Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

woensdag 6 mei 2009

Lo-ve-ren-da-le

Weer een stukje geschiedenis van de biologisch-dynamische landbouw ontsloten. In de praktijk valt dat namelijk nogal tegen. Er is niet zo heel veel over te vinden. Misschien dat dat beter wordt wanneer de website van de bd-vereniging eindelijk vernieuwd is, zoals daar nu al maanden beloofd wordt. Maar tot nu toe is het behelpen. Er is wel een en ander te vinden op de website van Loverendale, onder het kopje ‘Geschiedenis’. Daarvoor moet je op de homepage vreemd genoeg wel eerst naar ‘Organisatie’ gaan, anders kom je er niet. Onder dat kopje is dit te lezen:

‘Loverendale is opgericht in 1926 als een van de eerste biologisch-dynamische landbouwbedrijven in de wereld. Zij is daarmee één van de pioniers op het gebied van de ontwikkeling van de biologisch-dynamische landbouwmethode.

De naam Loverendale is afkomstig van het toenmalige woonhuis van de oprichtster Maria Tak van Poortvliet. Op de plaats waar nu het Badhotel Domburg staat stond vroeger Villa Loverendale in het “lover”.

Door de jaren heen heeft Loverendale zich ook als merknaam ontwikkeld voor producten uit de biologisch-dynamische landbouw. Sinds begin 90er jaren geeft Loverendale haar merk in licentie uit aan diverse productie- en handelsbedrijven. In 1992 heeft Loverendale zich operationeel teruggetrokken uit de dagelijkse exploitatie van boerderijen en richt zich nu uitsluitend op het financieel deelnemen in biologisch-dynamisch werkende landbouwbedrijven.

Met de inkomsten uit haar merk ontwikkelt zij de gemengde biologisch-dynamische boerderijen waarin zij deelneemt. Middels haar merk geeft zij een gezamenlijke identiteit aan een stroom boerderijproducten.’

Kortom, Loverendale bestaat niet meer als bd-boerderij. Hoe het destijds was, is dus te lezen onder ‘Geschiedenis’. Maar een nog veel interessantere link en invalshoek is die, welke Roel van Duijn in augustus 2001 in Trouw publiceerde. Roel van Duijn, een naam met een bijna magische klank. Toen hij eind vorig jaar na veertig jaar afscheid nam van de politiek, stond er een mooi portret van hem door Marcel Wiegman in BN/De Stem (BN staat trouwens niet voor Bekende Nederlander, maar voor Brabants Nieuwsblad).

‘“De omgekeerde Don Quichotte” doopten zijn politieke vijanden Roel van Duijn in de jaren zeventig: Hij vocht een leven lang vóór windmolens. In 1969 al wist Van Duijn als gemeenteraadslid van het door hem meeopgerichte Provo de Amsterdamse volksvertegenwoordiging over de rooie te jagen door in een vergadering een gedicht voor te dragen over kabouter Piggelmee. De katholieke KVP eiste onmiddellijk een spreekverbod.

Het incident was het startsein voor de Kabouters en hun Oranje Vrijstaat. In 1970 marcheerde Van Duijn als aanvoerder met vijf zetels de gemeenteraad binnen. Het idee deed hij op bij een biologisch-dynamische boerderij waar geen lawaaiige landbouwmachines werden gebruikt omdat die de kabouters zouden verjagen.

Roeland Hugo Gerrit van Duijn heeft de lichtgeaffecteerde dictie van het keurige, burgerlijke, Haagse Bezuidenhout nooit afgeleerd. Vader accountant, moeder theosofe, zes kinderen, de jonge Roel opstandig. Spijbelen om in het verdorven Amsterdam te demonstreren tegen de atoombom. Onder de dekens de geschriften lezen van de Russische anarchist Peter Kropotkin. Het Haags Montessori Lyceum gebood vader het “warhoofd” naar de psychiater te sturen of hem van school te nemen.

Mooie tijden. Het witte fietsenplan dat Amsterdammers aan een gratis karretje moest helpen. Happenings bij Het Lieverdje met antirookmagiër Robbert Jasper Grootveld. Krenten uitdelen aan verbouwereerde voorbijgangers en dan de politieknuppel erover.

Amsterdam moest, aldus de opperkabouter in die magische jaren, een urbagrarische metropool worden, een milieuvriendelijk midden tussen stad en platteland. Volkstuinen achter dure grachtenpanden, heideplantjes en geiten op de daken. Boerderijen in het centrum en bloemperken op voorbijrazende auto’s. De beweging ging kapot aan de strijd tussen rekkelijken en preciezen. Van Duijn behoorde tot de pragmatici die het níet zo’n goed idee vonden een tachtigjarige Kabouteroorlog te beginnen. Even rook hij in 1974 aan de macht voor de christenradicalen van de PPR. Hij werd wethouder in een college met de PvdA, de pacifistische PSP en de communistische CPN.’

Er gebeurde daarna nog een heleboel meer, maar dat voert hier nu te ver. Dit is genoeg om zijn verhaal in Trouw van augustus 2001 te kunnen plaatsen. Dat staat op zijn eigen website (tenminste, dat wás zo, die wordt nu vernieuwd en ik weet niet of dit artikel weer terugkomt; dan is het maar goed dat ik het voor hier heb kunnen bewaren), het is tenslotte door hemzelf geschreven. Het artikel volgt nu integraal.

‘Als ik de oude boerderij nader voel ik een steek in m’n borst. Tussen de abelen duikt een neo-klassicistische voorgevel op. Is dit werkelijk het historische huis Ter Linde van Loverendale, waar ik drieëndertig jaar geleden uit een diepe depressie ontwaakt ben? Hetzelfde als waar de oorsprong van de biologische landbouw in Nederland zich bevindt en waar mijn tweede wieg gestaan heeft? Ik kan mijn ogen niet geloven.’

Zo begint het lange verhaal. In het vervolg vertelt hij vanuit zijn eigen optiek over de oorsprong van een bijzondere episode in de vaderlandse geschiedenis.

‘In de winter van ’67-’68 lag ik op bed. Ziek was ik. Zo zwaar dat ik vreesde door het bed te zakken. Te tobben lag ik over de dood van Provo, dat kort daarvoor opgeheven was. Was het wel nodig geweest de beweging op te heffen? Hoe konden we er een nieuwe draai aan geven, zodat de lieve revolutie beter op gang kon komen? De dokter kwam en schreef me aspirine voor en toen dat niet hielp penicilline en toen ook dat geen verandering bracht was ik er zeker van dat ik kanker had. Mijn vriendin huilde.

Maar de dokter kwam opnieuw, onderzocht me en gaf – hoewel hij zich niet realiseerde (zoals ik nu doe) dat ik rouwde over de het sterven van mijn club – me een geniale raad: “Je mankeert niets. Kom eruit en ga iets heel anders doen. Ga eens op een boerderij werken!” Ik stak trillend een been onder de dekens uit en het enige wat mij over het landleven te binnen wilde schieten was de verre klank Lo-ve-ren-da-le.

Mijn ouders aten wel eens volkorenbrood dat naar die naam luisterde en in gedachten zag ik een paard onder het lover een dal ploegen. De inlichtingendienst wist het nummer. Mijn persoon moet vervolgens in ditzelfde huis gezeten hebben om kennis te maken, aan het andere eind van het land, op een puntje van een schiereiland met de onbegrijpelijke meervoudsnaam Walcheren. “Je kunt hier een aantal maanden komen werken” zei de boer, “op voorwaarde dat je je baard afscheert.” Ik aarzelde niet en greep trillend mijn kans om glad een nieuwe wereld in te schieten.’

Wat de man hem op een gegeven moment wist te vertellen, sloeg in als een bom.

‘“Boer zijn is geen beroep” leerde de boer me, “maar een levenswijze”. Wat bedoelde hij precies? Hij heette Matthias Quèpin. Ik sliep op de zolder en terwijl ik met het onkruid dat ik gewied had voor ogen insliep, vroeg ik me af hoe het verder moest in Amsterdam. Voor het eerst met m’n handen werkend verzwolg ik voedsel alsof ik nog niet eerder gegeten had en aan tafel zat ik naast een jongen van acht die Maarten heette. Aan het hoofd zat de boer en ik vroeg deze bevlogen pionier het hemd van het lijf. Ik achtervolgde hem en hij kwam alleen van me af door me resoluut aan het schoffelen of Sportkoeken-bakken te zetten, waarbij ik in het gezelschap belandde van het Zeeuwse personeel dat weinig oor had voor de verheven tonen van de antroposofie.

Op een vroege lentedag, na maanden van pogingen om alles uit de boer te krijgen, had ik hem. We stonden op een aardappelveld dat geoogst moest worden. Gangbare boeren, legde hij uit, laten op zulke momenten wel een loofklapper over het veld stormen, maar wij biologisch-dynamische boeren doen zoiets nooit. Wij weren luidruchtige machines. Waarom, vroeg ik weer. “Omdat we dan” – hij zweeg en keek om zich heen – “ hen zouden verjagen die we voor de groei van de gewassen zo hard nodig hebben. De kabouters.”

Ik greep zijn hand om hem te bedanken. De zon gleed over het loof. Ja, begreep ik, wij mensen hebben de mentaliteit van de kleine wezens nodig om de natuur te hulp te schieten; dat zou de basis van een nieuwe levenswijze van de stadsbewoner moeten worden. Definitief genezen vroeg ik hem verlof om nog diezelfde dag terug te gaan. Ik zei het hem niet maar het was om in de hoofdstad, waar zo weinig groeide, het begin van een staat van cultuurkabouters te gaan stichten.’

Er volgt nu eerst een stuk geschiedenis, waar wij al mee kennis hebben kunnen maken. Hoewel dit ook enige zaken belicht die elders niet zo expliciet te vinden zijn.

‘Destijds was de NV Cultuurmaatschappij Loverendale het middelpunt van de biologische landbouw en veeteelt. Het aantal biologische of bd-bedrijven was nog aan de vingers van twee handen te tellen.

Loverendale is een van de oudste bd-bedrijven ter wereld en het eerste in ons land. Het is in 1926 ontstaan uit de inspiratie die de rijke dame Maria Tak van Poortvliet kreeg, toen zij in het centrum van Rudolf Steiner, het Zwitserse Dornach, de lezingen volgde van diens volgeling Ehrenfried Pfeiffer. Deze legde zich vooral toe op de werking van de befaamde “dynamiserende” preparaten zoals de koehoorn gevuld met mest, of de koeiedarm gevuld met kamille. Maria Tak besloot haar rijke bezit aan boerderijen in Zeeland geheel in dienst te stellen van de nieuwe richting in de landbouw. Zij moet een dappere, lesbische vrouw geweest zijn, die faliekant tegen de stroom in durfde te roeien, want in de orthodoxe provincie was spot haar deel.

In de gang van Ter Linde hangen nog de portretten die haar metgezellin Jacoba van Heemskerck van de monumentale Zeeuwse agrariërs schilderde. Maria en Jacoba waren vrienden met de schilders Piet Mondriaan en Charley Toorop, met wie zij de Domburgse kunstenaarskring vormden. Een van haar bd-boerderijen noemde Maria liefkozend de Jacobahoeve. Pfeiffer was de directeur die, als jood, in 1939 afscheid nam en naar Amerika vertrok om daar lezingen te geven. Hij gaf het ongeschoolde personeel instructies om kwarts te spuiten, hertenblaas met Duizendblad te vullen om in compost te verwerken. Die zij braaf opvolgden. Toen ik in mijn vraag-en-draaf-maanden met hen samenwerkte trof ik mensen die in van alles behalve in kabouters of andere “elementairgeesten” geloofden.’

