Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

zaterdag 24 maart 2012

Poort

U heeft maar één kans. En die is morgen, om 13.00 uur. Verzamelen bij Theater Zuidplein te Rotterdam. U moet wel even de tijd nemen, want u komt pas rond half tien ’s avonds weer naar buiten. Waar het om gaat? Op de website van dit theater lees ik:
‘Zo 25 maart 13:00
Grote zaal
Het Drempeltheater
1e mysteriedrama: De poort van de inwijding

In het eerste Mysteriedrama De poort van de inwijding ontmoeten mensen elkaar en vertellen over hun leven. De kunstschilder Johannes heeft een platonische band met een wat oudere vrouw, Maria, die hem inspireert tot het maken van schilderijen die uit een andere dimensie lijken te stammen. Hij heeft er veel succes mee gehad. Sinds enige tijd lukt het hem niet meer zo te schilderen als hij zou willen. Als hij merkt dat zijn vriendin alleen vriendschap voor hem voelt en zij zijn liefde niet kan beantwoorden raakt hij in een diepe depressie. Door de vier drama’s heen zien we vervolgens hoe hij zonder medicijnen, door inzicht in vorige levens en door innerlijke scholing verder groeit als mens. Gesteund door zijn vriendin en Benedictus. Ook leren we de verschillende biografieën van Strader, Capesius, Felix en Felicia Balde, Theodora en vele anderen kennen.

De uitvoering van de drama’s is een gezamenlijk kunstproject: drama, spraakvorming, muziek, licht en euritmie vormen een geïntegreerd geheel. Het spreken vanuit de klanken, de woorden, ritme, dynamiek en inleving in de zielekwaliteiten brengt de teksten enerzijds in een diepere laag van de toeschouwer, anderzijds krijgt hij een blik in een andere, onzichtbare wereld buiten zichzelf. Dit vraagt wel een nieuwe manier van intensief luisteren en kijken.

De Geest der elementen wordt in het vierde en zesde beeld euritmisch uitgebeeld. De Geest der elementen spreekt op het toneel door zijn gebaren, die de inhoud uit een andere wereld tot leven brengen, door een niet zichtbare spreker.

Het Drempeltheater bestaat dit jaar uit een groep van 35 amateurspelers en medewerkers. De spelers oefenen twee maal per week met elkaar en ook nog enkele malen individueel met de regisseur Corrie Hendriks. Zij werkt intensief samen met de euritmiste Marina Wouters voor beweging en gebaar. Het is een “conversatiedrama” wat inhoudt dat er heel veel teksten gedramatiseerd moeten worden waarbij de spraakvorming zoals boven omschreven het uitgangspunt vormt voor de uitvoering. De inzet van de spelers is groot en enthousiast en door hun vaak jarenlange verbinding met hun rol is een aantal van hen inmiddels boven het amateurniveau uitgestegen.’
‘Opvoering door het Drempeltheater van het eerste Mysteriedrama.

Het Drempeltheater stelt zich ten doel de vier Mysteriedrama’s van Rudolf Steiner in een periode van 8 jaar (tot 2018) in het Nederlands uit te voeren. Het eerste Mysteriedrama “De poort van de inwijding” zal tweemaal integraal opgevoerd worden in maart 2012.

De Mysteriedrama’s bevatten als hoofdthema karma en reïncarnatie en in het eerste drama ontmoeten we alle personen die ons vertellen over hun leven. De gehele uitvoering wordt beschouwd als een gezamenlijk kunstproject: spraakvorming, euritmie, muziek en licht. De spraakvorming is een kunstvorm waarbij door inleving van de klanken, de woorden en het ritme de inhoud van de teksten op een diepere laag beleefd kunnen worden.

Kaarten: € 40,00.
Kosten avondmaaltijd euro10.
Telefonisch boeken: 010 203 0203

Op zondag 25 maart wordt theaterbusvervoer aangeboden vanuit Alkmaar, Driebergen/Zeist, Zutphen/Brummen/Arnhem, Den Haag (bij voldoende aanmeldingen).
Kosten: € 15,00
Reservering busvervoer: info@drempeltheater.nl
Telefonisch: 06 2216 4005
Bevestiging na overmaking van het bedrag op rekeningnummer 78.49.53.902 t.n.v. Drempeltheater o.v.v. “busvervoer”.
Bezoek onze vernieuwde website voor het programma overzicht en uitgebreide informatie over de opvoeringen.’
‘Het eerste mysteriedrama De Poort van de Inwijding zal integraal worden opgevoerd op:

Zaterdag 10 maart 2012 in de Kuub in Turnhout, België en op

Zondag 25 maart 2012 in het Theater Zuidplein in Rotterdam.

Klilk hier voor de rolverdeling en hier voor meer info over de opvoeringen en hier voor een samenvatting van het drama.’
Die klilk staat er echt; ik hoop dat de spelers zich niet gaan verslikken in hun teksten. Overigens had ik op 30 december 2009 in ‘Vriendenkring’ nog veel meer informatie over deze drama’s. Vandaag is de laatste dag van de Boekenweek. Een mooie kans om toch nog even aandacht te besteden aan een onopgemerkt klein en dun boekje, dat eigenlijk helemaal niet klein en onopgemerkt had moeten blijven. Ik doel op
‘Andreas Neider, Christus-Impuls und Rosenkreuzertum. Rudolf Steiners Weg zum Fünften Evangelium


Beschreibung
Die Entwicklung eines Eingeweihten geht keine einfachen Wege, und auch heute, 150 Jahre nach Rudolf Steiners Geburt, sind viele Fragen im Hinblick auf seinen Entwicklungsgang immer noch unbeantwortet. Eine immer wieder gestellte Frage ist die nach der Entwicklung seines Verhältnisses zum Christentum. Dabei richtete sich das Interesse vornehmlich auf die Entwicklung bis 1902, dem Erscheinungsdatum des Buches Das Christentum als mystische Tatsache.

Andere Untersuchungen gingen mehr in Richtung Darstellung der Christologie Rudolf Steiners, wie er sie seit 1902 entwickelt hat. Dabei trat aber die Frage nach der inneren Entwicklung Steiners eher in den Hintergrund, wie wenn mit dem Datum 1902 die Frage nach seiner Erfassung des Christus-Impulses endgültig gelöst wäre.

Die vorliegende Darstellung zeigt, dass bereits 1903 der Anlauf zu neuen, für die Christologie entscheidenden Einsichten, die Rudolf Steiner selbst als das Fünfte Evangelium bezeichnet hat, genommen wurde. Dabei ergeben sich auch tiefere Einblicke in die Zusammenarbeit mit Marie von Sivers und in die Forschungsmethode Rudolf Steiners im Zusammenhang mit den Verstorbenen.

(07.10.2011)

Produktinformation
ISBN-13: 978-3-7725-2499-8
Erscheinungsjahr: 2011
Auflage: 1
Einband: Gebunden
Seiten: 116

Inhaltsverzeichnis

Es ging nicht. Man musste es viel realer fassen.
Rosenkreuzerisches
Theodora
Der Schutzengel
...bis der Tag kommt, da ich mithelfen darf.
Das Jahr 1909 und Die Kinder des Luzifer
Das vertiefte Christusverständnis und die Umwandlung des luziferischen Prinzips
Die Überkreuzung der Wesensglieder
Maria von Strauch-Spettini, Marie von Sivers und die orphischen Mysterien
Orpheus und die nathanische Jesus-Seele
Das Rätsel Maria
Das fünfte Evangelium’
Ik had gehoopt dat iemand met vlammend enthousiasme over dit boekje zou schrijven; dat is in ieder geval wat ik bij het lezen beleefde. Het is buitengewoon interessant: echt antroposofische inhoud, om het zo uit te drukken. Ik ben echter nergens iets erover tegengekomen, dus kon ik ook niets overnemen (ik houd me aanbevolen, mocht dit nog gebeuren). Nu zou ik het zelf moeten doen, vertellen hoe goed ik het vind en waarom. Maar dat stel ik me niet helemaal als taak bij deze weblog; ik moet het bij mijn bovenstaande kwalificatie laten. Wél kan ik melden dat Uitgeverij Pentagon op haar website laat weten dat er deze maand een nieuwe druk verschijnt van ‘Het Vijfde Evangelie. Het leven van Jezus van Nazareth’.

Ik heb nog iets anders. Ik vond dit woensdag op de nieuwspagina van de website Anthromed.net: bijkbaar een tekst van Karsten Massei, ‘Aus der Welt der Elementarwesen’:
‘Diese Mappe enthält 36 Bildern von Wesen der elementaren Welt von Gerhard Reisch, die er selbst bereits zu Lebzeiten veröffentlicht hat. Sie ist nun von der Gerhard Reisch Stiftung neu herausgegeben worden.

Eine neue Mappe von Gerhard Reisch

Man hat in dieser Mappe eine Essenz vorliegen, was Gerhard Reisch durch den Verkehr, den er mit den Wesen der geistigen Welt unterhielt, erlebt und erfahren hat.

Die Bilder zeigen, dass Gerhard Reisch grosse Kenntnisse vom geistigen Leben der Erde hatte und die geheimnisvollen Zusammenhänge kannte, die ihrer physischen Erscheinung zugrunde liegen. Die Bilder sind Ergebnisse seiner eigenen Forschungen. Wenn man sie betrachtet, wird man bemerken, wie ernsthaft Gerhard Reisch seine Forschung betrieben hat. Was er in den Bildern festhielt, war gewiss nur ein kleiner Teil dessen, was ihn beschäftigte.

Die Betrachtung der Bilder zeigt unzweifelhaft, dass Gerhard Reisch in einem unmittelbaren Austausch mit den Wesen der elementaren Welt stand, von ihnen belehrt wurde und von ihnen Botschaften empfing.

Gerade heute, wo sich nicht nur mehr und mehr Menschen mit Interesse den Wesen der elementaren Welt zuwenden, sondern auch mit natürlicher Sehergabe selbstständige Zugänge zu dieser Welt gewinnen, bekommen die Bilder von Gerhard Reisch eine besondere Bedeutung. Man kann in Gerhard Reisch einen Vorboten sehen, der in einer Zeit wirksam war, die für seine Arbeit in vollen Umfang noch gar nicht reif war und der ein Werk geschaffen hat, das deshalb heute erst ganz gewürdigt werden kann.

Die Bilder sollen zu eigenen Forschungen anregen. Wer selbst Erfahrungen mit den Wesen der elementaren Welt gesammelt hat, der weiss, dass es für jeden Menschen notwendig ist, dass er einen ganz eigenen Weg geht. Er kann sich von den Erlebnissen anderer Menschen anregen lassen, was ihn aber nicht davon abbringen soll, seinen eigenen Weg zu finden und zu gehen, der dazu führt, den Wesen der elementaren Welt zu begegnen. In diesem Sinn enthalten die Bilder wertvolle Anregungen. Sie sind Früchte eines reichen Forscherlebens und gleichzeitig auch Dokumente eines individuellen Weges. Mir scheint, dass sie dadurch ihre grosse Wirkung erhalten, weil ihn ihnen sichtbar wird, wie die Individualität eines Menschen der geistigen Welt begegnet ist. Sie sind Zeugnis einer intensiven Zusammenarbeit zwischen Mensch und den Wesen der elementaren Welt. In diesem Sinn sind sie höchst modern und haben einen unschätzbaren Wert für die heutige Zeit, weil man von ihnen anschaulich lernen kann, welche Bedeutung diese Zusammenarbeit haben kann und welche Früchte sie hervorbringt. Gerade heute, wo viele Menschen geistige Erfahrungen haben und einen individuellen geistigen Weg gehen, sind diese Bilder wichtig.

Man mag sich an der Bildhaftigkeit der Darstellung stören. Wer aber Einblicke in die Welt der Elementarwesen hat, weiss, das sie den tatsächlichen Gegebenheiten entsprechen. Dem Blick in die Welt der elementaren Kräfte und Wesen offenbaren sich Wesenheiten, wie sie von Gerhard Reisch gemalt wurden. Die Begegnung zwischen dem Menschen und den Wesen der elementaren Welt ist aber ein Geschehen, das sich nur schwer darstellen lässt. Es ist jedes Mal ein einmaliges Geschehen, das den, dem es zuteil wird, tief berühren kann. Eigentlich ist es jedem Mal ein Geheimnis, das einem anvertraut wird und mit dem man behutsam umzugehen aufgefordert ist.

