Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

donderdag 26 januari 2012

Afkickkuur


De actualiteit maakt dat ik na de Zonnehuizen (zie ‘Transitie’) vandaag nog een tweede bericht moet maken. Op de website van Nederland 3 zie ik namelijk dit staan:
‘Vandaag, 21:00-21:35 in Metropolis:

In Nederland laten we een verslaafde niet in de kou staan. We delen goedkoop bier en gratis heroïne uit en bieden indien nodig een slaapplek. In de rest van de wereld gaat het anders...

Buitenlandprogramma waarin lokale reporters ons hun wereld laten zien. Presentatie: Stef Biemans.’
Ga ik naar de website van dit programma, komt ‘Braken, spuiten, bidden of vastbinden?’ tevoorschijn:
‘In Nederland laten we een verslaafde niet in de kou staan. We delen goedkoop bier en gratis heroïne uit en bieden indien nodig een slaapplek. In de rest van de wereld geen softe behandelingen, maar afkicken door bidden, braken en vastbinden.

In Burkina Faso helpt dominee Samuel de 21-jarige Sori van de wiet af. Als Sori agressief wordt, bindt hij hem vast aan een boom en laat hem daar zitten tot hij is afgekoeld. Ondertussen wordt er door de dominee en zijn volgelingen voor hem gebeden. Dat klinkt rigoureus, maar het is wel effectief. Want zo blijft hij zeker clean, aldus de dominee.

Nog zo’n opvallende ontwenningskuur vond onze correspondent in Thailand. De 24-jarige Jan rookte vroeger heroïne, maar ze houdt zich in de afkicktempel nu dagelijks bezig met een braakritueel.

In Indonesië zijn we in ’s lands enige islamitische afkickkliniek. Moslims die ten prooi zijn gevallen aan de verleidingen van verdovende middelen komen hier naartoe om te ontnuchteren. En dat doen ze vooral door heel veel te bidden, zeker acht uur per dag.

Hier in Nederland hebben we heel wat aangenamer therapieën. Om van de drank af te komen volgt Mark in Zeist een antroposofische afkickkuur. Hierbij mag hij uren badderen, wordt hij dagelijks ingebakerd als een baby en iedere avond ingestopt. Dat klinkt toch een stuk prettiger dan “Plan Zuiplap” in Nicaragua, waar notoire alcoholisten gewoon van straat geplukt worden, kaalgeschoren en verplicht in de rehab gaan.

Stoppen met spuiten en slikken. Metropolis over afkicken. Donderdag 26 januari om 21.00 uur op Nederland 3.’
Over die ‘antroposofische afkickkuur’ lees ik vandaag meer op de website van het Belgische blad Humo, in een artikel van Katrien Depecker, getiteld ‘Magazine: Metropolis: Afkicken’:
‘Marilyn Manson zong het al: “I don’t like the drugs, but the drugs like me.” Als de verdovende middelen u echter zó graag zien dat ze u geen seconde meer met rust laten, dan kunt er maar beter korte metten mee maken.

Het bekroonde Nederlandse reportageprogramma “Metropolis” toont vanavond hoe verslaafden overal ter wereld van het spul proberen af te raken. In West-Afrika laten ze zich aan een boom vastbinden, in Indonesië bidden ze acht uur per dag in islamitische afkickklinieken en in Thaïland onderwerpen ze zich dagelijks aan een braakritueel.

Dan liever de antroposofische afkickkuur van de therapeutische gemeenschap De Witte Hull in het Nederlandse Zeist: daar mogen de cliënten uren baden en worden ze in de watten gelegd door de zusters!

WIM CORNELISSE (afdelingshoofd De Witte Hull) «We vertrekken vanuit de antroposofie van Rudolf Steiner, waarin vooral gezocht wordt naar zingeving. Verslaafden proberen we dus te doen inzien wat ze als mens te bieden hebben.

»En ze moeten een doel voor ogen krijgen. Samen werken en samen leven vormen de rode draad: onze cliënten wonen acht tot tien maanden samen en hebben een strak dagritme dat gericht is op huis-, tuin- en keukenwerk.

»’s Middags krijgen ze therapie, waaronder die badtherapie. Binnen de antroposofie is er veel aandacht voor de eenheid van lichaam en geest: vandaar het gebruik van therapieën die misschien als verwennerij klinken, maar waar de cliënten het toch vaak moeilijk mee hebben.

