Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

maandag 12 oktober 2009

Verdubbeling

Het vervolgverhaal Vrije Hogeschool. Oeps sorry... natuurlijk de Bernard Lievegoed College of Liberal Arts. Een van de vorige keren dat ik het daarover had, was 16 september in ‘College’. Dat ging onder meer over gastcolleges. Op 23 september was Jeroen Lutters als bestuursvoorzitter van deze BLCLA (Bernard Lievegoed College of Liberal Arts dus) ook al paraat, in Trouw nog wel (zie ‘Hoger onderwijs’). En naar mij vandaag pas blijkt, staat er op de website van deze onderwijsinstelling nu ook een lezing van Jeroen Lutters: ‘Bennington in Driebergen. 1 jaar Bernard Lievegoed College for Liberal Arts’:

‘Op 18 september is het academisch jaar van het Bernard Lievegoed College for Liberal Arts geopend met een toespraak van directeur mevrouw Marja Molenaar en een lezing over New Liberal Education door Jeroen Lutters, voorzitter van het bestuur van het College, gevolgd door een enthousiasmerend gesprek tussen genodigden, docenten en bestuursleden.’

Het belangrijkste nieuws daaruit is wel wat Jeroen Lutters op het eind van zijn verhaal vertelt:

‘Het studentenaantal heeft zich meer dan verdubbeld. De algemeen propedeuse heeft twee keer zo veel studenten als het jaar daarvoor. De minor heeft vier maal zoveel studenten als in de “pilot”. De masterclass, de voorloper van de masters, is zo succesvol dat een tweede kan worden opgestart. Het studie-intermezzo is overtekend.’

Hoe bestáát het, denk ik dan. Ik hoor al jaren niets anders dan teruglopende studentenaantallen. En dan nu dit! Lutters moet maar eens uitleggen hoe men dit voor elkaar heeft gekregen. Dat doet hij dan ook. Hier volgt zijn verhaal van 18 september:

‘Het Bernard Lievegoed College for Liberal Arts is sinds precies 1 jaar de naam van de Vrije Hogeschool. In de afgelopen maanden ben ik meerdere malen geconfronteerd met de vraag: “Liberal Arts wat versta je daar eigenlijk onder?” Docenten, studenten, ouders en vrienden, allemaal hadden ze zo hun eigen gedachte. Het is belangrijk, zelfs noodzakelijk, want ruimte voor verschillen moet zorgvuldig worden gekoesterd. Het is echter ook van belang dat er duidelijkheid is omtrent de grote lijnen van onze missie. Deze inleiding is bedoeld om studenten, medewerkers en andere belangstellenden iets meer inzicht te geven in onze opleidingskundige visie. Het werk van Bernard Lievegoed is daarbij van groot belang. Het concept “New Liberal Arts” van Elisabeth Coleman is daarbij – naast het werk van Bernard Lievegoed – een tweede belangrijke inspiratiebron.

Liberal Arts

Liberal Arts Colleges hebben in de Angelsaksische wereld een lange traditie.

De studenten volgen naast een vakspecifieke hoofdrichting ook een groot aantal bijvakken. Ronald Plasterk heeft Liberal Arts Colleges enige tijd geleden gekscherend “Harry Potter-achtige” scholen genoemd. Het gaat met name om een bachelor opleiding met een interdisciplinair karakter. De “colleges” hebben hooguit 800 studenten, waardoor meer aandacht kan worden besteed aan de individuele student. Het gaat van oudsher om instellingen met een vrij elitair karakter, speciaal bedoeld voor de excellente studenten. In Nederland zijn de laatste jaren een aantal van deze colleges ontstaan gelieerd aan universiteiten als die van Utrecht, Maastricht, Tilburg en recent Amsterdam.

De vraag die nu van belang is... wat dragen deze colleges bij aan het Hoger Onderwijs? Elisabeth Coleman, president van het prestigieuse Bennington College in Vermont, heeft zo haar twijfels. We willen steeds meer weten, op steeds meer terreinen. We willen onze studenten helpen in hun streven naar excellentie. Het blijft echter de vraag of we alleen maar betere klassenbewuste beroepsbeoefenaren kweken, of dat we studenten helpen een belangrijke bijdrage te leveren aan een menswaardige samenleving.

New Liberal Arts

Bennington College, onder leiding van Elizabeth Coleman (president sinds 1987), heeft de handschoen opgepakt. Op een goede dag werd ze wakker met de vraag: waar sta ik? De regering kan het niet alleen. Het wordt tijd dat het Hoger Onderwijs zich fundamenteel gaat afvragen in hoeverre de staf, de studenten, al die investeringen in onderwijs, bijdragen aan een betere wereld.

Dit idee vroeg om een fundamentele “rethinking of education”; de “rethinking of Liberal Arts” inbegrepen. Ze kwam uit bij het begrip “New Liberal Arts”. De nieuwe Liberal Arts wilde studenten onderwijs geven in het leren ontwikkelen van strategieën om de grote “challenges of our time” aan te pakken. Een herstructurering van het curriculum, de organisatie, de behuizing was daarvoor nodig.

In het centrum van het “New Liberal Arts” kwamen begrippen te staan die bij de traditionele “Liberal Education” wat minder op de voorgrond traden. De student leert samenvattend op drie niveaus te denken. Het gaat daarbij om het gebied van de geest, de ziel en het lichaam. Het gebied van de “creative imagination”, oftewel het ”out of the box” denken, staat voorop. Daarna volgt het gebied van de logica, want zonder logisch denken kom je nergens. Het domein van de morele praktijk, waarbij het gaat om een intelligent ethisch handelen, is het derde gebied.

BLCLA curriculum

De geestelijke ontwikkeling van het Bernard Lievegoed College for Liberal Arts stamt al van 1971, de stichting van de Vrije Hogeschool door Bernard Lievegoed. De thema’s die Liz Coleman aanraakt leefden al in zijn werk. Het werk dat we nu doen is simpelweg een voortzetting van die impuls. De nieuwe naam maakt ons alleen maar meer herkenbaar in de buitenwereld. We zeggen klip en klaar: we zijn bezig met (New) Liberal Arts.

Het koersdocument en ontwikkelplan van het BLCLA dat in de afgelopen twee jaar is opgesteld wil de geest, het wezen, van het Hoger Onderwijs recht doen. Het accent ligt daarbij niet op het vormgeven van de professionele skills, de hoofdrichting, die natuurlijk van enorm belang is. De nadruk ligt vooral op een diepere bron, ontwikkeld door aandacht te geven aan de humaniora, en uit te drukken in een strategie, een gedachte, waaruit een student zijn professional skills dienstbaar kan maken aan de mensheid. Een uitgangspunt overigens dat we al terugvinden in de Ethica Nicomachea van Aristoteles.

Het (ontwerp) studieprogramma, dat vervolgens is ontstaan, kent drie hoofdbestanddelen:

1. De algemene propedeuse: de eerste fase. Die is bedoeld om een student de ruimte te bieden, om wezenlijk na te denken hoe je meer kunt maken van je leven. Hij kan zich oriënteren binnen ethische, artistieke, wetenschappelijke en praktische domeinen. Hij hoeft geen definitieve keuzen te maken. We willen hem vooral bekend maken met een grondhouding die de korte termijn overstijgt (beroep) en ook stilstaat bij het waarom van zijn keuzen (een duurzame handelingsstrategie). De verworvenheden dienen binnen een regulier opleidingskader erkend te kunnen worden als eerder verworven competenties.

2. De bachelor plus: de tweede fase. Deze fase vraagt aan de student om meer te maken van zijn of haar studie. Er wordt gewerkt in combinatie met een studie op een Hogeschool of Universiteit, waar de professionele ontwikkeling ter hand wordt genomen. De ruimte die binnen deze studie beschikbaar is als minor ruimte, kan worden gebruikt om op het BLCLA te werken aan fundamentele strategische vraagstukken. Dit concept is ontleend aan het succesvolle Studium Fundamentale van de Universiteit van Herdecke.

3. De masters of arts: de derde fase. De student wordt nu gevraagd meer te maken van zijn of haar werk. Het gaat vooral om onderzoeksmasters. Je kijkt in twee jaar hoe je professional skills zodanig kunt uitwerken, dat je meer kunt maken van je werk ten behoeve van de samenleving. In de VS bestaat al een opleiding “Masters of Arts in Teaching”. Een docent die deze masters doet, verdiept zich in “de kunst van het lesgeven” als aanvulling op de techniek van het lesgeven. Deze masters of arts wordt vormgegeven in samenwerking met onze lectoraten i.o.: de “design labs”. De masters of arts kunnen mogelijk voor een deel worden gefinancierd binnen het Sirius programma.

Uitvoering

Het ontwerp is sinds een jaar van de ontwerpfase in de uitvoeringsfase gekomen.

De eerste resultaten zijn uitermate hoopgevend. Het studentenaantal heeft zich meer dan verdubbeld. De algemeen propedeuse heeft twee keer zo veel studenten als het jaar daarvoor. De minor heeft vier maal zoveel studenten als in de “pilot”. De masterclass, de voorloper van de masters, is zo succesvol dat een tweede kan worden opgestart. Het studie-intermezzo is overtekend. Een intensieve samenwerking is tot stand gekomen met de HU. De Woudschoten-groep en de Iona Stichting hebben hun vertrouwen gegeven en investeringen gedaan. Nieuwe competente medewerkers hebben hun weg gevonden naar het Bernard Lievegoed College for Liberal Arts. Het lijkt alsof de “New Liberal Arts” impuls aanslaat.

In de komende jaren willen we hard werken aan het verder vormgeven van een progressief opleidingsinstituut door:

– Studenten en de docenten te vragen hun kennis in te zetten voor een menswaardige samenleving.
– Studenten en de docenten te vragen zorgvuldig en bewust om te gaan met kennis.
– Studenten en docenten een prettige omgeving te bieden voor het vergaren van kennis.

Het is een vergelijkbare missie met die van een ander succesvol antroposofisch initiatief: de Triodos Bank. De Triodos Bank wil zijn clientèle leren werken met geld. Wij willen onze studenten leren werken met kennis.’

zondag 11 oktober 2009

Kackadorissen

Vermoedelijk is deze foto mislukt, doordat ik de camera te snel na het klikken heb bewogen... dan krijg je dit soort scheve plaatjes. Maar het gras wordt er niet minder groen om.

Aertjan Grotenhuis van de weblog ‘Geld’ op de website van NRC Handelsblad had gisteren een nieuw bericht over de btw-vrijstelling voor complementaire behandelingen. Dat wil zeggen, dat er geen btw-vrijstelling aan zit te komen. Hij had zijn informatie blijkbaar van het jaarlijks congres van de Vereniging tegen de Kwakzalverij, dat gisteren plaatsvond en waarop de winnaar van de Meester Kackadorisprijs 2009 bekend werd gemaakt.

‘De prijs, genoemd naar een middeleeuwse kwakzalver, is bestemd voor een instelling of persoon die de kwakzalverij heeft bevorderd.’