Maar dan wordt toch weer de verbinding met Amsterdam gelegd:

‘De personeelssamenstelling veranderde. Of ik niet een consumentenkring in de stad kon opzetten, vroeg de boer nog, toen ik mijn overall en in de klei gesopte laarzen uitdeed. Maar weldra vernam hij uit de Provinciale Zeeuwse Courant dat er in Amsterdam zogenaamde cultuurkabouters aan het werk waren en werd hij vanuit nieuw gestichte “kabouterwinkels” in de steden verzocht om brood, koeken, groente en fruit te leveren. Meer dan hij en zijn schaarse collega’s produceren konden, zodat er spoedig nieuwe biologische bedrijven werden gesticht – nu zijn dat er ongeveer 1300.

Die uitbreiding had tot gevolg dat ook het opleidingscentrum voor biologische of bd-boeren, de “Warmonderhof”, groeide tot een flinke school; weldra in Thedingsweert bij Tiel. Elk jaar meldden zich daar een paar honderd jongeren wier ideaal het was bd-boer of -tuinder te worden. De school zit nu in Dronten. In 1976 is Matthias Quèpin er medewerker geworden. Toen ik (inmiddels zelf boer in Oost-Groningen) er eens een lezing hield, zag ik hem met rode wangen de koeien in de potstal melken, ondertussen met armgebaren de leerlingen over de nieuwe levenswijze instruerend.

Aan het leven op Loverendale is dit alles niet voorbij gegaan. Geleidelijk wisselde de nieuwe directeur, Dick Schäfer, de onopgeleide loonarbeiders in voor tientallen afgestudeerde Warmonderhoffers. Wat deze niet voorzien had, was dat daarmee voor het eerst na zestig jaar de patriarchale structuur van het bedrijf onder vuur zou komen te liggen. “Zo voorlijk als het qua werkwijze was, zo achterlijk was Loverendale in sociaal en organisatorisch opzicht”, zegt Piet Korstanje, de buurman, die de bd-boomgaard van Ter Linde samen met zijn vrouw, nu als zelfstandig bedrijf, beheert. Was er niemand geweest die zich beraden had over een democratische bedrijfsorganisatie? Jawel, Maria Tak van Poortvliet zelf had in de jaren twintig al Steiners brochure “Kernpunkte der sozialen Frage” vertaald. Maar dit werkje over de broederschap in de economie had al die tijd tussen de zaaikalenders in de kast gelegen.’

Er dreigden echter nog meer moeilijkheden, al leek dat aanvankelijk bepaald niet zo. Van dien aard, dat het bedrijf op termijn zelfs over de kop ging.

‘Vanaf de jaren zeventig groeiden de omzet en de oogsten op Loverendale. Er werd winst gemaakt. Dat was niet alleen te danken aan het feit dat het bedrijf schuldenvrij functioneerde, maar ook omdat de productiviteit per hectare en per koe toenam. Bijna een miljoen broden verlieten jaarlijks de bakkerij. Overmoed sloeg toe. Niet voldoende besefte men dat het succes van de bd-landbouw ertoe geleid had dat nu ook in de onmiddellijke omgeving van de grote steden biologische of bd-boerderijen en bakkerijen waren gesticht die concurrentie veroorzaakten. Welke broden en koekjes smaakten verser: die ter plaatse uit de oven kwamen of die van Loverendale, die pas na een flinke reis in de winkel arriveerden?

Onder die omstandigheden werd de révolte van de Warmonderhoffers niet soepel opgevangen. Medewerkers die zich tot de commissarissen wendden, kregen te horen dat zij alleen met de directeur mochten praten. Eind jaren tachtig zocht de bedrijfsleiding zijn toevlucht in overspannen aankopen van de Manna-winkelketen en zelfs van een nieuw, 120 hectare groot landbouwbedrijf bij de Biesbosch, de “Steenen Muur”; dit alles gelardeerd met reclameteksten. De uitgaven overtroffen de inkomsten structureel en in 1990 hing het noodlot het boegbeeld van de bd-beweging boven het hoofd. Jan Saal, adviseur van de Triodosbank, rapporteerde in de lente van ’91 dat er te veel gelet was op de mogelijkheden om de liquiditeit te verruimen en te weinig op de beperking van de kosten van het arbeidsintensieve bedrijf en dat het voortbestaan van Loverendale alleen mogelijk was als tot drastische sanering werd overgegaan. “Indien dit niet gebeurt zal binnen enkele weken faillissement aan de orde zijn.”

Maarten Quèpin is nu, met zijn kinderen, de bewoner van het huis Ter Linde. Hij is optimistisch over de toekomst van de biologische landbouw. “Boeren doe je vanuit de overtuiging dat je gezond voedsel moet produceren en goed moet zijn voor de aarde.” Dezelfde stralende blik als de vader en hetzelfde rood op de konen. Met de ogen dicht is het even als toen.

Alles is echter anders. “Loverendale” mag het bedrijf niet meer heten. De sanering heeft tot gevolg gehad dat Steenen Muur verkocht is, evenals de gebouwen van het bedrijf Ter Mee, alsook de boomgaard van Ter Linde. De Pannehoeve, in West-Brabant, was al eerder verkocht. “Loverendale” is nog slechts een merknaam, waaronder o.m. ijs verkocht wordt. “Ter Linde” heet nu de Commanditaire Vennootschap die voor het vervolg ter plaatse zorgt. Maarten Quèpin is een van de zeven vennoten en hij, de akkerbouwer, leidt ons langs voedergranen, pastinaken, aardappelen, pompoenen. Waar wij vroeger brood en Sportkoeken bakten is nu de kaasmakerij. In een supermoderne potstal staan de droogstaande koeien met hun fraaie hoorns; de ruime kudde loopt op de weiden buiten. Klaver is daarvoor de basis van de stikstofvoorziening in de grond. Op het erf is het een wirwar van kampeerders en klanten van de winkel: dit is dus “multi-functionele” landbouw. Van isolatie is geen sprake meer.

Ze hebben het overleefd, vertelt Maarten Quèpin, door de grond te verkopen aan Biogrond, nu het Groenfonds van Triodos. De productiviteit is opnieuw gestegen. Het loopt, maar onverdeeld gelukkig is hij niet. Elk jaar betalen de vennoten 2000 gulden per hectare pacht; voor het geheel van 85 ha een-en-driekwart ton. “Dat noemt men groen beleggen”, zegt hij bitter, “het rendement is voor de beleggers, terwijl de boeren plat liggen.”

Piet en Heleen Korstanje hebben, tussen hun appels en peren, iets op het probleem van de wurgende grondlasten gevonden. Zij hebben een stichting opgericht die d.m.v. schenkingen en zachte leningen elk jaar een stukje grond vrijkoopt, zodat er geleidelijk meer adem komt voor de boer. Kan dat recept dan niet ook voor Ter Linde zelf? “Triodos stelt ons niet in staat de grond terug te kopen, hoewel zij dat bij de overdracht wel mondeling toegezegd hebben. Korstanje heeft met de RABO te maken. Het wrange is, dat je daarmee beter een contract kunt hebben dan met het Triodos-Groenfonds; dat officieel bestaat ter wille van de biologische landbouw.” Binnenkort gaat Maarten (vergezeld van mijn allerhartelijkste groeten) naar zijn nu 70-jarige vader, die zich vanuit Engeland onvermoeibaar blijft inzetten voor de verbreiding van de bd-gedachte.

Als Maarten ’s ochtends gaat wieden, is ’t met het nieuwe “wiedbed”. Een frame achter de trekker, waarin acht matrassen voor wiedende kinderen zijn aangebracht. Ik ga er tussen liggen en merk dat wieden op deze manier een spelletje is. De jongens en meisjes verdienen een beetje, maar dat kan uit. “Bij een demonstratie van dergelijke innoverende apparaten, op ons bedrijf, waren vorige week tientallen Zeeuwse boeren komen kijken”, zegt Maarten met gepaste trots.

Dat staatssecretaris Faber nu een tienjarenplan voor de afschaffing van chemische bestrijdingsmiddelen heeft aangekondigd versterkt Maartens optimisme; nauwelijks getemperd door de wetenschap dat de regering ook in 1990 al met een zelfde plan gekomen is. Wij worden het er over eens dat de biologische landbouw het uiteindelijk alleen winnen kan als het nadelige prijsverschil ongedaan wordt gemaakt door heffingen op pesticiden, kunstmest en krachtvoer, bij wijze van ecologische marktregulering. Politiek mensenwerk kortom.

Als we langs de potstal teruglopen, horen we het ijselijke lawaai waarmee de tankwagen de gier uit de kelder zuigt. Ik kijk Maarten fronsend aan. “De kabouters” lacht hij, “dragen hier tegenwoordig oordoppen.”’

Hoe het tegenwoordig met Ter Linde gesteld is, is trouwens op deze website te zien. Het valt dus weer gewoon onder Loverendale. Maar nu in andere verhoudingen. Net als het geval is met Triodos Bank.

dinsdag 5 mei 2009

Schandaal

Heel Italië is in rep en roer. Als je De Telegraaf van vandaag tenminste mag geloven. En wie wil die nu niet geloven? Het nieuws is in ieder geval om van te smullen:

‘Van onze correspondent ROME – Heel Italië houdt zich bezig met de aanstaande scheiding van premier Berlusconi en zijn echtgenote Veronica Lario. De meningen zijn sterk verdeeld. Ter rechterzijde is er steun voor de “playboy-premier”, terwijl links sympathie koestert voor Lario.’

Waar gaat het allemaal om, wat is er aan de hand? De Telegraaf meldt het uitgebreid:

‘Toen zijn scheidende vrouw twee jaar geleden via een brief in de krant “la Repubblica” van hem openbare excuses verlangde omdat hij enkele dames het hof had gemaakt, ging Berlusconi door het stof. Dit keer wil hij zich niet meer excuseren. Integendeel, dit keer is de maat voor hem vol. Berlusconi meent dat ze in de val is getrapt van de linkse pers, die onjuiste informatie zou hebben verstrekt over zijn contacten met Noemi Letizia en de pikante jongedames van de tv, die hij vanwege hun intelligentie voor de Europese verkiezingen kandidaat wilde stellen.’

Dit keer draait het om de vraag:

‘wat is de relatie van Berlusconi (72) met de 18-jarige Noemi Letizia? Een verjaardagsbezoek aan de onlangs volwassen geworden Letizia was voor Lario de druppel die de emmer deed overlopen. Het gerucht doet in Italië de ronde dat de beeldschone tiener een onwettig kind van de miljardair is, omdat zij hem “pappie” noemt. De parlementariër Antonio Borghesi heeft daarentegen vragen gesteld in de Kamer of de twee misschien een verhouding hebben gehad terwijl zij nog minderjarig was. In dat geval zou Berlusconi de wet hebben overtreden.’

Nu vraagt u zich natuurlijk af waarom ik dit hier zou moeten melden. Daar is een reden voor. Marc Leijendekker, correspondent van NRC Handelsblad in Italië, voerde vrijdag vanuit Rome een reden aan voor de reactie van Veronica Lario. Zij zei namelijk:

‘De zaak heeft me erg verrast, ook al omdat hij nooit naar de achttiende verjaardag van zijn kinderen is gekomen, ook al was hij daarvoor uitgenodigd.’

Maar hij meldde ook dit:

‘Berlusconi reageerde sussend op de uitbarsting van zijn vrouw (overigens ook een voormalige actrice, die hun drie kinderen opvoedt volgens antroposofische principes, waaronder vrijwel geen tv-kijken). Ze heeft gewoon de linkse pers geloofd, zei hij. Om daar aan toe voegen dat de kandidaten van zijn partij in ieder geval niet zo slecht gekleed zouden zijn en zo onprettig zouden ruiken als sommige kandidaten van andere partijen.’

