Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

donderdag 15 juli 2010

Peers

Het is alweer lang geleden dat ik Aertjan Grotenhuis aanhaalde: op 31 oktober 2009 in ‘Uitslag’. Maar als u die bijdrage leest, bent u meteen goed voorbereid op wat hij vandaag schrijft op zijn weblog ‘Geld’, op de website van NRC Handelsblad. Want dat behelst immers ‘BTW en alternatieve genezers’:

‘Alternatieve genezers hadden de warme belangstelling van de “oude” Tweede Kamer. De verkiezingen brachten het vertrek van enkele nauw bij het onderwerp betrokken Kamerleden zoals Pieter Omtzigt (CDA) en Kees Vendrik (GroenLinks). De laatste zette het kabinet aan het werk om op een nette manier uit te zoeken welke van de complementaire behandelaars belastingtechnisch gelijkgeschakeld moeten worden met de echte medici en welke met kwakzalvers. Daar is het kabinet Balkenende IV nooit uit gekomen.

Daarom handhaaft minister van Financiën Jan Kees de Jager, de bestaande situatie tot 1 januari 2011. Dat betekent dat als de behandelaar tevens arts is, zelfs gebedsgenezing onder de medische paraplu valt: er hoeft dan geen btw betaald te worden. Als de behandelaar geen arts is, moet er 19% btw worden afgedragen, zelfs al heeft bijvoorbeeld de chiropractor een jarenlange opleiding achter de rug.

Het is wellicht op de intensieve lobby van de complementaire behandelaars terug te voeren dat met name minister Ab Klink van Volksgezondheid er jarenlang niet uit wist te komen. Maar de nieuwe Kamerleden tonen weinig interesse. In de eerste weken van hun nieuwe periode stond het onderwerp één keer op de agenda zonder dat iemand er iets over te melden had. Dan komt het aan op de nieuwe minister van Volksgezondheid. Als die over de lijn van de klassieke medische wetenschap denkt, kan het btw-geschil bij een ongeïnteresseerde Kamer snel beslecht zijn in het voordeel van de reguliere medici.

Dit voortslepen van de huidige situatie kost veel: 65 miljoen euro per jaar. Eerst werd de rekening neergelegd bij de wijndrinkers via de wijnaccijns, toen bij de sigarettenrokers via de tabaksaccijns. Dat is de financiële kant van de steeds maar ontweken vraag waar de geneeskunst ophoudt en de kwakzalverij begint.
zie hier eerdere blogs over dit onderwerp’

Waarmee we meteen weer in de discussie over regulier versus alternatief (of complementair, of aanvullend, of integratief; u kiest maar wat het beste past) zijn beland. Voor het laatst had ik het daarover, vlak vóór het ingaan van mijn vakantieperiode, op 15 juni in ‘Aandacht’. Aanleiding was het opzienbarende persbericht van de Universiteit van Tilburg van een week daarvoor over het onderzoek van Peter Kooreman en Erik Baars, waaruit belangrijke besparingen bleken dankzij complementair werkende artsen. Dat onderzoek was hier ook op 13 juni in ‘Aanbevelingen’ en respectievelijk op 8 en 7 juni in ‘Resultaat’ en ‘Besparen’ ter sprake geweest. Dat dit tegenreacties zou opleveren, was te verwachten; en zo geschiedde. Meteen al op 8 juni kwam Jan Taco in het geweer. Die over zichzelf op zijn website ‘Dutch Button Works’ (deze eigenaardige naam wordt door hem hier nader verklaard) schrijft:

‘Als een belangrijk instrument voor innovatie in de zorg beschouwt Jan Taco te Gussinklo zorgvormen als EHealth/Telemedicine en Domotica. Hij heeft zich sterk gemaakt voor reguliere financiering van teledermatologie als zorgproduct in de reguliere zorg. Sinds 1 juni 2009 werkt hij freelance als publicist (medical writer) en innovatiecoach. Ondersteunend is het schrijven van bijdragen, zoals voor het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (http://www.medicalwriter.nl/). Hij is aangesloten bij twee journalistenverenigingen: de VWN (www.wetenschapsjournalisten.nl) en de VVOJ (http://www.vvoj.nl/cms/vereniging/profiel). (...)

Voordien heeft Jan Taco te Gussinklo (1946) twee decennia als internist gewerkt in de ziekenhuissector. Als zodanig betrokken bij het landelijk Visitatieproject en bij kwaliteit- en complicatieregistratie. Hij is een van de initiatiefnemers van een Transmuraal Diabetesproject in de regio Zwolle. Na zijn overstap als Geneeskundig Adviseur naar Achmea in 1998 heeft hij de aandacht gevestigd op diseasemanagement en innovatie in de zorgketen, maar ook de risico’s van de DBC-financiering.’

Wat schrijft hij nu in ‘Alternatief goedkoop verhaal’ over het onderzoek van Kooreman en Baars? Dit:

‘Op de radio gaf auteur Baars commentaar: “Hier liggen grote kansen voor Klink cq. zijn opvolger om bezuinigingen in te boeken”. Dat gaat mij veel te ver! De bevindingen zijn duidelijk, maar de conclusies gaan mij echt te ver. Ook al houden de onderzoekers slagen om de arm. Zeker is het minder sterk dat Baars zelf een voorvechter is van de alternatieve sector. Maar dat terzijde.

In de eerste plaats is een databestand van 150.000 verzekerden (van een regionale verzekeraar) zeer bescheiden. Laten we stellen dat het dan gaat om een vijftigtal huisartsen. Bovendien vanuit een circumscript deel van het land (Randstad en met name Den Haag).

Volgens mij kun je hooguit stellen dat de variatie in gegenereerde zorgkosten tussen huisartsenpraktijken groot is. Maar wisten we dat al niet? Bovendien is dat een multifactorieel fenomeen. Gaat het om groepspraktijken of solisten? Jonge of oude huisartsen? Ervaren of onervaren artsen? Grote of kleine praktijken? Verschil in attitude? Oude stadswijken of nieuwbouw met jongeren? Veel of weinig allochtonen. Rol verzekeraar (polis?). Ga zo maar door!

Onderzoeker Kooreman is doorkneed in onderzoek met postcodes (Postcodeloterij), maar of de medisch inhoudelijke kant afdoende is onderzocht? Ik zie uit naar commentaar!’

Dat commentaar kreeg hij ook: van prof.dr. Doeke Post, van Jan Willem Nienhuys en van Luc Bonneux. Dat zijn niet de minsten. En niemand was erg positief over het onderzoek, om het zacht uit te drukken; de tweede was eigenlijk nog het mildst in zijn oordeel. En dat is opmerkelijk, want hij is hoofdredacteur van de website van de Vereniging tegen de Kwakzalverij, in welke hoedanigheid hij op 23 juni, samen met voorzitter Cees Renckens, een artikel op die website plaatste met een vraagteken in de titel: ‘Kwakzalvende huisartsen goedkoper?’ De openingszinnen luiden:

‘Kwakzalvende huisartsen zouden goedkoper zijn. Dat zeggen twee antroposofen. Er valt nogal wat af te dingen op dit onderzoek.’

Nu kun je weinig anders uit deze hoek verwachten. Maar erg sterk is hun verweer niet. Leest u maar mee:

‘Volgens een bericht in de Volkskrant van 8 juni 2010 heeft de Tilburgse hoogleraar gezondheidseconomie Peter Kooreman tezamen met de Leidse lector antroposofische gezondheidszorg drs. Erik Baars vastgesteld dat huisartsen die ook acupunctuur, antroposofie of homeopathie toepassen 15 percent goedkoper werken dan reguliere artsen. De arts-epidemioloog E.W. Baars is – anders dan de oppervlakkige lezer zou opmaken uit de aanduiding “University of Applied Science” – niet aan de Leidse universiteit verbonden, maar bekleedt op kosten van een aantal antroposofische instellingen een parttime docentschap aan de Hogeschool Leiden. De rest van de tijd is hij werkzaam aan het antroposofische Louis Bolk Instituut te Driebergen. Kooreman zat ooit in het bestuur van de (antroposofische) Vrije School, eveneens in Driebergen. De heren zijn dus op zijn minst antroposfisch angehaucht.

Alternatieven hebben het eigenlijk al opgegeven om te proberen te bewijzen dat hun anachronistische kwakzalverijen werkzaam zijn. Zulke pogingen hebben immers nog nooit wat opgeleverd. Behalve bezwaar tegen de onwerkzaamheid ziet men ook wel protesten tegen de kostprijs van alternatieve hulp. De irreguliere dokters hebben weliswaar de naam dat zij zoveel aandacht hebben voor patiënten, maar ze brengen die tijd gewoon in rekening.

Daarom is het aantrekkelijk om proberen aan te tonen dat je met alternatief toch goedkoper uit bent en langer leeft. Het duo heeft zich op huisartsen gericht. Dat is op zich verstandig, want dan heb je vergelijkingsmateriaal.

Het is echter niet zo eenvoudig te bewijzen dat die goedkoopte gevolg is van effectieve alternatieve behandelingen. Dat hoeft helemaal niet zo te zijn. Onder de patiënten van alternatieve artsen zijn er die denken dat ziekten zinvol zijn en met rust gelaten moeten worden, of die bang zijn voor reguliere artsen of ziekenhuizen en die veel ongemak accepteren.

Een heel belangrijke factor is het feit dat belangstelling voor alternatieve geneeswijzen vaak samengaat met een hoger opleidingsniveau, en een in het algemeen hogere sociaal-economische status (daarom is de alternatieve geneeskunde ook zo populair bij GroenLinks), precies de parameters die ook statistisch gesproken samengaan met minder ziekte en een langer leven. Het is niet duidelijk hoe het zit met oorzaak en gevolg: is de liefde voor de alternatieve genezerij veroorzaakt door intellectuele aspiraties of door een goede gezondheid? In elk geval is dit feit voor verzekeraars waarschijnlijk reden om klanten te lokken met aanvullende pakketten met allerlei alternatiefs erin.

“Gecorrigeerd”

Kijkt men in het onderzoek, dan wordt men getroffen door de afwezigheid van relevante aantallen. Men ziet wel hoeveel leden van de VHAN (28), NAAV (25) en NVAA (26) en overige huisartsen (1257) er in de database zaten, maar wat de aantallen patiënten zijn waar het over gaat in de diverse categorieën (in totaal ca. 158.000 verzekerden van AZIVO, het voormalige ziekenfonds van Den Haag) en wat de spreidingen in de kosten zijn, staat niet vermeld. Opvallend is dat bovenstaande aantallen samen ruim 1300 huisartsen omvatten, terwijl de auteurs ook beweren dat er ca. 2000 huisartsen zijn met AZIVO-verzekerde patiënten. Een verklaring van deze discrepantie wordt niet gegeven. Opvallend is ook dat van alle VHAN-NAAV-NVAA-huisartsen in Nederland ongeveer de helft in de steekproef zit, terwijl van de overige Nederlandse huisartsen slechts ongeveer een tiende is vertegenwoordigd.

De onderzoekers erkennen wel dat socio-economische status een rol speelt, en ze zijn op het idee gekomen hiervoor te 'corrigeren' door de uitgaven van patiënten van de irreguliere artsen te vergelijken met andere patiënten (uit de database) in dezelfde postcode. Landelijk zijn alto-gelovigen gemiddeld beter opgeleid en welvarender, en er is geen reden om aan te nemen dat dit dan per postcodegebied opeens niet zo is (het kan theoretisch wel, dat is de paradox van Simpson).

Kleine aantallen?

De samenvatting in de krant noemde in de inleiding dat de alternatieve huisartsen 15 procent goedkoper waren. In het stuk van de auteurs is sprake van slechts 7 procent (in feite 6,5 procent), en dat is nog voor de poging tot correctie. De 15 procent slaat wellicht op de patiënten onder de 75 jaar van de homeopaten. Maar de kosten voor de 75-plussers zijn ongeveer even groot als van de 75-minners samen, en de 75-plussers van de homeopathische huisartsen zijn even duur als die van de gewone huisartsen. Overigens: de kosten zijn natuurlijk de kosten van de verzekering. De patiënten moeten doorgaans zelf een deel van de alternatieve zorg bijbetalen. De eenvoudigste aanvullende verzekering van Azivo geeft geen alternatieve dekking, en de wat luxere verzekering betaalt maar een deel.

Na genoemde correctiepoging blijken de kosten voor 75-plussers bij antroposofen enorm veel lager (400 euro per kwartaal op een totaal van ruim 1300 euro), maar toch is dit statistisch nog maar net significant, wat betekent dat het om heel kleine aantallen moet gaan of dat door enkele uitschieters de spreiding enorm is, of beide.