Den Bildern von Gerhard Reisch ist anzumerken, dass er sich bewusst war, dass Behutsamkeit und Verschwiegenheit zum Umgang mit den Elementarwesen dazugehören.

Die Wesen haben sich ihm zur Verfügung gestellt, damit er sie malen konnte. Sie wünschten, dargestellt zu werden und dadurch in der Welt der Menschen zu erscheinen. Gerhard Reisch hat die Bilder nicht aus eigenem Gutdünken gemalt, sondern tat es im Auftrag der Wesen der elementaren Welt selber. Es besteht eine Notwendigkeit, dass der Mensch in eine Zusammenarbeit mit den Wesen der elementaren Welt eintritt. Die Werke von Gerhard Reisch sind ein unübersehbarer Hinweis auf diese Notwendigkeit.

Gerhard Reisch war sich der Tat bewusst, die es bedeutete, diese Bilder zu malen und der Öffentlichkeit zu übergeben. Diese Tat ist zu bewundern, schliesslich geschah sie zu einer Zeit, als es noch eine Ausnahme war, über Erlebnisse mit Wesen der elementaren Welt zu berichten. Man kann deshalb sagen, dass seine Tat ein Pioniertat war.

Da die Bilder aus der unmittelbaren Anschauung entstanden sind, können sie auch Anregungen geben, um einen wesenhaften Zugang zu der Welt der Elementarwesen zu bekommen. Sie führen den aufmerksamen Betrachter zu einem vertieften Erleben der geistigen Wirklichkeiten des Lebens. Sie regen zu einem wesenhaften Schauen und Betrachten der sinnlichen Lebenstatsachen an.

In den Bildern ist die Aufmerksamkeit fühlbar, mit der Gerhard Reisch die Natur angeschaut hat. Er muss ein ruhiger Betrachter gewesen sein, der nichts überhastete, der die Wesen auf sich zukommen liess und ihnen Zeit gab, sich ihm zu offenbaren.

Neben diesem ruhigen Schauen ist aber auch seine Liebe spürbar. Es ging Gerhard Reisch darum, die Wesen selbst sprechen zu lassen. Die Zusammenarbeit mit ihnen war kein Selbstzweck, sondern diente der Entwicklung und der Wandlung der Lebensbedingungen der Erde. Es war sein tiefer Wunsch, dass die Menschen lernen sollten, die Erde wirklich wertzuschätzen. Er litt an der Kälte und Verachtung, die er überall beobachtete. In seinen Bildern spricht überdeutlich die Wärme, die die Wesen der elementaren Welt dem Menschen entgegenbringen. Ich kann mir vorstellen, dass er besonders ausdauernd daran arbeitet, die Gesichter und Augen bestimmter Elementarwesen genau wiederzugeben, gerade weil es ihm um diese Wärme, um die Liebe ging, die die Wesen der elementaren Welt dem Menschen entgegenbringen.

Wer diese Bilder eingehend betrachtet, wird bemerken, wie dünn der Schleier eigentlich ist, der die sinnliche Welt von der geistigen trennt. Die Elementarwesen, die sonst ein Leben in Verborgenheit führen, treten hervor, sie werden wie entzaubert und zeigen sich, wie sie gesehen werden wollen.

Eigentlich sind die Bilder von Gerhard Reisch nur dann richtig zu verstehen, wenn man die Bedeutung wahrnimmt, die sie für die Heilung der Erde und der Erdenverhältnisse haben. Gerhard Reisch war dieser Aspekt gewiss sehr wichtig. Es ging ihm darum, die wahren, die geistigen Verhältnisse darzustellen, die zwischen dem Menschen und der Erde und den Wesen der elementaren Welt bestehen. In diesem Sinne ist nur zu wünschen, dass diese Mappe grosse Verbreitung und viele mitfühlende Betrachter findet.

Jedem Bild der Mappe sind Erörterungen beigefügt, die von Prof. Dr. Dörter stammen, der sich tief mit dem Werk von Gerhard Reisch auseinandergesetzt hat. Seine Texte führen den Betrachter auf freilassende Art in die Themen ein, die durch die einzelnen Bilder berührt werden.

Kasten Massei Februar 2012
Karsten Massei erforscht die Welt der Elementarwesen mit den Mitteln der übersinnlichen Wahrnehmung.
Im letzen Jahr erschien von ihm das Buch: Schule der Elementarwesen. www.karstenmassei.ch

Hinweise:

Das Lebenswerk Gerhard Reisch (1899-1975) Gerhard Reisch Stiftung, www.gerhardreisch.com >> Weiterbildung anhand Bildwerken Gerhard Reisch

Aus der Welt der Elementarwesen

Neue Mappe mit 36 A4 Farbdrucken, inklusive Spruchworten und Erläuterungen von Gerhard Reisch, wie auch von Prof. Klaus Dörter, in Deutsch und Englisch.

je Mappe € 50 plus Versand
Bestellung über:
Gerhard Reisch Verlag
Nussbaumweg 5, D-88699 Bruckfelden
Tel. + 49 (0)7554 989 9979 Fax 989 9981
post@gerhardreisch.com

woensdag 21 maart 2012

Integratiefase


Er zijn soms van die dingen die geen nadere verklaring behoeven. Zoals deze ‘Algemene informatie’:
‘DeSeizoenen helpt mensen met een ontwikkelingsstoornis zich naar volle vermogen te ontplooien. We werken vanuit een antroposofische inspiratie. Dat betekent dat we uitgaan van de gezonde kant van het individu en ons richten op diens mogelijkheden, talenten en wensen. Op basis daarvan werken we aan de beperkingen die de individuele ontwikkeling in de weg staan.

Mission Statement DeSeizoenen

DeSeizoenen is een zorgorganisatie die diensten verleent en voorzieningen ter beschikking stelt op het gebied van zorg, leven en werken voor cliënten met een verstandelijke beperking, meervoudige handicaps en/of gedragsproblematiek. DeSeizoenen doet dit vanuit een antroposofische mensvisie, waarbij ontplooiing en welbevinden van cliënten centraal staat en de gemeenschap van bewoners-cliënten, vertegenwoordigers, medewerkers en vrijwilligers een essentiële rol speelt. Het streven is hierbij om de kwaliteit van zorg, wonen, werken en vrije tijd voor cliënten en medewerkers op een hoog niveau te brengen en te houden en tegelijkertijd de kosten van de organisatie structureel binnen de perken te houden, zodanig dat de continuïteit van de instelling nimmer (meer) in gevaar komt.

Het logo

Het logo is ontworpen door Melroy Bisel. Ouders hebben gekozen voor dit specifieke logo, dat is geïnspireerd op het klaverblad model dat Bernard Lievegoed in zijn boek “Organisaties in ontwikkeling, zicht op de toekomst” gepresenteerd heeft. Als je naar dit logo kijkt valt het vooral op dat het transparant is: je kan hier doorheen kijken. Daarnaast zijn er regenboog kleuren in verwerkt, de complementaire kleuren uit de kleurencirkel van Oswald. De vier Seizoenen komen terug in de punten van de Lemniscaten, blauw voor winter, groen voor lente, geel voor de zomer, en het rood voor de herfst.

Bernard Lievegoed was als ervaringsdeskundige, organisatiedeskundige en visionair jarenlang op zoek naar het oplossen van de vraag: “hoe blijven organisaties vitaal”. Hij zag dat beginnende initiatieven gebaseerd waren op de vitaliteit van de pioniers. Hun initiatief ontstond door hun passie en overtuiging, en in direct contact met hun klant ontwikkelden zij zich in tijd en omvang. Maar hij zag ook dat deze vitaliteit langzamerhand wegstroomde naar gelang de pionierorganisatie groter werd en langer bestond. De ooit pionierende organisatie ontkwam er niet aan om de kwaliteit en continuïteit van zijn processen te gaan borgen. Hierdoor raakte de betrokken medewerkers steeds meer vervreemd van hun werk en werd de organisatie naar binnen gericht – het contact met de klant verminderde.

Bernard Lievegoed zag dat deze fase ondanks alles wel noodzakelijk was in het voortbestaan van de organisatie. Maar dat het van het grootste belang was om door deze fase heen te ontwikkelen naar de integratiefase. In deze integratiefase worden de kwaliteiten van zowel de pioniersorganisatie, namelijk het initiatiefkracht en de hieraan gekoppelde vitaliteit, als die van de borgende fase, met elkaar in evenwicht gebracht. Dan ontstaat er een organisatie die in nauwe afstemming op de klant en de medewerker, innovatief en slagvaardig is. Deze organisatie is georganiseerd naar het klaverblad model.

DeSeizoenen kiest met haar logo voor de opdracht om de gemeenschappen met haar activiteiten te leiden naar de integratiefase. Wij geloven dat wij met elkaar de visie, de kennis en de passie bezitten om in harmonie met de noodzaak tot (centraal) organiseren en systematiseren de organisatie innovatief en slagvaardig te houden of krijgen. Hierin doet zij op elke medewerker en betrokkene het appél om de handen uit de mouwen te steken en met geloof in de eigen kunnen, de vitaliteit weer in de organisatie terug te brengen. Het bestaansrecht van de woon-werkgemeenschappen is gebaseerd op het bieden van op de antroposofie geïnspireerde zorg dat maximaal voldoet aan alle maatschappelijke eisen van goed zorgverlenerschap. Alles staat ten dienste van deze opdracht. De directie van DeSeizoenen neemt de verantwoordelijkheid om te zorgen voor een slanke, effectieve organisatiemodel die met zo min mogelijk kosten, deze opdracht dan ook maximaal faciliteert.

Informatie

Locaties
Ook de rest van de tekst op deze website is in dezelfde heldere en duidelijke stijl opgesteld. Het lijkt dat ze daar goed bezig zijn bij DeSeizoenen. Vandaag ook nieuws in verband met die andere tak: de Zonnehuizen als onderdeel van LSG-Rentray:
‘Brief van staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten-Hyllner (VWS) aan de Tweede Kamer over zak- en kleedgelden van voogdijkinderen die verbleven bij de inmiddels failliete Stichting Zonnehuizen.’
Deze brief is vandaag bijna overal in het nieuws, met een flinke scheut opluchting. In de ‘Kamerbrief over zak- en kleedgelden Zonnehuizen’, gedateerd op 20 maart, staat het volgende:
‘Geachte voorzitter,

In mijn brief van 23 januari 2012 heb ik u geïnformeerd over zak- en kleedgelden van voogdijkinderen die uit huis geplaatst zijn en verbleven bij Stichting Zonnehuizen toen die stichting failliet ging. Deze gelden stonden op een rekening van Stichting Zonnehuizen en zijn daardoor terechtgekomen in het faillissement. Praktisch betekent het dat deze kinderen niet meer bij hun geld kunnen en schuldeiser geworden zijn, zo schreef ik op 23 januari 2012.

Voor de goede orde meld ik u dat de continuïteit van zorg voor deze kinderen niet in gevaar is gekomen. Het zorgkantoor heeft de continuïteit van zorg gewaarborgd door de productieafspraken met Stichting Zonnehuizen tijdens het faillissement te continueren en over te zetten op de overnemende partijen. De zorg van Stichting Zonnehuizen is door Groep Winter (volwassenen) en LSG Rentray (jeugdigen) overgenomen.

Omdat ik de ontstane situatie voor deze kinderen erg schrijnend en onwenselijk vond en zij onder voogdij staan, heb ik uitgezocht waar het precies om gaat. Uit nader onderzoek blijkt dat de betrokken kinderen in totaal gedupeerd zijn voor ongeveer 150.000 euro. Dit geld is uit twee bronnen afkomstig:

1) zak- en kleedgeld en geld voor “bijzondere kosten” voor voogdijpupillen dat door de bureaus jeugdzorg als voogdijinstelling op de rekening van Stichting Zonnehuizen is gestort;

2) geld gestort door ouders, familie of anderen voor zakgeld of voor kleding van deze kinderen.

Er wordt nog nader uitgezocht in welke verhouding deze twee bronnen hebben bijgedragen aan de bedragen op de rekeningen die in het faillissement terecht zijn gekomen.

