Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

donderdag 6 januari 2011

Epifanie


Maandag ontving ik een mailtje van Joep Eikenboom, waarin hij schreef:
‘Beste vrienden, weblog-lezers,
Hierbij ontvangen jullie de link naar de bijdrage over de perikoop voor Epifanie (6 januari): http://vo-perikopen.blogspot.com/2011/01/epifanie-6-januari.html

Deze perikoop staat aan het einde van de twaalf heilige nachten, waarin we de menswording van Christus Jezus hebben kunnen volgen: We konden lezen over de geboorte van het Jezuskind volgens Lucas (Kerstmis) en volgens Mattheüs (Nieuwjaarsdag) en tenslotte de afdaling van het Christuswezen in de lichamelijke omhulsels van Jezus bij de Doop in de Jordaan.

Met deze bijdrage wilde ik de reeks perikopennotities voorlopig beëindigen. De afgelopen twee jaren konden we bijna elke week wat inhoud beschikbaar stellen. De eerste serie met eigen gedachten naar aanleiding van de perikooptekst, met de tweede serie was het streven om zoveel mogelijk citaten van Rudolf Steiner aan te dragen zodat de lezers hun eigen onderzoek zouden kunnen verrichten. Daaraan vooraf gingen twee jaren waarin gedachten met collega’s via e-mail werden uitgewisseld. Via het blogarchief zullen deze bijdragen voorlopig nog beschikbaar blijven.

In de toekomst zal de frequentie waarin nieuwe berichten verschijnen, veel lager liggen. Het idee is om materiaal beschikbaar te stellen voor de lessen Religieuze Oriëntatie in de vorm van niet in het Nederlands gepubliceerde verhalen om te vertellen, niet meer beschikbare achtergrondartikelen, en dergelijke.

Ik wil iedereen danken voor de tot nu toe getoonde belangstelling.
Joep Eikenboom’
Vorig jaar op 7 januari schreef ik in ‘Perikoop’ uitgebreid over dit initiatief van Joep Eikenboom. Dat hoef ik nu niet te herhalen. Liever citeer ik enkele inhoudelijke stukken tekst uit zijn laatste twee bijdragen. Eerst ga ik naar ‘Nieuwjaar’, dat hij op maandag 27 december 2010 plaatste, waarin hij onder meer schreef:
‘Op de afbeelding bij deze bijdrage zien we een gedeelte van het prachtige Lijdensaltaar, te vinden in de Sint-Jan te ’s-Hertogenbosch. Hier zien we het bezoek van de drie koningen, de wijzen uit het Oosten, met de ster boven het huis, het kind rechtop op moeders schoot; alles afgebeeld volgens de beschrijving uit het Mattheüs-evangelie, en dus zonder os en ezel. Die twee dieren ziet men wel bij het beeldengroepje van het bezoek van de herders aan het kindje liggende in het stro. (klik hier).

Wat de moderne mens in zijn bewustzijn moet opnemen over de samenhangen en de verschillen tussen de beide geboorteverhalen in de evangeliën volgens Lucas en Mattheüs, heeft Rudolf Steiner met het licht van het moderne bewustzijn kunnen doorschouwen en hij heeft ons dit mysterie verteld, zodat de door intellectualisme gevoede scepsis van de moderne mens kan worden omgebogen tot een moderne religiositeit uit inzicht.’
Even verderop komt hij met passages uit voordrachten van Rudolf Steiner aanzetten. Ik neem er twee over:
‘Als aanvulling op de bijdrage over deze perikoop uit 2009 (klik hier) volgen hieronder citaten uit voordrachten van Rudolf Steiner:

“In de tijd dat het Mysterie van Golgotha op aarde plaatsvond was de oude helderziendheid, die instinctief was, voor het grootste gedeelte als zijnde verlamd, wanneer ik het zo mag uitdrukken. De mensen bezaten nog wel een andere zielsgesteldheid dan tegenwoordig, maar ze beschikten niet meer over die oude helderziendheid. Ze hadden ook de oude vormen niet meer, waardoor ze allerlei wijsheid over de wereld voor zichzelf preciezer konden ordenen. Zowel de oude wijsheidsleer als ook de instinctieve helderziendheid waren afgenomen toen het Mysterie van Golgotha tot de mensheid kwam. Maar enkele resten ervan waren nog wel aanwezig en we worden er juist door de evangeliën duidelijk op gewezen dat er nog zulke resten aanwezig waren, wanneer we ze goed begrijpen. Bij enkele bijzondere persoonlijkheden bestonden er nog resten van. De herders op de velden zouden zulke bijzondere persoonlijkheden kunnen zijn geweest, die met hun vrome harten nog een bepaald helderziend vermogen bezaten, dat droomachtig over hen kwam. Het kunnen ook persoonlijkheden zijn geweest die bovenaan de sociale ladder stonden, zoals de drie magiërs uit het Morgenland, welke uit oude tijden eigenschappen hadden bewaard om vanuit een bepaalde wijsheidsleer inzicht te hebben in de gang van de wereldgebeurtenissen. Zo konden de arme herders met hun droomachtig beleven, op een bepaalde manier door innerlijk waarnemen datgene zien naderen, wat zich met de geboorte van Jezus voltrok. En aan de andere kant konden de drie magiërs uit het Morgenland zo’n wetenschap ontwikkelen dat zij door het volgen van de wereldverschijnselen tot bewustzijn konden brengen, wat boven de gewoonlijke gang van het leven uitsteeg en betekenisvol op aarde geschiedde.”
Uit: Rudolf Steiner, Die Verantwortung des Menschen für die Weltenentwickelung (GA 203) – voordracht Stuttgart, 1 januari 1921

“De drie koningen vormen een symbool, zoals hun gaven: goud het symbool van de wijsheid en koninklijke macht, mirre het symbool voor de overwinning van de dood, wierook het symbool voor de vergeestelijkte etherstoffen, waarin de god die de dood heeft overwonnen, zich verwerkelijkt. Door de drie symbolen staat Christus daar als koning, als de overwinnaar van de dood en als vervulling van alle aardse ontwikkeling. Iedereen die in de esoterie is ingewijd ervaart zo de geboorte van het godskind, dat al lang voor de tijd van Christus in de mysteriën werd verwacht en ook daarna nog werd beleefd.”
Uit: Rudolf Steiner, Das christliche Mysterium (GA 97) – voordracht Leipzig, 15 december 1906’
Maar behalve Driekoningen staat de dag van vandaag ook in het teken van ‘Epifanie (6 januari)’:
‘In de tijd van de twaalf heilige nachten voeren de drie perikoopteksten voor 1e kerstdag, nieuwjaarsdag en 6 januari ons voor de geest dat de langverwachte komst van de Immanuel een complexe voorbereiding vergde.’
Joep Eikenboom heeft weer mooie tekstpassages bij elkaar gebracht, nu toegespitst op de doop in de Jordaan. Hier komt een heel lange, die te vinden is in ‘Egyptische mythen en mysteriën’, dat in 2007 uitkwam als een sterk herziene vertaling van de eerdere uitgave in 1981, op de bladzijden 138 tot en met 142:
‘“De grote profeten waren reeds door het Christuswezen bezield. Het was een welbekend wezen in de oudere mysteriën, en overal en altijd had men gewezen op hem die zou komen.

En hij kwam! Maar hij kwam opnieuw, doordat hij zich voegde naar de historische noodzakelijkheden die ten grondslag liggen aan de evolutie. Zonder speciale voorbereiding kon hij niet incarneren in een fysiek lichaam. Hij kon slechts in een aardse gestalte incarneren wanneer een fysiek lichaam, een etherlichaam en een astraallichaam een speciale voorbereiding hadden ondergaan. Er ging een zeer sterke impuls van Christus uit, maar hij kon alleen maar incarneren wanneer een fysiek lichaam, etherlichaam en astraallichaam volkomen waren gelouterd en gepurificeerd door een ander wezen.

De incarnatie van Christus kon dus alleen maar geschieden doordat een ander wezen verscheen dat zich zo ver had ontwikkeld. Dit was Jezus van Nazareth. Hij had zich zo ver ontwikkeld dat hij in staat was zijn fysieke lichaam, etherlichaam en astrale lichaam gedurende zijn leven zo te louteren, dat hij deze lichamen in het dertigste jaar van zijn leven kon verlaten; maar hij deed dit op zo’n manier dat deze lichamen hun levenskracht behielden en bruikbaar waren voor een hoger wezen.

Het is vaak gebeurd dat, wanneer ik vertelde dat Jezus een hoog ontwikkelingsstadium moest bereiken om zijn lichamen te kunnen opofferen, de mensen de volgende merkwaardige tegenwerping maakten: ‘Maar dat is toch helemaal geen offer; men kan zich immers niets mooiers voorstellen! Er kan toch geen sprake zijn van een groot offer wanneer het erom gaat zijn lichamen af te staan aan zo’n verheven wezen!’ Ja, het is inderdaad iets moois, en het offer zou ook niet zo groot zijn wanneer men het zo abstract bekijkt.

Maar ik zou hierop willen antwoorden: Laat iemand deze daad eens proberen te volbrengen. Alle mensen zouden dit offer wel willen brengen, maar laten ze het eens proberen. Men moet over uitzonderlijke krachten beschikken wanneer men zijn lichamen zo wil louteren dat deze nog levensvatbaar zijn wanneer ze worden verlaten, en vele offers zijn noodzakelijk om deze krachten te kunnen ontwikkelen. Om dit te kunnen moest Jezus van Nazareth wel een buitengewoon hoge individualiteit zijn.

Het Johannes-evangelie duidt aan wanneer Jezus zijn fysieke lichaam, etherlichaam en astrale lichaam heeft verlaten en de geestelijke wereld is binnengegaan, en wanneer het Christuswezen zich met de drie lichamen heeft verbonden. Dit is gebeurd tijdens de doop in de Jordaan. Op dat moment heeft er iets heel belangrijks plaatsgevonden in de lichamelijkheid van Jezus.

Wat ik nu ga zeggen zal een materialistisch denkend mens waarschijnlijk wederom verbijsterd doen staan. Er vond een heel bijzonder proces plaats in het fysieke lichaam van Jezus van Nazareth. Om te kunnen begrijpen wat er gebeurde op het moment van de doop, toen Christus bezit nam van het lichaam van Jezus, moeten we eerst onze aandacht richten op iets dat zeer vreemd zal lijken, maar dat niettemin waar is.

In de loop van de menselijke evolutie hebben de verschillende organen zich geleidelijk aan ontwikkeld en hun uiteindelijke vorm aangenomen. We hebben gezien hoe bepaalde structuren en functies deel gingen uitmaken van de mens toen de organen het niveau van de heupen hadden bereikt. De steeds grotere zelfstandigheid van de menselijke individualiteit ging gepaard met een verharding van het beenderstelsel. Hoe zelfstandiger de mens werd, des te meer verhardde zijn beenderstelsel, en werd ook de macht van de dood steeds groter. Dit moeten we goed onthouden om het volgende volledig te kunnen begrijpen.