Er is misschien nog wel wat meer te zeggen over het stukje van de beide heren, en wie er lust in heeft mag proberen een touw aan de getallen vast te knopen. Maar misschien moeten we eerst maar eens wachten tot ze iets in een fatsoenlijk tijdschrift hebben gepubliceerd gekregen, in plaats van als weergave van een “submitted article” op de eigen website.

Naschrift 24 juni 2010
De hoofdauteur (Kooreman) laat weten dat uit het bovenstaande duidelijk is dat in de VtdK de competentie ontbreekt om het genoemde onderzoek te beoordelen.

Naschrift 2 juli 2010
Zie ook de discussie in Medisch Contact naar aanleiding van de berichtgeving over dit onderzoek, en een blog over hetzelfde onderwerp.’

Het is leuk om te merken hoe een wiskundige als Nienhuys alle mogelijk moeite doet om een onderzoek dat zonneklaar en op onbestrijdbare cijfers toch volledig ‘evidence based’ is, te ontkrachten. Natuurlijk zijn er bij deze gegevens nog voldoende verder uit te zoeken zaken, maar de tendens is overduidelijk, en die mag gewoon niet waar zijn. In zijn commentaar bij Jan Taco had prof.dr. Doeke Post al geschreven:

‘Afgezien van mijn idee dat we in de huisartsgeneeskunde moeten werken vanuit de wetenschappelijke geneeskunde moeten we mijn inziens niet op grond van de kostenaspecten de alternatieve geneeskunde introduceren als een onderdeel van het huisartsgeneeskundig handelen. In mijn colleges zei ik altijd dat deze alternatieve werkwijze soms wel helpt maar dat het niet werkt, niet wetenschappelijk aantoonbaar effectief is.’

Dit is een vorm van kokerdenken, alsof wat hier als ‘wetenschappelijk’ wordt gehanteerd het enig mogelijke wetenschappelijke is. Je kunt dit beter een beperkt wetenschappelijk denkkader noemen. Waarom zouden acupunctuur, antroposofie of homeopathie per se onwetenschappelijk moeten zijn? Het is er, het helpt, het werkt zelfs (ondanks Posts aanname), en het is in het geheel niet ‘oneerbaar’, om het zo maar eens te noemen; nu moet er alleen nog de juiste wetenschap bij gevonden worden. Kokerdenken helpt daar niet bij. Een erg mooi voorbeeld van een bijzonder onhandig en daarmee onpraktisch denken gaf Ad van der Hulst op zijn onvolprezen weblog ‘Adjustintime blog’ op 24 juni, getiteld ‘Het onstaan van bureacratie (2) (Een protocol is zo gemaakt maar niet snel weg)’, met als ondertitel ‘Uit het leven van een stafmedewerker’:

‘Op een dag wil een bewoner van een 24-uurs zorg voorziening een hondje. Hij wil het echt. De eerste reactie is “Wat leuk! waarom ook niet”. De tweede reactie is “Daar hebben we geen beleid voor”. De derde reactie ontstaat in een overleg “Wat nu als alle bewoners dieren gaan willen. Misschien zitten we straks met poezen, konijnen, vogels, cavia’s en hamsters.” Er ontstaat een schrikbeeld-toekomstscenario. “We zijn straks een dierentuin in plaats van... Wat te doen. We stellen een protocol op”. Vervolgens ontstaat er een protocol met veel tekst, dode taal, lange zinnen over de denkbeeldige situatie dat een van de andere bewoners een huisdier wil.

En... het ergste komt nog. De auditor van de kwaliteitscertificering komt langs en vraagt naar de inbedding van het “huisdierenbeleid” in het kwaliteitsbeleid. Hij stelt indringende vragen want wat nu als een van de volgende situaties zich voordoet:
– de bewoner wil het huisdier niet meer;
– de bewoner blijkt allergisch te zijn;
– de bewoner verhuist naar een woonplek waar anderen het dier niet willen;
– de broers/zussen/ouders van de bewoner willen geen dier meer want hij bijt, stinkt, piest enz;
– het huisdier wordt ziek en moet medische zorg hebben en dat brengt kosten en besluiten met zich mee. Wie gaat betalen en waarvan?

De auditor staat erop dat er beleid wordt geschreven voor de voorkomende situaties. Vervolgens verdient elk protocol een onderhoudscyclus. Waar wordt er geëvalueerd en bijgesteld? Wie is de eigenaar? Waar is dit alles vastgelegd in notulen, verslagen. Enz. enz.

Kortom: Laten we op houden met al deze onzin! Er is een simpele vraag vanuit het leven “Ik wil een hondje. Kunnen jullie dat samen met mij mogelijk maken?” Dus gewoon regelen of nee zeggen en heel wakker zijn op de daaruit mogelijk volgende bureaucratische staarten. Vooral géén beleid maken op incidentele gebeurtenissen die geen reëel risico in zich dragen.

Ik heb hetzelfde meegemaakt met:
– kledingvoorschriften (medewerker in korte broek, stagiaire met blote buik);
– kettingen en oorbellen van medewerkers;
– taalgebruik;
– parkeren van klusauto’s/campers op het parkeerterrein van de voorziening;
– jong hondje meebrengen naar een receptiefunctie enz. enz.

Iedereen die wat langer werkt kent ongetwijfeld dit soort situaties. Oplossing: een besluit nemen gegeven de zich voordoende context en dat besluit laten volgen door actie, en anders gewoon aanspreken. “Doen we hier niet”. En vooral geen beleid/protocol maken. Anders ontstaat hier een nieuw hoofdstuk in het bureaucratische handboek soldaat. Het zal niet gaan werken maar er zit wel een boel (niet cliëntgebonden) werk aan vast van allerlei medewerkers. Het beleid/protocol moet worden vastgesteld, eventueel voorzien van medezeggenschap, en zal vervolgens moeten worden onderhouden. De auditor moet er iets van vinden en doet dat dus ook.

Een protocol is hier een vorm van overproductie dat geen enkele waarde toevoegt en dus vermeden dient te worden.
De illusie achter achter al deze zaken is dat wijsheid opgedaan aan een unieke gebeurtenis richting aan handelen kan geven bij de volgende precies dezelfde gebeurtenis. En die komt uiteraard niet, maar wel een die er bijna op lijkt en dus...
Zie voor nog meer voorbeelden Het ontstaan van een bureacratie.

Voor situaties die echte kennis of vaardigheden betreft verdienen checklists veruit de voorkeur. Zij zijn de democratische vastlegging van de laatste stand van inzicht en ervaring van de medewerkers die de situaties in de praktijk tegen komen. Checklist zijn snel, flexibel en als ze goed zijn ook nog visueel. Zie deze lofzang op de checklist.’

Zoals Nienhuys en Renckens in hun naschrift van 2 juli al aangaven, is er ook in Medisch Contact een discussie ontstaan over het onderzoek van Kooreman en Baars. Daar gaan we nu ook even kijken, dat is te interessant om te laten lopen. Het oorspronkelijke artikel is verschenen in Medisch Contact nr. 24 van 17 juni en naar aanleiding van het persbericht over het onderzoek gemaakt door Sophie Broersen, onder de titel ‘“Semi-alternatieve” huisarts goedkoper’. De inhoud ervan is als volgt:

‘Patiënten van huisartsen die ook alternatieve geneeswijzen toepassen, maken minder gezondheidskosten. De lagere kosten komen door minder ziekenhuisverblijven en voorgeschreven medicijnen.

Dit blijkt uit onderzoek van Peter Kooreman, hoogleraar gezondheidseconomie aan de Universiteit van Tilburg, en Erik Baars, arts-epidemioloog en lector antroposofische gezondheidszorg aan de Hogeschool Leiden. Het artikel hierover is ingediend bij wetenschappelijke tijdschriften, maar is nu al in te zien. (zie onderstaande link)

De onderzoekers gebruikten voor hun onderzoek data van 150.000 Azivo-verzekerden. De patiënten die een huisarts hadden die opgeleid was in de antroposofie, homeopathie of acupunctuur, maakten minder kosten die door de verzekeraar werden vergoed. Erik Baars: “We hebben gekeken naar alle vergoedingen, ook die onder de aanvullende verzekering vallen. En we mogen aannemen dat patiënten van een alternatief werkende huisarts aanvullend verzekerd zijn voor die kosten.”

Na correctie voor mogelijke factoren van invloed, zoals sekse, leeftijd en woonwijk, bleken de gemaakte kosten bij patiënten van alternatieve huisartsen ongeveer 15 procent lager, zegt Baars: “Dat verschil zou nog groter kunnen zijn, als we hadden gecorrigeerd voor ernstige en chronische aandoeningen. Het is bekend dat patiënten met deze aandoeningen vaker voor een alternatief werkende huisarts kiezen.” De mortaliteit was in de vier jaar waarover gegevens zijn verzameld, iets lager in de “alternatieve” groep.

Zelf geven Kooreman en Baars als mogelijke verklaringen voor hun bevindingen dat patiënten die weinig zien in medische interventies sneller voor een dergelijke huisarts zullen kiezen, of dat de huisartsen in kwestie minder overbehandelen en meer met preventieve en gezondheidsbevorderende zorg bieden.
Lees hier het artikel van Kooreman en Baars

Blijkbaar was dit artikel al eerder op de website gepubliceerd dan in het tijdschrift ‘Medisch Contact’ zelf, want de eerste reactie werd gegeven op 16 juni, door de ons bekende Arie Bos, die zichzelf aanduidt als ‘semi-alternatieve huisarts’. Het is een zeer lange reactie:

‘In de online versie van MC van 10 juni is een onderzoek gepubliceerd van Kooreman en Baars dat onthult dat “semi-alternatieve” huisartsen goedkoper werken dan reguliere en dat hun patiënten ook nog langer leven, ondanks het feit dat hun populatie meer chronische- en ernstige zieken kent.

De onderzoekers leveren er de vermoedelijke oorzaken bij: minder ziekenhuisopnamen en minder medicijnen, minder overbehandelingen en meer preventieve maatregelen. Met “semi-alternatief” bedoelen de onderzoekers huisartsen die zich naast hun reguliere praktijk bekwaamd hebben in homeopathie, acupunctuur of antroposofische geneeskunde. De laatste combinatie komt, gezien het oorspronkelijke artikel, het meeste voor. De onderzoekers opperen niet dat het de complementaire interventies zelf zijn die voor het verschil zorgen, maar het vermijden van onnodige reguliere maatregelen. Als dat zo is, geeft dat te denken. Sinds Sylvia Millecam noemen tegenstanders van alternatieve of complementaire behandelingen het juist een gevaar als het inzetten hiervan ervoor zorgt dat een patiënt geen reguliere behandeling krijgt. Hier lijkt het zowaar juist omgekeerd te zijn. Bij Millecam was overigens geen “semi-alternatieve” huisarts betrokken. Die had ongetwijfeld op het belang van reguliere kankerzorg gewezen. Maar hoe zit het nu? Blijkt nu de reguliere geneeskunde een potentieel gevaar te zijn?

Een interview met Jozien Benzing, voormalig directeur van het NIVEL en nu hoogleraar Klinische Psychologie en Gezondheidspsychologie in Utrecht, in het blad “Supplement” geeft misschien wel het antwoord. Mevrouw Benzing heeft zo’n zestienduizend gesprekken tussen huisartsen en patiënten op video verzameld. Ze heeft de toon van deze gesprekken in de loop van de tijd zien veranderen en hierover gepubliceerd . Haar conclusie: patiënten hebben in dit gesprek dertig procent minder inbreng dan 15 jaar geleden. De huisartsen zijn steeds meer aan het woord. En dat terwijl in de huisartsenopleiding hier nu juist de meeste aandacht naar uitgaat: de patiënt moet vooral aan het woord gelaten. Hoe komt het dat dit niet in de praktijk wordt gebracht? Benzing heeft het over de verzakelijking van de geneeskunde, de eenzijdige nadruk op technologie en het verminderen van empathie. Waar zou dat door kunnen komen? De verzakelijking en nadruk op technologie gaat mijns inziens hand in hand met de evidence based medicine (EBM) zoals die nu in engere zin wordt gehanteerd. Patiënten worden geacht op geneesmiddelen te reageren zoals de grote groepen proefpersonen uit de trials, die meestal in het geheel niet lijken op de patiënten uit de spreekkamer. Als ze niet volgens het boekje reageren, voldoen ze niet aan de norm: het ziektemodel dat zelf ook “evidence” heeft verworven. Individuele kenmerken komen in dit soort onderzoeken vanzelfsprekend niet voor, en in de medische literatuur ook niet meer. Casuïstiek, het verhaal van één unieke patiënt, heeft geen bewijskracht en is daarom niet interessant. Veel auteurs hebben al op dit soort nadelen gewezen en op het feit dat EBM het monopolie van de farmaceutische industrie op het behandelen alleen maar heeft vergroot. Empathie veronderstelt juist belangstelling voor individuele kenmerken. Dat wordt door de EBM niet aangemoedigd, maar nu juist wel door de verschillende vormen van complementaire geneeskunde. Ook al ligt het niet in je aard om empathisch te zijn, en heb je bij de huisartsenopleiding niet opgelet, het biosociale model van de complementaire geneeskunde dwingt je er a.h.w. toe om belangstelling te tonen voor individuele kenmerken van de patiënt. Bij onderzoek naar placebo-effecten is gebleken, zo zegt ook Benzing, dat het de dokter zelf is die de grootste placebowerking kan tentoonspreiden. Door empathie en door te luisteren. Tegenstanders van complementaire geneeskunde vinden het tegen deze vorm van geneeskunde pleiten dat de placebowerking hier meer kansen krijgt. Alsof het om slimme verkooptrucs gaat. Nee, de strikt zakelijke aanpak, die is superieur, zelfs als mensen er niet beter van worden.

