Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht hilde steenbergen. Sorteren op datum Alle posts tonen
Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht hilde steenbergen. Sorteren op datum Alle posts tonen

vrijdag 27 februari 2009

Perceptie

Wat we hier zien – geloof het of niet – staat op de gevel vermeld: Hogeschool Rotterdam. Het gebouw ligt rechts van The Red Apple, dat we op de foto bij het eerste bericht van vandaag zagen. We kijken op het nieuwe gedeelte aan de Wijnhaven, dat ontworpen is door dezelfde architect, Kees Christiaanse. Het is gebouwd aan het oude gedeelte, dat rechts nog is te zien. En dat heeft een hele geschiedenis. Mijn Architectuurgids schrijft:
‘Tussen 1930 en 1934 werden enkele bestaande panden aan de Zuidblaak verbouwd tot een kantoorgebouw voor de firma R. Mees & Zoonen, die hier al sinds 1745 was gevestigd. Er werd een nieuwe bakstenen gevel gemaakt met zandstenen consoles en lateien, die vanwege de aanpassing aan de bestaande bebouwing een onregelmatige indeling kreeg. (...) Het gebouw werd tijdens het bombardement beschadigd maar kon worden hersteld. In 1982 werd het gebouw in gebruik genomen door de Academie van Beeldende Kunsten.’
NRC Handelsblad houdt een traditie in ere. Op de verjaardag van Rudolf Steiner (hij werd vandaag 148 jaar geleden geboren) een artikel over het vrijeschoolonderwijs prominent op de voorpagina. Daarin schrijft onderwijsredacteur Japke-D. Bouma:

‘De Vrije scholen (in Nederland in totaal 20.000 leerlingen in het basisonderwijs en 7.000 in het voortgezet onderwijs) zijn gebaseerd op het antroposofische gedachtengoed van Rudolf Steiner. Ze geven relatief meer aandacht [dan andere scholen, MG] aan de creatieve en maatschappelijke ontwikkeling van kinderen met onder andere toneel, muziek en algemene vorming. De scholen scoren (...) hoger op een aantal niet-cognitieve aspecten.

Dit stelt onderwijskundige Hilde Steenbergen. Ze promoveert op 12 maart op het onderwerp aan de Rijksuniversiteit Groningen. Haar onderzoek is het eerste naar de effectiviteit van Vrije scholen.’

Verdere onderzoeksresultaten die in het artikel weergegeven worden, nog steeds in vergelijking met andere scholen:

‘Vrije schoolleerlingen zijn over het algemeen (...) milder, meer geneigd anderen te helpen, en ze zijn autonomer. Ze zijn ook gemotiveerder om te leren, kunnen beter plannen, en hebben een betere relatie met hun docent. Verder zijn ze er meer van overtuigd dat ze het goed doen op school, dan leerlingen in het reguliere onderwijs.’

Jeetje, wat een erkenning voor vrijescholen, zou je denken. Mooi toch? Maar zo is het natuurlijk niet. Ik heb heel selectief geciteerd. De kop boven het artikel luidt niet voor niets: ‘Op Vrije scholen scoort kind laag’. De boodschap van het artikel is navenant een heel andere:

‘Leerlingen op Vrije scholen in het voortgezet onderwijs scoren “fors” lager op wiskunde, Nederlands en probleemoplossend vermogen dan leerlingen op andere “witte” scholen. Deze achterstand halen ze niet meer in. (...)

Volgens Steenbergen presteren kinderen op Vrije scholen in het voortgezet onderwijs slechter op cognitieve vakken doordat ze veelal hun vooropleiding hebben genoten op Vrije scholen in het basisonderwijs. En daar hebben ze cognitieve vakken minder goed geleerd, zegt Steenbergen. De cognitieve achterstand lopen de leerlingen vervolgens niet meer in, zegt zij. (...) ze zijn (...) onzekerder en emotioneel minder stabiel.’

Hier staat een aantal dingen tegenover:

‘De Vrije scholen scoren volgens Steenbergen wel significant beter op een aantal niet-cognitieve aspecten. “Maar een aantal zaken die staan voor de ‘eigenheid’ van Vrije scholen, zoals bijvoorbeeld de ontwikkeling van ‘creativiteit’ heb ik niet gemeten.”’

Dit hele artikel is ook op de website van NRC Handelsblad te vinden. Op de homepage wordt het al aangekondigd:

‘Op Vrije scholen scoort kind laag. Dit stelt onderwijskundige Hilde Steenbergen. Haar onderzoek is het eerste naar de effectiviteit van Vrije scholen.’

In het artikel worden aan dit exposé van de bevindingen van de onderzoekster enkele feiten toegevoegd, die op deze weblog al eerder uitgebreid aan de orde zijn geweest:

‘De Inspectie van het Onderwijs stelde in september 2007 dat Vrije scholen in het basisonderwijs gereorganiseerd moesten worden, omdat ze niet voldoende konden verantwoorden wat ze hun leerlingen leerden. Steenbergen toont nu voor het eerst aan dat de opbrengsten aan het einde van de Vrije basisschool ook lager zíjn.

Van de veertig “zeer zwakke basisscholen” op de lijst van de inspectie in 2004 waren er 14 een Vrije school. De Inspectie vond toen dat de Vrije scholen hun leerlingen sneller moesten leren rekenen en schrijven. Ze moesten de kinderen ook meer gaan toetsen. Dit staat haaks op het gedachtengoed van Steiner (1861-1925).

De Vereniging van Vrije scholen is van te voren in kennis gesteld van de inhoud van het proefschrift, zo zegt een woordvoerder in een reactie. De vereniging kan zich niet vinden in de uitspraak dat er een “fors verschil” is in cognitieve vakken, maar vindt het een “opmerkelijk verschil”, zegt een woordvoerder. Het proefschrift is “goed onderbouwd”, vindt de vereniging. “We zien dit als een positieve bijdrage voor verbeteringen en aanpassingen in de komende jaren.”’

Dat lijkt me de enig juiste reactie. Tenslotte is de vereniging druk bezig de kwaliteit van haar basisonderwijs over de hele linie te verhogen. Eergisteren heb ik mijn telling van het huidige aantal zweer zwakke scholen nog moeten bijstellen, in ‘Optellen’. Ik kwam toen tot vijf. Maar ook dat getal klopt niet, blijkt nu. Welke heb ik dan nu nog over het hoofd gezien?

‘In 2006 heeft de Vereniging een “taskforce Zwakke Scholen” ingesteld die een verbeterplan uitvoert. Van de destijds zeventien zeer zwakke scholen resteren er nog zes, zegt de vereniging.’

Onderaan het artikel wordt aangegeven dat er vandaag in de krant op pagina 3 een interview staat met onderzoekster Hilde Steenbergen. Dat is niet op de openbare website te vinden. Wél op de website, maar niet in de papieren krant, een link naar het proefschrift ‘Onderzoek: Vrije en reguliere scholen vergeleken, ter verkrijging van het doctoraat in de Gedrags- en Maatschappijwetenschappen aan de Rijksuniversiteit Groningen’.

Als je alleen al het interview in de krant van vandaag leest, merk je welke toon er door NRC Handelsblad wordt gezet. Het cognitieve wordt als het allerbelangrijkste gezien. Hilde Steenbergen uit zich genuanceerd, waarbij goede en minder goede (of slechte, zo u wilt) punten op faire wijze tegen elkaar worden afgewogen.

De voorlaatste vraag luidt:

‘U raadt ouders af naar een Vrije school te gaan?
“Zeker niet! Het ligt er maar aan wat ouders belangrijk vinden voor hun kinderen. Als ze cognitieve vakken belangrijk vinden, is een Vrije school geen goede keuze. Als ze het belangrijk vinden dat hun kind ‘zichzelf ’ kan zijn op school, dat het zich breed ontwikkelt en dat het een positieve houding ten opzichte van leren ontwikkelt, is een Vrije school wel goed.”

Zou u zelf uw kinderen naar een Vrije school laten gaan?
„Voor twee van mijn kinderen zou een Vrije school voor voortgezet onderwijs best kunnen. Een Vrije basisschool zou ik nooit overwegen. Ik vind dat de basisvaardigheden gewoon goed moet zijn.”’

(U begrijpt wel, ik heb het verkeerde gebruik van het Nederlands in de laatste zin natuurlijk expres laten staan.)

maandag 2 maart 2009

Nuance

Nu gaan we onder het witte kantoorgebouw Willemswerf door dat al op 19 februari te zien was. Het is ontworpen door W.G. Quist en stamt uit de jaren 1983-1989. Mijn Architectuurgids van Groenendijk en Vollaard schrijft:
‘Op een onmogelijk stuk stedenbouwkundige restruimte is op vijf parkeerlagen een kantoorgebouw van zestien lagen gebouwd. Op de onderbouw met een vrijstaande dubbele schroefvormige parkeeroprit is een rechthoekige schijf geplaatst met betegelde betonplaten en een wigvormige vliesgevel. De stabiliteit wordt verzekerd door twee L-vormige betonschijven in de achtergevel waarin liften en trappen zijn opgenomen. De rijweg aan de achterzijde loopt onder het gebouw door.’
In het gratis dagblad De Pers van vandaag ijlt het onderzoek van Hilde Steenbergen na, waarover NRC Handelsblad vrijdag berichtte, zoals ik die dag beschreef op deze weblog. In het artikel ‘Onderzoek: leerlingen vrije school rekenen slechter’ staat weinig nieuws dat wij intussen niet al wisten. Het staat er wel veel vriendelijker dan in NRC Handelsblad; dat wil zeggen dan op de voorpagina van de vrijdagkrant, want het interview op pagina 3 nuanceerde de zaak behoorlijk. Zo stond op de voorpagina bijvoorbeeld:

‘Leerlingen op Vrije scholen in het voortgezet onderwijs scoren “fors” lager op wiskunde, Nederlands en probleemoplossend vermogen dan leerlingen op andere “witte” scholen. Deze achterstand halen ze niet meer in.’

De Pers schrijft echter:

‘De rekenachterstand die de leerlingen op vrije scholen oplopen in het basisonderwijs, halen ze op de middelbare school vaak niet meer in. Na drie jaar voortgezet onderwijs scoren vrije scholen nog steeds lager op wiskunde en ook op Nederlands.’

En dat is toch wel veel minder stellig. Maar het is geen wonder als je het persbericht leest dat de Rijksuniversiteit Groningen vrijdag over het proefschrift van Hilde Steenbergen naar buiten bracht. Daarin staat deze formulering die NRC Handelsblad gebruikte.

‘Traditioneel zijn Vrije scholen gericht op een brede ontwikkeling van kinderen. Cognitieve ontwikkeling is op deze scholen gelijkwaardig aan de kunstzinnige en sociaal-emotionele ontwikkeling. Dit uitgangspunt maakte een vergelijking met het reguliere onderwijs tot een aantal jaar geleden nauwelijks mogelijk: de inhoud van beide onderwijsvormen verschilde teveel van elkaar. In 2000 werden de Vrije scholen opgenomen in het reguliere onderwijsbestel, waarbij zij de kerndoelen van de basisvorming onderschreven. Steenbergen: “Dankzij deze gemeenschappelijk basis is een vergelijking nu wel mogelijk.”

Belangrijke verschillen tussen beide schooltypen zijn te vinden op cognitief niveau. Na drie jaar voortgezet onderwijs scoren Vrije scholen lager op Nederlands en wiskunde. Voor wiskunde geldt dat Vrije schoolleerlingen vaak al binnenkomen op het voortgezet onderwijs met fors lagere scores. De achterstand die ze hebben opgelopen op het Vrije school basisonderwijs halen ze in het voortgezet onderwijs niet meer in.’

Interessant is verder de houding van de leerlingen ten opzichte van het leren zelf. ‘Een leven lang leren’ wordt dat ook wel genoemd. Nou, dat klopt wel:

‘Opvallend is dat het academisch zelfbeeld van Vrije schoolleerlingen hoger ligt dan dat van leerlingen in het reguliere onderwijs. En dat terwijl de prestaties over het algemeen dus lager liggen. “Dat kan het gevolg zijn van zelfoverschatting, maar ook van minder faalangst”, meent Steenbergen. “Bijvoorbeeld omdat Vrije scholen niet alleen de cognitieve capaciteiten van leerlingen benadrukken. Daarbij is hun houding ten opzichte van leren duidelijk positiever dan die van leerlingen in het reguliere onderwijs. Daar zie je dat de motivatie om te leren tussen het eerste en het derde jaar echt veel sterker daalt.”’

Om alle nuances en voorbehouden van het onderzoek te leren kennen, zou je natuurlijk het proefschrift goed moeten lezen. Maar dat gaat niet zo makkelijk als een kort artikel in de krant. Nu is er een tussenvorm beschikbaar, en dat is het ‘[PO / VO] Dossier’ in het nieuwste nummer van Didaktief (nr. 2 van maart 2009), weliswaar met de titel ‘Vrije school presteert slecht’. Dit neemt niet weg dat hier vrijwel al die nuances aan bod komen. In het openingsartikel met deze titel bevestigt redacteur Monique Marreveld het commentaar dat Nico van der Wel uit Alkmaar vandaag gaf op mijn bericht van vrijdag, namelijk dat het onderzoek ‘is uitgevoerd van 1999 tot 2003, dus actueel is anders’. Zij schrijft over Hilde Steenbergen:

‘Ze heeft data uit het VOCL ’99-onderzoek – onderzoek naar prestaties van leerlingen in de basisvorming van het regulier voortgezet onderwijs cohort 1999 – gecombineerd met eenzelfde soort gegevens die zij drie jaar lang verzamelde op alle dertien vrije vo-scholen (vmbo, havo, vwo) in Nederland. Vrijescholen hanteren sinds 2000 – zeven jaar later dan de andere Nederlandse scholen – de kerndoelen van de basisvorming.’

Ook hier komt het thema ‘leren’ ter sprake:

‘Je zou kunnen zeggen dat vrijescholen niet genoeg voldoen aan datgene waar ze voor gefinancierd worden. Maar, nuanceert de onderzoekster onmiddellijk, ze “leveren” daarnaast een aantal extra dingen. “Alle leerlingen gaan in de loop van de tijd harder werken en zijn meer gemotiveerd om te leren. Ze scoren beter dan leeftijdgenoten in het reguliere onderwijs op de zogenoemde integratieve leerstrategie: ze gaan steeds harder werken, proberen verbanden te leggen in de stof, durven zichzelf vragen te stellen en verlenen betekenis aan de lesstof.” Op de lange termijn is dat een belangrijk resultaat dat kan leiden tot dieper leren.’

Op het einde van haar artikel vraagt Monique Marreveld hoe de onderzoekster oorspronkelijk ten opzichte van de vrijeschool stond:

‘Hilde Steenbergen wist weinig van vrijeschoolonderwijs, voor ze aan haar promotieonderzoek begon. “Vage vogels die veel doen aan creatieve vakken, dat was het wel zo´n beetje.” Inmiddels weet ze beter. “Ik heb een dag meegedraaid op een vrije middelbare school en als je dan binnenkomt, voel je wel: hier zit het goed. Maar aan de andere kant valt er aan de kwaliteit van onderdelen van dat onderwijs wel veel te verbeteren, zo blijkt uit mijn cijfers. Ik hoop vooral dat de vrijescholen zich eens achter de oren krabben en iets doen aan het rekenonderwijs in de onderbouw. Want daar is echt iets mis.”

Dan zal er wel meer getoetst moeten worden, om de vinger aan de pols te houden. Steenbergen: “Ik zie in dit onderzoek dat vrijeschoolleerlingen gewoon niet goed zijn in toetsen maken. Ze hebben veel meer tijd nodig om tot ze te laten doordringen wat er van ze gevraagd wordt, ze zijn minder ervaren. Dat moet beter. Je kunt wel zeggen: ik houd niet van toetsen, maar in het hoger onderwijs worden studenten ook voortdurend getentamineerd. Dat moeten ze leren om verder te kunnen.”’

In het Dossier van Didaktiek zijn nog meer artikelen opgenomen. Eentje, ‘Vrijeschool-ABC’, geeft werkelijk een mooi, maar ook goed beeld van wat vrijescholen zijn en doen. Het is heel verleidelijk om dat hier integraal over te nemen. Maar er is ook een ander verhaal, ‘Turbulentie onderweg’, dat antwoord geeft op de vraag hoe het er in de vrijeschoolbeweging momenteel voor staat. Ik was daar al langer naar op zoek, en vond een eerste beantwoording op 10 februari, waarover ik schreef in een bijdrage die dan ook meteen de titel ‘Antwoord’ kreeg. Wie de auteur van dit artikel in Didaktief is, staat er niet bij, maar ik moet aannemen dat het Monique Marreveld is, aangezien zij alle andere bijdragen wel ondertekend heeft. Het geeft een behoorlijk goed inzicht in de toestand bij de vrijescholen, dat ik het graag in zijn geheel hier weergeef (dat leest ook iets makkelijker dan zo’n pdf-document op het scherm, met een doorloop over vier pagina’s). En opvallend: hier wordt het totaal aantal zeer zwakke scholen per 1 februari op vijf gesteld, en niet op zes zoals vrijdag in NRC Handelsblad nog te lezen was:

‘In 2006 heeft de Vereniging een “taskforce Zwakke Scholen” ingesteld die een verbeterplan uitvoert. Van de destijds zeventien zeer zwakke scholen resteren er nog zes, zegt de vereniging.’
Kan de Vereniging van vrijescholen daar niet eens duidelijk in zijn en met één mond spreken? Zo blijft het verwarrend. Maar dan nu het artikel ‘Turbulentie onderweg’:

‘De Vereniging van vrijescholen werkt hard aan verbetering van de onderwijskwaliteit. Maar niet alle leden zijn het er mee eens. Sommigen vrezen een scheuring: de eigenheid en vrijheid van inrichting staan ter discussie. Onzin, zegt de inspectie, verbetering is mogelijk binnen het vrije schoolconcept.

Hans Boekhout stond de afgelopen jaren midden in de storm die over het vrijeschool onderwijs heen raasde. De directeur van de begeleidingsdienst voor vrijescholen in Zeist formuleert zijn woorden voorzichtig als ik vraag of de oordelen van de inspectie hem verbaasden. “We hadden wel een Ahnung (vermoeden, red.) van de problemen. Maar dat het zo erg was, wisten we niet.” Onmiddellijk nuanceert hij: “Het beeld was redelijk dramatisch, maar dat had ook te maken met het feit dat ons onderwijs opeens strenger werd beoordeeld.”