De Volkskrant schreef gisteren:

‘Berlusconi en Lario zijn 19 jaar getrouwd geweest. Bij Lario heeft hij drie kinderen. Twee kinderen uit zijn eerste huwelijk spelen de belangrijkste rollen in zijn zakenimperium.’

Nieuwsmedium Z24 weet hierover nog veel meer te melden:

‘Lario en Berlusconi hebben samen drie kinderen. Barbara (24), Eleonora (22) en Luigi (20). Daarnaast heeft “Il Cavaliere” twee kinderen uit een eerder huwelijk, Marina Elvira (42) en Piersilvio (40).

In 2006 werd in familiekring besloten de vijf kinderen een gelijk aandeel te geven in Berlusconi's belangrijkste holding: Fininvest. Hieronder hangen onder meer tv-bedrijf Mediaset, uitgeverij Mondadori en de financiële group Mediolanum. De totale waarde van Fininvest wordt geschat op zo’n zes miljard euro.

Bij de huidige verdeling is elk van de vijf kinderen voor iets meer dan 7 procent aandeelhouder in Fininvest, terwijl Berlusconi de overig 63 procent controleert. In 2008 werd voor 285 miljoen aan dividenden uitgekeerd aan de aandeelhouders van Fininvest, een slordige 20 miljoen euro per kind.

De twee oudste kinderen uit Berlusconi’s eerste huwelijk bezetten managementposities binnen Fininvest. Marina is president van de holding en Piersilvio vice-president bij tv-bedrijf Mediaset. De kinderen van Veronica Lario bekleden nog geen uitvoerende bestuursfuncties.

Mevrouw Berlusconi heeft zelf geen direct belang in Fininvest. Of ze aanspraak kan maken op alimentatie is vooralsnog onduidelijk. Achterliggend is van belang of een scheiding de positie van haar eigen kinderen binnen Fininvest zou benadelen. Zo is het de vraag of het trio Barbara, Eleonora en Luigi, in de Italiaanse pers afgekort tot “BEL”, bij een scheiding kansen verspeelt om leidinggevende posities te verwerven binnen Fininvest.

Belangrijker nog is wat er gebeurt met de verdeling van de 63 procent van de holding die Berlusconi zelf controleert. Gaat die uiteindelijk in gelijke delen naar de vijf kinderen, of krijgen de twee oudste uit Berlusconi's eerste huwelijk samen 50 procent en daarmee de controle?’

Goed, we laten Berlusconi en zijn vrouw (en de Italiaanse politiek) dit netjes met elkaar uitvechten. Maar wel kunnen we de vraag stellen welke beroemdheden er nog meer op een vrijeschool hebben gezeten. Daar is ook een website over: ‘The International List of Famous Waldorf Alumni’.

‘Why did we create this list?
First of all it is very interesting to read such a list. We like to show how former Waldorf students have achieved recognition in their home countries or internationally for positive contributions to the arts, science, politics, commerce, industry and other fields. It seems that a diversified and interesting picture will be formed – there are names which really surprise!’

Het initiatief komt van Christof Jauernig in Frankfurt, Duitsland:

‘Although we add the names to the best of our knowledge and after best possible investigation, we cannot guarantee for the accuracy of the given information. If you have reason to believe that any part of information published in the list is incorrect, please let us know. Should one of the listed alumni have objections to his/her appearance on the list we will remove the entry immediately upon being informed. We thank the people worldwide who are participating in collecting the names of Waldorf alumni. The list shall be extended. If someone knows a Waldorf alumni who meets the above mentioned criteria but is not on the list yet, please let us know.

This initiative is independent and in no way initiated or influenced by any official Waldorf related institution.’

In België hebben ze de bekendste mensen mooi op een rijtje gezet:

  • ‘Barbara Becker actrice, vrouw van Boris Becker Duitsland
  • Sandra Bullock actrice USA
  • Andreas Carlgren parlementslid Zweden
  • Kenneth Chennault Chief Executive Officer van American Express USA
  • Michael Ende Schrijver Duitsland
  • Katharina Enzensberger Schrijfster Duitsland
  • Werner Fassbinder regisseur Duitsland
  • Rutger Hauer acteur NL
  • George Hume BBC-journalist, columnist bij de “Herald” UK
  • Daniel T. Jones co-auteur van de management-bestseller “The machine that changed the world” UK
  • Natasja Kinski actrice Duitsland
  • Karl Otto Pöhl president v.d. Deutsche Bundesbank Duitsland
  • Veronica Webb supermodel USA
  • Carry Tefsen actrice NL

Ook de kinderen van volgende bekende figuren gaan naar de Steinerschool:

  • Mikhaïl Baryshnikov, danser en acteur
  • Silvio Berlusconi, politicus
  • Josef Beuys, kunstenaar
  • Klaus Dohnanyi, voormalig burgemeester van Hamburg
  • Friedrich Dürrenmatt, auteur
  • Harrison Ford, acteur
  • Glen Frey, popzanger (Eagles)
  • Max Frisch, auteur
  • Hans-Dietrich Genscher, politicus
  • Nina Hagen, punkzangeres
  • John Paul Jones, bassist van Led Zeppelin
  • Udo Jürgens, schlagerzanger
  • Helmut Kohl, bondskanselier
  • Jessica Lange, actrice
  • Paul Newman, acteur
  • Hein Nixdorf, computerpionier
  • Carly Simon, zangeres
  • Martin Walser, auteur’

Ik mis er nog een aantal. Bijvoorbeeld Jennifer Aniston onder de leerlingen, en Jean Paul Belmondo, Clint Eastwood, Harvey Keitel, Nena, Alan Parsons en Tom Waits onder de ouders (maar deze zijn er misschien intussen bijgekomen). Inderdaad opvallend veel mensen uit de wereld van de showbiz.

maandag 4 mei 2009

Belgische grond

Toch weer België hè. Nee, ik heb het nu even niet over Steinerscholen, die de afgelopen dagen een paar keer ter sprake kwamen. Het gaat om biologisch-dynamische (bd-)landbouw, naar aanleiding van wat ik hierover op 28 april schreef in ‘Richtlijnen’. U weet misschien nog wel (zo lang is het nog niet geleden), over het op termijn vervangen door de bd-vereniging van Demeter-normen. Revolutionair betitelde ik dat toen. Maar voordat ik hierop inga vanuit Belgische optiek, eerst ter inleiding deze aankondiging op AntroVista over een cursus van Frans Romeijn over ‘Het “Dynamische” van de Biologisch-Dynamische landbouw’, vanaf vrijdag 8 mei in Den Haag:

‘In 1924 hield Rudolf Steiner de “landbouwcursus” voor een groep boeren, die zich toen al zorgen maakte over de afnemende vitaliteit en vruchtbaarheid van de aarde. Dit werd de grondslag voor de Biologisch-Dynamische landbouwmethode. Waarom is het “Dynamische” van de bd-landbouw zo belangrijk?

Bekend is dat planten (en dieren) gevoelig zin voor muziek en de stemming van de mens die voor ze zorgt. Ze gedijen het beste als we met liefde en respect voor ze zorgen. In deze tijd noemen we dat: het energie-niveau wordt hoger. Daarmee stijgt de voedingswaarde, want we eten niet alleen de fysieke stof, maar ook het ether- of levenskrachtenlichaam van de plant.

De bd-landbouw gaat er vanuit dat ik de plant en dier pas werkelijk in hun wezen kan zien als ik me bewust wordt hoe zij ingebed zijn in het grote geheel van krachten van de sterren, planeten, zon, maan en aarde. Rudolf Steiner heeft in de Landbouwcursus een scala aan aanwijzingen gegeven hoe we hier bewust mee kunnen werken.

In Nederland is deze cursus verkrijgbaar in boekvorm onder de titel: “Vruchtbare landbouw op biologisch-dynamische grondslag”. Als je dit boek leest, kom je begrippen tegen die voor het gewone denken moeilijk te vatten zijn: Kosmische krachten, planetenwerkingen, etherkrachten e.d.

In deze cursus gaan we ons hiermee bezighouden. Er wordt uitleg gegeven, maar vooral is het de bedoeling om door middel van waarneming en gerichte meditatie tot levend(ig)e ervaringen en inzichten te komen.

Frans Romeijn geeft sinds 1985 lessen Intuïtieve Ontwikkeling, en werkt op individuele basis met mensen in een combinatie van gesprek, meditatie, healing, reading en Gestalt. Sinds 2004 schoolt hij zich in Duitsland bij Dorian Schmidt, om de etherkrachten te leren waarnemen. Een belangrijke inspiratiebron is de Anthroposofie van Rudolf Steiner.’

Tussen twee haakjes: Dorian Schmidt kwamen we ook tegen op 27 april in ‘Tegenruimte’, in het verslag over een bijeenkomst van de natuurwetenschappelijke sectie: mensen die met hem weg liepen of juist niets van hem moesten hebben.

Goed, nu naar België. Gauw zal duidelijk worden waarom. Ik kwam namelijk terecht op de website van Landwijzer, ‘gespecialiseerd vormingscentrum’ in de opleiding voor biologische en biologisch-dynamische landbouw. Ik zag dat daar op 19 februari een ‘Vlaamse bd-winterconferentie’ was gehouden. Mijn oog viel op het programma van de namiddag, waar twee werkgroepen plaatsvonden. De eerste werd geleid door bd-bedrijfscoach Geert Iserbyt (hij is een van de drie medewerkers van Landwijzer): ‘Nieuwe wegen voor bd-bedrijfsontwikkeling en bd-certificering’:

‘De internationale Demeter-normen – mét preparaatverplichting – hebben ertoe geleid dat diverse bd-bedrijven die zich nochtans sterk met de bd-beweging verbonden voelen, het Demeter-label niet meer kunnen of willen gebruiken. Er is ook onvoldoende ruimte voor regionale differentiatie in de normen. Met de zogenaamde “Mansvelt-score” en “Mansvelt-gesprekken” zijn de voorbije jaren instrumenten ontwikkeld waarmee men de individuele ontwikkeling van een bd-bedrijf in beeld kan brengen. Opent dit perspectieven voor een meer regionaal afgestemde, participatieve en ontwikkelingsgerichte certificering van de bd-landbouw? Na een inleiding voeren we met 3 boeren een deel van zo’n “Mansvelt-gesprek”; vervolgens verkennen we met alle deelnemers de mogelijkheden van deze werkwijze.’

Kijk, dat herkennen wij nu natuurlijk meteen, na het eerdere bericht op 28 april. Maar ook de tweede werkgroep staat in dit teken. Deze werd geleid door de nieuwe voorzitter van de Nederlandse bd-vereniging, Albert De Vries, en droeg de titel ‘Geïnspireerde landbouw en de bd-beweging’:

‘Bd-landbouw is landbouw vanuit een spirituele houding ten opzichte van het leven en met een sterke impuls tot blijvende ontwikkeling van boer en boerin, het bedrijf en het hele netwerk erom heen. De oorsprong ligt onmiskenbaar in het werk van Steiner en de antroposofie, maar hedendaagse bd-boeren halen hun inspiratie niet enkel uit de landbouwcursus of de antroposofische ontwikkelingsweg. Ook andere oude en hedendaagse spirituele ontwikkelingswegen en inspiratiebronnen sluiten aan bij de intenties van de bd-beweging. Kunnen deze inspiraties elkaar versterken en bevruchten? Kan de bd-beweging haar deuren hiervoor openen zonder haar eigenheid te verliezen? Welke spiritualiteit is wél en niet “compatibel” met de bd-beweging? We starten met een inlevende waarnemingsoefening en gaan daarna verder in gesprek hierover.’