»Zo vinden velen het lastig om na een ritmische massage een halfuur op bed te blijven liggen. Maar die introspectie maakt net deel uit van het ontgiftend proces.»

HUMO Jullie boeken betere resultaten dan andere centra. Waaraan ligt dat volgens u?

CORNELISSE «Omdat wij een langer traject aanbieden. Wie in De Witte Hull terechtkomt, heeft er al een zestal weken in het introductiecentrum in Hamingen op zitten. Daar ligt de nadruk op lichamelijke ontwenning, hier leren verslaafden psychisch onafhankelijk worden van drugs.

»Kwestie van niet meteen te hervallen als er iets akeligs gebeurt in hun leven. We willen mensen leren dat ze niet in de kroeg hoeven te gaan zitten of moeten beginnen blowen als het tegenzit. We bieden ook nazorg aan: begeleid wonen, stageplaatsen zoeken, alles dat kan helpen bij de maatschappelijke reïntegratie.»

HUMO Ik kan me voorstellen dat het ook voor u best zwaar is?

CORNELISSE «Ik geniet van de ontwikkeling van onze bewoners: je ziet ze vrij snel opknappen als ze niet meer gebruiken. Maar natuurlijk blijft de teleurstelling groot wanneer ze toch hervallen en terug bij af zijn.»’
Verder is er vandaag de grote lerarenstaking in het onderwijs. Peter Zantingh berichtte hierover vanochtend op de website van NRC Handelsblad in ‘Twintigduizend leraren staken tegen kabinetsplannen’:
‘Duizenden docenten en medewerkers in het voortgezet onderwijs staken vandaag om hun ongenoegen te uiten over de kabinetsplannen in het onderwijs. Volgens de Algemene Onderwijsbond (AOb) leggen zo’n twintigduizend leraren hun werk neer.

Veel stakers, afkomstig van meer dan zevenhonderd scholen, komen bijeen in de Jaarbeurs in Utrecht, waar de AOb een manifestatie houdt. Volgens de bond zijn zeker 178 scholen dicht. Op veel andere scholen wordt eveneens actie gevoerd, maar niet gestaakt.

Belangrijkste actiepunt: de 1040-urennorm is “onhaalbaar”

De leraren voeren actie tegen de nieuwe urennorm: leerlingen zouden minstens 1040 uur les moeten krijgen. De scholen hebben het al jaren lastig – het is naar eigen zeggen onhaalbaar – om aan die norm te voldoen. Ze vrezen het “ophokken”: lesuren worden ingevuld door leerlingen een uur te laten volmaken in een lokaal, zonder docent of duidelijk programma. Zoals een bezorgde ouder het verwoordt: met z’n dertigen een uurtje op de iPhone spelen.

Minister Van Bijsterveldt van Onderwijs stelde een commissie in die het aantal uren dat wel haalbaar was moest onderzoeken. Daar kwam een aantal van 1000 uit, maar na protest van de PVV werd de norm toch weer verhoogd naar 1040. In een vraaggesprek met nu.nl gaat de minister daarop in: waarom luisterde ze niet naar het advies van de commissie?

Minister is zelf niet zo van het staken

De docenten staken vandaag ook tegen de nullijn voor salarissen, de bezuinigingen op het passend onderwijs en het terugbrengen van de zomervakantie van zeven naar zes weken. Tegenover nu.nl zei de minister dat ze het staken op dit moment, tijdens de toetsweek, onverantwoord vindt. “Juist [nu] is er behoefte aan rust, stabiliteit en structuur. Elke les doet er toe. Ik ben meer van het werken dan van het staken.”’
Van antroposofische zijde ben ik hierover zo goed als niets tegengekomen. Echter wel bij Fred Tak. Hij schreef al op 14 januari op zijn weblog ‘Onderwijsland is oppasland’:
‘Al zes jaar lang is er onrust in onderwijsland over de 1040-urennorm. Scholen blijken namelijk in de praktijk niet in staat om aan die norm te voldoen. In december 2007 leidde dat tot de scholierenstaking van het LAKS tegen wat zij ophokuren noemden. De door de minister aangestelde commissie Cornielje kwam daarna met de aanbeveling de onderwijstijd tot 1000 uur te verlagen. De Tweede Kamer zelf constateerde in 2009 ook dat een norm van 1040 uur niet langer realistisch is.