De Tweede Kamer was bezorgd over het Nederlandse onderwijs en verscherpte daarom het toezicht in 2002 met de wet op het onderwijstoezicht. De nadruk kwam meer te liggen op rendement en landelijk genormeerde opbrengsten die scholen vergelijkbaar maakten. “Die systematiek was in ons nadeel, want vrijescholen werken veelal niet met methoden of met landelijk genormeerde toetsen.”

Waardering

Maria Duif, bestuurslid van de Vereniging van vrijescholen van 1993 tot 2003 en verantwoordelijk voor inspectiezaken, bevestigt dit beeld. “In mijn tijd hebben we inspecteurs zich laten verdiepen in de vrijeschool, zodat ze rekening konden houden met onze vorm van onderwijs.” Uit gesprekken met Boekhout, Duif en andere leden van de Vereniging ontstaat een beeld van inspecteurs die de inspanningen van vrijescholen wel waardeerden. Zij “moesten” echter met het nieuwe toezichtkader na 2002 “onvoldoendes uitdelen”.

“We dachten eerst, we mogen niets meer”, zegt Duif. “Maar nu zien we wel in dat we beter zichtbaar moeten maken wat we (goed) doen.” Wat Duif betreft, zelf schoolleider in Den Bosch, ligt de uitdaging vooral in het onderbouwen van de keuzes van een vrijeschool: “Het gaat om de vertaalslag van de vrijeschool naar de criteria van de overheid. Tussen- en eindopbrengsten op taal en rekenen moeten voldoende en zichtbaar zijn.”

De suggestie lijkt te zijn dat de voornaamste bottleneck bij de inspectiebezoeken het ontbreken van eindopbrengsten op papier is. Die suggestie verwerpt Leon Henkens, hoofdinspecteur primair onderwijs: “Een school wordt als zeer zwak beoordeeld als er onvoldoende (of onzichtbare want niet geadministreerde) eindopbrengsten zijn èn als het onderwijsleerproces onvoldoende scoort. Bij zeer zwakke scholen was het aanbod ver onder de maat, de kwaliteit van de leraren onvoldoende en was er geen taakgerichte werksfeer. De kwaliteit van de aansturing was slecht of ontbrak. De Vereniging heeft vervolgens stevige initiatieven ontplooid, met name binnen de taskforce zeer zwakke scholen. Maar we zien dat het verbetertraject op sommige scholen of in delen van teams moeilijkheden oplevert. Er leven bijvoorbeeld verschillende opvattingen over wat goed onderwijs is of verschillende verwachtingen over de resultaten. Als zo’n richtingenstrijd in een team niet wordt beslecht, is dat slecht voor het verbetertraject.”

De inspectie brandt zijn handen niet aan dergelijke interne aangelegenheden. Henkens: “Het is aan het bevoegd gezag met deze problemen om te gaan. Wij zijn er niet om scholen te helpen. Wij kunnen niet sturen.”

Onderwijsvernieuwers

Eén argument keert regelmatig in gesprekken met leden van de Vereniging terug. Het huidige toezichtkader van de inspectie zou de vrijheid van inrichting in de weg staan. Dat schrijft ook Ad Boes van Netwerk SOVO (Samenwerkingsverband van Organisaties voor Onderwijsvernieuwing waarin Dalton, Freinet, IVO, Jenaplan, Montessori, en vrije scholen samenwerken) in de brochure “Elke school is er één”.

Inspecteur Henkens laat het zich niet aanleunen. “Twee dingen: in de wet op het basisonderwijs staat dat je de vorderingen van leerlingen moet bijhouden. Er kan alleen discussie zijn over de manier waarop.” Een inspecteur die vraagt naar een leerlingvolgsysteem en van een leerkracht hoort “ik draag het in mijn hart”, mag ontroerd zijn, maar moet toch een onvoldoende invullen. Henkens: “Ik bestrijd niet dat elke leerling uniek is, maar er kan sprake zijn van onderprestatie in een leerlingpopulatie. Dan moet je als school uitleggen waarom dat zo is.” De argumenten, daar gaat het Henkens om. “Kleuterverlenging speelt vaak in vrijescholen. Uit onderzoek blijkt dat het niet per se effectief is, dus een school moet uitleggen waarom ze dat doet en laten zien wat het resultaat is.” En als een vrijeschool spreekt van een onvoldoende ontwikkeling van het “etherlichaam”? “We wijzen dat niet af, àls het is vastgelegd in het schoolbeleid, beargumenteerd wordt voor die ene kleuter en minimaal een keer objectief getoetst is.”

Gert Hilbolling is voorzitter van de taskforce zwakke vrijescholen: “Doel was alle scholen inspectieproof te maken. Dat betekent dat tussen- en eindopbrengsten voldoende meetbaar zijn. Dat lijkt aardig te lukken. Van de circa 30 (2006) die zwak waren, staan er nu nog maar twaalf op de lijst, van de vijftien (2006) die zeer zwak waren, nog maar vijf per 1 februari 2009.”

Het onderzoek van de inspectie heeft veel losgemaakt, zegt hij: “We zijn al honderd jaar een vernieuwingsschool en dan moet je blijven vernieuwen. Hoe geef je antwoord op het kind van nu? Via de school aan een betere wereld werken, dat is onze grote ideaal. Maar wel op onze manier. Van oudsher zeggen wij: een goede leerkracht heeft zijn kinderen in de gaten, die hoeft niet voortdurend te toetsen. Maar nu de kwaliteit zo ter discussie staat, moet ook de Vereniging daar anders mee omgaan.” Om dat te doen is bijvoorbeeld de zogenoemde quartz monitor ontwikkeld.

Scheuring

Annemiek Zwart was nauw betrokken bij de ontwikkeling van de leerlingmonitor. “De inspectie hanteert een normenkader dat nooit aansluit bij wat wij doen. Bij ons staat het proces en de kwaliteit van het leren centraal en niet alleen de opbrengst. Maar we wíllen van die lijst zwakke scholen af. Met de monitor kunnen we de inspectie laten zien hoe kinderen bij ons leren, dát ze leren. Het is een manier van registratie (met toetsen, portfolio, verslagen) die tien jaar geleden not done was.”

De monitor is een concessie die kan leiden tot een scheuring in de Vereniging vrezen sommigen. Maria Duif: “Als Vereniging werken we aan een accreditatie van vrijescholen en daar wordt dit een punt. Er is een groep die bang is dat het wezenlijke van de vrijeschool te veel verdund wordt. Die angst kunnen we niet wegnemen. Vooral de oudere garde heeft het moeilijk, maar de ledenvergadering moet beslissen.” Ze heeft haar hoop gevestigd op drie grotere fusiebesturen die samen de helft van het totaal aantal scholen tellen. Maar de eenpitters kunnen roet in het eten gooien.

Hilbolling is er zelf nog niet uit: “Als de overheid terugvalt op kennisoverdracht, kunnen we op gespannen voet met diezelfde overheid komen te staan.” Voorlopig blijft de taskforce gehandhaafd, ook als de laatste (zeer) zwakke vrijeschool van de inspectielijst is verdwenen.

Het kabinet heeft inmiddels een wetsvoorstel ingediend “goed onderwijs, goed bestuur” waarmee het de bekostiging van een school kan beëindigen wanneer er sprake is van aanhoudend slecht onderwijs. De inspectie ziet het wetsvoorstel als een effectieve aanvulling op haar instrumenten. Momenteel is het bijna onmogelijk om slecht presterende en “onwillige” scholen effectief aan te pakken.’

vrijdag 6 maart 2009

Levenslang

We zijn nu onder het kantoorgebouw Willemswerf door gelopen en op de Boompjes uitgekomen. De Boompjes is een wandelpromenade, of wat daar voor doorgaat, want het is helemaal geen prettige plek om te wandelen. Het is namelijk heel winderig aan deze kant van de weg, die een voortzetting vormt van de Maasboulevard. En die loopt inderdaad langs de Maas, zodat we na het voorgaande uitstapje nu weer terugkomen bij de rivier.

Vorige week vrijdag kwam het proefschrift van Hilde Steenbergen in het nieuws, die de resultaten van het vrijeschoolonderwijs had onderzocht. Ik berichtte daar al twee keer over, meteen op die bewuste vrijdag (in ‘Perceptie’) en op maandag nogmaals (in ‘Nuance’). Inmiddels zijn er ook verschillende reacties op gekomen vanuit de hoek van de vrijeschool zelf en die wil ik u niet onthouden. Eergisteren plaatste de Vereniging van vrijescholen – nadat eerst al een link was geplaatst naar een download van het proefschrift (trouwens via NRC Handelsblad) – een reactie van Gijs van Lennep, de rector van de Stichtse Vrije School, samen met Leo Stronks, de voorzitter van de Vereniging van vrijescholen. Het is de tekst van een ingezonden brief voor NRC Handelsblad (naar mijn weten nog niet geplaatst, maar dat kan natuurlijk nog gebeuren), met de titel ‘Vrijeschoolleerling leert levenslang’:

‘Een artikel over “laag scorende” vrije schoolleerlingen (27-02-09) scoort kennelijk goed voor een plaats op de voorpagina. De slotconclusie van het proefschrift waar het artikel over gaat verwoordt een en ander toch anders: “Op reguliere scholen worden leerlingen uitgerust met kennis, vaardigheden en inzichten ter voorbereiding op de maatschappij.” De vrije schoolleerling “wordt uitgerust met vaardigheden en attitudes die nodig zijn voor een continue ontwikkeling in de maatschappij”. “De vrijeschoolleerling krijgt wat minder kennis mee” en de “reguliere” leerling “vergaat na verloop van tijd de lust tot leren enigszins”.

Voor deze nuance hoefde niet ver gezocht te worden. De indruk wordt nu gewekt, dat de krant de nuance bewust vermijdt.

Los van de redactionele weergave van het proefschrift, is het een waardevol onderzoek, maar wel slechts een begin. Het laatste meetpunt ligt halverwege het voortgezet onderwijs. Het vrijeschoolonderwijs kent een 12-jarig internationaal curriculum met een eigen opbouw van leer- en ontwikkelingslijnen. Het zou wenselijk zijn om in een vervolgonderzoek niet alleen drie (min of meer toevallig in kaart gebrachte) leerjaren te onderzoeken, maar de gehele schoolloopbaan onder de loep te nemen. Onze ervaring van de afgelopen jaren is dat dankzij de opbouw van ons curriculum, uiteindelijk ook op de onderzochte cognitieve leergebieden geen sprake is van een significant verschil. Het continue leerproces van de vrije scholier past daar wonderwel bij. Het is uiteindelijk maar waar je voor kiest: op een vroeger moment vergankelijke (en later ook eenvoudig verkrijgbare) kennis of het levenslang willen leren.’

Een dag eerder, op 3 maart, reageerde Berry Idema uit Bergen N-H op de website van AntroVista op het proefschrift. Hij plaatste kanttekeningen zowel bij de presentatie ervan in NRC Handelsblad door Japke-D. Bouma als bij de inhoud van het proefschrift. Hij liet merken het onderzoek van Hilde Steenbergen nauwkeurig gelezen te hebben, want:

‘Nadere beschouwing leert dat op deze stukken en op het proefschrift het nodige is aan te merken; enkele van die kritiekpunten volgen hierna.

In de stukken in de krant vermeldt Bouma niet dat het proefschrift over slechts 3 leerjaren gaat. Dit wreekt zich m.n. in de kop van het interview, die wordt gepresenteerd als citaat en ten onrechte als geldend voor het volledige Vrije School-curriculum gelezen kan worden. Steenbergen meldt dat ze geen onderzoek heeft gedaan naar eventueel inlopen van de achterstand in latere leerjaren, maar dat belet haar niet te suggereren dat dat wel niet zal lukken. Die suggestie is nergens op gebaseerd maar krijgt door de context van een proefschrift ten onrechte gewicht.

Steenbergen onderzoekt in haar proefschrift de “effectiviteit” van Vrije Scholen en regulier onderwijs. Essentieel is dan wat zij hieronder verstaat. Op pag. 55 van haar proefschrift schrijft ze: “...een belangrijk kenmerk van effectieve scholen is (...) de nadruk op (cognitieve) basisvaardigheden en het maximaliseren van leertijd. Beide aspecten zijn op Vrije Scholen niet sterk vertegenwoordigd. (...) Op grond hiervan mag verwacht worden dat (...) de gemiddelde toegevoegde waarde van de Vrije Scholen voor de cognitieve opbrengsten lager zijn dan die van de reguliere scholen.”

Door de keuze van deze maatstaf heeft ze in feite, nog zonder iets onderzocht te hebben, bepaald dat Vrije Scholen zwakker zullen presteren dan regulier onderwijs. Daarom kunnen zeer grote vraagtekens gezet worden bij de uitkomsten van haar onderzoek.

In het proefschrift beschrijft Steenbergen de inpassing van de Vrije Scholen in het reguliere onderwijsbestel (pag. 16 e.v.). Eind 1997 werd hierover een akkoord met de overheid gesloten en in 1998 werd de nieuwe Wet op primair onderwijs van kracht, waarin de 7e klas niet meer als primair onderwijs werd bekostigd. Gevolg was dat van toen af de lesstof van 7 leerjaren primair onderwijs (na de kleuterschool) in 6 jaren moest worden verwerkt.

Dat betekende een forse ombouw van het curriculum voor alle klassen maar uiteraard het meeste voor de hoogste klassen – een beginnende 5e klas zou normaal nog 3 leerjaren primair onderwijs hebben gehad, maar vanaf 1998 waren dat opeens nog maar 2, zodat een enorme hoeveelheid extra stof moest worden verwerkt, een nauwelijks te realiseren operatie.

Juist deze klassen heeft Steenbergen voor haar onderzoek bekeken, kennelijk zonder zich te realiseren dat dit een uitzonderingssituatie met negatieve gevolgen voor de testresultaten betrof, die dus niet representatief was en niet kon leiden tot algemener geldende conclusies. Dat ze dit negeert is een fundamentele fout, die haar werk volledig ondergraaft.

Op reguliere scholen blijven zwakker presterende kinderen zitten, wat op Vrije Scholen niet gebeurt. Dit heeft invloed op de testresultaten, zoals te lezen valt uit de IQ-cijfers in tabel 4.4 (pag. 64), maar Steenbergen negeert dit. Op pag. 106 en 138 schrijft ze dat de leerlingen die vanuit regulier primair onderwijs naar voortgezet onderwijs Vrije School komen op cognitieve vakken relatief laag scoren, maar op pag. 142 meent ze dat die groep zeer klein is en geen verklaring kan zijn voor de slechte prestaties van Vrije Scholen. Echter: deze zwakke groep vormt 21% van klas 7 (pag. 62), is dus verre van “zeer klein” en had daarom niet genegeerd mogen worden.

Gelukkig vond Steenbergen in haar onderzoek ook heel wat positieve punten bij Vrije Scholen; belangrijk daarbij is dat ze constateert dat Vrije Scholen aan hun doelstellingen voldoen; m.i. zou je ze op die grond heel goed effectief kunnen noemen, maar dat woord was helaas dus al voor iets heel anders gereserveerd. Gehoopt mag worden dat die positieve waarden bij een gedegener onderzoek wel overeind zullen blijven.’

Vandaag nog vond Hugo Verbrugh het tijd worden om ook op zijn weblog aandacht aan deze kwestie te besteden. Hij heeft vooral kritiek op NRC Handelsblad, en met recht van spreken, want hij zelf heeft vroeger voor deze krant geschreven. Zo gauw het antroposofie betreft, wordt de berichtgeving automatisch negatief, constateert Verbrugh. Zo ook met dit onderwerp:

‘Het is typisch de NRC H’blad. Het antroposofische gedachtengoed van Rudolf Steiner kàn daar niets goed doen.’

Daarom brengt hij zelf maar de positieve aspecten van het nieuws:

‘Het bericht verwijst naar een onderzoek waarop onderwijskundige Hilde Steenbergen 12 maart promoveert aan de Rijksuniversiteit Groningen. Op blz. 3 is de promovenda zelf aan het woord. Wat zij daar zelf zegt, komt een stuk dichter bij wat de NRC vroeger als reclameleus hanteerde: “onmisbaar voor wie de nuance zoekt”.
Nog meer nuance vinden we in het proefschrift zelf. Ik citeer: “De slotconclusie die uit dit proefschrift kan worden getrokken is dat ... de Vrije school de school is waar je leert leren en wilt blijven leren. ... Op reguliere scholen worden leerlingen uitgerust met kennis, vaardigheden en inzichten ter voorbereiding op de maatschappij, op Vrije scholen ...worden leerlingen uitgerust met vaardigheden en attituden die nodig zijn voor een continue ontwikkeling in de maatschappij. In het regulier onderwijs daarentegen vergaat leerlingen na verloop van tijd de lust in leren enigszins. Dit rechtvaardigt de conclusie dat reguliere scholen beter zijn voor de cognitieve opbrengsten en dat Vrije scholen voor een deel beter zijn voor de niet-cognitieve opbrengsten.”’

Kortom, we mogen constateren dat mensen uit de vrijeschoolbeweging, alsmede algemeen uit de antroposofische beweging, deze vorm van ‘vrije nieuwsgaring’ niet zomaar over zich heen laten gaan en daarbij gelukkig hun mondje weten te roeren. Nu moet het nog doordringen naar het brede publiek.

vrijdag 17 april 2009

Onweerlegbaar

De Vereniging van vrijescholen is haar leven sterk aan het beteren. In publicitair opzicht dan, bedoel ik. Mede dankzij de nieuwe weblog die nu steeds actiever wordt gebruikt. Zij hoeft dan niet zo passief en achteraf te reageren, maar kan pro-actief worden, zoals dat zo mooi heet. Dat is wel belangrijk, als moderne organisatie. Want hoe je het ook wendt of keert, om de Vereniging van vrijescholen kun je nu eenmaal niet heen, als je in Nederland met de vrijeschoolbeweging te maken hebt of te maken wilt krijgen.

Gisteren verscheen er een nieuw bericht op de weblog, ‘Ministerie van OCenW en onderwijsinspectie bezoeken vrijeschool de Driestroom’. Dat bezoek vond weliswaar een maand geleden plaats, maar niettemin. Het is goed dat het gemeld wordt:

‘Op dinsdag 17 maart heeft een delegatie van het ministerie van OCenW en de onderwijsinspectie Vrije School de Driestroom in Den Bosch bezocht. Er werd ruim de tijd genomen om kennis te maken met de school. Het gezelschap luisterde naar een concert op bamboefluiten van de klassen 5 en 6 – groepen 7 en 8, bezocht een kleuterklas en een expositie waar elke klas werk presenteerde.