In eerdergenoemde brief kondigde ik aan mij te zullen inspannen om zeker te stellen dat kinderen niet nogmaals de dupe zijn van een dergelijke situatie waar zij part noch deel aan hebben. Over de resultaten daarvan zal ik u binnenkort nader informeren. Te denken valt daarbij aan een verzoek aan alle bureaus jeugdzorg om na te gaan of er nog steeds geld gestort wordt op “niet-veilige” rekeningen en hier verandering in te brengen.

Daarmee hebben de betrokken kinderen het geld dat hen toekomt en dat ze hard nodig hebben echter nog niet terug. De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en ik vinden dat de voogdijpupillen niet de dupe mogen worden van fouten of onzorgvuldigheden van anderen. Daarom stellen wij ons eenmalig garant voor de zak- en kleedgelden die deze kinderen toekomen. Omdat de overnemende partij bereid is de benodigde middelen voor te schieten kunnen de kinderen en/of hun wettelijke vertegenwoordigers per direct weer over de hen toekomende middelen beschikken. De kinderen en hun wettelijke vertegenwoordigers zullen hierover geïnformeerd worden.

Hoogachtend,
mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

de Staatssecretaris van Volksgezondheid,Welzijn en Sport, mw. drs. M.L.L.E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner’
Als we dan ook nog even gaan buurten bij de website van Zonnehuizen, dan zien we dat die al aardig gestript is. Op de homepage lezen we, onder het logo en ‘Zonnehuizen, kind & jeugd en onderwijs’:
‘Nieuws
16 februari 2012: Lancering Ditisjeugdzorg.nl

Kind & Jeugd
– Logeren

Onderwijs

Nieuws
Zonnehuizen helpt mensen met een ontwikkelingsstoornis zich naar volle vermogen te ontplooien. We werken vanuit een antroposofische inspiratie. Dat betekent dat we uitgaan van de gezonde kant van het individu en ons richten op diens mogelijkheden, talenten en wensen. Op basis daarvan werken we aan de beperkingen die de individuele ontwikkeling in de weg staan.

Volwassenzorg
De activiteiten van Zonnehuizen zijn gesplitst. De activiteiten van kind & jeugd en onderwijs vallen onder LSG-Rentray en gaan verder onder de naam Zonnehuizen Kind & Jeugd en Onderwijs. Voor meer informatie over LSG-Rentray, klik hier.

De zorg voor volwassenen valt onder de Groep Winter en gaat verder onder de naam DeSeizoenen. Meer informatie over Volwassenen, vindt u op www.deseizoenen.org.’
Het was me ontgaan, maar dankzij de website van het centrum voor zorg, begeleiding en wonen van kinderen en volwassenen met een verstandelijke of meervoudige handicap in Groningen, Ilmarinen, weet ik nu dat twee maanden geleden de ‘Boekpresentatie, afsluiting van het jubileumjaar’ was (omlijst met foto’s):
‘Op 19 januari 2012 begon het feest voor Ilmarinen intern om 10.00 uur met alle zorgvragers en medewerkers in de zaal. Ellen Mulder, Directeur Zorg, vertelde het verhaal hoe het boek Samen smeden tot stand is gekomen.

In 2011, het jaar van het 25-jarig bestaan, is er op veel manieren stilgestaan bij dit heuglijke feit, onder andere door de opvoering van de Kalavala (“het Ilmarinen epos”) door de zorgvragers en de medewerkers, een symposium, het vieren van het Pinksterfeest wat dit jaar viel op de Stichtingsdag van Ilmarinen. Er is een bijzonder kunstwerk gemaakt waaraan zorgvragers, ouders en medewerkers hebben samen gewerkt.

In de zee van deze mooie ideeën is ook de gedachte gegroeid om een jubileumboek te maken. Aanvankelijk was de gedachte om dit boek te maken voor intern gebruik, maar naarmate de inhoud groeide, werd de gedachte om het boek officieel te laten uitgeven sterker. En zo is het ook gelopen.

Uitgeverij SWP heeft het boek uitgegeven en zo komt het dat de prachtige verhalen door en voor onze zorgvragers voor iedereen te lezen zijn.

In de middag komen de gasten van buiten. Abdessamad, Remco, Herman Jan en Jade en hun families zijn ere-gasten. Het jublieumboek Samen smeden wordt officieel aangeboden aan mevrouw Piety Groeneveld en Jade Muller. Mevrouw Groeneveld is voor Ilmarinen dé contactpersoon in de onderhandelingen met het Zorgkantoor. Jade is een van de zorgvragers die haar verhaal vertelt, laat vertellen in het boek.

Ellen Mulder biedt namens Ilmarinen het boek aan aan Piety Groeneveld. De auteurs en de vertellers worden in het zonnetje gezet als dank voor het vele werk wat er is verricht. En dan als afsluiting nog langs de klassen, het winkeltje van de werkplaatsen, het boek kopen of gewoon aan de soep met een broodje.

Samen smeden is te koop in de winkel. Er zijn nog een honderdtal boeken te koop in Ilmarinen. Prijs € 18,90 ISBN 978 90 8850 303 0’
‘Samen smeden
Werken met verhalen uit de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking
ISBN: 9789088503030
144 pagina’s
Prijs: € 18.90

Samen smeden biedt u een kijkje achter de schermen in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking.

Centraal in Samen smeden staan de verhalen rond vier zorgvragers (cliënten bij Ilmarinen). Zij zijn niet of nauwelijks in staat om het eigen verhaal aan de buitenwereld te vertellen. Hiervoor hebben ze anderen nodig die hun stem willen zijn. Er zijn twee groepen mensen die dicht bij hen staan en ervaring hebben met het “lezen” van (het gedrag van) de zorgvragers. Enerzijds de ouders, anderzijds de medewerkers van de zorgorganisatie. Zorgvragers, ouders en familie en de medewerkers van de organisatie werken dagelijks samen. Deze samenwerking wordt ook wel de gouden driehoek genoemd. De narratieve benadering maakt ook de impuls tot wederzijds ontwikkelen zichtbaar en het leren dat van een échte ontmoeting uitgaat. Delen van representatieve werkverhalen biedt aanknopingspunten voor het (h)erkennen van de behoeften van de zorgvrager en dus... voor het leveren van zorg op maat.

Na de verhalen wordt de (antroposofische) praktijk die uit de verhalen op licht verbonden met de dynamische kwaliteitszorg zoals die wordt gehanteerd vanuit de kernwaarden: verbinden, ontmoeten, ontwikkelen en organiseren. Er wordt ook ingegaan op de verschillende ontwikkelingsfasen van lerend werken en hoe de kracht van een verhaal daarbij behulpzaam kan zijn.

Dit boek daagt begeleiders, therapeuten, artsen, psychologen en studenten op dit gebied uit om met elkaar in dialoog te gaan over de kwaliteit van de zorg en hoe het ook anders kan. Daarnaast is het boek zeker ook een aanrader voor familierelaties en vrienden van mensen met een verstandelijke beperking.

Gea Koren en Maria Ratering houden zich bezig met vraagstukken rond mens- en organisatieontwikkeling. Hun specialiteit is: “Van werkverhalen, leerkansen maken!”

Ook een jubileum in Eindhoven, zoals het Eindhovens Dagblad gisteren meldde in ‘JEK presenteert kunst jubilerende Vrije scholen’:
‘Leerlingen van de Vrije scholen in Eindhoven exposeren hun kunstwerken in de jongerenruimte van De Krabbedans. Dat doen ze om te vieren dat de Vrije Scholen Eindhoven 40 jaar bestaan. De leerlingen van De Regenboog, het Novalis College en de Vrije School Brabant openen samen met leerkrachten de expositie “Omzien naar de toekomst”. Dat gebeurt vrijdag 23 maart om 16.00 uur in de expositieruimte JEK (Jongeren en Kunst).

De scholen laten op deze manier zien wat ze te bieden hebben aan kunstonderwijs. Binnen het onderwijs van de Vrije School neemt kunst een bijzondere plaats in. Dagelijks en wekelijks wordt er door alle klassen, van kleuters tot achttienjarigen, getekend, geschilderd en gemusiceerd. Daarnaast krijgen de leerlingen nog vakken als handwerken, handenarbeid en toneel.’
In ‘Veertig jaar vrijeschool Eindhoven: reünie’ laat de website van de Antroposofische Vereniging in Nederland vandaag ook weten wat er ophanden is:
‘Meer dan veertig jaar geleden werd in Eindhoven het initiatief genomen om een vrijeschool te starten, de eerste beneden de rivieren. De allereerste locatie was een halletje tussen twee lokalen van een andere school. Inmiddels zijn er verschillende onder- en bovenbouwen, een Tobiasschool en een Ambachtelijke Bovenbouw. Op 14 april is er een reünie voor oud-leerlingen, -medewerkers en -ouders. Zie www.vrijeschoolbrabant40jaar.nl’
Ander nieuws is in Ede te vinden. Een zekere ‘Wim’ meldt in ‘Ede Stad’ vandaag in een lang, ook inhoudelijk verhaal ‘Vrije School wordt De Vuurvogel’. Ik sluit niet uit dat het meeste uit de schoolgids of van de website afkomstig is, maar ik heb dat niet nagekeken:
‘De Vrije School Ede begint aan een nieuwe fase in zijn bestaan. De meer dan dertig jaar geleden opgerichte school gaat met ingang van zaterdag 31 maart verder als De Vuurvogel. De in Ede geboren tekstschrijver en cabaretier Hans Dorrestijn zal de nieuwe naam en het nieuwe logo die dag onthullen. Dat gebeurt tijdens de open dag, die de school aan de Nachtegaallaan 49 in Ede dan vanaf 10.00 uur houdt.

Schoolleider Herman Dreef geeft een verklaring voor de nieuwe naam. “Het unieke en de bijzondere eigenschappen van de Vuurvogel of de Feniks zijn een metafoor voor het bijzondere dat in ieder kind schuilt. Bij ons op school blijft ‘Worden wie je bent’ het uitgangspunt. Daarbij werken we vanuit de antroposofie van grondlegger Rudolf Steiner. Maar verder gelden voor onze school dezelfde normen als voor alle andere basisscholen.”

In de Schoolgids gaat Dreef nog nader in op het onderwijs op zijn ongeveer tachtig leerlingen tellende school: “Omdat het in het leven om veel meer draait dan rekenen en taal alleen, leer je op een Vrije School veel meer dan dat. Zorgen voor elkaar, bijvoorbeeld. Of aandacht hebben voor cultuur en betrokken zijn bij de maatschappij. Want naast de ontwikkeling van je verstand, is het net zo belangrijk dat je je gevoel ontwikkelt en leert om zelfstandig bezig te zijn. Op onze school leer je om je hoofd, hart en handen te gebruiken. Op een Vrije School leer je voor het leven.”

De Vuurvogel

Op 20 december 1979 is de Vrije School Ede opgericht en ruim 32 jaar later is deze school getransformeerd De Vuurvogel en kan deze school net als de Vuurvogel beginnen aan een nieuwe levenscyclus.

Gevoed door de historie en de inhoudelijke achtergronden van het vrijeschoolonderwijs wil De Vuurvogel haar leerlingen graag de mogelijkheid geven zich te ontwikkelen tot vrij denkende, warm voelende en zelfstandig handelende mensen, passen in deze maatschappij. “Worden wie je bent” blijft daarbij het uitgangspunt.

Visie

Achtergrond vrijeschoolonderwijs

Vrijescholen worden samen met onder meer de Montessori-, Jenaplan- en Daltonscholen geschaard onder het “traditioneel vernieuwingsonderwijs”. Deze scholen hebben, in een tijd dat de overheid niet zozeer nadacht over “hoe” het onderwijs vorm moest krijgen, een eigen visie op onderwijs ontwikkeld. Het waren mensen uit de onderwijspraktijk die het onderwijs vernieuwden. Veelal waren zij ontevreden over het feit dat het onderwijs uitsluitend op cognitieve kennis gericht was en dat de leerling op de docent gericht was in plaats van andersom. Eén van die mensen was de grondlegger van de antroposofie: Rudolf Steiner.

Rudolf Steiner ontwikkelde in het begin van de twintigste eeuw een pedagogiek die uitgaat van de grondgedachte dat de mens zich ontwikkelt op verschillende niveaus, namelijk het denken, het voelen en het willen. In het vrijeschoolonderwijs gaat het niet alleen om het verwerven van kennis “met het hoofd” maar ook om het verwerven van kennis “met het hart” en “met de handen”. Op de vrijeschool hebben we de overtuiging dat een kind de leerstof pas echt opneemt als het zich er daadwerkelijk mee kan verbinden als het aansluit bij zijn of haar beleving.