Laat dit de verstokte antroposoof of bd-boer maar niet horen. Nochtans (om maar eens zo’n mooi ‘Belgisch klinkend’ woord te gebruiken) is het de bd-voorzitter zelf die hierover in gesprek ging. Nu was dit op 19 februari, alweer bijna drie maanden geleden. Maar het past wel in de berichtgeving die wij hier gepleegd hebben. Nog meer past hierin het verslag op dezelfde website van de ‘bd-voorjaarsconferentie Vlaanderen’, gehouden op 7 maart 2007 op ‘De Wassende Maan’ in Astene:

‘Met ruim 20 deelnemers lag de opkomst voor deze eerste Vlaamse bd-conferentie hoger dan verwacht; een goede start.’

Zo begint dit bijzonder heldere en leesbare verslag. Kom daar maar eens om, lang niet iedereen is daartoe in staat, hebben we eerder al kunnen merken.

‘Geert Iserbyt (Landwijzer) heette iedereen welkom, zowel de Demeter-licentiehouders als de andere bd-geïnteresseerden, die deze keer ook aanwezig waren. Jos Pelgröm (Stichting Demeter) verontschuldigde Rienk ter Brake (Stichting Demeter) die er deze keer niet bij was en toonde zich benieuwd om kennis te maken met de Vlaamse bd-boeren en geïnteresseerden.

Hoe geef jij vorm aan de bd-landbouwvisie en hoe draag je die uit in je omgeving? Drie boeren waren vooraf gevraagd om vanuit hun bedrijf een beeld hiervan te schetsen.’

Ik zou met gemak de verhalen van die drie boeren hier kunnen weergeven. Je krijgt er een goed beeld door van de situatie in Vlaanderen. Aan de hand van Dirk Govaerts van Widar in Merksplas, Luc Bloemen van de Gastvrije Aarde in St-Kornelis-Horebeke en Walter Coens van De Vroente, samenwerkingsverband van drie Oost-Vlaamse bedrijven, word je meegenomen naar de mogelijkheden en de problemen waarmee zij zich in de praktijk geconfronteerd zien. Interessant is in ieder geval de verhouding van elk tot de bd-licentie:

‘Dirk vermeldde (...) zijn huidige functie als voorzitter van Landwijzer als wegen om de bd-visie te helpen uitdragen. Widar doorloopt momenteel de aanvraagprocedure voor de toekenning van de Demeter-licentie.’

‘Luc stelde als Demeter-licentiehouder de vraag wat momenteel het verschil uitmaakt tussen bedrijven die een Demeter-licentie voeren en bedrijven die zich biologisch-dynamisch noemen, maar geen Demeter-licentie (meer) voeren. Hij ervaart deze situatie als mogelijke oneerlijke concurrentie door de extra kosten en bijzondere inspanningen die het volgen van de Demeter-normen met zich meebrengt.’

‘Sinds enkele jaren werken De Zonnekouter (Machelen), De Kollebloem (St-Lievens-Esse) en Ourobouros (Dikkele) samen, ondermeer op het vlak van teeltplanning, productuitwisseling en afzet. Walter Coens (De Zonnekouter) schetste de drijfveren en concrete vormgeving van deze samenwerking; zijn verhaal werd aangevuld door Antoine De Paepe en Leen Verwimp (De Kollebloem) en Marleen Meganck (Ourobouros). De drie bedrijven weten zich geïnspireerd door de bd-landbouwvisie maar voeren geen Demeter-licentie. Vooral de visies op de associatieve economie en nieuwe sociale vormen, die nauw verbonden zijn met de bd-beweging, inspireren hen om samen te werken.’

Vervolgens is er een ‘ronde tafelgesprek’, waarbij ook de andere aanwezige boeren/bedrijven hun ervaringen konden inbrengen. Hier is veel van hetzelfde laken een pak:

‘Pieter Lutin, “De Jaargetijden”, Moerkerke: Na 22 jaar Biodyn- en Demeter-licentiehouder te zijn geweest, heeft Pieter vanaf dit jaar z’n licentie opgezegd. Het niet langer kunnen voldoen aan de bemestings- en preparaatnorm lag aan de basis hiervan. Toch ervaart Pieter het bedrijf als dynamischer dan ooit.’

‘Johan D’hulster, “Akelei”, Schriek: Ook Johan heeft na 25 jaar onder Biodyn- / Demeter-licentie te hebben gewerkt, vorig jaar z’n licentie stopgezet. Niet zozeer de overschrijding van concrete normen, maar vooral het botsen van persoonlijke spirituele drijfveren met het normatief karakter van het Demeter-beleid was de aanleiding. Johan merkt op dat de spirituele bronnen waaruit we kunnen putten voor de invulling van de bd-landbouw veel ruimer zijn dan enkel de antroposofie. De rijkdom op dit vlak is groot.’

‘Luc De Coster, “Thylbert”, Oedelem (productie gefermenteerde dranken): Luc vertelde over zijn ervaringen als verwerker die zoveel mogelijk met bd-grondstoffen wil werken. Het is moeilijk te vatten voor hem waarom Demeter International enerzijds zo streng is op het gebruik van de preparaten terwijl anderzijds in de verwerking van bd-voedingsmiddelen soms grondstoffen of bewerkingen zijn toegestaan die volgens hem niet in de bd-visie passen.’

‘Erik Krosenbrink, “Iona-Hoeve”, Kessel: (...) De hoeve is in zekere zin het visitekaartje van het Iona-instituut: ze vormt een groene gordel en een mooi kader voor dit pioniersinstituut in de sociaaltherapie in Vlaanderen. Door de biologisch-dynamische bedrijfsvoering, heeft de boerderij een voorbeeldfunctie in z’n omgeving. (...) De Iona-hoeve heeft drie jaar geleden de Demeter-licentie opgezegd.’

‘Bert Dhondt, “Christophorus”, Munte: Christophorus is een kleine sociaal-therapeutische gemeenschap. Bert is er nog niet zo lang tuinman en staat er binnen het team grotendeels alleen voor om het beleid in de tuin vorm te geven. De Demeter-licentie werd een tijd geleden opgezegd wegens onnodig; er wordt immers quasi niets verkocht. Bert is wel op zoek naar uitwisseling, ook op spiritueel vlak, en sloot recent aan bij de bd-intervisiegroep in Oost- en West-Vlaanderen. (...) Ze gaan ook met de bd-preparaten werken in de tuin.’

‘Stefan Derdelinckx, “De Wassende Maan”, Astene-Deinze: Stefan schetste hoe de handelsactiviteiten op het bedrijf de voorbije jaren sterk uitgegroeid zijn via de pakketten en de hoevewinkel. (...) Momenteel leeft de vraag wat De Wassende Maan verder wil met bd en de Demeter-licentie.’

Vervolgens geeft het verslag weer wat over het Demeterbeleid naar voren werd gebracht. Dat is behoorlijk onthullend:

‘De getuigenissen vanuit de bedrijven hielden al heel wat verwijzingen in naar het Demeter-beleid. Het was dan ook niet moeilijk voor Jos om hier op in te pikken. Hij herinnerde eerst aan de historiek van de preparatennorm en vertelde hoe hij enkele jaren geleden als kersverse directeur voor Demeter-NL op de vergadering van Demeter International in Järna in Zweden een motie verdedigde om internationaal het preparaatgebruik binnen de Demeter-normen niet langer verplicht te stellen. De reacties daarop vanuit de verzamelde nationale Demeter-organisaties waren zeer afwijzend. Er was totaal geen gehoor voor. Voor velen was dit absoluut onbespreekbaar, ook al is in Nederland het vermoeden groot dat ook in andere landen bd-boeren worstelen met het gebruik van de preparaten en er eveneens andere wegen verkennen. Jos schetste vervolgens hoe men sindsdien binnen de Stichting Demeter gekozen heeft voor een pragmatische aanpak: “Verzet tegen de internationale beslissing in verband met verplicht preparatengebruik heeft geen zin. Dus stellen we de preparaten ook in Nederland en Vlaanderen verplicht, maar ondertussen werken we ook aan nieuwe vormen van certifiëring en ondersteuning van de bd-beroepsontwikkeling in samenwerking met de bd-vereniging.”

Een nieuw initiatief in dat verband is de uitbreiding van het systeem van de zogeheten “Mansvelt-score” naar “Mansvelt-gesprekken”; dat zijn bijeenkomsten van enkele bd-boeren die regionaal aan de hand van de ingevulde Mansvelt-lijsten met elkaar in gesprek gaan over de bd-ontwikkeling van hun bedrijfsvoering. Zo kunnen stimulerende en evaluerende gesprekken ontstaan over de bedrijfspraktijk onder collega’s. Misschien zou dit soort participatieve evaluatie in de toekomst zelfs deel kunnen uitmaken van de certifiëringsprocedure. De ervaring die op dit vlak reeds is opgedaan met de gespreksmethodiek in de intervisiegroepen, kan hier ook nuttig zijn.

Jos gaf ook aan dat in Nederland de Demeter-licentie steeds meer in hoofdzaak gebruikt wordt door boeren die dit label nodig hebben voor hun afzet aan handelaars of verwerkers die daarom vragen. Bij directe afzet speelt dit vaak minder een rol. Zo doken opnieuw de vragen op “Hoe moet het dan verder met de bd-beweging als steeds meer bedrijven géén Demeter-licentie voeren, maar wel biologisch-dynamisch blijven werken en zich ook als dusdanig profileren? Krijgt de term “biologisch-dynamisch” dan niet in zekere zin de betekenis van een label? Hoe gaan we daar dan mee om?” Volgens Jos wordt wel internationaal onderzocht of men de term “biologisch-dynamisch” alsnog juridisch kan beschermen, maar zelf gelooft hij niet dat dit nog mogelijk zal zijn. Ook in Vlaanderen is bijvoorbeeld al lang een bedrijf actief in voedingssupplementen onder de naam Biodynamics. Met deze open vragen werd dit gesprek afgerond.’

zondag 3 mei 2009

Achtergronden

Het is inmiddels al een week of twee een feit, maar aan het melden ervan was ik nog niet toegekomen. Op de website van de NVAA (Nederlandse Vereniging van Antroposofisch Artsen) staat namelijk dit, kort maar krachtig, onder ‘Actueel’:

‘NVAA plaatst jaarverslag op website.
Voor het eerst publiceert de NVAA haar jaarverslag op de website. U kunt het hier lezen.’

Dat is inderdaad bijzonder. Ik neem daar met graagte kennis van. En nog meer bijzonder is dat dit jaarverslag bijzonder goed leesbaar is. De 36 bladzijden lezen als een trein. Ik haal er een aantal dingen uit die ik interessant vind. Al in het voorwoord van het bestuur staat op blz.4 vermeld:

‘In 2008 kende Nederland een kleine mazelenepidemie, voornamelijk bij kinderen van antroposofische gezinnen. De mazelenuitbraak in Nederland heeft 78 gevallen opgeleverd. Hiervan waren 56 in Den Haag en enkelen in Haarlem, Nijmegen, Breda, Middelburg en Utrecht.

Na de eerste besmetting vond de verspreiding plaats via een kinderkamp van de Christengemeenschap. Er is assertief gereageerd door de betrokken artsen en de ouders van het kinderkamp zijn per brief geïnformeerd. Dit heeft een goede indruk gemaakt op de GGD. Deze heeft geadviseerd de kinderen uit de besmette gezinnen thuis te houden.

Verder geven Duitse kinderartsen nu hetzelfde advies t.a.v. mazelen als men in Nederland al jaren doet: antistoffen bepalen bij het bereiken van de vruchtbare leeftijd, en dan zo nodig alsnog vaccineren.’

