Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

maandag 28 december 2009

Wijd

Ik schreef op 4 maart in ‘Sterfdag’:

‘Het is vandaag de 66e sterfdag van Ita Wegman.’

Als ik een beetje consequent wil zijn, moet ik nu schrijven:

‘Het is vandaag de 61e sterfdag van Marie Steiner.’

Ik moet terugdenken aan wat ik gisteren noemde in ‘Inertie’:

‘In september 2002 was ik voor het laatst op bezoek in Dornach.’

Bij die gelegenheid ontmoette ik natuurlijk aardig wat mensen. Onder degenen aan wie ik goede herinneringen bewaar, zijn ook Martina Maria Sam en Christiane Haid, van de sectie voor ‘Schöne Wissenschaften’. Ik volgde hun gespreksgroep bij de gisteren door mij genoemde conferentie. Ik weet niet of het hierdoor kwam, of door een eerder contact per e-mail dat ik al een paar maanden daarvoor met haar had gehad, maar half oktober kreeg ik het verzoek van de redactie van Das Goetheanum, of in dit geval beter gezegd: van Anthroposophie weltweit, in de persoon van de zeer sympathieke Carol Brousseau, of ik het redactionele inleidende artikel voor de novemberuitgave 2002 van Anthroposophie weltweit wilde schrijven. Er was nood, want de deadline naderde met rasse schreden en ze hadden nog niets passends. Dat wilde ik natuurlijk wel doen. Alleen dan wel in het Nederlands, voor een vertaling moest men in Dornach maar zelf zorgen. Zo gezegd, zo gedaan.

Binnen drie dagen kreeg ik van Carol Brousseau zelf zowel een vertaling in het Duits als in het Engels (ik wist dat toen nog niet, maar ik geloof dat ze zelf van origine Engelse is). Ik was echt ‘flabbergasted’, zoals dat zo mooi in het Engels heet, door haar vertaling, want in het Duits en zelfs in het Engels klonk het nog mooier dan in het Nederlands... Ik laat beide versies hier graag volgen, het past heel goed op de sterfdag van Marie Steiner. Ze verschenen respectievelijk in ‘Was in der Anthroposophischen Gesellschaft vorgeht. Anthroposophie weltweit Nr 9, 3. November 2002’ (met als thema: ‘Konstitution der Anthroposophischen Gesellschaft’, wat dus nog een heel speciaal nummer was ook; maar dat is weer een ander verhaal) en ‘Anthroposophy worldwide No. 9, November 2002’.

‘Einander Flügel geben
Verständnis füreinander in der Anthroposophischen Gesellschaft

Die Welt ist weit, so weit, daß man es sich kaum vorstellen kann. Die Menschen sind verschieden, so verschieden, daß man es sich ebensowenig vorstellen kann. Man könnte fragen, wie sich die Menschen denn überhaupt finden.

Lassen wir einmal in dieser Hinsicht von der Anthroposophischen Gesellschaft sprechen. Wenn es nicht etwas wie die Anthroposophische Gesellschaft in der Welt gäbe, müßte man sie erfinden. Doch was sollte da eigentlich erfunden werden? Raum für die grundsätzliche Bereitschaft, einander im Zeichen des Geistes, wie Rudolf Steiner davon spricht, aufzusuchen.

Die bestehende Anthroposophische Gesellschaft ist das Beste, was Menschen in einem Jahrhundert daraus haben machen können, natürlich mit allen menschlichen Unzulänglichkeiten, doch auch mit allem Großartigen, was Menschen verrichten können.

Man kann sich fragen: Anthroposophie ist bereits in der Welt, braucht es da noch eine Anthroposophischen Gesellschaft? Es gehört zu unserer zeit, daß jeder diese Frage eigentlich nur persönlich beantworten kann. Man könnte es als die wichtigste Aufgabe innerhalb dieser Gesellschaft sehen, wirklich Verständnis füreinander aufzubringen. Jemand, dem wir Verständnis entgegenbringen, bekommt Flügel. Das ist die Aufgabe, die wir in Bezug aufeinander haben. Kein Mensch ist eine Insel. Wir haben sehr viel Einfluß aufeinander, mehr als man denkt. Ohne Verständnis bleibt jeder ein unvollständiger Mensch.

An seinem letzten Geburtstag schrieb Rudolf Steiner an seine treue und nahe Gefährtin, Marie Steiner, daß auch andere Menschen in seine Nähe kamen, das gehörte nun einmal zu seinem Schicksal, seinem Karma. Doch daß es unter ihnen eine gab, nämlich sie, die ihn wirklich verstand, war etwas, was über dieses Schicksal hinausging. Was für ein Segen war das für ihn!

Gilt dieses Prinzip nicht auch für jeden von uns? Verständnis zeigen für diejenigen, mit denen wir im täglichen Leben zu tun haben. Laß Anthroposophie so konkret werden, daß wir einander solche Flügel des Verständnisses geben!