Aan het eigene van ieder kind wordt ruimte gegeven, zodat het in deze wereld ook zijn eigen levensmotieven kan realiseren. We doen dat door enerzijds het eigene van de kinderen te behouden, zodat ze echt kind kunnen zijn, anderzijds door de kinderen in aanraking te brengen met allerlei fenomenen: ambachten, politiek, geschiedenis, kunst en techniek. Naast het respect voor het wezen van ieder kind werken we aan de sociale vorming en wel zo dat ieder kind leert om in een gemeenschap en in een groep te kunnen samenwerken. Op deze manier worden leerlingen geactiveerd tot zelfstandig handelen en denken.

Juist tegenwoordig is de zelfstandige leerling een belangrijk uitgangspunt in het onderwijs. Sinds de oprichting van de eerste vrijescholen, is het onderwijsconcept van de vrijescholen meegegroeid en aangepast aan de wensen en behoeften van de tijd. Traditionele vormen zijn in de loop van de jaren veranderd en zullen in de toekomst verder veranderen. Maar de achterliggende gedacht is nog springlevend: motiveer het kind om nieuwsgierig te zijn, laat kinderen de dingen zelf onderzoeken en ervaren.

Worden wie je bent

“Worden wie je bent”, dat is onze missie en dat doen we door onderwijs te geven voor hoofd, hart en handen, waarden de gebieden, denken, voelen en willen op een gelijkwaardige manier in het kind worden aangesproken. U vindt het terug in het dagelijks onderwijs. Wij geven de kinderen een brede ontwikkeling en bieden een leeromgeving aan, waarin ieder kind zijn eigen talenten kan ontwikkelen. De ervaringsgerichte aanpak geeft elke individuele leerling daarin de ruimte en helpt hen zich op een eigen wijze te verbinden met de opgedane kennis.

De school kenmerkt zich door een sterke structuur en een stevig dag- en jaarritme. Sfeer, rust en ritme bieden de kinderen veiligheid en een goede leer- en ontwikkelingsmogelijkheid. Een goed en doordacht leerplan zorgt voor een rijke inhoud van het onderwijs en een doorgaande lijn in het leerproces. Er is veel aandacht voor vaardigheden als rekenen en taal. Door periodeonderwijs is verdieping in de vakken mogelijk. Het is tevens uitdagend en biedt vele ervaringsmogelijkheden. Kunstzinnig onderwijs zoals tekenen, schilderen, muziek, euritmie, handenarbeid, handwerken en toneel zijn een verrijking voor ieder kind. Jaarfeesten worden intens en stijlvol gevierd. De zelfstandigheid van de kinderen bevorderen is voor de school vanzelfsprekend, daarbij rekening houdend met de leeftijd van het kind.

Voor onze school gelden dezelfde normen als voor alle andere basisscholen. Wij voldoen aan de kerndoelen, gebruiken toetsen uit het Cito-leerlingvolgsysteem en nemen een landelijk genormeerde eindtoets af (niet de Cito-eindtoets, maar de NIO en het drempelonderzoek), bij de overstap van de kinderen naar het voortgezet onderwijs. Het ontwikkelende zelfstandig handelen en denken geeft onze leerlingen een extra stevige basis in het voortgezet onderwijs en daarna.

Hoofd, hart en handen

In de kleutertijd en eigenlijk in de gehele periode van 0 tot 6 of 7 jaar staat de lichamelijke ontwikkeling van het kind centraal; de groei en de motoriek. Door veel te spelen en te bewegen, door een regelmatige dagindeling, door liedjes en een opgewekte sfeer wordt het kind “baas in eigen lichaam”. Het is ook daarom dat de Vrijeschool veel waarde hecht aan de kleuterklas, die kinderen helpt de stappen in de goede volgorde te zetten. Ook hier wordt de basis voor het rekenen en de taalontwikkeling gelegd, maar wel zodanig dat het kind zich met de stof kan en wil verbinden. Geen achterstand, maar een gezonde opbouw, die uiteindelijk tot minimaal dezelfde resultaten leidt als in het reguliere onderwijs.

Na de periode tot 6, 7 jaar tot in de puberteit, komen de psychische kwaliteiten meer op de voorgrond. Het kind beleeft zichzelf en de omgeving dan in hoge mate in zijn gevoelens. Daarom sluit de leerkracht met het onderwijs allereerst aan bij het gevoelsleven van het kind. Dat gebeurt als het kind voor iets “warm” kan lopen, er enthousiast voor wordt. Door de lesstof beeldend te brengen en een sfeer te scheppen, waarin kunstzinnigheid en de kinderlijke belevingswereld een belangrijke plaats innemen, worden fantasie en voorstellingsvermogen gestimuleerd. Ook de manier van denken en willen worden aangesproken. Wat het kind weet, is minder belangrijk dan hoe het kind denkt. Elk kind heeft de aanleg om origineel, creatief en probleemoplossend te denken. Het is aan de leerkracht om samen met de ouders dat vermogen te behoeden en te verzorgen.

Samenvatting

Op de Vrijeschool De Vuurvogel wordt gestreefd naar een ontwikkeling van kinderen en jonge mensen tot zelfstandig oordelende en vrij denkende mensen, die in staat zijn een eigen bijdrage te leveren aan de samenleving van de toekomst. De leerstof is geen doel op zich maar levert een bijdrage aan deze ontwikkeling. Het leerplan is gebaseerd op de antroposofische menskunde waarin verschillende leeftijdsfasen, per jaar en verdeeld over periodes van zeven jaar, worden onderscheiden. In de leerstof worden thema’s behandeld die aansluiten bij de ontwikkelingsstap die in een bepaald jaar gedaan wordt. Leerlingen worden door het brede aanbod aangesproken in hun denken, voelen en handelen. Er worden zoveel mogelijk 'poorten' naar de wereld geopend, zodat de jonge mens zijn eigen wegen en doelstellingen kan vinden en kan worden wie hij in aanleg is.

Wie we zijn?
– Een kleinschalige school waar elke leerling gezien wordt
– Een school vrijeschoolonderwijs, toetsen en resultaten
– Een school met een duidelijke structuur en veiligheid
– Een school waar zorg en passend onderwijs zijn voor alle leerlingen
– Een school waar veel aandacht is voor kunst en cultuur
– Een school met onderwijs voor hart, hoofd en handen
– Een school waar kinderen daadwerkelij’
En hier eindigt het inderdaad. Er ontbreekt iets, en dat is onbevredigend, zeker bij zo’n doorwrocht verhaal.
.

maandag 19 maart 2012

Scaligero

Dit is de blik vanaf de Sacré-Coeur op Parijs.

In Duitsland speelt het al een tijdje op, maar hier had ik er nog geen aandacht aan besteed. Dat komt doordat er weinig aanknopingspunten zijn en de geschiedenis nogal complex en in een bepaald opzicht typisch Duits is. En ook typisch antroposofisch, als ik het zo mag noemen. Zo typeert ook Ansgar Martins de kwestie, die gisteren op zijn weblog er een bericht aan wijdde dat een uitstekend overzicht biedt. Op zo’n manier kan ik er ook mee komen aanzetten, waarbij ik dankbaar van zijn arbeid gebruik maak door het integraal over te nemen. U moet natuurlijk wel Duits kunnen lezen. ‘Die unendliche Geschichte’ noemt hij het, en met recht. Ondertitel: ‘Neues Zur (Nicht-)Aufarbeitung des Anthroposophischen Rassismus am Beispiel Massimo Scaligero’.
‘I. Stand der Debatte

Die Anthroposophie (“Weisheit vom Menschen”) hat ein Kernthema: Weiter- und Höherentwicklung. Der Mensch stammt in ihrer Konzeption aus “höheren Welten, und er wird zu diesen höheren Welten wieder hinaufsteigen.” (Rudolf Steiner, GA 101, 1987, S. 187). Bei der selbstevozierten evolutionären Eile bleibt für ein so aufwendiges Thema wie “Vergangenheitsbewältigung” nicht immer Zeit und Muße. Der Anthroposoph Sebastian Gronbach stand deutlich für den libertären Flügel der Bewegung, als er kommentierte: “Wenn Anthroposophen nicht selber zur wissenschaftlichen Kontextualisierung und historischen Einordnung in der Lage sind, dann müssen das eben andere übernehmen. Dann soll man sich bitte auch nicht beschweren.”

Tut “man” aber leider trotzdem. Ein besonders emotionaler Gegenstand der “historischen Einordnung” ist die Geschichte der Anthroposophie im deutschen und italienischen Faschismus: Heute sehen Anthroposophen sich meist als spirituell motivierte Vorreiter von Menschenrechten, Individualismus und Demokratie. In den rassistischen Diktaturen starteten dagegen nicht wenige erfolgreiche Karrieren und präsentierten ihr esoterisches Programm als spirituellen Boden für faschistisches Engagement. Einer davon war Massimo Scaligero. Dessen erklärten Aristokratismus, eliminatorischen Antisemitismus und messianischen Wahn für die “Rasse von Rom” hat der Anthroposophiekritiker Peter Staudenmaier 2010 in seiner Dissertation herausgearbeitet. In Anschluss an diese bisher unveröffentlichte Arbeit hat Andreas Lichte u.a. den Rassismus Scaligeros im Februar noch einmal herausgestellt. Er stieß damit eine umfangreiche Diskussion an.

Auf seinen Artikel antwortete ich mit umfangreichen Ausführungen über die Ambivalenz der Waldorfszene gegenüber dem NS-Staat sowie dem Hinweis darauf, dass Scaligero nicht von der Anthroposophie zum Faschismus kam, sondern umgekehrt vom rassistisch-“magischen” “Traditionalismus” Julius Evolas ausging, auf dessen Basis er die Anthroposophie interpretierte: Welcher Okkultist mit welchem anderen sympathisierte, war weniger Ausdruck eines faschistischen Kerns der Esoterik als vielmehr ein Ausdruck von deren für jeden Zweck instrumentalisierbaren “geistigen” Überbau. In diesem Sinne feierte und präsentierte Scaligero etwa Rudolf Steiner als esoterischen Gewährsmann seiner gleichfalls esoterischen Rassenideologie (vgl. Peter Staudenmaier). Wenig später übernahm der “Humanistische Pressedienst” (hpd) Andreas Lichtes Ausführungen mit der Bemerkung, dass sie “ein helles Licht auf Implikationen der Anthroposophie werfen.” Staudenmaier selbst hielt diplomatisch fest, dass sowohl Lichtes als auch meine Darstellung berechtigt seien. Der anthroposophische Blogger Michael Eggert, der sich schon früher für die kritische Aufarbeitung des vermeintlich unbescholtenen Scaligero eingesetzt hatte (was Lichte unerwähnt ließ), verwies auf meinen Kommentar zu Lichtes Artikel. Jens Heisterkamp, Chefredakteur der anthroposophischen Zeitschrift Info3, griff ebenfalls meinen Artikel auf, vor allem zur Relativierung von Lichtes Vorwürfen, hielt aber fest:
“Bei allen Vorbehalten kann man den Ruhrbaronen und Andreas Lichte für eines dankbar sein: Sie schärfen das Bewusstsein dafür, dass sich Anthroposophen heute kritisch mit manchen Schatten in ihrem Erbe auseinandersetzen müssen. Genau das funktioniert aber nicht ohne das “leidige Differenzieren”, zu dem Ansgar Martins beide Seiten, sowohl Anthroposophen wie ihre Kritiker bzw. Gegner, augenzwinkernd ermahnt.”
II. Neuigkeiten

