Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

vrijdag 5 december 2008

Fenomeen


‘Goethe was van mening dat we de zintuiglijke indrukken voor “waar” mogen nemen.’
Het lijkt zo’n onschuldige zin, maar dat is hij helemaal niet. Want hij heeft verstrekkende gevolgen. Kees Veenman loopt die gevolgen na in zijn themabijdrage op de website van de Antroposofische Vereniging in Nederland. Deze bijdrage, die er eergisteren op is gezet, heeft als titel ‘Fenomenologie: doordringen tot de essentie van een verschijnsel’. Hij wordt aangekondigd in de rubriek ‘Nieuws’ op de homepage, terwijl daarbij ter verduidelijking de eerste zin wordt geciteerd:
‘Wil men inzicht krijgen in verschijnselen, of het nu gaat om een natuurfenomeen of een verschijnsel op sociaal gebied, dan is de fenomenologische benadering een werkwijze die in de antroposofie een grote vlucht heeft genomen.’
Helaas is deze eerste zin een vreselijke misser. Tekstueel bedoel ik. Want dit staat er eigenlijk: wil men inzicht krijgen, dan is er een werkwijze die een grote vlucht heeft genomen. Onzin dus. En dat is uiterst jammer, want wat Kees Veenman allemaal na deze eerste zin schrijft, is zeer relevant. Hij heeft het over het waarnemen en hoe het oordeelsvermogen van de mens dat in de weg zit:
‘Niet alleen zijn we behept met vooroordelen, die ons verhinderen de ware aard der verschijnselen te kunnen ervaren, ook is ons denken onderhevig aan allerhande denkgewoonten, die we onbewust hanteren om verschijnselen te interpreteren. Goethe drukte zich zeer kras uit: de zintuigen bedriegen ons niet, maar ons oordeel. Hoe kan men dan op vruchtbare wijze tot inzicht in een verschijnsel komen? Door de waarneming met onbevangen aandacht te benaderen. Waarnemen zonder denken is eenvoudigweg onmogelijk, wel kan men het oordeel over de waarneming leren terughouden. Het gaat er in de fenomenologie om zo met een verschijnsel te leven dat het zijn eigen aard in ons denken uitspreekt. Anders gezegd, willen we het geheim van een verschijnsel te leren kennen, dan kan het verschijnsel zelf ons leren hoe we erover dienen te denken.’
Kees Veenman is specialist op het gebied van kleur en van kleuren waarnemen. Hiervan geeft hij een voorbeeld, waaraan duidelijk kan worden hoe moeilijk écht waarnemen is:
‘Wanneer in het voorjaar de bladeren aan bomen en struiken uit de knop komen, dan lijkt het nieuwe leven van een goudglans omgeven. Dit is des te sterker het geval wanneer de zon op de bladeren schijnt. De kleurnuance verschilt per soort, populieren hebben bijvoorbeeld een koperen goudglans. Zodra de bladeren zich volledig ontvouwd hebben treedt deze goudglans terug.
Bij nadere beschouwing blijken uitkomende knoppen naast het frisse groen ook rood in zich te hebben. Het schutblad kan rood bevatten, of de nieuwe uitlopers, zoals bij de linde, die helder magenta gekleurd zijn. Maar in veel gevallen is het de punt van het blad dat rood gekleurd is, zolang het blad zich nog niet volledig ontvouwd heeft.
Het rood naast het heldere voorjaarsgroen mengt zich van een afstand gezien tot een goudachtig geel, vooral wanneer het wordt beschenen door de zon. Zo wordt ook op een televisie of computerscherm door naast elkaar oplichtende rode en groene pixels geel gevormd.