De afgelopen twee jaar is in goed overleg en naar tevredenheid met ouders en leerlingen gewerkt met de 1000-urennorm. Internationaal gezien is 1000 uur trouwens al erg hoog. Het Europees gemiddelde ligt op 865 uur les en geen enkel ander land in de top 10 van best presterende onderwijslanden (PISA) programmeert meer dan 980 uur. De onbetwiste nummer één als het gaat om onderwijsprestaties is Finland. Finse scholen geven 780 uur les per jaar.

Toch is er in de Tweede Kamer (op 29 november 2011) op de valreep voor de 1040-urennorm gekozen. Waarom?

De zaak ligt heel simpel. Om extra gratis kinderopvang voor de werkende ouders te bewerkstelligen. Daar is het deze minister om te doen. De kwaliteit van het onderwijs zelf is hierbij van ondergeschikt belang.

Wie de mores in Den Haag een beetje kent, weet dat het daar wemelt van de lobby’s van belangengroeperingen. In het bijzonder het bedrijfsleven, met de multinationals voorop, loopt de boel daar plat. De ene politicus na de andere wordt hier dagelijks door bestookt. De op hen uitgeoefende druk is enorm. Wij in den lande denken misschien dat politici vrij zijn om eigen keuzes te maken, maar dat is slechts zeer ten dele. De voormalige premier van Nederland Joop den Uyl noemde dat de smalle marges van de politiek. Politici zijn met handen en voeten gebonden aan partijdisciplines die op hun beurt voor een groot deel weer voortkomen uit afspraken met belangengroeperingen.

Deze minister heeft al in haar tijd als staatssecretaris van onderwijs in het vorige kabinet hartstochtelijk gepleit voor een kortere zomervakantie. Het is haar stokpaardje.

(Zelfs wordt er momenteel op haar initiatief op een paar basisscholen geëxperimenteerd met het volledig opheffen van de zomervakantie: de school is het hele jaar open en ouders kunnen zelf kiezen wanneer ze met hun kind(eren) op vakantie gaan. De school past zich hier op aan.)

Maar ja, je moet een reden bedenken waarom je de vakanties wilt inkorten. Simpel zeggen dat je dat wilt om daarmee werkende ouders, en in het kielzog daarvan het bedrijfsleven, tegemoet wilt komen, zal niet worden gepikt. Dat klinkt te egoïstisch.

Iets anders verzinnen dan. Maar dat valt nog niet mee. De (toen nog) staatssecretaris kwam met het volgende argument: die lange zomervakantie stamt van lang geleden, toen Nederland nog een agrarische cultuur had. In onze moderne tijd past dit niet meer. Letterlijk zei ze: “De huidige schooltijden en de lange zomervakantie stammen uit een agrarische tijd van voor de industriële revolutie, toen kinderen meewerkten op het land en hun ouders in de zomer hielpen met het binnenhalen van de oogst.”

Dus, korter die zomervakantie.

Het sloeg niet echt aan. Te meer niet omdat het niet met de feiten klopte. Voor de Tweede Wereldoorlog waren de vakanties juist korter, namelijk alleen de maand augustus, ruim vier weken dus. Daarnaast, in echte industrielanden als de V.S. duurt de zomervakantie zo’n drie maanden. Ook in voorbeeldland Finland (met het beste onderwijs ter wereld) heeft men nog altijd 11 weken (!) zomervakantie.

Exit dit argument. Maar al gauw toverde de staatssecretaris een nieuw konijn uit haar hoge hoed. Uit een Amerikaans onderzoek was gebleken dat leerlingen na een lange vakantie bijna al hun kennis en vaardigheden kwijt waren. Een kortere vakantie, zelfs doorwerken tijdens de vakantie, werd aanbevolen. Onder andere te lezen in dit artikel: hier.

Dus, een kortere zomervakantie zou in het belang van het leerproces en dus in het belang van de leerlingen zijn.

Maar ook dit argument werd al snel onderuit gehaald. Ten eerste volgden de resultaten slechts uit één enkele test, gedaan bij probleemjongeren, ten tweede duurt de zomervakantie, zoals gememoreerd, in de V.S. maar liefst drie maanden. Niet te vergelijken met de situatie in Nederland dus.