Konsequenzen wurden allerdings nur schleichend gezogen: Im deutschen Wikipedia-Artikel zu Massimo Scaligero wurden erst kürzlich Hinweise auf die kritischen Arbeiten von Staudenmaier und Lichte platziert. Die Dornacher “Forschungsstelle Kulturimpuls”, die Biographien prominenter Anthroposophen dokumentiert, löschte den bisherigen Eintrag zu Scaligero. Die Seite verkündet nun: “Dieser Beitrag ist in Überarbeitung”, im Hintergrund stehen fraglos die genannten Faschismusvorwürfe. Eine notwendige Revidierung: Im nun gelöschten Eintrag waren diese einfach verschwiegen bzw. geleugnet worden. Dort war zu lesen:
“...er [Scaligero] war von Amerikanern im Juni 1944 inhaftiert worden, obgleich er nie politisch und schon gar nicht faschistisch engagiert war.”
So peinlich der frühere Text, so begrüßenswert ist die angekündigte Überarbeitung. Einen weiteren Aggregatzustand von Peinlichkeit erreichte allerdings Michael Mentzel, der die Diskussion am 16.3.2012 auf seiner Seite “Themen der Zeit” aufgriff. Mentzel distanzierte sich, um das klarzustellen, durchaus von Scaligero:
“Als der Stein des Anstoßes zu rollen begann, hatte er noch einen Namen, nämlich Massimo Scaligero, ein italienischer Anthroposoph, der – wenn die Fakten stimmen, die Andreas Lichte zusammengetragen hat – zumindest bis 1945 keinen Hehl machte aus seiner Sympathie für den Nationalsozialismus deutscher Prägung und den damit verbundenen Antisemitismus. In der Tat gibt der Artikel bei den Ruhrbaronen im Hinblick auf Scaligero einiges her, um die Verwicklungen italienischer Anthroposophen mit dem damaligen faschistischen Regime deutlicher zu erkennen ... Unwillkürlich fühlt man sich bei Scaligero an die unrühmliche Vergangenheit des Pfarrers Benesch erinnert und möchte mit Erich Kästner auf die Frage: ‘was wäre, wenn wir den Krieg gewonnen hätten?’, nur noch antworten: ‘zum Glück gewannen wir ihn nicht!’... Es ist also zu hoffen, dass der Teil der Biographie Scaligeros, der bisher nicht oder zuwenig beachtetet wurde, jetzt auch von der offiziellen anthroposophischen ‘Geschichtsschreibung’ berücksichtigt wird.”
Darin ist Mentzel durchweg zuzustimmen. Doch liest man immer Artikel auch: “wenn die Fakten stimmen, die Andreas Lichte zusammengetragen hat” und ein zweites Mal “Die Fakten aber sprechen, wenn sie stimmen, eine andere Sprache.” Offen lässt Mentzel, welche Zweifel er an diesen Fakten hat, denn diese liegen bereits seit Jahren und in verschiedensten Publikationen auf dem Tisch. Hätten Anthroposophen den von Mentzel für gescheitert erklärten Dialog mit Kritikern früher gesucht, hätte man auch früher und aus anderen Quellen von Scaligeros Faschismus erfahren und beispielsweise den biographischen Eintrag der “Forschungsstelle Kulturimpuls” auch vor 2012 korrigieren können. Bereits der Klassiker der Anthroposophiekritik, Peter Bierl, hat seit langem unmissverständlich auf Scaligeros Rassenlehre hingewiesen und auch den Beitrag in der Biographischen Dokumentation der “Forschungsstelle” kritisiert:
“In Platos Biographien-Sammlung wird Scaligero als bedeutender Journalist, dem die Gabe der Dichtung seit seiner Jugend eigen war, verklärt. Über seine journalistische Aktivität während des Faschismus erfährt der Leser nichts.” (Bierl: Wurzelrassen, Erzengel und Volksgeister, Hamburg 2005, 177)
Wer anthroposophischerseits Bierls nicht immer unpolemische Darstellung verschmähte, hätte auch in der einschlägigen wissenschaftlichen Forschungsliteratur fündig werden können:
“Überdies bedienten sich die jungen Neofaschisten einer idealistischen Esoterik, die an die antidemokratisch-aristokratischen Ideen von Julius Evola und Massimo Scaligero anknüpften. Für diese beiden umstrittenen Intellektuellen, die sich der RSI angeschlossen und zu den wichtigsten Fürsprechern eines rassistischen Antisemitismus in Italien gezählt hatten, war mit der Demokratie das Maximum der Dekadenz erreicht, während sie – nach mittelalterlichem Vorbild – für ein streng hierarchisch organisiertes und von einer aristokratischen Leistungselite autoritär geführtes Gemeinwesen als politisches Ideal eintraten.” (Guerrazi: Rezension zu Antonio Carioti: Gli orfani di Salò)
Spätestens seit 2009 war durch das Engagement Michael Eggerts Scaligeros Rassismus auch in der anthroposophischen Szene bekannt (was wiederum Lichte ignoriert, der Eggert unberechtigterweise die Nichtbeachtung der Faschismusvorwürfe unterstellte). Warum das Gros der Anthroposophen (mit allerdings bedeutenden Ausnahmen), diese Vergangenheitsbewältigung unterlässt oder gar verweigert, will sich mir nicht erschließen. Es hätte jedenfalls genung Informationen und Quellen gegeben, das Thema anzugehen – dass der entscheidende Schlag Andreas Lichte vorbehalten blieb, liegt einzig am zu langen Schweigen der Verantwortlichen an den entsprechenden anthroposophischen Stellen. Duchaus bemerkenswert ist allerdings, dass im Fall Scaligero jetzt endlich mit (selbst-?)kritischer Einsicht vorgangen wird und nicht, wie so oft zuvor, mit Apologie.

Die Vorzeichen sehen derzeit günstig aus: Der von Bierl (s.o.) geschmähte Bodo von Plato hat sich bereits im letzten Jahr mit der mutigen Äußerung hervorgetan, dass das “apodiktische Verhältnis zur Wahrheit” in der Anthroposophie zu einer besonderen Empfänglichkeit der Anthroposophinnen und Anthroposophen für totalitäre Regimes führen könne. Zuvor hat der verdienstvolle anthroposophische Historiker Uwe Werner noch einmal (auch unter Anknüpfung an Peter Staudenmaier), die Rolle der Anthroposophie im Nationalsozialismus thematisiert. Staudenmaier selbst hat vor Kurzem noch einmal alle Beteiligten zum fairen Streit gemahnt:
“In der Dialektik von Annäherung und Abgrenzung spielten verschiedene Gesichtspunkte hinein, und eine vereinfachende Deutung verkennt leicht die Spannung zwischen beiden Polen. Für ein historisch fundiertes und umfassendes Verständnis der komplizierten Beziehung zwischen Anthroposophie und Nationalsozialismus sind beide Tendenzen, sind Distanz wie Resonanz von Bedeutung.” (Peter Staudenmaier: Der deutsche Geist am Scheideweg, in: Puschner/Vollnhals: Die völkisch-religiöse Bewegung im Nationalsozialismus. Eine Beziehungs- und Konfliktgeschichte, Göttingen 2012, 490)
III. Gegenläufige Tendenzen

Doch es gibt auch triftige Gründe, an einer künftig fundierteren Debatte zu zweifeln. Sie werden von Michael Mentzel bei seiner an sich begrüßenswerten Kritik Scaligeros gleich mitgeliefert. Er wiederholt erneut das Märchen von der in “Wahrheit” antirassistischen Anthroposophie:
“Der 1925 verstorbene Rudolf Steiner hat Massimio Scaligero nicht gekannt. In einem Aufsatz, den er im Magazin für Literatur veröffentlichte, hatte Steiner allerdings unmißverständlich festgestellt: ‘Mein Entwicklungsgang war auch ein solcher, dass damals, als ein Teil der nationalen Studentenschaft Österreichs antisemitisch wurde, mir das als eine Verhöhnung aller Bildungserrungenschaften der neuen Zeit erschien. Ich habe den Menschen nie nach etwas anderem beurteilen können als nach den individuellen, persönlichen Charaktereigenschaften, die ich an ihm kennenlerne. Ob einer Jude war oder nicht: das war mir immer ganz gleichgültig. ... Und ich habe im Antisemitismus nie etwas anderes sehen können als eine Anschauung, die bei ihren Trägern auf Inferiorität des Geistes, auf mangelhaftes ethisches Urteilsvermögen und auf Abgeschmacktheit deutet...’ Möglicherweise hätte Steiner diese seine Auffassung wiederholt und modifiziert, wenn er noch gelebt und Kenntnis von den faschistischen und antisemitischen Auffassungen des Herrn Scaligero erhalten hätte.” (Auslassungen im Zitat von mir)
Mentzel verfällt in ein bekanntes Muster der Steiner-Hagiographie: Der Meister wird zum Gegner des Rassismus stilisiert, selektiv zitiert und damit die rassistische Überzeugung von Steiner-Anhängern zum Ausnahmefall erklärt. Die “wahre” Anthroposophie sei antirassistisch und eine rassistische Deutung bloßes Missverständnis. Eine Selbsttäuschung, der bereits Steiner unterlag. Der jüdische Anthroposoph Hans Büchenbacher (der in der Naziära aus dem Vorstand der deutschen Anthroposophischen Gesellschaft zurücktreten musste) hatte den Esoteriker mit dem Antisemitismus in der anthroposophischen Bewegung konfrontiert:
“Über das Problem des Antisemitismus hatte ich schon in einem intimen Gespräch mit Herrn Dr. Steiner im Mai 1920, in welchem ich sein persönlicher esoterischer Schüler werden durfte, gesprochen. Ich wurde damals von anthroposophischen Freunden eingeladen, über die Dreigliederung [die Gesellschaftsutopie der Anthroposophie – AM] große öffentliche Vorträge zu halten. Ich teilte dies Dr. Steiner mit und äußerte Bedenken, weil schon in unserer [der Anthroposophischen] Gesellschaft mir Antisemitismus begegnet sei, wie es diesen ja auch in der Außenwelt gab. Dr. Steiner, sehr streng und energisch: ‘Das gibt es nicht in der Anthroposophischen Gesellschaft.’ Ich: ‘Aber ich habe doch entsprechende Erfahrungen gemacht.’ Herr Doktor: ‘Aber ich muss Ihnen sagen, dass Progrome in Würzburg vorbereitet werden, und das kann gefährlich für sie werden; Sie müssen selbst entscheiden, ob sie das riskieren wollen.’” (Büchenbacher: Teilauszug seiner Erinnerungen in: Info3, 4/1999, 19)
Steiner war blind für Antisemitismus unter seinen Epigonen (der in den Köpfen von Friedrich Rittelmeyer, Richard Karutz oder Marie Steiner-von Sivers nach 1933 noch ganz andere Formen annehmen sollte), vor allem, da die Probleme hausgemacht waren: Steiner selbst schätzte Moses als “Eingeweihten” und Jahwe als hochstehenden Engel – doch deren “spirituelle” Leistungen seien erbracht. So stufte er das Judentum als überholte Vorgängerreligion des Christentums ein und forderte die gänzliche und restlose Assimilation der Juden. In der Logik von Steiners geschichtsevolutionärem Weltbild konnten sich zwar alle Jüdinnen und Juden über ihre Religion “hinausentwickeln”, von ihr “freimachen”, doch diese Religion selbst habe seit der Inkarnation “des” Christus nichts mehr zu bieten. Dass er selbst dem Judentum die Existenzberechtigung absprach, übersehen AnthroposophInnen wie Mentzel ebenso konsequent wie das, was man zu Steiners Lebzeiten unter Antisemitismus verstand:
“Unter diesen Begriff gehörten im damaligen Sprachgebrauch nicht die ... christlichen Stereotype über das angeblich normative alttestamentarische jüdische Volk oder Ressentiments gegen den jüdischen Nationalismus, die Steiner im Grunde nur anthroposophisch umgedeutet hat, sondern als Antisemitismus wurden in erster Linie auf Biologie rekurrierende und mit Gewalt drohende Argumente gewertet, von denen man sich damals noch leicht distanzieren konnte. Deshalb konnte Steiner damals trotz seiner unübersehbaren Vorurteile als Feind des Antisemitismus gelten.” (Miriam Gebhardt: Rudolf Steiner, 73)
Auch diese schlichte Tatsache ist seit langem bekannt. Spätestens mit den Arbeiten von Ralf Sonnenberg gibt es auch überzeugende anthroposophische Versuche, diese antijüdischen Implikationen des anthroposophischen Geschichtsmodells ein für alle mal abzuwenden. Wenn anthroposophische Apologeten allerdings immer wieder hinter den Stand der Debatte zurückfallen, dürfen sie sich im Sinne des oben zitierten Ausspruchs von Sebastian Gronbach, nicht wundern, wenn “andere” das übernehmen: Die Kritiker und Gegner der Anthroposophie.