Onder het kopje ‘Contacten met de media’ staat op blz. 10:

‘Leden van de NVAA reageerden op artikelen in bijvoorbeeld Medisch Contact, maar ook op berichten in de landelijke dagbladen. De inhoud van enkele van de ingezonden brieven werden besproken in de groep schrijvers die getraind worden door Toon Schmeink, journalist en oud-hoofdredacteur van het Parool. In de procesvoering rondom de geneesmiddelenregistratie werden steeds persberichten opgesteld.

Om eenduidig naar buiten op te treden is het van essentieel belang dat mediacontacten van leden van de NVAA afgestemd worden met de PR groep en of bestuur van de NVAA.’

Dat is een hardnekkig misverstand, dat Toon Schmeink oud-hoofdredacteur van Het Parool is geweest. Volgens mijn informatie was hij adjunct-hoofdredacteur onder hoofdredacteur Sytze van der Zee. Op blz. 15 wordt trouwens melding gemaakt van een schrijverscursus onder zijn leiding:

‘De schrijverscursus heeft dit jaar 2 maal plaatsgevonden. Er is met Toon Schmeink gewerkt aan ingebrachte teksten. Onder andere is gewerkt aan de tekst over mazelen die op de AViN website wordt geplaatst. Dit al als voorbereiding op publiciteit die over dit onderwerp te voorzien was. Hoe raak deze vooronderstelling was bleek al snel, helaas is de tekst pas later geplaatst. Er was in 2008 geen mediatraining.’

Een tekst over mazelen die op de website van de Antroposofische Vereniging in Nederland, http://www.antroposofie.nl/, is geplaatst? Dat is nieuw voor mij, die heb ik daar namelijk niet kunnen vinden.

Op blz. 14-16 wordt verslag gedaan van de PR-commissie. Er staat onder meer dit te lezen:

‘De website is deels van andere foto’s voorzien en door grote inzet van Christof Zwart geactualiseerd en steeds up to date gehouden. Daardoor zijn nu de recente ontwikkelingen over bijvoorbeeld Antroposofica en de BIG op de website te volgen en zijn persberichten daar ook te zien. Er zijn behalve de actuele pagina ook pagina’s toegevoegd over onderzoek en samenwerking met de andere CAM artsenverenigingen.

Voor de interne communicatie is de ledensite als besloten deel dit jaar in gebruik genomen. Daar zijn steeds de laatste ledenlijsten te vinden, het convocaat met de bijlagen, maar ook alle benodigde documenten voor herregistratie en informatie rond de Antroposofica.

In diverse televisieprogramma’s en ook op de radio was de NVAA present. Bij Hof van Joosten deed Madeleen [Winkler, MG] mee in de discussie. In de evaluatie zien we dat het vaak erg moeilijk is om spreektijd te krijgen waarin je iets kunt uitdrukken van wat antroposofische geneeskunde is.

In Uitgedokterd?! was een presentatie van een patiënt met hooikoorts die antroposofisch behandeld werd en een slotdiscussie met onze voorzitter. Waar we aanvankelijk blij waren met de aandacht voor CAM, was het resultaat helaas zeer mager te noemen. Ten eerste omdat het deel over antroposofische geneeskunde in de praktijk van Peter Staal slechts drie minuten duurde en volledig was stukgeknipt, maar ten tweede omdat de toegezegde tijd in het discussieprogramma volledig werd ontnomen en toegemeten aan tegenstanders van CAM. Bovendien hebben diezelfde tegenstanders enkele bij het programma betrokken artsen aangeklaagd bij het KNMG tuchtrecht wegens het zich niet houden aan de inmiddels aangescherpte KNMG-gedragsregels (Peter Staal en enkele andere artsen uit andere disciplines), welke zaken nog lopen (dient 22 jan 2009, uitspraak later). Wel bleken bij de uitzending van de discussiebijeenkomst de tegenstanders zo geportretteerd te zijn dat ze zich enigszins belachelijk maakten.’

Wat nog interessant kan zijn, is het gedeelte op blz. 17-18 door Jannetje van Groningen over schoolartsen, een gauw vergeten, maar niet minder belangrijke groep onder de doktoren:

‘Het afgelopen jaar zijn de schoolartsen in kaart gebracht en is er een nascholing nieuwe stijl geïntroduceerd. We hadden een parallelbijeenkomst op de middag van de artsendag op de Reehorst. Martin Niemeijer ontwikkelde een “beeldvormingsinstrument” en heeft ons laten zien wat je met zijn instrument kan doen. Dit deed hij door eerst het idee uit te werken en de vragenlijsten met ons door te nemen. Daarna hadden wij een kind op bezoek wat hij onderzocht, door er mee te praten en te spelen. Hierna namen wij afscheid van het kind en zijn moeder en vulde ieder voor zich de vragenlijsten in waarna wij erover in gesprek gingen. De goede en minder goede kanten van “het instrument” kwamen uitgebreid ter sprake en wij besloten dat met een paar aanpassingen het wel kan helpen in de beeldvorming.

Het was inspirerend om met zoveel (13) schoolartsen in gesprek te zijn en samen aan een onderwerp te werken. Deze eerste bijeenkomst nieuwe stijl verdient zeker navolging en de vorm van een parallelmiddag op de artsendag lijkt vooralsnog een goede vorm, in onze toch al (te) drukke agenda’s. Er is nog wel grote behoefte aan meedenkers/organisatoren voor de volgende keer.’

Peter Staal doet op blz. 18-19 verslag van ‘Samenwerking met ziekenhuis, bijzonder project’:

‘In 2007 en 2008 heb ik, als huisarts en antroposofisch arts op projectbasis deelgenomen aan het oncologisch MDO. Het MDO is het Medisch Diagnostisch Overleg tussen oncologen, verpleegkundigen, maatschappelijk werk en psychologen van het TweeStedenZiekenhuis te Tilburg. Het project is gestart na overleg en onder auspiciën van de Stichting Antroposofische Intramurale Gezondheidszorg (SAIG), dat zich ten doel had gesteld om op een plek in Nederland samenwerking tussen reguliere intramurale zorg en antroposofische zorg te faciliteren. Hoewel de samenwerking in brede kring en wederzijds erg werd gewaardeerd, heeft het project helaas niet geleid tot het achterliggende beoogde doel: een duurzame en intensieve samenwerking tussen het TweeStedenZiekenhuis en het antroposofisch therapeuticum “de Linde” te Tilburg. De belangrijkste redenen zijn hiervoor dat:

1. De SAIG opgeheven is en hier geen equivalent project voor bestaat (de SAIG is opgegaan in de Bernard Lievegoed Stichting, maar deze heeft vooral een onderzoeksinteresse).

2. Het overleg van het MDO was niet het juiste. Er werden veel patiënten besproken waarmee ernstige problemen waren en waarbij basale zorgtaken nog niet ten uitvoer konden worden gebracht. Ik vind het ongepast om met aanvullende antroposofische therapieën te komen in zulke situaties. Bovendien bleek er een ander belangrijk inhoudelijk aspect: de antroposofische geneeskunde bestaat bij de gratie van de individuele ontmoeting met de patiënt. Het heeft weinig zin om adviezen te geven op algemene uiterlijke bestaande problemen.

Hiermee stopt dus tot mijn spijt – en zeker ook tot teleurstelling van andere deelnemers van het MDO – dit project. Samen met de verantwoordelijke oncoloog Henk Roerdink zal nog eens gekeken worden welke wensen er t.a.v. de toekomst bestaan.

Rest mij nog mijn dank uit te spreken aan de mensen die aan de wieg stonden van dit project, te weten Paul Wormer van de SAIG en Niek Golsteijn, Mireille de Wee en Henk Roerdink van het TweeStedenZiekenhuis en mijn bewondering uit te spreken over de openheid en de werkwijze die men in bij het MDO hanteert. Harde werkers met een enorme inzet voor de zieke medemens en een zware verantwoordelijkheid waar ik in korte tijd heel veel respect voor heb gekregen – meer dan ik al had.’

Heel verhelderend is ook het verslag van Bram Tjaden hier meteen na, over het ‘CAM-netwerk 2008’:

‘Sinds 2004 is er een CAM-netwerk actief. Het is een platform van en voor onderzoekers die actief zijn op het gebied van CAM. De doelstelling is het met elkaar in contact brengen van onderzoekers op CAM-gebied opdat zij van elkaars ervaringen kunnen profiteren en elkaar kunnen inspireren tot een hoge kwaliteit van werk. Het platform kan daardoor een impuls geven aan de wetenschappelijke onderbouwing en ontwikkeling van de complementaire en alternatieve geneeswijzen als zodanig.

De eerste twee jaar was het netwerk – nadat Erik Baars het initiatief ervoor had genomen – ondergebracht bij het Louis Bolk Instituut. Daarna is het functioneren ervan ondersteund door VSM, dat personele ondersteuning voor coördinatie (dr. Miek Jong en later dr. Marieke Schoenmaker) en secretariaat heeft geboden. Nu gebleken is dat het platform levensvatbaar is (het heeft inmiddels 80 leden) is er naar een juridische verzelfstandiging gezocht en is op 12 september 2008 de Stichting CAM research opgericht, met als voorlopig bestuur de heren Cor Aakster (voorzitter), Bertil de Klyn (secretaris/ penningmeester) en Herman van Wietmarschen. Daarnaast is er een Raad van Bijstand actief waarvan Bram Tjaden vanuit de NVAA deel uitmaakt.

Net als de studiedag in 2007 over N=1 onderzoek is er in 2008 een interactieve en inspirerende studiedag gehouden. Er werden onderzoeken gepresenteerd naar schizofrenie, slaapstoornissen en acupunctuur en naar de mogelijkheden van een CAM-aanpak van obesitas. Afsluitend werd er een nuttige discussie gevoerd over kennisoverdracht en de waarde van databases betreffende CAM.

Er verschijnen regelmatig nieuwsbrieven van het netwerk. Deze kun je vinden op de website: www.camnetwerk.nl, waar je naast algemene informatie over CAM-onderzoek informatie over de activiteiten van het netwerk CAM-onderzoek kunt vinden.’

Wat nog wel enigszins curieus bij mij overkomt, is wat op blz. 24, onder de titel ‘Vertegenwoordiging’, wordt gemeld over de NVAZ (Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders). Want wanneer je in een bepaald orgaan vertegenwoordigd en dus aanwezig bent, wat is dan je eigen aandeel in de geschetste ontwikkelingen? Of is deze gang van zaken juist te danken (of te wijten) aan de bedoelde eigen verantwoordelijkheid? (Wie op 17 februari op deze weblog ‘Digitale Verbreding’ heeft gelezen, weet meer over de achtergronden hiervan.)

‘In de loop van 2008 bleek de oorspronkelijke doelstelling veel te ambitieus. Een belangrijke oorzaak daarvoor is de ontoereikende financiële positie van de NVAZ. Enerzijds kreeg het een lege “bruidsschatkist” mee van HPV en FAG, anderzijds werd gestart met een (duur) ambitieus bureau en directeur.

Inmiddels is er een nieuwe structuur bedacht: verschillende bestuursleden zijn verantwoordelijk voor een aandachtsgebied en zijn daarop ook aanspreekbaar. Dit betekent in de praktijk dat de grote instituten projecten gaan organiseren en financieren, waarbij de beroepsverenigingen en andere (kleinere) partijen meedrijven op de stroom die hierdoor ontstaat. Dat betekent enerzijds een grote afhankelijkheid, maar die afhankelijkheid was er in financiële zin toch al. Anderzijds betekent het namelijk ook een toegenomen transparantie, meer commitment van de bestuurder en daardoor een slagvaardiger model. Doel is het bundelen van expertise op het gebied van PR en marketing, onderzoek en kwaliteit.