Een paar jaar geleden kwam de staatssecretaris opeens met een verrassende mededeling. Om de werkdruk van docenten te verlagen, zou iedereen in het onderwijs een week (vijf dagen) per jaar extra moeten werken!

De grote hoeveelheid werk kon dan beter over het schooljaar uitgesmeerd worden, was de redenering. Vijf extra dagen werken voor de docenten, terwijl de leerlingen gedurende het schooljaar dan vijf keer een dag vrij zouden krijgen. In de dagen dat er geen lessen zijn, konden docenten dan hun achterstanden inhalen.

En ja, de zomervakantie kon zo mooi met een week verkort worden.

Het onderwijsveld was fel tegen. Een week extra werken betekende juist een week extra werkdruk, was de veelgehoorde klacht. Op een voorstel van de bonden om de beschikbare vrije dagen aan de zomervakantie vast te plakken, zodat deze tot 7 weken gehandhaafd kon blijven, werd vervolgens de minister woest. Gesprekken zijn er sindsdien niet meer geweest. Er was een soort van koude oorlog tussen de minister en de bonden.

Dit was het uitgangspunt toen in november 2011 de wet aan de Tweede Kamer werd voorgelegd (en aangenomen). Met op het laatste moment de toevoeging, volledig in strijd met de toezeggingen op dat moment naar het onderwijsveld toe, dat er toch weer 1040 uren lesgegeven zou moeten worden. Althans, in de eerste en tweede klassen, d.w.z. voor kinderen van 12 en 13 jaar die nog in de oppasleeftijd zitten.

Logisch, vanuit de minister en de belangengroeperingen achter haar beredeneerd. Veertig uur meer is ruim een week extra kinderopvang. Tel uit je winst.

Het is jammer dat de discussie zo vertroebeld gevoerd wordt. Dit vanwege de verborgen agenda van de minister, voorheen staatssecretaris. Nu moet ze steeds zeggen dat de 1040-urennorm de kwaliteit van het onderwijs ten goede komt. Terwijl dat aantoonbaar onjuist is, kijk maar naar een land als Finland. Dat zorgt voor ergernis en onbegrip in onderwijsland. Men denkt oprecht de minister met argumenten te kunnen overtuigen.

Maar argumenten helpen hier niet, want het gaat om andere zaken dan waarvoor men denkt te strijden. Het gaat om de werkende ouders en het bedrijfsleven die daar last van hebben, en niet om de kwaliteit van het onderwijs. Laat dat duidelijk zijn. Waar mensen steeds meer in de (financiële) problemen komen vanwege de alsmaar duurder wordende kinderopvang, biedt juist deze minister hen uitkomst. Daar staat men echt te roepen en te springen. Daar is de nood het hoogst.

De onderwijswereld ziet dit niet, kan dit niet zien, wil dit niet zien. Vandaar dat men langs elkaar heen praat, langs elkaar heen blijft praten. Met uiteindelijk stakingen als gevolg.’
Tijdschrift Erziehungskunst van februari is ook alweer uit. Op de website vind ik ‘Berliner Waldorflehrer ist »Lehrer des Jahres« 2011’ van Susanne Becker:
‘Ralf Krueger, der zum Lehrer des Jahres 2011 gekürt wurde, über gute Lehrer, gute Schüler und guten Unterricht

Susanne Becker | Herzlichen Glückwunsch zum deutschen Lehrerpreis. – Wie fühlen Sie sich als bester Lehrer Deutschlands?

Ralf Krueger | Vielen Dank! Für mich war das eine absolute Überraschung. Es gab eine bundesweite Ausschreibung im Schülermagazin »Der Spießer«. Schüler von Abschlussklassen sollten eine Lehrerpersönlichkeit charakterisieren, die ihren Weg besonders geprägt hat. Eine Schülerin aus meiner ersten Klasse an der Waldorfschule Berlin-Havelhöhe lernte Biologie fürs Abitur und kam gerade nicht so richtig weiter. Ja, und dann hat sie in diesem Magazin geblättert und sich spontan entschlossen, etwas über mich zu schreiben und einzureichen. So wurde die Jury auf mich aufmerksam.

SB | Was ist ein guter Lehrer? Wussten Sie, dass Sie einer sind?