Michel Gastkemper, Rotterdam (NL)
Aus dem Niederländischen von C.B.

Giving Each Other Wings
Shared Understanding in the Anthroposophical Society

The world is wide, so wide that you can hardly imagine it. People are different, so different that you can hardly imagine that either. How then, you might wonder, do people find each other at all.

Let’s consider the Anthroposophical Society in this regard. If there were nothing like an Anthroposophical Society in the world, it would need to be invented. But what exactly would need to be invented? Space for the basic readiness to seek each other out under the sign of the spirit as described by Rudolf Steiner.

The existing Anthroposophical Society is the best that human beings have been able to make out of it in a century. Of course it has all the inadequacies, yet also all the splendid things that people have been capable of.

You might ask whether, if anthroposophy is already present in the world, we still need an Anthroposophical Society? It belongs to our time that each of us can actually only give a personal answer to this question. You could consider it the most important task within this Society to really show understanding for one another. People get wings when you show them understanding. No one is an island. We have a great deal of influence upon each other, more than we think. Without understanding, everyone remains incomplete.

On the last birthday of his life Rudolf Steiner wrote his faithful and close comrade, Marie Steiner. He said there were also others who came close to him and that this was part of his destiny, his karma. But among them there was one at least, namely she, who really understood him – which went beyond this destiny. What a blessing that was for him!

Doesn’t this principle also hold true for us? To show understanding for everyone with whom we are involved in everyday life. Let anthroposophy become so concrete that we give each other such wings of understanding.

Michel Gastkemper, the Netherlands
Translated from the Dutch’

En hoe luidde dan het origineel in het Nederlands? Nou, zo:

‘De wereld is wijd, zo wijd, daar heb je geen idee van. De mensen zijn verschillend, zo verschillend, daar heb je evenmin een idee van. Hoe vinden mensen elkaar dan nog, kun je je afvragen.

Laten we het in dit verband eens over de Antroposofische Vereniging hebben. Als er in de wereld niet zoiets als een Antroposofische Vereniging bestond, zou die moeten worden uitgevonden. Maar wat zou er dan eigenlijk moeten worden uitgevonden? Ruimte voor de principiële bereidheid om elkaar op te zoeken in het teken van de geest zoals Rudolf Steiner het daarover heeft.

De bestaande Antroposofische Vereniging is het beste wat mensen in een eeuw ervan hebben kunnen maken, natuurlijk met alle menselijke tekortkomingen, maar ook met al het grootse wat mensen hebben kunnen verrichten.

Je zou je kunnen afvragen: er is antroposofie in de wereld, is er dan nog wel een Antroposofische Vereniging nodig? Het hoort bij deze tijd dat iedereen op deze vraag eigenlijk alleen een persoonlijk antwoord kan geven. Je zou het als belangrijkste taak binnen deze vereniging kunnen zien, om werkelijk begrip te gaan tonen voor de ander. Iemand die je begrip toedraagt, krijgt vleugels. Dat is de taak die wij ten opzichte van elkaar hebben. Geen mens is immers een eiland. Wij hebben heel veel invloed op elkaar, meer dan je denkt. Zonder begrip blijft iedereen een onvolledig mens.

De laatste verjaardag van zijn leven schreef Rudolf Steiner zijn meest trouwe en nabije metgezel, Marie Steiner, dat hij met veel mensen in contact kwam, dat hoorde nu eenmaal bij zijn lot, zijn karma. Maar dat er onder hen tenminste één was, namelijk zij, die werkelijk begrip voor hem had, wat boven dat lot uitging. Wat was dat voor hem een zegen!

Geldt dit principe niet ook voor ieder van ons? Begrip tonen voor diegene met wie je in je dagelijks leven te maken hebt. Laat antroposofie zo concreet worden dat we elkaar zulke vleugels van begrip geven.’

Goh, dit is intussen alweer zeven jaar geleden... Ik had ook geen idee wat er van Carol Brousseau geworden is. Het laatste bericht dat ik over haar las, niet lang daarna, was dat zij uit de redactie ging. – Ik heb het nu even opgezocht, en zij blijkt tot oktober 2004 in de redactie gebleven te zijn. In nummer 40 van dat jaar schrijft Sebastian Jüngel:

‘Dies ist die letzte Ausgabe von ‹Anthroposophie weltweit›, an der Carol Brousseau mitgewirkt hat. Sie verläßt uns nach sieben Jahre Mitarbeit. Sie gehörte mit Justus Wittich, Paul Mackay und mir zur Planungsgruppe von ‹Anthroposophie weltweit› und ist von Anfang an hauptverantwortlich für die englische Ausgabe gewesen. (...)

In ihren sieben Jahren verantwortlicher Mitarbeit hat Carol Brousseau immer wieder die nichtdeutschsprachigen Welt mit ihren Bedürfnissen und Wissensvoraussetzungen eingebracht. Dazu machte sie sich durch Lektüre anthroposophischer Zeitschriften kundig (...)