Op deze manier krijgt men zicht op het ontstaansproces van het “voorjaarsgoud”. Vergelijkt men deze goudglans met het goud van de bladeren in de herfst, dan merkt men dat het voorjaarsgoud een heel eigen karakter heeft. Het is lichtend, teer en ontstaat door menging van gekleurd licht, terwijl het najaarsgoud ontstaat door menging van pigmenten en dus een meer stoffelijk en verzadigd karakter heeft. Het voorjaarsgoud is net zo teer en pril als het net uitgekomen blad, dat als een ‘onbesproken blad’ een nog volmaakte vorm heeft. Het laat de heelheid zien die het nieuwe leven kenmerkt. Het najaarsgoud is “geleefd” goud, net als de bladeren die in de herfst allen de uiterlijke tekenen van hun “biografie” vertonen in de vorm van stukjes die weggevreten of verdord zijn.’
Wie ziet dit nou? Dan moet je echt gaan kijken naar de dingen om je heen, en dat gebeurt zelden. Daarom is deze themabijdrage ook zo mooi, daarin wordt dit heel precies voorgedaan. Veenman voegt eraan toe:
‘Men merkt aan dit voorbeeld dat het proceskarakter van het verschijnsel in beeld komt door naar het ontstaansproces ervan te kijken, terwijl men de karakteristiek van het fenomeen op het spoor komt door te vergelijken en door zich in te leven in wat men door vergelijking vindt. Hoe langer men zich op de geschetste wijze in zo’n verschijnsel verdiept, hoe meer men de essentie van het verschijnsel nader komt. Dit gaan zien van de essentie van een fenomeen noemde Goethe het zien van de idee van het verschijnsel in de verschijning. Dit was voor hem de “ware communie”, het samengroeien van mens en verschijning.’
Onderaan de bijdrage wordt literatuur aangegeven om verder te lezen. Daarbij zitten ook twee artikelen uit Motief van mei en juni-juli 2007, waarvan vreemd genoeg de titel verkeerd wordt weergegeven. Niet ‘Voorbij de grenzen van de natuurwetenschap’ heten ze, maar ‘De grenzen voorbij. Een weg tot imaginatie, inspiratie en intuïtie’. Ook ontbreekt een link naar deze artikelen, terwijl ze gewoon op dezelfde website staan. Gek toch, zo zorgvuldig als Kees Veenman subtiele processen schrijft, en dan zulke onjuistheden. Terwijl deze twee artikelen juweeltjes zijn. Je moet ze wel heel goed lezen, omdat ze vooral over innerlijke gebeurtenissen gaan en zeer nauwkeurig geformuleerd zijn. Voorkeur heeft het om die in hun geheel te lezen, maar zo hoef ik ze hier niet weer te geven, ze staan gewoon op de website. Alleen een enkele proeve (ik ben me ervan bewust dat niet zomaar te snappen is wat er wordt bedoeld, daarvoor moet je eigenlijk beide artikelen lezen, maar uit het voorgaande moge blijken dat het geen onzin is; ik wil er in ieder geval op gewezen hebben):
‘Het eerder genoemde fenomenalisme en de intensieve studie van “De filosofie van de vrijheid” dienen ertoe om ons denken te zuiveren en te verlevendigen, zodat we ons oordelende denken kunnen terughouden en zo de waarnemingen intens kunnen opzuigen. Eerst komen we tot imaginatieve orgaanindrukken in ons zelf en hervinden daarna actief horend de eerder gevormde (maar teruggehouden) zuivere gedachten als inspiratieve indrukken, die we nu ook kunnen verwoorden. Langs deze weg, die eigenlijk een interactie is van twee deelwegen, komen we zo tot een ontmoeting met het geestelijke in het natuurverschijnsel. Het tweede oefengebied, dat tot de imaginatie leidt, blijkt een voorwaarde om het eerste oefengebied, dat tot de inspiratie voert, te kunnen bereiken.
Over de drempel