De therapeuticadag, mede georganiseerd door Jos Dries, was een succes. Medewerkers van de diverse therapeutica in Nederland ontmoeten elkaar en er was een prettige sfeer waarin veel uitgewisseld kon worden.

De NVAZ verzorgde ook het secretariaat van de NVAA, hetgeen niet altijd vlekkeloos verliep. Het bestuur hoopt dat dit naar de toekomst beter geregeld gaat worden. Te meer daar in de reorganisatie van de NVAZ het bureau wordt afgeslankt. Binnen de NVAZ is echter een overduidelijk signaal afgegeven dat de beroepsverenigingen een goed functionerend ondersteunend bureau nodig hebben.’

Maar, zoals gezegd, niets dan lof voor het initiatief om dit jaarverslag op de website te plaatsen, voor iedereen bereikbaar, en niet minder om dat dan meteen in zo’n goed leesbare vorm te doen.

zaterdag 2 mei 2009

Geheim

Vandaag is de eerste jaargang van het digitale internettijdschrift ‘Mens en wereld’ van Ton Jansen afgesloten. Er zijn 72 afleveringen verschenen, met daarna nog eens zeven bijdragen die met ‘Epiloog’ worden betiteld. Over dit initiatief berichtte ik op 7 december 2008 in ‘Wereld’, en op 20 februari 2009 nog een keer in ‘Mixture’. Ton Jansen schrijft op zijn website:

‘Deze site is voor het laatst bijgewerkt op zaterdag 2 mei. De eerstvolgende bijdrage wordt verwacht op maandag 11 mei a.s. Wij beginnen dan met een nieuwe serie, waarin vooral de staat en de Europese eenwording centraal zal staan (met o.a. aandacht voor de geschiedenis van Europa in de twintigste eeuw).’

De voorlaatste bijdrage van 30 april, die hij gisteren nog heeft herzien, was getiteld ‘Blunders?! IV (slot)’ en gaf een mooie samenvatting van de intentie van Ton Jansen:

‘Als de artikelen in Mens&Wereld één ding duidelijk hebben gemaakt, dan is dat hopelijk dat achter de werkelijkheid die ons dagelijks via de media bereikt nog een heel andere werkelijkheid schuilt, de ware werkelijkheid. Alleen deze ‘ware werkelijkheid’ geeft ons grip op de gebeurtenissen en stelt ons in staat om het leven in eigen hand te nemen. Al het andere is niet meer dan de ‘waan van de dag’, die ons op dwaalsporen voert en verder het moeras in brengt.

We kunnen ons een beeld van deze andere, ware werkelijkheid vormen door de gebeurtenissen die in de media min of meer afzonderlijk worden belicht, als het ware ‘samen te lezen’. Dat wil zeggen: niet stil te staan bij de afzonderlijke gebeurtenissen als zodanig, maar deze in hun samenhang te bezien, ze in verband te brengen met andere gebeurtenissen die tegelijkertijd of eerder plaatsvonden.

We moeten dus niet alleen opnemen wat we gehoord of gezien of gelezen hebben, maar dit ook innerlijk overdenken. Wanneer we het beeld dat hieruit ontstaat in stilte met ons meedragen kan dit tenslotte tot ons gaan spreken en ons de werkelijkheid die achter, of liever gezegd ín de dingen ligt onthullen.

Een bijzondere rol in dit proces is toebedeeld aan de zogenaamde ‘blunders’, waar zowel de Amerikaanse als de Britse geschiedenis bol van blijkt te staan. Ogenschijnlijk gaat het hierbij om toevalligheden waar verder geen betekenis aan moet worden gehecht. Doen we dit echter wel, dat wil zeggen staan we wél bij deze schijnbaar betekenisloze gebeurtenissen stil en laten we deze op ons inwerken, dan kunnen zij ons op het spoor van een andere, ware werkelijkheid brengen. Het is hierom dat we in Mens&Wereld zo uitgebreid bij dergelijke ‘blunders’ hebben stilgestaan.

Ook in het geval van de kredietkrisis bleek van dergelijke ‘blunders’ sprake. Zo bleek de Fed, de Amerikaanse centrale bank, de rente tussen 2004 en 2006 drastisch te hebben verhoogd, waardoor de woonlasten voor mensen met een hypotheek met variabele rente in snel tempo toenamen. Dit nadat zij in de jaren daarvoor de rente eerst in sneltreinvaart tot een historisch laag niveau had doen dalen. Áls de Fed dit niet zou hebben gedaan, dat wil zeggen als zij de rente tussen 2001 en 2003 niet van 6 tot 1 procent had verlaagd, zou de housing bubble in de VS nooit zijn ontstaan. Met andere woorden: de huizenprijzen in de VS zouden dan nooit tot zulke astronomische hoogten zijn gestegen en er zouden nooit zoveel mensen met zulke hoge, in feite ondraaglijke hypotheeklasten zijn opgezadeld. Zodat nooit zo’n ernstige kredietkrisis had kunnen ontstaan als nu is gebeurd.’

Vervolgens gaat Ton Jansen in op de nadere bijzonderheden en dat doet hij, zoals steeds, goed gedocumenteerd. Vandaag verscheen dus de laatste aflevering, met als titel ‘Bezinning’. Hieruit wil ik ook een fragment aanhalen, namelijk het slot:

‘Waar het op aankomt is om werkelijk grondig van de feiten kennis te nemen, en deze vervolgens ook te overdenken, ons hier vragen bij te stellen en zelf op zoek te gaan naar ontbrekende stukjes van de puzzel. Alleen dan mogen we hopen ons een min of meer volledig beeld te kunnen vormen en tot een betrouwbaar oordeel te komen. Getuige de berichtgeving in de media schort het hier ook in het geval van de kredietkrisis in ernstige mate aan. De overdreven aandacht voor de ‘perverse’ bonussen is hiervan een duidelijk teken. Ook in deze zin roept de kredietkrisis ons dus op naar inzicht te streven.

Een heel bijzonder aspect hierbij vormt de rol van de zogeheten occulte westerse loges, waar in Mens&Wereld regelmatig over is gesproken. Alleen door ons werkelijk in het nieuws te verdiepen en hier grondig over na te denken, kunnen we ons een beeld van de werkzaamheid van deze geheime broederschappen vormen. En alleen dan zullen wij ook een tegenwicht aan hun invloed kunnen bieden. Want wat je niet kent, kun je ook niet beïnvloeden. En zolang wij de invloed van deze broederschappen niet onderkennen, zullen we er ook niets tegen kunnen ondernemen. In deze zin is het ook belangrijk om oog te krijgen voor de vele ‘blunders’, waar zowel de Amerikaanse als de Britse geschiedenis bol van staat. Want juist deze ogenschijnlijk betekenisloze ‘blunders’ kunnen ons op het spoor van de occulte loges brengen.

Ook in het geval van de kredietkrisis zitten deze machten beslist niet stil. De kredietkrisis kan voor ons een aansporing betekenen om wakker te worden voor de krachten achter de schermen, die het verloop van de geschiedenis in hoge mate bepalen. Dit kan alleen doordat wij ons inspannen om de werkelijkheid zelf te achterhalen. In alle andere gevallen zal men ons zand in de ogen blijven strooien en zijn wij ertoe veroordeeld verder te blijven slapen. Waarbij anderen voor ons de loop van het wereldgebeuren bepalen. Werkelijk mens-zijn wil echter zeggen: mede verantwoorde-lijkheid nemen voor de ontwikkeling van mens en wereld. Hier hebben wij met de artikelen in Mens&Wereld een bijdrage aan willen leveren. In dit opzicht is de kredietkrisis een uitgelezen kans.’

Dat zijn spannende onderwerpen: ‘occulte westerse loges’ en ‘geheime broederschappen’. Mij is bekend dat Rudolf Steiner daar verschillende keren over gesproken heeft. Helaas heb ik daar geen goed overzicht van (ik weet ook niet of dat bestaat), zodat ik ook geen duidelijk beeld van de context en daarmee de geldigheid heb. Hoe verantwoordt Steiner zijn uitspraken, van welke bronnen heeft hij in welke specifieke gevallen gebruik gemaakt? Wel weet ik dat de uitspraken die hij hierover heeft gedaan met heel wat auteurs op de loop zijn gegaan, waardoor die zich aan de meest wilde speculaties hebben bezondigd. Daartoe behoort Ton Jansen uitdrukkelijk niet. Maar toch vraag ik me af of hij deze ‘occulte loges’ en ‘geheime broederschappen’ eigenlijk wel nodig heeft. Volgens mij niet, zijn verhaal kan ook zonder. Hij documenteert zich niet voor niets zo goed. Waarom dan toch nog vasthouden aan zulke schimmige groeperingen, die waarschijnlijk alleen met uitspraken van Rudolf Steiner van een eeuw geleden zijn te verantwoorden?

Ik houd me graag aan het oordeel van de antroposoof en historicus Christoph Lindenberg (nu ik dit zo schrijf vraag ik me af of hij echt een historicus was, in ieder geval een geschiedenisleraar), die in een commentaar in het Duitstalige antroposofische maandblad ‘Die Drei’ in mei 1995, getiteld ‘Das Ende der Mächtigen’, over dit onderwerp schreef. Om te beginnen onderscheidt hij twee kenmerken van de tegenwoordige tijd:

‘Zwei wichtige Symptome kennzeichnen unsere Gegenwart. Das eine Symptom ist der rasante technische Fortschritt und seine wirtschaftliche Nutzung, das andere die Ohnmacht jener, die, an Spitzenpositionen stehend, eigentlich gestalten und führen sollten.’

Vervolgens gaat hij uitgebreid in op de ontwikkelingen die tot deze kenmerken hebben geleid. Om die te kunnen duiden, maakt hij verschil tussen het begrijpen met de verstandsziel en met de bewustzijnsziel, twee typisch antroposofische begrippen. Tot slot komt hij tot de volgende beschouwing:

‘Nun gibt es die Tendenz, bei der symptomatischen Betrachtung der Gegenwart, von den hier skizzierten Hauptproblemen abzulenken. Man wähnt, daß die oben skizzierten Probleme auf die besondere Bosheit kleiner geheimer Gruppen zurückgingen. Man hat im Laufe der Zeit die verschiedensten Grup­pierungen für das Unheil in der Welt verant­wortlich gemacht. Mal waren es die Bilder­berger, mal das Council on Foreign Relations, mal die Trilateralen und dann wieder eine jüdische Loge oder die Logen ganz im Allge­meinen. Zumeist sollen es angeblich irgend­welche bösen Amerikaner sein. Manchmal auch hinter den Kulissen der Weltgeschichte operierenden Tibeter. Bei den Nazis war es die »jüdisch-freimaurerische Weltverschwö­rung«.

Nun ist es ganz sicher, daß es Gruppierungen gibt, die sich über die Weltlage, die Weltpoli­tik und wünschbare Verhältnisse Gedanken machen. Es ist nämlich keineswegs besonders vernünftig, sich – wie es mancherorts üblich ist – überhaupt keine Gedanken zu machen. Man kann auch Pläne machen und versu­chen, sein Handeln dementsprechend einzu­richten. Das tun sicher die verschiedensten Gruppen. Die Frage ist nur, ob und wieweit sie unter den heutigen Umständen mit ihren Plänen durchkommen, wie weit sie sich un­tereinander behindern und ob sie überhaupt zu den treffenden Mitteln greifen oder greifen können.