Voordat ik daar op inga, ik heb er immers hier eerder al aandacht aan besteed, eerst dat bericht van Aertjan Grotenhuis. Ook van hem heb ik hier al ettelijke berichten, vooral over dit onderwerp, opgenomen. Allemaal terug te vinden met de zoekfunctie onderaan (net boven mijn profiel). De titel van zijn bijdrage is Verdeelde gezondheidssector zit met btw-probleem’:

‘Alternatieve medische behandelaars hebben een groot btw-probleem. Europese regels dwingen Nederland om dergelijke complementaire behandelingen de btw-vrijstelling te geven die voor artsen geldt. Dat vindt het kabinet te duur. Daarom wilde staatssecretaris Jan Kees de Jager (Financiën) twee jaar geleden al de medische btw-vrijstelling inperken. Prompt kwam de gezondheidswereld in het geweer. De medische keuze tussen wie wel of niet voor de vrijstelling in aanmerking komt, groeide de belastingdeskundigen snel boven het hoofd. Staatssecretaris en volksvertegenwoordigers schoven het probleem snel door naar de volksgezondheidspecialisten. Die moesten maar een zinnig onderscheid maken tussen medische handelingen die een btw-vrijstelling verdienen en kwakzalverij waar gewoon 19% btw op moet zitten. Door onderlinge verdeeldheid is dat niet gelukt.’

De vraag is waar die onderlinge verdeeldheid bestond. Nu lijkt het net of er verdeeldheid was onder de volksgezondheidspecialisten van het ministerie van VWS. Dat zou pas nieuws zijn! Maar uit eerdere berichtgeving mag ik afleiden dat bedoeld wordt in de complementaire sector. Daar lijkt het vervolg ook op te duiden:

‘Een jaar lang heeft minister Ab Klink (Volksgezondheid) met reguliere en alternatieve artsen, acupuncturisten, psychologen en vele anderen gezocht naar een manier om het kaf van het koren te scheiden. Nu zijn tijd om is, komt het probleem terug bij collega De Jager. Ondertussen is het met de schatkist een stuk slechter gesteld. Dat maakt de keuze makkelijker. Waarschijnlijk geldt de btw-vrijstelling vanaf volgend jaar alleen voor de reguliere behandelingen die in het basispakket of de awbz-vergoeding zitten, mits uitgevoerd door gekwalificeerde (para)medici.’

‘Waarschijnlijk’ staat er. Dat zou op deze manier bekeken dan ook moeten gelden voor verschillende vormen van antroposofische gezondheidszorg. Is het genoemde nu wens of werkelijkheid, en wie maakt dat uit? Wordt dat het voorstel van De Jager aan de Kamer, en zal die daar dan mee akkoord gaan? Tot nu toe was dat niet zo. – In het vervolg van het bericht duikt weer een vraagteken op, namelijk bij ‘(bijna?) alle alternatieve behandelingen’. Echter alleen acupuncturisten of homeopaten worden met naam genoemd (maar wel ‘bijvoorbeeld’). Daar zitten dus nog diverse marges in:

‘Dat bleek vandaag tijdens een in Amsterdam gehouden symposium van de vereniging tegen de kwakzalverij. Het kan zijn dat de Tweede Kamer nog zwicht voor een specifieke lobby van bijvoorbeeld acupuncturisten of homeopaten. Maar anders zijn (bijna?) alle alternatieve behandelingen vanaf volgend jaar een stuk duurder. Ongeacht of ze worden uitgevoerd door artsen of anders opgeleide behandelaars. Dan trekt de financiële crisis en niet een visie op de gezondheidszorg de grenzen voor de btw-vrijstelling.

Er is 40 miljoen euro beschikbaar voor fiscale maatregelen voor de alternatieve geneeswijzen. De Tweede Kamer heeft dat geld in 2007 vrijgemaakt door per 1 januari 2008 de wijnaccijns met 16% te verhogen. Op iedere fles port betaalt men een dubbeltje extra ter bekostiging van de btw-voordelen op alternatieve behandelingen die artsen toepassen. Ook dat staat nu ter discussie.

Waar moet de grens liggen voor de btw-vrijstelling voor “de gezondheidkundige verzorging van de mens” gegeven de wettelijke norm dat “de beroepsopleiding van de zorgverleners, voldoende kwaliteitsniveau moet hebben”?’

Waar moet de grens komen te liggen voor wel of geen btw-vrijstelling, dat is dus nog altijd de vraag. Aertjan Grotenhuis vraagt expliciet om reacties, om die aan de politiek te kunnen doorspelen, zoals eerder ook steeds gebeurde:

‘Dat is de vraag waar de Tweede Kamer binnenkort over beslist. Uw reactie met volledige naam (zie Netiquette) wordt hieronder opgenomen en aan de Kamerleden doorgegeven.’

En nu dan terug naar die bijeenkomst van de Vereniging tegen de Kwakzalverij en haar prijsuitreiking. Ik heb me over de nominaties al vrolijk gemaakt op 13 september in ‘Giller’. Die kwamen over als satire van het zuiverste water. En als ik nu het juryrapport lees, dat vandaag op de website is gezet, dan is het net of de satire gewoon doorgaat. Het gaat om zulke futiele dingen, dat het gewoon lachwekkend wordt. Hoeveel mensen zouden daar nu gisteren met een serieus gezicht naar hebben geluisterd? Het rapport is ondertekend door voorzitter van de jury Mr. Th.J. Douma, mede namens prof.dr. R.A.P. Koene en C.P. van der Smagt:

‘Sandra Roelofs, de Georgische presidentsvrouwe, is wellicht in een moment van onoplettendheid in zee gegaan met de warhoofden van Homeopaten zonder Grenzen. Zij heeft hen daarmee een Salonfähigkeit verleend die ertoe leidde dat de NCDO (de Nationale Commissie voor internationale samenwerking en Duurzame Ontwikkeling) een subsidie van € 6.000 verleende. Ach, haar land heeft grotere zorgen en de banden zijn alweer verbroken. Dat de Zaanse kinderpsychiater Keizer op kosten van de Nederlandse belastingbetaler meerdere werkbezoeken aflegde aan Georgië om aldaar de homeopathische dwaalleer te verspreiden, dat blijft de jury mevrouw Roelofs, maar evenzeer de NCDO en minister Koenders wel aanrekenen.

Alleen van regionale betekenis is natuurlijk RTV Utrecht, die al vele jaren elke week haar microfoon leent aan een natuurgenezer, die van zijn gezond niet afweet. Toch staat deze nominatie tevens voor al die regionale krantjes en huis-aan-huisbladen, die als vehikel van kwakzalversadvertenties en advertorials toch veel eenvoudige lezers op het verkeerde been zetten. Prijswinnend is RTV Utrecht echter niet geworden.

Datzelfde geldt voor Achmea Zilveren Kruis, die grote verzekeraar die ooit als eerste de Meester Kackadorisprijs in de wacht sleepte, maar haar leven sindsdien niet gebeterd heeft. Men blijft alternatieve geneeswijzen verzekeren in de aanvullende polissen en bestaat het om in haar propagandablad Health een debat-artikel te schrijven, waarin de mening van een klassiek homeopaat even veel ruimte krijgt als die van een hoogleraar Infectieziekten, alsof het om twee even gezaghebbende opponenten gaat.

In het blad Medisch Dossier, een uitgave van de al eerder genomineerde uitgever van het New Age- en alternatief-geneeskundig blad Ode, staan veel stukken die zijn overgenomen van het Amerikaanse kwakzalversblad What doctors don't tell you, een blad waarvan de sfeer doet denken aan de paranoia, waarmee bestrijders van vaccinaties die methode in een kwaad daglicht stellen. Maar wat What doctors don't tell you u niet vertelt is dat men geen enkel gezaghebbend medicus in de redactie heeft die in wetenschappelijke kring serieus genomen wordt. Met selectief citeren uit de wetenschappelijke literatuur – er is voor elke alternatieve absurditeit wel ergens een professor te vinden die erin gelooft – wordt de lezer aldus geïmponeerd en valselijk voorgelicht.’

Nu komt er een korte bespiegeling van de jury tussendoor, die te denken geeft:

‘Wij leven, dames en heren, in een cultuur waarin financieel succes wel gelijk lijkt te zijn aan morele superioriteit, en waarin rijken als rolmodellen optreden en alleen al vanwege hun zakelijk succes als gezaghebbend worden beschouwd. Ik moge u even de dialoog tussen een Canadees en de kwakzalver Fulford (1852-1905 zie ook hier, webredactie) in herinnering brengen: “You have no conscience!”, waarop de kwak antwoordde: “Most likely, but I have two millions of dollars”.’

En ik maar denken dat dit in de publieke opinie momenteel sterk in de gaten loopt juist bij de reguliere geneeskunde... Maar, zoals we zullen zien, is dit nu precies de omgekeerde wereld van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. – Nu eerst nog even de twee volgende nominaties die het dus ook niet geworden zijn:

‘Makelaar Mens ontleent zijn gezag aan precies dit mechanisme en ontziet zich niet om fullblown kwakzalvers gastvrij in zijn tv-programma Business Class op RTL 7 te ontvangen. Omdat de jury tegelijkertijd van mening is dat zijn stem op medisch terrein nog niet als invloedrijk wordt ervaren, ontgaat hem de hoofdprijs.

Het Slingeland Ziekenhuis te Doetinchem heeft een prima reputatie en er worden zelfs aanstaande artsen en specialisten opgeleid. Des te onbegrijpelijker is het dat men in de medische staf aldaar een kwakzalver aan de borst koestert in de persoon van een anesthesist, die als pijnbestrijder en antirookbehandelaar Chinese acupunctuur toepast binnen de muren van zijn ziekenhuis. Het verzet hiertegen van regionale huisartsen en van een deel van de medische staf is overruled door de directeur van het ziekenhuis, de heer G.P.M. Huisman. Ook nadat de Vereniging tegen de Kwakzalverij met een goede onderbouwing had gemeld dat Chinese acupunctuur niet effectief is tegen chronische pijn, bleef de directeur bij zijn beleid en schoffeerde daarmee veel huisartsen in zijn regio, terwijl hij het aanzien van de medische stand schade toebrengt. De jury is daarover zeer verbolgen.’

Zoals ik al schreef, als je dit allemaal leest, dan krijg je eerder het idee dat een nominatie van de Vereniging tegen de Kwakzalverij juist een aansporing is om kennis te nemen van wat de genoemde personen en organisaties hebben gedaan. Die worden er geloofwaardiger door, omdat de vereniging zelf zich zo ongelooflijk ongeloofwaardig gedraagt. Want natuurlijk geen woord over het kwakzalvende handelen in het Westfries Gasthuis in Hoorn op de afdeling gynaecologie, waar voorzitter Cees Renckens al 25 jaar werkzaam is (zie ‘Giller’). Heeft het publiek bij deze prijsuitreiking met droge ogen kunnen luisteren naar deze vermeende misstanden, maar een veel grotere misstand heel dichtbij over het hoofd kunnen zien? Moesten daar niet eerst eens vragen over gesteld worden? Want als je al zoveel belang hecht aan gezaghebbende medici en je zorgen maakt over de reputatie van de medische stand en het toebrengen van schade aan het aanzien ervan, dan is dat hier wel het geval. Maar nee hoor, gewoon doorgaan met het uitjouwen van de splinter in het oog van de ander, vooral zonder de eigen balk te brandmerken... – In het juryrapport wordt nog een apothekersketen aangeklaagd. Maar de uiteindelijke winnaar is dan toch een organisatie waarbij zelfs ook antroposofen even kort ter sprake komen:

‘Onbetwiste winnaar toch is dit jaar een organisatie die door zeer veel VtdK-leden werd genoemd en die dit jaar inderdaad een kwalijke rol heeft gespeeld in de publieke opinie. Ik kan u niet verhullen dat de jury enige aarzeling had bij de uitverkiezing van deze organisatie, want het is traditie dat de Meester Kackadorisprijs wordt toegekend aan instanties of personen die de kwakzalverij weliswaar bevorderen, maar waarvan verwacht mag worden dat correctie mogelijk is en dat een beroep op een geweten of op wetenschappelijke gegevens effect heeft. Zelf kwakzalven leidt in het algemeen niet tot een nominatie voor deze prijs. De Nederlandse Vereniging Kritisch Prikken is opgericht door homeopaten en antroposofen, van wie een aanzienlijk deel ook actief praktiseert. Daarnaast telt de achterban inmiddels veel mensen die zich door de paranoia van de NVKP’ers op sleeptouw hebben laten nemen en die ook lid zijn. En omdat het actief kwakzalven buiten het verband van deze vereniging gebeurt, heeft de jury ten slotte toch besloten aan de NVKP de prijs toe te kennen. Vaccinaties behoren tot de oudste effectieve medische ingrepen en zijn niet alleen zeer effectief, maar ook zeer veilig. Bestrijders van vaccinaties hebben dezelfde karakterstructuur als mensen die bang zijn voor gefluorideerd drinkwater, voor hoogspanningskabels en elektriciteit, alsmede voor bespoten fruit. Ondermijning van de vaccinatiegraad heeft in landen als Frankrijk en Engeland reeds tot sterfte onder niet-gevaccineerden geleid en dat gevaar dreigt ook in ons land. Propaganda van een organisatie als de NVKP, die op menig journalist en krantenlezer een serieuze indruk maakt, zou ertoe kunnen leiden dat het ook in ons land die kant opgaat. In de recente discussie over het vaccineren van jonge meisjes tegen baarmoederhalskanker was de NVKP prominent aanwezig en heeft zij zeker invloed gehad. Los van de wetenschappelijke vraag naar de voors en tegens van deze HPV-vaccinatie: de NVKP koos blindelings de zijde van de tegenstanders, zoals zij dat bij elke vaccinatie deed en doet. De hond van Pavlov, dames en heren, verbleekt erbij.’

Dat is wel sterk: net nu het gedonderjaag met het vaccineerbeleid in de pers breed wordt uitgemeten, en niet zonder reden, mede dankzij Ab Osterhaus, bestaat deze vereniging het om te doen alsof er niks aan de hand is. Nooit geweest, en zal er ook nooit zijn. Het is een prachtig brevet van onvermogen, en laat de zieltogendheid van deze club mooi uitkomen. – Eigenlijk zou ik hier het verslag moeten laten volgen van iets wat wel toekomst heeft: het jubileumcongres van het tijdschrift ‘Supplement’ op 3 oktober in Arnhem, ‘Zorg voor de toekomst. Integrative Medicine in de praktijk’.

‘Tien jaar geleden, in het najaar van 1999, verscheen de eerste uitgave van het tijdschrift Supplement. Met het streven een brug te slaan tussen reguliere en complementaire vormen van zorg sloot het tijdschrift zich aan bij een nieuwe ontwikkeling in de gezondheidzorg. Begrippen als Integrative Medicine en CAM zijn in de loop der jaren algemeen bekend geworden en het tijdschrift is daarin meegegroeid.

Om het tienjarig jubileum van het tijdschrift te vieren, organiseert Supplement het congres “Zorg voor de toekomst” dat geheel in het teken zal staan van Integrative Medicine. Gerenommeerde sprekers uit de hele wereld zullen bijdragen aan dit congres.’

Laat ik dat nou eens gewoon doen; dat geeft een mooie tegenstelling met het voorgaande. Kunt u zelf kiezen waar u het meeste geloof aan hecht. Het was binnen een week dat Iocob een prima verslag op haar website had gezet (met foto’s!), onder de titel ‘Congres Integrative Medicine een succes’:

‘Mischa Nagel met zijn medewerkers hebben een congres georganiseerd met de titel “Zorg voor de Toekomst, Integrative Medicine in de praktijk” vanwege het 10 jarig jubileum van het tijdschrift Supplement. Honderden artsen en geïnteresseerden uit binnen- en buitenland reisden af naar Papendal om dit congres bij te wonen. Vooraanstaande sprekers, met Evidence Based Medicine hoog in het vaandel, gaven hun visie op Integrative Medicine.

Uit de enquête bleek dat velen dit een inspirerende dag hebben gevonden. Hieronder volgt een korte terugblik op het congres.

Dr. Paul Kaiser, arts, is oprichter van de Stichting tot Bevordering van Integrated Medicine, die wetenschappelijk onderzoek, onderwijs en informatieverstrekking op het terrein van Integrative Medicine stimuleert. Zijn credo is het beste uit beide werelden te verenigen. Hij moedigde vooral de onderzoekers en artsen aan om creatief en moedig te zijn. Op een dia van hem was de quote van Albert Einstein te lezen: “Phantasie ist wichtiger als Wissen, denn Wissen ist begrenzt”

Professor Ernst, van de Universiteit van Exeter, sprak over hoe bewijs te interpreteren. Hij legde uit dat de bewijskracht afhankelijk was van de soort studies. De bewijskracht was volgens hem van zwak naar sterk: casereports, ongecontroleerde studies, gecontroleerde studies, gerandomiseerde gecontroleerde studies en meta-analyses. Het therapeutisch ervaren effect bestond volgens hem uit: het specifieke effect van de therapie, het ware placebo-effect, het effect van de arts-patiënt interactie, het natuurlijk beloop van de klacht, regressie naar het gemiddelde, sociaal gewenst verlangen, neventherapieën, andere context effecten. Zijn hoogste level of evidence waren de Cochrane reviews. Hij daagde de aanwezigen uit om hem een beter alternatief aan te dragen om de effecten van een therapie te beoordelen.

Inès von Rosenstiel is kinderarts in het Slotervaart Ziekenhuis te Amsterdam. Zij past Integrative Medicine actief toe in de praktijk en heeft voor verdere onderzoeksdoeleinden op dit gebied het NIKIM opgericht. Zij legde uit wat de verschillende modellen zijn voor geïntegreerde geneeskunde. Er zijn vele stappen zijn tussen parallelle praktijken en geïntegreerde geneeskunde. Enkele tussenvormen zijn: consultatief, samenwerkend, multidisciplinair, interdisciplinair. Meer en meer ziekenhuizen passen delen van geïntegreerde geneeskunde toe in Nederland. Zij past alleen die delen van de geïntegreerde geneeskunde toe die onderbouwd zijn met wetenschappelijke studies. Een van haar speerpunten is preventie van obesitas door middel van het voorlichten van kinderen en ouders over goede voeding en voldoende bewegen.

David Kopsky, arts, is secretaris van stichting IOCOB. Hij maakte duidelijk dat het voor patiënt en arts vaak niet duidelijk is welke therapie zinvol is en welke niet. Hij legde uit hoe de kwaliteitsindicator van IOCOB, in de vorm van een stoplicht werkt, en gaf voorbeelden bij elke beoordeling. In het tweede deel van zijn presentatie ging hij dieper in op de acupunctuur. Hij liet op basis van wetenschappelijk onderzoek zien dat acupunctuur invloed heeft van gen tot psyche. Ook liet hij een grote Duitse studie zien naar acupunctuur bij chronische lage rugpijn. Uit deze studie kwam naar voren dat acupunctuur bijna 2 maal meer effect had op de pijn dan reguliere geneeskunde. Als een van de laatste dia’s werd een systemische review aangehaald waarin werd benadrukt om acupunctuur in de Europese richtlijnen op te nemen. Hij eindigde met een mooie formule: Effectiviteit = Acceptatie x kwaliteit. Effectiviteit van een therapie is acceptatie van de patiënt betreffende de therapie maal de kwaliteit van die therapie.

Dr. M. Dyson is biologe en heeft een presentatie gehouden over versneld weefselherstel met lage intensiteit laser. Uit dierenexperimenten en observationele studies blijkt het weefselherstel zich te versnellen met rood laserlicht wanneer er een wond is. Er moeten echter nog veel laboratoriumwerk en klinische studies gedaan worden naar de verschillende vormen van laser, de duur van stimulatie en het effect van laser op de verschillende stadia van wondgenezing.

Dr. Barrie Cassileth is hoofd van de afdeling Integrative Medicine van het Memorial Sloan Kettering Cancer Centre (MSKCC) in New York. Dit is de grootste academische oncologische kliniek ter wereld met (in 2008) 10.500 medewerkers en 22.689 patiënten. Vanwege de nieuwe doorbraken en de gespecialiseerde zorg in de geneeskunde zijn er meer dan 11 miljoen overlevenden van kanker in de Verenigde Staten. Deze gespecialiseerde zorg heeft ook een keerzijde: de patiënt weet niet meer wie zijn of haar dokter is. Ook hebben de kankerpatiënten nu te maken met de bijwerkingen van de behandelingen van kanker, zoals neuropathieën door chemotherapie en radiotherapie. Zij past met succes evidence based complementaire behandelwijzen toe in haar kliniek om de angst en de bijwerkingen te verminderen.

Kathleen Wesa, internist en wetenschapper van het Memorial Sloan Kettering Cancer Centre, heeft duidelijk gemaakt hoe belangrijk bewegen is bij kankerpatiënten. Uit onderzoek blijkt dat de overlevingskans van kankerpatiënten na behandeling met 50% - 60% verhoogd met regelmatig fitnessen. Hoe meer beweging, des te meer kans op overleving. Haar advies was: doe 20-60 minuten cardiotraining 3-5 maal per week op een hartslag van 55-90%, maximum hartslag (220 min leeftijd) PLUS powertraining 6-12 herhalingen en 1-4 sets van elke oefening voor de grote spiergroepen 1 tot 3 maal per week PLUS strekoefeningen voor de grote spiergroepen 2-4 sets elke oefening 2 tot 3 maal per week. Ook sprak ze over het frequent eten van fruit en groente. De inname van vitamine D (1000 tot 200 IU per dag) en calcium (1000-1500 mg per dag) was ook haar advies. Niet alle supplementen en anti-oxidanten waren echter gunstig. Bepaalde anti-oxidanten konden bijvoorbeeld de chemotherapie tegenwerken.

Simon Yeung is farmacoloog en acupuncturist. Hij doet onderzoek naar pijnmanagement in de oncologie door middel van acupunctuur, massagetechnieken en fytotherapie. Simon Yeung onderhoudt voor het MSKCC de website “About Herbs”. Hij liet de wetenschappelijke onderbouwing zien voor acupunctuur. Ook werd uit zijn praatje duidelijk dat vele effectieve geneesmiddelen die in de behandeling van kanker worden gegeven, afstammen van planten. Taxol van de taxus is daar een voorbeeld van. Verder sprak hij over de mogelijke interacties van kruiden met reguliere medicatie. Ook hebben kruiden effect op de bloedstolling wat belangrijk is om te weten voor de chirurg.

Professor dr Jan Keppel Hesselink, arts en voorzitter van stichting IOCOB heeft het congres voorgezeten. Aan de buitenlandse sprekers heeft hij de Nederlandse olifant overhandigd met steeds weer een toepasselijke anecdote, die zeer goed paste bij de desbetreffende spreker.’