[Sie hielt] uns über die englischsprachige Welt hinaus mit der niederländischen verbunden’.

Hij schrijft ook dat zij bij Renate Schmidt in de leer gaat,

‘die vor 25 Jahre das Tycho-Brahe-Labor im Nordschwarzwald gründete und heute, aufgrund jahrzehntelange anthroposophischer Forschung, ein Geigen-Kollophonium herstellt, das manchen Musikern wegen des besonderen Klanges, den sie damit erzeugen können, unentbehrlich geworden ist.’

Colofonium (of pijnhars) blijkt volgens Wikipedia een plantaardige hars te zijn, die wordt gewonnen uit de hars van naaldboomsoorten die behoren tot het geslacht Den (Pinus) en van sommige andere coniferen. Het gaat dus om een hars voor vioolspelers, om hun strijkstokken te harsen.

Ik lees echter in de ‘Paganino Newsletter Nr. 61, Ausgabe vom 11.09.2007’:

‘Nach einem langen Arbeitsleben hat Frau Renate Schmidt, die alleinige Herstellerin des Liebenzeller Kolophoniums, ihre Arbeit eingestellt. Somit wird es dieses wertvolle, von vielen Musikern hochgeschätzte Kolophonium in Zukunft leider nicht mehr geben. Wir haben nur noch einige wenige Exemplare des Liebenzeller Gold Kolophoniums für alle Streichinstrumente und des Aureol Pflegemittels an Lager. Danach ist FINE.’

En Carol Brousseau vind ik terug als vertaalster Engels bij het ‘Internationale Transport Zeitschrift Logistics Worldwide (ITZ)’, dat nu al in zijn 71e jaargang is. Ja, zo kunnen de wegen van het lot lopen!

zondag 27 december 2009

Inertie

Ik kan het niet ontkennen: ik heb bijzondere belangstelling voor de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap van de Antroposofische Vereniging. Dat is op deze weblog diverse keren gebleken. Zoals op 8 augustus 2008 in ‘Drama’:

‘In september 2002 was ik voor het laatst op bezoek in Dornach. Ik schreef een verslag over mijn ervaringen in en rond het Goetheanum voor het novembernummer van Motief. Dat laat ik tot besluit graag hier volgen, omdat het een aardig beeld geeft van de situatie aldaar, ook al is het inmiddels bijna zes jaar geleden.’

Het artikel zelf begon aldus:

‘Antroposofie lijkt zich in een benarde fase te bevinden. Een en ander bloeit niet meer zoals vroeger, niet merkbaar tenminste. In veel werkgebieden wordt over “verwatering” van de antroposofie geklaagd. Wat eraan te doen, in de 21e eeuw? Terug naar de bron, zegt de een: de werken van Steiner. Meer eigen onderzoek en ontwikkeling, zegt de ander. Voor een derde is het antwoord: vernieuwde persoonlijke initiatiefkracht.

De vraag is wat de Antroposofische Vereniging in deze situatie kan betekenen. Zij heeft de beschikking over een Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap met zijn verschillende secties, dat wil zeggen de vakgebieden waarin deze actief is en onderzoek doet. Welke rol spelen de secties in het versterken van antroposofie in het werk van alledag? Antwoord op deze vraag werd beloofd met de conferentie die van 26 tot en met 29 september in het Goetheanum te Dornach (Zwitserland) plaatsvond, onder de titel: “Midden in de wereld”. In de aankondiging stond te lezen: “Wat is het werk van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap? Hoe wordt er concreet gewerkt? En hoe houdt dit verband met de relevante, algemene maatschappelijke vraagstukken in de meest brede zin?”’

Die interesse is niet verflauwd. Op zondag 26 april 2009 schreef ik naar aanleiding van de ‘Landbouwsectie’:

‘“De kern van de Antroposofische Vereniging wordt gevormd door de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap die zijn internationale centrum heeft in Dornach, Zwitserland. Er is een algemene sectie met daarnaast tien vaksecties. Ook in Nederland is deze school actief.”

Zo staat op de website van de Antroposofische Vereniging in Nederland, onder “organisatie” achter het openklapvenster “over de vereniging” (te vinden onder het rolvenster “vereniging”). Nogal belangrijk dus, deze “kern van de vereniging”. Het is dan ook altijd weer goed om je te bezinnen op hoe het hiermee staat. Nu is er onder het rolvenster “vereniging” ook het item “vrije hogeschool” te vinden, waarna het venster meteen verder openklapt in twaalf verschillende afdelingen. Het eerste is “Introductie” (zodat de genoemde optelsom van algemene sectie en tien vaksecties inderdaad klopt), waar onder het kopje “Spirituele werkplaats” wordt gemeld:

“De Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap is een spirituele ‘werkplaats’ voor leden die individueel of met vakgenoten gezamenlijk, geesteswetenschappelijk onderzoek willen beoefenen. Aan allen, die via deze weg doelbewust kiezen voor het zoeken naar verbinding en samenwerking met de geestelijke wereld, gaf Steiner een aantal meditatieve teksten mee.”