Het is jammer dat de achtereenvolgende ministers van Volksgezondheid de complementaire mogelijkheden steeds meer hebben ingeperkt. De antroposofische geneesmiddelen zijn vrijwel allemaal inmiddels verboden. Waarom eigenlijk? Omdat ze zo gevaarlijk zijn?

Elk jaar worden zo’n 19.000 mensen in Nederland opgenomen als gevolg van “verkeerd” geneesmiddelengebruik, waarvan er 6% overlijden en 9% blijvende schade ondervinden. Navraag bij de stichting Lareb, die de bijwerkingen van geneesmiddelen bijhoudt, leert dat van de 90.000 meldingen die er inmiddels binnen zijn, 300 afkomstig zijn van alternatieve middelen, waarvan 1 antroposofisch middel (biodoron, dat zwarte tanden gaf, waarvoor in de bijsluiter wordt gewaarschuwd: niet op kauwen maar met water doorslikken). Nee, de reden is dat antroposofische medicijnen niet homeopathisch en evenmin bekende kruidenmiddelen zijn, maar vaak combinaties. En die kent de wet niet.

In haar boek De God van kleine dingen beschrijft de Indiase schrijfster Arundhati Roy de besognes van haar hoofdpersonen met hun conservenfabriek: “Vroeger maakten ze er zuur, vruchtensap, jam, ananas in blik en allerlei soorten kerriepoeder. En bananenjam, maar dat was illegaal nadat de voedselorganisatie de fabricage had verboden omdat bananenjam volgens hun criteria jam noch moes was. Te dik voor moes, te dun voor jam. Een onduidelijke niet-classificeerbare substantie, zeiden ze.” Zo’n bureaucratische redenering geldt kennelijk voor antroposofische middelen ook. Het zal dus niet lang duren of de genoemde “semi-alternatieve” huisartsen zullen noodgedwongen net zo duur gaan werken als hun reguliere collega’s en medicatie met evenveel bijwerkingen gaan voorschrijven. Dat was tot nu toe het ideaal van het minister van Volksgezondheid. Hopelijk is de volgende wijzer.’

Interessant is de poging tot ‘debunking’ van Frits van Dam, secretaris van de Vereniging tegen de Kwakzalverij, die we ook hier al een keer hebben mogen begroeten (zie Voorman’ op 6 december 2008). Hij geeft op 30 juni zijn commentaar:

‘Geachte redactie,

Afgezien van de merites van het artikel, waar in methodologisch opzicht nogal wat op af te dingen is, zie bijv. http://www.kwakzalverij.nl/1228/Kwakzalvende_huisartsen_goedkoper, wil ik u graag opmerkzaam maken op het feit dat de wetenschappelijke mores hier met de voeten getreden zijn. Het wordt als afkeurenswaardig beschouwd wanneer een wetenschappelijk artikel, alvorens het aan een peerreview proces is onderworpen in de publiciteit wordt gebracht. Tijdschriften weigeren dan ook in het algemeen publikatie wanneer er een vroegtijdige publikatie in de lekenpers heeft plaats gevonden. Ik wijs u hierbij ten overvloede op de “Ingelfinger rule”.

Het persbericht is ongetwijfeld vervaardigd met het doel om aandacht voor de bevindingen te krijgen in de lekenpers. Daar zijn de auteurs prima ingeslaagd. Maar juist het aandacht zoeken in de lekenpers is kwalijk, omdat het publiek een onderzoek gepresenteerd krijgt waarvan de kwaliteit allerminst vaststaat, want het heeft geen beoordeling gekregen door “peers”. Het zou heel goed kunnen dat het artikel niet geaccepteerd wordt of grondig herzien moet worden.

Ik denk dat u er verstandig aan had gedaan geen melding van te maken van het persbericht of dat u er er minstens kritische kanttekeningen bij gemaakt had, waarbij zeker de premature publikatie door middel van een persbericht gericht op leken niet onvermeld had mogen blijven. Ook het feit dat het een publikatie van twee antroposofen was, had niet onvermeld mogen blijven.

Met vriendelijke groet,
Frits van Dam
Secretaris Vereniging tegen de Kwakzalverij’

Het is en blijft een gevecht, zeker met deze heren die zich als ridders tegen de kwakzalverij beschouwen. Wat is nu de grootste kwakzalverij, ga je je onwillekeurig afvragen. Helemaal als je een kort berichtje op de website van dezelfde vereniging ziet, gedateerd 29 juni, met de opmerkelijke titel ‘Gorter wint in beroep van Skepp’ (het staat zelfs nu nog keurig op de homepage). Weet u nog? Het is al zolang geleden dat Robert Gorter hier aan bod kwam, namelijk op 20 februari 2009 in ‘Mixture’. Daar is de hele voorgeschiedenis te lezen. En dan is dit dus het laatste nieuws:

‘Gisteren wees het Hof in Antwerpen in hoger beroep de meeste eisen van Gorter toe. Skepp moet van de website alle gewraakte passages in de artikelen verwijderen; Gorter mag zich professor noemen als hij er maar bij vertelt aan welke universiteit dat is. Skepp beraadt zich op cassatie. Zie ook bericht van Betz, en het blog van Crypotocheilus, waar men de pdf van de uitspraak kan inzien.’

Opmerkelijk, dat zou ik niet verwacht hebben. Zo zie je maar, het kan verkeren...

woensdag 14 juli 2010

Stichten

Weekblad Das Goetheanum bericht vandaag op haar website dat Ekkehard Meffert, over wie ik het op 25 april in ‘Bespreking’ voor het laatst nog heb gehad, in juni is overleden. Het bericht is getiteld ‘Zisterzienser-Forscher’:

‘Ekkehard Meffert †
Am 22. Juni ist Ekkehard Meffert 70-jährig verstorben.

Meffert war nicht nur Professor für Geografie in Bonn und Köln, er war auch publizistisch tätig. Er beschäftigte sich intensiv mit Nikolaus von Kues’ Leben und Lehre. Sein Lebensthema war die Welt der Zisterzienser, seine Forschungen darüber erschienen in diesem Jahr (‹Goetheanum› Nr. 11/2010).’

Opmerkelijk is verder het bericht ‘In guten Kreisen’. Dat gaat over een Nederlands boek dat ik op 7 april in ‘Look’ voorstelde. Zouden ze deze weblog soms ook in Dornach al lezen?

‘Faust kulturgeschichtlich. Vor einigen Wochen ist in den Niederlanden im Prometheus-Verlag (Amsterdam/Rotterdam) ein kulturgeschichtlicher Band über die Figur des Doktor Faust unter dem Titel ‹De duivelskunstenaar. De reis van Doctor Faust door 500 Jaar cultuurgeschiedenis› erschienen [Der Teufelskünstler. Die Reise des Doktor Faust durch 500 Jahre Kulturgeschichte].

Autor ist der Historiker, Essayist und Chef der Literaturbeilage von ‹NRC Handelsblad› Pieter Steinz. Steinz macht sich auf die Suche nach Doktor Faust heute: Er recherchiert an Originalschauplätzen, versucht, die Biografie des im 15. Jahrhundert geborenen historischen Fausts zu rekonstruieren, verfolgt die Faust-Legende bis in die Niederlande, reist nach Weimar und spürt dort dem goetheschen Faust nach und interviewt unter der Überschrift «Een held voor deze tijd» [Ein Held für unsere Zeit] Zeitgenossen zum Thema Faust. Zu den Interviewten gehören der Philosoph Rüdiger Safranski, der Schriftsteller Harry Mulisch, der Ökonom Hans Christoph Binswanger – und: Martina Maria Sam, Leiterin der Sektion für Schöne Wissenschaften am Goetheanum.’

Het was niet mijn bedoeling om vandaag weer een bericht voornamelijk in het Duits te maken. Maar u ziet het al, het is gebeurd voor je er erg in hebt. Daarbij heb ik voor vandaag een thema op het oog dat hier al vaker is aangesneden, namelijk de financiering van de Algemene Antroposofische Vereniging. Ook dat gebeurde voor het laatst in april; een vruchtbare maand blijkbaar (zie Druk’ van 17 april). Het materiaal dat ik hiervoor in petto heb, is opnieuw uit Duitstalige contreien afkomstig. Nou ja, dat moet dan maar. Elders ben ik er nog niets over tegengekomen. Het eerste is een verklaring op de website van de Allgemeine Anthroposophische Gesellschaft, van de Vorstand (het hoofdbestuur), dat daar meteen op de homepage in het menu links onder ‘News’ wordt aangekondigd, onder de titel ‘Goetheanum-Initiative von Cornelius Pietzner’. Klik je erop, krijg je dit hele verhaal voorgeschoteld, gedateerd op 29 juni:

‘Cornelius Pietzner, Finanzverantwortlicher im Vorstand der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft, hat seinen Kolleginnen und Kollegen vom Vorstand am Goetheanum ein neues Finanzierungsinstrument vorgestellt: eine Goetheanum-Stiftung. Um diese aufzubauen, wird Pietzner vom Amt des Schatzmeisters auf der Generalversammlung 2011 zurücktreten.

Es gehört zu den täglichen Verantwortlichkeiten des Schatzmeisters im Hinblick auf den Haushalt des Goetheanum und der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft, die Strategien, Entwicklungen und Möglichkeiten für eine kurz-, mittel und langfristige Finanzierung der vielschichtigen Aktivitäten zu berücksichtigen. Das Goetheanum erhält etwa die Hälfte seiner Gesamteinnahmen – im Durchschnitt etwa elf Millionen Franken jährlich – durch Mitglieder- und Institutionsbeiträge, Schenkungen, Spenden und Legate. Die andere Hälfte erwirtschaftet das Goetheanum selbst durch seine Veranstaltungen, Aktivitäten und Dienstleistungen. Noch nie im Laufe seiner bald hundertjährigen Geschichte war die Finanzierung des Goetheanum und der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft einfach, aber während der letzten Jahrzehnte hat der mitgliederfinanzierte Teil langsam ab- und der durch die Eigentätigkeit zu finanzierende zugenommen. Die daraus entstehenden Schwierigkeiten wurden in den letzten zwei Generalversammlungen dargestellt und dokumentiert.

Zusätzliche Finanzierungsstruktur

Als Ergebnis aus den Erfahrungen der letzten Jahre stellte Cornelius Pietzner zu Jahresbeginn im Vorstand eine grundlegende Initiative vor. Sie geht davon aus, dass die Anerkennung und Akzeptanz Rudolf Steiners und des Goetheanum innerhalb Europas wesentlich höher sind als diejenige der Anthroposophischen Gesellschaft. Es ist an der Zeit, eine zusätzliche und langfristig aufgestellte Finanzierungsstruktur zur Unterstützung des Goetheanum und der Gesellschaft zu schaffen, die den Weg zu einem größeren Publikum ermöglicht. In diesem Sinne hat Cornelius Pietzner die Initiative zur Gründung einer Goetheanum-Stiftung als eine schweizerische gemeinnützige Stiftung ergriffen, die in Zusammenarbeit mit dem Vorstand der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft stehen wird. Die Goetheanum-Stiftung wird nicht aus Mitteln der Gesellschaft errichtet.