Tijdens de expositie was er gelegenheid tot kennismaking met ouders, leden van de medezeggenschapsraad, en leden van de PR en jaarfeestcommissie. Ook konden er konden vragen gesteld worden aan leerlingen. Zo ontstond er een levendige uiteenzetting over onderwijs. (...)

Na het schoolbezoek stond het reguliere overleg met de taskforce Zwakke Scholen van de Vereniging van vrijescholen gepland. In het gesprek is de kwaliteitsagenda vrijescholen in een eerste opzet met ministerie en inspectie aan de orde geweest.

Namens ministerie en inspectie waren o.a. aanwezig de heer dr. R. Bagchus, directeur primair onderwijs van het ministerie van OCenW, de heer dr. L.S.J.M. Henkens, hoofdinspecteur Primair Onderwijs. Het bezoek vond plaats op uitnodiging van de Vereniging van vrijescholen. Eerst volgde een kennismaking met de vrijeschool de Driestroom.’

Waarom de Driestroom, kun je je afvragen. Waarschijnlijk ligt het antwoord in de directeur van de school, Maria Duif. De Driestroom is al een paar keer op deze weblog in beeld geweest, kort geleden nog, op 11 april in ‘Jaarfeest’, maar ook op 2 oktober 2008 in ‘Hommage’, ter gelegenheid van het dertigjarig bestaan van de school. Schooldirecteur Duif werd ook aan het woord gelaten in het tijdschrift Didaktief (nr. 2 van maart 2009), in een uitgebreid dossier met de titel ‘Vrije school presteert slecht’. Ik berichtte hierover op 2 maart in ‘Nuance’ en citeerde uit een van de artikelen in Didaktief, ‘Turbulentie onderweg’:

‘Maria Duif, bestuurslid van de Vereniging van vrijescholen van 1993 tot 2003 en verantwoordelijk voor inspectiezaken, bevestigt dit beeld. “In mijn tijd hebben we inspecteurs zich laten verdiepen in de vrijeschool, zodat ze rekening konden houden met onze vorm van onderwijs.” Uit gesprekken met Boekhout, Duif en andere leden van de Vereniging ontstaat een beeld van inspecteurs die de inspanningen van vrijescholen wel waardeerden. Zij “moesten” echter met het nieuwe toezichtkader na 2002 “onvoldoendes uitdelen”.’

Ik had het idee dat de Driestroom oorspronkelijk ook tot een van die zeer zwakke scholen behoorde die bij de Onderwijsinspectie op de lijst stonden van geïntensiveerd toezicht. Maar er is heel moeilijk achter die gegevens te komen. Dat blijft toch een schimmig gebied. Nu heb ik via-via de officiële lijst gevonden van drie jaar geleden, met een ‘Overzicht zeer zwakke basisscholen per 1 juni 2006’. Daarop stonden, inclusief inspectiecodes en datum van vaststelling van het rapport:

23FE Vrije School Texel Den Burg 20031203
08OY Vrije School De Kleine Johannes Deventer 20040712
03JS-2 Vrije School De IJssel, loc. De Zwaan Zutphen 20040724
08SE De Vrije School Ridderspoor Alphen ad Rijn 20040813
06PV Vrije School Michaël Leeuwarden 20040826
10IB Vrije School de Sterrenzanger Oudorp 20050711
05WB De Vrije School Den Haag 20050907
07CP Vrije School Bernard Lievegoed Maastricht 20051005
06YJ De Vrije School Zeeland Middelburg 20051018
06UF Vrije School De Zwaneridder Wageningen 20051103
06UT Vrije School Mareland Leiden 20051216
01WS Helderse Vrije School Merlijn Den Helder 20051218
07EX Vrije School A’foort Amersfoort 20060315

Scholen die bij het afsluitende Onderzoek naar de Kwaliteitsverbetering (OKV) hun kwaliteit voldoende verbeterd hebben:
22NL Vrije School Zuid Oost Limburg Heerlen 20060403

Dit totale aantal van veertien vrijescholen komt overeen met de veertien die werden genoemd in het artikel ‘Revolutie op de Vrije School’ van Japke-d. Bouma op 8 september 2007 in de wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad. Het grootste deel hiervan is inmiddels verleden tijd. Zo meldde ik nog op 25 februari in ‘Optellen’ dat ik mijn optelling moest herzien, want eerder memoreerde ik:

‘“dat er momenteel niet meer dan vier zeer zwakke vrijescholen (basisonderwijs) zijn: namelijk De Zwaneridder uit Wageningen, Mareland uit Leiden, vrijeschool Michael uit Emmen en basisschool Geert Groote 2 uit Amsterdam. Van de lijst afgevoerd vanwege voldoende verbetering zijn achtereenvolgens vrijeschool Zeeland uit Middelburg, de vrijeschool uit Amersfoort en zeer recent de Rudolf Steinerschool uit Roosendaal. Dus dat gaat goed.”

Nu blijk ik er een over het hoofd te hebben gezien. Dat is trouwens vanaf het begin. Al op het moment dat ik dit uitzocht, op 4 mei 2008 in ‘Zes zeer zwakke broeders’, maakte ik deze fout.’

Dat was de Tiliander in Tilburg. Nou ja, die voerde dan ook niet de term ‘vrijeschool’ in zijn naam. Maar het precieze aantal bleef toch een beetje schimmig. Twee dagen later moest ik namelijk in ‘Perceptie’ vaststellen, naar aanleiding van het proefschrift van Hilde Steenbergen en de reactie daarop vanuit de Vereniging van vrijescholen (geboekstaafd in Didaktief):

‘In 2006 heeft de Vereniging een “taskforce Zwakke Scholen” ingesteld die een verbeterplan uitvoert. Van de destijds zeventien zeer zwakke scholen resteren er nog zes, zegt de vereniging.’

Zeventien? Weer een ander aantal. Misschien dat de Driestroom hier inderdaad tussen heeft gezeten... Hoe dan ook, kijk ik nu op de website van de Inspectie naar de ‘Zeer zwakke scholen basisonderwijs per 1 april 2009’, dan blijken daar – als ik goed geteld heb – nog slechts drie vrijescholen op te staan:

De Vrije School Michael in Emmen, Basisschool Geert Groote 2 in Amsterdam en Vrije School Mareland in Leiden.

Dat wordt bevestigd doordat onderaan de lijst ook dit staat: ‘Basisscholen die bij het afsluitende Onderzoek naar de Kwaliteitsverbetering (OKV) hun kwaliteit voldoende verbeterd hebben per 1 april 2009’. Hier worden genoemd:

Rudolf Steinerschool in Roosendaal, Vrije School De Zwaneridder in Wageningen en De Tiliander in Tilburg.

Dus nu nog maar drie! Hulde! Het kan toch. Je zou verwachten dat dit door de Vereniging van vrijescholen wordt aangegrepen om de vlag buiten te hangen. Dat doet zij natuurlijk niet, want het is nog steeds geen reclame voor die drie die nog wel op de lijst van zeer zwak staan. Maar dat zal waarschijnlijk ook niet lang meer duren. Over Amsterdam en Leiden heb ik hier al verschillende keren bericht, daar wordt hard aan gewerkt. En dat zal in Emmen vast ook wel zo zijn.

De vraag is of het imago van de vrijescholen dan eindelijk echt opgevijzeld zal kunnen worden. Interessant in dat opzicht is het vorige bericht van 8 april op de weblog van de Vereniging van vrijescholen, ‘Promotie Hilde Steenbergen: “Vrije en reguliere scholen vergeleken”’, waarin door Inge Haagsma met behulp van Rudolf van Lierop wordt teruggekeken op de verdediging aan de Rijksuniversiteit Groningen van haar proefschrift op 12 maart.

‘In de zaal bevonden zich dan ook onder het publiek een aantal leraren en schoolleiders uit de vrijescholen, enkele ex-ouders en ook twee leerlingen van de Stichtse Vrije School. Deze “vrijeschool mensen” waren best benieuwd hoe de universitaire wereld om zou gaan met de bevindingen uit het proefschrift.’

Dat viel niet tegen:

‘Over het algemeen konden we constateren dat in de vraagstellingen en de antwoorden van de promovenda de vrijeschool niet negatief naar voren kwam, je kunt zelfs wel zeggen (gematigd) positief. Mogelijk omdat de meeste vragen de niet-cognitieve uitkomsten betroffen, maar de specifieke kwaliteiten van het vrijeschoolonderwijs die uit het onderzoek naar voren kwamen werden nadrukkelijk gewaardeerd.’

Vervolgens worden door hen de gestelde vragen weergegeven, met samenvattend de antwoorden van de promovenda. Het meest opmerkelijk is echter de epiloog. Als je die leest, val je toch wel even van je stoel:

‘Na afloop was er een receptie in de Spiegelzaal. Bij een nagesprek complimenteerden Annemieke Zwart en ondergetekende Hilde Steenbergen met haar zorgvuldige beschrijving van het vrijeschool onderwijs en dat we licht verbaasd (en ook wel opgelucht) waren over de positieve teneur van de vragen van de professoren. Hilde Steenbergen vertelde dat dit wel anders geweest was. Er was sprake geweest van een kentering. Gedurende haar onderzoek moest ze steeds weer andere manieren van meten en aantonen vinden, want men kon haast niet geloven dat de uitkomsten voor vrijescholen positief konden zijn. Dit was één van de redenen waarom haar onderzoek lang had geduurd. “Maar”, zei ze, “uiteindelijk kon men er niet omheen.”’

vrijdag 8 mei 2009

Significant

Gisteren aan het eind van de dag kreeg ik de nieuwe Motief in de bus. De geheel vernieuwde Motief mag ik wel zeggen. Want die heeft een facelift ondergaan:

‘Motief is in een nieuw jasje gestoken. “Daarmee hebben we een langdurig proces afgerond, dat begon met onvrede over de kwaliteit van het papier. Die kwaliteit kon beter maar ook milieuvriendelijker, vonden we. En voor we het wisten kregen we steeds meer wensen: meer kleur, een ander lettertype, een ander formaat”, aldus hoofdredacteur Jana Loose in het nieuwe nummer dat aanstaande zaterdag verschijnt. Nieuw in Motief zijn ook de uitgebreidere nieuwspagina’s en een “dwarskijkende” column, waarvoor de redactie ieder trimester een andere columnist uitnodigt. Het meinummer van Motief heeft als thema “vrijheid en communicatie”. Met onder andere een artikel over geweldloze communicatie. En een artikel over hoe het persoonlijke karma van Winston Churchill wereldkarma werd.’

Toen ik dit nummer in handen had, kreeg ik gelijk een paar déja vu’s, van Jonas in een heel vroege incarnatie, maar ook van Driegonaal (die groene kleur!) en Info3 (formaat, kwaliteit papier, gevoel in de hand) in vroeger tijden. Is het daardoor een retro-Motief geworden? Dat oordeel zou ik nog niet durven uitspreken. Eerst het blad maar op zijn eigen, en dan vooral inhoudelijke merites bekijken.

Waar ik het vandaag over wil hebben, is iets wat me trof op blz. 30. Op die en de voorgaande pagina bespreekt Marcel Seelen in ‘Tussen traditie en toekomst’ (er staat abusievelijk ‘tekst: Mark Mastenbroek’ boven) het proefschrift van Hilde Steenbergen over de kwaliteit van vrijescholen, dat zo veel stof heeft doen opwaaien en dat hier ook al heel veel malen over de tong (of door de hand, via de toetsen) is gegaan. De laatste keer was op 17 april in ‘Onweerlegbaar’, waarbij ik me afvroeg of het imago van de vrijescholen nog wel opgevijzeld kon worden:

‘Interessant in dat opzicht is het vorige bericht van 8 april op de weblog van de Vereniging van vrijescholen, Promotie Hilde Steenbergen: “Vrije en reguliere scholen vergeleken”, waarin door Inge Haagsma met behulp van Rudolf van Lierop wordt teruggekeken op de verdediging aan de Rijksuniversiteit Groningen van haar proefschrift op 12 maart.’

Als meest bijzonder feit haalde ik de receptie na afloop van de promotieplechtigheid aan, waarbij de promovenda in een persoonlijk gesprekje een onthullende ontboezeming werd ontlokt.

Wat ik in alle commentaren en reacties tot nu toe niet ben tegengekomen, is wat Marcel Seelen in de nieuwste Motief weet te berichten over deze gebeurtenis. Dat blijkt nog schokkender te zijn dan het voorgaande. Ik citeer:

‘Maar hoe zit dat dan met de conclusie, dat rekenen en Nederlands beneden de maat is, en dat het niveau niet meer in te halen valt, aldus Steenbergen? Op donderdag 12 maart zat ik in de aula van de univer­siteit van Groningen, waar de promotie plaatsvond. Acht hoogleraren namen drie kwartier de tijd om de studie kritisch tegen het licht te hou­den. Een professor in de sociologie met grote kennis van statistiek ver­telde dat hij zeer nauwkeurig de tabellen had bekeken met betrekking tot de resultaten voor het vak rekenen. Welnu, merkte hij op, als de wegingsfactoren werden meegerekend, dan zag hij geen enkel verschil in niveau tussen beide groepen leerlingen. Steenbergen sprak echter van “significante” verschillen. Hoe kwam zij daarbij? De promovenda viel stil, begon hakkelend aan een antwoord, raakte de draad kwijt, vervolgens de vraag en toen die opnieuw streng werd gesteld, gaf ze toe dat ze het niet kon verklaren. De hoogleraar vroeg toen of ze haar bewering moest intrekken. Ze antwoordde bevestigend. Er was geen aanwijzing voor haar conclusie... Er heerste een spanning in de aula die ons de adem benam. De volgende vraag, hoe zij dan voor het vak Nederlands kon verklaren dat... die vraag mocht zij van de rector mag­nificus naast zich neerleggen. De vragen erna moest ze ook onbeant­woord laten. De nederlaag was compleet. Maar omdat een promotie een formaliteit is, werden uiteindelijk de woorden “hora est” gesproken en werd de doctoraatsbul uitgereikt.’

Nou moe?, vraag ik me met Guust Flater (Gaston Lagaffe voor de francofielen) af. Waarom heb ik dat nergens gelezen? Dat is nogal een niet onbelangrijke constatering. Misschien is Motief hier wel speciaal voor... Het verandert natuurlijk de hele zaak.

Op de weblog van de Vereniging van vrijescholen werd in het genoemde bericht ook nog verwezen naar een andere reactie:

‘Klik hier voor de bespreking van het proefschrift door Gijs van Lennep, rector van De Stichtse Vrije School te Zeist.’

Die is gedateerd 14 maart en is heel uitgebreid, wel zeven pagina’s lang; daarin staat ook dit:

‘Met betrekking tot de gemeten achterstand in het cognitieve gebied is een kanttekening te maken. In het proefschrift is enige onduidelijkheid over de relatieve resultaten van de wiskundetest in het derde leerjaar van de Vrije School.

Er wordt geschreven (blz. 137) dat er dan geen significant verschil meer is als alle instroomfactoren worden verdisconteerd, terwijl er ook wordt vermeld dat er een achterstand blijft. Tijdens de verdediging van het proefschrift op 12 maart, werden hierover vragen gesteld door een van de “opponenten” (een kritisch bevragende hoogleraar). Het bleek dat de vermeende achterstand in wiskunde feitelijk niet concreet weer te geven was. Op de vervolgvraag van de betreffende hoogleraar of geconcludeerd kon worden dat het Vrije School voortgezet onderwijs “dus zeer goed werk verricht”, was het antwoord van de promovenda “ja”. Ook het uiteindelijke verschil in de “netto” scores voor Nederlands worden als “licht” gekenschetst. Het is mij niet duidelijk hoe zwaarwegend een en ander nu op te vatten is en waarom nu juist deze achterstanden zo nadrukkelijk tot in de stellingen (en ook sensationeel vergroot in de media) genoemd worden.’

Dat heeft toch wel een heel wat andere toon dan wat Marcel Seelen schrijft. Waarom is niemand zo duidelijk als hij? En vooral, waarom zijn ze dat zelf niet bij de Vereniging van vrijescholen?

woensdag 11 maart 2009

Brandpunt

Dit is het bijkantoor van De Nederlandsche Bank uit 1955, ontworpen door H.T. Zwiers. Het verving het eerdere gebouw aan de Boompjes uit 1905 dat tijdens het bombardement werd verwoest. ‘Het gesloten gebouw heeft een traditionele architectuur: bakstenen gevels, een monumentale entree en een terugliggende koperen dakopbouw.’

Weer veel nieuws deze dagen over vrijescholen. Morgen zal Hilde Steenbergen haar proefschrift verdedigen aan de universiteit van Groningen. Behalve de Vereniging van vrijescholen, zoals ik op 6 maart in ‘Levenslang’ liet zien, laten ook anderen zich niet onbetuigd. Deze vereniging heeft ook ander nieuws (of ouds, het is maar hoe u het bekijkt) te bieden. Maar daar kom ik straks allemaal op. Eerste het meest actuele nieuws. Daarvoor schakelen we over naar Amsterdam, dankzij Het Parool. Deze krant meldt vanochtend op zijn website, bij monde van verslaggever Hans van der Beek, in ‘Boze ouders nemen Vrije School over’:

‘Op de vrije basisschool Geert Groote in Amsterdam-Zuid (500 leerlingen) is de chaos zo groot dat de gemeente op het punt staat de school onder curatele te stellen.’

Dat is bijzonder alarmerend. De krant schrijft verder:

‘Aanleiding voor de crisis is een machtsovername van ouders die zich verzetten tegen een kwaliteitsverbetering van het onderwijs. Een ingewijde: “Een groep orthodoxe ouders is erin geslaagd dat plan om zeep te helpen. Dan praat je over taal en rekenen, niks anders. Het recht op slecht onderwijs is succesvol bevochten. Dit is echt de Taliban.”’

Ik moet, om dit goed te kunnen volgen, teruggrijpen op een van mijn eerste bijdragen op deze weblog, namelijk op 3 mei 2008 in ‘Gezond verstand’. Omdat het zo’n tijd geleden is, laat ik dat bericht hier nog een keer volgen:

‘Lezers van het Algemeen Dagblad werden een maand geleden, op zondag 6 april (in ieder geval op de website), opgeschrikt door een artikel van Tonny van der Mee met als titel “Hard met de neus op de feiten gedrukt”. Hierin staat de alarmerende mogelijkheid dat een vrijeschool in Amsterdam zal moeten sluiten omdat het ver onder de maat presteert.