En even verderop, onder “Beroeps- of wetenschapsgebieden”, wordt verder uitgelegd:

“Wie werkzaam is in een bepaald beroeps- of wetenschapsgebied en dit vanuit diepergaande antroposofische gezichtspunten wil onderzoeken, kan zich aansluiten bij een van de vaksecties van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap. Hierin vinden intercollegiale gesprekken over vakthema’s plaats, maar worden ook initiatieven ontwikkeld voor gezamenlijke geesteswetenschappelijke verdieping en onderzoek.”’

De dag daarop, 27 april van dit jaar (nog net, over een paar dagen zal dit anders zijn), kwam ik hier in ‘Tegenruimte’ op terug:

‘Gisteren schreef ik over de landbouwsectie van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap, zoals deze vermeld wordt op de website van de Antroposofische Vereniging in Nederland. Maar er waren ook nog tien andere secties. Vandaag wil ik die van de natuurwetenschappelijke sectie er uit lichten. Wat staat daarover vermeld?’

Mijn belangrijkste conclusie luidde:

‘Net zoals gisteren met de landbouwsectie krijg je ook hier bij deze tekst het gevoel dat die eigenlijk tot een beperkte groep mensen is gericht.’

Dat bleek ook op zaterdag 29 augustus van dit jaar, in ‘Conferentie’:

‘Over die speciale Hogeschool voor Geesteswetenschap heb ik hier vaker geschreven, bijvoorbeeld op 1 december 2008 in “Tweehonderd”. Wil je echter over het hier en nu ervan in het Nederlands meer lezen, is er vrij weinig over beschikbaar helaas. (...)

Nee, voor de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap moet worden uitgeweken naar de Freie Hochschule für Geisteswissenschaft, met haar zetel in het Goetheanum te Dornach, Zwitserland. De website van de Allgemeine Anthroposophische Gesellschaft aldaar biedt meer op dit gebied. De “Hochschule” heeft hier een uitgebreid eigen menu.’

Op 10 november kon ik in ‘Miscalleneous’ mijn teleurstelling niet onderdrukken over de totale inertie op de webpagina van de Pedagogische Sectie:

‘Ik begin met de pedagogie, en wel met het ongelooflijke feit dat ik hier vier maanden geleden ook al aan de orde stelde. Ik schreef toen (dat was op 9 juli in ‘Negatieve invloed’):

“Het is natuurlijk zomer. Dus je kunt niet verwachten dat alles en iedereen up-to-date is. Maar op sommige plekken ziet het er wel erg dol uit.”

Dat sloeg toen op de pedagogische sectie van de Antroposofische Vereniging in Nederland, in feite van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap. (...) Wat bleek: er stonden vreselijk gedateerde teksten (aankondigingen van 23 april en van 9 en 10 mei) op de website, bovendien in tenenkrommend Nederlands, om over de inhoud van het gebodene maar te zwijgen. – En kijk ik nu, vandaag, nogmaals naar diezelfde pagina op internet, dan zie ik nog steeds exact hetzelfde, ik herhaal: exact hetzelfde daar staan. Als ik het niet met eigen ogen zou aanschouwen, zou ik het niet kunnen geloven.’

Gelukkig was het niet overal zulke kommer en kwel. Zo constateerde ik op 28 november in ‘Theater’:

‘Deze webpagina van de medische sectie blijkt opmerkelijk veel informatie te geven. En bijgewerkt!’

Op 14 december in ‘Omslag’ gevolgd door:

‘In dit verband is het gepast ook weer eens bij de sectie voor “Landbouw” van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap van de Antroposofische Vereniging langs te gaan. Ik denk dat dat hier voor het laatst gebeurde op 26 april in “Landbouwsectie”. En inderdaad, de tekst is (gedeeltelijk) vernieuwd.’

Maar door de bank genomen hield het toch niet over, wat me het volgende ontlokte:

‘Zal het ooit nog eens wat worden met die Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap van de Antroposofische Vereniging? We naderen het einde van het jaar, en we mogen wel eens evalueren hoe de verschillende secties hiervan zich presenteren. Ik heb dat al wel eerder gedaan, maar het moet nodig weer opnieuw gebeuren. Ik kan u nu al verklappen, dat dat niet zal overhouden. Maar dat is voor later.’

En dat is wat ik vandaag eens wil doen. Nadat ik de afgelopen dagen her en der op internet gelukkigerwijs op behoorlijk inhoudelijke antroposofie ben gestuit en die daardoor in deze weblog heb kunnen weergeven, komt de vraag des te sterker op: hoe is het momenteel met de secties van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap gesteld (voor zover dat op de website van de Antroposofische Vereniging wordt gemeld, uiteraard – een andere bron gebruik ik nu even niet)?