Sie wird Gesellschafter eines ‹Social Impact Investment Equity Fund›, der in nächster Zeit ins Leben gerufen wird. Dieser Impact Fund wird von privaten und institutionellen Investoren aufgelegt, die Interesse an einer Langzeit-Beteiligung zeigen und für die eine maximale Investitionsrendite nicht die maßgebende Motivation ist. Dieser Impact Fund hat die Absicht, im Laufe der Zeit Einnahmen aus seinen Beteiligungen der Goetheanum-Stiftung – und damit der Anthroposophischen Gesellschaft – zufließen zu lassen. Zudem wird sich die Goetheanum-Stiftung in einem neu zu erschließenden Interessentenkreis für die Vermittlung von und Fundraising für größere, mit dem Goetheanum abgestimmten Projekten einsetzen. So bestehen die beiden Funktionen der Stiftung in der Nutznießer- sowie Eigentümerrolle im Impact Fund und in der Mittelbeschaffung in einer breiteren Öffentlichkeit.

Wechsel zur Stiftung

Damit sich die hier skizzierte Initiative entwickeln kann, hat sich Cornelius Pietzner entschieden, sich in Zukunft ganz diesem Vorhaben zu widmen. Das hat zur Folge, dass er sich von seinen Aufgaben und Verantwortlichkeiten als Mitglied des Vorstands und als Schatzmeister anlässlich der nächsten Generalversammlung im April 2011 zurückziehen möchte. Cornelius Pietzner ist seit 2002 als Vorstand und Schatzmeister am Goetheanum tätig und wird seinen neuen Aktivitäten von Dornach aus nachgehen. Wir unternehmen die notwendigen Schritte, um seine Nachfolge als Schatzmeister der Gesellschaft zu gewährleisten.

Der Vorstand am Goetheanum’

Voor commentaar op deze gebeurtenis en een analyse die hout snijdt, kunnen we overschakelen naar het Duitse tijdschrift Info3. Ik berichtte gisteren in ‘Voetballuuuh’ al over de vernieuwing die de website van dit maandblad sinds kort heeft ondergaan. We kunnen met ingang van het juli-augustusnummer weer zien wat de inhoudsopgave (hopelijk elke keer) behelst. Thema is dit keer ‘Finanznot in Dornach. Goetheanum zwischen Kostendruck und Neubesinnung’. De coverstory is van Ramon Brüll, vroeger hoofdredacteur en tegenwoordig uitgever van dit blad (en jawel, zoon van de fameuze Dieter Brüll). Hij heeft zich eerder over de kwetsbaarheid van de Algemene Antroposofische Vereniging evenals haar financiën uitgelaten. Dit keer schrijft hij over ‘“Unbequeme Wahrheit” für das Goetheanum’:

‘Auch die Anthroposophische Gesellschaft in Dornach muss massiv Kosten senken. Sie versucht dies mit Vernunft und einer bemerkenswerten Transparenz.

Es ist wie mit der Bahn und dem Wetter: Seit Jahren sprechen Experten, die es wissen können, davon. Nur der Schatzmeister nicht. Das Goetheanum, Zentrum der weltweit tätigen Anthroposophischen Gesellschaft, ist nach Stand der Dinge im bisherigen Umfang “eigentlich” nicht mehr finanzierbar. Aber Hagelsturm und Gewitter müssen erst einmal toben, und schon spricht auch die Bahn vom Wetter. Nachdem es viele Jahre lang in Dornach ausschließlich Schönwetterberichte gab, hatte letztlich auch der Schatzmeister des Goetheanums 2007 mit seinem Rechenschaftsbericht auf der Generalversammlung der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft vorsichtig angedeutet, dass es finanzielle Probleme gibt. Spätestens mit dem seit Ostern diesen Jahres vorliegenden Finanzbericht zum Geschäftsjahr 2009 und dem Budget für 2010 kann aber die harte Realität nicht mehr verborgen bleiben: Es sind massive Einsparungen notwendig geworden. Cornelius Pietzner, Finanzvorstand am Goetheanum, gab auf der diesjährigen Generalversammlung unumwunden zu: “Für die Vorhaben” am Goetheanum seien im Verhältnis zur Größenordnung der weltweiten Mitgliedschaft “die laufenden Kosten zu hoch und zu teuer.” Hier liege “eine unbequeme Wahrheit”.

Ich habe Pietzner an anderer Stelle, als es um den Verkauf von Aktien der Weleda ging (die als Treuhandvermögen als unverkäuflich galten), scharf kritisiert (zuletzt in info3, 3/2010). Hier muss ich aber Respekt vor einer vollzogenen Kehrtwendung bezeugen. Handelte es sich 2007 noch um eine vorsichtige Andeutung, so wurde 2008 schon berichtet, dass es ohne die außergewöhnlichen Erträge aus dem Verkauf von Weleda-Anteilen in Millionenwert zu erheblichen Problemen gekommen wäre. 2009 entschuldigte sich Pietzner für die fehlende Transparenz gegenüber der Mitgliedschaft bei dem Weleda-Deal und sprach erstmals aus, dass die Betriebskosten im Verhältnis zu den jährlichen Einnahmen “schlichtweg zu hoch” seien. Man könne deshalb nicht davon ausgehen, dass man fortfahren könne, “wie es hier am Goetheanum 80 Jahre lang ging”. Und Ostern 2010 schließlich wurden Ross und Reiter genannt: Jährlich fehlen, trotz immenser Anstrengungen, mindestens zwei Millionen Schweizer Franken, etwa acht Prozent des Gesamtetats. (Alle Beträge in diesem Artikel sind in Franken angegeben, ein Franken entspricht etwa 0,70 Euro.)

Verfolgt man die Entwicklung am Goetheanum, dann kann man leicht feststellen, dass das Problem sich zwar zugespitzt hat, aber im Grunde schon länger existiert. Neu ist, dass darüber gesprochen und veröffentlicht wird. Neu ist seit 2008 auch der Versuch, mittels eines etwas unglücklich benannten und in der Form auch noch nicht wirklich überzeugenden “Transparenzvergleiches” eine genaue Zuordnung der Kosten zu den einzelnen Arbeitsbereichen des sehr komplex organisierten Zentrums in Dornach zu machen. Und nicht zuletzt sei erwähnt, dass die aktuellen Finanzberichte einschließlich der Bilanzen und Budgets sowie, zurückgehend bis 2001, auch die Rechenschaftsberichte des Schatzmeisters im Internet veröffentlicht sind (www.goetheanum.org). Das ist schlichtweg beeindruckend und bleibt es auch dann, wenn Fragen, etwa nach den Vorstandsgehältern, unbeantwortet bleiben oder wenn die eine oder andere Formulierung auf den ersten Blick über die Realität hinwegzutäuschen scheint. Warum ist zum Beispiel von “Ausgabenüberschuss” die Rede, wo doch schlicht Verlust oder Unterdeckung gemeint ist? Dennoch: Hut ab!

Die Rolle der Mitgliederbeiträge

Träger des Goetheanums in Dornach bei Basel ist die Allgemeine Anthroposophische Gesellschaft. Diese internationale Dachgesellschaft ist nach Schweizer Recht gemeinnützig. Die Gesellschaft zählt zurzeit weltweit ca. 47.000 Mitglieder. Das Goetheanum wird als deren Zentrum betrachtet, wobei in diesem Fall kein Verwaltungszentrum und noch weniger ein Weisungszentrum gemeint sind. Vielmehr gehen von hier aus vielfältige Anregungen geistiger, sozialer und kultureller Art für die Arbeit mit und an der Anthroposophie aus, hier finden zahlreiche öffentliche Kongresse sowie Fachtagungen statt, wo sich Mitglieder und andere Besucher treffen können. Das Goetheanum ist außerdem Sitz der Freien Hochschule für Geisteswissenschaft mit ihren Fachsektionen, es unterhält mehrere Ausbildungsstätten und ist nicht zuletzt mit seinem großen Saal zugleich Spielstätte beispielsweise des ungekürzten Goethe’schen Faust, großer Eurythmieproduktionen sowie der von Rudolf Steiner verfassten Mysteriendramen. Des besonderen Charakters dieser Dramen und auch der Bauformen wegen wird das Goetheanum in der Mitgliedschaft auch als Mysterienort gesehen. Darüber hinaus gibt es selbständige Tochterunternehmen wie etwa den Verlag am Goetheanum, das Kaffee- und Speisehaus, Gästehäuser, Stiftungen (deren finanzielle Ergebnisse somit nicht Gegenstand des Finanzberichtes sind), eine Bau- und Liegenschaftsverwaltung (die unter anderem die Instandhaltung des immensen, von Steiner entworfenen und in Gussbeton gebauten Goetheanums wie auch diverser Nebengebäude und Mitarbeiterwohnungen betreut) sowie als Zweckbetrieb die Wochenschrift Das Goetheanum. Die gesamte Organisation zählt etwa 180 fest angestellte und 80 freie Mitarbeiter.

Landläufig geht man davon aus, dass das Goetheanum und die Freie Hochschule für Geisteswissenschaft weitgehend durch die Mitgliedsbeiträge finanziert werden. Im Gründungsstatut der Allgemeinen Anthroposophischen Gesellschaft heißt es entsprechend, Ziel der Gesellschaft sei “die Förderung der Forschung auf geistigem Gebiete, Ziel der Hochschule die Forschung selbst”. Rein betriebswirtschaftlich stimmt die Annahme der Trägerschaft durch die Mitglieder jedoch nicht. Auf der Einnahmenseite machen die Mitgliedsbeiträge nur etwa 4,5 von 23,2 Millionen Franken aus (das sind etwa 19,3 Prozent) und sind zudem rückläufig. Andere Einnahmen sind Beiträge von Institutionen, Erlöse aus Tagungen, Kongressen und anderen Tätigkeiten, zweckgebundenen und freien Spenden (24,5 Prozent), Legaten, Vermietungen usw. Die Zahl der Mitglieder erreichte 1997 mit 54.736 Seelen weltweit einen Höhepunkt, ist seitdem aber rückläufig und beträgt heute rund 47.000 Menschen (Graphik nur in der Print-Ausgabe).

Goetheanum bald pleite?

In den neueren Budget- und Erfolgsrechnungen wird zwischen den Bereichen “Hochschule” einschließlich der Fachsektionen, “Kulturhaus Goetheanum” einschließlich Bühnenbetrieb, Veranstaltungsmanagement, Empfang etc. und (Anthroposophische) “Gesellschaft” unterschieden. Zu dem Bereich “Gesellschaft” werden die Verwaltungsaufwendungen sowie Mitgliedsbeiträge, Spenden, Legate etc. gerechnet, aber zum Beispiel auch die Liegenschaftsverwaltung, die bereits genannte Wochenschrift sowie die außerordentlichen Einnahmen und Ausgaben. Die Kosten für den sechsköpfigen Vorstand einschließlich Sekretariate (in 2009 insgesamt 1,4 Millionen Franken) werden je zur Hälfte dem Bereich Hochschule und dem Bereich Gesellschaft zugerechnet. Aus dem Geschäftsbericht 2009 geht hervor, dass der laufende Haushalt der Hochschule und der des Kulturbetriebes deutlich defizitär sind. Allein der Bühnenbetrieb weist eine Unterdeckung von ca. 4 Millionen Franken auf. Die Fehlbeträge werden aus dem Haushalt der Gesellschaft beigesteuert (Tabelle nur in der Print-Ausgabe). Diese Förderung von Forschung und Kultur kann man so wollen, wie es in den Statuten formuliert ist, es muss aber auch funktionieren. Und genau da liegt der Hase im Pfeffer. Das Verhältnis von Kosten und Einnahmen ist aus den Fugen geraten. Wenn nicht bald wesentliche Veränderungen herbeigeführt werden, wird das Goetheanum in wenigen Jahren bankrott sein.