Beide gebieden leiden ons in eerste instantie naar een drempel. De intensivering van de waarneming leidt tot een drempel, waar we met ons denken halt moeten houden en wachten tot de gebarentaal van de natuur zich als tot inspiratie omgevormde zuivere gedachten uitspreekt. Laten we hier het denken voortrollen, dan belanden we in het speculatieve denken en komen zo tot allerlei modelachtige voorstellingen, zoals het atoommodel. De verinnerlijking van het bewustzijn leidt ook tot een drempel waar we ons moeten terughouden, wil de imaginatieve waarneming zich kunnen vormen. Zouden we hier het denken laten voortrollen, dan vinden we slechts persoonlijke levensherinneringen.
In de toepassing binnen de goetheanistische fenomenologie kunnen de twee beschreven oefengebieden niet expliciet gescheiden, wél tijdelijk uiteengehouden worden op grond van duidelijk onderscheid tussen waarnemen en denken.
Terwijl we aan de ene kant dieper naar binnen tasten en gaandeweg tot imaginatieve beelden komen, groeit tegelijkertijd door de terughouding het inspiratieve vermogen om de gestiek van de fenomenen te kunnen aanhoren. De combinatie van beide oefengebieden kan het volgende gaan opleveren. Nu we het geestelijke in het natuurverschijnsel hebben leren kennen en de wijze waarop dit in ons menszijn verankerd is, kunnen we leren vanuit dit natuurverschijnsel genezend te handelen. “En door dan in de intuïtie bij elkaar te brengen wat we over de plant, het dier en het mineraal hebben leren kennen en wat er door de imaginatie over de menselijke organen aan het licht is gekomen, verkrijgen we pas een ware therapie, een geneesmiddelenleer die het uitwendige werkelijk kan aanwenden voor het inwendige.”
Anders gezegd, een verenigen van imaginatieve en inspiratieve waarnemingen, een ontmoeting van beide kwaliteiten in ons, maakt de ontmoeting met de (genezende) wil die in een fenomeen leeft mogelijk. Dan ervaar je direct dat deze genezende wil uitgaat van een wezen dat zich met dit fenomeen verbonden heeft. Langs deze weg kan men bijvoorbeeld de genezende werking van kleuren onderzoeken.’
De conclusie die Kees Veenman na dit alles trekt is interessant, omdat hij kritiek heeft op hoe in antroposofische organisaties fenomenologisch wordt gewerkt. Daar ontbreekt het nodige aan, zo vindt hij:
‘In fenomenologische kringen zijn er mensen die van mening zijn, dat het vinden van beelden bij een fenomeen – nog in het midden gelaten of dit symbolische of imaginatieve beelden zijn – al een voleinding betekent van de fenomenologische weg. Verder mag en kun je volgens hen niet gaan. Rudolf Steiner plaatst ons in Voorbij de grenzen van de natuurwetenschap voor de uitdaging twee stappen toe te voegen. De inspiratie laat ons dieper doordringen in de geestelijke uniciteit van het fenomeen, tot de werking van de intenties van de daarin werkzame wezens. Maar de derde en laatste stap, de intuïtie, maakt een nog diepere verbintenis mogelijk met die wezens zélf, met hun scheppende wil. Dit brengt ons eerst terug in de wereld, waarop zo’n wilsimpuls immers gericht is. Wie bijvoorbeeld de wilsintenties van de kleuren leert kennen, kan gewaarworden dat het manipulatieve gebruik van kleur, in onder meer de reclame, niet in overeenstemming is met het wezen kleur.
De gehele weg die Rudolf Steiner ons hier voor ogen stelt – of misschien beter gezegd: op het hart bindt – is zeker een moeilijke weg om te gaan. Een langdurige scholing is hieraan verbonden. Alleen wanneer we leren de gehele weg te gaan, kunnen we de met de natuurfenomenen verbonden wezens in hun opdracht ten aanzien van de wereld terzijde staan.’