Laat ik om te beginnen eerst een algemene tekst weergeven over de ‘Algemene Sectie’:

‘De Algemene Antroposofische Sectie vormt het uitgangs- en middelpunt van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap. Hier wordt trapsgewijs het fundament gelegd voor alle terreinen op geestelijk gebied.

De drie kerntaken zijn:
– antroposofische menskunde (w.o. reïncarnatie en karma),
– geschiedenis en evolutie van de mensheid en
– de antroposofische innerlijke scholingsweg.
Deze thema’s omvatten in grote lijnen de antroposofische geesteswetenschap.

Klassenuren
In 1924 ontwikkelt Rudolf Steiner een leergang, die als meditatieve oefenweg het geestelijke in het mensenwezen naar het geestelijke in de kosmos leidt. Deze esoterische leergang ligt ten grondslag aan het werk van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap.

De leergang bestaat uit 19 esoterische uren (lessen) – klassenuren genoemd – die Rudolf Steiner voor de leden van de Algemene Sectie hield. Ieder lid van de Hogeschool is tevens lid van de Algemene Sectie en kan aan de klassenuren deelnemen. Deze worden in verschillende plaatsen in ons land gehouden. Bij deze uren gaat het om een weg van de mens naar de drempel van de geestelijke wereld en om het binnentreden in de geestelijke wereld. De nadruk ligt daarbij niet op een inhoudelijke bespreking van deze geestelijke ontwikkelingsweg, maar op het meditatief beleven ervan. Door deze weg van zelfkennis kan in de mens een kracht groeien, die het vertegenwoordigen van de antroposofie in de wereld kan versterken.

Meditatiewerkplaatsen
Sinds 2004 organiseert de Algemene Sectie z.g. meditatiewerkplaatsen voor leden en beroepsbeoefenaren in antroposofische werkgebieden. In deze werkplaatsen wordt de specifieke antroposofische benadering van mediteren en de voorbereiding daarop behandeld. Dit gaat in de vorm van gesprek en kunstzinnige verwerking, met name door euritmie, en door uitwisseling van ervaringen, alles ter ondersteuning van de individuele meditatieve activiteit in de eigen omgeving.’

Dat is natuurlijk mooi. Maar nu concreet naar de verschillende maatschappelijke gebieden. We hebben hier:

‘Wiskunde en Astronomie
Gezondheidszorg
Natuurwetenschap
Landbouw
Pedagogie
Beeldende kunsten
Woord, Muziek en Euritmie
Cultuurwetenschap en Letteren
Sociale Wetenschappen
Jongerensectie’

Gezondheidszorg, Natuurwetenschap (daar is sinds 27 april blijkbaar niets gebeurd), Landbouw en Pedagogie kunnen we welgevoeglijk overslaan; die zijn recent al aan bod geweest. Wat biedt ‘Wiskunde en Astronomie’? Niet veel. Onder ‘Doelstelling’ wordt gemeld:

‘De mathematisch-astronomische sectie wil een platform zijn voor onderzoek en studie van wiskunde en sterrenkunde vanuit de antroposofie. Tot de onderzoeksgebieden behoren ook de de theoretische natuurkunde en de goetheanistische fenomenologie van de bewegingen aan de hemel. Meerdere benaderingen zijn mogelijk: antroposofisch, wetenschappelijk, kunstzinnig, pedagogisch. De sectie wil ontmoeting en samenwerking (ook met andere secties) bevorderen.’

Als ‘Activiteiten van de sectie’ worden met name genoemd:

‘Studiegroep wiskunde
Conferenties wiskunde
Astronomisch onderzoek
Activiteiten aan het Goetheanum’

Als voorbeeld haal ik de ‘Conferenties wiskunde’ eruit:

‘In Nederland worden regelmatig bijeenkomsten rondom een wiskundig thema georganiseerd. In 1997 rondom het onderzoek van Nick Thomas over toepassingen van projectieve meetkunde in de theoretische natuurkunde en rondom het werk van Lawrence Edwards. In 2001 en 2007 rondom projectieve lijnenmeetkunde met prof. H. J. Stoß.’

En dat is het dan (de rest is niet veel beter). Dan maar door naar de ‘Beeldende kunsten’. Hier wordt als ‘Doelstelling’ geformuleerd:

‘De beeldende kunsten zijn van wezenlijk belang bij de ontwikkeling van het culturele leven.
Doel van de sectie is het gebied van de beeldende kunsten tot zijn recht te laten komen en te onderzoeken, zowel binnen als buiten de Antroposofische Vereniging. Het bevorderen van geesteswetenschappelijk onderzoek geïnspireerd vanuit de antroposofie krijgt daarbij bijzondere aandacht.’

En als ‘Werkveld’ wordt beschreven:

‘Het werkveld van de sectie voor beeldende kunsten omvat de “ruimtelijke kunsten”: al die kunstvormen die zich in de ruimte manifesteren. Dit zijn allereerst klassieke kunstvormen als:
– De architectuur
– De beeldhouwkunst
– De plastische kunst
– De teken- en grafische kunsten
– De schilderkunst

De sectie probeert al deze kunsten te waarderen en zoekt daarbij steeds naar de betekenis van elk van die kunsten, de oorsprong ervan, de waarde als culturele uiting en de mogelijkheden voor de toekomst.’