Ik stel voor dit congres te nomineren voor de Mr Kackadorisprijs 2010! Een betere kanshebber zal moeilijk te vinden zijn en men zal het vast een eer vinden om uitverkozen te worden...

zaterdag 10 oktober 2009

Ervaringskennis

Ik zou er eventueel nog op terugkomen. Dat schreef ik op 16 september in ‘College’. Het ging toen onder meer over Hans Reinders, die de Bernard Lievegoed leerstoel aan de Vrije Universiteit in Amsterdam bezet, en die in die hoedanigheid samen met Karin Wuertz een boek heeft geschreven. Dat boek kwam trouwens twee weken later ook ter sprake, op 30 september in ‘Netwerkuniversiteit’, waar vanuit het Bernard Lievegoed Fonds onder meer werd bericht over de ondersteunde initiatieven. Daarbij werd ook ‘het onderzoek “de Kunst van het Zorgen” van Hans Reinders/Karen Wuertz’ genoemd. Maar op 16 september ging het eerst nog over iets anders:

‘(...) dit is dus het boek dat Hans Reinders al aankondigde op 15 mei van dit jaar, in zijn lezing tijdens de derde “Ontmoeting rond de Bernard Lievegoed leerstoel”. Hans Reinders, dat is u vast bekend, is de houder van de Bernard Lievegoed leerstoel. Een verslag van deze bijeenkomst verscheen in De Digitale Verbreding; het lijkt erop dat ik dat niet ook nog een keer op deze weblog geplaatst heb. Dat is er blijkbaar helemaal niet van gekomen. Misschien doe ik dat bij een andere gelegenheid nog eens (....)’

Over de Bernard Lievegoed leerstoel heb ik hier al vaker bericht, zelfs van een eerdere ‘Ontmoeting rond de Bernard Lievegoed leerstoel’ heb ik verslag gedaan (de eerste namelijk, dat deed ik op 13 oktober 2008 in Ontmoeting’). De bijeenkomst van 15 mei heb ik notabene hier diverse keren aangekondigd. Nu is het dus zover dat ik dat verslag, met de titel ‘Verborgen bronnen binnen de zorg’, in zijn geheel laat volgen. Daarna zal ik terugkomen op het nieuwe boek.

‘Zaal Toermalijn van Christophorus in Bosch en Duin zat op vrijdagmiddag 15 mei, ondanks de dreigende regen en slechte bereikbaarheid, goed vol. Deze veel beter dan de vorige keer bezochte derde bijeenkomst in het teken van “Ontmoetingen rond de Bernard Lievegoed leerstoel” had als onderwerp “De kracht van ervaringskennis. De verborgen bron van zorg”. Dagvoorzitter Pim Blomaard, wetenschappelijk medewerker van de Bernard Lievegoed leerstoel, had inleidend een andere bron van zorg op het oog. Namelijk de modernisering van de AWBZ waarbij de schotten tussen de diverse sectoren weg zijn gevallen. Hoe blijft de gehandicaptenzorg overeind tussen het geweld van psychiatrie, verslavingszorg, ouderenzorg, verpleeghuiszorg? Welke kennis en expertise heeft zij ontwikkeld waaruit haar eigenheid blijkt? Het specifieke van de gehandicaptenzorg is nog nauwelijks in kaart gebracht. Daarbij gaat het niet alleen om theoretische kennis, maar heel duidelijk ook om praktische: juist in de praktijk bewijst de gehandicaptenzorg haar waarde. Daarom deze “Ontmoeting rond de Bernard Lievegoed leerstoel” over “De kracht van ervaringskennis”.

Stilzwijgende kennis in de euritmietherapie

In de uitnodiging werd van “stilzwijgende kennis (tacit knowledge), praktische wijsheid of intuïtief handelen” gewag gemaakt. Aan euritmietherapeut Roel Munniks de taak om als eerste spreker te laten zien waar die verborgen bron dan zit en waaruit die bestaat. “Praktische intuïtie: hoe gebeurt dat in de praktijk?” was de titel van zijn bijdrage. Een lastige opgave, om in woorden te kleden wat zich in de beslotenheid van de therapeutische één-op-één situatie afspeelt. Bovendien vanuit een bij uitstek non-verbale therapie als euritmie – hoewel voor deze therapievorm “het woord” cruciaal is. Uit zijn verhaal bleek dat wanneer je tegenover de ander staat, je juist met jezelf geconfronteerd wordt. De ander spreekt niet of heeft andere beperkingen zodat hij niet op voorhand met je mee beweegt, waardoor je alles uit jezelf moet halen. Maar wat moet je uit jezelf halen om die ander te helpen in zijn ontwikkeling? De moed kan je hierbij soms in de schoenen zinken.

Roel Munniks vertelde over een meisje dat hij in therapie kreeg. Het eerste wat hij voorafgaand deed was verschillende momenten op te zoeken om echt kennis met haar te kunnen maken. Dat viel niet mee, want ze liet duidelijk merken dat ze geen enkele zin had in bewegen. Daardoor liet hij zich echter niet uit het lood slaan. Hij stelde zich op haar in en vroeg zich af wat zij zou kunnen en waar zij mee geholpen zou zijn. Daarbij putte hij uit alles wat hij tot dan toe verworven had, uit opleiding, studie, besprekingen, voorstellingen. Maar nog altijd wist hij niet wat hij bij haar precies moest gaan doen. Hoe maak je je keuze? Je moet kunnen “lezen” wie er voor je staat. En je moet je eigen wilskracht oproepen, om over je eigen grenzen heen te stappen, opdat je daar in alle bescheidenheid ook toe in staat bent. Tot een half uur voor het begin wist hij nog niet zeker hoe en wat hij zou doen. Terwijl hij zich op de situatie bezon, kreeg hij een inval. Een reeks van drie klanken. Zo zou het moeten. Nu was het zaak hier ook aan vast te houden en niet te gaan twijfelen dat het ook wel anders zou kunnen. Want dan had hij het moment laten lopen. En wat bleek? Wat hij helemaal niet verwachtte, gebeurde: ze deed meteen uit zichzelf mee en alles verliep die eerste keer bijzonder harmonieus. De eerste klap was een daalder waard. Het was zijn praktische intuïtie die hem dit had ingegeven.

Voorwaarden voor praktische intuïtie

Hoe komt dat nou, waar ligt dit aan? Roel Munniks had zich die vraag gesteld en was tot een aantal voorwaarden gekomen. Zoals dat je niet alleen op jezelf moet letten, maar ook op hoe andere mensen met haar omgaan. En de bereidheid hebben om je te laten corrigeren in je eigen opstelling en gedrag. Ook echt ontspannen zijn behoort ertoe. Er niet als gewoon mens tussen gaan staan, maar waarmaken wat in de situatie nodig is. Hoe spreek je? Je echt tot de ander richten, dat is de helft van het effect. Met de taal bereik je iets als je je met aandacht op de ander richt. Dan kun je ook ieder kind anders aanspreken. Daarnaast kan het ook misgaan, bijvoorbeeld wanneer je te veel vraagt van de ander. Het is innerlijk werken om uiterlijk tot iets te komen.

Na deze inkijk in het werk van een therapeut was Albert de Vries aan de beurt. Zijn thema was: “Intuïtief handelen: hoe leer je van je eigen successen?” Als begeleider, consultant en docent in ervaringsleren benadrukte hij het belang om vasthoudend te zijn, ook bij het gevoel het niet te weten. Zoiets kan maanden duren, totdat je ten einde raad bent en er bij wijze van spreken een toestand optreedt van “god zegene de greep”. Er kan inderdaad een ingreep volgen die je niet had kunnen bedenken, maar die wel heel goed uitpakt. Wat je hierbij doet, is altijd een kwestie van een individuele aangelegenheid. Collectieve afspraken in teams zijn juist een hindernis. Het gaat erom mee te bewegen met de ander, te accepteren in wat hij wil zijn, in zijn mogelijkheden. Niet aansluiten bij de wens, de behoefte van de ander, maar bij zijn wilsrichting. Handelen vanuit verbondenheid en niet je voorstelling ertussen zetten.

Kennis in beelden en niet in diagnoses

Op deze manier blijk je in de praktijk al iets te kunnen; nu kun je nog hiervan leren. Je moet dus niet het denken afschaffen. Het gaat om “tacit knowledge”: stilzwijgende kennis. Deze kennis is in beelden en niet in diagnoses. In de handeling ga je beelden zien, je laat de handeling spreken. In de reflectie wordt het begrip ontwikkeld. Je moet aanvankelijk uithouden dat je het niet snapt. Dan kunnen zich nieuwe begrippen vormen.

Albert de Vries gaf het voorbeeld van een zwaar autistische vrouw die in een totaal lege kamer sliep. Zij vertoonde bijzonder storend gedrag. Nu is het de kunst om in dat storende gedrag ook een potentie te zien. Want die zit erin. En dan pas wordt er een andere benadering mogelijk. Dan laat je ruimte open om in processen te stappen die voordien niet mogelijk waren. Een van de nieuwe begrippen die door de medewerkers bij een begeleidingstraject gevonden waren, was “mediterend inkeren”. Dit bedenkend bracht nieuw handelen teweeg, ook in andere situaties die niet van tevoren besproken waren.

Hans Reinders was de derde spreker. Zijn bijdrage was oorspronkelijk aangekondigd als: “Tacit knowledge: hoe activeer je het onbekende?” Maar dat hij ook nog steeds zoekende hierin was, bleek wel uit de titel die hij deze middag op het scherm toverde: “De betekenis van stilzwijgende kennis voor de zorgpraktijk”. Het was hem er in ieder geval om te doen praktische wijsheid beleidsmatig te kanaliseren. Kritiek is er nu wel genoeg uitgeoefend in zorgland, maar wat hebben we voor alternatief te bieden?

Het is duidelijk dat het probleem zit in de relatie tussen kennis en kwaliteit. De “evidence based care” (EBC) zoekt naar objectief bewezen kwaliteit, met een grote rol voor standaardisering. Daarnaast wordt groot belang gehecht aan gecontroleerde omstandigheden, herhaalbaarheid, kennis moet vooral niet persoonsgebonden zijn en opgeslagen kunnen worden in kennisdragers, zoals boeken, artikelen, databases, instrumenten. Hier wordt kennis gereduceerd tot informatie. Maar er is een nieuw kennisbegrip nodig, waarbij bejegening en relaties centraal staan. Of nog sterker: waarbij de relatie de drager van kwaliteit is. Je hebt in zorgpraktijken overdraagbare en niet-overdraagbare kwaliteit. Het gaat niet alleen om te verantwoorden zorg, maar ook om goede zorg in de ruime betekenis van het woord. Alleen: hoe krijg je hier nu zicht op?

Culturele antropologie als hulpmiddel

Reinders was tot de slotsom gekomen dat de culturele antropologie bij deze vraag de beste papieren heeft. Die heeft hier de instrumenten voor ontwikkeld en is geoefend in kwalitatieve observaties. Dus leek het hem verstandig om de hulp van cultureel antropologen in te roepen. Er is al een uitgebreid onderzoeksproject op Orion geweest waarover een boek zal verschijnen. De gebruikte onderzoeksmethode wordt met een vervolgproject voortgezet binnen ’s Heerenloo.

De laatste spreker van de middag was Gerard Gerding, bestuurder van de Gemiva-SVG Groep. Hij hield een warm pleidooi voor betrokkenheid vanuit de bestuurlijke hoek. Hijzelf bleek daar het levend voorbeeld van te zijn. Dat sloot natuurlijk niet uit dat je ook bedrijfskundig en planmatig je zaken goed voor elkaar moet hebben. Maar daarnaast is meer nodig. Je moet jezelf inbrengen en open staan voor nieuwe ervaringen. Voor een bestuurder ligt dat vooral op het vlak van het sociale samenleven. De voorbeelden die hij noemde waren van een grote eenvoud en een sterk gevoel voor het normale in de verhoudingen tussen mensen. Niet afstandelijkheid, maar betrokkenheid maakt het verschil. En maakt dat mensen het gevoel hebben gezien te worden, dat hun werk ertoe doet.