4 opmerkingen:

John Wervenbos zei

Interessant nieuwsfeit, dank je wel Michel.

“Alles Vergängliche ist nur ein Gleichnis”. (Faust 2)
Met een kunstenaarsziel/ kunstenaarsblik verborgen natuurwetmatigheden bloot leggen, vraagt aandachtige waarneming en kunstzinnige inspiratie (en vermogens).

In het bovenstaande geciteerde tekstdeel van Kees Veenman: “Men merkt aan dit voorbeeld dat het proceskarakter…”, zie je dat ‘bijzondere vergelijken’ actief toegepast. (Zie ook Veenmans woordgebruik/terminologie.)

‘Fenomologie’ is direct gerelateerd aan ‘psychisme’ als wereldbeschouwingsrichting.
Steiner gebruikt de term ‘Weltanschauungsnuance’; wat zou daarvoor een goede Nederlandse vertaling of aanduding zijn – en wat voor voor psychisme - ?) Het gaat hier om de voordrachtencyclus “Der Menschliche und der Kosmische Gedanke”, GA 151, Berlijn 1914.

Voor een grafische weergave van de twaalf wereldbeschouwingsrichtingen en zeven wereldbeschouwingsstemmingen zie bijvoorbeeld het internetadres:
http://home.tiscali.nl/parzifal/22884/2463.html
(Onder de paragraaf ‘Filosofische hoofdstromingen en grondstemmingen’ van mijn opstel ‘Wereldbeschouwingen’.)
Deze afbeelding laat zien dat fenomenologie en pschychisme (psychisme is de wereldbeschouwing die laat zien, in kaart brengt en onderzoekt, hoe ideeën in de menselijke psyche werken) met elkaar in oppositie staan. Steiner had heel veel ontzag voor Goethe, voor diens kunstzinnigheid en wetenschappelijkheid, hoe kan dat ook anders: Goethe met zijn fenomenologische benadering en wetenschappelijke en kunstzinnige prestaties aan de ene kant en honderdtachtig graden daartegenover Steiner enorme verdiensten voor (ondermeer) het psychisme als wereldbeschouwingsrichting, zie wat dit betreft in het bijzonder zijn geschrift ‘Filosofie der Vrijheid’, GA 4 en zijn voordrachtencyclus ‘Die Philosophie des Thomas von Aquino’, GA 74.
De culturele bevruchting tussen Goethe en Steiner is wereldhistorisch.

Met het bovenstaande tekstcitaat (ook uit Michels stuk) van Kees Veenman "In fenemonologische kringen zijn...", wijst Veenman denk ik ondermeer op uiteenzettingen van Steiner over "heersende wil in de zintuigwereld' en 'heersende wijsheid in de wereld van het ontstaan en vergaan' in zijn voordrachtencyclus 'Die Welt der Sinne und die Welt des Geistes', GA 134, 1991

Persoonlijke noot: ben opgegroeid tussen steen en haven en ook door opvoeding en onderwijs verder vervreemd geraakt van de natuur. Toch bleef ik ernaar verlangen en maak ik bijvoorbeeld graag wandelingen door natuurgebied. Dan kan ik bij het rondkijken vaak niet benoemen, bijna een analfabeet op dit gebied, dat het om deze of gene plant of boom enzovoort gaat en dat doet me dan best wel pijn, voel me dan (zo) beperkt.

Toch komt er dan soms wel een gedicht uit. Hieronder twee oude.

‘Op sterven na dood’, zie internetadres:
http://home.tiscali.nl/parzifal/22975/23787.html

‘Delta’, zie internetadres:
http://home.tiscali.nl/parzifal/22975/23421.html

John Wervenbos zei

Correctie van typefout: 'Die Welt der Sinne und die Welt des Geistes', GA 134, betreft voordrachten uit 1911 en 1912.

John Wervenbos zei

Correctie 2: Eerste woord van de derde alinea moet natuurlijk zijn 'Fenomenologie'.

John Wervenbos zei

Inmiddels ook een gesprekstopic over opgestart op het discussieform van AViN onder de titel "Fenomenologie als kennis- en ontwikkelingsweg", internetadres:
http://www.antroposofie.nl/forums/algemeen/zforum/view_topic?topic_id=34

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Volgen op Facebook


Translate

Volgers

Herkomst actuele bezoeker(s)

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code

Gezamenlijke antroposofische agenda (in samenwerking met AntroVista)