Auf den ersten Blick geht die Rechnung noch auf – und genau das ist das Kunststück, das der Finanzvorstand Jahr für Jahr für das komplizierte Gebilde Goetheanum vollbringen muss und bisher auch vollbracht hat. Wenn dennoch Grund zur Sorge besteht, dann deshalb, weil in den letzten Jahren neben dringenden Spendenaufrufen für Sonderprojekte immer wieder Notmaßnahmen zur Erzielung außerordentlicher Ergebnisse ergriffen werden mussten. Pietzner nennt in den Rechenschaftsberichten etwa den Verkauf von Immobilien und von (meist ererbten) Wertpapieren und die Auflösung zweckbestimmter Rückstellungen (insgesamt 2,3 Millionen Franken), die bereits erwähnte Veräußerung von Kapitalanteilen der Weleda AG mit einem Nettoertrag von 9 Millionen (!) Franken, der Verzicht auf die regelmäßige Abschreibung (das ist die zeitanteilige Wertminderung) vom Saalausbau in Höhe von 1,3 Millionen Franken (was unter redlichen Kaufleuten eine buchhalterische Todsünde bedeutet), das Verschieben der eigentlich schon seit 1996 dringend notwendigen Erneuerung der Bühnentechnik (für die mehrere Millionen veranschlagt werden) sowie von größeren Renovierungsarbeiten am Schieferdach, an den Außenterrassen sowie an Nebengebäuden des Goetheanums, die mit 3,7 Millionen Franken zu Buche schlagen müssten. Das alles sind Maßnahmen, die man entweder nur einmal machen kann (wie die Notverkäufe) oder nicht straflos wiederholen kann (wie das Hinauszögern von Instandhaltungsarbeiten). Befriedigend ist dieses Flickwerk, auch wenn dadurch Jahr für Jahr einigermaßen ausgeglichene Ergebnisse ausgewiesen werden konnten, für niemanden, und zukunftsweisend ist es noch weniger.

Ein weiterer kritischer Punkt sind die Legate, Erbschaften von verstorbenen Mitgliedern. Schon Pietzners Vorgänger Rolf Kerler war bemüht, die Legate nicht für den laufenden Haushalt einzuplanen, sondern sie als Sondereinnahmen für besondere, zusätzliche Projekte zu verwenden. Gelungen ist das nie. Erst als die Legate, die in den Jahren zuvor durchschnittlich 2,5 Millionen Franken ausmachten, 2007 plötzlich fast ausblieben (budgetiert waren 2,4 Millionen, geflossen sind nur 341.000), sah man sich gezwungen, sie künftig nicht mehr als sichere Einnahmen einzuplanen. Im Budget 2010 sind nur noch 500.000 Franken vorgesehen.

Sparmaßnahmen 2010

Dass es so nicht weitergehen kann, ist, wie Pietzner sagte, eine “unbequeme Wahrheit”, die inzwischen die Spatzen von den Dornacher Dächern pfeifen.

Kritische Stimmen meinen schon lange, das Goetheanum könne sich eine solche Bühne mit allein über 80 Mitarbeitern nicht leisten – aber die Bühne ist aus der Sicht anderer gerade der spirituelle Kernbereich des Goetheanum. Außerdem hat man in den letzten Jahren dort bereits schwerwiegende Eingriffe vorgenommen und, zum Leidwesen der Künstler, auf die meisten Festanstellungen zugunsten projektbezogener Engagements verzichtet. Somit sitzt man in der berühmten Klemme, in der jeder Eingriff zugleich falsch und doch notwendig ist. Ein mühsamer Abwägungsprozess, bei dem auch über die Ursachen nachgedacht wird, ist jedenfalls im Gange (siehe auch das Gespräch mit Paul Mackay und Bodo von Plato in der Print-Ausgabe).

Weil man es, wie sich gezeigt hat, mit einem strukturellen Defizit zu tun hat und die Einnahmen kaum gesteigert werden können, bleibt nur die Möglichkeit, Kosten einzusparen. Notwendig sind laut Rechenschaftsbericht des Schatzmeisters in 2010 1,8 Millionen und 2011 weitere 1,7 Millionen, insgesamt also 3,5 Millionen Franken. Der Vorstand am Goetheanum hat deshalb einen Etat vorgelegt, in dem von einer acht- bis zehnprozentigen Reduzierung in allen Bereichen die Rede ist. Die Gespräche sind im Gange, Mitarbeiter bangen bereits um ihren Arbeitsplatz. Ausnehmen will der Vorstand nur den Bereich der Hochschule, weil die geistige Arbeit, die Forschung, die Quelle der Anthroposophischen Arbeit ist. Diese Einschätzung jedenfalls sei Konsens. Auch das lässt aufhorchen! Vor 15 Jahren noch hat man ohne nennenswerte Diskussion, ohne Konsens im Vorstand und erst recht ohne die Mitgliedschaft miteinzubeziehen, den millionenschweren Ausbau des großen Saales (1996-1998) beschlossen. Über die künstlerische Ausgestaltung kann man streiten (und es wurde darüber gestritten!), was aber versäumt wurde, war die Frage zu beantworten, ob man vorrangig eine Kultstätte, ein Theater oder ein Kongresszentrum gestalten wollte. – Eine solche grundsätzliche Frage sollte man aber klären, bevor man Millionen in die Hand nimmt oder hinschaut, wo man sie streicht. Dass die Klärung diesmal vorab und weitgehend in Konsens erfolgt ist, scheint ein Beweis dafür, dass sich doch etwas bewegt hat auf dem Hügel. Und dass die Dornacher Anthroposophen fähiger sind als eine Regierungskoalition in Berlin.’

De ‘unbequeme Wahrheit’ die Pietzner en met hem Brüll in de mond nemen, is natuurlijk een verwijzing naar de film ‘An Inconvenient Truth’ van Al Gore. En met de nodige humor bedoeld. Als je deze analogie echter werkelijk doortrekt, wordt het een beetje pijnlijk. Hoe geloofwaardig was Al Gore nu eigenlijk echt? En zijn waarheid dat de wereld en vooral het milieu op een regelrechte ramp afstevenen, is die niet ook in veel te grote mate en met onduidelijke bedoelingen gemanipuleerd? Een beetje op de manier zoals Michael Moore in zijn films afrekent met diverse heilige en onheilige huisjes? Ik weet dus niet of dit nu zo’n goede en gelukkige vergelijking was, Pietzner met Gore en zijn ongemakkelijke waarheid met diens ‘inconvenient truth’...

dinsdag 13 juli 2010

Voetballuuuh

‘Alles in en om Amsterdam is vandaag gericht op crowd control. De stad verwachtte 1 miljoen toeschouwers bij de huldiging van het Nederlands elftal en beleeft een van de grootste logistieke operaties uit zijn geschiedenis, ook al is het verwachte aantal toeschouwers inmiddels wat naar beneden bijgesteld.’

Zo begint vanmiddag een artikel van de redacteuren Karel Berkhout en Laura Starink op de website van NRC Handelsblad over het ingehaald en gehuldigd worden van de elf van Oranje. De verloren finale van het Wereldkampioenschap voor landenteams afgelopen zondag staat dit feestvertoon niet in de weg, hoe erbarmelijk die wedstrijd ook was. De commentaren in de kranten logen er eerder niet om.

Het thema voetballen en antroposofie werd tijdens dit kampioenschap verschillende keren door Hugo Verbrugh op zijn weblog behandeld. Maar Verbrugh is geen sportliefhebber, laat staan voetballiefhebber, dus daar kon weinig goeds uit voortkomen. Hij richt zich voornamelijk op de excessen en uitwassen die soms ook met zo’n massasport als deze gepaard kunnen gaan. Nee, hoe je het anders en beter kan doen, liet Jelle van der Meulen meteen zondagavond meebeleven. Hij schreef de volgende, schitterende analyse, onder de titel ‘Über den Ball als Geliebte’. In het Duits, zoals alles op zijn weblog, maar omdat hij een Hollander is, in een idioom dat ook goed te volgen is voor Nederlanders die het Duits niet zo machtig zijn:

‘Spanien ist also Weltmeister geworden, verdient würde ich sagen. Die spanische Mannschaft ist wie eine Harmonika, die von zwei unsichtbaren Händen manchmal zart, manchmal wild, dann wieder cool oder verärgert bespielt wird. Die Mannschaft dehnt sich aus, zieht sich zusammen, neigt sich in die Länge, neigt sich in die Breite... Und der Ball ist eine gemeinsame und geteilte Geliebte, die gezielt dorthin gebracht werden soll, wo sie unbedingt hin soll, nämlich ins Tor der Gegner, das im Grunde genommen ein Bett ist.

Ich mag die spanische Mannschaft sehr. Aber auch die Deutschen haben mir Spaß gemacht. Podolski, Schweinsteiger, Özil, Müller und Klose haben über Wochen überzeugend bewiesen, eine intime Beziehung zum Ball zu haben. Vor allem Özil hat mich diesbezüglich beeindruckt. Wenn er den Ball an seinen Füßen hat, scheint das Ding sich in ein empfindsames Sinnesorgan zu verwandeln, so etwas wie ein rundum nacktes Auge, das gleichzeitig auf alle Mitspieler schaut und dem türkisch-deutschen Spieler telepathisch mitteilt, wohin der nächste Pass soll.

Und dann Klose... Jemand aus der deutschen Abwehr hat den Ball wild und weit nach vorne geschossen, einfach um vom feindlichen Druck befreit zu werden. Der Ball ist also unbestimmt unterwegs, dreht sich hoch oben in der Luft verunsichert um die eigene Achse, weiß also nicht so ganz genau, was das alles soll, kann sich dann nicht länger da oben halten und senkt sich alsdann in einer nicht nachvollziehbaren Kurve genau an die Stelle, an der sich gerade der rechte Fuß von Klose befindet. Dieser Fuß küsst den Ball, macht dann eine winzig kleine Bewegung, eine zarte Drehung, die eher wie eine Liebkosung ist, und bringt das runde Ding wieder zu sich selbst und damit ins Spiel.

Wunderschön... Es gibt allerdings noch ein paar Fußballspieler mehr, die es zu würdigen gilt. Leider hat Messi aus Argentinien seine Liebe zum Ball in den letzten Wochen kaum zeigen können. Der Grund ist ziemlich einfach: seine Gegner hatten so viel Angst vor ihm, dass er von mindestens vier stämmigen Kerlen andauernd überwacht wurde. Er konnte nirgends hin, nicht in den Osten, nicht in den Westen, nicht in den Süden, nicht in den Norden. Und als er etwas dazwischen ausprobieren wollte, etwa NNW, stand da ein fünfter Kleiderschrank. Schade, schade, weil Messi ohne Zweifel der rührendste Fußballspieler der Welt ist. Sein Trainer Maradonna nennt ihn “mein Maradonna”, aber er hat sich auf der taktischen Ebene leider nichts einfallen lassen, um seinen Augapfel aus seiner unmöglichen Lage zu befreien. (Er hätte ihn zum Beispiel nicht als Stürmer, sondern als Rechtsverteidiger aufstellen können. Wäre genial gewesen...)

Dann Arjen Robben. Der Holländer spielt wie der Teufel mit seinem ganzen Körper, wie Gott mit seiner Stirn. Robben treibt auf rechts nach vorne, nimmt den Ball mit seinem ganzen Körper mit, als ob das Ding wie ein Testikel an seinem Bauch baumelt, dreht nach rechts, dreht dann nach links, hält kurz inne, und alle Mitspieler und Zuschauer wissen: jetzt wird es geschehen! In der teuflischen Verwirrung entsteht bei den Gegnern ein kurzes Staunen, fußball-technisch heißt das “Lücke”, und in diese Lücke schickt Robben mit seinem mächtigen linken Bein die Kugel, die rechts oben im Tor landet, dort, wo die Hände des staunenden Torwarts gerade nicht hinreichen. So macht Robben das. Und seine Stirn? Davon hat er ganz viel, wie ein Flachland, das sich vertikal aufgerichtet hat. Wenn er den Ball ins Tor köpft, meint man, dass er den Ball dorthin GEDACHT hat.

Diego Forlán aus Uruguay. Er hat das erste Gegentor gegen die Holländer unerwartet-aber-sehr-elegant ins Netz gebracht. Forlán sieht ein bisschen aus wie ein Popsänger, der kurzfristig zu einer Party eingeladen worden ist, nicht so genau wusste, was er zu erwarten hatte, schnell seine Haare mit einem Haarband mehr oder weniger in Ordnung brachte und sich jetzt ohne Bedenken ins Feiern stürzt. Im herzlichen Ausnutzen von gebotenen Gelegenheiten ist Forlán ein Meister: er weiß eigentlich von nichts, ist an nichts beteiligt, schon gar nicht an solchen lästigen Vorgängen wie “Vorbereitungen” und “Aufbau” und “Aufräumen”, führt das Fest allerdings zu einem unvergesslichen Höhepunkt. Er macht das Fest zu einem Fest, weil er sich zu etwas eingeladen fühlt, was über das Fest hinaus geht.