“De Geert Grooteschool 2 in Amsterdam-Zuid staat al maanden op de lijst van zeer zwakke scholen van de Onderwijsinspectie. Vorige maand bereikte de crisis op deze vrije school voor basisonderwijs een dieptepunt toen de inspectie het vertrouwen in de school dreigde op te zeggen.”

In het artikel worden de punten genoemd die zwaar onvoldoende zijn bevonden. Maar het beschrijft ook dat er hard aan wordt getrokken om hier binnen afzienbare termijn verbetering in te brengen.

Interessant is vooral dat de overkoepelende organisatie voor antroposofische pedagogie, de Vereniging van vrijescholen, dit geval niet verhult, maar duidelijk openheid van zaken geeft. Je moet dat natuurlijk wel weten en op haar website kunnen vinden. Ik moet toegeven dat ik dit pas gisteren ontdekte:

“Van 20 maart tot en met 5 april is de Geert Groote School II in Amsterdam veelvuldig in het nieuws geweest. De artikelen die zijn verschenen zijn verzameld en in één bestand samengevoegd.”

Hieruit leer ik dat het gaat om een school met 150 leerlingen, die niet verward moet worden met de twee andere vrijescholen in Amsterdam met een (bijna) gelijkluidende naam: de Geert Groote School betreft basisonderwijs, het Geert Groote College middelbaar onderwijs. Onder de documenten is een print, afkomstig van de website onderwijsconsument.nl van de OCO (Onderwijs Consumenten Organisatie), waaruit ik de twee volgende citaten haal:

“De kwaliteit van de Geert Groote School 1, gevestigd aan het Hygieaplein in Amsterdam Oud-Zuid, is door de inspectie als voldoende beoordeeld. De Geert Groote 1 en 2 vallen onder het bestuur van de Stichting Geert Groote School. Bij het Geert Groote College is de kwaliteit ook als voldoende beoordeeld, deze school die net als de Geert Groote School 2 gevestigd is aan de Fred. Roeskestraat in Zuideramstel valt onder het bestuur van de Stichting Vrije Scholen Voortgezet Onderwijs Noord-Holland.”’

Dit roept meteen de vraag op of Het Parool wel over de juiste gegevens beschikt, want de vijfhonderd leerlingen die Hans van der Beek nu noemt is heel wat anders dan de honderdvijftig waar bijna een jaar geleden sprake van was. Uit het fotobijschrift bij het bericht van vandaag blijkt dat het wel degelijk om Geert Groote II gaat: ‘De Geert Grote School 2 in de Ferd. Roeskestraat.’ Uit de rest van het bericht stijgt een werkelijk indianenverhaal op, dat nauwelijks te geloven is:

‘Enkele weken geleden namen zo’n twintig ouders de klassen over. Leerkrachten werden de klas uit geduwd, bestuursleden bedreigd. Vorige week werd door leerkrachten en een groepje ouders een motie van wantrouwen ingediend tegen het bestuur. De interim-directeur, de derde in een kleine twee jaar, is op non-actief gesteld. Een locatie-directeur heeft ontslag genomen, net als de voorzitter van het bestuur. Van het bestuur is nog één lid over.

Vanmiddag zou een laatste bemiddelingsgesprek zijn. Als dat gesprek onbevredigend eindigt, zal de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling (DMO) de Onderwijsinspectie adviseren de school onder een bewindvoerder te plaatsen. Sluiting is waarschijnlijk geen optie, omdat de gemeente niet weet waar ze de vijfhonderd leerlingen dan moet onderbrengen.

Een ingewijde: “Een zelfbenoemde tussenpersoon van de Vereniging van Vrije Scholen deelt daar nu de lakens uit. De school is stuurloos. Op dit moment is zelfs politie-ingrijpen gerechtvaardigd. Als gemeente willen we op afstand blijven, maar we willen ook dat kinderen onderwijs krijgen.”

Vorig jaar maart dreigde de Onderwijsinspectie de school ook al te sluiten, omdat er geen vertrouwen was dat het bestuur op korte termijn de onderwijskwaliteit zou kunnen verbeteren. Daarop werd een verbeterplan opgesteld, dat de kwaliteit van het onderwijs meteen verbeterde, bleek uit in een tussentijdse meting, afgelopen december.’

Het fotobijschrift biedt nog extra informatie:

‘Volgens vertrekkend directeur Anne Veldt was de school juist goed op weg aan de eisen van de inspectie te voldoen.’

Goed, dan nu naar de Vereniging van vrijescholen zelf en wat die aan het doen is (buiten zich bezighouden met dit lastige geval). Eerst wil ik kort ingaan op de weblog waar ik het op 10 februari in ‘Antwoord’ over had, die bedoeld was ‘om – naast de nieuwspagina van de vereniging – een verdieping te bieden aan actuele zaken’, maar die tot nu toe slechts één bericht kende, namelijk van 28 oktober 2008. We kunnen nu noteren dat hiervan op 4 maart opnieuw gebruik is gemaakt. Wat erop staat is niet wereldschokkend – dat is namelijk diezelfde ingezonden brief aan NRC Handelsblad die ik op 6 maart in ‘Levenslang’ weergaf. Maar de suggestie inzake deze weblog die ik op 10 februari deed: ‘het zou een goede mogelijkheid zijn om meer te vernemen van achtergronden en motieven’, lijkt toch te zijn overgenomen. Wordt deze weblog nu op de openingspagina van de Vereniging van vrijescholen immers aangekondigd als:

‘Vrijescholen en de Vereniging van vrijescholen zijn op tal van manieren in het nieuws. Vanwege interessante ontwikkelingen in de scholen, projecten bij de Vereniging, of omdat er nieuws is in de pers. Om nieuws te melden, of om op nieuws te reageren heeft de Vereniging een weblog gemaakt waarop u over actuele zaken kunt lezen. Het weblog is bereikbaar via vrijescholen.wordpress.com.’

Dat is hoe dan ook vooruitgang. Visueel wordt dit zelfs tweemaal ondersteund. Via een eerste plaatje met stapels kranten en de banner: ‘Vereniging van vrijescholen in de media – klik hier...’ en een tweede met schermafbeelding van de weblog en de banner: ‘nieuw WEBLOG Vereniging van vrijescholen – klik hier...’

Op dezelfde ‘actueel’- of openingspagina staat bovenaan nog ander interessant nieuws. Niet met tekst ondersteund, maar slechts op dezelfde visuele manier als met de weblog. Een onduidelijke foto (onduidelijk wat het voorstelt), maar wel zijn de woorden ‘samenbindend samenwerken’ te lezen, en een banner met deze tekst: ‘Film over MichaëlConferentie 2008 nu online! Klik hier...’ Ja, en als je dan klikt, dan zie je tot je verrassing iets wat al lang geleden was aangekondigd. Ik roep even 5 oktober 2008 in herinnering en mijn bericht met de titel ‘Michaëlhymne’. Dat ging over de Michaëlconferentie van de Vereniging van vrijescholen de volgende dag in Concertgebouw ‘De Vereeniging’ in Nijmegen:

‘Op 25 juli 2008 schreef ik in “Enthousiasmerend” dat het programma me leek aangepast. Op 23 juni 2008 had ik in “Bevrijding” de twee sprekers en een “stembevrijder” voorgesteld.

Nog heel recent, op donderdag 2 oktober, werd er op de website van de Vereniging van vrijescholen een update gegeven:

“Er zullen ongeveer 900 personen deelnemen aan de MichaëlConferentie.”

En:

“Gedurende de dag zullen er opnamen gemaakt worden met een filmcamera.”

Wat zou dat te betekenen hebben?’

Nou, die vraag kan nu dus worden beantwoord. Een film van achtttien minuten van Jorrit de Bruin en Kleis Kemperman van JKTV Producties in Amsterdam, die een impressie geeft van deze conferentie, met fragmenten van de diverse onderdelen. Zo zie je (van 1:00 tot 1:31) voorzitter Leo Stronks, die bij het begin van de conferentie de woorden spreekt:

‘Ik heet u van harte welkom op deze MichaëlConferentie 2008. De conferentie van vandaag is bedoeld om in de ontmoeting te staan, met elkaar, herkenbaar voor elkaar. Maar zeker ook die herkenbaarheid te creëren naar buiten toe. En om dat kracht bij te zetten, hebben wij sprekers uitgenodigd vandaag die nadrukkelijk niets weten van vrijeschoolonderwijs.’

Dan ben je natuurlijk wel benieuwd hoe zoiets vorm krijgt. Meteen daarna komt prof.dr. W. Koops van de Universiteit van Utrecht in beeld. In het januarinummer van Motief had Marcel Seelen hem nog gediskwalificeerd, zoals ik op16 januari in ‘Heraarding’ citeerde:

‘(...) hoogleraar Koops uit Utrecht bekritiseerde fel het Duitse idealisme en de fasentheorie van de bioloog Haeckel en merkte fijntjes op dat we met zijn allen na de Tweede Wereldoorlog gelukkig zo verstandig waren geworden, die dwaze ideeën achter ons te laten... Hij is zo slecht thuis in de ideeën van Steiner dat hij niet doorhad daarmee ook de basis van de vrijeschoolpedagogie met een bruusk gebaar van tafel te vegen.’

Uit het fragment in de film (2:03-4:00) krijg ik een ander beeld van Koops’ bijdrage (en ook van dat van Monique Volman, de andere academica). Hij doet een zwaar beroep op de rationaliteit van de Verlichting, wat mij zo gek nog niet lijkt, zeker niet voor de vrijeschoolbeweging van tegenwoordig. Ook geen slecht uitgangspunt als je de discussie zoekt met het Nederlandse onderwijsveld.

In de film komen nog verschillende andere zaken aan bod. Zoals de door de vereniging ingestelde jaarlijkse onderscheiding die op deze MichaëlConferentie voor het eerst wordt uitgereikt. Die heeft nog geen eigen naam blijkbaar, want wordt ook ‘oorkonde’ genoemd; het is in ieder geval een schilderij. De eer komt die eerste keer te beurt aan Sven Boogert, van de Zeister bovenbouw oftewel de Stichtse vrijeschool (9:58-12:31).

Duidelijk wordt dat de verbinding werd gezocht, over de grenzen heen. ‘Samenbindend samenwerken’ heette de conferentie. Het openingsbeeld van de film stelt dat deze plaatsvond in ‘Nijmengen’, wat ik een originele typering vind (de filmmakers zijn toch geen oud-vrijescholieren?).

Nu wil ik nog weer een keer ingaan op het proefschrift van Hilde Steenbergen. Afgelopen vrijdag in ‘Levenslang’ haalde ik al een paar reacties daarop uit vrijeschoolkringen aan, zoals een heel gedetailleerde van Berry Idema en een heel andere van Hugo Verbrugh. Bij de reactie van Gijs van Lennep en Leo Stronks vanuit de Vereniging van vrijescholen schreef ik dat die naar mijn weten nog niet geplaatst was als ingezonden brief in NRC Handelsblad, ‘maar dat kan natuurlijk nog gebeuren’. Dat is inderdaad niet gebeurd, maar afgelopen zaterdag was er wel een brief uit Zutphen opgenomen, van Marijke Overkamp-Wichhart, onder de titel ‘Vrije school is wel degelijk een verademing’:

‘De kop “Op Vrije school scoort kind laag” (NRC Handelsblad, 27 februari) dekt de lading van het artikel niet. Uit het artikel blijkt dat leerlingen van Vrije scholen milder zijn, meer geneigd anderen te helpen, en autonomer zijn. Ze zijn ook gemotiveerder om te leren, kunnen beter plannen en hebben een betere relatie met hun docent. Verder hebben ze betere leerstrategieën en zijn ze er meer van overtuigd dat ze het goed doen op school.

Mijn jongste dochter zit op de voortgezette Vrije school, en het is een verademing in vergelijking met wat ik met mijn andere dochters op het reguliere onderwijs heb meegemaakt: te grote scholen, ongemotiveerde, brutale leerlingen, weinig interesse van de leerkrachten voor het kind, om nog maar niet te spreken van het rampzalige studiehuis. Mijn jongste dochter krijgt tenminste voldoende kennis en achtergrond over alle belangrijke zaken in het leven, zoals de Nederlandse geschiedenis, Nederlandse letteren, poëzie, muziek, creatieve vorming en aardrijkskunde. Het zal dan ook geen verbazing wekken dat de meeste Vrije-schoolleerlingen probleemloos doorstromen naar het universitair en hoger onderwijs, en minder vaak afhaken in het hoger onderwijs dan kinderen van reguliere scholen, gewoon omdat ze weten wat ze willen.’

Ook niet geplaatst bij de brieven is een reactie van Geert H.M. van Brakel (M.Ed.) uit Eindhoven, oud- lerarenopleider en onderwijskundig adviseur Fontys Hogescholen. Hij was zo vriendelijk deze voor publicatie op mijn weblog beschikbaar te stellen. Hij schrijft, met als titel ‘Weer misverstanden over vrijescholen’ (deze tekst had natuurlijk meteen ook op de nieuwe weblog van de Vereniging van vrijescholen moeten staan):

‘NRC berichtte op 27 februari j.l over het vergelijkend promotieonderzoek van Hilde Steenbergen aan de Universiteit van Groningen naar de effectiviteit tussen reguliere en Vrije scholen. Terecht geeft dit onderzoek een signaal af dat met nóg meer kracht door de Vrije scholen moet worden gewerkt aan reguliere, vakmatige basisvaardigheden. Een probleem dat in het gehele onderwijs speelt. De eerste reactie van de Vereniging van Vrije scholen in Nederland is mijnsinziens dan ook verstandig. Toch voedt de wijze waarop het proefschrift wordt gefundeerd en vooral uw berichtgeving daarover de reeds bestaande misverstanden over het Vrije schoolleerplan. De huidige maatschappelijke actualiteit laat zien dat we in alle sectoren van de samenleving dringend behoefte hebben aan innovatieve, creatieve en vooral moreel veelzijdig denkende mensen. Originele mensen die ook de daad bij het woord voegen met kennis die niet werd ontkoppeld van de mens en zijn morele menselijke intenties. Staat het oude denken voor haar eigen afgrond?

Het soort effectiviteit dat Vrije scholen nastreven, is allereerst veelzijdiger dan in het reguliere onderwijs gericht op multiple en vooral morele intelligentie van beíde hersenhelften. Vervolgens werkt het Vrije schoolleerplan aan de individuele metamorfose van senso-motorische, via beeldend-kunstzinnige naar cognitief-morele intelligentie. De reguliere effectiviteit van de cognitieve linkerhersenhelft laat zich pas meten en vergelijken na de twaalfde klas! De Vrije school streeft namelijk naar het “leggen van een humuslaag” voor de latere biografie. In de negende klas (derde klas V.O.) begint het Vrije schoolleerplan pas écht werk te maken van het aanspreken van analytisch-cognitieve vermogens.

Ruim een eeuw geleden werden de ecologische, politiek-maatschappelijke en wetenschappelijke crises waarin we de laatste tijd verkeren al voorzien. Reden voor arbeiders om aan Rudolf Steiner te vragen hoe de toekomstige generaties het beste moreel-intelligent konden worden voorbereid op die komende grootschalige problemen. De Waldorfschool werd juist voor het ontwikkelen van de noodzakelijke, nieuwe individuele moraliteit opgericht. Gezondmakend onderwijs voor individu en samenleving streeft naar veelzijdigheid, evenwicht en vooral uiteindelijk naar individueel zélf denken en morele autonomie. Rationeel vermogen en kennis zijn daarvan zeker aspecten, maar niet het enige dat telt.

Het zouden een paar promoties waard zijn om deze veelzijdige en genuanceerde effectiviteit van de Vrije scholen te onderzoeken. Bovendien zou het zeer boeiend zijn te weten hoeveel hoog-opgeleide ex-vrijescholieren momenteel initiatieven nemen om wetenschap en planeet verder te behoeden voor de door reductionistisch-materialistisch denken veroorzaakte afgronden waar we voor staan.’

Gisteren nog ging zowaar ook onderwijskundige Theo Wubbels in zijn column op de website van Trouw in op het proefschrift van Hilde Steenbergen. Dat is bijna nog interessanter, gezien het feit hij zo begint:

‘Ik heb geen enkele behoefte om de vrijescholen te verdedigen. Ze zijn me te dogmatisch, te veel gebaseerd op achterhaalde pedagogische ideeën en te weinig evidence based. De gedachten over verschillende fasen in de ontwikkeling van kinderen en schoolrijpheid bijvoorbeeld missen elke empirische basis.’

Maar ondanks dat moet hij uit eigen ervaring wel toegeven dat de leerlingen van vrijescholen die hij in zijn werk is tegengekomen ‘qua sociaal gedrag, studievaardigheden en creativiteit vaak een stapje verder waren dan de gewone leerlingen’. Hij kan het onderzoek van Hilde Steenbergen alleen maar bevestigen. Leuk is het dan ook om de reacties op zijn column te lezen. Verschillende ouders laten zich niet onbetuigd. Misschien ook iets om naar te verwijzen op de weblog van de Vereniging van vrijescholen. Dan kan die pas een echt nieuw brandpunt worden van ‘interessante ontwikkelingen in de scholen, projecten bij de Vereniging, of nieuws in de pers’.


Update 14.45 uur: Inmiddels heeft het ANP een nieuwsbericht gemaakt over de situatie bij de Geert Groote School in Amsterdam, dat door verschillende media wordt opgepikt. ‘Bestuursleden Vrije School bedreigd’ schrijft het AD, en ‘Bestuur Geert Grooteschool bedreigd’ de Amsterdamse zender AT5 op zijn website.


Update 18.25 uur: Een uur geleden publiceerde Het Parool een tweede artikel van Hans van der Beek over de Geert Grooteschool, ‘“Schreeuwende minderheid” regeert basisschool’. Hij stelt daarin dat het niet alleen om de Geert Grooteschool 2 gaat. Zo schrijft hij onder meer:

‘Op de school aan de Fred. Roeskestraat heerst chaos, net zoals op de Geert Groote 1 aan het Hygiëaplein. (...) “Een schreeuwende minderheid van zestien tot achttien ouders heeft op eigen initiatief de Vereniging van Vrije Scholen ingeschakeld,” zegt vertrekkend directeur Veldt. “De zwijgende meerderheid vraagt zich verbaasd af wat hun is overkomen.”’