Hoe komt het eigenlijk dat de mens moet sterven en dat zijn lichaam geheel en al vergaat? Dat komt doordat het menselijke lichaam iets bevat dat verbrand kan worden, namelijk de beenderen. Het vuur bezit ook macht over het menselijk beenderstelsel. De mens heeft geen macht althans geen bewuste macht over zijn gebeente. Deze macht ligt nog buiten het bereik van de mens.

Op het moment dat Christus tijdens de Doop in de Jordaan bezit nam van het lichaam van Jezus van Nazareth vond er een verandering plaats in het beenderstelsel van dit wezen, waardoor het daarna volkomen verschilde van dat van de overige mensen. Dit was iets dat voordien nog nooit eerder was gebeurd en ook daarna tot op de dag van vandaag niet meer heeft plaatsgevonden.

Samen met het Christuswezen drong iets in het wezen van Jezus binnen, dat macht had over de krachten die beenderen verbranden. Tegenwoordig is het de mens nog niet gegeven zelf mee te werken aan de totstandkoming van het beenderstelsel. Maar de bedoelde macht van het Christuswezen drong helemaal tot in de beenderen door. Dit is mede de betekenis van de doop door Johannes. Hierdoor heeft zich iets met de aarde verbonden dat men de heerschappij over de dood zou kunnen noemen, want met het ontstaan van het beenderstelsel is ook de dood in de wereld gekomen. Doordat de macht over de beenderen bezit nam van het menselijk lichaam werd de dood in de wereld overwonnen.

Hier wordt een zeer diep mysterie geopenbaard. Iets zeer heiligs had zich door middel van de Christus verbonden met het beenderstelsel van Jezus van Nazareth. Daarom moest het ook onaangeroerd blijven, opdat het volgende schriftwoord vervuld zou kunnen worden: ‘Geen van zijn beenderen zal gebroken worden.’ Anders zou mensenmacht ingegrepen hebben in goddelijke krachten. We worden hier geconfronteerd met een zeer diep mysterie van de menselijke evolutie.

Hiermee komen we tegelijkertijd bij een zeer belangrijk begrip van het occulte christendom, dat ons kan tonen hoe dit christendom van de hoogste waarheden is vervuld. Hiermee bedoel ik het overige dat ons in de doop tegemoet treedt. Doordat het Christuswezen bezit nam van de drie lichamen, waarin vroeger het Ik-wezen van Jezus leefde, was er nu een wezen met de aarde verbonden dat vroeger een woonplaats had gehad op de zon.

Dit wezen was eerder met de aarde verenigd geweest tot aan het moment waarop de zon zich van de aarde had afgescheiden. Ook Christus heeft destijds de aarde verlaten en sindsdien kon hij de aarde slechts van buitenaf met zijn krachten beïnvloeden. Op het moment van de doop verenigde de hoge Christusgeest zich weer volledig met de aarde. Voordien werkte hij van buitenaf, overschaduwde de profeten en manifesteerde zich in de mysteriën. Nu was hij in een fysiek lichaam op de aarde geïncarneerd.

En wanneer iemand vanuit een afgelegen plaats in het heelal gedurende een periode van duizenden jaren naar omlaag had kunnen kijken, dan zou hij niet alleen de fysieke aarde, maar ook de geestelijke stromingen, het astrale lichaam en het etherlichaam van de aarde hebben gezien. En hij zou ook hebben waargenomen dat er belangrijke gebeurtenissen plaatsvonden op het moment van de doop door Johannes in de Jordaan en op het moment dat op Golgotha het bloed uit de wonden van Christus vloeide. Het astrale lichaam van de aarde werd hierdoor volkomen veranderd. Het nam op dat moment iets anders op; het kreeg een andere kleur. Een nieuwe kracht werd in de aarde geplant.

Wat vroeger van buitenaf had gewerkt, werd weer met de aarde verbonden, en hierdoor zal de aantrekkingskracht tussen zon en aarde zo sterk worden dat de zon zich weer met de aarde, en de mens zich weer met de zonnegeesten zal verenigen. En het was Christus die ervoor heeft gezorgd dat de aarde zich weer met de zon kan verbinden, en zo weer in de schoot van de goden wordt opgenomen.

Dit is de diepere betekenis van hetgeen destijds heeft plaatsgevonden. We moesten dit eerst uiteenzetten om duidelijk te kunnen maken hoe belangrijk de komst van Christus voor de aarde is geweest. Hierdoor kunnen we begrijpen hoe de mens, doordat hij zich met Christus verenigt, werkelijk iets in zich op kan nemen, waardoor zijn bewustzijn na de dood weer verhelderd wordt. Wanneer we dit voor ogen houden zullen we ook kunnen begrijpen dat er een evolutie plaatsvindt in de tijd tussen dood en een nieuwe geboorte. Laten we ons nu eens afvragen ter wille van wie dit alles is gebeurd.

Aanvankelijk leefde de mens in de schoot der goden. Vervolgens daalde hij af naar de fysieke wereld. Wanneer hij in de geestelijke wereld was gebleven, zou hij nooit zijn tegenwoordige zelfbewustzijn hebben kunnen ontwikkelen. Hij zou nooit een Ik hebben verkregen. Slechts in het fysieke lichaam kon hij zijn zelfbewustzijn in grote helderheid doen ontvlammen. Hij moest geconfronteerd worden met de uiterlijke wereld en moest zich kunnen onderscheiden van de hem omringende voorwerpen; hij moest afdalen naar de fysieke wereld.

Enkel en alleen ter wille van het menselijk Ik is de mens afgedaald. In zijn Ik stamt de mens af van de goden. Dit Ik is neergedaald vanuit de geestelijke wereld; het is vastgesmeed aan het fysieke lichaam, opdat het helder en klaar kan worden. Juist de verharde materie van het menselijk lichaam heeft de mens zijn zelfbewuste Ik geschonken en heeft hem in staat gesteld kennis te verwerven. Maar het heeft hem tevens vastgeketend aan de rotsen van de aarde.”
Uit: Rudolf Steiner, Egyptische mythen en mysteriën (GA106) – 10e voordracht, Leipzig 12 september 1908’
Beste Joep, dank je wel voor al deze mooie bijdragen de afgelopen twee jaar!
.

woensdag 5 januari 2011

Mening

Ik kan natuurlijk beginnen over Bernard Welten. Die is zo in het nieuws vandaag, je ziet het overal. Trouw schrijft bijvoorbeeld:
‘De Amsterdamse korpschef Bernard Welten gaat het in het regeerakkoord genoemde boerkaverbod niet handhaven als het door de Kamer komt. Sommige dingen in het regeerakkoord “sla ik over”, zei hij dinsdagavond in het NTR-programma 5 jaar later. Zijn uitlatingen kunnen volgens de Tweede Kamer niet door de beugel.’
Er zijn al meer dan tweehonderd reacties onder het artikel. Andere media laten zich evenmin onbetuigd. Hans van der Lugt op de website van NRC Handelsblad herinnert aan eerdere controversiële uitspraken van Welten in een interview met Marcel Haenen voor deze krant:
‘Anderhalf jaar geleden gaf Welten kritiek op de manier van leidinggeven van toenmalig burgemeester Job Cohen van Amsterdam. “Ik moet veel inslikken. Ik moet mijn ambities bijstellen. Het is niet de bedoeling dat ik veel agendeer”, zei Welten in NRC Handelsblad. Ook toenmalig politieminister Guusje ter Horst moest het ontgelden omdat ze niet genoeg interesse toonde in de Amsterdamse politie.’
Dat interview op 17 oktober 2009 zorgde eveneens voor veel beroering (het is helaas niet online voor niet-abonnees). Wat mij destijds opviel, was Weltens antwoord op de vraag:
‘Blijft u nog lang korpschef van Amsterdam?
Ik doe dit in principe nog twee jaar. Ik heb voor zeven jaar getekend. Ik heb gezegd dat ik geloof in fasen in het leven, zoals beschreven door Bernard Lievegoed (antroposoof, red.), een niet onbelangrijk iemand. Ik ben ook niet zo bijbels maar ik geloof wel in zeven rijke en zeven arme jaren.’
Welten is een rouwdouwer, blijkt uit dat interview:
‘Verreweg het grootste deel van zijn loopbaan werkte Welten bij de Amsterdamse politie. Hij geldt er van meet af aan als een “wout met branie”. Hij viel op door de uiterst zelfbewuste wijze waarop hij het in 1995, tijdens de parlementaire enquête naar de crisis in de opsporing (de zogeheten IRT-affaire, red.), opnam voor het bekritiseerde hoofdstedelijke politiekorps. Ik denk dat wij eerherstel verdienen, begon de toenmalige recherchechef Welten in zijn verhoor tegenover commissievoorzitter Maarten van Traa. Terugkijkend glimlacht hij om die houding. “Daar zat de Louis van Gaal van de Amsterdamse recherche”, stond een dag later in de Volkskrant. Ik herkende dat beeld wel.’
Maar hij heeft ook een andere kant, schreef Haenen verder:
‘Het eigen recente denkwerk van Welten is gebundeld in Politie in ontwikkeling. Onder zijn voorzitterschap heeft een projectgroep van de raad van hoofdcommissarissen in 2005 dit “visiedocument” gepubliceerd. In de wereld hebben zich zoveel veranderingen voorgedaan dat herijking van missie, visie en strategie noodzakelijk zijn, schrijft Welten in het voorwoord.’
Over zichzelf zei Welten:
‘Ik ben niet iemand van een rustig leven. Ik heb snel de behoefte onrust op te zoeken.’
Nou, dat is dus gelukt. – Ik heb nog een ander interessant interview voor u. Een interview van bijna negentig jaar geleden, met niemand minder dan Rudolf Steiner himself. U weet misschien van de website ‘Historische kranten’ van de Koninklijke Bibliotheek. Daar heb ik eens in zitten snuffelen en vond daar allerlei interessante zaken, die ik de komende tijd hier naar boven wil halen. Ik begin met een interview in ‘Het Vaderland: staat- en letterkundig nieuwsblad’ van 7 april 1922, slechts ondertekend met ‘Van een verslaggever’, met de titel ‘Een interview met dr. Rudolf Steiner’:
‘Eind Januari ongeveer is in de N.R.Ct. een brief verschenen van een correspondent uit München, over het leven en de persoon van dr. Steiner, die onder de Steinerianen heel wat verontwaardiging gewekt heeft.

Daarin werd o.m. gezegd dat de aanhangers van Steiner trachten zijn “bekeering” in het vergeetboek te doen geraken.

Wij hebben dr. Steiner vanmorgen opgezocht, om te vernemen hoe hij zelf tegenover deze meening stond.

Vraagt u nu maar, zei dr. Steiner, maar wij kwamen om te luisteren, en zoo vertelde dr. Steiner ons dan hoe hij eigenlijk in 1880 al van Goethe’s wereldbeschouwing was uitgegaan en zoo langs de kennistheorie tot de filosofie der vrijheid gekomen was. In 1890 ben ik me toen weer speciaal op natuurwetenschap toe gaan leggen, ging hij voort. Toen heb ik over Haeckel geschreven, en me hier zoowel als bij mijn studies over Nietzsche op het standpunt der schrijvers gesteld. Deze studies waren niet mijn meening over deze denkers – een meening van iemand is meestal iets van betwistbare beteekenis – het waren studies, en daarmede is alles gezegd.