Carles Puyol. Von dem Spieler aus Barcelona wird gesagt, dass er vielleicht nicht so ganz viel Talent hat, allerdings im Stande sei, eine ganze Mannschaft zusammen zu halten (als ob das kein Talent wäre). Als Fußballer scheint er mir reiner Wille zu sein. Meistens steht er ganz hinten, überblickt das ganze Spiel, greift aggressiv-aber-fair ein, schmeißt sich sozusagen in bedrohliche Situationen und löst sie mit Kraft und Intelligenz auf... Recht schön ist Puyol allerdings, wenn er in der Luft schwebt, was er oft und gerne auf unerklärliche Art und Weise macht: er sieht den Ball von rechts oben kommen, macht ein paar Schritte um Fahrt zu kriegen, löst sich rätselhaft ohne Flügel vom Erdboden, drängt mit seinem Kopf nach vorne, trifft die Kugel (ich meine eigentlich: er begegnet ihr) und hilft ihr gezielt ins Bett. Die deutschen Fans verstehen was ich meine...’

John Wervenbos probeerde hetzelfde thema al op 20 mei aan te kaarten op zijn weblog. Die tekst gaat over veel meer dan alleen voetbal. In de commentaren doet Frans Wuijts de onthulling dat hijzelf in jonge jaren profvoetballer bij Heerenveen is geweest. Hij trad daarmee in de voetsporen van zijn vader die bij Sparta ‘een mooie sportcarrière (heeft) beleefd’. Verder schrijft hij over hem, naar aanleiding van een foto met daarop een voetbalelftal:

‘In de eerste twee links kan je mijn vader aantreffen die samen met Abe Lenstra en andere Heerenveen-prominenten in het toenmalige kampioenselftal (in de noordelijke competitie) furore maakten. De basis voor de bijzondere sfeer tijdens wedstrijden van Heerenveen (supportersrellen komen niet voor!) is in die tijd (1943-1950) gelegd. Landelijk kampioen is Heerenveen nooit geworden. Wel enkel malen tweede.

Mijn vader leerde Abe kennen in het Bondselftal gedurende de oorlogsjaren. Hij was als Sparta-speler opgesteld in het Nederlands voor de wedstrijd tegen Luxemburg op 10 mei 1940. Die werd vanwege de mobilisatie afgelast en het Ned. elftal werd vervangen door het Bondselftal van de KNVB. Na de bombardementen op Rotterdam haalde Abe mijn vader over naar Heerenveen te komen, omdat het daar relatief rustig was. En zo werd hij vaste speler van het eerste van Heerenveen.’

Erg mooie geschiedenis! Onvermijdelijk bij zo’n thema zijn natuurlijk de opvattingen van Steiner over sport en over het voetbal in het bijzonder. Die probeert Frans Wuijts, naar aanleiding van een van de commentaren van John Wervenbos, vervolgens te verwoorden:

‘Mij staat in mijn herinnering aan de jaren ’80 toen ik intensief bij het Vrije Schoolonderwijs betrokken was, de volgende gedachtegang bij over voetbal.

“Een bal kan worden beschouwd als een beeld van de aarde en ook van de kosmos en ons menselijk hoofd. Het schoppen tegen een bal geeft in dit verband een ongemakkelijke associatie. Daardoor is het beter om voetbal in de vrije School te vermijden”.

Ik heb dat als liefhebber van dit spelletje nogal overdreven gevonden. Voor zover een dergelijk gezichtspunt een rol kon spelen, vond ik dat hierin juist een aanleiding kon zitten om dit spel respectvol te leren beoefenen. Dus natuurlijk ook voetballen op de Vrije School.

Opmerkelijk is wel de mate van agressiviteit die er rondom het voetbal hangt. Dat is met andere sporten veel minder het geval. Het is alsof dit schoppen niet alleen agressie op het veld met zich mee kan brengen maar ook in de omgeving. (...)

Ik heb begrepen dat Rudolf Steiner niet veel waardering voor (top)sport kon opbrengen. Elke dag een wandeling maken en gewoon je werk doen, zou in zijn ogen qua lichaamsbeweging al voldoende zijn. Over de waarde van voetbal in pedagogische zin zou hij zich nooit hebben uitgelaten. Uitspraken van hem over voetbal lijken verkeerd te zijn uitgelegd.’

Maar vrijescholen in Nederland en België lijken zich hier weinig van aan te trekken, getuige de volgende kleine berichtjes. Deze is van 31 januari:

‘Om geld op te halen voor Haïti hebben scholieren van de Dolfijnenburch in Middelburg zaterdag een voetbaltoernooi gehouden op de Markt. Daaraan deden ook scholieren van de Vrije School, de Vossenburch en de Acaciahof mee. De leerlingen hielden ook een collecte onder het publiek en ouders verkochten “koek en zopie”. Organisatoren Wessel Reynierse en Kelvin Gabriëlse uit groep 8 hadden bovendien bedrijven gevonden die wilden sponsoren. Uiteindelijk leverde dat allemaal 826,51 euro op.’

En hier zijn het zelfs de vrijeschoolmeisjes die van zich doen spreken:

‘Op 10 maart werd de stadsfinale van het Cruyff Courts kampioenen 6 vs 6 gespeeld op het Cruyff Court Soesterkwartier Veld in Amersfoort. Voetbalvrouwen de Vrije School wonnen bij de vrouwen en FC Knudde uit Kruiskamp is het mannenteam dat naar de regiofinales zal gaan. Het voetbaltoernooi is hét school-/straatvoetbaltoernooi voor jongens en meisjes uit groep 7 en 8 van het reguliere basisonderwijs. Het is de eerste keer dat Amersfoort meedoet aan dit landelijke spektakel.

Het voetbaltoernooi bestaat uit vier rondes. In de eerste ronde werden er wedstrijden op wijkniveau georganiseerd. Van de 26 deelnemende teams in Amersfoort mochten er uiteindelijk tien door naar de stadsfinales. De winnaars van de stadsfinale, voetbalvrouwen de Vrije School en FC Knudde uit Kruiskamp, zullen Amersfoort vertegenwoordigen bij de regiofinales op 14 april . De winnaars van dit toernooi plaatsen zich uiteindelijk voor de Landelijke Finale in Amsterdam waar op 22 mei wordt gestreden om de titel: “Cruyff Courts Kampioen van Nederland 2010”.

SRO en SWA organiseerde het Amersfoortse toernooi in samenwerking met de Johan Cruyff Foundation. In 1997 richtte Johan Cruyff zijn eigen Foundation op om kinderen een veilige plek te bieden waar zij kunnen sporten en spelen. In samenwerking met verenigingen, sportbonden en bedrijven werden er op verschillende plaatsen in Nederland Cruyff Courts gebouwd. In Amersfoort werd het Cruyff Court geopend op 10 juni 2009.’

Ik heb trouwens niet kunnen uitvinden hoe een en ander verder is verlopen. Maar wel dat voetballen ook in België op de vrijeschool staande praktijk is. Alleen met minder succes:

‘De scholieren zaalvoetbalploeg van het Atheneum Merelbeke heeft met droge 18-2 cijfers tegen de Gentse Steinerschool de Oost-Vlaamse finale van SVS gewonnen.’

Dat is natuurlijk wel zuur. Maar wat echt zuur is, is dat in Duitsland nog steeds hard moet worden gevochten om het beeld van Steiner als voetbalhater. Het grootste antroposofische maandblad Info3 heeft eindelijk zijn website vernieuwd (dit werd al jaren geleden aangekondigd), waarbij nu dan ook opnieuw de mogelijkheid bestaat om rechtstreeks kennis van de inhoud te nemen. Zodat we te weten komen dat Christian Grauer zich heeft gewijd aan ‘Entkräftung eines Gerüchtes. Waldorf darf Fußball!’

‘Das Fußballverbot an Waldorfschulen, so es noch besteht, kann mit vielem begründet werden – nur nicht mit Rudolf Steiner. Christian Grauer, selbst ehemaliger Waldorfschüler und Nicht-Fußballspieler, hat recherchiert – und entlarvt einen Mythos.

Wenn in meiner nachbarschaftlichen Kindergemeinschaft mal wieder Fußball angesagt war, draußen auf der Wiese, am Ende des Wohngebietes, dann musste auch ich mitspielen. Links hinten – weit hinten – in der Verteidigung, um die Mannschaft vollzukriegen. Das Fußballverbot in der Waldorfschule, die ich dann später besuchte, kam mir insofern entgegen und war dort eigentlich nie wirklich ein Problem für mich. Vielleicht auch, weil meine Schule in der Stadt eines Eishockey-Bundesligisten stand und insofern Fußball dort ohnehin nur zweite Wahl war. Und immerhin durften wir irgendwann Hockey im Turnunterricht spielen.

Heute schaue ich zwar auch mal gerne zu, wenn Brasilien gegen Griechenland verliert, von Leidenschaft kann aber nicht die Rede sein. Im Grunde ist mir Fußball so gut wie egal; praktisch wie theoretisch. Eishockey übrigens auch - und wenn ich ehrlich bin auch Hand-, Feder- und Basketball. Aber Fußball hat natürlich in Deutschland und in vielen anderen Ländern einen besonderen Stellenwert. Es ist die populärste Sportart. Ich fürchte, das allein genügt an vielen Waldorfschulen schon für einen Bannfluch. Denn was populär ist, was die Mehrheit macht, was Mode ist, das ist hier von vornherein verdächtig. Waldorf lebt wie jede Alternativbewegung auch vom Anderssein als Selbstzweck.

Aber beim Fußball muss es noch mehr sein. Die Konsequenz und Vehemenz, mit der das Fußballverbot an Waldorfschulen zu meiner Schulzeit praktiziert wurde und teilweise noch heute praktiziert wird, steht in einem so krassen Kontrast zu der relativen Harmlosigkeit dieser Sportart (es wird von zwei Mannschaften zu je elf Personen versucht, einen Ball nur mit dem Fuß – manchmal auch mit dem Kopf – in das jeweils gegnerische Tor zu manövrieren), dass mehr hinter dieser Abneigung stecken muss als nur etwas Elitarismus. Und so wird man auf die Frage nach den Gründen eher nebulös, aber stets bedeutungstragend auf menschenkundliche Aspekte und entsprechende Erklärungen Rudolf Steiners verwiesen. Das geht von allgemeinen Verweisen auf die Grobheit dieser Sportart über die “unnatürliche Benutzung der Beine und Degradierung der Hände” bis hin zu Verstiegenheiten wie der Erklärung, der Ball, als “Symbol der Erde”, dürfe nicht mit Füßen getreten werden (1). In Wahrheit gehen diese Erklärungen wahrscheinlich alle zurück auf das 1955 erschienene Buch Leibesübungen und Bewusstseinsschulung, in welchem der Waldorfturnlehrer Rudolf Kischnick den Fußball verteufelt und als “Totenkopfspiel” bezeichnet. Ich habe Kischnicks Buch nicht selbst gelesen und vermutlich ist es gar nicht mehr erhältlich. In Anbetracht dessen, was man darüber hört, schwant mir dabei allerdings nichts Gutes. Doch ich gestehe jedem zu, seine eigene Meinung über Fußball zu haben. Und ich gestehe auch jeder Waldorfschule zu, in ihren Turnlehrplan aufzunehmen, was ihr beliebt. Ich bin ein eifriger Verfechter der Bildungsfreiheit! Und wenn es den Fußball trifft – nun gut.

Aber wie verhält es sich denn nun mit Rudolf Steiners “menschenkundlichen Hinweisen”? Das interessiert mich. Und zwar nicht wegen des Fußballs, sondern weil mir selbst nicht auch nur ansatzweise ein vernünftiger Grund einfällt, warum beispielsweise Handball, Baseball oder das waldorfseits so oft gespielte (und von mir gehasste) “Völkerball” (zwei Mannschaften sind gehalten, sich wie Hühner hin und her scheuchen zu lassen, um sich dann gegenseitig durch gezielten Ballwurf “abzuschießen”) irgendwie besser, edler, gesünder, “geistiger” sein sollte als Fußball. Wenn es dazu einen menschenkundlichen Hintergrund gibt, dann stelle ich mir vor, dass der richtig spannend sein muss.

Also ziehe ich die Gesamtausgabe des Steiner’schen Werkes, die “GA”, zu Rate, die zum Glück endlich in digitaler Form und recherchierbar vorliegt: Was findet sich da wohl an interessanten Aussagen unter dem Stichwort Fußball? – Wer Interesse hat, lese die drei Fundstellen im Anhang nach, denn ich verrate nicht zu viel, wenn ich es vorwegnehme: man findet dazu nichts; rein gar nichts; nullkommaüberhauptnichts!