Wie zijn nu deze kwade ouders, vraag ik mij af. Dat wordt me niet goed duidelijk. Als zij het niet eens zijn met het verbetertraject dat het afgelopen anderhalf jaar is gegaan, wat tot het beleid van de Vereniging van vrijescholen behoort, dan kunnen zij het niet zijn die nu ook deze vereniging inschakelen.

In het artikel worden diverse betrokkkenen genoemd of geciteerd, onder wie de op non-actief gestelde interim-directeur Rob Geurtsen, de inmiddels afgetreden nieuwe voorzitter van het schoolbestuur Christien Hellinga, het alleen overgebleven bestuurslid Rob van Hilten en verenigings-voorzitter Leo Stronks. De laatste zegt:

‘Ik zie zelf geen aanleiding om te denken dat dit traject moet stoppen.’
Rara, hoe zit dit?


Update 22.50 uur: Nu heeft ook de Volkskrant een artikel aan de kwestie gewijd. Gerard Reijn schrijft over ‘Chaos bij Amsterdamse vrije scholen door ruzie met “fundamentalisten”.’ Hierin wordt als het grote probleem de twintig ouders genoemd die alle veranderingen afwijzen. Dat wil zeggen de door de Inspectie gewenste en ge-eiste veranderingen. Deze ouders worden beschouwd als ‘antroposofische fundamentalisten’.

woensdag 8 mei 2013

Compositie

Ik had iets moois in gedachten voor vandaag. Maar nieuwe vondsten doorkruisen die planning. Dus de selectie kan wel eens anders uitvallen. Ik had eerst willen terugkijken op het feest vorige week, waardoor wij nu een nieuwe koning hebben. Dat kon mooi met Hugo Verbrugh, want die berichtte er gisteren op zijn weblog op De Ster Online over. Daarna had ik aandacht willen besteden aan wat faits divers: zoals de uitbreiding van Marjatta in Den Haag en de nieuwe weblog van meester Wim den Blancken. Om vervolgens de draad van de briefwisseling op de Bernard Lievegoed weblog en aanpalende Stichting Parsifal Fonds op te pakken. En ten slotte weer te eindigen bij onze Prins van Oranje, o nee, Koning der Nederlanden bedoel ik natuurlijk. Door een uitvoerig artikel, in feite een hoofdstuk uit een boek, van Werner Greub namelijk, dat Robert Jan Kelder al op 26 februari ter ere van de feestelijkheden op zijn Willehalm-weblog had geplaatst. Waarmee ook de dichter en schrijver van het Parzival-epos, Wolfram van Eschenbach, geëerd zou zijn. Dat zou een mooie compositie opleveren, had ik me gisteren al bedacht. Eens kijken wat er van die intentie vandaag overblijft. Want zo zou het al lang genoeg worden. Dat krijg je ervan als je te lang wacht met nieuwe berichten. Het vorige verscheen immers zaterdag, nu vier dagen geleden. In de tussentijd gebeurt er zó veel. En moet ik dat alles nu op elkaar stapelen? Of wordt de selectie dan gewoon strenger?

‘Een nieuw Plakkaat’ heette de tekst van Hugo Verbrugh gisteren:
‘Een eigenaardige stemming waarde vorige week door Nederland – tenminste zo proefde ik dat. We hadden een nieuwe koning gekregen, en alles wat daarmee te maken had was zó goed verlopen dat het leek alsof we met ons zestien-miljoenen burgers samen waren ondergedompeld in een collectieve nationale katharsis [geestelijk-psychisch reinigingsproces. Red.].

Het absolute hoogtepunt van die katharsis voor mij was iets totaal onverwachts. Het was de manier waarop de nieuwe koning in zijn eerste toespraak aan de de beide Kamers van de Staten-Generaal stiekem een beetje tegemoet kwam aan de bezwaren die ik voel jegens het erfelijk koningschap. Ik citeer uit het hoofdartikel van NRC/Handelsblad van 1 mei: “Het nieuwe staatshoofd ziet zijn taak, terecht, als bescheiden en dienstbaar. Met een verwijzing naar het Plakkaat van Verlatinghe uit 1581, de Nederlandse onafhankelijkheidsverklaring van Filips II, toonde hij zich thuis te voelen in een republiek met een erfelijk vorst aan het hoofd.”

Het Plakkaat van Verlatinghe uit 1581... – dat was me wat! Dat “Plakkaat” is immers zogezegd de onafhankelijkheidsverklaring van de republiek die Nederland toen werd en, als ik het goed begrijp, nog steeds is...!

Een immens probleem lijkt oplosbaar te zijn geworden. Republikeinen aller Nederlanden, verenigt en verheugt u! De strijd hoeft niet meer gestreden te worden – we kunnen van Nederland zó een echte republiek maken; de koning zal zich er niet tegen verzetten. En ik weet hoe we nu het beste verder kunnen.

Ik kom terug op wat ik 17 november 2009 hierover schreef. “Nederland worde een republiek,” schreef ik toen, “en wel naar Zwitsers model. Zwitserland is een republiek. Het heeft, bij mijn weten als enige land ter wereld, geen staatshoofd. Het wordt geregeerd door zeven ministers die samen de ‘bondsraad’ (Bundesrat, Conseil Fédéral) vormen. Bij toerbeurt is één van die zeven voorzitter van de vergaderingen. Deze bondsraad als geheel is tevens ‘staatshoofd’. Wanneer uiterlijke omstandigheden maken dat een persoon die rol moet vervullen, wanneer bijvoorbeeld een buitenlands staatshoofd op bezoek komt en ontvangen moet worden, wordt die rol gespeeld door de persoon die op dat moment de vergaderingen voorzit. Die persoon is uitdrukkelijk ‘primus inter pares’: de eerste onder zijns gelijken, de persoon die toevallig op dat moment als eerste het woord neemt. Dàt is democratie.”

Zo een systeem worde in Nederland ingevoerd. De koning krijgt een nieuwe titel, bijvoorbeeld “’s Lands Eerste Adviseur”. Niks ministeriële verantwoordelijkheid – hij of zij mag zeggen en doen wat hij of zij wil – vier wijze koninginnen die we gehad hebben en nu de nieuwe koning die in hun sporen lijkt te zullen treden en dat doet geheel in de geest van deze tijd, bieden daarvoor een bemoedigend perspectief. “De nieuwe Koning maakte een foutloze start,” besloot het hierboven geciteerde hoofdartikel.

Op één bijzonderheid in het hoofdartikel wil ik nog even ingaan. “De nieuwe koning voelt een eigen verantwoordelijkheid om te verbinden, te vertegenwoordigen en te signaleren,” schrijft de krant ook, “maar ook om de democratie te ‘onderhouden’. Zolang daarin geen eigen agenda schuilgaat, is daar niets op tegen.” De cursivering in de vorige zin is van mij. “Geen eigen agenda”? Kom nou! “Geen mens is illegaal” is sinds kort ook weer een populaire slagzin, vooral in de PvdA, “en ieder mens heeft een eigen agenda,” vul ik aan [antroposofen zien in die agenda een uiting van het karma, maar dit terzijde]. Mag Willem Alexander dus misschien ook?

Het plaatje toe is de eed op de Rütli, een weiland ergens boven Luzern in centraal Zwitserland, anno 1291. Vertegenwoordigers van de drie Zwitserse oerkantons, Uri, Schwyz en Unterwalden beloven wat ónze voorouders drie eeuwen later in het Plakkaat van Verlatinghe aan de wereld zouden melden. [Ontleend aan P. Bertrand en P. Robert, “A Toi Patrie – Histoire Suisse pour la jeunesse”, Editions “Joie de Lire”, Genève, (zonder jaartal. Kort na 1945)].

Hugo Verbrugh’
Op 18 april in ‘Verschijningsvorm’ plaatste ik de laatste brief van Jelle van der Meulen inzake ‘Bernard Lievegoed. Werkplaats voor monografieën over Bernard Lievegoed’. Op 28 april antwoorde ik hem daar met ‘Tenzij gij mij zegent’:
‘Beste Jelle,

Recentelijk las ik “Tenzij gij mij zegent. Geschiedenis van de Lievegoed Zorggroep – met vensters op vandaag en morgen” van Huib van den Doel. Het is uitgekomen ten tijde van de naamsverandering van de Lievegoed Zorggroep tot eenvoudigweg ‘Lievegoed’, wat najaar 2012 feestelijk werd gevierd:

“Op 22 november organiseerde Lievegoed in Amsterdam het debat Antroposofie, met het oog op een gezonde samenleving.” (Bron: “Barometer”)

Op de website van “Lievegoed ®, Antroposofische zorg” is dit gegeven netjes weggewerkt, want daar is het nergens meer te vinden. Er is echter elders nog een verslag van in te zien, geschreven door Petra Essink en verschenen in “Stroom”, het blad van de patiëntenvereniging Antroposana, getiteld “Lievegoed zet de deuren wijd open”. Over het boek van Van den Doel wordt daar gemeld:

“Een omvangrijk en rijk geïllustreerd boek dat een grondig historisch overzicht geeft van de totstandkoming van Lievegoed. Vele mensen, hun verhalen, hun idealen en ook hun teleurstellingen komen, naast vele achtergronden en inhouden, aan bod. Een aanrader voor de betrokkenen en een niet te onderschatten bron van informatie voor mensen die dieper in willen gaan op de achtergronden van de antroposofische gezondheidszorg. Het boek is gratis verkrijgbaar bij Lievegoed door een mail te sturen naar communicatie@lievegoed.nl. Ook te ontvangen als pdf bestand.”

Je zult het vast wel met me eens zijn dat dit boek door het onderwerp onze bijzondere aandacht verdient, alleen al in het licht van de laatste en tot de kern doordringende naamswijziging van “Lievegoed”. In zekere zin neemt de geschiedenis van deze onderneming een aanvang op 1 februari 1990, wanneer een psychiatrische kliniek start op het terrein van in Berg en Bosch in Bilthoven, nog zonder expliciete naam. Op 1 december 1991 wordt de kliniek officieel geopend, onder meer met een voordracht door Bernard Lievegoed. Op 2 september 1992 wordt Bernard Lievegoed 87 jaar; op deze laatste verjaardag van hem is hij aanwezig wanneer de kliniek wordt gedoopt tot “Bernard Lievegoed Kliniek”, waarbij hij wederom een voordracht houdt. Ruim drie maanden later overlijdt hij.

Wat het lot is van deze Bernard Lievegoed Kliniek wordt nauwgezet beschreven in het genoemde boek. De kliniek kent enerverende lotgevallen, waarvan ik hier enkel de twee grote stappen vasthoud. In 2002 vindt een fusie plaats van de Bernard Lievegoed Kliniek met Arta (verslavingszorg), wat leidt tot de Arta-Lievegoedgroep. In 2005 is er vervolgens een fusie van deze nieuwe organisatie met de Ita Wegman Stichting, waarbij de naam van het geheel wijzigt in Lievegoed Zorggroep. Die naam is dus zeven jaar later weer verlaten en vervangen door “Lievegoed”. Het boek houdt echter net voor dat moment op, zodat de reden hiervan niet genoemd wordt en buiten het bestek van het boek valt. In die twintig jaar is er in ieder geval het nodige gebeurd.

Universitas

Mijn vraag zou zijn: zou de organisatie met de naam Lievegoed, of misschien nog beter: zouden de medewerkers bij Lievegoed, iets kunnen hebben aan waar wij ons nu mee bezighouden? En hoe moet dat er dan uitzien? Dan heb je meteen ook de periode van ruim twintig jaar overbrugd, waar ik het de vorige keer over had, sinds de dood van Lievegoed. Het zou mooi zijn als de Lievegoed waar wij ons op richten, kan landen bij de Lievegoed-organisatie die zijn naam draagt, zou ik denken. Niet alleen daar natuurlijk, maar het zou wel een mooi kristallisatiepunt kunnen zijn.

Er zijn meer instanties die de naam Lievegoed dragen. Daar zou je ook naar zo’n soort verbinding op zoek kunnen gaan en een onderzoek kunnen beginnen. Ik denk bijvoorbeeld aan de “Bernard Lievegoed Leerstoel inzake ethische aspecten van de zorg- en hulpverlening vanuit de antroposofie”, zoals die door prof. dr. Hans Reinders sinds 2005 aan de Vrije Universiteit in Amsterdam wordt ingevuld. Dan is er sinds vorig jaar het “Lievegoed Fonds voor wetenschap” binnen de Iona Stichting, en het daar aanpalende “Lievegoed Academisch Netwerk”, een nieuwe vorm van de vroegere “Netwerkuniversiteit” dat onderdeel was van de “Stichting Prof. Dr. Bernard Lievegoed Fonds”, fonds voor antroposofisch wetenschappelijk onderzoek, dat bestond van 2006 tot 2012.

Of wat te denken van de “Bernard Lievegoed University”, de vroegere “Vrije Hogeschool” in Driebergen, die ook een hele ontwikkeling heeft doorgemaakt? Gestart in 1971, werd de naam 37 jaar later veranderd in “Bernard Lievegoed College for Liberal Arts”. Om vier jaar later tot “University” omgedoopt te worden.

Ons doel is een of meer monografieën over of in verband met Bernard Lievegoed te schrijven. Het idee was om dit schrijfproces gepaard te laten gaan met een weblog, waarin de voortgang gedocumenteerd en door iedereen gevolgd kon worden. Waar zouden we beginnen? Lievegoed heeft in zijn leven drie initiatieven genomen die tot complete organisaties zijn uitgegroeid. Achtereenvolgens het Zonnehuis (gehandicaptenzorg), het NPI (organisatieadvieswerk) en de Vrije Hogeschool (voor studenten). Hij was bij nog meer succesvolle initiatieven betrokken, meer deze waren heel persoonlijk gemotiveerd en staan in ieder geval als een paal boven water. Ook al is het leven ervan niet oneindig gebleken, of in ieder geval geschikt voor een “total makeover”. Het leek zinnig om een van deze drie als aangrijpingspunt te nemen om daar vanuit aan het werk te gaan, en we kozen daarvoor zijn laatste initiatief, op het gebied van het tertiair onderwijs. Zo hebben we het ook in december nog genoemd in “De Vrije Hogeschool en Bernard Lievegoed”.

Onze hoop en verwachting om op deze manier doelgericht te werk te kunnen gaan, werden niet bewaarheid: er ontbreken momenteel voldoende van de daartoe nu eenmaal noodzakelijke middelen. Wat dan? Zo werd het idee geboren om een briefwisseling te beginnen, een openbare correspondentie op ons weblog, waardoor we als schrijver vrijer zouden zijn in de vorm en het onderzoekende karakter zichtbaarder en duidelijker naar voren kon komen. Dat is waar wij nu staan. We hebben in de vijf brieven tot nu toe al aardig wat thema’s en vragen de revue laten passeren. Bovendien heeft onze zeer gewaardeerde voorzitter van de Stichting Parsifal Fonds Hans Wessel verschillende waardevolle bijdragen geleverd met teksten die als aparte pagina’s zijn opgenomen.

In “Nieuwe impuls voor Lievegoed” op 3 december 2012 werd de meer historische benadering die ik hierboven aanstipte al uiteengezet. In “De Vrije Hogeschool en Bernard Lievegoed”, eveneens op die datum gelanceerd, werd gefocust op jonge studenten in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, op wie Bernard Lievegoed zijn initiatief afstemde, waarna hij vervolgens wilde koersen op een Vrije Europese Academie voor Wetenschappen. Daarbij vroegen wij naar de rol van de wetenschap in de maatschappij en naar de geestelijke achtergrond van het werk van Lievegoed, in het kader van de maatschappelijke betekenis van de antroposofie.

Recapitulatie

In “Waarom eigenlijk?” op 3 februari ging onze eigenlijke correspondentie van start, waarbij jij, Jelle, uitging van de vraag waarom wij ons met Lievegoed willen bezighouden. Voor jouzelf lag dat in de eerste plaats in een bepaald gevoel van onafheid in verband met Over de redding van de ziel. Lievegoed onderzocht daarin de geestelijke achtergrond van de vraag waarom de antroposofie zich in een maatschappelijk isolement bevindt. Het heeft tot lang na publicatie geduurd voordat jijzelf echt begon te begrijpen hoe dat volgens Lievegoed zat. “Bernard Lievegoed wilde de wekroep van Mani met de middelen van de antroposofie in het centrum van zijn handelen plaatsen”, schrijf je daar. Dat zou je willen onderzoeken. Een cultuur van het hart was waar het hem en ook jou om gaat.

In “Opheldering zoeken” op 20 februari keek ik naar mijn eigen relatie met Lievegoed, hoe ik hem in en buiten de Zonnehuizen in de jaren tachtig was tegengekomen. Dat betrof ook zijn belangstelling voor mysteriestromen. Was zijn opkomende interesse voor het manicheïsme helemaal aan het eind van zijn leven dan wel zo anders en bijzonder?

Jij riposteerde in “De wil tot het goede” op 10 maart dat er, ondanks de onderlinge verwantschap die er zeker ook bestaat, een groot verschil is tussen de drie stromingen die Lievegoed op het eind van zijn leven zo duidelijk onderscheidde, en die aangevoerd worden door Steiner, Rosenkreutz en Mani. Bij de antroposofie staat in zekere zin de vraag naar de waarheid voorop, wat, als je niet oppast, makkelijk kan ontaarden in een onvruchtbare opstelling. Om juist het goede te gaan doen, om niet stil te blijven staan maar in het handelen te komen, is er niet zo’n uitgestippelde route. Dan moet je je vol vertrouwen durven storten in het onbekende, zonder van een goed resultaat verzekerd te kunnen zijn. “De wil tot het goede leidt tot handelingen inzake mensenrechten, armoede, milieubeheer, misbruik in alle mogelijke vormen”, gaf jij als voorbeelden hiervan, waarbij antroposofen echter aan de zijlijn staan. “Abstracties overwinnen” las ik ook in jouw slot, en dat is iets wat iedereen tegenwoordig wel uit eigen ervaring kan herkennen.