De menschen hebben mij toen Nietzschiaan genoemd of een volgeling van Haeckel, en daar vandaan moet het komen dat men nu spreekt over mijn bekeering.

In 1901 schreef ik mijn Raadsels der filosofie. Ik werd uitgenoodigd door een vereeniging in Berlijn om over mystiek te spreken, en ik schreef mijn boek over mystiek. Daarop volgden lezingen over het Christendom en zo ontstond mijn boek: Het Christendom als een mystiek feit.

Ik verkondigde hierin geen dogmatische meeningen, ik gaf lezingen. In beginsel spreek ik overal: zoowel voor een vergadering van schoenmakers als voor een vergadering van theosofen.

Daarna kwam ook de uitnoodiging voor de Theosophical Society, en toen deze Society mij in 1912 verketterde, ben ik alleen door gegaan en heb mijn Anthroposophische Gesellschaft opgericht. Waarop weer de bouw volgde van de Hoogeschool voor geestelijke wetenschap, het Goetheanum te Dornach, dat geheel naar mijn ideeën is ontworpen.

Hoewel de anthroposofie zuiver wetenschappelijk is, is het niet alleen een wetenschap, het is iets dat leven geeft. Het geeft stijl en rhythme. Zoo wordt bijv. op de Waldorf-Schule in Stuttgart naar mijn methode onderwijs gegeven, maar voor de Katholieke kinderen komt een Katholiek geestelijke, en voor de Protestantse een dominee.

Ik sprak zoo even van rhythme. De anthroposofie heeft haar Eurythmie. En het is eigenaardig dat voorstellingen hiervan in Praag en Breslau een groot succes gehad hebben, terwijl men er in Holland veel koeler tegenover stond.

Maar – het liep tegen tienen. En daarbij brak de tijd aan voor de opening van den cursus, en zoo het einde van ons gesprek.’
Met ‘de cursus’ wordt bedoeld de voordrachten die Steiner in Den Haag van 7 tot en met 12 april 1922 hield, gebundeld in ‘Damit der Mensch ganz Mensch werde. Die Bedeutung der Anthroposophie im Geistesleben der Gegenwart’ (GA 82). Interessant is dat Steiner over zijn eerdere boek ‘Friedrich Nietzsche, Ein Kämpfer gegen seine Zeit’ uit 1895 (GA 5) en zijn geschrift ‘Haeckel und seine Gegner’ uit 1899 (in GA 30) zegt dat hij daarin niet zijn eigen mening gaf. Het zouden slechts studies naar het denken van deze spraakmakende personen zijn geweest, net als hij in zijn ‘Rätsel der Philosophie’ uit 1900 en 1901, herzien in 1914 (GA 18), had gedaan.

Tot slot heb ik een boekbespreking van Ruud Thelosen voor u, die hij eergisteren op zijn weblog ‘Solidaire Economie’ plaatste. Ik had het op 10 december 2010 in ‘Geïnspireerd’ nog over hem. Hij schrijft met grote regelmaat recensies van interessante boeken, die hij vervolgens op een van zijn dertien (!) weblogs zet, die ik 9 juni 2009 in ‘Trias Triodos’ opsomde (er zijn er sindsdien twee bijgekomen). Thelosen is een actief lid van de SP, en dat zie je ook in zijn onderwerpkeuze en beoordeling terug. Twee dagen geleden schreef hij dus over ‘Een menselijke economie’, een boek van Ad Broere:
‘Mijn ontmoeting met deze auteur en bedrijfsadviseur vond plaats op 16 november 2010 toen hij een lezing gaf op de Fontys Hogeschool Bedrijfsmanagement & Techniek, de school waar ik als docent werkzaam ben. De titel van die lezing was ook de titel van zijn nieuwste boek “Ending the global casino”. Voor docenten en studenten gaf hij een inkijkje in het huidige financiële systeem dat momenteel zo onder vuur ligt door de crises. Broere (geboren 1948) is econoom en oud-bankier en kan daardoor de ingewikkelde financiële begrippen helder uitleggen. Hij begon de aanwezigen eerst te testen met de vraag of ze ooit van de BIS of de WIR hadden gehoord. Weinigen durfden hun vinger op te steken, maar hun nieuwsgierigheid was gewekt. In zijn gastcollege noemde hij ook zijn in 2009 bij uitgeverij ASPEKt uitgegeven boek “Een menselijke economie”, dat ik meteen heb aangeschaft.

Ook in dat boek beschrijft Broere uitgebreid de omstreden rol van de bank der banken, de “Bank for International Settlements” (BIS). Deze in 1930 opgerichte bank is gevestigd in Bazel. Op deze bank berust de verdenking dat deze actief het Hitler en Stalin-regime zou hebben gefinancierd (ook te lezen in het boek van Anthony Sutton “Wall Street and the rise of Hitler”). Inmiddels is deze bank uitgegroeid tot het coördinerende centrum van de centrale banken wereldwijd en is het de spil in de internationale monetaire politiek. Bij de laatste G20-top heeft het meer bevoegdheden (o.a. 250 miljard SDR extra om opkomende economieën te kunnen steunen). De BIS dreigt uit te groeien tot een wereld centrale bank zonder dat landen, regeringen of de VN hier enkele controle over hebben.

Formeel zijn er 55 leden bij de BIS en dat zijn de centrale banken van landen. In het bestuur hebben 20 presidenten van de centrale banken zitting, zoals ook Nout Wellink. Door deze bank zijn ook de Basel akkoorden (I, II en III) opgesteld, die eisen stellen aan het hele internationale financiële banksysteem. Zoals ook Caroll Quigley in zijn boek “Tragedy and hope” al in 1966 beweerde, is het probleem dat Centrale banken geen overheids- of staatsbanken zijn, maar dat de meeste ervan – zoals de BIS en FED – eigenlijk private ondernemingen zijn. Wie de aandeelhouders zijn wordt niet bekend gemaakt?! Willem Middelkoop met zijn boek “Als de dollar valt” heeft hier ook over geschreven. Hij wordt door Broere genoemd als intellectuele financiële journalist. Als tegenvoorbeeld komt hij met de Zweedse JAK bank, die geen rente geeft op spaartegoeden maar ook geen rente vraagt op leningen. Je moet wel lid zijn en dat zijn er inmiddels al zo’n 36.000 (2008).

Een ander voorbeeld is de WIR, een in Zwitserland in 1934 door een aantal ondernemers opgerichte bank, die een eigen munt, de WIR (lettterlijk “wij =van ons”) introduceerde . De WIR is een gesloten systeem waarbij de girale munt niet inwisselbaar is voor andere valuta. Hij wordt als betaalmiddel geaccepteerd door de aangesloten bedrijven en er wordt geen rentevergoeding voor gegeven. Dat bevordert dat het geld een hoge omloopsnelheid heeft en vooral stimulerend werkt voor de lokale economie. Volgens Broere heeft het systeem in de 75 jaar nooit gefaald en is uitgegroeid tot 1,6 miljard WIR. Dit gebruikt hij als voorbeeld om het belang van lokale en regionale aanvullende geldsystemen te benadrukken, zoals ook door de Belgische oud-bankier Bernard Lietaer (boek “Het geld van de toekomst”) en Margrit Kennedy (met boek “Regional currencies”) worden bepleit.

Als belangrijkste voordelen noemt Broere:
1. loskoppeling van het officiële geldsysteem
2. stimulering van regionale economische bedrijvigheid
3. de gecreëerde toegevoegde waarde komt ten gunste van de regio
4. minder behoefte aan transport, energie en dus ook CO2-uitstoot.
5. vooral stimulering van het Midden- en Kleinbedrijf, de motor van de economie.
In Nederland kennen we ook een aantal regionale valuta en is vooral Stichting Stro (ook internationaal) hiermee actief. In de VS tijdens de grote depressie in de jaren 30 van de vorige eeuw bestonden er ook een groot aantal lokale valuta, zoals de plenty, Ithaca hours, Berk shares en de Detroit cheers.

Het leuke van het boek is dat Broere ook de striphelden Olivier B. Bommel (de Bovenbazen) en de steenrijke Dagobert Duck uit Donald Duck gebruikt om de werkelijkheid te analyseren. Het voorstellingsvermogen van Maarten Toonder en Walt Disney zat soms heel dicht bij de kern van bepaalde financiële processen.

Als oud-bankier is Broere uitstekend in staat om heel ingewikkelde financiële producten zoals derivaten als Collateralized Debt Obligations (CDO’s) en Credit Default Swaps (CDS’s) prima uit te leggen aan een doorsnee publiek. Dat is een belangrijke toegevoegde waarde van het boek. Hetzelfde geldt met de problemen van ons huidige financiële stelsel waar groei en ook rente de drijfveren zijn maar de werkelijke economie en samenleving grote schade toebrengen.

Hij is niet onder de indruk van de nieuwe trend van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen waarmee grote bedrijven en multinationals tegenwoordig graag pronken.

Als voorbeeld geeft Broere de vijf grote oliemaatschappijen (Exxon, Shell, BP, Texaco en Total) die samen over 3 jaar (2004 t/m 2006) ruim $ 200 miljard winst hebben gemaakt en daarvan bijna de helft uitgekeerd hebben als dividend aan de aandeelhouders en maar een fractie besteden aan de ontwikkeling van alternatieve duurzame energieopwekking.

Broere gelooft meer in de groeimotor van de economie, het Midden- en Kleinbedrijf. Hij haalt ook de econoom E.F. Schumacher nog eens aan die in zijn boek uit 1973, “Small is beautiful”, pleit voor de menselijke maat in bedrijven. Broere is ook gecharmeerd van Baumgarten en McDonough die met hun boek “Craddle tot Craddle” voor een ware duurzaamheidsrevolutie hebben gezorgd.

Zo goed als Broere in staat is om duidelijk te maken dat de banken ons niet kunnen helpen om uit de crisis te komen, zo mager zijn helaas zijn oplossingen. Al zijn de elementen van een menselijke maat, een sterke MKB-structuur, duurzaamheid en lokale munten, wel zinvolle aspecten. Hij komt echter niet met een samenvattende, overkoepelende visie voor een “menselijke economie”. Broere laat overduidelijk blijken dat hij een afkeer heeft van “-ismen”, waaronder het communisme, liberalisme en kapitalisme. Toch noemt hij als lichtend voorbeeld het succesvolle bedrijf van Scott Bader waar een vorm van arbeiderszelfbestuur heerst, omdat de oprichter Scott Bader alle aandelen heeft verdeeld onder de werknemers. Zij zijn dus ook eigenaar/aandeelhouder zijn.

Als definitie van een menselijke economie geeft Broere de omschrijving van “een economie waarin ruimte wordt gegeven aan de mens om zichzelf vrij te maken van alle conditioneringen en handelen”. Dat klinkt voor mij als een abstracte utopie, zeker wanneer je zijn hoofdstuk over consumentisme hebt gelezen. Voor mij zou een menselijke economie een economie zijn die voorziet in de werkelijke menselijke behoeften van alle mensen nu en in de toekomst en op een zodanige manier dat we de natuur, het milieu en de wereld geen blijvende schade berokkenen. Simpel gezegd zou een menselijke economie een economie moeten zijn die in dienst staat van de mensheid.