So wenig Andreas Lichte recht hat, wenn er behauptet, Scaligero habe Steiner lediglich konsequent weitergedacht und die Anthroposophie sei im Kern faschistisch, so wenig ist Michael Mentzel zuzustimmen, wenn er auf eine prinzipielle Distanz beider hinweist. Unzutreffende Unterstellungen und unhaltbare Entlastungsargumente provozieren sich gegenseitig und übersehen beide die Polyvalenz der Rezeptionsmöglichkeiten. Dass Steiners evolutionäres Rassendenken bis heute Faschisten anzieht, ist leicht verständlich. Dass seine Anthroposophie auch den in Auschwitz ermordeten Komponisten Viktor Ullmann oder den zionistischen Prager Salon Berta Fantas mit Exponenten wie Ernst Müller und Schmuel Hugo Bergmann inspirierte (letzterer organisierte gar an der Jerusalemer Universität eine Feier zu Steiners 100. Geburtstags), wundert ebensowenig: Steiner hatte für jeden von links bis rechts etwas im Angebot. Das übersehen viele Kritiker und noch mehr Anthroposophen bis heute. Einen Esoteriker, der mit “Wurzelrassen” und “Volksseelen” hantiert, auch wenn er anderswo die (“geistige”) Egalität und Unersetzlichkeit aller Menschen propagiert, kann niemand erfolgreich vom Rassismusvorwurf freiwaschen. Eine glaubhaft antirassistische Anthroposophie müssten heutige Anthroposophen selbst schaffen. Vorbedingung dafür wäre, die ständig wiederholte Geschichte von der “Unvereinbarkeit” anthroposophischer und faschistischer Überzeugungen endlich fallenzulassen.’
Peter Staudenmaier is hier al heel wat keren ter sprake geweest, voor het laatst op 3 maart in ‘Kost’. Het is een in verschillende opzichten interessante man, ook al zal lang niet iedereen het met hem eens zijn. Ik noem even kort op wanneer hij verder hier genoemd werd en waarbij:

‘Benesch’ op 1 juni 2009:
‘Peter Staudenmaier maakt in een artikel op Egoisten een opmerking die tot nadenken stemt. (...) The lesson to be learned here may not be so much that anthroposophists could easily be Nazis and Nazis could easily be...’
‘Antisemitisme’ op 29 september 2010:
‘Peter Staudenmaier is a social ecologist and left green activist who has been involved with the Institute for Social Ecology since 1989. Currently a faculty member at ISE, Peter lives in Madison, Wisconsin, where he works at a...’
‘Dissertatie’ op 6 oktober 2010:
‘“Peter Staudenmaier has been awarded the Messenger Chalmers Graduate Prize of $1500 for best dissertation on human progress and the evolution of civilization for 2010.” De handelseditie van zijn dissertatie mogen we...’
‘Doorlichten’ op 6 februari 2011:
‘Geistesgegenwärtig greift Werner in diese Debatte ein, die nicht zuletzt auf Grundlage einer neuen umfangreichen Studie des amerikanischen Junior-Professors Peter Staudenmaier Between Occultism and Fascism (2010) in Gang...’
‘Grotesk’ op 1 maart 2011:
‘Erst in den letzten Jahren haben Historiker wie Helmut Zander, Peter Staudenmaier und Ralf Sonnenberg Deutungen dieser Rassismen vorgelegt, ohne deren vieldeutiges Schwanken zwischen “Universalismus, Eurozentrik...’
‘Junioogst’ op 23 juni 2011:
‘Uwe Werner, Autor des Standardwerks Anthroposophen in der Zeit des Nationalsozialismus, wies darauf hin, dass Kritiker wie Peter Staudenmaier oder Jana Husmann bei ihren Rassismusvorwürfen gegen Steiner eine klare...’
‘Wraak’ op 22 juli 2011:
‘Dessen Unterzeichner bestritten zwar weiterhin die Existenz einer expliziten Rassentheorie in Steiners Werk (vgl. dazu kritisch Peter Staudenmaier sowie Stephan Geuenich, in der Fußnote 2), aber sie kamen überein’
‘Vriendschapsrelatie’ op 28 augustus 2011:
‘Bestuurslid van de Algemene Antroposofische Vereniging Bodo von Plato schrijft namelijk op bladzijde 4 over “Tagung Weimar: Anthroposophie und Nationalsozialismus”: “Der Bericht von Laura Krautkrämer in den’
‘Deskundigheid’ op 13 oktober 2011:
‘Weitere historische Forschungen betreibt Peter Staudenmaier. lhm zufolge ist eine Information in diesem Aufsatz, die Zahl von Anthroposophen in der NSDAP und in nationalsozialistischen Verbänden (s. den Text zu Anm.’
‘Nationaal-socialisme’ op 20 november 2011:
‘Diese Erkenntnis verdanken wir mit Peter Staudenmaier übrigens einem der schärfsten Ankläger Steiners. Er hat das recherchiert, viel weiter und detaillierter als ich das vor 20 Jahren tun konnte, weil die Archive wesentlich...’
Zoals u ziet komt Uwe Werner hier ook een paar keer in voor. De laatste link leidde naar het verslag van ‘Ein Podiumsgespräch auf der Tagung »Empfindung Mensch – Wirkung Anthroposophie«, Weimar Juni 2011, veranstaltet von der Anthroposophischen Gesellschaft in Deutschland’. Ik breng nog even in herinnering wat Uwe Werner daar zei:
‘Ohne die Naziherrschaft wären die heutigen Rassismusvorwürfe gegen Steiner uninteressant, d. h. niemand würde sich die Mühe machen, diese vorzubringen. Die entsprechenden Autoren interessieren sich offensichtlich nur insofern für Steiner, als sie ihn in die Nähe völkisch-rassistischer Anschauungen bringen wollen, um ihn als Vordenker der Nazis zu brandmarken. Ich habe mir Gedanken darüber gemacht, wie es denn überhaupt kommt, dass man Steiner zum Beispiel des Rassismus bezichtigen konnte. Das war mir zunächst einmal vor 15 Jahren vollkommen fremd. Und das geht Ihnen vielleicht auch so: Wie kann man nur! Und mir ist inzwischen deutlich geworden, im Durchgang durch die Literatur dieser Autoren, dazu gehören z.B. Peter Bierl, Petrus van der Let, Helmut Zander und neuerdings auch Jana Husmann an der Berliner Humboldt Universität, mit einer Dissertation, ebenso Peter Staudenmaier in den USA, mit einer Dissertation über Anthroposophie als Beispiel für den Zusammenhang zwischen Esoterik und Faschismus. Sie ist 2010 im Internet erschienen, aber noch nicht als Buch.

Mir ist aufgefallen, dass keiner von diesen Autoren jemals den Begriff des Rassismus irgendwie definierte oder charakterisierte oder schreibt, was er denn als Rassismus versteht. Weshalb ist das so? Es ist die Frage, ob das bewusst oder unbewusst geschieht.

Diese Autoren bezeichnen als Rassismus, wenn jemand über Unterschiede zwischen Rassen und Völkern spricht.

Weitere gedankliche Klärungen werden dabei nicht vorgenommen. Man kann diesen immer wieder herangezogenen Zyklus “Die Mission einzelner Volksseelen” wie gesagt auch vollkommen anders lesen. Was fehlt denn da? Es fehlt dasjenige, was eigentlich eine Wahrnehmung der Intentionen und der Stimmung Steiners erkennt, dem Rechnung zu tragen. Wenn man darauf schaut, wie Steiner über Unterschiede zwischen Völkern spricht.

Und ich habe den Eindruck, ich sage das jetzt ein bisschen scharf, thesenartig, dass die Art der Wissenschaftlichkeit, die immer noch in den sogenannten Geisteswissenschaften herrscht, eine ist, die mehr oder weniger die Möglichkeit der Empathie, den Blick auf die hier gemeinte wesentliche Stimmung und Gesinnung, ausschließt.

Denn ich glaube, man kann an Steiner nur herankommen, wenn man auch eine Art Empathie übt. Und es ist die Angst vor Subjektivität, die einen abhält, Empathie zu üben. Dabei ist, und das ist gestern auch gesagt worden, Empathie überhaupt nicht etwas, was einen subjektiv werden lässt. Aber diesen Schritt haben die Geisteswissenschaften eben bisher nicht getan.

Die kritischen Autoren weichen der Frage aus, was die eigentliche Intention Steiners ist, durch die Abwesenheit von Empathie.

Ich hab das mal so bei mir zusammengefasst: Sie reden das Herz weg. Denn bei Steiner hat man die Empathie mit Völkern, mit Rassen, die er beschreibt.’
En even later zegt hij, terwijl hij de mogelijkheid open laat dat ook antroposofen destijds de intentie van Steiner niet goed begrepen en daardoor verkeerde conclusies trokken:
‘Nur sind eben solche Missverständnisse aufgetreten, die, damit möchte ich auf die zweite Frage eingehen, dazu führten, dass einige Anthroposophen sich direkt positiv zu Hitler stellten und das auch ausgedrückt haben. Das ist jetzt bitte nicht als bequeme Kritik zu verstehen. Ich weiß gar nicht, wie ich mich verhalten hätte, ich wäre wahrscheinlich auch begeistert gewesen.

Aber wie da “anthroposophisch” argumentiert wurde, das ist wichtig. Oft nur, weil man irgend etwas sympathisch fand. Dabei darf ich erwähnen, dass die Recherchen über Personen und Menschen, die als Anthroposophen in irgendeine Parteiorganisation oder die Partei selbst eingetreten sind, nicht mehr als 34 Namen ergeben haben. Diese Erkenntnis verdanken wir mit Peter Staudenmaier übrigens einem der schärfsten Ankläger Steiners.

Er hat das recherchiert, viel weiter und detaillierter als ich das vor 20 Jahren tun konnte, weil die Archive wesentlich besser zugänglich sind.

Vielleicht findet man außer diesen 34 Namen noch weitere Menschen, die als erklärte Anthroposophen in irgendeine Parteiorganisation eingetreten sind. Man müsste untersuchen, welches ihre Motive waren, ob Opportunismus oder wirkliche Sympathie vorlag usw. Und dann wäre diese Zahl ins Verhältnis zu setzen zu den etwa 8.000 Mitgliedern der Anthroposophischen Gesellschaft in Deutschland in jener Zeit.’
Nu is het interessante dat er een discussie over de oceaan heen (de Atlantische) plaatsvindt. Peter Staudenmaier heeft namelijk op deze kritiek van Uwe Werner gereageerd op de Amerikaanse website ‘Waldorf Critics’, een dicussieforum, en dat wil ik hier graag aanhalen. Zodat u van de laatste stand van het onderzoek op de hoogte bent. De vorm van dat forum maakt dat we er middenin springen, maar het wordt vanzelf duidelijk wat Staudenmaier hier naar voren brengt. Op zaterdag 25 februari schreef hij, naar aanleiding van een vraag:
‘There were indeed dozens of anthroposophists who joined the Nazi movement. For a variety of examples, see here:

Beyond that fairly simple factual point, it is not true that Steiner’s followers all deplored Nazism. Some of Steiner’s followers deplored Nazism, and others lauded Nazism. The same is true for countless other groups.

These days anthroposophists in Germany and elsewhere are trying to adjust to the historical details that have begun to emerge about the extent of anthroposophical collusion with Nazism. Uwe Werner, who is more or less the official anthroposophist spokesman on the Nazi era, now claims that on the basis of my research there were a total of 34 anthroposophist Nazi party members. (I don’t know where he got this figure from, even though he attributes it to me.)

This is a significant misunderstanding of my research. It is true that I discovered a much higher number of anthroposophist members of Nazi organizations than had previously been acknowledged, and I published a partial list in an anthroposophist journal in 2007, complete with full archival citations to encourage further research. But the individual anthroposophist Nazis I have identified are merely arbitrary examples of practical cooperation between Steiner’s followers and Nazi organizations; they are not in any sense a representative sample, much less a meaningful statistic. They are cases that I happened across in the course of my research, which is not focused on individual anthroposophists, much less on individual party members.

Rather than a superficial fixation on individual cases, a meaningful historical approach would be to examine the spectrum of anthroposophist responses to the rise of Nazism. The Waldorf movement during the Nazi era is a good example. There were some Waldorf representatives who deplored Nazism, but they were a minority. The majority faction within the Waldorf movement was willing to do whatever was necessary to keep the schools open and compatible with Nazi expectations. There was an aggressively pro-Nazi current within the Waldorf movement as well, also a minority within the Waldorf milieu overall.