In mijn “Gevoelstemperatuur” op 24 maart sputterde ik een beetje tegen het aanbrengen van een al te strikte scheiding tussen hoofd en hart, denken en doen, theorie en praktijk. Ik zocht naar concreetheid, zoals Lievegoed die voorleefde, om deze scheiding te kunnen opheffen. Ook om de abstracties voor te blijven. Die concreetheid bestaat voor mij bijvoorbeeld uit de persoonlijke levenservaringen van mensen; die kunnen hierbij een goede leidraad zijn. De drie biografieën in Over de redding van de ziel waren in dit opzicht voor mij een schoolvoorbeeld. En de ontwikkelingen die hadden plaatsgevonden in de initiatieven die Bernard Lievegoed had genomen, sinds hij was overleden, ook die leken mij een goed richtsnoer te kunnen vormen in ons spirituele zoeken.

In jouw laatste brief, “Oorspronkelijke impuls” van 8 april, gaf je te kennen niets te zien in dualiteiten die ik hiervoor noemde. En je toonde je geprikkeld dat ik je te grote woorden toedichtte, alsof ik wat je schreef theoretisch zou vinden. Je voerde dat terug op een mogelijk verschil in kijkrichting. Maar dat verschil beleef ik helemaal niet zo; en theoretisch vind ik jouw benadering al helemaal niet! Ik probeer wel eerlijk naar mijn beperkingen te kijken en aan te geven wanneer ik dingen tegenkom die ik niet uit mezelf kan putten, zodat ik moeite moet doen om erbij te komen. Als ik het over fikse beweringen en reuzenstappen heb, bedoel ik dat ik kleinere tussenstappen nodig heb en zaken eerst nader moet bekijken en ontleden, voordat ik me die eigen heb gemaakt. Het zegt dus meer over mijn eigen onvermogen, dan dat ik kritiek op jou uitoefen. Daar zie ik en heb ik ook helemaal geen reden toe.

Erg mooi vind ik jouw formulering van de verschillende “regionen in de (geestelijke en aardse) werkelijkheid”. In mezelf beleef ik al verschillende regionen, waar ik verschillend mee moet omgaan. Dan is het niet moeilijk om die ook in het groot te herkennen. En dat we onderling verschillende aanzetten kennen, dat is ook niet vreemd. Jij hoopt dat Hans die van hem nog eens wil accentueren, misschien helpt dat in onze zoektocht. Ik heb niet zo veel ervaring met zo’n discours; het is voor mij al een hele onderneming om zo’n correspondentie zoals wij die nu voeren gestalte te geven. Maar ik verlaat mij graag op mensen met meer ervaring en ben altijd benieuwd wat anderen hebben in te brengen.

Ficino

Deze brief is alweer veel te lang geworden; dat heeft ook te maken met mijn behoefte om te recapituleren en enigszins orde te scheppen. Lezen en herlezen helpt mij namelijk om te pakken te krijgen waar het eigenlijk om gaat. Er waren nog twee dingen die ik graag in deze brief ter sprake wilde brengen. Het voert echter te ver om dat nu ook werkelijk te doen. Misschien de volgende keer. Maar ik mag nu vast wel een tipje van de sluier oplichten.

Ik las namelijk “Makrokosmos und Mikrokosmos”, de reeks voordrachten die Steiner in 1910 in Wenen hield (GA 119 voor de kenner) en die gepland staat voor volgend voorjaar als nieuwe uitgave in de reeks van de Rudolf Steiner Vertalingen. Dat was Lievegoeds favoriete reeks, zoals hij bijvoorbeeld in “Mens op de drempel” uiteenzette. Ik was er nooit aan toegekomen en had die dus nog niet eerder gelezen. Mij trof in de laatste twee voordrachten dat Steiner blijkbaar al die tijd had toegewerkt naar een goed begrip van de “logica van het hart”, die de “logica van het verstand” moet gaan aflossen. Dat is een buitengewoon interessant thema. Bovendien vielen mij bepaalde overeenkomsten op met die andere favoriete reeks van Lievegoed, veertien jaar later door Steiner gehouden: “Het bewustzijn van de ingewijde” (GA 243). Ik kan het nu alleen maar noemen en er niet op ingaan.

Het andere is waar ik mee begon, de geschiedenis van de Lievegoed Zorggroep, beschreven door Huib van den Doel. Zijn boek is tegelijk ook een persoonlijke geschiedenis, omdat hij zelf er zo nauw bij betrokken was. Hij was namelijk gedurende ruim twaalf jaar voorzitter van de Raad van Toezicht, van 1998 tot 2011, en heeft in die hoedanigheid de beide eerdergenoemde fusies in letterlijke zin meegemaakt. Hij was trouwens ook nog op andere manieren betrokken bij de antroposofische gezondheidszorg. Nu is het interessante dat hij de spirituele bronnen van deze gezondheidszorg in het derde hoofdstuk nader onderzoekt, en deze, in tegenstelling tot wat in antroposofische kringen gebruikelijk is, terugvoert tot de Renaissance. De hoofdbron van de antroposofie was in de zestiende eeuw in Europa een breed aanvaard gedachtegoed, zo stelt hij. Hij voert daarbij in concreto Marsilio Ficino (1433-1499) aan, en noemt hem een neoplatonist die, “na als arts te zijn opgeleid, filoloog, filosoof en priester” is geworden. In diens kielzog noemt hij verder Paracelsus (1493-1541) als belangrijke exponent van een nieuwe geneeskunde. Pas daarna komt ook Ita Wegman aan bod (1876-1943) en uiteraard Rudolf Steiner (1861-1925) Lievegoed zelf komt er enigszins bekaaid vanaf. Hoe moeten we dit zien?

Met een hartelijke groet uit het Rotterdamse,
Michel Gastkemper’
Op 3 mei reageerde genoemde Hans Wessel ook op de correspondentie, met ‘Trillingsfrequentie’:
‘Beste Jelle en Michel,

Met enige aarzeling neem ik de uitdaging van Jelle aan om mij te mengen in de tussen hem en Michel op deze site gaande briefwisseling. Ik heb in de afgelopen jaren heel wat geschreven, met name ook columns, en vind het gedachten in kort bestek onder woorden brengen een interessante aangelegenheid. Maar in het kader van het Parsifal Fonds waren we een bepaalde taakverdeling overeengekomen en wel een waarbij het bijhouden van het weblog een taak is voor Michel en Jelle.

Deze weblog heeft echter met het starten van de briefwisseling mede een wat andere functie gekregen, en wel die van tussenstation voor de te verschijnen publicaties. We vragen ons: af wie was Lievegoed eigenlijk, wat bewoog hem en waarom is het nu nog interessant aandacht aan hem te besteden? Met die briefwisseling zijn we op zoek gegaan naar een of meer invalshoeken voor komende geschriften.

En bovendien blijkt het gewenst nog enige toelichting te geven op de impuls die mij overkomen is en die er op gericht is meer bekendheid te geven aan de betekenis van Bernard Lievegoed, ook voor de komende jaren. Zoals ik reeds in mijn bijdrage over de twaalf impulsen van Bernard Lievegoed heb uiteengezet, heb ik slechts gedurende relatief korte tijd een soort werkrelatie met hem onderhouden door mijn lidmaatschap van het Curatorium van de Vrije Hogeschool. Tevens was ik in de gelegenheid in dat kader enige klasseuren van hem bij te wonen. Hij maakte op mij destijds een krachtige indruk, wat ik me overigens pas later realiseerde.

Nadat ik in 1996 gepensioneerd werd, kreeg ik veel meer tijd om me in esoterische aangelegenheden te verdiepen en wel eerst rond juridische thema’s in het kader van het door mij geïnitieerde Jura Nova, later in het kader van de Stichting Water Drager van Leven. Gedurende die periode was ik ook lid van de Sociale Sectie van de Antroposofische Vereniging (AViN) en leefde ik mee met de ontwikkelingen rond bestuur en activiteiten.

Allengs ontwikkelde zich bij mij een gevoel van teleurstelling over de manier waarop het bestuur en de leden van de AViN met het kostbare goed van Rudolf Steiner omgingen. Ze deden wel enorm hun best om cursussen aan te bieden, goede en inhoudsvolle presentaties te verzorgen en jaarfeesten en overige bijeenkomsten te organiseren. Maar het bleef vaak bij eenmalige activiteiten, waardoor er zo weinig continuïteit tot stand kwam. Bovendien ontbrak een gerichte uitstraling naar buiten, naar de maatschappij.

Zo leefde ik vele jaren met dit gevoel, sprak er wel over met enige leden, maar kwam niet tot daden. Wel ontdekte ik dat met het klimmen der jaren mijn geestelijk leven rijker werd. Ik kreeg geestelijke ingevingen en enige subtiele ervaringen. Toen ik in november 2011 weer eens mijn teleurstelling met anderen deelde, kreeg ik de ingeving dat we zouden kunnen teruggrijpen op de rijke erfenis van Bernard Lievegoed. Hier was iemand die vanuit een innerlijke gedrevenheid de antroposofie in de wereld had gezet. In de daarop volgende maanden werd die impuls tot wilsbesluit om daarmee zelf aan de slag te gaan.

Een eerste start in de Sociale Sectie en een eerste contact met de familie Lievegoed verliepen niet in het door mij beoogde tempo. Daarop legde ik contact met Jelle en Michel. Dat klikte en die waren enthousiast. Beiden roepen bij mij zeer onderscheiden imaginaties op. Jelle zie ik als een unieke komeet, die helderder straalt naarmate het duister toeneemt. Michel ervaar ik als het weldadige schijnsel van een maan met spiegelingen in een (diep) bergmeer.

Mede door het (her)lezen van zijn boeken en het interpreteren van zijn biografie en die van de door hem opgerichte instituties kreeg ik meer besef van de enorme betekenis van Bernard Lievegoed. Hij had grote ambities en inzichten zowel op het exoterische als op het esoterische vlak. Daarbij gesteund door een (hem – en ook anderen – soms overrompelende) grote wilskracht. Een wilskracht die hem in staat stelde op zijn sterfbed nog aan Jelle een boek te dicteren. Maar uit dit voorval valt ook af te leiden dat hij voelde dat zijn missie eigenlijk nog niet voltooid was.

In de antroposofische wereld werd met gemengde gevoelens op Bernard teruggekeken. Velen werden geraakt door de snelle teloorgang van de door hem geïnitieerde instituties, zoals de Zonnehuizen en het NPI. Een tragiek die nog verscherpt werd door het feit dat het faillissement van Zonnehuizen plaatsvond in het jaar van het heengaan op 101-jarige leeftijd van zijn vrouw Nel Schatborn, de feitelijke kracht achter de Zonnehuizen. Wat daarvan te denken? Mij werd langzamerhand duidelijk dat deze instituties de vrucht waren van een innerlijke impuls en dat die gezien zijn geestelijke inhoud veruit belangrijker was dan de vergankelijke gedateerde producten ervan. En gaandeweg kwam het besef: hier is niet sprake van een impuls, maar van een veelvoud ervan. Ik kon er een twaalftal detecteren.

Die veelheid vraagt om als tableau te worden geëtaleerd. Een eerste begin daarvan staat op deze site. Maar voor een verdere bewerking zal een keuze moeten worden gemaakt.

Daarbij dient mijns inziens naar een niche te worden gezocht. We moeten niet schrijven over onderwerpen die al sterk in de belangstelling staan en waarover al veel is geschreven. En evenmin over onderwerpen die slechts een beperkte groep aanspreken.

Voor mij is de nadruk die Bernard in dit tijdperk van de bewustzijnsziel legde op de biografie van primair belang. Zijn visie op de ritmen in de menselijke ontwikkeling in relatie tot de zeven cultuurtijdperken had kosmische dimensies. Hij gaf ook persoonlijk biografisch advies aan tal van studenten. Daarbij ging het om het zelf onderkennen van het belang van het biografisch proces als zodanig en voorts om de eigen verantwoordelijkheid voor het verdere verloop van dit proces. Dit geldt zowel voor elk individu, maar ook voor een (karmische) groep zoals de AViN en zelfs voor de maatschappij en cultuur als geheel.

Rond dit thema valt veel te ontwikkelen, waarbij die verantwoordelijkheid in een karmisch perspectief te plaatsen ware. En dat kan dienen om de mijns inziens vertraagde trillingsfrequentie van de AViN weer op peil te brengen. Wat vinden jullie ervan? Ontwaakt gij die slaapt...

Hans’
Tijd voor enige faits divers. Niet toevallig is dit afkomstig van de website van Lievegoed. Op 26 april verscheen daar ‘Marjatta verhuist en breidt uit’:
‘In juni verhuizen we naar een prachtig nieuw pand in de gerenoveerde Rivierenbuurt.

Nieuwe locatie: Servaas van Rooyenhof 19

Kinderdagcentrum Marjatta verhuist in juni naar een prachtige nieuw pand in de gerenoveerde Rivierenbuurt. We bieden zorg en begeleiding aan 9 kinderen met een ernstige en/of meervoudige beperking, nu nog op onze locatie Koningsplein. De komende tijd breiden we op onze nieuwe plek geleidelijk uit naar 5 kleine groepen van ongeveer 8 kinderen in de leeftijd van 0 tot 18 jaar.

Ruim opgezet

Onze nieuwe locatie geeft ons alle ruimte om de kinderen uiteenlopende activiteiten aan te bieden. Ruim opgezette klassen, met een aangename en lichte sfeer. Het pand is volgens moderne antroposofische principes ingericht. Er is een aparte kamer voor onze specifieke antroposofische behandelingen als euritmie, logopedie en fysiotherapie. Daarnaast is er een voor de wat oudere kinderen een ambachtelijke werkplaats waar we onder andere met hout aan de slag gaan. De grote keuken biedt ons de mogelijkheid om met een groep een kookactiviteit te doen. Er is voldoende ruimte om aan een grote tafel samen te komen.

Goed bereikbaar

Kinderdagcentrum Marjatta zit op de hoek van de Servaas van Rooyenhof en de Scheldestraat. Dat is middenin de Rivierenbuurt, nabij openbaar vervoer en zeer goed bereikbaar met de auto. De buurt ligt centraal in Den Haag en zit flink in de lift. Er is een kinderdagverblijf in de buurt en er zijn plannen voor een Brede School. We werken samen met verschillende Haagse therapeuten, onder andere het Haags kinder therapeuticum.

Interesse?

We hebben vanaf juni weer plek bij Marjatta voor kinderen van 0 tot 18 jaar. Wilt u eens overleggen of kinderdagcentrum Marjatta een geschikte plek is voor uw kind? Neem gerust contact met ons op.

Kinderdagcentrum Marjatta (178,9 KB)’
Eergisteren meldde de website van ‘Iona vzw. Voorziening voor kinderen, jongeren en volwassenen met een beperking’ in Kessel, België, ‘Nieuwe directeur voor Iona’:
‘De Raad van Bestuur van Iona vzw heeft afgelopen maandag de beslissing genomen over een nieuwe algemeen directeur. Na een selectieperiode van enkele maanden, gesprekken en een assessment via een extern bureau, werd Jan Jacobs formeel aangesteld als nieuwe algemeen directeur.

Jan Jacobs had in de voorbije maanden de functie van ad interim directeur opgenomen. Uiteraard is Jan enorm tevreden over deze beslissing en heeft hij al laten weten er enorm veel zin in te hebben. We wensen Jan veel succes in deze nieuwe opdracht.’
Via de Facebookpagina van ‘De Kleine Johannes Vrijeschool’ kwam ik gisteren achter ‘den Blanken blogt’; ‘Wim den Blanken is directeur van Vrijeschool de Kleine Johannes in Deventer’. Om te beginnen in ‘Levenskunst’:
‘Enige tijd geleden schreef emeritus socioloog Abraham de Swaan in het NRC dat de huidige mens bijna uitsluitend gericht is op instant genot. Idealen zijn verdwenen, het morele gezag is verkruimeld. De tijd dat men elkaar wil verheffen, zichzelf wil verdiepen of naar iets hogers wil streven behoort volgens hem tot het verleden.

Nu ben ik niet zo’n cultuurpessimist als mijnheer Swaan. Wel constateer ik dat we in een posttraditionele samenleving zijn terecht gekomen waar wij in een woud van keuzemogelijkheden, zélf de richtlijnen voor ons leven moeten bepalen. De standaard levensloop heeft plaatsgemaakt voor een keuzebiografie. En wat blijkt: het zelf zinvol richting geven aan ons leven in onze consumptiemaatschappij met een overvloed aan informatie, is geen sinecure. Dit probleem is volgens mij het grootst onder jongeren. En zoals zo vaak dreigen de Verenigde Staten ons voorland te zijn. Daar zien we een explosieve toename van twintigers met burn-outs, zingevingsvraagstukken en therapie-sessies.

Onlangs woonde ik een lezing bij van Prof. Dr. Joep Dohmen. Hij stelt dat het van belang is dat we jongeren helpen om hun te leven goed te leven. Daarmee bedoelt hij min of meer soeverein, zelfstandig en authentiek. Hij noemt dat levenskunst. Hij pleit in dit kader voor het versterken van eigen oordeelsvorming en zelfonderzoek door jongeren in het voortgezet onderwijs. Wat mij in zijn lezing trof was zijn boodschap dat de Grieken en later Romeinen zich ooit oefenden in allerlei vormen van zelfkennis, het uitstellen van behoeftebevrediging, het omgaan met emoties en vrienden, het ontwikkelen van aandacht en empathie, luisteren en zwijgen. Allemaal deugden en omgangsvormen die de basis vormen om tot goede oordeelsvorming te kunnen komen. De kunsten werden als een belangrijk middel gezien bij dit oefenen. Verbeelding om de wereld om je heen te gaan begrijpen. En dat is precies de reden waarom wij op de Vrijescholen veel aandacht besteden aan kunstzinnig onderwijs.’
Hij kan schrijven, deze meester Wim den Blanken. Dat bewees hij meteen ook in ‘Ten Strijde!!’
‘Mijn zoon volgt de studie Docent Theater. Dat doet hij met zeer veel inzet en plezier. Er is echter iets wat hem niet aanstaat: in zijn leerjaar is er maar één andere mannelijke student. Binnen de hele opleiding ligt het aandeel mannen trouwens onder de 10%. Deze mannen organiseren daarom mannenavonden. Om “testosteron bij te tanken”. Dat doen ze in het geheim en onder een codenaam want de ervaring leert dat de meiden anders de bijeenkomsten komen verstoren.

Ik begrijp het probleem van mijn zoon goed. We vermaken ons uitstekend met vrouwen maar je kan het ook overdrijven. Hoewel ik op onze school nog geluk hebben met twee meesters en de conciërge is het duidelijk dat het basisonderwijs al jaren stijf staat van de vrouwelijke energie. En dat is geen goede zaak.