Zo werd deze derde van de “Ontmoetingen rond de Bernard Lievegoed leerstoel” een heel memorabele. Als je ook maar begint dit veld te betreden, heb je direct het gevoel tijd te kort te komen. Het is een heel nieuw terrein dat nog op ontginning wacht. Maar als er openheid voor is, worden er vast en zeker bijzondere nieuwe ontdekkingen gedaan.’

Nu staat er op de website van de Antroposofische Vereniging een Vooraankondiging boekpresentatie: De kunst van het zorgen’:

‘Op 19 oktober zal de presentatie plaatsvinden van het boek De Kunst van het zorgen (uitgeverij Garant, Antwerpen) van Drs. Karen Wuertz en Prof.dr Hans Reinders, beiden verbonden aan de Bernard Lievegoed Leerstoel aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Het boek doet verslag van een cultuurantropologische studie naar de betekenis van verbinding in de antroposofische zorgpraktijk. Het onderzoek dat aan de studie ten grondslag ligt, is uitgevoerd in een woonhuis van Orion, een Camphill gemeenschap in Rotterdam. In de studie worden het bijzondere karakter van antroposofische zorgverlening en de waarde hiervan voor het voetlicht geplaatst tegen de achtergrond van huidige beleidsontwikkelingen in der zorgsector. Op de studie zal in een interactieve opzet worden gereageerd vanuit verschillende invalshoeken (opleiding, onderzoek en bestuur).

De presentatie zal in de middaguren plaatsvinden in het Cultureel Centrum van Orion te Rotterdam-Alexander. De precieze informatie over het programma en de gegevens over locatie en vervoer zullen later deze maand bekend worden.’

Die nadere gegevens vind ik op de website van de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) die nu gelukkig na een paar maanden weer enigszins geactualiseerd is:

‘Boekpresentatie De kunst van het zorgen. Studie naar antroposofische zorg voor mensen met een verstandelijke handicap door K. Wuertz en J.S. Reinders, op maandag 19 oktober, 15.00-17.00 uur, in het cultureel centrum van Orion te Rotterdam. Aanmelden per e-mail: dir.secretariaat @ orioncamphill.nl. Zie voor het programma Boekpresentatie De kunst van het zorgen.

In dat genoemde programma staat onder de titel ‘Verbinding’ dit vermeld:

‘Als je mensen in het veld van de antroposofische zorg- en hulpverlening vraagt wat de kern is van hun werk, dan valt al snel het woord “verbinding”. Uitgangspunt is de gedachte dat ieder mens de mogelijkheid heeft zichzelf te ontwikkelen. Voor mensen met een verstandelijke beperking geldt dat zij in het bijzonder zijn aangewezen op de steun van anderen om aan deze opdracht gehoor te geven, een ander moet zich met hen willen verbinden.

Hoe krijgt verbinding tussen mensen inhoud in de dagelijkse praktijk van antroposofische zorg- en hulpverlening? Het antwoord op deze vraag wordt gezocht via de methode van participerende observatie, zoals die is ontwikkeld in de culturele antropologie. Het resultaat van deze methode is niet een redenering die uitmondt in een conclusie, maar een beschrijving van een praktijk in de vorm van beelden.

Begeleiders zoeken het wezen van de cliënt om hem te steunen in het steeds beter in staat zijn op eigen armen en benen te vertrouwen, op de eigen stem te vertrouwen en op hun vermogen zich te manifesteren als huisgenoot, als ambachtsman of -vrouw en als collega. In de verbinding met de cliënt zoeken therapeuten en begeleiders de verborgen gebleven intentie, een ontwikkelingsimpuls in de vorm van een op eigen kracht uitgevoerde, doelgerichte beweging of gebaar. Een voorbeeld van zo’n gebaar is het spreken, of preciezer gezegd, het iemand aanspreken.

De begeleiders zorgen voor een veilige atmosfeer waardoor iemand tot klinken kan komen. De stem die in het middenrif vastgevroren zit, kan dan op een ontspannen ademhaling in stroming worden gebracht. Vanuit het klinken zoekt de begeleidster samen met de betrokkene naar betekenis: wat wil je ons zeggen? Samen werken zij aan het vermogen tot omvorming van spraak naar betekenisvolle taal, en zij verbaliseren de interactie van bewoners onderling. Zo maken zij een leefwereld inzichtelijk en vertrouwd. Daardoor kan taal een verbindend element worden in de omgang met anderen, en medium voor gemeenschapsvorming. Iemand gaat beter spreken, minder fluisterend of stotterend en struikelend over eigen woorden, minder bevangen door stereotype zinnen. Zijn blik zoekt tijdens het spreken de ander. De cliënt spreekt zicht uit.

Naarmate dit beter lukt kan een cliënt zich beter manifesteren en meer aanwezig zijn als mens tussen mensen. Binnen de antroposofische visie wordt dit gezien als de werkzaamheid van het eigen “wezen”. Zich oprichten en zich uitspreken zijn manieren om iets van het eigen individuele wezen tot uitdrukking te brengen. Het zijn levende beelden van verbinding en toonbeelden van het individuele Ik.

De vele voorbeelden die in het boek De kunst van het zorgen worden beschreven laten zien dat individuele vermogens van cliënten tot ontwikkeling komen dankzij een heel persoonlijke verbinding in de zorgrelatie. Dat is de essentie van De kunst van het zorgen in antroposofische zin.’

Op het programma staat de opening door prof. dr. Hans Reinders, een tekst voorgelezen door Karen Wuertz en een korte film over het dagelijks leven op Orion. Verder zijn er interviews met Marko van Gerven (bestuurder Bernard Lievegoed Fonds), Bernard Heldt (directeur Edith Maryon College, opleidingen in de antroposofische zorg), een bewoner, een medewerker en een ouder van woonhuis Aquarius, Marinus van der Meulen (bestuurder Raphaëlstichting Noord-Holland) en Lydia Helwig Nazarowa (bestuurder ’s Heeren Loo, VGN - AKO). Tussendoor zijn muzikale intermezzo’s door het orkest van Orion evenals bijdragen uit het publiek.

vrijdag 9 oktober 2009

Darwin

Vanavond van acht tot tien is er

‘in de zaal van het Zuider Amstelkanaal Theater (gebouw Geert Grooteschool), Fred Roeskestraat 84, 1076 ED Amsterdam’,

zo staat in de uitnodiging (heeft de theaterzaal op de tweede verdieping van het Geert Groote College een eigen naam gekregen en sinds wanneer dan?), de feestelijke presentatie van het boek van Jan Diek van Mansvelt, ‘Dwarskijken op Darwin’, uitgegeven door Pentagon. De toegang is gratis, meldt de website van de uitgeverij. Dit staat er te gebeuren:

‘De sprekers: Dr. Ida Sabelis, sociologe aan de Vrije Universiteit, A’dam
Dr. Jan Diek van Mansvelt, voormalig bijzonder hoogleraar a. d. Universiteit Wageningen.
De presentatie wordt muzikaal omlijst.
200 blz. ISBN 978-90-72052-90-2; Prijs € 24,00’

Over het boek zelf wordt de volgende informatie gegeven:

‘Darwins theorie over het ontstaan van de soorten maakte van hem een wetenschappelijke cultfiguur. Nog tijdens zijn leven. Waarom?

Darwin zocht naar oorsprong en zin van het leven. Dat was bevrijdend, maar werkte ook vervreemdend.

Inmiddels prikt een onderstroom van wetenschappelijk onderzoek gaten in Darwins theorie. Zo blijkt het biologisch gezien steeds minder aannemelijk dat mensen van apen afstammen.

Dieren blijken eigenschappen te hebben die nutteloos zijn voor hun overleving of voortplanting, en die kennelijk een ander doel dienen: schoonheid of spel. Altruïsme blijkt minstens even belangrijk te zijn in de evolutie als egoïsme.

In dit toegankelijk geschreven boek komen wetenschappers aan het woord die “dwarskijken” op Darwin. Zij durfden te kijken waar anderen overheen keken. Hun verbazingwekkende en ontroerende resultaten kunnen helpen ons weer te verbinden met de hele werkelijkheid, met richting en zin van de evolutie.

Jan Diek van Mansvelt, dr. sc. (1943) is bioloog en voormalig bijzonder hoogleraar Alternatieve Landbouw aan de Universiteit Wageningen. Thans is hij zelfstandig consultant, gevraagd spreker en publicist. Eerder schreef hij samen met collegae de Checklist for Sustainable Landscape Management.’

Ook elders op het internet wordt deze boekpresentatie aangekondigd. Hier staat het weer een beetje anders:

‘Waarom sloeg Darwins theorie over het ontstaan van de soorten zo geweldig aan dat hij al tijdens zijn leven een wetenschappelijke cultfiguur werd? Waarschijnlijk omdat die theorie naadloos aansloot bij het streven van zijn tijdgenoten zich te bevrijden uit een benauwende geloofswereld.

Jan Diek van Mansvelt laat in zijn boek een onderstroom van wetenschappers aan het woord die “dwarskijken” op Darwin. Daartoe behoren de anatoom Louis Bolk, de zoöloog Adolf Portmann en Lynn Margulis met haar steeds meer geaccepteerde theorie van evolutie door symbiose.’

Dan word je wel nieuwsgierig naar de inhoud van het boek. Gelukkig wordt er op de website van Uitgeverij Pentagon een inhoudsopgave bijgeleverd. Die laat behalve in- en uitleidingen en dergelijke, elf hoofdstukken zien:

‘1 Prelude: schets van de negentiende eeuw 17
2 Darwins levensloop 25
3 Darwin en de geest van zijn tijd – (H.J. van den Berg) 45
4 De tram als spiegel van de evolutie – (P. J. Kipp) 61
5 Evolutie als spel van terughouden en versnellen – (Louis Bolk, Jos Verhulst) 85
6 Schoonheid en speeldrift – (Adolf Portmann) 107
7 Evolutie door samenwerking – (Lynn Margulis) 115
8 De motor van de evolutie: egoïsme of altruïsme? – (Joan Roughgarden) 125
9 Overerving van verworven eigenschappen – (Eva Jablonka en Marion Lamb) 139
10 De genen: regie of registratie? – (Arie Bos) 149
11 De aard van het leven’

Als proeve van de inhoud zijn ook de eerste vijf bladzijden van het vierde hoofdstuk op de website geplaatst. Dat heet dus ‘De tram als spiegel van de evolutie (P. J. Kipp)’ en begint zo:

‘In het vorige hoofdstuk keken we aan de hand van J.H. van den Berg naar de hoofdpijnpunten die Darwin noemt als hij het over zijn evolutietheorie heeft. In dit hoofdstuk wil ik aan de hand van de Utrechtse entomoloog Petrus Jacobus Kipp nog een andere blik op de evolutie laten zien. Waar we met Van den Berg nog een zekere afstand houden, neemt Kipp ons meer persoonlijk bij de hand. Hij start daarmee op zijn afscheidscollege in september 1972. Maar nu eerst iets over Kipps carrière.