Broere heeft ook een afkeer van systemen en structuren, want de mens moet centraal staan! Ook dat lijkt me een ongewenst doel want zonder systemen of structuren vervalt de wereld in chaos. Dat kan zeker voor de economie, waar het gaat om schaarse goederen die efficiënt en effectief gebruikt moeten worden, niet de bedoeling zijn.’

dinsdag 4 januari 2011

Wachtkamer


Ik meldde het al op 16 juni vorig jaar in ‘Kippen’. Maar Michael Eggert kwam er gisteravond op terug en voegde er nieuws uit de mond van medewerkers ter plekke aan toe. Dat gebeurde in ‘Archiv in Dornach geht das Geld aus’ (en zoals hij op het eind opmerkt, gaat het in de eerste plaats om het Rudolf Steiner Archief van de Rudolf Steiner Nachlassverwaltung, die de research doet voor de boeken van Steiner, en niet het Goetheanum-archief van de Algemene Antroposofische Vereniging, maar dit heeft natuurlijk wel invloed op het werk dat binnen deze vereniging zou moeten gebeuren):
‘Der Aufruf des Archivs (nach 500 Menschen, die je 500 Franken spenden) klang ja schon beinahe verzweifelt:

“Um die aktuellen Forschungsarbeiten weiterführen und die vor der Veröffentlichung stehenden nächsten Bände der Gesamtausgabe in der vorgesehenen Zeit und auf bewährt hohem Niveau publizieren zu können, muss das Rudolf Steiner Archiv bis Ende dieses Jahres CHF 250.000.– aufbringen. Die finanzielle Situation ist so angespannt, dass zusätzlich zu den bereits eingeleiteten Sparmassnahmen auch Stellen abgebaut werden müssten. Das wäre aber ein substanzieller Eingriff in die Tätigkeit des Archivs, denn damit würde das Know-how von spezialisierten und mit dem Werk Rudolf Steiners bestens vertrauten Fachkräften verloren gehen. Was einer Grundsatzentscheidung gleichkäme, in wieweit die in der Zukunft noch anstehenden anspruchvollen Aufgaben bei der Herausgabe des Werks Rudolf Steiners überhaupt erfüllt werden können.”

Wie inzwischen von Mitarbeitern zu hören ist, hat auch dieser Aufruf keine geeignete finanzielle Basis ergeben, um das derzeitige Defizit abzuwenden. Es soll Anfang 2011 auch Personal abgebaut werden. Wenn in Kernbereichen der Archivarbeit, der Bibliothek und der Herausgabe der Werke Rudolf Steiners die bisherigen Aufgaben nicht mehr erfüllt werden können, stellen sich nun endlich wirklich existentielle Fragen an den Betrieb des Goetheanum. Hier wird ja nun die Arbeit geleistet, hier werden die Grundlagen für die Freie Hochschule geschaffen. Der Scherbenhaufen deutet sich schon lange an – nicht zuletzt bei der Diskussion um Beteiligungsverkäufe in Bezug auf Weleda. Auch in der “Christengemeinschaft” ist die Finanzierung der Gehälter und Pensionen ihrer Pfarrer nicht hinreichend gesichert.

Nimmt man noch das Ausbluten der anthroposophischen Zeitschriften und früher vielfältigen Verlage hinzu, sieht man eine Krise, die keinesfalls nur ein Produkt aktueller Finanz- und Wirtschaftskrisen ist, sondern ein langjähriger Niedergang, der auch Bereiche wie z.B. die Goetheanumsbühne ergriffen hat. Ein strukturelles Problem, das eine grundlegende Neuaufstellung erfordern müsste. Aber es ist nicht einmal eine offene Diskussion darüber zu sehen und zu hören. Statt eine generelle und zentrale Diskussion anzustoßen, werden die defizitären Tochter-Institutionen offenbar mit ihren Problemen allein gelassen.

Noch eine Verdeutlichung: Das Archiv am Goetheanum mit der Bibliothek am Goetheanum beherbergt das Gesellschaftsarchiv und nicht den Nachlass von Steiner (mit Ausnahme einiger weniger Dokumente).
Es gibt zwar in der Nachlassverwaltung auch eine Bibliothek, diejenige, die Steiner persönlich gehörte. Finanziell ist das Steiner Archiv unabhängig vom Goetheanum-Betrieb. Die Nachlassverwaltung ist sozusagen eine eigene “Strömung”. Marie Steiner hat sich ja bekannterweise aus der Gesellschaft in den 40iger-Jahren mitsamt Steiners Nachlass herausgezogen und dies hat sich bis heute nicht geändert. (Danke für den Hinweis)’
Verder heb ik voor vandaag een mooie bijdrage van Lorenzo Ravagli. Op zijn AnthroBlog had hij afgelopen vrijdag al ‘Im Wartesaal geboren’ geplaatst. Precies op tijd om het jubileumjaar van 150 jaar Steiner met deze vertelling over de jonge jaren van Steiner in te gaan. Ik geloof niet dat het veel nieuws brengt voor wie al in de nieuwe Steiner-biografie van Ed Taylor is begonnen. Maar het geeft wel weer een duidelijk beeld van bepaalde opvattingen van Steiner die in zijn latere leven sterk terugkomen. Zou hij die werkelijk gewoon van zijn omgeving op jonge leeftijd hebben overgenomen?
’Im Februar 1913 hielt Steiner einen autobiographischen Vortrag, in dem er auf seine Kindheit zurückblickte. Darin teilte er einige Details mit, die sich sonst nirgends erwähnt finden.

Als Sohn eines kleinen Beamten der österreichischen Südbahn wuchs Rudolf Steiner auf Provinzbahnhöfen auf. Zu seinen bevorzugten Aufenthaltsorten gehörten die Wartesäle, die meistens leer waren. Obwohl es sich um kleine, unbedeutende Orte wie Mödling, Pottschach oder Neudörfl handelte, kam der kleine Rudolf dennoch mit den modernsten Techniken der damaligen Zeit in Berührung: mit der Eisenbahn und der Telegraphie. Mit diesen technischen Errungenschaften kontrastierte die Naturumgebung, in der er aufwuchs, besonders in der Zeit, als die Familie in Pottschach, am Fuß der steirisch-niederösterreichischen Kalkalpen lebte. Im Winter leuchteten die Schneefelder vom Sonnwendstein und anderen Gipfeln herunter und erweckten in ihm erste Ahnungen vom Erhabenen, das sich durch die Natur offenbart.

Die Familie, besonders der Vater, war freigeistig orientiert, hatte weder mit der Obrigkeit noch mit der Kirche etwas im Sinn. Selbst hier in der Provinz konnte Steiner die Auflösungserscheinungen des Katholizismus beobachten und Zeuge der weltanschaulichen Kämpfe zwischen Freimaurern und Jesuiten werden. Aus dem Nachbarort kam öfter ein Pfarrer zu Besuch, der die Sympathien seines Vaters genoss, weil er ebenso freigeistig dachte, wie er. Er schimpfte über die Jesuiten und hatte kaum ein gutes Wort für die Kirche übrig. Keiner wusste, warum er eigentlich Pfarrer war. Eines Tages erhielt der Pfarrer Besuch vom Bischof. Aber das schien ihn nicht sonderlich zu kümmern, denn man musste ihn mit der Nachricht, der hohe geistliche Würdenträger stünde schon in der Kirche, aus dem Bett holen.

Da die Einstellungen der Eltern in diesem Lebensalter mehr als später auf die Kinder abfärben, verwundert es nicht, dass auch der kleine Rudolf einen »gewissen Freiheitssinn im Leibe hatte«. Er weigerte sich, Vorgesetzte des Vaters oder Sommerfrischler zu grüßen und machte wohl kaum einen wohlerzogenen Eindruck. Er verkroch sich dann in eine Ecke des Wartesaals und studierte in einem Bilderbuch, das von einer Figur handelte, die eine Mischung aus Kasperl und Eulenspiegel war, wahrscheinlich ein Vorläufer des heutigen Comic.

Auch später, in Neudörfl, unweit von Wiener Neustadt, gehörte der Pfarrer gewissermaßen zum Inventar des Bahnhofs. Auch von diesem neuen Pfarrer erfuhr Steiner nichts über Religion, aber dafür brachte er ihm die Grundlagen des kopernikanischen Weltsystems bei, das damals noch als ketzerisch galt. Er war ein glühender magyarischer Patriot und ebenso glühend lehnte er die Freimaurer ab, die damals in Neudörfl eine Loge eröffnet hatten.

Schließlich berichtet Steiner über einen weiteren Geist­lichen, einen Zisterzienser, der es als Bauernsohn zum Geistlichen gebracht hatte, worauf das Dorf besonders stolz war. Weniger stolz dürfte es darauf gewesen sein, dass der Geistliche, der in jährlichen Abständen seinem Dorf einen Besuch abstattete, zusammen mit einer Frau einen Wagen vor sich her schob, der sich von Jahr zu Jahr mit mehr Kindern anfüllte. Ironisch bezeichnet Steiner diese Kinder als »Beigaben zum Zölibat«. Im Pfarrhaus lebte ein Knabe, der dieselbe Klasse wie Steiner besuchte. Zu Neujahr und den Namenstagen der Eltern mussten die Kinder immer Glückwünsche verfassen. Einmal warf der kleine Rudolf einen Blick in das Glückwunschschreiben des Knaben vom Pfarrhof und stellte fest, dass er im Unterschied zu den anderen Kindern mit »Ihr herzlich ergebener Neffe« unterzeichnete. Da er nicht wusste, was dieser Ausdruck bedeutete, aber vermutete, er könne nur eine besondere Form von Herzlichkeit beinhalten, unterschrieb er die Glückwünsche an seine eigenen Eltern ebenfalls mit »Ihr herzlich ergebener Neffe.« Seine Eltern klärten ihn dann allerdings über das Verhältnis jenes »Neffen« zu seinem »Onkel« auf.

Dieses Sittengemälde aus Österreich wäre nicht vollständig, wenn nicht auch noch eine Geschichte erwähnt würde, die die Kehrseite der freigeistigen Atmosphäre, in der der Knabe aufwuchs, spiegelte. Auch diese Episode spielt in einem Wartesaal.

