haar keuze, de toneelschool. Waarom? Ze was te laat verschenen voor de auditie. Ze huilde, dit was de enige opleiding die ze echt wilde. Wat nu?

De mentor beaamt haar teleurstelling. ‘Ja, vreselijk. We kunnen nu hier samen gaan zitten huilen. Dat verandert echter niets meer aan de zaak. Ik wil je uitnodigen er iets van te leren. Dan kan deze ervaring toch zin krijgen. In de reflectie op een handeling ga ik er vanuit dat er iets gewild wordt met die handeling. Dat klinkt natuurlijk heel bot, wanneer ik nu zeg dat je te laat wilde komen. Maar laten we dat onderzoeken. Ik begrijp dat vooreerst net zo min als jij. Je wilt toch niet te laat zijn, zeker niet voor auditie voor de toneelschool waar je graag heen wilt!?’

De studente toont zich verrast, maar is bereid het vraagstuk te onderzoeken.

Mentor: ‘Om dichter bij dat willen achter het ‘te laat verschijnen’ te komen kijk ik van binnenuit, kijk ik naar een eigen ervaring met ’te laat verschijnen’. Ik zoek een situatie op en tot mijn verrassing hoef ik niet zo heel ver te zoeken: Ik ben gisteren ’s ochtends om 7.00 uur op het station. Dan ben ik ruim op tijd om bij de schoolopening te zijn om 9.00 uur in een stad 100 km verder. Op het perron hoor ik dat die trein 25 minuten vertraging heeft. Wat doe ik, fiets ik terug naar huis en neem alsnog de auto? Hoop ik alsnog net op tijd te zijn? Ik moet wel nog 2x overstappen. Met de auto kan ik in de file komen. In het ergste geval doen de leerkrachten de opening zonder mij, gaat er door mij heen. Ik blijf wachten. Laat maar komen. Laat maar gebeuren. Ik neem als mijn willen in deze situatie waar: Ik probeer om te gaan met dat wat me overkomt. Dus de kwaliteit van ‘te laat zijn’ is, als werkhypothese: ‘omgaan met wat je overkomt’.

Als ik het heel radicaal tegen je mag zeggen, dan vermoed ik dat die toneelschool helemaal niet de juiste plek voor je is, maar dat je een opleiding zoekt waar juist veel aandacht is voor improvisatietheater, voor theatersport, voor stand-up comedy.’

Dan halen ze koffie. Na een moment stilte vraagt hij:

‘Gebeurt je dat wel vaker, dat je te laat bent?’

‘…Ja, ik geloof het wel...’

‘Was je laatst ook ergens te laat?’

‘Ja, afgelopen maandag.’

‘Wat gebeurde daar toen?’

Er volgen nog meer voorbeelden.

Op een gegeven moment zegt ze: ‘Ja, dat is wel shockerend. Ik weet eigenlijk al veel langer dat ik vaak te laat kom. Tot nu toe heb ik altijd gedacht dat ik dat moest afleren. Dat werd ook altijd tegen mij gezegd. Ik verstopte dat ook. En nu laat je me zien dat ik dat wil. Dat ik dat moet accepteren!? ...Ja, maar dat klopt wel. Als ik in onverwachte situaties kan improviseren geniet ik daar wel heel erg van.’

Ze besluiten een volgende keer ervaringen te bespreken hoe ze haar kwaliteit van ‘omgaan met wat je overkomt’ heeft ingezet of in moeilijke situaties kan inzetten.

Reflectie op het voorbeeld

De mentor stelt niet allerlei vragen, maar gaat direct, vrij stellend, intuïtief, aan het werk. Dat doet hij stapsgewijs. We gaan die stappen nog een keer na.

Stap 1

Mentor en studente bespreken het voorval. Mentor zoomt in en wel op de handeling van de studente in het voorval. In zo’n handeling verschijnt de wil, daar spreekt de geest zich uit. Door de rest van het verhaal even te negeren komt die geest versterkt naar voren. Met een deftig woord: de mentor gaat daar symptomatologisch aan het werk. Hij neemt een symptoom als uitdrukking van iets groters. Om dat te kunnen zet de mentor zijn oordeelskracht in en wel die kracht die gestuurd wordt vanuit de positiviteit. Dus het symptoom wordt in de schijnwerpers gezet door een wilsinzet bij het waarnemen. Met die zielskracht van de positiviteit accepteer je de situatie als zinnig, zinvol, als betekenisvol, ook al is hij op dat moment nog onbegrepen. Uiterlijke oorzaken, zoals het vergeten van de wekker te zetten, laat je zo buiten beschouwing en daarmee ook de uiterlijke consequentie van het niet doorgaan van die opleiding. Dat wordt als teleurstellend bevestigd, maar staat niet ter discussie. Dat je zelf verantwoordelijk bent voor je daden, dat je zelf de oorzaak bent, dat je iets gewild hebt met je daden, ook al begrijp je die op dat moment niet, wordt als vertrekpunt genomen. Het symptoom op zich wordt zo genomen als het verschijnt, de woorden worden letterlijk genomen zoals ze uitgesproken zijn. Er wordt dan niet een ander begrip mee verbonden. Dat is het fenomenologische karakter van stap 1. Er wordt vanuit gegaan dat met ‘te laat verschijnen’ in een zekere onbevangenheid de kern getroffen is. Met andere begrippen, zoals ‘vergeten’, raak je alleen verder van die kern weg. Met het ‘vergeten’ kijk je naar wat de studente zelf als oorzaak aangeeft.