Allemaal mooie idealen, maar wat is de praktijk? Kijk ik naar ‘Agenda’, blijkt die niet helemaal actueel meer te zijn, om het zacht uit te drukken:

‘– Vanaf januari 2009 zullen vanuit de sectie atelierbezoeken georganiseerd worden (nadere berichtgeving volgt).
– Van 26 tot en met 30 augustus is een werkbijeenkomst voor architecten in voorbereiding in Budapest (nadere berichtgeving volgt).
– KUNSTCONFERENTIE 2009
In oktober 2009, van 21-10 t/m 25-10, houdt de sectie voor Beeldende Kunsten opnieuw een grote kunstconferentie! Dit doet ze in samenwerking met de Internationale Sektion für Bildende Künste, die in Dornach, Zwitserland zetelt. Kijk voor meer informatie onder het kopje Actueel, bovenaan deze pagina.
Voor de folder, de aanmelding en verder informatie: zie www.artconference.eu’

Tsja, wat moet je daar nu mee? – Door naar ‘Woord, Muziek en Euritmie’:

‘Deze sectie binnen de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap van de Antroposofische Vereniging is de vaksectie waarin woordkunstenaars zoals spraakvormers en toneelspelers en ook musici en euritmisten verbonden zijn.’

Maar behalve de bekende trits ‘doelstelling’, ‘organisatie van de sectie’ en ‘samenwerking’, biedt de informatie hier niet veel meer dan:

‘Op 28-29-30 Augustus 2009 zal een Hogeschool-conferentie plaatsvinden over de klasse-uren 1-7. Daarin zullen enkele uren in euritmie te zien zijn. Veel Klasseleden-euritmisten werken daaraan mee. De sectie-groep heeft daarom besloten de jaarlijkse September-werkdagen te laten vervallen en Werner Barfod te vragen zijn medewerking te willen verlenen aan deze klasse-uren-euritmie.’

Dan hebben we nog ‘Cultuurwetenschap en Letteren’. Die begint zo:

‘Binnen de Sectie voor Cultuurwetenschap en Letteren van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap staat een grote diversiteit aan menselijke uitingen in cultuur en samenleving centraal: o.a. schilderkunst, beeldhouwkunst, architectuur, taal, poëzie, muziek, literatuur, geschiedenis en filosofie.

Onze Sectie ziet het als haar taak om vanuit de antroposofie een aanvullend perspectief te ontwikkelen op de disciplines waarbinnen deze uitingen van menselijke beschaving worden bestudeerd: o.a. de geschiedkunde, de taal- en letterkunde, de esthetica, de filosofie, de kunst- en cultuurgeschiedenis, de muziekwetenschap, en de culturele antropologie.’

Merkwaardig genoeg blijkt er nog een speciale eigen ‘Website van de sectie’ te bestaan (dat was bij de natuurwetenschappelijke sectie ook al het geval):

‘De Sectie voor Cultuurwetenschap en Letteren beschikt over een eigen website. U kunt hier kennis maken met haar leden en vindt er actuele informatie over haar activiteiten.’

Daar is inderdaad meer informatie te vinden. Maar ga ik daar naar de pagina met ‘Publicaties’, dan kom ik slechts tot vorig jaar (over een week is dat: eervorig jaar):

‘Agenda
SEKTION FÜR SCHÖNE WISSENSCHAFTEN
Veranstaltungskalender 2008
LITERARY ARTS AND HUMANITIES SECTION
The Calendar of Events 2008

Rondbrief
SEKTION FÜR SCHÖNE WISSENSCHAFTEN
Rundbrief - Winter/Frühling 2007/08
Newsletter - Winter/Spring 2007/08’

Dus dat houdt ook niet over. – Dan hebben we nog de ‘Sociale Wetenschappen’ van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap. De inleidende tekst beschrijft dit gebied:

‘Het sociale is wat alle mensen bindt. Dat is niet alleen een feitelijke constatering maar ook een oproep alsook een belofte. Deze “dubbelheid” is kenmerkend voor het sociale. Het sociale kent wetmatigheden die de ontwikkeling van mensen en mensheid begeleiden en beïnvloeden. Door die wetmatigheden beter te leren kennen, kan dat op een meer bewuste wijze gebeuren. Omdat het sociale zich niet vanzelf aan haar wetmatigheden houdt zoals dat bij de natuurwetenschappen het geval is, zal het steeds weer opnieuw een vorm moeten krijgen. Dat is de belofte.

Het sociale doortrekt alles wat hier op aarde door mensen met elkaar wordt beleefd en gedaan. Het betrekt zich zowel op de relatie tussen twee mensen als het vraagstuk van globalisering, van biografische vragen tot mensenrechten, van ondernemerschap tot management.’