Kipp doet op 16 maart 1928 zijn officiële intrede in de Universiteit van Utrecht, als hij wordt aangesteld als assistent “buiten bezwaar van de schatkist” bij het Zoölogisch Laboratorium. Hij heeft die plaats, waarop hij na enkele jaren verder normaal betaald wordt, bijna vijfenveertig jaar behouden en was bij zijn pensioen wetenschappelijk hoofdmedewerker van het instituut. Kipp verzorgt het onderwijs in de ongewervelde dieren aan de 1e en 2e jaars biologen, op wie hij zowel bij colleges als practica een onuitwisbare indruk maakt. Niemand kan zich onttrekken aan zijn boeiende, plastische, beeldende verteltrant. Hij verpersoonlijkt de dieren die hij behandelt. Zo treedt hij voor zijn studenten op als zeeegel, als mossel, als inktvis. Een onvergetelijk en inspirerend docent.

In zijn afscheidscollege spreekt hij over “De Tram als Spiegel van de Evolutie”: de reden waarom hij in dit Darwin-boek optreedt. Hij werkt zijn gedachten vervolgens uit tot een reeks van zeven “meta-morfologische” meditaties. Een andere manier van dwarskijken op jezelf en de wereld om je heen die zonder meer verwant is aan Van den Bergs metabletische methode. Kipp gaat daarbij echter nog een stap verder.

Veel bekendheid krijgt zijn serie niet. Er zijn maar een paar honderd exemplaren gedrukt. Hij is zijn tijd ver vooruit.’

Het zal mij benieuwen welke indruk dit boek in zijn geheel zal maken.

donderdag 8 oktober 2009

Origenes

Had ik al eens over het Origenes-Instituut geschreven? Eigenlijk niet. Dat is ook niet zo vreemd, want het is bijna niet te vinden. Terwijl er toch maar liefst twee websites van zijn, met bijna identieke inhoud. Maar net niet helemaal. Er is er een met verouderde gegevens (stand 2006-2007), en een met actuelere gegevens (stand 2009). Wat de een en wat de ander is, valt alleen uit het adres op te maken.

Drijvende kracht achter dit Origenes-Instituut is natuurlijk John van Schaik. Dat was al het geval voordat John van Schaik hoofdredacteur van Bres werd. Daarover heb ik het hier vaker gehad. Voor het eerst op 26 juli 2008 in ‘De eerste new age-beweging’, waarin ik meldde dat hij sinds medio 2006 hiervan hoofdredacteur is (vanaf nummer 238 zo ongeveer, als ik goed geteld heb). Het aloude tijdschrift Bres, dat door hem weer nieuwe kleur heeft gekregen. Ik stelde toen nummer 247 voor, dat over ‘Vrijmetselaars, theosofen, antroposofen, rozenkruisers van 1900 tot heden’ ging. En tegelijk ook over nummer 240 van oktober-november 2006, waarin verslag werd gedaan van een symposium over het recent ontdekte Evangelie van Judas. Op 15 april van dit jaar had ik het in ‘Dichtbij’ over het maartnummer (nr. 255) en dan met name over het hermetisme en Pico della Mirandola, die ook deze maand in Motief zo centraal staat. Goed, dat is dus allemaal Bres. Nu naar Origenes.

Dat is dus vrij makkelijk met die website. Daar staat onder ‘Doelstellingen en achtergrond’ het een en ander vermeld over ‘Instituut- en vrij christendom’:

‘Vanaf het ontstaan van het christendom zijn er vele christelijke stromingen en kerken geweest. Pas in de vierde eeuw ontstaat er een scherpe scheidslijn tussen het instituut- of kerkchristendom en het vrije of esoterische christendom. De officiële kerk beroept zich sindsdien op het geloof, de schrift en het sacrament, terwijl het vrije christendom zich beroept op ervaring en bovenzinnelijk inzicht (gnosis).

Dit vrije christendom is al te vinden bij kerkvaders als Clemens van Alexandrië en Origenes in de oudheid. Bij mystici als Hadewijch en Jan van Ruusbroec in de middeleeuwen. In de zeventiende eeuw is het te vinden bij de christelijke rozenkruisers en natuurfilosofen als Jacob Böhme. In de twintigste eeuw is het vrije christendom te vinden bij bijvoorbeeld de antroposofie en andere esoterische bewegingen. Daarnaast zijn er altijd christelijk-esoterische bewegingen geweest die verder afstaan van de dogm’

Hier breekt de tekst helaas af (dat is trouwens op beide websites het geval, de oude en de nieuwere). In de volgende kolom gaat het op deze manier verder:

‘Het Origenes-Instituut wil zoeken naar de samenhang tussen het kerk- of exoterisch christendom en het vrije of esoterische christendom. De scheidslijn tussen beide is niet zo scherp als vaak wordt gedacht. Ook binnen de kerk is altijd esoterie geweest en aandacht voor de beleving, terwijl het esoterische christendom ook dogma’s en geloofsstrijd kent. De opvatting dat het esoterische buitenkerkelijk is en het exoterische christendom door de kerk vertegenwoordigd wordt is te eenvoudig.

Religieus Nederland
Het Origenes-Instituut wil dit esoterische christendom meer onder de aandacht brengen van christenen. Dit vrije christendom is onderdeel van de christelijke traditie en heeft gedurende de geschiedenis van het christendom altijd in dialoog gestaan met het kerkchristendom. Soms heeft dat geleid tot de inquisitie, maar vaker heeft het geleid tot een verrijking van het christendom.’

Over de oorsprong van het Origenes-Instituut zelf staat meer vermeld onder ‘Organisatie’:

‘Het Origenes-Instituut is opgericht in 1995 en heeft als doelstelling het bevorderen van het esoterische christendom en de dialoog met het kerkchristendom. Het gaat het Origenes-Instituut om de samenhang tussen theologie, religie en esoterie. Theologie zonder religie en esoterie kan leiden tot een verdorde Godsopvatting. Religie zonder theologie en esoterie kan leiden tot een emotionele Godsopvatting. En esoterie zonder religie en theologie loopt het risico tot een Godsopvatting te komen die niet gefundeerd is in de traditie.

Het Origenes-Instituut is een particulier initiatief. Er wordt geen subsidie ontvangen. Er zijn geen formele bindingen met welk kerkgenootschap of levensbeschouwelijke beweging dan ook. De individuele bestuursleden van het Origenes-Instituut weten zich geïnspireerd door de antroposofie.

De financiële middelen worden verworven uit de activiteiten, de donaties van de Vriendenkring en fondswerving.’

Op dezelfde pagina wordt ook beschreven wie het bestuur vormt.

‘Per januari 2004 bestaat het bestuur van het Origenes-Instituut uit:
Mw. M. Gastkemper, drs.ing. J. Tushuizen en dr. J.L.M. van Schaik.

Drs.irg. Jan Tushuizen studeerde in 2005 af op het onderwerp “De symbolische werkelijkheid van bijna-dood ervaringen, psychedelische ervaringen (LSD) en mystieke ervaringen”. Dr. J.L.M. van Schaik is april 2004 gepromoveerd op een vergelijkend onderzoek naar het dualisme van de manicheeërs en de katharen. Zijn doctoraalscriptie ging over de middeleeuwse mystiek van Jan van Ruusbroec.

Directie
Dr. J.L.M. van Schaik is tevens directeur van het Origenes-Instituut.’

Margriet Gastkemper is inderdaad een zus van mij. Over de drukke bezigheden van John van Schaik staat nog meer bij ‘Contact’:

‘John van Schaik (1956) is directeur van het Origenes-Instituut. Hij is gespecialiseerd in de geschiedenis van het traditionele- en esoterische christendom.

Tevens is John hoofdredacteur van BRES. Magazine voor religie, wetenschap en gnosis. Zie www.bresmagazine.nl

In 1992 studeerde hij af in Antwerpen/Utrecht op de middeleeuwse mystiek van Jan van Ruusbroec. In 2004 promoveerde hij in Nijmegen op een vergelijkende studie van het dualistische godsbeeld van de laat-antieke manicheeërs en de middeleeuwse katharen.

Tevens is hij gespecialiseerd in de natuurfilosofie (radicale piëtisme of pansofie of christelijk hermetisme) uit de 17e en 18e eeuw. Daartoe behoren mensen als Paracelsus, Jacob Bohme, Johann Valentin Andreae, Christof Oetinger, Goethe en – vanuit de muziek – Mozart.

Van John van Schaik verschenen de volgende publicaties en artikelen (pdf 12 kb).’

Dat hij hier veel van afweet, willen we weten ook. En dat treft: meteen op de homepage wordt een cursus aangekondigd:

‘Jaarcursus 2009-2010
Westerse esoterie & Oosterse wijsheid

Het Origenes-Instituut & Stichting Gnosis’

Volgen we deze link, dan komen we hier uit:

‘Docenten: Jacob Slavenburg en John van Schaik

Cursussen John van Schaik in het land

Najaar 2009 “Geschiedenis van de (westerse) christelijke mystiek”

HOVO Hogeschool Den Haag en Hogeschool Windesheim (Zwolle) – zie www.hovo-nederland.org

De woestijnvader Sint Antonius (251-356), de oosterse kerkvader Origenes (185-254) en de westerse kerkvader Augustinus (354-430) worden wel gezien als de grondleggers van de christelijke mystiek. Zij zoeken God voornamelijk in hun innerlijk, waar de gnostiek uit de eerste eeuwen God vooral in hemelverten zocht.

In de middeleeuwen komt de christelijke mystiek tot wasdom met Bernardus van Clairvaux (1090-1153) en Hildegard von Bingen (1098-1179). Van hen gaat het naar de Vlaamse mystica Hadewijch (ca.1210-1260) en Jan van Ruusbroec (1293-1381). Met Geert Grote (1340-1384) dooft het hoogtepunt van de mystiek uit, om nog even op te vlammen in de Spaanse mystiek van Teresa van Avila (1515-1583) en Johannes van het Kruis (1542-1591).

Na hen ontstaat er een andere vorm van mystiek; niet zozeer gericht op het zoeken van Christus in het innerlijk, maar op het zoeken van de werkzaamheid van Christus in de natuur. Met vertegenwoordigers als Nicolas Cusanus (1401-1464) en Jacob Böhme (1575-1624). Deze “alchemistische” mystiek eindigt rond 1800, wanneer het rationalisme en het mechanistische wereldbeeld opkomen.

In de theologie en het geloof van het westerse christendom is er in de negentiende en twintigste eeuw nauwelijks ruimte voor mystiek. Voor de grote theoloog Karl Barth (1886-1968) is alle mystieke ervaring subjectief van aard. Maar zonder mystiek gaat een religie geamputeerd door het leven. Kan hernieuwde aandacht voor de christelijke mystiek een bijdrage leveren aan de vitalisering van het christelijke geloof?

In deze cursus bestuderen we teksten van belangrijke vertegenwoordigers van de christelijke mystieke traditie.’

Deze cursus wordt dus gelijktijdig zowel in Den Haag als in Zwolle gehouden. Onder ‘Praktische informatie’ staat er meer over. Maar daarna wordt het een beetje onduidelijk. Neem bijvoorbeeld dit:

‘Het andere Christendom, gnosis, gnostiek en de vroege kerk

In de eerste eeuwen was nog niet zo duidelijk wie recht in de leer was en wie ketters. Talloze christelijke geschriften stonden in de belangstelling:
– de evangeliën,
– de gnostieke geschriften,
– de geschriften van de gnostische Valentinus en
– veel geschriften die later apocrief zijn genoemd.
Kortom: een rijk en gevarieerd christendom waar wij tegenwoordig naar terug verlangen.