Stap 2

In dit geval creëert de mentor zelf het ‘te laat verschijnen’ als beeld, als imaginatie. De kunst daar is om in het moment zelf de dynamiek te gaan beleven. Het ‘te laat verschijnen’ is aanleiding voor het beeld. De dynamiek die verschijnt is: ‘omgaan met wat je overkomt’. Of de mentor zelf uiteindelijk te laat verscheen of niet is niet relevant voor het beeld.

Stap 3

Andere verschijningen van het begrip worden opgezocht. In dit geval onderzoekt de mentor die verschijnselen die in de toneelwereld hun plek hebben. Zo wordt het gevonden begrip doordacht en als inspiratie genomen. Nu is de kwaliteit benoemd van het ‘te laat verschijnen’ en kan begrepen worden wat er gewild wordt. Voor de studente wordt de verinnerlijking en het werkelijkheidskarakter van het gevonden beeld groter. Zij accepteert het nu op een diepere laag, van waaruit ze zegt: ‘Ja, maar dat klopt wel. Als ik in onverwachte situaties kan improviseren geniet ik daar wel heel erg van.’

Stap 4

De mentor nodigt de studente uit het spoor naar de toekomst te verkennen. Wanneer in een volgend gesprek voorgedacht gaat worden hoe haar kwaliteit in te zetten bij moeilijke situaties wordt haar intuïtie voorbereid.

De twee varianten naast elkaar

In de variant van Erik en Auke is het resultaat ‘Ja, oké, zo gaat het niet langer.’ Ook al begint die zin met ‘ja’, in feite wordt er ‘nee’ gezegd. Er wordt naar een incident, een mislukte situatie gekeken. Dat is altijd een situatie waar je er buiten staat, waar je toeschouwer bent. Die toeschouwerblik wordt in het gesprek volgehouden, ondanks alle empathie die er ook is. Vanuit zo’n toeschouwerblik is de wereld zoals die is, onveranderlijk. Het vervelende, het mislukte kan dan alleen maar vernietigd of vermeden worden. Dat wat ontdekt wordt als patroon, is van begin af aan dan ook al afkeurenswaardig en moet verdwijnen. Op het moment dat iemand dan beslist ‘het moet anders’ stapt die persoon in een leegte, wel wetend wat niet, maar niet wat wel.

In mijn variant is het resultaat ‘Ja, maar dat klopt wel. Als ik in onverwachte situaties kan improviseren geniet ik daar wel heel erg van.’ Van begin af aan wordt het standpunt verwisseld van toeschouwerbewustzijn naar deelnemerbewustzijn, zowel voor de studente als door de mentor. Er ontstaat een beeld. Een beeld, waar je je in begeeft, in beweegt en zo in het beeld zelf zijnde een dynamiek beleefbaar wordt. Vanuit het accepteren en het ja-zeggen kan er een nieuw, inspirerend, begrip gedacht worden. De studente stapt een nieuwe werkelijkheid binnen, met een enthousiasme om de toekomst te onderzoeken. Een toekomst die zich in haar verleden al aandiende.

Geesteswetenschap? Natuurwetenschap? Geesteswetenschap is mijns inziens een wetenschap vanuit een deelnemersbewustzijn met de exactheid en scherpte van een natuurwetenschappelijk geschoold denken.

Geesteswetenschap en natuurwetenschap hebben elk eigen begrippen, die de bij hen behorende werkelijkheden oproept. De begrippen afbeeldingen en afspiegelingen verwijzen naar nog iets anders dat ooit achter of boven die verschijnselen te zien zou moeten zijn. Ze zijn uitdrukking van toeschouwerbewustzijn. De begrippen uitingen en verschijningsvormen verwijzen naar een wereld in jezelf, waar je al deel aan hebt, soms dromend of slapend, en die je dan ook nog niet volledig kent. Ze zijn uitdrukking van deelnemerbewustzijn. Datzelfde geldt voor respectievelijk de begrippen patroon en beeld.

Albert de Vries, september 2011

Geen opmerkingen:

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Volgen op Facebook


Translate

Volgers

Herkomst actuele bezoeker(s)

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code

Gezamenlijke antroposofische agenda (in samenwerking met AntroVista)