Eines Tages saß der etwa siebenjährige Rudolf wieder einmal allein in dem kahlen, nur mit einem Ofen und Sitzbänken bestückten Raum. Da tat sich die Tür auf und eine Frau trat herein. Sie begann unter lebhaften Gebärden zu dem Knaben zu sprechen und bat ihn um Hilfe. Schließlich verschwand die Frau im Ofen. »Der Knabe hatte niemanden in der Familie, zu dem er von so etwas hätte sprechen können, und zwar aus dem Grunde, weil er schon dazumal die herbsten Worte über seinen dummen Aberglauben hätte hören müssen«, kommentiert Steiner. Tage später erfuhr Rudolf, dass sich ein nahestehendes Familienmitglied das Leben genommen hatte. In seinem Vortrag lässt er keinen Zweifel daran, dass ihm damals die Seele der Verstorbenen erschienen war. Von diesem Tage ab veränderte sich das Seelenleben des Knaben. Er sah in der äußeren Natur nicht mehr nur die Bäume, Bäche und Pflanzen, sondern auch die schaffenden Wesen, die Geister der Natur. Es wäre also nicht völlig verfehlt zu sagen, dass die Anthroposophie im Wartesaal eines Bahnhofs geboren wurde.’

maandag 3 januari 2011

Aantrekken

Mooi, deze derde dag van 2011 is gelijk ook de eerste werkdag in het nieuwe jaar. Ik heb verschillend nieuws, waarvan het mooiste het volgende is. Vrijdag 31 december 2010 riep Frans Wuijts me nog terug in ‘A-typisch’. De secretaris van de Vereniging tegen de Kwakzalverij, Frits van Dam, had in NRC Handelsblad die week een proefschrift afgebrand. Ik ging daar, samen met Hugo Verbrugh, een aardig eind in mee. Het ging over ‘Chinese acupunctuur tegen stuitligging: een schandelijk proefschrift’. Als commentaar schreef ik: ‘Het lijkt me dat je hierover niet veel woorden hoeft vuil te maken.’ In de eerste twee van de 7 reacties tikte Frans Wuijts me terecht op de vingers, en op zijn aangeven kon ik er later veel genuanceerder over berichten. En wat zie ik vandaag in NRC Handelsblad? Op de opiniepagina’s een weerwoord vanuit het Erasmus MC, door promotor Myriam Hunink, co-promotor Hans Duvekot en de gepromoveerde zelf, Ineke van den Berg. Dit mag ik niet zomaar overnemen, want NRC Handelsblad geeft tegenwoordig geen artikelen uit de krant meer prijs. Maar ik kan wel een citaat uit het slot geven, dat overeenkomt met de strekking van mijn verlate inzicht, en dat een gewichtig doend argument van Frits van Dam weerlegt:
‘Van Dam beweert dat het enige degelijke onderzoek “voor het gemak is weggelaten”. Hij verwijst naar de studie van Guittier, eind 2009 gepubliceerd. Onze meta-analyse is begin 2008 gepubliceerd – zegt dat voldoende? Bovendien werd in de studie van Guittier de behandeling later in de zwangerschap toegepast dan in voorgaande studies, wat een mogelijke verklaring is waarom geen effect werd gevonden.

Vijf van de zes artikelen in het proefschrift zijn gepubliceerd in peer-reviewed, internationale, wetenschappelijke tijdschriften. Het zesde artikel is under review. Het proefschrift is positief beoordeeld door de promotiecommissie. Van den Berg heeft het proefschrift verdedigd in een openbare zitting, tegenover een commissie van elf wetenschappers.’
Mijn volgende nieuws is de website van Zonnehuizen. Die is aardig vernieuwd; heeft in ieder geval een veel overzichtelijker uiterlijk en indeling gekregen. Je kunt nu in één oogopslag zien waar je terecht kunt; de oude, strikte scheiding in twee websites, voor Zonnehuizen Kind en Jeugd en Zonnehuizen Volwassen, is verlaten. Alles is nu weer in één geïntegreerd. Klik ik op ‘Organisatie’ zie ik onder meer staan:
Aantal medewerkers:
2.085 (Fte 1208,6)

Intramurale capaciteit:
807 plaatsen

Extramurale zorg:
2.025 cliënten

Exploitatiebudget:
92,4 mln. Euro

ZON is het magazine dat Zonnehuizen enkele malen per jaar uitgeeft voor iedereen die op wat voor manier dan ook met Zonnehuizen te maken heeft en dat vertelt over de wereld van Zonnehuizen, een wereld vol ontmoetingen. De laatste drie nummers kunt u hier downloaden: Zon 11 / Zon 10 / Zon 9’
Een bezoekje waard, deze website! – Dan heb ik een kort berichtje van de website ‘150 Jahre Rudolf Steiner 2011’. Die meldt namelijk ‘Rudolf Steiner Express: Letzte Tickets! Bitte einsteigen!’ We kennen dat verhaal intussen:
‘“Erfahren” Sie auf besondere Weise Rudolf Steiners Biographie: lösen Sie Ihr persönliches Zugticket, buchen Sie für Ihre Freunde oder Ihren Betrieb ein Abteil oder kaufen Sie Fördertickets, mit dem Sie helfen das Projekt aufzugleisen.

Mit an Bord sind bereits Passagiere aus den Niederlanden, Deutschland, Österreich, der Schweiz, Grossbritannien, Australien, Indien und den USA.
Damit der RS 150 wirklich auf Reisen gehen kann werden noch 50 Passagiere benötigt, die bis zum 9. Januar verbindlich buchen.

Ein vielfältiges Programm in und um den Zug herum ist in Vorbereitung . Bitte entnehmen Sie die detaillierten Reiserouten mit allen Stationen und Abfahrtszeiten der Website. Für weitere Informationen zum Rudolf Steiner Express klicken Sie bitte auf EINSTEIGEN.
Waar mijn oog op viel, zijn die vijftig passagiers die nog nodig zijn om de treinreis überhaupt doorgang te laten vinden. En dat vóór 10 januari! Dat is nog maar één week... Het is dus niet denkbeeldig dat de hele onderneming nog wordt afgeblazen, als geen zeven mensen zich per dag alsnog aanmelden. – Als volgende vandaag een nieuw bericht uit Gouda, van de website van de vrijeschool Ridderslag, die er werkelijk prachtig uitziet:
‘Welkom op De Ridderslag
Gelegen aan een historisch pad, de Ridder van Catsweg, en omgeven door groen, biedt onze school onderwijs aan kinderen van 2 t/m 12 jaar. In september 1974 stonden ouders aan de basis van onze school in Gouda, en een kleine tien jaar later legden zij het fundament van het huidige gebouw. Onze school is geworteld in een rijke traditie, die we meenemen in het heden en onze visie op de toekomst.

Graag nemen wij u mee op een ontdekkingsreis door onze school. We leiden u langs alle aspecten die voor u als ouder van belang zijn, zoals de opbouw van de klassen, het lesprogramma, de pedagogische werkwijze, de lessen in moderne vreemde talen, differentiatie in het onderwijsaanbod, jaarfeesten, samenwerking met ouders en de schoolorganisatie.

Centraal in ons onderwijs is de aanleg die in ieder kind aanwezig is en in hem of haar ontwikkeld kan worden. Op onze school betekent dat: aandacht voor het cognitieve leren, maar ook voor het ervarend en scheppend leren. Beweging, muziek, schilderen en kennismaking met ambachten maken hiervan deel uit. Dat deze aanpak tot goed onderwijs leidt, vindt ook de Onderwijsinspectie, die onze school onlangs positief heeft beoordeeld. Wilt u onze school en activiteiten nader ontdekken, dan bent u van harte welkom op onze jaarlijkse open dag, een informatieavond of een lezing, of voor een persoonlijke ontmoeting met de schoolleider of leerkrachten.’
Onder het ‘Laatste nieuws’ staat daar sinds vandaag ‘Extra eerste klas voor Basisschool De Ridderslag’:
‘Basisschool De Ridderslag groeit en start daarom het komende schooljaar met een extra eerste klas (groep 3). Daarop vooruitlopend vormt de vrijeschool voor Gouda en omstreken begin mei een voorjaarsklas voor de oudste kleuters. Er is nog ruimte voor zesjarigen, zowel voor de voorjaarsklas als voor de eerste klassen in het schooljaar 2011-2012.

Schoolleider Joeri Bertels is blij met het stijgende leerlingental van zijn school. “Het is een verheugende ontwikkeling. De keerzijde is echter dat de kleuterklassen nu nogal vol zitten. Vóór de zomervakantie ontstond er voor de kleuterklassen zelfs een kleine wachtlijst. Aan het begin van het schooljaar was er voor de betreffende kinderen weer plaats, maar inmiddels zitten de drie kleuterklassen (groep 1&2) alweer aardig vol. Met name de groep oudste kleuters is omvangrijk; we hebben na de zomervakantie 2011 ruim te veel leerlingen voor één eerste klas. Daarom heeft het bestuur besloten een extra klas te starten. En om de volle kleuterklassen te ontlasten, doen we dat al in het voorjaar. Met zo’n voorjaarsklas hebben we veertien jaar geleden al goede ervaring opgedaan. Na de zomervakantie wordt de voorjaarsklas eerste klas, en zullen we dus twee eerste klassen hebben.”

De voorjaarsklas voor de oudste kleuters start op 9 mei 2011. Deze leerlingen hebben dan acht weken les voordat de zomervakantie begint. De procedure voor de werving van een nieuwe klassenleerkracht start deze week. Belangstellende ouders van zesjarigen kunnen voor meer informatie contact opnemen met Elly Heij van Basisschool De Ridderslag via telefoonnummer (0182) 537 515.

Van 3 tot en met 5 februari 2011 zijn er open dagen bij Basisschool De Ridderslag én bij Vrije Peuteropvang Het Rozenpoortje, beiden gevestigd aan de Ridder van Catsweg 256a.’
Ook vanuit Zutphen wordt groei gemeld. Nick Megens van De Stentor haalt dit uit het Statistisch Jaarboek van de gemeente Zutphen 2010:
‘Opvallend is ook de groei van Vrije School de IJssel; van 350 leerlingen in 2002 naar 415 in 2009.’
Minder goed verging het daar de middelbare school:
‘De bovenbouw van de Vrije School ging van 1192 leerlingen in 2005 naar 1067 in 2009.’
Maar het is dus mogelijk een kwestie van tijd eer dit weer aantrekt.
.

zondag 2 januari 2011

IJsvogel


Op deze tweede dag van het nieuwe jaar wil ik simpelweg de Kingfisher Foundation aan u voorstellen. Er zijn vele Kingfisher Foundations in de wereld, net zoals er vele ijsvogels zijn; dus erg handig gekozen is die naam niet. Mij gaat het om deze ene: ‘Kingfisher Foundation – Foundation for Phenomenology and Goethean Science’:
‘De Stichting heeft ten doel de ontwikkeling, toepassing en verspreiding van de Goetheanistische fenomenologische onderzoeksmethode in de meest brede zin van het woord, een en ander ter aanvulling op en vernieuwing van de gangbare wetenschapsopvatting en onderzoeksmethodiek. Voorts het verrichten van alle verdere handelingen, die met vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.’
Er meteen naast is deze opsomming te vinden:
‘Doel
Dus die gaan we even langs (waarbij we de eerste meteen al hebben gehad), te beginnen met de ‘Werkterreinen van de stichting’:
‘1. Kennis- en onderwijsontwikkeling in de gezondheidszorg te realiseren door Goetheanistisch fenomenologisch onderzoek en het publiceren van de resultaten daarvan in zogeheten Companions in het Companion-project.

– Zes Companions for the Study of Medicine zijn geschreven als neerslag van onderzoek naar medische basisvakken. Ze kunnen (para)medische studenten en zorgprofessionals een leiddraad bieden om de medische basiswetenschappen vanuit een fenomenologisch perspectief te beoordelen en begrijpen.
– De Fundamental Companions beogen een holistisch-fenomenologische visie te geven op basisconcepten in de wetenschap die van invloed zijn op wetenschap en praktijk van medisch-therapeutische werkgebieden.
– Voor de Companions for the Practice of Medicine wordt (literatuur)onderzoek verricht om de wetenschappelijke basis te ontwikkelen voor een bredere beeldvorming in de diagnose en therapie, gebaseerd op de Goetheanistische fenomenologische methode en bedoeld voor integratieve behandelwijzen, waaronder de antroposofische geneeskunde. De resultaten van dit onderzoek worden beschreven voor de dagelijkse medische, heilpedagogische en sociaal-therapeutische praktijk.