Het is pas aan het einde van de tweede eeuw als kerkvader Irenaeus van Lyon vaststelt wat tot de canon behoort en wat niet. Vanaf dat moment begint de waterscheiding en worden zeer veel geschriften naar de ketterse hoek gedreven. Dat proces wordt afgerond in 367 wanneer bisschop Athanasius van Alexandrië zijn Paasbrief schrijft waar precies in staat wat recht en krom is.

Zo worden de gnostieke geschriften van de Nag Hammadi Bibliotheek verborgen om pas in 1945 weer terug te vinden. En zo kunnen we vandaag de dag ons geloof verrijken met geschriften die lang vergeten waren.

Tijdens deze cursus maakt u kennis met de argumenten van de vroege kerkvaders om de gnostiek te verketteren en maakt u aan de hand van enkele gnostieke teksten kennis met de oude gnostiek.’

Het is me niet duidelijk waar en wanneer deze cursus wordt gehouden. Is dat wat daaronder staat? Lijkt me niet:

‘14 december. “Een ontmoeting met Jezus in christendom en islam”. 20.00-22.00 uur
Belgisch-Nederlandse Vereniging Zuid-Oost Brabant (Eindhoven)
Zie: www.benev.be

Of wat erboven staat dan? Ziet er ook niet echt naar uit:

‘Weekend 13/14 november, Leeftocht voor onderweg, Buitengoed Fredeshiem (Steenwijk)
Zie: www.fredeshiem.nl

De aangegeven websites en links maken me ook niets wijzer. Dat is jammer, want dit is een mooi onderwerp. – Nu is dit nog lang niet alles wat John van Schaik in huis heeft. Er is uiteraard nog veel meer, dat kun je bij hem wel verwachten. Daarvan getuigt het archief. Hier is bijvoorbeeld te vinden:

‘De studiedag Jezus in het Oosterse Christendom en de Islam werd 18 november 2006 gehouden in Antropia te Driebergen. U kunt hier de folder downloaden.

Symposium: op 16 september 2006 vond het symposium Het Evangelie van Judas plaats onder grote belangstelling. U kunt hier de folder downloaden voor meer informatie.

Interreligieuze zomerweek Tussen Hemel en Aarde vond plaats van 28 t/m 31 augustus 2006. Voor meer informatie klik hier.

Activiteiten 2005

Studiebijeenkomst: John van Schaik en Seyed Dr Mostafa Azmayesh bespraken ‘Jezus in Islam en Christendom’ op 5 november 2005. Voor meer informatie over deze bijeenkomst klik hier (pdf 448 kb).

Studiedagen

Het Origenes-Instituut heeft 8 oktober en 5 november 2005, 18 februari 2006 drie studiedagen georganiseerd:
Manicheïsme – Keulse Mani Codex, voor meer info klik hier
Jezus in Islam & Christendom, voor meer info klik hier
Kelten & Christendom, voor meer info klik hier

En zo gaat het nog een tijdje door. Met zelfs een vrijwel complete inhoud van de theologische jaarcursussen in het recente verleden. Kan het mooier? Wie nog eens wil discussiëren over christendom, antroposofie en islam, zoals momenteel gelukkigerwijs gebeurt op het forum van de Antroposofische Vereniging, kan hier zijn of haar hart ophalen. Vooral ten aanzien van die laatste opmerking van Floris Schreve:

‘(...) laten we niet vergeten dat er ook een mystieke traditie in de islam bestaat, het sufisme. Ik heb weleens eerder gemerkt dat deze richting voor in esoterie geïnteresseerde westerlingen vaak een grote openbaring is. Dus als ik een suggestie mag doen, wellicht is het voor antroposofen of in antroposofie geïnteresseerden ook de moeite waard om kennis te nemen van het sufisme. Als je iets gemeenschappelijks zoekt denk ik dat je het vooral daar zult vinden.’

Dat wordt hier dus gedaan. En nu ook voortgezet in tijdschrift Bres. Dus gaat uw gang. Maak er gebruik van!

woensdag 7 oktober 2009

Symphytum

We zien nog eenmaal terug in de richting waar we vandaan kwamen. De snelweg is aan de horizon nog net te ontwaren. En rechts, dat is nu heel duidelijk te zien, ligt de Enkele Wiericke. We gaan dit pad erlangs in omgekeerde richting vervolgen, tot we steeds dichter bij de Reeuwijkse Plassen komen. Maar dat ziet u vanzelf wel. Het is trouwens nog steeds een heel end.

Je kunt schrijven of je kunt het niet. Aart van der Stel kan het, dat is wel duidelijk. Ik geloof dat het sinds een half jaar of zo is, dat hij een eigen website heeft. Hij schrijft daar over zichzelf:

‘Welkom op de site van Aart van der Stel, antroposofisch arts te Rotterdam en Vlaardingen!

Na meer dan 25 jaar gewerkt te hebben als antroposofisch huisarts, ben ik thans werkzaam als consultatief arts voor antroposofische geneeskunde. Daarnaast werk ik als instellingsarts in Stichting Orion en Huize Thomas, instellingen voor kinderen en volwassen mensen met een verstandelijke beperking. Op deze site kunt u daartoe alle gegevens vinden. Juist de combinatie van het contact met mensen mét en zonder een handicap maakt voor mij het beoefenen van geneeskunde tot een boeiende en inspirerende activiteit.

Mijn interessegebied is breed. Naast het werk als consultatief arts en arts in Orion en Huize Thomas, ben ik ook werkzaam als schoolarts voor diverse Vrije Scholen in de regio Rotterdam. Kinderen met en zonder verstandelijke handicap hebben mijn grote interesse en het is mijn ervaring dat juist kinderen goed reageren op een antroposofische aanpak van medische, maar ook opvoedkundige problemen. Niet alleen in kinderen ben ik geïnteresseerd. Vanuit mijn achtergrond als instellingsarts vind ik een probleem als autisme buitengewoon uitdagend. Ook het spreken over biografische problematiek vind ik bijzonder boeiend. Ik denk dat de antroposofie en de antroposofische geneeskunde voor een breed scala aan problemen uitgangspunten biedt en dat tracht ik in praktijk te brengen.

Een activiteit die daar mee te maken heeft en die ik steeds meer ontplooi is het geven van onderwijs en het verzorgen van cursussen, al dan niet samen met anderen. Op deze site is daar informatie over te vinden.

Het is uiteraard nooit van te voren in te schatten of ik u van dienst kan zijn en of u baat heeft bij een antroposofische behandeling, maar het alleszins de moeite waard om met elkaar hierover in gesprek te komen. Ik ben benieuwd naar uw komst!’

Het menu rechts geeft een keur aan keuzemogelijkheden:

Home
Antroposofische geneeskunst
Cursusaanbod
Contact en Bereikbaarheid
Symphytum
Artikelen
Boeken
Vragen
Links

Die merkwaardige naam ‘Symphytum’ is afkomstig van

‘een eeuwenoude geneesplant, die weelderig groeit in en om Vlaardingen, langs de Vlaardingse Vaart en in de broekpolder. Symphytum heeft een indrukwekkende groeikracht zowel boven als onder de grond’,

deze naam staat tegelijk ook voor een therapeuticum in Vlaardingen,

‘een samenwerkingsverband tussen huisarts J.P. van Groningen en een aantal zorgverleners werkend vanuit een antroposofische achtergrond.’

Daar bij Jannetje van Groningen werkt Aart van der Stel dus ook. Weer terug bij hemzelf gaat mijn meeste belangstelling uit naar de link met ‘Artikelen’. Daar vind ik tien artikelen van vijf jaar geleden of nog ouder. Maar ze zijn wel de moeite waard. Hij kan schrijven, zei ik al. Nu het inenten op verschillende manieren opnieuw de aandacht opeist, laat ik hier het artikel ‘Het postmoderne opvoeden: hoe overleeft mijn kind het inenten’ volgen:

‘Weinig discussies overleven zo goed de veranderende tijden als die rond het wel of niet inenten tegen kinderziektes. Terwijl de overheid rustig doorgaat met het tegen steeds meer ziektes inenten is er een vaste kern van weigeraars tegen een of meer van de prikken die de overheid kosteloos via de consultatiebureaus aanbiedt. De voors en tegens zijn eigenlijk al de jaren van strijd hetzelfde gebleven. De overheid wil geen zieke kinderen om sociaal-economische redenen en wil zoveel mogelijk ziektes de wereld uit helpen en de tegenstanders van inenten, de “kritische prikkers”, zien allerlei gevaren van het inbrengen van entstof, hebben religieuze bezwaren of vinden dat ziek zijn voor hun kinderen een bepaalde betekenis heeft.

Tot op zekere hoogte behoor ik zelf tot de laatste groep. Volgens mij kan het geen kwaad wanneer een overigens gezond kind waterpokken of de bof krijgt en ik zie ook niet veel bezwaar in het doormaken van rode hond. Maar polio of hersenvliesontsteking wens ik niemand toe, evenmin als een infectie met de haemophylus influenzabacterie (HIB). Die ziektes berokkenen veel schade bij een relatief grote groep kinderen die daarmee besmet raken. In de loop van het leven is er nog voldoende kans om schade op te lopen, dus daarvoor is het niet nodig om die gevaarlijke categorie kinderziektes door te maken. Er lijkt dus niet zoveel bezwaar tegen te zijn dat onze kinderen niet worden blootgesteld aan relatief veel voorkomende en veel schade toebrengende ziektes.

Het probleem is echter wel dat er al inentend veel minder gelegenheid aan het kind geboden wordt om ziek te zijn. Is dat erg? Het antwoord op die vraag hangt mede af van je visie t.a.v. opvoeding en begeleiding van je kind naar de volwassenheid. Wat is het doel van de opvoeding en wat gebeurt er met een kind die een ziekte doormaakt? Zijn er parallellen en biedt dat een uitweg uit een anders tot in der eeuwigheid zich voortslepende controverse? Mogelijk is het productiever om ons neer te leggen bij het feit dat er voor veel ziektes wordt ingeënt, dat “kritisch prikken” noodzakelijk blijft, maar dat we in ons denken en handelen in de opvoeding ook verder moeten.

Ziek

Wat gebeurt er met een kind dat ziek is, al dan niet ten gevolge van een voor een kinderziekte verantwoordelijk virus? Het heeft koorts, wat alle levensprocessen in het lichaam sneller doet gaan. Daardoor zweet het kind, heeft het vaak diarree of een natte hoest. Het kind wordt als het ware in oplossing gebracht. Eten lukt vaak niet, waardoor een kind soms flink afvalt. Drinken gaat meestal nog wel, wat maar goed is ook, want zeker bij heel kleine kinderen ligt uitdroging altijd op de loer. Het kind heeft nergens zin in, behalve in de huiskamer op de bank liggen. De normale levensverrichtingen stoppen dus tijdelijk.

De huid speelt een belangrijke rol bij veel kinderziektes: aan het soort vlekjes of bultjes kun je vaak het virus herkennen dat het kind geïnfecteerd heeft en na een ziekte als roodvonk schilfert de huid massaal af. Zonder al te diep op de functie van de huid in te gaan kun je zeggen dat de huid belangrijk is als enerzijds de afscheiding van een mens van de buitenwereld en anderzijds als mogelijkheid om onder andere via de tast met de buitenwereld contact te maken. De huid geeft ons door zijn bouw en fysiologische mogelijkheden de kans om met de buitenwereld een zodanige relatie aan te gaan, dat we de mogelijkheid en de keuze hebben om zelf aan die relatie vorm te geven. Je kunt de wereld buitensluiten of je eigen warmte binnen houden en je kunt invloeden van buitenaf zoals tastervaringen, warmte en eventueel zelfs geneesmiddelen (pleisters!) toelaten. En er is “iets” in het menselijk lichaam dat daar in stuurt en tot keuzes komt.