Mijn zoon en ik redden ons wel. We grommen wat naar elkaar bij een biertje en gaan een paar rondjes karten . Maar hoe zit dat met al die kleine jongetjes?

De man is de afgelopen jaren in de opvoeding steeds meer uit beeld geraakt. Vanaf hun geboorte worden jongens omringd door moeders en de vele vrouwen in kinderopvang en onderwijs. Veel vrouwen hebben moeite met het impulsieve en in hun ogen drukke testosteron-gedrag van jongens. En wat gebeurt er met dat waar je last van hebt? Dat wil je uitroeien en onderdrukken. Arme jongens want zo wordt hen eigenlijk verteld dat ze niet goed zijn als jongen en dat ze zich dienen aan te passen aan de mores van vrouwen. De hele opvoeding is daarmee gefeminiseerd en daardoor kan het tot de pubertijd duren voor een jongen voldoende mannelijke rolmodellen tegenkomt.

Bovendien zie ik een fors aantal echtscheidingen waarbij mannen hun opvoedingsverantwoordelijkheid slecht nemen en uit beeld verdwijnen. Arme jongens. Want hun behoeften verschillen nogal ten opzichte van meisjes. Jongens hebben behoefte aan avontuur, strijd, competitie, risico’s nemen, grenzen en regels zonder daar uitgebreid over te moeten praten. En dit zijn eigenschappen die gekoesterd dienen te worden. Ze moeten genoeg ruimte krijgen en begeleid worden omdat ze zo waardevol zijn voor die jongens én voor onze samenleving.

Ik roep daarom mannen op om het mooie vak van leerkracht uit te gaan oefenen. Laat de marine, de landmacht of luchtmacht maar even links liggen. Het is het onderwijs dat naar echte mannen snakt! En vaders, laat je gelden in de opvoeding. Jullie zonen hebben een held nodig. Niet alleen achter de buggy en om ’s avonds voor het slapen gaan voor te lezen en te knuffelen. Maar ook om de wereld te ontdekken en met één hooguit twee woorden aan te geven waar de grenzen liggen. Én om samen ten strijde te trekken, draken te verslaan en prinsessen te redden.’
Een schrijvende vrijeschoolleerkracht, en een goede ook (nou ja, directeur; maar op een vrijeschool). Waar vind je die nog tegenwoordig? Dit riep meteen Marcel Seelen bij mij in herinnering. Zou diens website nog in bedrijf zijn? Had ik die eigenlijk hier ooit wel eens genoemd? Het laatst had ik Marcel Seelen op 7 februari in ‘Ballotagesysteem’; maar voor de rest is het een hele tijd terug, namelijk 2009: ‘Heraarding’ op 16 januari, ‘Brandpunt’ op 11 maart en ‘Significant’ op 8 mei, nu dus precies vier jaar geleden. Van zijn website/weblog echter geen spoor. Dat is gek. Of misschien ook niet. Want die ging op 29 oktober 2010 in bedrijf, zoals blijkt uit ‘Wie is Marcel Seelen?’
‘Marcel Seelen (1958) is docent Nederlands, conrector pedagogiek en taalcoördinator aan het Geert Groote College Amsterdam. Verder zit hij in taalprojecten van de gemeente, maakt lesmateriaal en lerarenhandleidingen voor vrijescholen vanuit de Vereniging voor Vrijescholen en publiceert in Motief en De Seizoener.

Hij schreef “Mijn lot heeft vlam gevat” over droom en daad in het vrijeschoolonderwijs en “Geert Groote – spiritualiteit van de werkvloer” over de contemplatieve traditie van het vrijeschoolonderwijs.’
Dezelfde dag plaatste hij het kernstuk, waar het om ging, hier op internet, namelijk ‘De zesjarige Havo’, wat blijkens de inleiding eerder was ontstaan:
‘In de jaren tachtig zond de VPRO een geruchtmakende documentaire uit over een Havo 4 klas. Een storm brak los. De rusteloosheid van de leerlingen, de chaos in de lessen, de verregaande desinteresse riep herkenning op bij leraren, leerlingen en ouders. Havo 4: een fenomeen.

Voor de mensen uit het veld, die lesgeven aan leerlingen uit havo 4 en voor de theoretici die zich sinds jaar en dag bezighouden met de opstandige houding van die Havoleerling, dreigt meer en meer het gevoel met de rug tegen de muur te staan. Machteloos staat men tegenover de motivatieproblematiek, al tientallen jaren.

In de afgelopen jaren werd op diverse conferenties, met als thema de Havo 4 leerling, door verschillende rectoren een idee geopperd: verleng de havo met een jaar!

Waarom een verlenging? Wie het traject met een schooljaar uitbreidt, geeft leraren meer tijd om hun vak over te brengen, zo luidt de redenering en bovendien zijn de leerlingen dan een jaar ouder, wat gunstig kan uitpakken, want wie is er na 5 jaar havo nu klaar voor het hbo onderwijs? Tussen droom en daad staan wetten in de weg, en praktische bezwaren, zegt de dichter, en zo blijkt het opnieuw. Alles blijft tenslotte bij het oude. Punt.

Wat is de kern van het probleem? Waarom is de havo 4 klas berucht, met ordeproblemen en een hoog percentage zittenblijvers en schoolverlaters? Hoe komt het dat een 4 vwo klas deze problemen helemaal niet kent? De havist heeft, in vergelijking met de vwo-er, een jaar minder school en daardoor lijkt het probleem zich te manifesteren: vrijwel dezelfde leerstof moet in aanzienlijke kortere tijd worden behandeld, terwijl juist op datzelfde moment waarop die leerdruk wordt vergroot, in havo 4, de puberteit in alle hevigheid losbarst en school. Is er een verband tussen puberteit en een neergaande spiraal van schoolse prestaties?

Op de vrije scholen wordt al een verlengde Havo route van zes in plaats van vijf jaar aangeboden. De ervaringen met deze verlenging zijn ongewoon positief. Wat ligt ten grondslag aan dit succes en hoe kan worden beargumenteerd dat een verlenging van de Havo-route een uitkomst is voor de problemen waar alle Havisten mee kampen? Deze studie is een zoektocht naar een helder en overtuigend antwoord.

Voor een goed begrip moet nog worden vermeld dat er in deze studie sprake is van puberteit en adolescentie, waarbij het volgende onderscheid wordt gemaakt: de puberteit valt tussen 12-16 jaar, de adolescentie tussen 17-22 jaar.

De studie is in opdracht van de Vereniging van Vrije Scholen uitgevoerd. Ik ben Piet van Pinxteren en Inge Haagsma buitengewoon erkentelijk voor hun uitvoerige constructieve kritiek op een eerdere versie van het manuscript.

Marcel Seelen

15 mei 2009’
En dit staat zomaar verloren ergens op internet! Want verder is er, zo lijkt het, niets mee gebeurd. Mij is in ieder geval niets ervan bekend. De volgende dag, 30 oktober 2010, is er op dit internetadres nog een groot aantal losse artikelen van Marcel Seelen bijgeplaatst, 26 stuks maar liefst. Die zal hij nog ergens in de kast gehad hebben moeten liggen. Het laatste, nummer 27, werd ten slotte geplaatst op 1 november 2010. En toen was het op en klaar blijkbaar. Er zitten heel mooie bij. Ik roep eerst dit in herinnering, over het proefschrift van Hilde Steenbergen. Dat was immers ook zijn voornaamste thema in 2009. Maar daar en toen in fragmenten, nu en hier in zijn volledigheid. Dus wat schreef hij erover in ‘Tussen traditie en toekomst’? Dit:
‘“Op vrije scholen scoort kind laag.” Deze kop op de voorpagina van NRC-Handelsblad van vrijdag 27 februari 2009 blafte me toe. Regels van de dichter Remco Campert schoten me te binnen:

“maar de kranten willen het anders
willen droog en zwart van koppen staan
werpen dammen op en dwingen.”

Wat bleek uit het krantenbericht? In de eerste drie jaren van het voortgezet onderwijs scoren vrije schoolleerlingen voor de vakken Nederlands en rekenen beduidend lager dan de leerlingen uit het reguliere onderwijs.

Was die boude bewering wel steekhoudend? Het bleek om een proefschrift te gaan, waarin jarenlang onderzoek op wetenschappelijke wijze, dus verifieerbaar voor iedere onderzoeker, werd gepresenteerd. Hilde Steenbergen zou pas promoveren op 12 maart, maar de landelijke kwaliteitskrant nam alvast een voorschot.

De krant was ook zo attent om met een hyperlink te verwijzen naar het proefschrift, zodat al het materiaal was te downloaden, en ik heb buitengewoon geboeid een middag gebogen gezeten over de tweehonderd bladzijdes. Hilde Steenbergen stelt in de dissertatie ook de vraag of de vrijeschoolleerling een “ander soort” leerling is, dan de leerling uit het reguliere onderwijs. Ze onderzocht alle leerlingen op vijf persoonlijkheidskenmerken: mildheid, ordelijkheid, extravert, emotioneel stabiel en autonoom. De uitkomst luidt: de vrijschoolleerling is mild, niet ordelijk, weinig extravert (waaronder bijvoorbeeld wordt verstaan: roept hij snel de hulp in van zijn leraar), emotioneel weinig stabiel en uitgesproken autonoom. De emotionele instabiliteit verbaasde me. Natuurlijk vallen de eerste jaren van het voortgezet onderwijs samen met het begin van de adolescentie, maar waarom zijn de vrijeschoolleerlingen dan, in vergelijking met de leerlingen uit het reguliere onderwijs, instabieler? In de zeer enerverende klassengesprekken die ik in verschillende klassen tijdens de les Nederlands voerde over de onderzoeksresultaten, stak een eindexamenleerling direct haar vinger op. Zij wist het gegeven als volgt te verklaren: op een vrijeschool leer je als leerling te praten over wat je voelt en denkt, je beseft dat je iemand bent die nog in ontwikkeling is, dat je nog niet de zekerheid bezit die een volwassene als je eigen leraar al bezit, terwijl in het reguliere onderwijs de leerlingen veel meer in een keurslijf worden gepropt en gevoelens en gedachten amper of niet worden besproken!

Met name het feit dat de vrijeschoolleerling als autonoom wordt gekenmerkt, beschouw ik als een bijzonder compliment aan ons onderwijs. Steenbergen definieert autonoom in haar proefschrift als “betekenisvol leren”. Hetgeen betekent dat de vrijeschoolleerling daadwerkelijk ervaart, waar het gehele Nederlandse voortgezet onderwijs met het nieuwe leren naar verlangt: leren dat er toe doet, ook wel authentiek leren genoemd.

Uit de studie van Hilde Steenbergen blijkt ook nog, dat de vrijeschoolleerling in de eerste drie jaren steeds gemotiveerder raakt voor het leren, terwijl dat in het reguliere onderwijs juist afneemt. De manieren om te leren worden in het vrijeschoolonderwijs in de loop der jaren steeds vindingrijker, terwijl in het reguliere onderwijs die leerstrategieën juist in kwaliteit afnemen. De band met de leraar wordt door de vrijeschoolleerling als positief ervaren, terwijl in het reguliere onderwijs de afstand tot de docent steeds groter wordt, hetgeen het leren negatief beïnvloedt. In haar slothoofdstuk merkt Steenbergen dan ook op, en het worden zonder twijfel gevleugelde woorden:

“De slotconclusie die uit dit proefschrift kan worden getrokken is dat de reguliere school de school is waar je leert, terwijl de vrijeschool de school is waar je leert leren en wilt blijven leren.”

Hilde Steenbergen heeft geen onderzoek gedaan naar het waarom van al deze effecten. De vrijescholen zijn nu aan zet om te gaan ontdekken in de komende jaren, wat de oorzaken zijn van het succes en om bij te spijkeren waar de scholen te kort schieten.

Maar hoe zit dat dan met de conclusie, dat rekenen en Nederlands beneden de maat is, en dat het niveau niet meer in te halen valt, aldus Steenbergen? Op donderdag 12 maart zat ik in de aula van de universiteit van Groningen, waar de promotie plaatsvond. Acht hoogleraren namen drie kwartier de tijd om de studie kritisch tegen het licht te houden. Een professor in de sociologie met grote kennis van statistiek vertelde dat hij zeer nauwkeurig de tabellen had bekeken met betrekking tot de resultaten voor het vak rekenen. Welnu, merkte hij op, als de wegingsfactoren werden meegerekend, dan zag hij geen enkel verschil in niveau tussen beide groepen leerlingen. Steenbergen sprak echter van “significante” verschillen. Hoe kwam zij daarbij? De promovenda viel stil, begon hakkelend aan een antwoord, raakte de draad kwijt, vervolgens de vraag en toen die opnieuw streng werd gesteld, gaf ze toe dat ze het niet kon verklaren. De hoogleraar vroeg toen of ze haar bewering moest intrekken. Ze antwoordde bevestigend. Er was geen aanwijzing voor haar conclusie... Er heerste een spanning in de aula die ons de adem benam. De volgende vraag, hoe zij dan voor het vak Nederlands kon verklaren dat... die vraag mocht zij van de rector magnificus naast zich neerleggen. De vragen erna moest ze ook onbeantwoord laten. De nederlaag was compleet. Maar omdat een promotie een formaliteit is, werden uiteindelijk de woorden “hora est” gesproken en de doctoraatsbul uitgereikt. De vrijescholen kunnen, na de eerste schrik, gelukkig zijn met het proefschrift. Maar tegelijkertijd zullen de negatieve resultaten te pas en te onpas jarenlang in de kranten verschijnen (“droog en zwart van koppen”), want de status van een proefschrift is onbetwist.

Wie de ontwikkelingen van de vrijescholen volgt, wordt niet alleen door de landelijke kranten op de hoogte gehouden over de prestaties van de vrijeschoolleerlingen, maar ook rellerig en uitvoerig geïnformeerd over de ruzies die er woeden in de vrijescholen basisonderwijs Geert Groote I en II te Amsterdam. De kranten “werpen dammen op en dwingen” de lezer tot de conclusie: de leerlingen presteren onder de maat en de besturen gaan elkaar te lijf, dus daar zal op al die vrijescholen wel veel mis zijn. Waar rook is, is vuur, nietwaar?

Het is niet eenvoudig om onbevangen te blijven kijken naar deze maatschappelijke signalen. Je kunt verbaasd zijn over de heftigheid waarmee het nieuws de wereld wordt ingeslingerd. Welke kans biedt ons deze crisis? Een mogelijk antwoord luidt, dat hier op straat wordt uitgevochten, wat in de lerarenkamer van de vrijescholen als strijd woedt: de spanning tussen traditie en de toekomst.

In het rapport “Vertrouwen in de school” van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) dat onlangs is verschenen onder leiding van hoogleraar Winsemius staat deze kritische passage over scholen die aan de leraren een grote mate van vrijheid en autonomie toekennen (zonder daarbij te verwijzen naar de vrijescholen):

“Onbegrensde vrijheid komt misschien wel ten goede aan de arbeidssatisfactie van sommige leraren, maar niet noodzakelijkerwijs ook hun leerlingen. Meer autonomie voor de professionals is in veel gevallen terecht, maar kan zonder tegenkrachten ook ontaarden in professionele slonzigheid, verdediging van verouderde routines en schadelijke vormen van groepsdenken.”

Deze woorden vinden in mij veel weerklank. Ze roepen ook de woorden van Rudof Steiner in herinnering. In zijn befaamde “Jugendkurs” benoemt Steiner de drie gevaren die elk lerarencollege in de toekomst bedreigen: frase, conventie en routine (6 oktober 1922).

Elk vrijeschoolcollege zal een eigen antwoord moeten vinden op de spanningen die nu ontstaan tussen traditie en toekomst. Zijn er meer tegenkrachten nodig, zoals het WRR rapport suggereert, op de scholen zelf, en als die ontbreken, schrikken we dan wakker van de publiciteit?

Het heeft in mijn ogen weinig zin, om zelf ideologische dammen op te gaan werpen, om op die manier te proberen alles bij het oude te laten. Elke school is verankerd in de samenleving, waarvan de kranten de herauten zijn. De tonen zijn soms opzettelijk schril en vals, maar vallen niet te negeren. Vragen zijn gewekt: worden verouderde routines verdedigd en zijn er schadelijke vormen van groepsdenken?

Het proefschrift van Hilde Steenbergen als PDF bestand is te vinden op: http://www.nrc.nl/redactie/binnenland/Vrije%20en%20reguliere%20scholen%20vergeleken.pdf
De artikelen uit het NRC Handelsblad over de vrijeschool staan op: http://www.nrc.nl/binnenland/’
Een volgend artikel over vrijeschoolonderwijs is ‘Ondergang van het onderwijs’:
‘“Want”, zo sprak Rudolf Steiner in Stuttgart op 28 augustus 1919 bij de oprichting van de allereerste vrije school, “U zult zich in de toekomst toch bezig moeten houden met hetgeen er op het gebied van pedagogie en psychologie gepubliceerd wordt – voor zover u daar de tijd en de rust voor heeft.”

In de stapel van publicaties die er de afgelopen maanden over het onderwijs is verschenen, valt Mirjam Schöttelndreier (“Kan ik ook van mijn kind scheiden”) op door haar onderhoudende toon. Ze laat verschillende onderwijsmensen aan het woord die hun gal spuwen op het louter zelfstandig laten werken van de leerlingen, de vernieuwende didactiek die het studiehuis wordt genoemd. Hoe moet dat dan, zo luidt de kritiek, met het verhaal van de leraar? In het boek van Corine Ex (“Opvoeden, wat kun je?”) worden 18 mensen geïnterviewd vanuit verschillende disciplines. Zo worden wetenschappers aan een groter leespubliek gepresenteerd. Het gesprek met de ontwikkelingspsycholoog Willem Heuves valt op, door de warmte en het begrip waarmee hij over pubers praat.

Het meest spraakmakend is echter het boek van Ton van Haperen. Sinds 1985 is hij leraar economie en daarnaast leidt hij leraren op aan de lerarenopleiding van de universiteit in Leiden. Zijn boek vangt aan met de schets van het schrijnende probleem waarover de titel spreekt: er zijn bijna geen doctorandussen meer werkzaam in het voortgezet onderwijs, kinderen krijgen steeds vaker les van onbevoegden, de beste leraren staan niet meer voor de klas maar zitten in het management en van de beginnende leraren die enthousiast beginnen, wijkt al binnen vijf jaar een groot deel (veertig procent) uit naar het bedrijfsleven. Het Sociaal en Cultureel Planbureau wijst er vervolgens op dat een derde van de leraren in het voortgezet onderwijs vanaf 2007 met pensioen gaat. Kortom: een dramatisch scenario.