De Companions kunnen bekeken, besteld en gedownload worden via de website van het Louis Bolk Instituut: www.louisbolk.nl/companions

2. Bevorderen van de ontwikkeling van de bio-kristallisatiemethode tot een wetenschappelijk geaccepteerd instrument. Als zodanig zal dit instrument praktisch kunnen worden toegepast ter bepaling van de holistische productkwaliteit, onder meer ten dienste van de biologische en biologisch-dynamische landbouw.

De kwaliteitsinterpretatie is gebaseerd op een Goetheanistische fenomenologische beschouwing van de kristallisatiebeelden.
De ontwikkeling van de bio-kristallisatie methode omvat de volgende gebieden:

– Een verdere ontwikkeling van de visuele beoordelingsmethode. Van het huidige morfologie-/ gestiekniveau naar achtereenvolgens het niveau van Gestaltbeoordeling; aansluitend wordt de interpretatie in samenhang met plantfysiologie ontwikkeld.
– Een verdere ontwikkeling van de computergestuurde beeldbeoordeling. Deze vorm van beeldbeoordeling faciliteert de analyse van grote hoeveelheden beeldmateriaal voor statistische toetsing. Indien mogelijk zal voor deze verdere ontwikkeling gebruik gemaakt worden van de inzichten verkregen door de visuele (Gestalt)beoordeling.
– Het doorgronden van de basis-fysiologische parameters die van invloed zijn op de beeldvorming. Dit is noodzakelijk enerzijds voor de wetenschappelijke onderbouwing van het holistische principe van deze methode, anderzijds om het kristallisatieproces verder te kunnen optimaliseren voor een toekomstige spreiding van de methode.

Ten behoeve van deze werkzaamheden stelt de stichting diverse apparatuur en instrumenten ter beschikking, een en ander zoals vermeld op een aparte inventarislijst “kristallisatie-inboedel”.’
Vervolgens ‘Activiteiten van de Stichting’ (waarbij duidelijk is dat de stand nog van vorig jaar dateert, maar dat is niet zo gek, nu we pas op de tweede dag van 2011 zitten):
‘In 2010 worden de volgende activiteiten beoogd:

Kennis- en onderwijsontwikkeling in de gezondheidszorg

1. Publiceren van een Bolk’s Companions for the Practice of Medicine over depressieve stoornissen
2. Publiceren van een Bolk’s Fundamental Companions over Phenomenology
3. Werken aan de ontwikkeling van een Companion Cardiovascular Disorders
4. Werken aan de ontwikkeling van een Companion Endocrine System Disorders

Ook wordt beoogd de samenwerking met het Lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg aan de Hogeschool Leiden te intensiveren.

Ontwikkeling en toepassing van de bio-kristallisatie methode

1. Ondersteunen van de fondswerving voor het GESTE-project (Gestalt Evaluation and Structure Evaluation), in samenwerking met Duitse en Deense onderzoekers.
2. Ondersteunen van de wederopbouw van de Nederlandse afdeling van het bio-kristallisatie Triangle consortium. Dit behelst het opbouwen en testen van de kristallisatiekast en het inrichten van een laboratoriumruimte.
3. Indienen van de wetenschappelijke publicatie “Development of a biocrystallisation method for examining effects of homeopathic preparations on germinating cress seeds”.
4. Het schrijven en indienen van een wetenschappelijke publicatie “Development of a Structure analysis approach for the evaluation of biocrystallisations”.
5. Ondersteunen van het opstellen van een projectvoorstel voor een vervolg op het homeopathie-project.’
Dan zijn we toe aan de ‘Financiering van de activiteiten’:
‘De Stichting tracht haar doel te verwezenlijken door materiële en financiële middelen ter beschikking te stellen aan personen en omschreven onderzoeksopdrachten te geven. De resultaten staan ter beschikking van het algemeen nut.
De Stichting tracht haar doel te verwezenlijken door onder meer het verwerven van schenkingen en legaten. Deze laatst mogen niet anders dan beneficiair worden aanvaard.

De Stichting heeft geen winstoogmerk. De Kingfisher Foundation is door de belastingdienst erkend als een Algemeen Nut Beogende Stichting (ANBI Stichting). Schenkingen aan de Stichting zijn voor de belastingdienst als zodanig aftrekbaar.

De Kingfisher Foundation zet zich in om bij Nederlandse en buitenlandse stichtingen bijdragen voor de volgende onderzoeken te verwerven:

Kennis- en onderwijsontwikkeling in de antroposofische gezondheidszorg
De begroting 2010 van het Companionproject heeft een inkomstenpost van € 108.595. De begroting van het Companionproject over 2010 vermeldt uitgaven ter hoogte van € 108.595.

Ontwikkeling en toepassing van de bio-kristallisatiemethode
1. Uitvoering eerste fase GESTEproject (gestart 1 juli 2010). Deze eerste fase, de Development phase, heeft een duur van 18 maanden en een begroting van € 456.000, waarvan reeds is geworven een bedrag van € 350.000. De begroting van het totale project bedraagt € 799.000. De Kingfisher Foundation wil zich inzetten om Nederlandse financiers te vinden voor een deel van deze kosten.
2. Het proces van de doorstart en wederopbouw van het bio-kristallisatie-laboratorium, en het bijbehorende financiële plan, is in ontwikkeling.
3. De overige activiteiten worden onbezoldigd uitgevoerd.’
Om uiteindelijk uit te komen bij de onvermijdelijke ‘Bestuursleden van de Stichting zijn’, waar we een groot aantal bekenden tegenkomen:
‘Max Rutgers van Rozenburg, voorzitter
Adri Dijkstra, penningmeester
Christa van Tellingen, vice-voorzitter
Machteld Huber, secretaris
Guus van der Bie, lid
Paul Doesburg, lid’

zaterdag 1 januari 2011

Nieuwjaarsdag

Op de eerste dag van het nieuwe jaar grijp ik toch terug op iets fundamenteels waarmee ik op 21 december in ‘Bijdragen’ ook al kwam, namelijk de Beiträge zur Rudolf Steiner Gesamtausgabe online. Studien und Dokumente zu Rudolf Steiners Lebenswerk. Herausgegeben vom Rudolf Steiner Archiv Dornach (CH). Ik heb toen de redactionele inleiding weergegeven, die nog algemeen was gehouden, met direct daarna het volgende, specifiek gericht op dit eerste nummer (nr. 123) online:
‘Vor fast vierzig Jahren, im Sommer 1971, publizierte Hendrik Knobel im Zusammenhang mit dem unlängst erfolgten Erscheinen der zweiten, erweiterten Auflage der unvollendet gebliebenen Schrift «Anthroposophie» von 1910 in den «Beiträge zur Rudolf Steiner Gesamtausgabe» (Heft 34) eine Reihe von Aufzeichnungen Rudolf Steiners zur Sinneslehre aus seinen Notizbüchern und Notizblättern. (...)

Was nach diesem Heft an weiterem Material zu diesem Thema folgte, außer dem in Heft 58/59 der «Beiträge» enthaltenen im Anhang zum GA-Band der Vorträge «Anthroposophie – Psychosophie – Pneumatosophie» (GA 115), kann bei weitem nicht als der angekündigte zweite Teil betrachtet werden. Denn das Material an Notizen zur Sinneslehre ist insgesamt so umfangreich, daß der nunmehr erscheinende zweite Teil noch einmal in zwei Lieferungen unterteilt werden muß. Allein die in diesem Heft zusammengestellten Notizen aus elf Notizbüchern und einem Notizblock der Jahre 1909 und 1910 umfassen fast 180 Seiten an Aufzeichnungen, und der zweite Teil an Notizen aus den Jahren nach 1912 wird nicht entscheidend weniger bringen.’
Aldus de inleiding (waarin nog meer volgt, maar dat is daar ter plekke na te lezen). Vandaag twee volgende artikelen, die overigens allemaal staan onder de Creative Commons Licentie 3.0 (‘Namensnennung–NichtKommerziell–Nicht Bearbeiten 3.0 Unported Lizenz’). Het is maar dat u het weet. Het eerste heet ‘Zur Materialität der Kommunikation am Beispiel der Notizbücher Rudolf Steiners’ en is geschreven door Urs Dietler:
«Jedes Ding hat seinen Mund.»
Jacob Böhme, De signatura rerum

Im Frühjahr des Jahres 1987 fand am Inter-University-Centre in Dubrovnik ein legendär gewordenes Kolloquium statt,* das ein im Feld der Geistes- und Kulturwissenschaften ungewöhnliches Thema setzte. Mit dem Fokus auf der «Materialität der Kommunikation» wandte man sich bewusst einer Sphäre zu, die bisher kaum beachtet wurde. Im Zentrum der Forschungen der Geisteswissenschaften stand ja seit ihrer Entstehung im frühen 19. Jahrhundert die Suche nach dem Sinn eines Textes, einer Verlautbarung, einer Aufzeichnung im Zentrum, d.h. die hermeneutische Bemühung. Es waren französische Philosophen einerseits, der Blick auf die Körperlichkeit und die durch die neuen Medien geschaffenen Kommunikationsformen, welche die dominante Stellung der Sinnfrage im Bereich der Geisteswissenschaften in Frage zu stellen begannen. Die Teilnehmer jenes Kolloquiums suchten Antworten auf die Frage, welches Forschungsfeld sich für die Kommunikation ergibt, wenn die Dimension des Sinnes – durchaus heuristisch – weggelassen wird.

Die Beschäftigung mit Rudolf Steiners Notizbüchern zeigte mir deutlich, dass auch ich zwar von diesen Originaldokumenten spontan fasziniert, ja betroffen bin, mein Interesse jedoch sehr schnell dahin geht zu ergründen, was denn hier jeweils gemeint ist, welche Inspiration hier erscheint, wie sich ein keimhafter Gedanke später in Rudolf Steiners Vorträgen entfaltet. Im Sinne des obigen Tagungsthemas soll hier jedoch danach gefragt werden, ob hinter der materiell-sinnlichen Erscheinungsweise nicht mehr sichtbar wird als die durch die Materialität hindurch «transportierten» Ideen. Könnte es nicht sein, dass das Sinnliche hier eine Rolle spielt, die wir zumindest im Bereich der Kunst gelernt haben, nicht zu missachten? Sollte hier der ästhetische Blick weiterführen können?