Dat “iets” kun je op lichamelijk niveau “weerstand”, op psychisch niveau “assertiviteit” en op persoonlijk niveau “ individualiteit” noemen. Al die woorden drukken op hun eigen gebied uit dat een mens in staat is om zich in de wereld staande te houden en zo met je omgeving om te gaan dat hij er in elk geval niet minder en liefst beter van wordt, in die zin dat er groei en ontwikkeling mogelijk is. En dat is nu zo prettig van ziek zijn: je houdt er weerstand aan over. Een kind komt met een nagenoeg leeg afweersysteem op aarde en vult dat met nuttige kennis hoe specifieke ziektes af te weren door de binnendringende ziektekiemen te leren kennen, onschadelijk te maken en te onthouden hoe het dat gedaan heeft. Zo ontstaat het immuunsysteem. Het probleem is echter dat bepaalde ziektes zoals polio zich niet laten overwinnen zonder aan het lichaam blijvende schade toe te brengen. Polio krijg je dan weliswaar niet meer, maar de prijs die voor die kennis moet worden betaald, is volgens mij te hoog. Daarom wordt zo’n ziekte dan uit de vaart genomen door het kind te voorzien van immuniteit daarvoor, het inenten. Het kind krijgt als het ware kennis en instrumenten aangeboden, zonder dat het daar zelf enige moeite voor heeft hoeven doen. En dat is in de opvoeding een normaal verschijnsel: je leert een kind ook veilig oversteken op straat of af te blijven van een hete koffiepot.

Opvoeden

Waarom is het noodzakelijk om kinderen op te voeden? Wanneer je goed kijkt naar al onze pedagogische acties, dan komen die er allemaal in wezen op neer dat we onze kinderen op allerlei manieren en op zo veel mogelijk terreinen wegwijs en weerbaar maken. We voeden op tot de zelfstandigheid waar de boven gememoreerde weerstand de lichamelijke uiting is. We willen allemaal dat onze kinderen op eigen benen kunnen staan en zich tot een echt individu ontwikkelen. Daartoe zullen we de eerste jaren van hun leven ons vooral met hun lichamelijke ontwikkeling bezig houden, wat later, op de lagereschoolleeftijd en in de puberteit, steeds meer vergezeld gaat van en vervangen wordt door hun psychische en sociale groei. Voeden verandert zo langzamerhand in opvoeden en eindigt in voorzichtig en vooral onzichtbaar begeleiden.

In de “voedingsfase”, de eerste jaren van hun leven, is alles nog gericht op de lichamelijkheid en dus, wat de zelfstandigheid betreft, op de ontwikkeling van weerstand. Terwijl we een kind leren om zijn tanden te poetsen, zijn handen te wassen voor het eten of met mes en vork te eten, zijn we bezig de voorwaarden voor een goede lichamelijke weerstand te scheppen. En uitgerekend daarbij helpen of hielpen de kinderziektes. Op allerlei, hier niet nader uit te werken manieren hielpen de kinderziektes de ouders bij de opvoeding, zonder dat deze zich van deze hulp bewust waren en er daarentegen alleen maar van in de zorgen raakten! Kinderziektes laten doormaken was zo een onbewuste manier van opvoeden en ouders wisten intuïtief dat het doormaken van de kinderziektes ergens goed voor was.

Zelf doen

Nu leven we in een tijd waarin iedereen “zijn eigen ding wil doen...” Iedereen maakt zelf wel uit hoe hij zijn kinderen opvoedt. Dat is ook goed, want het komt de individualiteit van het kind in principe ten goede, als hij zo uniek mogelijk wordt benaderd. Opvoeden staat en valt bij het feit dat ouders hun eigen keuzes maken en iets, en liefst zoveel mogelijk, van zichzelf in de opvoeding leggen. De tijden dat elke pedagogische ingreep werd getoetst aan Spock of een andere opvoedkundige icoon, is voorbij. Die eigen keuzes drukken zich ook uit in de discussie over het inenten, zowel bij de ouders die rabiaat tegen inenten zijn als bij diegenen die een genuanceerder standpunt willen innemen. Om het heel ongenuanceerd te zeggen: het maakt misschien helemaal niet uit of een kind wel of niet wordt ingeënt, wanneer dat maar gebaseerd is op volbewust gemaakte keuzes. Misschien is het wel zo dat de kinderziektes thuishoren in een tijd waarin überhaupt nog niet zo bewust werd omgegaan met de inhoud van de opvoeding en dat met het toenemen van bewustzijn over de rol die als ouder in het opgroeien van je kind wilt innemen er steeds minder plaats is voor “onbewuste pedagogie” i.c. kinderziektes. De kinderziekte als hulpje bij het opvoeden heeft misschien wel afgedaan! Maar wanneer het onbewuste opvoeden, al dan niet geholpen door het inenten, ophoudt, en wij er voor kiezen om de opvoeding helemaal zelf ter hand te nemen, dan ontstaat daarmee wel de uitdaging op voor ouders om datgene wat de kinderziektes eertijds deden, bewust na te bootsen of een nieuwe vorm te geven.

In bad

Hierboven werden al de meest voorkomende verschijnselen van een ziekte bij (kleine) kinderen beschreven. Koorts, zweten, diarree, vochtig hoesten en een rode vlekkerig uitgeslagen huid zijn zo wat hoofdingrediënten, die allemaal de indruk wekken dat er in het zieke lichaam hard gewerkt wordt. Het koortsende lijfje kun je het beste vergelijken met een potje dat op het vuur staat te koken, waarbij de inhoud van de pot veranderingen ondergaat. Koortsende ziektes zijn ziektes die met name de wil (tot verandering) van het kleine kind aanspreken. Een klein kind is, al groeiend, enorm in beweging en verandering en verdraagt daarbij geen stagnatie. Stagnaties, van welke aard dan ook, worden zo snel mogelijk onschadelijk gemaakt. Het organisme wordt in oplossing en aan de kook gebracht om de vaart er weer in te krijgen. Kinderziektes, zoals gezegd, zijn, of liever, waren zo de hulpjes in de opvoeding, want bij het nieuwe opvoeden moet dit nu door de ouders zelf gedaan worden. Wij moeten zowel signaleren dat het met het kind niet goed gaat en dat er sprake is van een hindernis, het bekende “ergens tegenaan hangen”, als bedenken hoe we het kind weer in beweging krijgen. Het gaat er dan uiteraard niet om dat wij de ziektes letterlijk nabootsen, afgezien van het feit dat zoiets niet eens zou kunnen, maar wel zoeken naar manieren om dat wat de intenties van een kinderziekte zijn, in een nieuwe vorm aan het kind aan te bieden. Wat wilde of deed de ziekte en hoe geven we dat een nieuwe vorm.

Een aardig voorbeeld, hoewel niet erg specifiek voor een bepaald probleem, is het zogenaamde voedingsbad, waarbij een kwakkelend kind een reeks baden krijgt waarbij melk, ei, honig en citroen gebruikt worden. Al deze substanties werken op een bepaald facet van het menselijk organisme en oefenen zo, in deze samenhang, een vitaliserende werking uit. Interessant genoeg zie je halverwege de reeks een soort crisis optreden, waarbij het kind nog miezeriger wordt dan het al was. Het is belangrijk om er van tevoren op te wijzen dat zoiets kan gebeuren en dat dit een gewenst effect is. Dit verschijnsel doet overigens sterk denken aan de crisis die je vroeger bij een ernstig koortsende ziekte als een longontsteking kon waarnemen. Kwam je er door dan bleef je leven en hoorde je bij de sterken. In deze tijd van antibiotica maken we dat uiteraard zelden meer mee, maar het voedingsbad laat ons wel nog iets dergelijks meemaken. Het bad is het oplossende gebaar, waarbinnen de substanties hun werk kunnen doen. Met het bad wordt dus een omgeving geschapen waarbinnen het voor het kind mogelijk wordt om iets in zichzelf in beweging te brengen en te veranderen.

Eigen intuïties

Zoals het voedingsbad, in zijn compositie als het ware afgekeken van de natuur c.q. de ziekte, een bewust voltrokken pedagogische ingreep is, zo moet er nog veel meer te bedenken zijn, maar hoe kom je er op? Wat is er voor nodig om een bijna tot in het lichamelijke toe ingrijpende opvoedkundige maatregel te “bedenken”. De aanhalingstekens staan er niet voor niets, want van louter bedenken kan geen sprake zijn. Je moet er op komen: de opvoedkundige interventie moet ontstaan als een intuïtie. De traditionele opvoeding, gebaseerd op overgeleverde inzichten, maakt daarbij plaats voor een opvoeding die geïnspireerd wordt vanuit nieuwe, door de ouders zelf gegenereerde intuïties. Daarvoor is het wel nodig dat we ons bedenken dat we ons veel bewuster met het individuele kind moeten bezighouden, want de kinderziektes waren, en daar wijst ook de besmettelijkheid op, “groepsziektes”, die door de kinderen aan elkaar werden doorgegeven. In het nieuwe opvoeden vanuit intuïtie is geen plaats voor gezamenlijkheid, maar moet voor elk kind opnieuw het wiel worden uitgevonden. Tot op zekere hoogte weliswaar, want het is niet zo dat elke ouder bijvoorbeeld zelf op het idee van het voedingsbad hoeft te komen. Er is ook niets op tegen om je door andere ouders te laten inspireren, want er zijn in het kinderleven een heleboel problemen die elk kind zo ongeveer hetzelfde doormaakt. Zoals de kinderziektes groepsziektes zijn, zo zijn kleine kinderen nog tot op zekere hoogte groepswezens.

Mediteer je kind

Om een kind zo goed te leren kennen dat je voor zijn groeiproblemen nieuwe, op eigen kracht verkregen oplossingen kunt ontwikkelen, moet de ouder zich in het kind verdiepen, net zo lang en net zo diep tot de oplossing ontstaat. Zo’n intensief inlevingsproces kun je rustig een meditatie noemen. We moeten dus leren om onze kinderen te mediteren. In zijn boek “Van verdrietige, angstige en onrustige kinderen” reikt Henning Köhler een heel hanteerbare vorm van meditatief bezig zijn met kinderen aan. Hij raadt aan om voor het naar bed gaan een moment innerlijk bezig te zijn met het kind en het in zijn problematiek voor je neer te zetten. Vervolgens is het nodig om een vraag te formuleren en die mee te nemen in de slaap. De kans bestaat dat de volgende morgen of in de loop van een aantal morgens een antwoord bij de ouder opkomt. Zo levert de wereld waar het kind vandaan komt, en die we zelf ook weer betreden in de slaap, zijn bijdrage aan ons geworstel om een goede, moderne ouder te zijn. Mogelijk is deze manier van ouderschap een vruchtbaardere manier om het zo goed mogelijk te doen voor je kind dan verzeild te raken in onvruchtbare discussies over het al dan niet vaccineren. Trouwens: je kind omhullen met jouw meditatieve aandacht is misschien wel een nieuwe manier van inenten, en dan nu niet met fysieke entstof, maar met een heel nieuwe substantie: eerbied voor het unieke van elk kind.

Rotterdam, 27 november 2004
Aart van der Stel’

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Translate

Volgers

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code