En aansluitend komt men ook te spreken over ‘Sociale Driegeleding’:

‘Dat het niet alleen gaat om wat het sociale tussen mensen en groepen van mensen betekent, toont Rudolf Steiner in 1919 met zijn geschrift “De kern van het sociale vraagstuk”. Hierin geeft hij een kritische beschouwing over de politiek-maatschappelijke verhoudingen van die tijd. (...)

De Sectie voor Sociale Wetenschappen van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap houdt zich met deze vragen bezig. Niet alleen op macroniveau maar ook hoe die wetmatigheden op meso – als het om organisaties gaat – en op micro niveau zich manifesteren. De thema’s die daaruit ontstaan variëren van biografiewerk tot het beschrijven van fenomenen die kenmerkend zijn voor de ontwikkelingen in de wereld, van de sociale dimensie van de biologisch-dynamische landbouw tot beproevingen in het sociale.’

Maar over wat er actueel gebeurt, laat staan tot welke bevindingen men is gekomen, wordt niets losgelaten. Onder ‘Activiteiten’ staat:

‘De werkwijze van de Sociale Sectie kenmerkt zich door leden hun persoonlijke onderzoeksweg op deze terreinen te laten zien. Daartoe komt de sectie gemiddeld drie keer per jaar bij elkaar. Binnen de sectie zijn geregeld onderzoeksgroepen actief, zoals nu:

– de Ondernemersgroep. Deelnemers zijn ondernemers van antroposofisch georiënteerde organisaties of instituten, die verantwoordelijk zijn voor de bedrijfsvoering van hun organisatie. De vraagstelling is: hoe kan antroposofie inspireren in ons handelen als ondernemer opdat spiritualiteit gaat resoneren en aanzetten tot duurzame vernieuwing.

De sectie werkt samen met andere secties als het gekozen thema daar aanleiding toe geeft.’

Hé, dat is leuk. Dat lijkt op de vraag die ik vandaag helemaal in het begin stelde. Is er soms ook een begin van een antwoord? Ik kan dat namelijk niet vinden...

De laatste van alle secties is de ‘Jongerensectie’. Daar staat eigenlijk alleen iets over de ‘Internationale Jeugdsectie’:

‘De internationale jeugdsectie (Youthsection) aan het Goetheanum te Dornach (Zwitserland) organiseert seminars, kleine studiegroepen en internationale conferenties. Verder ondersteunt de Youthsection wereldwijd jongereninitiatieven, verzorgt ze stageplekken en verricht ze onderzoek naar mondiale jongerenvraagstukken.’

En dit:

‘Op de jongerenpagina van deze site vind je informatie over jongerenactiviteiten in Nederland.’

Daar vind ik onder ‘activiteiten’:

‘De jongerenmedewerkers Ivor Vink en Femke Klein organiseren speciale bijeenkomsten voor jongeren. Op de aparte website voor en door jongeren stellen zij zich uitgebreid aan je voor.

In de agenda op deze site vind je veel activiteiten die ook voor jongeren interessant kunnen zijn.’

Dus ook hier weer een aparte website... De agenda leidt naar de algemene agenda op de website van de Antroposofische Vereniging, dus dat biedt weinig nieuws. Gelukkig is er ook nog een ‘nieuwsbrief’, die is inderdaad bijgehouden tot deze maand. Hier staat echter:

‘Iedere maand verzorgt Femke Klein, de jongerenwerker van de AViN, een nieuwsbrief waarin allerlei aktiviteiten en wetenswaardigheden voor jongeren te vinden zijn.’

Ivor Vink is blijkbaar verdwenen. Terwijl hij nog wel op ‘de aparte website voor en door jongeren’ vermeld (en voorgesteld) wordt:

‘Femke Klein en Ivor Vink zijn vanaf januari 2009 de nieuwe Jongerenmedewerkers van de Antroposofische Vereniging in Nederland. Zij volgen hiermee Jeanet Besseling op.’

Dit waren dan de secties van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap van de Antroposofische Vereniging. Ik schreef al aan het begin: het houdt niet over. En dan ben ik nog mild. Zou dit in het nieuwe jaar beter kunnen worden? Dat kan eigenlijk niet anders, zeker als je denkt aan wat de ambities van de secties zijn. Maar wie gaat zich dit nu eens aantrekken en werkelijk voor verbetering zorgen?