Um das zu beantworten, wenden wir uns den Phänomenen zu. Es gibt im Archiv eine wahre Fülle von schriftlichen und grafisch-malerischen Zeugnissen von Rudolf Steiners Hand: neben den hier vorgestellten Notizbüchern viele Notizzettel, Briefe, Telegramme, Manuskripte, Fahnenkorrekturen, Entwürfe, Skizzen, Eintragungen in seine Bücher, Widmungen auf Fotografien, Malereien u. a. An diesen Dokumenten zeigt sich ein Vielfalt der Erscheinungsweisen, die beim genauen Betrachten verblüffend gross ist. Der erste Eindruck jedoch ist derjenige der Präsenz. Diese Dokumente sprechen unmittelbar zu einem – Walter Benjamin sprach hier von der Wirkung des Auratischen – und rücken die Vorgehensweise des Autors ins Blickfeld, man sieht sich in die Werkstatt Rudolf Steiner versetzt. In diesen Aufzeichnungen werden gleichsam Spuren des Geistigen sichtbar, Spuren, denen man die Auseinandersetzung mit dem Widerstand des Materiellen ansieht. Eine sorgsam betriebene Phänomenologie führt dazu, dass die Dinge zu sprechen beginnen und die Situation und Umstände eines Notates, einer Skizze gegenwärtig werden. Diese Gegenständlichkeit hat ihre eigene Physiognomie, die es zu lesen lernen lohnt.

Im Zusammenhang dieses Beitragsheftes wenden wir uns den Notizbüchern Rudolf Steiners zu, von denen sich 600 im Archiv befinden. Ein Blick in die Schublade, in der sie aufbewahrt werden, fördert schon beim ersten Betrachten eine Vielfalt der Erscheinungsweise zu Tage; da stehen neben grossformatigen und deshalb nicht gut einzuordnenden Notizbüchern ganz kleine, schmale, die in der Fülle fast untergehen. Nimmt man sie zur Hand und breitet sie aus, wird einem deutlich, dass unter dem Gesichtspunkt der Materialität der Kommunikation folgende Kategorien zu berücksichtigen sind:

Format: Höhe, Breite, «Dicke»
Das Verhältnis dieser Parameter zueinander

Papierqualität: Festigkeit, Schwere, Struktur, Maserung, Farbe, hohe oder mindere Qualität (in Zeiten des Krieges), Pergamentartiges Papier, gebräuchliches Papier

Einband: Struktur, Festigkeit, Farbe, Material (Karton, Textilie) und seine Bearbeitung (gefärbt, gestärkt, lackiert)

Bindung: Agraffen, Fadenbindung, geleimt

Blätter: unliniert, liniert, kariert (dies jeweils in Farbe oder schwarz, grau), am Steg eingefärbt oder nicht, mit Vorgaben (z.B. Kalendarium), Wasserzeichen

Schreibwerkzeug: Bleistift (weich, hart), Feder (fein, spitz, hart, weich) mit Tinte oder Tusche, Farbstifte, (weich, hart, gespitzt, ungespitzt), Kopierstift

Zubehör: Lesebändchen, Schutzhülle, Impressum

Der hermeneutisch zentrierte Forscher wird sich mit einem gewissen Recht fragen, ob diese Materialitäten zwar interessant, gemessen an den «mitgeteilten Inhalten» aber doch ephemer seien. Dieser Sichtweise steht die andere, hier vorgestellte gegenüber, die zwar Mc Luhans These «the medium is the message» nicht absolut deutet, ihr aber ein Gewicht geben kann. Die Untersuchung der Notate Rudolf Steiners in den Notizbüchern zeigt deutlich, dass die benutzte Materialitäten dem sich inkarnierenden Inspirationsstrom durchaus Widerstände entgegensetzen, ja selbst bestimmte Formen der Formulierung ermöglichen und hervorrufen. Fragmentarisches, Keimhaftes, Aphoristisches und Skizzenhaftes, ja Verkürztes, Abgebrochenes, Entworfenes sind weitaus häufiger anzutreffen als über Seiten Durchgehaltenes, in Kontinuität Formuliertes. Nicht jede Materialität erlaubt diesebe Gestalt, denselben Bildcharakter einer Darstellungsweise, etwas, mit dem Rudolf Steiner sehr bewusst umgegangen ist. So wird sich ein Notizbuch im Format eines Schulheftes (z. B. NB 500) tendenziell dazu eignen, längere Gedankengänge auszuformulieren, Texte aufzunehmen, die bereits Manuskriptcharakter tragen. Das kleine Notizbuch für die Westentasche (z. B. NB 533) «ruft» dagegen eher nach kurzen Notaten wichtiger, ergänzender Gedankenblitze, neue Perspektiven aufzeigend; das mit karierten Blättern versehene, kompakte Ringbüchlein (z. B. NB 178) wiederum regt zu tabellarisch-systematischen Aufstellungen und Überlegungen an. Dass sich diese verschiedenen Formen des Notierens je auch in den Notizbüchern des «anderen» Formates finden, versteht sich angesichts des Charakters des Notierens von selbst.

Man kann sich die Frage stellen, ob Rudolf Steiner hier Einschränkungen unterlegen ist, die Ideen nicht adäquat zur Erscheinung bringen liess. Hie liesse sich argumentieren, dass dies zur conditio humana gehört und Rudolf Steiner sich immer wieder dazu äusserte, wie bereits das Ausformulieren in der Sprache Einschränkungen unterliegt. Im Sinne des hier Vorgebrachten kann es aber auch berechtigt sein, in den materiellen Bedingungen der Kommunikation Ermöglichungen bestimmter Ideen zu sehen, gleichsam ein Medium, innerhalb dessen Sinnlichkeit bestimmte Ideen erscheinen können. Eine ästhetische Blickrichtung auf die Notizbücher kann diesen Aspekt durchaus wertvoll erscheinen lassen.

Die in diesem Heft vorgestellten Notizbücher werden jeweils in ihrer Materialität vorgestellt und als Faksimile sichtbar. So kann sich der geschätzte Leser als Phänomenologe dieser Notate einen erweiterten Blick auf die Welt der Notizbücher und Rudolf Steiners Werkstatt der Sinneslehre erarbeiten.

Urs Dietler

* Siehe hierzu den daraus hervorgegangenen Band «Materialität der Kommunikation», herausgegeben von Hans-Ulrich Gumbrecht und K. Ludwig Pfeiffer, Frankfurt am Main 1988.
Het tweede artikel heet ‘Der Text als Bild: Über das Interpretieren von Notizbüchern’ en is geschreven door Roland Halfen:
Im Unterschied zu ausformulierten Manuskripten, deren lineare Lesbarkeit eindeutig ist, handelt es sich bei Notizbüchern um Dokumente, die – nicht nur dann, wenn es Notizbücher mit unlinierten oder karierten Blättern sind – eminent flächenhafte Gebilde darstellen. Das bedeutet, alle planimetrischen Verhältnisse und Beziehungen wie Lage, Richtung, Größe und Abstand von notierten Worten, Satzteilen, Sätzen oder auch von allem, was man als Skizzen, Entwürfe oder Schemata bezeichnen kann, erhalten auf der Seite eines Notizbuches eine potentiell sinngebende Qualität.

Schon allein bei der grundlegenden Frage, ob zwei Elemente auf einer Seite, egal ob geschrieben oder gezeichnet, überhaupt einander zugeordnet werden können, verhält man sich von Anfang der Betrachtung an als Interpret und hat daher auch stets die Gründe für die Bezugnahme zu reflektieren. Diese Frage ist jedoch keine des äußerlichen Abstandes, der sich mit einfachen quantitativen Maßstäben klären ließe. Denn ob Worte sich eher näher oder eher fern stehen, ist eine Frage der Relation, die sich nur aus dem individuellen gestalterischen Kontext dieses einzelnen Blattes beurteilen und lösen läßt.

Ein Problem der Zuordnung von Worten ergibt sich zum Beispiel auf dem Blatt Nr. 14 aus NB 210: In den Transkriptionen der «Beiträge Nr. 33/34» wurden die dort vorhandenen Planetennamen den darüber geschriebenen Paaren von Tierkreiszeichen und Sinnestätigkeiten zugeordnet, was zu Beginn, d.h. auf der linken Seite des Blattes zunächst plausibel erscheint. Je mehr man jedoch mit dem Blick nach rechts hinüber gleitet, desto lockerer wird diese Verbindung, so daß es schließlich fragwürdig scheint, ob Skorpion und Geruch noch Merkur (bzw. Schütze und Gleichgewicht noch dem Mond) zugeordnet werden können. Einen Hinweis zur Lösung dieser Frage gibt wiederum die Kategorie der Lage, in diesem Fall die gedrängte Position beider Listen, die es nahelegt, daß die Beziehung zwischen der Zwölfheit der oberen Liste und der Siebenheit der darunter folgenden Liste nicht zu eng geknüpft werden sollte. Unter Berücksichtigung dieses Aspektes ergab sich bei der neuerlichen Durchsicht der Transkriptionen eine etwas andere Nuancierung der Lesart.

Diese Dimension der Lageverhältnisse wird zumeist deshalb übersehen, weil wir als Betrachter einer Notizbuchseite für gewöhnlich die aufgezeichneten Worte durch ihren Inhalt in eine uns bekannte Beziehung setzen können, und dies ganz unabhängig von ihrer Lage und Entfernung voneinander. An den verschiedenen Grenzen, die es hier gibt – zum einen die immer größere Vereinzelung, zum anderen die unüberschaubare Fülle an Worten – steht dieses Problem jedoch schnell vor Augen.

Gerade bei einzelnen wenigen oder vollkommen vereinzelten Worten wird die Besonderheit eines Notizbuches deutlich, nicht als Medium einer Informationsvermittlung zu fungieren, sondern zuweilen als Medium einer bloßen Fixierung, etwa bei Terminen, Eigennamen oder Ortsangaben. Dies kann zuweilen das Problem mit sich bringen, daß schon auf grundlegender Ebene nicht klar ist, auf was sich die Aufzeichnung bezieht. Das gilt aber nicht bloß für den Inhalt, sondern auch für den Autor. Bei einer vereinzelten Formulierung etwa läßt sich nicht von vornherein davon ausgehen, daß Rudolf Steiner deren Autor ist, denn es kann sich auch um die von Steiner aus unbekannten Gründen heraus notierte Formulierung eines anderen Autors handeln. Ferner scheint sich Rudolf Steiner bei Gesprächen mit esoterischen Schülern des öfteren knappe Notizen gemacht zu haben, was deren Fragen oder Probleme betrifft.

Ein besonderer Fall der Fixierung sind die in den Aufzeichnungen zur Sinneslehre immer wieder vorkommenden Gruppierungen und Systematisierungen von Begriffen, zuweilen durch schematisierende Linien graphisch zusammengefaßt und gegliedert. Die «Aussage» solcher Kolumnen und Schemata ist hier stets gänzlich implizit, das heißt über die jeweiligen Gründe der Bezugnahmen bleiben wir als Leser zunächst völlig um Unklaren. Dennoch sind manche der dort skizzierten Bezüge intuitiv nachvollziehbar, und die systematische Folgeordnung der Aufzeichnungen bietet die Möglichkeit, von dem intuitiv Nach vollziehbaren auf stringente und folgerichtige Weise zu dem noch nicht Evidenten fortzuschreiten.