RK | Eigentlich ja. Das spürt man. Ich versuche, einen guten und intensiven Kontakt zu den Schülern aufzubauen. Man merkt sofort, wie sie auf einen reagieren und ob sie einen respektieren. Für mich ist ein guter Lehrer jemand mit Fachkompetenz, der die Schüler an die Hand nehmen kann mit dem, was er zu sagen hat. Er ist aber auch den Schülern gegenüber offen. Er nimmt sie als Individuen und Persönlichkeiten ernst.

Ich glaube, dass man mit dem Fachlichen genauso viel vermittelt, wie mit der Art, wie man sich gibt. Ich versuche immer, in meinem Unterricht Dinge neu zu lesen, neues Material zu nehmen. Wenn ich das Gleiche mache wie im letzten Jahr, dann wird es Routine und weniger lebendig. Ich möchte mir selber eine gewisse Begeisterungsfähigkeit erhalten und das Gefühl, dass ich an mir selber arbeiten muss, dadurch wird es auch für die Schüler spannender.

SB | Wie vermitteln Sie den Stoff, damit er für die Schüler interessant ist? Machen Sie Frontalunterricht?

RK | Ich mische und wechsle. Frontalunterricht ist gut, wenn man aktiv Wissen hineingibt, aber nur Frontalunterricht wäre nicht in Ordnung. Im Hauptunterricht sind hundert Minuten zu füllen, und da muss man rhythmisieren. Ich versuche, die Schüler zu überraschen, Dinge von einer anderen Perspektive aus anzusehen. Wenn ich eine Goethe-Epoche gebe, dann stelle ich Goethe nicht aufs Denkmal und sage, wie toll er ist, sondern ich schubse ihn erst einmal runter, lasse ihn kaputt gehen und füge ihn dann wieder zusammen.

SB | Sie schauen sich beispielsweise das Leben einer historischen Persönlichkeit an und gehen von den Schwachstellen und Brüchen aus?

RK | Genau. Vor allem wie sie mit ihren eigenen Widersprüchen umgeht. Das ist das, was die Schüler interessiert. Denn man merkt ja, wie man durch Normen, die Medien, die Gesellschaft festgelegt ist.

Auf der anderen Seite gibt es das eigene Ich, das man überhaupt erst entdecken muss. Wer bin ich eigentlich? Genüge ich diesen Normen? Wie gehe ich mit Schwierigkeiten um? Wenn ich das anhand von Biographien berühmter Leute sehen kann, hilft das sehr.

SB | Also kein Stoff, den Sie routiniert durchziehen, sondern permanente Offenheit – auch gegenüber dem, was von den Schülern kommt. Ist das nicht stressig?

RK | Nein. Es würde mir sonst keinen Spaß machen. Im Idealfall ist es ja ein Dialog, der einen selbst bereichert. Wenn alles nur von mir käme, wäre mir das zu einseitig.

SB | Sie sprachen vorhin von Rhythmus. Wie sieht das aus?

RK | Ich arbeite viel mit Lyrik, mache aber auch Körperübungen: Montagmorgens erstmal strecken und wach werden.

SB | Finden die Schüler Sie lustig?

RK | Die Schüler amüsieren sich über meine Tafelzeichnungen, denn ich kann eigentlich nicht besonders gut zeichnen. Ich mach’ mir da aber nichts draus, sondern zeichne einfach, entwickle etwas aus Strichen und da kommen teilweise recht witzige Ergebnisse heraus. Die hatten dann in der Klasse schon Kultstatus.

SB | Was ist ihr Lieblingsstoff in Deutsch?

RK | Ich mag immer das, womit ich mich gerade auseinandersetze. Aber was ich schon sehr schätze ist Goethes Faust. Das ist ein Werk, wo man jedes Mal eine kleine Schicht tiefer kommt. Parzival finde ich genauso toll. Aber wenn ich Frisch oder Brecht oder Thomas Mann mache, lasse ich mich da auch begeistern.

SB | Sind Sie frei in der Stoffwahl?

RK | Ja, das ist für mich einer der großen Vorteile an Waldorfschulen. Es gibt ein paar Sachen, die traditionell gemacht werden und die auch sinnvoll sind. Aber wenn man darüber nachdenkt, was man will und warum man was macht, dann kann man sehr frei wählen. Das schätze ich sehr, dass man nicht an die staatlichen Rahmenpläne gebunden ist, wo man den Stoff abarbeiten muss.