The mainstream Waldorf strategy in the early years of the Nazi era was meant to allow Waldorf schooling to unfold its full potential under the auspicious conditions of Nazi Germany. This was not a matter of a “small number” of people. At the Stuttgart Waldorf school alone, the “National Socialist Parents Group” included 53 party members and 22 members of other Nazi organizations by mid-1934. It was headed by anthroposophist Hermann Mahle, a prominent Waldorf official and Nazi party member, one of the leading Waldorf representatives in negotiations with various party and state agencies in 1934 and 1935. Many Waldorf officials – by no means just the emphatically pro-Nazi faction – described Waldorf pedagogy over and over again as especially fitting to the noble goals of Nazi education. Waldorf spokespeople explicitly and repeatedly endorsed these Nazi aims and explained at length all the ways in which Waldorf was well suited to realizing Nazi educational standards.

Hans Pohlmann is one example among many. Pohlmann was a longstanding anthroposophist who worked closely with Steiner in the early days of the Waldorf movement and founded the second Waldorf school in Germany in 1922. His school in Hamburg was the only other German Waldorf school besides the Stuttgart school established during Steiner’s lifetime (with the exception of two failed schools in Cologne and Essen), and its initial faculty and curriculum were overseen by Steiner directly. In 1933, Pohlmann’s school was the second largest Waldorf school in Germany, after the original Stuttgart school, and Pohlmann remained chairman of its school association throughout the school’s first seventeen years of existence. It would be difficult to find an example outside of Stuttgart of an anthroposophist and crucial Waldorf figure who worked more closely or more successfully with Steiner and had a bigger impact on the German Waldorf movement.

In addition to his various anthroposophical involvements, Hans Pohlmann was a member of the Nazi party. If Steiner’s followers want to focus on individual anthroposophists who joined Nazi organizations, it would make a bit more sense to pay attention to figures like Pohlmann and take into account their role in anthroposophical institutions.

[Staudenmaier haalt dan een eerdere reactie aan, met de vraag of het label ‘racist’ niet ten onrechte stigmatiserend is, en of hemzelf niet daarnaar gevraagd is, waarbij hij vervolgt:]

They did ask me, and I explained, several times, that there is a difference between descriptive and normative usage of terms like “racism” (or any number of other terms), a very basic point which anthroposophists often find incomprehensible. Here is how I put it in the original exchange in 2004: “I disagree that it is impossible, or even particularly difficult, to use words like ‘racism’ in a descriptive way, without invoking moral judgements. Try to keep in mind that there are a number of self-proclaimed racists out there who appreciate and promote Steiner’s racial theories precisely because they see these theories as compatible with their own racist worldviews.”

The trouble with terms like “racism” is not that they can be stigmatizing; that is irrelevant to their accuracy. The trouble is that many anthroposophists have no idea what racism is, or what antisemitism is, and are thus unable to assess the accuracy of these terms in specific contexts. That is why so many anthroposophists believe that there is no such thing as spiritual racism, for instance.

To a large extent, this sort of anthroposophical obliviousness is due directly to the aversion to scholarship in general, and to historical scholarship in particular, that marks so much of the anthroposophist movement. In the eyes of many anthroposophists, historians are “enemies of anthroposophy” trying to discredit Steiner. This view completely misunderstands the issues at stake. In a moment I will re-post a message on the same topic from last year, explaining what historians actually say about Steiner and racism.

[Opnieuw wordt een eerdere reactie aangehaald, met de opmerking dat er antroposofen zijn die op deze manier een adequate en noodzakelijke wetenschappelijke (‘scholarship’) discussie volledig ondermijnen, MG]

Though it wasn’t much of a discussion to begin with. The added notes, by the way, are from anthroposophist Daniel Hindes, who was sort of a previous incarnation of Ted Wrinch, though not quite as historically befuddled. Daniel and Tarjei were both participants in the original 2004 (non-) discussion, which was itself a classic instance of anthroposophical naivete about the history of their own movement.

There are countless anthroposophists who share their views. They are convinced that no anthroposophists were Nazis and that there are no racist components in anthroposophy. These beliefs are impervious to evidence and reasoning, and they make it very difficult for anthroposophists even to begin the process of coming to terms with their past. Here’s looking forward to the day that starts to change’.
De twee linken die hij in het begin gaf, leiden naar eerdere bijdragen van Peter Staudenmaier. Die laat ik hier ook volgen. De eerste is van 24 november 2009:
‘This won’t be new information for many listmates, but I thought it might be worthwhile to provide some of the basic details on anthroposophists who were Nazis. It is a topic that is sometimes difficult for anthroposophists today to face. For example, the current wikipedia entry on “Anthroposophy”, written by anthroposophists, claims that “virtually no anthroposophists ever joined the National Socialist Party.”

This claim is false. According to anthroposophists’ own criteria for who counts as an “anthroposophist”, quite a few anthroposophists joined the Nazi party, and others joined the SS and the SA.

Several of the better-known cases, such as Werner Georg Haverbeck and Friedrich Benesch, involve unresolved disputes about whether the individuals in question were already anthroposophists when they were Nazis, or only became anthroposophists after 1945. This category alone is substantial; aside from prominent figures like Haverbeck and Benesch, it includes Heimo Rau and Udo Renzenbrink, both well known anthroposophists whose biographies – with no mention of their Nazi party memberships – are readily available in anthroposophist sources, online as well as in print.

For purposes of this list, however, I will not include such cases. I will focus instead on figures who were simultaneously active Nazis and active anthroposophists. This group encompasses a number of anthroposophists who have been recognized as Nazis in anthroposophical publications for some time. These figures include Hanns Rascher, a longtime and prominent anthroposophist who was a member of the Nazi party from 1931 onward; Otto Julius Hartmann, a well-known anthroposophist author and academic who was a member of the Nazi party from January 1934 onward; and Eugen and Margarete Link, anthroposophists since the 1920s and prominently involved in the Stuttgart Waldorf school, were longtime members of the Nazi party.

Aside from those cases, already publicized among anthroposophists today, there are more than a dozen other recognized anthroposophists who were also members of the Nazi party. I will list some of the more important ones here, those who were particularly involved in anthroposophical activities. The list is definitely not comprehensive; they are merely cases that I happened to come across in the course of my research in the German federal archives several years ago, not the result of a systematic search (I did not consult the Nazi party membership rolls or the Anthroposophical Society records, for example). I am as always happy to provide archival details to anyone interested. Here is a partial list:

Ernst Harmstorf, an early and active participant in the anthroposophical movement since the beginning of the 1920s (he took part in the “Christmas Conference” in Dornach in 1923, for example) joined both the Nazi party and the SA in 1933.

Max Babl, head of the Anthroposophical Society branch in Erfurt, joined the Nazi party in 1933.

Hans Krauch, leader of the Anthroposophical Society branch in Giessen, joined the Nazi party in 1933.

Hermann Pöschel, leader of the Anthroposophical Society branch in Plauen, joined the Nazi party in 1933.

Otto Feyh, head of the Anthroposophical Society branch in Schweinfurt, joined the Nazi party in 1940.

Otto Thorwirth, head of the Anthroposophical Society branch in Gotha, was a Nazi party member.

Hans Pohlmann, head of one of the Anthroposophical Society branches in Hamburg, founder of the Waldorf school in Hamburg-Wandsbek, and chairman of the local Waldorf school association, was a Nazi party member.

Anthroposophist Clara Remer joined the Nazi party in 1932.

Anni Müller-Link, member of the Anthroposophical Society from 1920 onward, joined the Nazi party in 1936.

Harald Kabisch, an official of the “biodynamic farmers” league, joined the Nazi party in 1941.

Carl Grund, an anthroposophist since the 1920s and a prominent spokesman for biodynamic agriculture, joined the Nazi party in May 1933, the SA in November 1933, and the SS in 1942.

Anthroposophist Friedrich Mahling joined the Nazi party in 1933.

Then there are well-known anthroposophists who were members of the SA, such as Hugo Kalbe, Gotthold Hegele, Friedrich Kipp and Rudolf Kreutzer. And there were further anthroposophists who were SS officers, such as Oskar Franz Wienert, Werner Voigt, Hans Merkel, and Franz Lippert, former head gardener at Weleda who oversaw the SS biodynamic plantation at Dachau. Some of these anthroposophist Nazis occupied important offices within the Nazi apparatus.

Hans Merkel, for instance, was an anthroposophist who became one of the leading advocates for biodynamic agriculture within the Nazi government. He held a high position on the staff of Richard Walther Darre, the Nazi minister of agriculture (on Darre’s staff Merkel’s title was Stabshauptabteilungsleiter im Stabsamt des Reichsbauernführers), and he published extensively on Nazi agricultural policy. Within the SS, Merkel was a leading figure in the SS Main Office for Race and Settlement (his official title was Führer beim Stab des Rasse- und Siedlungshauptamts der SS). He was also Leiter der Stabshauptabteilung im Reichsnährstand, as well as Hauptabteilungsleiter im Rassenamt des Rasse- und Siedlungshauptamt der SS.

Of course Nazi party membership alone, or SS or SA membership, are by no means the sole indication of active and enthusiastic participation in the Nazi movement. Consider the case of anthroposophist Georg Halbe, one of Merkel’s colleagues.

Halbe was a member of the Anthroposophical Society who does not appear to have been a member of the Nazi party, but was nevertheless a dedicated Nazi. From 1935 to 1942 Halbe was part of Darre’s staff in the Nazi agricultural apparatus, where he was particularly active in promoting biodynamic agriculture. His tasks included overseeing the “Blood and Soil” publishing house and helping produce the Nazi journal “Odal”, the chief mouthpiece for Darre’s blood and soil ideology. Halbe wrote extensively for other Nazi publications as well, including the Nationalsozialistische Landpost (National Socialist Rural Press), the journal Wille und Macht: Führerorgan der nationalsozialistischen Jugend (Will and Power, periodical of the Hitler Youth), and the SS journal Das schwarze Korps. After Darre fell from power in 1942, Halbe transferred to the Reich Ministry for the Occupied Eastern Territories, and then in March 1944 he moved to Goebbel’s Propaganda Ministry, where he continued to work until the end of the war and the destruction of the Nazi state.

If admirers of anthroposophy are interested in discussing the historical context and significance of these or other examples of anthroposophist Nazis, I welcome comments and responses. I will be in limited email contact for the next week but will follow up when I can. Greetings to all,

Peter Staudenmaier’
De tweede link leidt naar een nog eerdere bijdrage, namelijk van 12 juli 2007:
‘Hello all,

last month Roger asked about a list of anthroposophists who were also Nazis. The German anthroposophist periodical Info3 recently published a brief text of mine listing several dozen such cases from my current research in the German Federal Archives. For those who read German, the original is here: http://www.info3.de/ycms/artikel_1775.shtml [tegenwoordig te vinden onder http://www.info3.de/c5-style/index.php/magazin/info3/rubriken/projekte/anthroposophie-und-nationalsozialismus/anthroposophen-und-nationalsozialismus-neue-erkenntnisse/, MG]. The print version is in the July-August 2007 issue of Info3, pp. 42-43 (Peter Staudenmaier, “Anthroposophen und Nationalsozialismus – Neue Erkenntnisse”).

I’ll give the same list here in English, minus the archival citations. It includes people who were actively involved in anthroposophical organizations and who were also members of the Nazi party, the SS, or the SA (the so-called storm troopers of the Nazis, also known as the brownshirts).

The list is not comprehensive; these are cases that I came across in the course of my research, not ones that I sought systematically (I did not, for example, consult the main Nazi party membership rolls, much less the Anthroposophical Society’s records). The cases that appear here are ones that happened to have generated some sort of correspondence or some sort of separate documentation during the Nazi era itself. Thus what appears here is a cross-section, not a full account.

As part of my agreement with the anthroposophical magazine that published the list, I restricted myself to basic memberships and general biographic data, without context or historical interpretation. Since context and interpretation are crucial to understanding subjects like anthroposophy’s intertwinement with Nazism, however, I am happy to try to respond to any questions that others might have about this list of names or its significance.

Without further ado, then, here is the list:

[In de vorige bijdrage ook genoemd, MG:] Ernst Harmstorf was a prominent spokesman for anthroposophical medicine, particularly after 1945, and an early and active participant in the anthroposophical movement, since the beginning of the 1920s (he took part in the famous “Christmas Conference” in 1923, for example). Harmstorf joined both the Nazi party and the SA in 1933.