Gerade in diesem Tun, dem schrittweisen Nachvollzug der systematisierten Zuordnungen, fühlt man sich als deutender Leser dem Prozeß, aus dem die Aufzeichnungen hervorgingen, besonders nahe. Denn es gibt Anhaltpunkte dafür, daß Rudolf Steiner selbst zuweilen auf diese Weise verfuhr. Immer wieder begegnen dem Leser der Notizbücher unvollständige Schemata, die zwar begonnen, aber nicht zu Ende geführt wurden. Das läßt darauf schließen, daß Rudolf Steiner die Inhalte dieser Schemata nicht bereits vollständig vor Augen hatte, bevor er zur Feder griff, sondern an einer Stelle begann, um dann von dort mit innerer Konsequenz fortzuschreiten.

Dies alles gibt den Aufzeichnungen eines Notizbuches ihren besonderen Reiz: Während man auf der einen Seite besonders gefordert ist, jede einzelne Notiz zu kontextualisieren, um sie aus dem Zusammenhang sachlich richtig deuten zu können, dies bis hinab auf die grundlegende Ebene der Autorschaft, scheint man auf der anderen Seite wie nirgendwo sonst einen Einblick in den Prozeß der Erkenntnisgewinnung zu erhalten. Steiners Aussagen erscheinen nicht als Geniestreiche, sondern als hart erarbeitete Ergebnisse einer Forschung, die immer wieder neu ihre Strukturen und Begrifflichkeiten reflektiert, wandelt und entwickelt.

Aber auch dies relativiert sich wieder durch die simple Tatsache durchgestrichener Wörter, Sätze und Schemata. Daß man an einem Prozeß der Erkenntnisgewinnung teilnimmt, bedeutet eben auch, daß man nicht ohne weiteres an einer Stelle zugreifen und etwas als mitteilbare «Erkenntnis» behandeln kann. Denn es ist keineswegs sicher, daß Steiner solche Notizen, die er später als überholt beurteilt hätte, immer auch im Nachhinein durchgestrichen hat.

Auf diese Weise haben wir es in Steiners Werk mit drei verschiedene Arten von Texten zu tun: Zunächst die Schriften Rudolf Steiners, die von ihm selbst herausgegeben wurden und insofern als zuverlässig betrachtet werden dürfen. Hier haben die sogenannten «Ausgaben letzter Hand» ihren begründeten Status. Dann folgt als zweite Gruppe die Texte der Vorträge, bei denen die nicht von Rudolf Steiner selbst redigierten Texte aus verschiedenen Gründen Fehler aufweisen können. Um solche Fehler erkennen und beurteilen zu können, ist die gründliche Kenntnis des geschriebenen Werkes die unumgängliche Basis.

Und schließlich folgt als dritte Gruppe die Notizbücher, deren Inhalt die höchsten Anforderungen an das hermeneutische Fingerspitzengefühl des Lesers stellt, die also am wenigsten von allen dreien wie der simple Ausdruck der Wahrheit behandelt werden können. Daß bei der Interpretation der Notizbücher Rudolf Steiners die hermeneutische Dimension so sehr im Vordergrund steht, macht sie jedoch zugleich zu einer besonderen Herausforderung für das eigenständige, reflektierte Denken und Deuten all derjenigen Leser, die mit dem Werk Rudolf Steiners bereits seit längerem vertraut sind. In diesen Texten erhalten bekannte Themen und vermeintlich feststehende Erkenntnisse eine neue Beleuchtung und dadurch auch eine spürbare Verlebendigung, dann aber darüber hinaus auch einen genetischen Kontext, der die publizierten – oder zur Publikation bestimmten – Texte Rudolf Steiners sinngebend und sinnbereichernd hinterfangen kann.

Zur Transkription

Da es sich bei dem zu transkribierenden Material nicht durchgängig um linear verfaßte Texte handelt, sondern zumeist um verschiedenartig beschriebene und mit Zeichnungen versehene Notizbuchblätter, d.h. zweidimensionale Flächen, ließe sich als ideale Transkription eine Form vorstellen, in welcher man die Gestaltung der entsprechenden Seite zumindest annäherungsweise nachahmt, so daß der Leser die Transkription möglichst leicht den transkribierten Worten zuordnen kann.

Abgesehen von dem enormen herstellerischen Aufwand beim Satz einer solchen Transkription mit z. T. vertikal oder schräg geschriebenen Worten, Zeichnungen und Kreisdiagrammen läßt sich dieses Ideal schon allein deshalb nicht durchgängig realisieren, weil sich in Steiners Notizbüchern zuweilen komplexe Schemata finden, in denen die von Rudolf Steiner eingetragenen Begriffe lediglich mit ihren Anfangsbuchstaben gekennzeichnet wurden, während eine Transkription nicht zuletzt auch die Aufgabe hat, den jeweils abgekürzten Begriff zutreffend zu rekonstruieren (z. B. G.[leichgewichtssinn]). Durch diesen Umstand läßt sich die optische Gestalt einer Notizbuchseite oder eines Notizblattes in der Transkription verständlicherweise in vielen Fällen nicht mehr annähernd adäquat wiedergeben.

Um dem Leser die Zuordnung der transkribierten Begriff dennoch so leicht wie möglich zu machen, wurden daher andere Mittel verwendet:

Zunächst einmal folgt die Transkription der räumlichen Verteilung der Notizen auf dem jeweiligen Blatt insofern noch, als die der in Europa gebräuchlichen Lesart von links oben nach rechts unten folgt. Dies ermöglicht bereits eine elementare Zuordnung.

Dabei wird die räumliche Abfolge von Worten, die nicht durch geringen Abstand oder ein Satzzeichen verbunden erscheinen, durch einen Schrägstrich / gekennzeichnet, ein Zeilenwechsel am Ende einer Zeile durch einen doppelten Schrägstrich // sofern dies nicht durch das Layout erkennbar ist.

Ferner wurde die Zuordnung transkribierter Worte dadurch zu erleichtern versucht, daß die systematische Beziehung notierter Begriffe – wie etwa die systematische Zusammengehörigkeit der Begriffe für die sieben Lebensprozesse – in der Transkription durch entsprechende Absatzgestaltung deutlich gemacht wird. Dies erleichtert dem Leser zudem die Erschließung der Zusammenhänge in Steiners oftmals komplexen Diagrammen und Schemata.

Im Unterschied zu manchen früheren Transkriptionen wurden die in Steiners Notizen abgekürzten Worte nicht nur rekonstruiert, d. h. ausgeschrieben, sondern auch durch eckige Klammern als ergänzte Abkürzungen kenntlich gemacht. Das erschwert zwar am Anfang den Lesefluß ein wenig, dokumentiert jedoch dafür die Rekonstruktion als solche besser. Zudem ermöglicht es, unsichere Rekonstruktionen auch als solche durch ein eingefügtes ? zu kennzeichnen.

Zu den einzelnen Zeichen: Das von Steiner verwendete J (wie bei Jch) wurde hier mit I transkribiert. Rekonstruierte Wortteile (zumeist bei Abkürzungen) wurden nicht mit runden, sondern mit eckigen Klammern eingerahmt, um sie von Rudolf Steiners runden Klammern unterscheiden zu können. Nur in Ausnahmefällen hat Rudolf Steiner selbst eckige Klammern verwendet (z. B. in NB 210, S. 17), was jedoch anhand der scans leicht erkannt wird. Eine ganz eigentümliche Schwierigkeit bietet ein von Steiner des öfteren verwendetes «Zeichen», das optisch etwa in der Mitte zwischen Doppelpunkt und Gleichheitsszeichen liegt und deshalb nicht immer eindeutig interpretiert werden kann. In früheren Transkriptionen (z. B. in den «Beiträgen» Nr. 34) wurde dieses Zeichen oftmals als Gleichheitszeichen transkribiert, was zu inhaltlichen Konsequenzen und entsprechenden Problemen der Aussage führte. Im Unterschied zu eindeutig interpretierbaren Doppelpunkten, die hier – wie im Allgemeinen üblich – ohne Leerzeichen hinter ein Wort gesetzt wurden [Bsp. so: ein Wort], wird dieses Zeichen hier als Doppelpunkt mit entsprechendem Abstand zum vorausgegangenen Wort, d.h. nach Leerschlag wiedergegeben [Bsp. so : ein Wort]. Gleichheitszeichen wurden in der Transkription nur dort verwendet, wo sowohl Schreibweise als auch Interpretation eindeutig sind.

Im Unterschied zu früheren Transkriptionen (z. B. in den «Beiträgen» Nr. 34) wurden hier auch die von Rudolf Steiner zunächst notierten, dann aber wieder durchgestrichenen Worte so weit wie möglich – d.h. so weit noch lesbar – wiedergegeben. Dadurch erhält man teilweise noch ein wenig mehr Einblick in den konkreten Prozeß seiner Forschungsarbeit. Eine Ausnahme hiervon sind größere Listen oder Schemata, die Rudolf Steiner großflächig durchgestrichen, d. h. insgesamt verworfen hat (wie z. B. in NB 210, S. 17).

Roland Halfen
Als laatste wil ik nog het derde item weergeven, waarin alles mooi (inclusief linken) bij elkaar staat:
‘Notizen und Vorarbeiten Rudolf Steiners zu den Themen der Vorträge «Anthroposophie» (23. bis 27. Oktober 1909 in Berlin) und «Psychosophie» (1. bis 4. November 1910 in Berlin) sowie zur unvollendeten Schrift «Anthroposophie» (1910) aus Notizbüchern des Jahres 1909 und 1910

Die Notizen aus insgesamt 12 Notizbüchern wurden gescannt und transkribiert (siehe hierzu das Editorial sowie «Der Text als Bild. Über das Interpretieren von Notizbüchern») und mit jeweils einer kurzen Einleitung über Form und Inhalt des einzelnen Notizbuches sowie einem Hinweis auf eine bereits erfolgte Veröffentlichung der Notizen oder Teilen davon versehen. Die Kommentare zu den einzelnen Seiten wurden möglichst knapp gehalten und beschränken sich zumeist auf die Erklärung ungebräuchlicher Termini sowie Hinweise auf den Kontext der entsprechen Vorträge.

Die Abfolge der unten angegebenen Dateien erhebt keinen Anspruch auf exakte Chronologie, sondern nur den einer annähernden, da die Möglichkeit besteht, daß Steiner mehrere Notizbücher gleichzeitig verwendet hat. Die Erarbeitung einer differenzierten Chronologie dieser Notizen ist auf der Basis der hier publizierten Materialien unter Hinzuziehung der vollständigen Notizbücher erst noch zu leisten.


Notizbuch NB 28 (1910): 20 Seiten Hochformat (pdf) – noch nicht verfügbar –
Notizbuch NB 213 (1910): 4 Seiten Hochformat (Notizblock) (pdf) – noch nicht verfügbar –
Notizbuch NB 210 (1910): 20 Seiten Hochformat (pdf) – noch nicht verfügbar –
Notizbuch NB 180 (1910): 12 Doppelseiten Hochformat (pdf) – noch nicht verfügbar –
Notizbuch NB 224 (1910): 4 Doppelseiten Hochformat (pdf) – noch nicht verfügbar –
Notizbuch NB 185 (1910/12): 1 Doppelseite Hochformat (pdf) – noch nicht verfügbar –‘
En dit is nog niet alles; er is nog meer in dit nr. 123. Maar voor nieuwjaarsdag is dit wel genoeg.
.

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Translate

Volgers

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code