Steiner war Sport sehr suspekt. Keine Frage. Da gibt es auch menschenkundliche Ausführungen dazu. Meine Lieblingsstelle: “Sport ist praktischer Darwinismus.” Das gefällt mir. Anderen vielleicht nicht. Man kann aber dazu stehen, wie man will: Das trifft alle Sportarten. Auch dass “die modernen Sportgeschichten” den Menschen “mechanisieren” (2), mag gar nicht falsch sein, solange man es ins richtige Fach menschenkundlicher Relevanz einordnet und dabei das Leben nicht vergisst (3). Aber auch das gilt wieder für den Sport insgesamt, und nicht nur für ihn. Mit dem Auto in die Schule gefahren zu werden, ist auch nicht gerade ein eurythmisierender Vorgang. Sport wirkt dagegen immerhin noch sozial integrativ. Uns jedoch treibt aber doch die Frage nach der Besonderheit des Fußballspieles um. Da findet es Steiner bedauernswert, dass beispielsweise Fußball populärer ist, als sich um wichtige Dinge zu kümmern (4). Da stimme ich ihm wieder zu – aber auch hier ist der Fußball nur ein prominentes pars pro toto. Was sollte daran “menschenkundlich” sein? Und: Fußball sei “internationaler” als geistige Initiativen (5). Ein signifikantes Zeitzeichen, keine Frage – aber nichts Menschenkundliches über Fußball! Und das war’s dann auch schon. Drei Fundstellen in über 350 Bänden.

Es findet sich offenbar keine einzige handgreifliche Aussage von Rudolf Steiner über das Thema Fußball, aus der irgendein Urteil über dessen Vor- oder Nachzüge gegenüber anderen Sportarten innerhalb der Kunst der Erziehung abgeleitet werden könnte. Es handelt sich beim waldörflichen Fußballverbot also um nichts anderes als einen schieren Mythos. Ebensogut könnte man unter Berufung auf Steiners Menschkunde das Bockspringen, den Stufenbarren oder Völkerball verbieten. Allerdings würde man damit manchem Schüler wenigstens eine Freude bereiten.

(1) Waldorfschüler – und sicher auch -eltern – werden diese oft gehörten Possierlichkeiten um weitere Begründungen ergänzen können.

Und hier die Fundstellen zum Suchbegriff “Fußball...”:

(2) “Es ist zum aus der Haut zu fahren, wenn man all die modernen Sportgeschichten wie zum Beispiel Fußball und so weiter sieht, wie sie den Menschen mechanisieren und ihm nichts von dem einfügen, was in ihm geistig ist, so sehr man sich das auch einbildet.” GA 156, 97f

(3) “Es ist durchaus nicht die Absicht der Waldorfschul-Methode, diese Dinge zu unterdrücken. Sie können schon betrieben werden, einfach weil sie im englischen Leben eine große Rolle spielen und das Kind ins Leben hineinwachsen soll. Nur soll man sich nicht der Illusion hingeben, daß das eine andre Bedeutung hat, als eben diese, daß man das Kind nicht weltfremd machen soll. Zu glauben, daß Sport für die Entwickelung einen furchtbar großen Wert hat, das ist ein Irrtum. Er hat nicht den großen Wert für die Entwickelung; er hat nur einen Wert, weil er eben eine beliebte Mode ist, und man soll durchaus das Kind nicht zum Weltfremdling machen und es von allen Moden ausschließen. Man liebt Sport in England, also soll man das Kind auch in den Sport einführen. Man soll nicht irgendwie sich philiströs gegen dasjenige stemmen, nun ja, was vielleicht philiströs ist.” GA 311, 139

(4) “Sehen Sie, ich war im letzten Sommer auch in England. Gerade als wir abreisten, war ganz England voll von Erregung, wartete auf die Blätter, die abends erscheinen sollten über das wichtigste Ereignis. Alles wartete auf die Abendblätter. Auf was warteten sie? Auf den Ausgang des Fußballspieles!
Jetzt sind wir gerade von Norwegen heruntergefahren. Wie wir einstiegen, waren viele da, die uns begleiteten. Aber der ganze Bahnsteig stand voller Menschen. Und wie der Zug sich in Bewegung setzte, erscholl es: Hurrah! Hurrah! – Und auf der nächsten Station schrien sie: Hoch soll er leben! – Ja, unseretwegen geschah das natürlich nicht, sondern es frägt sich, was da war. Ich konnte gerade noch erfahren: Das waren Fußballer, die von Mitteleuropa da hinaufgekommen waren und nun wieder zurückfuhren.
Ja, wofür interessieren sich heute die Menschen? Also viel mehr als für ein Ereignis, das mit Wohl und Wehe von Millionen Menschen etwas zu tun hat, interessieren sich heute die Leute für diese Dinge, die nach und nach den physischen Leib wegziehen vom Ätherleib, so dass der Mensch überhaupt nurmehr ein Erdentier wird.
Das ist der Grund, warum den Bewegungen, die heute in aller Welt gemacht werden und die immer weiter und weiter sich verbreiten, andere entgegengesetzt werden müssen: das sind die eurythmischen Bewegungen. Die richten sich nach dem Ätherleib. Da werden Sie alle diejenigen Bewegungen sehen, die der ätherische Leib ausführt. Das ist außerordentlich wichtig.” GA 350, 23

(5) “Heute machen es sich die Menschen viel zu bequem. Sie machen es sich wirklich viel zu bequem. Was ist heute am meisten international? Das Fußballspiel! Ich habe es Ihnen neulich erklärt. Dasjenige aber, was geistig ist, das wird immer auf kleine Zirkel und so weiter zusammengedrängt. Das zersplittert sich. Nicht wahr, in Norwegen kann man hören: Hoch soll er leben! –, oder man hört ein deutsches Lied singen, wenn Fußballspieler auf dem Bahnhof sind. Aber sonst sondern sich die Leute ab.” GA 350, 65

Links zum Thema:
• Warum darf an vielen Waldorfschulen nicht Fußball gespielt werden?
• Debatte auf z-netz.alt.schule.waldorf
Buchtipp zum Thema:
Roland Benedikter: Zeitgeist-Symptome. Der Sport. in: Schriftenreihe Kontext Band 4, info3-Verlag Frankfurt, 10,- Euro’

Als je dit zo leest, dan begrijp je ook beter waarom Ansgar Martins weinig opheeft met de inhoud van het vrijeschoolonderwijs. Als vrijeschoolleerling kun je hem niet het recht ontzeggen op zijn weblog zijn onverbloemde mening hierover te geven. Wat hij dan ook superkritisch doet. Hij heeft zijn vrijeschoolloopbaan net afgesloten, en dit is zijn bijzonder mooie resumée, onder de titel ‘Plötzlich “EX-Waldorfschüler” – Rückblick und Danksagung’:

‘“Jeder Abschied fällt schwer, auch wenn’s ein lang ersehnter war.” – Autor (mir) unbekannt

Ich beginne diesen Artikel am 1. Juli 2010 um ziemlich genau 19.00 Uhr. Heute Morgen wurde meine aus 24 SchülerInnen bestehende Klasse nach ihrem 13. Schuljahr und von allen bestandenen Abiprüfungen offiziell entlassen. Voll realisiert habe ich das wohl immernoch nicht, aber das kommt sicher in absehbarer Zeit.

Damit sind wir nun (logischerweise) keine Waldorfschüler mehr, haben alle eigene und unterschiedliche Wege zu gehen und werden die der anderen wahrscheinlich doch noch eine ganze Weile mit Anteilnahme verfolgen. Denn wir waren – oder: sind – nach all den Jahren, die wir miteinander verbracht haben, insbesondere nach den im 13. Jahr genommenen Hürden vor dem Abitur, eine sehr sehr starke Gruppe. Ich würde sagen: Ein Freundeskreis. Für den Rückhalt, den ich in verschiedensten Situationen bei meinen Klassen“kameradInnen” hatte, bin ich jedenfalls zutiefst und ehrlich dankbar.

Am Montag haben wir unser – jetzt ehemaliges – Klassenzimmer ausgeräumt, dabei alte Epochenhefte (vgl. hier zum Epochenunterricht), verstaubte “Kunstwerke”, Zeichenmappen unserer 12.Klassfahrt, jede Menge Lexika und alte Zeitschriften freigelegt und an die eigentlichen InhaberInnen verteilt, und dabei hatte zumindest ich das objektiv betrachtet banale, aber ungewohnte Gefühl, jetzt offiziell keinen “Raum” mehr in dieser Schule zu haben. Und ich habe gemerkt, dass ich nicht nur meinen Jahrgang, sondern auch meine Schule vermissen werde. Es war eine Zeit, die mich nicht nur sehr geprägt hat, sondern aus der ich auch bewusst unheimlich viel an Positivem mitnehme – neben Kontakten die Erfahrungen aus Praktika, Klassenspielen, dem Organisieren von Flohmärkten und SV-Angelenheiten, um nur einiges zu nennen.

Ich möchte mich (auch) auf diesem Wege bei allen Menschen aus meiner Klasse bedanken, aber auch bei vielen meiner LehrerInnen – mit ein paar (würde ich behaupten), bin ich bzw. sind auch viele meiner MitschülerInnen, inzwischen auf freundschaftlichem Niveau. Positiv muss ich hier auch eine sehr hohe Offenheit und Diskussionsbereitschaft zu allen möglichen Themen verbuchen, die mir auch nach Beginn und Bekanntwerden meines anthroposophiekritischen Engagements noch entgegenschlugen (entgegen der Prognosen und Warnungen mancher AnthroposophiekritikerInnen). Trotzdem wird mich der mir von dem ambitionierten Anthroposophen Michael Mentzel sicher in abwertender Absicht beigelegte Spitzname “Waldorfschüler mit der Lizenz zum Klugscheißern” (TdZ), der auch in unsere Abizeitschrift einzug hielt, wahrscheinlich (zurecht) noch über Jahre begleiten.

Natürlich schreibe ich all das hier nicht nur, weil ich damit besagten SchülerInnen oder LehrerInnen dieses Gefühl von Verbundenheit und Dankbarkeit mitteilen will, sondern weil ich versuche, auf diesem Blog die “Waldorfwelt” zu spiegeln. Bei der überwiegenden Kritik an Methoden (zB der Epochenunterricht, s.o.) und Grundlagen (Erziehung und Evolution, Typen, Themen, Temperamente) der Waldorfschulen blicke ich auf eine schöne, sehr bereichernde Schulzeit zurück. Das hier zu verschweigen wäre genauso “lügenhaft”, unehrlich und verzerrend wie das Verschweigen der problematischen Grundlagen.

Die große – vielleicht größte – Stärke der Waldorfschulen, jedenfalls, so weit ich sie erlebt habe, sind weder der spezifische “Lehrplan” noch die üppig vorhandenen künstlerischen Fächer, sondern die menschlichen Beziehungen, die Vertrautheit, die sich zwischen den SchülerInnen und zwischen SchülerInnen und LehrerInnen aufbauen können (wobei besonders letzteres natürlich auch schief laufen kann, vgl. Erziehung und Evolution). Der Rückhalt, den einem eine (Lern-)Gruppe von vertrauten und einem größtenteils auch sehr sympathischen Menschen gibt, ist der persönlichen Entwicklung und auch dem Aufnehmen von Lernstoffen selbstverständlich sehr förderlich.

Damit wird mir wieder bewusst, was ich auch schon an anderer Stelle geschrieben habe (Der Schatten einer Seifenblase): Menschliche Beziehungen, ohne alle sonstigen “Inhalte”, jede Metaphysik oder “Menschenkunde”, sind das, und vermutlich das einzige, was viele Waldorfschulen wirklich in einem signifikanten Maß positiv vor anderen Schulen auszeichnet. Damit sind zutiefst SINNLICHE, keinesfalls die behaupteten “Über-SINNLICHEN” Bestandteile das eigentliche Lebenselement der Waldorfpädagogik. Steiner hat in seinen amateurhaften Suchbewegungen im Pädagogischen hier unwissentlich eine “Goldader” angekratzt, und wenn er sie auch nicht ausschöpfte, sondern durch seine Projektion ins “Übersinnliche”, Außerweltliche methodisch fast wieder verschüttete, hat er sie immerhin gestreift.

Für meine Biographie würde ich das einen verdammt glücklichen Zufall nennen – ich habe gerade durch genau diese Mischung mein spezielles Interessengebiet zwischen Philosophie, Geistes- und Ideengeschichte, Schul- und Esoterikkritik auftun können. Andere hatten an Waldorfschulen und mir dieser Thematik sicher weniger Glück.

Erziehung auf Beziehung aufbauen, eine “Schule für Menschen”, möglichst ohne Trennung in Lehrende und Lernende, die physischch und zeitlich aus Freiräumen für Begegnung und gegenseitiges Lernen und (Be)Lehren besteht, scheint mir auch die kürzeste Formel und der größte Wunsch für eine “Pädagogik der Zukunft” zu sein.