SB | Sie waren nicht immer Lehrer. Vor zehn Jahren haben Sie die Weiterbildung hier in Berlin am Waldorfseminar absolviert.

RK | Ich habe vorher wissenschaftlich gearbeitet und während des Studiums Stadt- und Museumsführungen gemacht. Dabei habe ich festgestellt, dass ich mit Schulklassen und Jugendlichen gut zurechtkam. Da hat es mich gereizt, kontinuierlich pädagogisch zu arbeiten.

SB | War Ihnen von Anfang an klar, dass Sie in der Oberstufe unterrichten wollten?

RK | Ich liebe die intellektuelle Auseinandersetzung mit den Schülern und das geht in der Oberstufe mit dem Stoff viel besser.

SB | Was ist in der Oberstufe einer Waldorfschule anders als an anderen Schulen?

RK | Im Grunde geht es in der Oberstufe darum, die Schüler zur eigenen Urteilsbildung zu befähigen. Das ist in der heutigen Gesellschaft ohnehin wichtig. Urteile werden immer sofort gefällt und wenn es gut geht, wird hinterher darüber nachgedacht. Mir ist es wichtig, dass man lernt, sich ein Phänomen erst einmal anzuschauen und dann auf den unterschiedlichsten Wegen zu einem Urteil zu kommen. Da kann man klassen- und themenübergreifend sehr viel machen. Alles ist immer zerstückelt. In Kunstgeschichte macht man Geschichte der Kunst, in Musik Geschichte der Musik, in Deutsch Geschichte der Literatur... Die Schüler erleben es nicht als etwas Zusammengehöriges. Ich möchte viel mehr übergreifende Erlebensmöglichkeiten finden, die alle Sinne einschließen, damit möglichst viele Schüler ein Bewusstsein davon entwickeln, wie die Dinge im Zusammenhang stehen.

SB | Welche Folgen hatte die Auszeichnung zum besten Lehrer?

RK | Ich erfahre seither viel Aufmerksamkeit. Die Schule und die Schüler sind stolz, dass sie einen Lehrer haben, der eine solche Auszeichnung gewonnen hat. Da wir eine kleine Schule am Stadtrand Berlins sind und auch um genügend Schüler kämpfen müssen, ist es natürlich auch eine gute Werbung für die Schule.

SB | Würden Sie wieder Waldorflehrer werden?

RK | Ja. Ich mag die Freiheit, dass man sich überlegen kann, was für die Klasse richtig ist und aus diesem Impuls entscheiden kann. Es birgt aber die Gefahr, dass man als Lehrer keine Grenzen zieht und sich verbraucht. Da muss man lernen, aufzupassen.

SB | Sind Waldorflehrer tendenziell Workaholics?

RK | Die guten schon.

SB | Sind Sie einer?

RK | Eigentlich arbeitet man immer. Selbst wenn ich sozusagen privat lese. Von daher lässt sich da wirklich schwer ein Trennstrich ziehen. Ich leiste mir den Luxus, nur drei Viertel zu arbeiten. Dadurch habe ich Reserve und kann den Unterricht gut vorbereiten. Wenn man hundert Prozent arbeitet, kommt man schnell in eine Situation, wo man allem hinterher rennt.

SB | Eigentlich wundert es mich, dass Sie unter den Preisträgern der einzige Waldorflehrer sind.

RK | Ich bin mir nicht sicher, ob ich nicht überhaupt der einzige Waldorflehrer bin, der jemals diesen Preis bekommen hat. Es gibt zwei Kategorien dieses Preises: es nominieren Schüler Lehrer oder Lehrer oder Schulen reichen fachübergreifende Projekte ein. Auch da waren keine Waldorfschulen dabei, obwohl sie sich im Grunde anbieten. Ich träume seit Jahren davon, einmal eine Goethe-Epoche mit einem Naturwissenschaftler gemeinsam zu gestalten oder eine Politik-Epoche mit einem Eurythmisten. So etwas hätte dann bestimmt eine Chance.

Die Fragen stellte Susanne Becker.

Link: www.lehrerpreis.de’

Geen opmerkingen:

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Volgen op Facebook


Translate

Volgers

Herkomst actuele bezoeker(s)

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code

Gezamenlijke antroposofische agenda (in samenwerking met AntroVista)