Diese Vorgänge müssen durch empirische Forschung nachgewiesen werden. In jedem Falle aber muß der, der von solchen Dingen redet, irgendwie aufzeigen, daß und in wel­chem Sinne Maßnahmen getroffen werden. Es ist sinnlos, nur allgemeine Verdächtigun­gen zu verbreiten oder Geschichten zu erzäh­len, die nicht stimmen und auf den Wellen des allgemeinen Antiamerikanismus zu schwimmen. Eine vor Jahren beliebte These der Theoretiker der Weltverschwörung war es, die russische Revolution auf die Machina­tionen westlicher Geheimpolitik zurückzu­führen. Man hätte, so wurde erzählt, im Jahre 1917 die russische Revolution mit Dollar-­Millionen finanziert. Ging man den Behaup­tungen im einzelnen nach, so stimmte nichts, und ganz offensichtlich spekulierten jene, die solche Geschichten in Umlauf brachten, auf das historische Nichtwissen ihrer Leser. Be­kanntlich wurde Lenin nicht von US-Agen­ten, sondern durch Ludendorff nach Rußland eingeschleust und mit Mitteln versehen. Auch Hitler und das, was er an Folgen ange­richtet hat, ist nicht unbedingt in den USA erfunden worden. Auch am Anfang des Kal­ten Krieges steht ein Ereignis, das nicht von Menschen geplant war: der Tod F. D. Roose­velts, der Stalin wohlwollte, und der Über­gang zur Präsidentschaft Harry Trumans, der entschlossen war, den einseitigen Maß­nahmen der Sowjets in Osteuropa ent­gegenzutreten.

Damit wird nicht geleugnet, daß die USA in Grenada und im Irak formell, sowie in man­chen Staaten Lateinamerikas informell in die Weltgeschichte eingegriffen haben. Aber man muß auch sehen, daß sie nicht verhindern konnten, daß Mao ein kommunistisches Chi­na einrichtete, daß auf Kuba sich Fidel Castro einige Jahrzehnte an der Macht halten konn­te, daß sie den Vietnam-Krieg verloren und daß sie heute weniger als vor vierzig Jahren in der Lage sind, eine Weltherrschaft auszuüben.

Vor allen Dingen ist aber zu berücksichtigen, daß bestimmte mehr oder weniger im Hintergrund agierende Gruppierungen an Einfluß verloren haben. Schon 1924 bemerkte Rudolf Steiner zu dem Geschichtslehrer der Stuttgarter Waldorfschule W J. Stein, nach­dem im Januar das Kabinett MacDonald ge­bildet worden war: Haben Sie gesehen, daß die Logen ihre Macht verloren haben? – Heu­te ist der früher wichtige Jesuitenorden – dem manches zugeschrieben wurde – nur noch ein Schatten seiner selbst, und das angeblich so mächtige Opus Dei kann die Machterosion in der römischen Kirche nicht aufhalten. Kurzum: die heute wahrnehmbaren Sympto­me deuten keineswegs auf einen exorbitanten politischen oder wirtschaftlichen Einfluß bewußt agierender Geheimgesellschaften. Von einem großen Einfluß des Westens, der aber nicht auf irgendwelche okkulten Ma­chenschaften zurückzuführen ist, muß man jedoch auf anderen Gebieten sprechen: in der Medien-Industrie und in den Wissenschaf­ten. Darüber in einem späteren Kommentar.’

Volgens mij is dat ook wat Ton Jansen in wezen doet: zo zuiver mogelijk symptomatologie bedrijven. Ik geloof niet dat hij daarbij ‘irgendwelche okkulten Ma­chenschaften’ nodig heeft. Of hij zou die werkelijk moeten kunnen aantonen, dan heeft het ook zin om ze op te voeren, met naam en toenaam.

vrijdag 1 mei 2009

Fantasie

Er begint vandaag een nieuwe fotoserie, gemaakt op 16 augustus 2008, rond de Reeuwijkse Plassen. Uitgangspunt was het restaurant Reeuwijkse Hout, om van daaruit via de Reeuwijkse Houtwal en de Raadhuisweg naar de Goudsestraatweg onder de A12 te lopen, en zo verder door.

Deze weblog bestaat vandaag precies één jaar. In dat jaar zijn 319 berichten verschenen en is de weblog meer dan 21.000 keer bezocht, met een gemiddelde leestijd van 4 minuten. Want hij is en blijft een echt leesweblog.

Gisteren was de dag van de honderdste verjaardag van koningin Juliana. Er was echter nóg een verjaardag te vieren, de zeventigste, van een belangrijk man, notabene uit Rotterdam. Ik heb er in de krant niets over gelezen (die hadden het dan ook druk met andere zaken), daarom doe ik het hier, al is het een dag later.

Maar voordat ik daar aandacht aan gaan besteden, eerst een aanloopje om het in de juiste context te kunnen zetten. Daarvoor ga ik naar de website van de Koninklijke Bibliotheek, waar een pagina is gewijd aan Marten Toonder (1912-2005). Hem zou ik eigenlijk niet hoeven in te leiden, zo alom bekend is hij als schepper van de leesstrip Tom Poes en Ollie B. Bommel. De eerste zin luidt daar dan ook:

‘Marten Toonder, betoverend tekenaar, magisch woordkunstenaar en milde maatschappijcriticus overleed op 27 juli 2005, 93 jaar oud. In deze bijna volle eeuw heeft hij grote invloed uitgeoefend op de Nederlandse taal, op auteurs en tekenaars die bij hem het vak leerden, en op generaties enthousiaste kinderen die enthousiaste volwassenen werden.’

De laatste zinnen zijn echter opmerkelijk:

‘Dat Toonder zich sinds zijn vroege jeugd bezig heeft gehouden met mystiek en esoterie is minder breed bekend. In een interview in Motief, het maandblad voor antroposofie, vertelde hij over de enorme inspiratie die voor hem uitging van de natuur en van het zelf “wakker worden” tijdens het schrijfproces. Ook was hij sinds zijn vijftiende bezig met reïncarnatie.’

Inderdaad zegt hij in dat interview door Maud Kips, in Motief nr. 36 van december 2000, met als titel ‘De achterkant van het leven’:

‘Soms, als ik het helemaal niet wist, begon ik maar op goed geluk met iets. Ik had dan wel een begin in mijn hoofd maar geen einde. Dan begon ik te schrijven en naar aanleiding daarvan werd ik zelf wakker, blijkbaar. En dan begon het interessanter te worden. Daarom heb ik het ook altijd erg interessant werk gevonden, dat wist ik van tevoren helemaal niet.’

Hij geeft hiervan een voorbeeld:

‘“Eén zo'n verhaal is ‘De gezichtenhandel’, over de plamoen, een wezen dat het gezicht weerspiegelt van ieder die hem aankijkt. Dat is een schokkende ervaring voor de kijker, die in de plamoen zijn ware gezicht ziet. (...)

Ik dacht toen ik hem opzette: ‘Wat voor gezicht heeft zo iemand?’ Ik begon er aan – en verder heeft het zichzelf geschreven. Dan moet je je ook niet verdiepen in wat je aan het doen bent. Je zit daar, alleen, en je moet in jezelf blijven zitten. Wel door middel van de hersens, hoor, want ik zat gewoon te schrijven. Maar ik begon het steeds prettiger te vinden, niet bewust, maar ik begon te denken dat er misschien wel iets in zou zitten, al wist ik nog niet wat. En langzamerhand ontstond er iets. Dat is natuurlijk het mooiste, het wordt je gewoon gegeven. Op het moment dat die hersens zelf iets gaan verzinnen, komt er iets tussen.”

In zijn autobiografie beschrijft Toonder de schok die hij kreeg, vlak nadat hij het verhaal van de plamoen had afgerond, toen het orakel van Delphi ter sprake kwam: het “Ken u zelf” en hij opeens begreep dat dat het onderwerp was van “De gezichtenhandel”. “Dat is helemaal niet zo leuk, jezelf kennen. Daar kan je behoorlijk van schrikken.”’

Verder verklaarde Toonder:

‘In dezelfde tijd dat Phiny [zijn latere vrouw, MG] en ik elkaar ontmoetten, ver voor de oorlog, had ik de theosofie leren kennen. Daar was ik toen erg van onder de indruk en ik wilde mijn geloof natuurlijk uitdragen. Maar je kunt niemand bekeren, dat moeten mensen zelf doen. (...)

Ik geloof echt in reïncarnatie. En als reïncarnatie bestaat, dan moet er een evolutie, een verbetering plaatsvinden. Als je iets hebt fout gedaan, dan moet dat goed worden gemaakt en als je iets goeds hebt gedaan, moet je worden beloond. Het is me wel duidelijk dat je dat nooit in één leven voor elkaar krijgt, dat ene leven is veel te kort. Er bestaan dingen die je pas heel langzaam ontwikkelt, ontwikkelen kúnt. Dat is karma. Volgens mij is dat niet zozeer geloof, maar gewoon logisch.’

Ook in Vruchtbare Aarde is in die tijd een interview met Toonder verschenen, door Bart Hommersen, ‘De kracht van beelden’. Daarin wordt een citaat van Toonder aangehaald uit Elsevier Magazine:

‘Je hoeft dat magische weten niet kwijt te raken. Als je durft aanvaarden en beleven dat je meer bent dan je rationele verstand en dat er méér is dan de wetenschap hard kan maken, blijft het kind in je zich verwonderen. Dan houd je het gevoel van eenheid met de natuur en dan zie je dat er een geest huist in bomen en stenen, in de zee en de dieren.’

Hommersen vraagt op een gegeven moment:

‘Hebt u altijd het besef gehad van een doel?
“Al vrij vroeg, omdat ik me altijd al afvroeg: wat doe ik hier eigenlijk? Want wat is er voor een kind aan om naar school te gaan? Dingen te leren die je absoluut niet interesseren? Waarom zou je? Er moet iets zijn waarom je groot wilt worden. Waarom je zo groot wilt worden als je vader. Je vader – waarvan je het vermoeden hebt dat die wel heel veel zal weten. Dingen ook die hij nog niet aan ons vertellen kan. En zo blijf je nieuwsgierig. Steeds iets méér te weten willen komen.”’

Even later komt het beeld van Sinterklaas en wat er van dit beeld uitgaat ter sprake:

‘Dat beeld heeft een enorme kracht. Een erg gevoeld symbool. Natuurlijk bestaat Sinterklaas niet als verklede man. Op mijn zesde jaar kreeg ik bezoek van een oude buurvrouw, die zich als kindervriend had verkleed. Ik herkende haar meteen, maar ik accepteerde haar toch als Sint.

En daarom is Sinterklaas maken even belangrijk als het maken van iets materieels. Het is méér dan wat het lijkt. En dat zie je aan de herinnering, aan de emotie die dit soort beelden wakker maakt in kinderen – hoe sterk dat alles is! Het is echter ook een gebied dat anders nooit aangeraakt wordt. Alleen op deze toch afgekauwde manier. Een gebied dat eigenlijk op zoveel meer manieren levend zou moeten blijven.

(...) Hetzelfde geldt voor Sinterklaas: die komt maar niet uit zichzelf. Dat is vervelend. Dat is een tekortkoming. Nu moeten wij met onze geest zorgen dat het weer goedgemaakt wordt. Geest en stof staan niet vijandig tegenover elkaar. Ze kunnen heel goed samenwerken; als de stof maar erkent dat de geest nodig is – in alles wat hij doet.

Het is een wereld die ook bestaat. En nu kun je wel zeggen: ja, ik laat hem bestaan, want ik doe dit en daardoor lijkt het alsof. Maar waar komt het vandaan? Ja, het is zeker ook een kracht die er is. Een kracht die niet met een druk op de knop tevoorschijn komt. Dat maken je hersens er weer van.’