Die Waldorfschulen haben es bisher nicht geschafft, diese Schule zu werden, und werden es vermutlich auch nie – solange sie sich den Zugang zum Menschlichen dadurch verbauen, dass sie letzteren aus einer übersinnlichen Komponente herleiten wollen.

“Die Liebe zum Menschen darf keine abgeleitete sein; sie muß zur ursprünglichen werden. Dann allein wird die Liebe eine wahre, heilige, zuverlässige Macht. Ist das Wesen des Menschen das höchste Wesen des Menschen, so muß auch praktisch das höchste und erste Gesetze die Liebe des Menschen zum Menschen sein. Homo homini Deus est – dies ist der oberste praktische Grundsatz – dies der Wendepunkt der Weltgeschichte”

– (Ludwig Feuerbach in: Das Wesen der Religion. Ähnlich übrigens Marx hat in seinen von “kritischen Linken” wie so vieles zu schnell verworfenen “frühen Schriften”, wo er einen gewissen Edgar Bauers kritisiert: “Herr Edgar verwandelt die ‘Liebe’ in eine ‘Göttin’, und zwar in eine ‘grausame Göttin’, indem er aus dem liebenden Menschen, aus der Liebe des Menschen den Menschen der Liebe macht, indem er ‘Liebe’ als ein apartes Wesen vom Menschen lostrennt und als solches verselbstständigt.”, Marx: Frühe Schriften, Bd. I, hrsg. von H.J.Lieber und P. Furth, Cotta-Verlag, Stuttgart 1962)

Trotzdem bieten die Waldorfschulen mit all ihren Eigenheiten doch auch interessante Refugien und haben vielen Menschen – meine Klasse und mich eingeschlossen – eine gewinnbringende “Jugend” eröffnet.

Ich bin jedenfalls – wie gesagt – den Menschen, die mich während dieser Zeit begleitet haben, sehr, sehr dankbar und wünsche ihnen alles Gute, wo immer ihre Wege noch lang- und hinführen mögen!’

Wat wil je nog meer? En voetballen is natuurlijk zo’n sport waar ‘in relatie brengen’ (voor mijn part als aristotelische categorie) misschien wel het meest intensief wordt beoefend.

maandag 12 juli 2010

Persen

Ik ben terug in het land, zodat Antroposofie in de pers weer hervat kan worden. Sloot ik ruim drie weken geleden af met ‘Klassieker’, afgelopen vrijdag kreeg ik de ‘Newsletter’ van het Rudolf Steiner Verlag (hier kun je je ervoor aanmelden) in mijn mailbox, die een paar heel goede tips geeft van andere ‘classics’ (echter niet in het Nederlands, want deze zijn alleen in het Duits). Het eerste aanbevolen boek is dit van Robin Schmidt, ‘Rudolf Steiner und die Anfänge der Theosophie’, met als een soort ondertitel «... eine ehrliche Sehnsucht nach der geistigen Welt ...». Daarbij is het wel handig om te weten dat Steiner van 1902 tot 1912 oprichter en voorzitter was van de Duitse afdeling van de Theosofische Vereniging:

‘Die frühe Geschichte der Anthroposophie ist eng mit der Entstehung und Entwicklung einer internationalen esoterischen Bewegung am Ende des 19. Jahrhunderts verbunden. Erstmals entstand in dieser Zeit eine Gesellschaft, die Geist mit wissenschaftlichen Mitteln erforschen wollte. Die Wahrheit sollte über allen Glaubensbekenntnissen stehen und auf dieser Grundlage eine brüderliche Gemeinschaft jenseits der Grenzen der Konfessionen, Nationen und Ethnien gebildet werden. Das war ein spannungsreiches, aber vielversprechendes Unternehmen, in das sich Rudolf Steiner während zehn wichtigen und prägenden Jahren aktiv hineinstellte: die Theosophical Society, die 1875 gegründet wurde. In der vorliegenden Monografie wird zunächst das kulturgeschichtliche Umfeld und die Geschichte der Theosophical Society nachgezeichnet. Weiter wird hier die, bisher kaum bekannte, frühe Auseinandersetzung Rudolf Steiners mit der Theosophie untersucht: Seit Mitte der 1880er Jahre, lange bevor Steiner in der Theosophical Society wirkt, steht er in einem lebhaften Verkehr mit Vertretern der Theosophie, verfolgt deren Publikationen und bildet sich einen eigenen Begriff von der Aufgabe einer westlichen Esoterik.

Seiten: 207, Broschur
978-3-7274-5402-8
Rudolf Steiner Verlag
Preis: CHF 28.00 / EUR 19.00’

In de Newsletter wordt in verband hiermee vervolgens een heel ander boek aangeprezen, waarvoor overigens wel even gebuurt moet worden bij het Pforte Verlag. Dat is geen probleem, want die vormt een onderdeel van het Rudolf Steiner Verlag. Op de website van deze uitgeverij wordt vermeld hoe de onderlinge relaties liggen. Dat gebeurt om te beginnen onder het opschrift ‘Der Verlag und sein Programm’:

‘Der Rudolf Steiner Verlag ist seit Dezember 2007 als Aktiengesellschaft formiert. Vor dieser Zeit war er ein Teil der Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, die mit der Herausgabe des Gesamtwerkes von Rudolf Steiner betraut ist. Der Verlag hat die Aufgabe, das Gesamtwerk Rudolf Steiners herauszugeben und nach Möglichkeiten verfügbar zu halten. Dazu gehören nebst der Gesamtausgabe von mittlerweile 335 Bänden auch ein beträchtliches künstlerisches Werk mit Kunstmappen und Reproduktionen. Wegen des Umfangs des Werkes von Rudolf Steiner gibt der Verlag neben der Gesamtausgabe auch Textzusammenstellungen zu einzelnen Themen heraus, die teilweise kommentiert sind. Sie finden diese untern den Links «Themenwelten», «Thementexte», «Die kleinen Begleiter», «Quellentexte».

Bücher von anderen Autoren beziehen sich auf diverse Aspekte des Werkes Rudolf Steiners. Sie finden diese unter den Links «Rudolf Steiner Studien» sowie «Monografien». Wer sich im Gesamtwerk schnell orientieren möchte oder für thematische Forschungen schnellen Zugriff benötigt, kann diese mit der elektronischen Gesamtausgabe tun (siehe entsprechenden Link).

Rudolf Steiner im Original
Hinter allen Texten, die der Rudolf Steiner Verlag herausgibt, steht die Arbeit des Rudolf Steiner Archivs, wo sich auch alle Originalstenogramme befinden. Bei Neuauflagen werden zwischenzeitlich aufgetretene Erkenntnisse und Unterlagen sorgfältig eingearbeitet, insofern ist die Herausgabe des Gesamtwerkes ein Prozess, der sich in Entwicklung befindet.

Es gibt Kreise, die im Besitz von Abschriften sind, diese als Originalausgaben propagieren und zum Teil auch in provokativer Absicht als «authentischere» Ausgaben publizieren. Leider ist hier viel herausgeberischer Dilettantismus am Werk, der bis in die mutwillige Veränderung der Texte reicht, auch bis hin zu ausgewechselten Begriffen. Deshalb möchte der Verlag darauf hinweisen, dass die Texte Rudolf Steiners, die er publiziert, auf der Sichtung des Nachlasses beruht, die vom Rudolf Steiner Archiv geleistet wird.

Unter demselben Dach
Zum Rudolf Steiner Verlag gehört auch der Zbinden Verlag, dessen lieferbares Programm Sie in den Links finden. Wenn Sie oben rechts auf «PFORTE VERLAG» klicken, kommen sie auf die Website unseres Labelverlages.’

Pforte Verlag is dus wat je in Nederland een ‘imprint’ noemt, zoals bijvoorbeeld ‘Vrij Geestesleven’ tegenwoordig een imprint van Uitgeverij Christofoor is. Waar in het bovenstaande sprake is van ‘Rudolf Steiner in het origineel’ en bepaalde kringen die op provocerende wijze afschriften van teksten die aan Rudolf Steiner worden ontleend als ‘authentieker’ aan de man proberen te brengen, wordt concreet onder meer Pietro Archiati bedoeld. Op de website van Archiati Verlag wordt gelijk op de homepage deze zaak uiteengezet, terwijl dat verderop onder ‘Rechtslage’ nog eens dunnetjes wordt overgedaan. Maar daar gaat het vandaag niet over. Ik had het over een boek dat met dat van Robin Schmidt in verband wordt gebracht. Het gaat om Gerhard Wehr, met zijn ‘Helena Petrovna Blavatsky. Eine moderne Sphinx. Biographie’:

‘Helena Petrovna Blavatsky (1831-1891) ist zweifellos eine der bemerkenswertesten emanzipierten Frauen ihrer Zeit. Außergewöhnlich begabt und couragiert, ist die überaus schillernde Persönlichkeit, die als «Sphinx des 19. Jahrhunderts» berühmt und berüchtigt war, für die Entwicklung einer modernen spirituellen Weltsicht von nicht zu unterschätzender Bedeutung.

Gerhard Wehr, profunder Kenner spiritueller Strömungen, zeichnet ein klares und umfassendes Bild von Leben und Werk der faszinierenden Gründerin der Theosophischen Gesellschaft und befreit sie von der Patina der Vorurteile und Verfälschungen. Das Buch vermittelt auch einen Überblick über ihre Hauptwerke und wichtigsten Mitarbeiter, enthält Glossar, Zeittafel, Bibliografie und etliche Abbildungen.

Mit zahlreichen Abbildungen
Seiten: 271, Gebunden
978-3-85636-160-0
Pforte Verlag
Preis: CHF 38.00 / EUR 22.00’

In de Newsletter gaat men vervolgens over op ‘Vor dem Tore der Theosophie’, maar die vroege voordrachten uit 1906 laat ik maar even links liggen (maar wel met hier de echte link). Want veel interessanter bijna is deze uitgave over het boek van ‘Rudolf Steiner. Theosophie. Die Textentwicklung in den Auflagen 1904-1922 in vollständiger Lesefassung’:

‘Immer wieder hat Rudolf Steiner das Manuskript seines einführenden Werkes überarbeitet und präzisiert. Diese Ausgabe zeigt im fortlaufenden Text sämtliche Textvarianten und gibt einen Einblick in das fortwährende Bemühen Rudolf Steiners, spirituelle Inhalte in einer präzisen, philosophisch nachvollziehbaren Sprache auszudrücken.

Mit einem Nachwort von Daniel Hartmann
Herausgeber: Daniel Hartmann
Rudolf Steiner Stud. 9
Seiten: 320, Broschur
978-3-7274-5329-8
Rudolf Steiner Verlag
Preis: CHF 48.00 / EUR 28.00’

Het laatste boek, of liever gezegd: document, is ook helemaal voor de liefhebber. Dit betreft de zogenaamde «Scholl-Mitteilungen», ‘Mitteilungen für die Mitglieder der Deutschen Sektion der Theosophischen, bzw. der Anthroposophischen Gesellschaft (1905-1914), Reprint’:

‘Die so genannten «Scholl-Mitteilungen», die vom November 1905 bis Juni 1914 meist im Halbjahresrhythmus erschienen, sind ein aufschlussreicher Spiegel der frühen theosophischen und anthroposophischen «Szene». Hauptinhalte der Hefte sind Protokolle von Jahresversammlungen, Berichte aus den Zweigen, Diskussionen, Voten und Beiträge zu den verschiedensten Auseinandersetzungen. Auflistungen von Rudolf Steiners Vorträgen, Tagungsprogramme sowie Jahresabrechnungen, Mitgliederlisten, Buchankündigungen und private Kleinanzeigen vermitteln darüber hinaus ein authentisches Bild jener Pionierzeit.

Es gibt wohl keine Publikation, die den Leser so unmittelbar in die Atmosphäre des «Zweiglebens» am Anfang des letzten Jahrhunderts hineinführt wie diese «Mitteilungen». Darüber hinaus sind sie eine Fundgrube für die historisch Interessierten und eine wertvolle Ergänzung zum «Lebensgang» Rudolf Steiners.

Herausgeber: Mathile Scholl
Seiten: 630, Gebunden
978-3-7274-5552-0
Rudolf Steiner Verlag
Preis: CHF 118.00 / EUR 80.00’

Dit lijkt me toch een alleraardigst begin van een nieuwe periode van Antroposofie in de pers. In dit geval dus op de drukpers.

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Translate

Volgers

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code