[In de vorige bijdrage ook genoemd, MG:] Anni Müller-Link was a member of the Anthroposophical Society from 1920 onward. In 1936 she joined the Nazi party via its foreign section (she lived in Switzerland) and took an official position in the local Nazi women’s organization.

[In de vorige bijdrage ook genoemd, MG:] Harald Kabisch was a regional official of “the biodynamic farmers” league, the Reichsverband für Biologisch-Dynamische Wirtschaftsweise. He joined the Nazi party in 1941.

[In de vorige bijdrage ook genoemd, MG:] Max Babl was the head of the Anthroposophical Society branch in the city of Erfurt. He joined the Nazi party in 1933.

[In de vorige bijdrage ook genoemd, MG:] Hermann Pöschel was the head of the Anthroposophical Society branch in the city of Plauen from 1927 onward. He joined the Nazi party in 1933.

[In de vorige bijdrage ook genoemd, MG:] Otto Feyh was the head of the Anthroposophical Society branch in the city of Schweinfurt. He joined the Nazi party in 1940.

[In de vorige bijdrage ook genoemd, MG:] Hans Pohlmann was the head of one of the Anthroposophical Society branches in Hamburg, founder of the Waldorf school in Hamburg-Wandsbek, and chairman of the local Waldorf school association. He was also a Nazi party member.

[In de vorige bijdrage ook genoemd, MG:] Friedrich Mahling was a member of the Anthroposophical Society and, in his own words, “an active participant in the National Socialist movement since 1932”; he joined the Nazi party in 1933.

Dr. Ernst Charrois, a member of the Anthroposophical Society in Nuremberg, joined the Nazi party in 1933.

Alfred Köhler, a member of the Anthroposophical Society in Nuremberg, joined the Nazi party in 1928.

[In de vorige bijdrage ook genoemd, MG:] Hans Merkel was an anthroposophist who became one of the leading advocates for biodynamic agriculture within the Nazi government. He held a high position on the staff of Richard Walther Darre, the Nazi minister of agriculture, and published extensively on Nazi agricultural policy. Merkel was an SS officer and a leading figure in the SS Main Office for Race and Settlement (his official title was Führer beim Stab des Rasse- und Siedlungshauptamts der SS).

Carl Grund was a prominent activist in the biodynamic movement and an anthroposophist since the 1920s. In the 1930s he worked as an official of the biodynamic farmers league and was one of the foremost spokesmen for biodynamic agriculture in Germany. Grund joined the Nazi party in May 1933, and joined the SA in November 1933. In 1942 he was made an SS officer, and was promoted to SS-Obersturmführer in 1943. Within the SS he was a specialist for agricultural questions.

Albert Friehe was another official of the biodynamic farmers league in the 1930s and an associate of Erhard Bartsch, the leader of the biodynamic movement and one of the leading anthroposophists in Nazi Germany. Friehe joined the Nazi party in 1925 and was particularly active in the areas of racial policy and agriculture. In 1932 he was a Nazi candidate for the elections to the Reichstag.

The anthroposophical author Oskar Franz Wienert joined the SS in 1944.

Carl Fritz was a member of the Anthroposophical Society and a member of the Nazi party.

Dr. Hugo Kalbe was a member of the Anthroposophical Society and an SA member.

Clara Remer was a member of the Anthroposophical Society who joined the Nazi party in 1932.

Heimo Rau was a well-known anthroposophist after WWII, the son of anthroposophists, and a Waldorf teacher from 1946 onward. He was also a Nazi party member.

Gotthold Hegele was a prominent anthroposophical physician after 1945. During his time as a medical student in Tübingen in 1937-38, Hegele was a high-profile student leader. According to his standard anthroposophical biography, Hegele was already an anthroposophist at this time, and explicitly brought anthroposophy into his student activism. What the biography doesn’t mention is that Hegele was also a Nazi student leader at the very same time and a member of the SA; in 1937-1938 he was the head of the Office of Political Education of the National Socialist Student League in Tübingen.

The Anthroposophical Society branch in the city of Gotha had two co-chairmen in the 1930s, Dr. Josef Schulz and Otto Thorwirth. [In de vorige bijdrage ook genoemd, MG:] Thorwirth was simultaneously a member of the Nazi party, and remained a party member throughout the Third Reich.

Josef Schulz applied to join the Nazi party in 1938. Although both the local Nazi party branch and the regional Nazi authorities endorsed his membership, he was turned down by the provincial party court because of his previous anthroposophical activities.

There are further instances of anthroposophists who were Nazi party members but were eventually expelled from the party after the anti-anthroposophical faction of the Nazis won the upper hand; one example is Wolfgang Schuchhardt, Nazi party member from 1938 to 1943. And there are quite a few other active anthroposophists who applied to join the Nazi party after the Anthroposophical Society was banned by the Gestapo in late 1935 but were turned down because of their anthroposophical involvements; these include Johannes Bertram-Pingel, Ernst Blümel, Herman Weidelener, Paul Reiss, Friedrich Böhnlein, Gotthilf Ackermann, Max Rodi, and August Wegfraß.

There are in addition several cases of individuals who became well-known in anthroposophical circles after 1945 and who were active Nazis before 1945; in these cases it isn’t clear if the individuals were already involved in anthroposophical activities during the Nazi era, but their Nazi memberships are confirmed in the archival documents. Such cases include several anthroposophical physicians, for example Werner Voigt, SA member from 1933 onward and SS member from 1936 onward, or Udo Renzenbrink, who joined the SS in 1933 and was also a Nazi party member. Other anthroposophists who belonged to the SA include Friedrich Kipp and Rudolf Kreutzer.

It is important to keep in mind that Nazi party membership alone is by no means the sole indication of active and enthusiastic participation in the Nazi movement. One of the more striking instances of this is the case of anthroposophist Georg Halbe. [In de vorige bijdrage ook genoemd, MG:] Halbe was a member of the Anthroposophical Society who did not join the Nazi party, as far as can be determined from the available documents. He was nevertheless a dedicated Nazi: From 1935 to 1942 Halbe was part of Darre’s staff in the Nazi agricultural apparatus, where he was particularly active in promoting biodynamic agriculture. His tasks included overseeing the “Blood and Soil” publishing house and helping produce the Nazi journal “Odal”, the chief mouthpiece for Darre’s blood and soil ideology. Halbe wrote extensively for other Nazi publications as well, including the Nationalsozialistische Landpost (National Socialist Rural Press), the journal Wille und Macht: Führerorgan der nationalsozialistischen Jugend (Will and Power, a periodical of the Nazi youth movement), and the SS journal Das schwarze Korps. After Darre was replaced by his anti-anthroposophist rival Backe in 1942, Halbe transferred to the Reich Ministry for the Occupied Eastern Territories, and then in March 1944 he moved to Goebbel’s Propaganda Ministry, where he continued to work until the end of the war and the destruction of the Nazi state.

That’s it for my list of anthroposophist Nazis. For the sake of thoroughness, I’ll add here a brief list of other anthroposophist Nazis that have been publically known previously, some of which we’ve discussed before. These include:

Dr. Hanns Rascher, longtime anthroposophist and member of the Nazi party from 1931 onward. Rascher was a prominent figure in anthroposophist negotiations with Nazi officials after 1933.

Friedrich Benesch, anthroposophist and after the war a leading figure in the Christian Community, was an active member of both the Nazi party and the SS; we discussed Benesch fairly thoroughly a few months ago.

Franz Lippert, anthroposophist and SS officer, former head gardener at Weleda and overseer of the SS biodynamic plantation at Dachau.

Otto Julius Hartmann, anthroposophist academic and member of the Nazi party from January 1934 until November 1940.

Els Moll, Waldorf activist from Stuttgart (she taught briefly at the original Waldorf school) and fervent Nazi.

Eugen and Margarete Link, anthroposophists since the 1920s, advocates for Waldorf after 1933 and longtime members of the Nazi party.

Werner Georg Haverbeck, prominent Nazi youth official and after the war the major figure on the far-right end of the anthroposophical spectrum in Germany.

In addition to these individuals, there are a range of other Nazi authorities who had extensive connections to and involvement in various anthroposophical activities, some of whom are sometimes considered anthroposophists themselves. These include the following:

Alwin Seifert, a high-profile figure in Nazi environmental protection (one of his titles was “Reich Advocate for the Countryside”) and a major proponent of biodynamic agriculture; whether Seifert should be classified as an anthroposophist or as an anthroposophist sympathizer remains a controversial question among both historians and anthroposophists. Seifert’s very active and very friendly connections with anthroposophists were extremely extensive, both during and after the Nazi era – much more so than, for example, Albert Friehe from my list above.

A variety of other important figures in Nazi agricultural policy were also active supporters of biodynamics during the Third Reich; the most important examples include two Nazi Reichstag members, Hermann Schneider and Rudi Peuckert, as well as Hermann Reischle, one of Darre’s chief staff members; also significant in this regard are several very high-ranking SS leaders, especially Günther Pancke and Oswald Pohl.

There were also a range of Nazi health officials who strongly supported various anthroposophical endeavors, from anthroposophical medicine (which was officially endorsed by the Nazi authorities in 1934 and incorporated into the Nazi natural therapy movement) to biodynamic nutrition; probably the most important of these was H. G. Müller, an official of the Reichsleitung, the Reich leadership of the Nazi party.

Then there are the three most contested individuals as far as anthroposophical-Nazi connections go: Otto Ohlendorf, Rudolf Hess, and Richard Walther Darre. Ohlendorf was a very powerful SS leader and a major Nazi war criminal; his brother was an anthroposophist, his doctor was an anthroposophist, and he consistently supported anthroposophical projects during the Third Reich; after he was convicted at Nuremberg and executed by the allies in 1951, his funeral was conducted by Haverbeck as Christian Community priest. In my view, however, Ohlendorf should probably be viewed as a sympathizer of anthroposophy rather than an anthroposophist.

I now think the same of Hess, though I have previously argued that he was an anthroposophist, based on the extent to which he structured his personal dietary and health choices around anthroposophical beliefs; my current view is that Hess’s occult interests were too nebulous to be specifically identified as anthroposophical, and that he is better seen as a sympathizer of anthroposophy and the major sponsor of anthroposophical activities during the Nazi era, but not as an anthroposophist himself.

That leaves Darre, who was initially skeptical of biodynamics but became an tenacious promoter of biodynamic agriculture after the start of WWII, and remained a supporter of biodynamics until his death in 1953. Darre seems to have begun to take other aspects of anthroposophy seriously only after his fall from power in 1942; during his imprisonment by the allies after his Nuremberg trial, for example, he read Steiner extensively and took copious notes; anthroposophical works appear to have provided Darre a sort of spiritual sustenance while in prison. But his initial access to anthroposophy was though biodynamics, and even during his phase of active support for biodynamic projects while he was still Nazi minister of agriculture, Darre kept his distance from the more esoteric aspects of anthroposophy and sometime criticized anthroposophists as sectarians. It is important to keep in mind the role of his anthroposophical staff members such as Halbe and especially Merkel (who was Darre's defense attorney at Nuremberg and a close associate until Darre’s death); Nazi authorities who employed and supported anthroposophists do not, however, thereby become anthroposophists themselves.

I am leaving out all of the other important anthroposophists who cultivated good relations with various Nazi authorities during the Third Reich but were not party members or SS or SA members themselves, as far as I know; people such as Rene Maikowski or Elisabeth Klein for the Waldorf movement or Erhard Bartsch or Franz Dreidax for the biodynamic movement or Friedrich Husemann for anthroposophical medicine, not to mention figures like Richard Karutz, prominent anthroposophical author and Waldorf advocate and supporter of Nazism. I am also leaving out the myriad high-level Nazis who supported specific anthroposophical endeavors at various times, from Wilhelm Frick to Robert Ley to Alfred Baeumler to Julius Streicher; all of these figures, in my view, call for a good deal more contextualization than I can provide at the moment.

I hope that this list is a little bit helpful in clarifying the complex relationships between anthroposophy and Nazism, and I encourage critical commentary and questions. I will have spotty internet access for a while, but I’ll do my best to keep up with any discussion that might ensue. Greetings to all,

Peter Staudenmaier’

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Translate

Volgers

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code