Van Haperen ziet een tragedie in drie bedrijven: de leraar en zijn salaris (er is teveel bezuinigd), de leraar en zijn werk in de klas (het onderwijs is verkwanseld door de vernieuwingen: basisvorming, studiehuis en vmbo) en de organisatie van de school (alles is op losse schroeven komen te staan). Op deze drie aspecten gaat Van Haperen uitgebreid in.  Hij presenteert de harde feiten en zet alles nog eens op een rijtje te zetten in een wat droge stijl, die hij echter weet te kruiden door waar gebeurde verhalen uit de praktijk van het onderwijs in te lassen. (“Elize begint in 2004 als lerares. Tijdens haar opleiding...”). Van Haperen kraakt de ontwikkelingen van de laatste decennia – en dat is volkomen terecht. Het is natuurlijk ook bekende kost. Wie de columns leest van Leo Prick (NRC-Handelsblad), komt weinig nieuws tegen. Het wordt boeiend als Van Haperen een oplossing aandraagt. Hij breekt een lans voor de leraar. Want die wordt in het huidige onderwijs als productiemedewerker gezien, en niet als kenniswerker. Hoe ontstaat die sterke, erudiete, eigentijdse leraar? Als antwoord citeert hij een hoogleraar innovatiemanagement, die stelt: “Voor leraren die zelf niet willen blijven leren, is in de moderne school geen plaats.” Dat is de spijker op de kop. Hoe die leraar daartoe komt, daarover – helaas – geen woord.

Tijd en rust zijn nodig, aldus Rudolf Steiner, om dit soort publicaties te bestuderen. Tijd hebben we wel, maar de rust steeds minder. Het is ook in mijn ogen van betekenis dat je als vrije schoolleerkracht weet hebt van de recente ontwikkelingen in het onderwijs. Maar het is temeer van belang voor de vrije schoolleraar, omdat alleen studie van de antroposofie de maatschappelijke werkelijkheid uit zicht doet verdwijnen. Studie van de literatuur over onderwijs uit het veld leert je als vrije schoolleraar kijken in de spiegel en reikt de woorden aan, waarin je kunt spreken met anderen zonder in antroposofisch jargon te vervallen.

Lievegoed heeft eens over de betekenis van de antroposofie gezegd: “Wij hebben de wereld van de ideeën die we leren kennen door de antroposofie te studeren. Wij hebben ook de wereld van de maatschappelijke werkelijkheid. Het grote probleem is hoe deze twee elkaar zullen ontmoeten.” Lievegoed signaleerde dat probleem in 1976 en zijn woorden zijn actueler dan ooit, gezien de noodsituatie waarin nogal wat vrije scholen verkeren.

Ton Van Haperen. “De ondergang van de Nederlandse leraar”. Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2007.’
Het volgende artikel gaat meteen in op een verwant onderwerp; ‘De graal’:
‘“...en hij werd een instrument dat de woorden van Christus overbracht ... aan ons.” Met deze woorden werd Rudolf Steiner getypeerd door de Russische symbolist Andrej Belyj, toegewijd antroposoof, in zijn briljante biografie uit 1928 en hij vervolgt: “Hij scheen als het ware terug te schrikken voor de plicht zijn eigen woorden te gebruiken; hij stond er tegenover als tegenover de schaal van de graal; iemand die met zijn wil die heldendaad moest zien te verrichten, net als bij de ronde tafel waarop de graal staat.”

De schaal van de graal... wat mag dat wel betekenen? De eerste keer dat de graal in de literatuur opduikt is het een lichtgevende schaal. De middeleeuwse schrijver Chretien de Troyes schreef daar als allereerste over. De held die er naar op zoek gaat heet Parzival. Hij blijkt uitverkoren en betreedt de graalburcht, maar verzuimt om vragen te stellen, waardoor hij wordt uitgestoten. Tot bezinning gekomen gaat hij opnieuw op zoek naar de graalburcht en dan vertelt het verhaal plots over de verhalen van Gawan en door de dood van Chretien de Troyes bleef het verhaal onvoltooid. Robert de Borron schreef daarna een versie, waarin de graal een kelk is, Wolfram von Eschenbach schreef daarop een versie, waarin de graal een steen is. Het graalverhaal sprak enorm tot de verbeelding, werd mateloos populair en kende in de negentiende eeuw een revival (denk aan Richard Wagner) en is ook nu nog steeds een veelgelezen “pageturner” (denk aan Dan Brown).

Het oorspronkelijke verhaal van Chretien de Troyes is nu een in een frisse vertaling (door Ard Posthuma) opnieuw verschenen. Het is een feest om te lezen, omdat vaart, humor en lichtheid de toon bepalen. De rijmvondsten (het verhaal is in gepaard rijm hertaald) zijn speels en doen aan kwaliteit nog het meest denken aan het briljante werk van Annie M.G. Schmidt. Zee rijmt op chevalier, gedoe rijmt op clou, gevaren op Loire, gratuit op geniet. De lichtheid van toon is opvallend, omdat het zo’n zwaarwichtig onderwerp betreft. Koning Arthur en zijn ridders van de Ronde Tafel worden “maatjes” en “kanjers” genoemd en zij laten zich “potverdrie” en “stennismakerij” gewoon ontvallen. Het maakt de vertaling springlevend en het verhaal werkelijk onverhoeds toegankelijk.

Het is ook onthutsend om te bemerken dat Wolfram von Eschenbach driekwart van het verhaal gewoon letterlijk gekopieerd heeft. Maar dat is ook een a-historische opmerking. Men noemde dat geen plagiaat, maar navolging. De vraag naar originaliteit ging pas in de Romantiek een rol spelen.

Op 1 januari 1914 sprak Rudolf Steiner in Leipzig over de graal. (Het boek met deze voordrachtencyclus verscheen al eerder in vertaling onder de titel: “Christus en het mysterie van de graal”, GA 149). Hij maakte de luisteraar van toen (en de lezer van nu) deelgenoot van zijn vaak vergeefse pogingen de schaal van de graal te duiden. Hij ging te rade bij de Noorse volksgeest, maar hij begreep in eerste instantie het antwoord niet. Hij bezocht de St. Pieterskerk te Rome, zag de pieta van Michelangelo en kreeg niet een visioen maar, naar eigen zeggen, een ware imaginatie. Toen kon hij, jaren later, zijn waarheid onthullen. Wie naar de maan kijkt, ziet de donkere schijf en daaronder de sikkel die oplicht. Wat ziet iemand die dat schouwt? Rudolf Steiner: “...dan zie je de donkere schijf en in wonderbaarlijke lettertekens in okkult schrift op de maansikkel – de naam Parcival!” Het beeld valt ook zo te begrijpen: die goudglanzende sikkel is als de goudglanzende schaal, daarin rust de donkere hostie. Een imposant en onvergetelijk beeld. De berekening van Pasen, dat immers jaarlijks op een andere datum valt, is op die maanstand gericht, onthult Steiner.

Tegelijkertijd is het ook waar wat Steiner zelf opmerkt: “Je komt nooit dichter bij de graal met welke woorden dan ook.” Dat geldt natuurlijk ook voor zijn eigen voordrachten. In die zin gaat er niets boven het lezen van het oorspronkelijke verhaal zelf, dat nu in een sprankelende vertaling de hedendaagse lezer daartoe brutaal verleidt!

Chretien de Troyes “De graal”. Amsterdam, uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep.

Rudolf Steiner “Christus en de spirituele wereld”. Amsterdam, uitgeverij Pentagon, 2007. Prijs 27,-’
Nu begrijpt u dat Marcel Seelen niet meer stuk kan. Vooruit dan maar, nog eentje. ‘Een twee drie antroposofie’:
‘“Er zou nog veel te zeggen zijn als deze schets een kleurrijke schildering zou moeten worden.” Met deze verzuchting sluit Rudolf Steiner zijn laatste van tien verslagen af. Als Steiner sprak, werd alles altijd genotuleerd, maar bij deze voordrachtenreeks die hij in 1922 hield in het Goetheanum, de zogenaamde “Franse Kursus”, maakte Steiner zelf verslagen in beknopte vorm. Ed Taylor stelt dan ook in zijn nawoord: “De referaten geven zich niet gemakkelijk gewonnen.” Hetgeen betekent dat ze de lezer nogal op de proef stellen. Want de extracten zijn dor en beknopt als een uittreksel. De starre feiten staan schematisch bij elkaar. Het voordeel is, dat het er geen overdaad aan woorden is. Alles staat keurig gerangschikt bij elkaar.

Steiner gaat bijvoorbeeld in op filosofie, kosmologie en religie. Drie gebieden die hij opnieuw wil inspireren. Hoe? Kennis van de etherische mens is van belang voor de filosofie, de kennis van het astrale lichaam voor de kosmologie en begrip van het Ik voor de kosmologie. Op eenzelfde overzichtelijke wijze gaat hij in op de begrippen imaginatie, inspiratie en intuïtie. Er zijn weinig voordrachten aan te wijzen waarin Steiner zo helder over deze begrippen doceert. Vervolgens gaat Steiner in op de betekenis van de slaap en de functie van de dromen, waarin de mens herhaalde aardelevens beleeft. In een ander referaat zal hij daarover een veelbetekende opmerking plaatsen: “In het astrale organisme leeft een nabeeld van het vooraardse bestaan.” Parels van uitspraken tref je voortdurend aan: “Wat in de diepten van de ziel zich roert als religieus verlangen, is voor het waken de nawerking van het beleven van de sterren tijdens de slaaptoestand.”

Het is duidelijk dat zulke opmerkingen zich niet lenen voor een oppervlakkige lezing. Ze willen herkauwd worden en vragen om een persoonlijke respons. Het lezen van deze “Franse cursus” is beslist een stroeve aangelegenheid. De woorden hebben inderdaad weinig kleur. Ze doen een beroep op de actieve lezer, waarbij wel een grondige kennis van de antroposofie een vereiste is, om niet verloren te raken in deze occulte teksten. De titel van dit boekje is weliswaar zeer pakkend – “Antroposofie in drie stappen” – maar ook misleidend. Alsof je een korte inleiding in de antroposofie ter hand zou nemen. Niets is minder het geval.

Wat verder opvalt aan de voordrachten, is een doublure. Ergens komt Steiner te spreken over de zin van het lijden. Hij merkt op dat het geluk dat we beleven, te danken is aan ons lot, maar dat de echte inzichten die we in ons leven opdoen, te danken zijn aan de “bittere en smartelijke belevenissen.” Deze woorden treft men ook vrijwel letterlijk aan in een andere cyclus van Steiner, nl. in een extra voordracht die hij hield in Oxford, 20 augustus 1922. Steiner plagieert hier zichzelf. Een voetnoot was hier wel op zijn plaats geweest.

De voordrachten van Steiner smeken dus om een respons. Lievegoed is ons daarin voorgegaan, in zijn onmisbare boek “Mens op de drempel” (1983). Als Steiner bijvoorbeeld keer op keer spreekt van “het moreel-geestelijke waardewezen” en de lezer in verwarring achterlaat, spreekt Lievegoed van een “pakketje” dat ieder mens na zijn aardeleven in de geestelijke wereld achterlaat, om dat pakketje bij een nieuwe geboorte weer op te pikken. Onmisbaar zijn in mijn ogen zulke “vertalingen” in eigen woorden, van de inzichten van Steiner. Wie de voordrachten uit 1922 op deze manier uitgeeft, neemt zijn lezerspubliek zeer serieus, want gaat ervan uit dat men tot zo’n respons in staat is.

Ed Taylor schreef een inspirerend nawoord. Hoewel hij ook aanvechtbare uitspraken doet (over de ontwikkelingsweg merkt hij op: “Je kunt niet verliezen, alleen maar winnen” – alsof er nog nooit iemand is een psychose is geraakt!), trekt hij een sprekende vergelijking tussen het begaan van een ontwikkelingsweg en het leren spelen van een muziekinstrument. Het is jammer dat het nawoord zo kort uitvalt, want deze vergelijking smaakt naar meer.

In zijn nawoord vermeldt Taylor dat Steiner in 1922 ook de jongeren mobiliseerde, uit onvrede met de toenmalige beweging: “Teveel ingekeerdheid, te weinig daadkracht.” Hij zegt er niet bij dat Steiner ongelofelijk inspirerende woorden sprak tot diezelfde jongeren. Die cyclus ( de zogenaamde “Jugendkurs”) is veel te onbekend gebleven. Ligt hier een taak voor een nieuwe, kleurrijke uitgave in vertaling door uitgevrij Pentagon?

Rudolf Steiner “Antroposofie in drie stappen”. Uitgeverij Pentagon.’
Die smeekbede van Marcel Seelen is intussen verhoord. Niet bij Pentagon, maar bij de Rudolf Steiner Vertalingen. Zie voor ‘Antroposofie voor jonge mensen’ ook ‘Jong’ op 26 december 2010. Als laatste hier een van de mooiste, maar meteen ook meest drastische artikelen, ‘De brieven van Steiner’:
‘Petrarca herontdekte de brief als communicatiemiddel tussen vrienden en deze heraut van de Renaissance inspireerde Erasmus ertoe ook een brede correspondentie op te zetten, met talloze koningen, geleerden en kardinalen. Daarmee vestigde Erasmus zijn faam in geheel Europa. Zijn in het Latijn geschreven correspondentie is later door een Engelse geleerde vertaald en uitgegeven – een levenswerk. Op basis van die uitgave schreef historicus Huizinga in 1924 zijn magistrale biografie over Erasmus. Over de jonge kloosterling constateert hij: “het is een jongeman van meer dan vrouwelijke overgevoeligheid.” Wat daar van te denken?

Later zijn er ook bloemlezingen uit de immense correspondentie verschenen. In 1960 (Noordenbos) bijvoorbeeld, waarbij de keuze een erudiete en een avontuurlijke Erasmus laat zien, met een scherpe pen en een natuur die soms ook naar roddel en achterklap neigde. In 2001 (Favy), waarin een geheel andere selectie uit de brieven werd gemaakt en er portret ontstond van de zeer geleerde bijbelse humanist. Elke bloemlezing, zo blijkt, is altijd ook een interpretatie. De bloemlezer toont het portret dat hij zelf waardeert.

Nu in deze jaren de verzamelde brieven van Erasmus voor het eerst in een Nederlandse vertaling verschijnen, krijgen de woorden van Huizinga opeens een verrassende context. De jonge Erasmus bleek verliefd op een andere kloosterling en uit zijn brieven spreken expliciet homo-erotische gevoelens. Huizinga en daarna diverse bloemlezers achtten die informatie kennelijk niet relevant voor een groot publiek. Hoe pakt de aangekondigde “brede selectie” uit bij de brieven van Steiner?

Een jonge Rudolf Steiner schrijft op 13 januari 1881 aan een dierbare vriend die in de liefde is teleurgesteld. Hij geeft hem deze raad: “...das ist echte Liebe, wo man mit dem Bilde zufrieden ist und das Fleisch nicht braucht, ja es unterdruckt.” Freud was toen pas 25 jaar en moest zijn theorieën nog ontvouwen! In de nieuwe Nederlandse vertaling luidt deze zinsnede zo: “...dat is ware liefde, als je met het beeld tevreden bent en het lichamelijke niet nodig hebt, ja, er zelfs van afziet.” Maar “afzien” is iets geheel anders dan “onderdrukken”! Wat gebeurt er hier? Ik wijs op een andere brief, van 12 juli 1891, waarin Steiner hoog oplopende ruzie heeft met zijn werkgever Suphan in Weimar en die gevoelens, schrijft hij aan Pauline Specht, “lieber unterdrucken will.” Wat zegt de vertaling nu? De brief blijkt niet te zijn opgenomen. Natuurlijk, niet alles kan gepubliceerd. Maar toch zijn talloze epistels uit die maanden aan Pauline Specht wel degelijk vertaald! De keuze valt echter telkens op van die brave brieven, die een voorbeeldige Steiner tonen. Of kattebelletjes waarin hij vraagt of hij mag komen logeren... Ongelofelijk! Waar is die prachtbrief van 3 januari 1891 aan Ladislaus Specht, waarin Steiner een onthullend zelfportret schetst: “O, die altijd betweterige en eigenwijze toon die ik altijd aansla!”? Niet opgenomen. Waar is zijn onthutsende brief van 23 december 1895, waarin hij een pijnlijke balans opmaakt over zijn hopeloos vergooide jaren in Weimar? Die man van vlees en bloed wordt buiten beeld gehouden. Waarom?

Laten we een andere steekproef nemen. Steiner wordt verliefd op een al wat oudere weduwe met vijf kinderen. Hij hield kennelijk van wat moederlijke zorg. De brieven aan deze Anna Eunike borrelen over van bruisende levenslust en ongetemde ambitie. Hij is als een kind zo verliefd (2 december 1896), maar tegelijkertijd gaat zijn werk – altijd – voor (24 maart 1897) en dus ziet hij geen tijd om haar te ontmoeten en put zich uit in welgemeende excuses (26 mei 1897), hij belooft zijn leven te beteren, maar desondanks verandert zijn gedrag niet, zo blijkt uit al die liefdesbrieven...! Deze innemende, want menselijke figuur, blijft geheel onzichtbaar, want, het wordt eentonig, al die brieven ontbreken. In plaats daarvan worden we getrakteerd op onbenullige kwesties, als hij (19 december 1896) aan Anna Eunike schrijft dat hij gratis onderkomen heeft gevonden in “Hotel Russischer Hof”. Wat kan ons dat huis schelen, als iemand zijn hart opent?

Ik stel vast dat de vertaling zouteloos is, de uitputtende aantekeningen bij de brieven niets dan lof verdienen, maar dat de bloemlezing ons bewust (elke keuze is een interpretatie!) een portret schetst van een man in muisgrijze tonen: vlak en vervelend.

Rudolf Steiner, “Brieven”. Zeist, Vrij geestesleven, 2007. (Werken en voordrachten). 45 euro.’
Dit is wel genoeg voor één dag. De rest volgt later wel; of niet natuurlijk. En of de compositie nu aangetast is... ik geloof niet echt.
.

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Translate

Volgers

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code