Overigens is Marten Toonder afkomstig uit Rotterdam, zoals Maud Kips in Motief schreef:

‘Marten Toonder werd in 1912 in Rotterdam geboren en is op veel verschillende plekken in en in de wijde omgeving van die stad opgegroeid. Toen hij vijf jaar was, bracht zijn vader, die kapitein was in de koopvaardij, stripverhalen uit Amerika mee. Het stripverhaal was in die tijd een nieuw fenomeen. Marten was gegrepen door het kunnen “lezen” van die beeldverhalen en wist vanaf de eerste kennismaking daarmee dat hij verhalen wilde tekenen.’

Na deze lange aanloop kom ik bij een andere, nog levende Rotterdammer, die gisteren zeventig jaar is geworden: Martin Lodewijk (en hier is zijn vermelding in de Nederlandse Stripgeschiedenis van stripantiqariaat Lambiek). In de nieuwste vernieuwde Eppo, nr. 7 van 23 april, lees ik:

‘Na de Tweede Wereldoorlog was Marten Toonder vele tientallen jaren de peetvader van de Nederlandse strip met zijn Toonder Studio’s. Vanaf 1974 kreeg Martin Lodewijk die rol, toen hij werd gevraagd om art-director van het stripweekblad Eppo te worden. Zijn opdracht was om nieuwe strips voor het blad te ontwikkelen en de stripmakers te begeleiden. In die rol is hij daarna verder gegaan. Tot op de dag van vandaag adviseert en stimuleert hij Nederlandse en soms ook buitenlandse stripmakers. Martin Lodewijk mag dan ook gezien worden als de peetvader van de Nederlandse stripwereld.’

Daarmee is geen woord teveel gezegd. We raadplegen opnieuw de website van de Koninklijke Bibliotheek:

‘Al veertig jaar lang schrijft en tekent Martin Lodewijk (geboren 30 april 1939) de avonturen van geheim agent Hendrik IJzerbroot, beter bekend onder zijn codenaam Agent 327. Iedere keer als het land in gevaar dreigt te komen, wordt hij er op uitgestuurd om ervoor te zorgen dat de Nederlandse bevolking weer rustig kan slapen. (...)

Aanvankelijk maakte Lodewijk korte verhalen van steeds vier pagina’s (eenentwintig in totaal), maar in 1968 waagde hij zich voor het eerst aan een lang verhaal, Dossier Stemkwadrater, dat eveneens in Pep verscheen. Waren de korte verhalen hoofdzakelijk anecdotisch van aard, in dit lange verhaal kon hij zich helemaal uitleven in de plot en in een lange reeks grappen en verwijzingen naar het spionage-genre. De schurk uit het verhaal heet bijvoorbeeld Dr. Maybe, er was tenslotte al een Dr. No en zelfs een Dr. Yes. Vanaf dat moment zou Lodewijk hoofdzakelijk nog lange verhalen maken, die zich over de hele wereld afspeelden. De verhalen werden ook steeds meer satirisch en stoelden minder op het spionage-genre.

In 1975 werd het stripblad Pep opgeheven en ging samen met Sjors over in het nieuwe blad Eppo. Frits van der Heide was hoofdredacteur van dit nieuwe periodiek en Martin Lodewijk werd aangesteld als art-director. Samen zetten ze het blad op poten. Uiteraard verhuisde Agent 327 mee naar de Eppo, maar er moesten ook talrijke nieuwe series worden opgezet. Lodewijk speelde daarbij een belangrijke rol en stond aan de wieg van series als Steven Severijn en Storm. Vooral die laatste zou een serie van wereldfaam worden, niet in het minst door de verbluffende, in kleur geschilderde tekeningen van de Engelsman Don Lawrence. (...)

Ondertussen schreef en tekende hij lustig door aan Agent. Hij stuurde IJzerbroot naar Paaseiland, Zuid-Amerika, maar ook naar Amsterdam waar hij de diefstal van de Nachtwacht – en de Staatsgeheimen die op de achterkant waren geplakt! – wist op te lossen. Tot 1983, want toen verdween Agent van het toneel. Tijdelijk, zo bezwoer Lodewijk, maar het zou tot 2000 duren eer Agent 327 weer volledig werd gereanimeerd. (...)

De verhalen van Agent 327 zijn over de hele wereld gepubliceerd, zowel in tijdschrift- als boekvorm. Martin Lodewijk kreeg in zijn lange loopbaan menige prijs uitgereikt, waaronder de Stripschapprijs en voor Agent 327 maar liefst drie Stripschappenningen voor beste album van het jaar.’

Wikipedia weet over de geheim agent te melden:

‘Hendrik IJzerbroot: held, slim, snel, goed in vechtsporten en snelle reflexen. Hendrik woonde als klein jongetje in Rotterdam, Feyenoord, waar zijn moeder (later weduwe) een snoepwinkeltje had op nummer 38a, een buurt waar hij af en toe nog eens komt zoals in het dossier Hotel New York. (...)

De sfeer en de humor in de strip verwijzen nadrukkelijk naar Nederlandse plaatsen, personen, reclamespots, tv-series, stripverhalen, politici en andere Nederlandse culturele fenomenen. Zo spelen veel verhalen zich af in Rotterdam en wordt er regelmatig verwezen naar zaken die toen het verhaal gepubliceerd werd actueel waren of enkel in Nederland bekend zijn.’

In de bijzondere uitgave ‘The making of Agent 327’ uit 2003, schrijft Jan Kruis, de geestelijk vader van de beroemde strip ‘Jan, Jans en de kinderen’ (uit Libelle), in het voorwoord:

‘Tot de dag dat Martin in 1962 bij ons voor de deur stond van onze flat op Rotterdam-Zuid, genoot ik in mijn vriendenkring een zeker aanzien als stripkenner. Maar zodra had Martin zich bij die kring gevoegd of mijn ster verbleekte. Hij wist alles beter. Het was niet alleen zijn grote kennis van strips waarmee hij mij ver overtrof en tot op heden mijn vraagbaak is gebleven, hij opende voor mij ook de wereld van de Amerikaanse illustratoren. (...)

Ooit hebben we samen tussen de hanebalken van een van de groene torentjes van het Holland-Amerika Lijn kantoor gestaan, met knikkende knieën, dat wel, maar met warm kloppend hart. Je bent Rotterdammer, of je bent het niet!

Agent bij een dropautomaat in Katendrecht, Olga hangend aan de Euromast, het silhouet van de Hef, de herrezen uitkijktoren van Blijdorp, de wereld van onze gezamenlijke jeugd.

Maar als in “De Wet van Alles” (de naam alleen al) Agent niet alleen Rotterdam, of de wereld, maar het hele universum voor de ondergang moet behoeden, duizelt het mij. Een van de ruiters van de Apocalyps staat even zijn plaats af aan Agent! Je gelooft je ogen niet...

Het is soms voor een oudere collega wat vermoeiend, maar het genot en de energie waarmee Martin dit alles schrijft en tekent straalt er zo krachtig af, dat het een feest is om je willoos te laten meevoeren op zijn tomeloze fantasie.’

In een interview met Jef Nieuwenhuis vertelde Martin Lodewijk hoe een verhaal zichzelf schrijft.

‘Dat wordt beïnvloed door de vorm van het verhaal, het onderwerp en de stijl van de tekenaar. (...) Dat ontstaat vanuit de figuur, vanuit een wereld die eigen wetten kent. Ik heb ontdekt dat Agent 327 bepaalde dingen wel en niet kan doen en hetzelfde geldt voor Storm. Agent 327 heeft ook zijn beperkingen. Hij zal nooit vanaf de Euromast een gat in de grond kunnen vallen en dat afdoen met een “Amaai”. Dat heeft te maken met het feit dat zo’n karakter leeft. Ik loop dan zelf ook tegen grenzen aan. (...) In zekere zin dwingt je eigen kreatie zoiets af. Vroeger las ik meesmuilend de verhalen van schrijvers die beweerden dat hun karakters met hen op de loop gingen, maar als het karakter goed is klopt het wel. Net als Onze Lieve Heer maak je Adam en Eva uit klei en, potverdomme, jaren later belazeren ze je. (...)

Ik heb tien jaar lang rondgelopen met het idee voor Dossier Heksenkring. Ik had een boek gelezen over heksen die een kring rond Engeland legden en dat gegeven wilde ik gebruiken. Ik kon echter niet bedenken op welke wijze Agent 327 betrokken zou kunnen worden bij heksen in Engeland. Op een gegeven moment kreeg ik echter de inval om niet Agent 327, maar de bijfiguur Barend te gebruiken. Dat was niet zo’n probleem, want die jongen kon probleemloos met een gitaar naar Londen om daar de folk-clubs af te lopen. Dan kom je vanzelf gekke mensen tegen. Zo’n motivatie zoek ik dan. Er moet een reden zijn waarom de gebeurtenissen in een verhaal plaats vinden.’

Aan het eind van het interview verklaart hij:

‘Een uitzondering daargelaten zijn de beste stripmakers echte stripmakers en geen stripschrijvers of striptekenaars. Tekenen is niet zo belangrijk en schrijven is niet zo belangrijk. Maar als je iets wil mededelen en je gebruikt daarvoor de strip, dan moet je vertellen en komt het schrijven en tekenen vanzelf. Mijn enige pretentie is dat ik pretentieloos ben. In de zeventiger jaren ben ik daar allergisch voor geworden. Naar mijn smaak hebben teveel tekenaars en schrijvers zich aan hun pretenties vertild. In sommige gevallen zelfs op dramatische wijze. Die pretentieuze onzin was eigenlijk maar een scheet in de wind. Juist de stripmakers die gewoon een verhaal vertelden, hadden vaak de meeste impact.’

Op de pagina’s 19 en 21 van ‘The making of Agent 327’ worden de bijzondere omstandigheden rond de ontstaansgeschiedenis van deze figuur uit de doeken gedaan:

‘Jan Kruis moedigt Lodewijk aan door te gaan als freelancer en stelt genereus een werkplek in zijn studio ter beschikking. De samenwerking is hecht en beperkt zich niet alleen tot reclamewerk. Gezamenlijk reizen de inmiddels bevriende auteurs op zekere dag af naar Brussel, waar Jan Kruis zijn gagstrip Gregor weet te slijten aan de Nederlandstalige editie van Kuifje.

Dat is niet Lodewijks eerste bezoek aan de burelen van een Belgisch stripweekblad. Eerder, in 1958, lift hij naar Brussel en presenteert Peter Middelkoop, de hoofdredacteur van Robbedoes, het plan om tijdens een voorgenomen wereldreis voor Robbedoes een maandelijks geschreven en geïllustreerd reisverslag te maken. Het voorgestelde honorarium van negentig gulden valt tegen, toch lokt het avontuur. Een verheviging van de astma-aanvallen die Lodewijk sinds zijn jeugd plagen, voorkomt dat hij op reis gaat.

Enkele jaren later is het dezelfde Peter Middelkoop die, nu als hoofdredacteur van Pep, Jan Kruis opdracht geeft een parodie te maken op het spionagegenre dat onder meer door de vier eerste Bond-films – elk jaar een nieuwe Bond – wereldwijd furore maakt. Jan Kruis speelt de opdracht door naar vriend en collega Martin Lodewijk en op 21 mei 1966 kan het strippubliek in stripweekblad Pep voor het eerst kennismaken met Agent 327, die op de eerste pagina vermomd als vissersvrouw in klederdracht onopvallend een steegje binnenschiet. “Grutjes-nog-an-toe. Wat een geheim agent al niet moet doen om incognito op zijn kantoor te komen.”

Met deze legendarische opening begint de carrière van Agent 327.’

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Translate

Volgers

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code