zaterdag 26 december 2009

Geschiedenis

Deze bijdrage van vandaag zou met gemak ook ‘Geboorte’ kunnen heten, net als die van gisteren. Maar als ik geen verwarring wil scheppen, moet ik iets anders verzinnen. Het gaat op deze Tweede Kerstdag trouwens ook over heel wezenlijke verwarring. Over twee geboortes eigenlijk. Daarvoor kan ik aanknopen bij wat ik gisteren reeds te berde bracht. Bij wat ik van Mignon van Bokhoven als de ‘12 heilige nachten’ weergaf. Ik citeer nogmaals een flinke passage, vanaf
‘[ik] vraag u met mij mee te kijken naar twee beelden die ik voor u wil schetsen. Het ene beeld is het beeld van het kerstfeest wat we vieren op 24 en 25 december. Het andere beeld is het kerstfeest dat we kunnen beleven op 6 januari het Driekoningenfeest.’
Dat citeren lijkt me geen overbodige luxe, omdat dit een ingewikkeld verhaal is voor wie het nog niet kent. En zij beschrijft dit heel soepeltjes:
‘Het kerstfeest van de geboorte van het kind Jezus dat wij vieren na de voorbereidingstijd van de advent is een feest van Licht. Het is in veel opzichten een eenvoudig feest. In de Bijbel wordt door twee evangelisten de geboorte van Jezus opgetekend. Lucas beschrijft de geboorte van het kind, Mattheus beschrijft de geboorte van het kind maar dan op geheel andere wijze. De andere evangelisten beginnen hun evangelie met de doop in de Jordaan, de geboorte van de Christus Jezus.

De wijze waarop Lucas het geboorteverhaal beschrijft is eigenlijk de basis voor het kerstfeest zoals dat bij ons bekend is. Het is het verhaal over eenvoudige mensen die zo zuiver van hart zijn, dat zij het Licht ontvangen kunnen. Het verhaal speelt zich af in een sobere omgeving, de stal waar het kind geboren wordt, de herders op het veld die nog de oprechte verwondering kennen. In het afstammingsregister wordt de stamboom van Jezus beschreven van Jezus af teruggaand via de priesterlijke lijn tot koning David en vervolgens tot zoon van Adam, zoon van God. Alsof er rechtstreeks terugverwezen wordt tot het paradijs. Alsof wij op deze dag dat we de geboorte van het kind vieren ons mogen herinneren vanwaar wij afkomstig zijn.

Het andere beeld dat ik voor u wil oproepen is het beeld van het feest van 6 januari. Op deze dag vieren we eigenlijk verschillende feesten. Het Driekoningenfeest, de Epiphanie dwz de verschijning van het licht en de doop in de Jordaan. Op deze dag komen eigenlijk de verhalen van de andere drie evangelisten aan bod. Het verhaal van de evangelist Mattheus beschrijft ook het geboorteverhaal. De klank van dit verhaal is echter heel anders dan dat van Lucas. Dit verhaal speelt zich af in een andere omgeving en ook de figuren die een rol spelen in dit verhaal zijn anders. Hier is geen sprake van armoede, ontbering tijdens de lange reis. Na de geboorte van het kind komen de Magoi, de wijzen uit het oosten, de drie koningen om het kind te vereren. Maria en Jozef ontvangen de magiërs in een huis. Waar in het verhaal van Lucas de herders in de nacht gewekt worden door de engelen om het kind te gaan zoeken, gaan de Wijzen op pad nadat ze door inzicht en onderzoek naar verschijning van de ster denkend hebben geduid wat dit alles moest betekenen. Waar de herders in hun hart werden opgeroepen moesten de koningen door hun denken tot inzicht komen. Doelgericht gaan ze op pad. Ze nemen geschenken mee. Als ze dan bij het kind geweest zijn gaan ze via een andere weg terug. Door de ontmoeting met het Christuslicht zijn ze “anders geworden”.

Ook Mattheus beschrijft een geslachtsregister, deze afstamming begint echter met Abraham en gaat dan voorwaarts via David, dat hij koning is wordt expliciet genoemd en vanaf David volgt dan een lijn van koningen tot Jakob die verwekte Jozef, de man van Maria.

Deze verhalen staan dan zo naast elkaar, het hartverwarmende lichtfeest van de geboorte van het kind Jezus met de herders, eenvoudig van hart, vol van devotie en daarnaast het feest van de Driekoningen, die doelgericht met hun geschenken voorwaarts gaan, de weg van kennis.

Daarin zit nog een ander aspect: Het lucasverhaal speelt zich af in de schemering, tegen de avond wordt de stal bereikt, en in de nacht vindt dan de geboorte plaats; ook de herders worden gewekt in de nacht en vereren het kind. Dan de drie wijzen, zij komen uit het oosten, daar waar de zon opkomt, uit het Morgenland. Een lange nacht van kerst tot driekoningen.’
Einde citaat. Nu wil het toeval – maar u weet het al: wat heet toeval in deze – dat heel recent deze kwestie ook op een andere plek wordt aangesneden. Op drie plekken maar liefst, om precies te zijn. Waar zal ik beginnen? Bij Trouw maar weer, en de onverbeterlijke afdeling Religie & Filosofie, zoals ik al eerder heb gedaan. Nog op 11 december in ‘Alarmisme’, waar ik schreef dat
‘Frans Olofson, met de inhoud van zijn website “Salicornia”, op de website van Trouw van de partij is, ja zelfs door de redactie van “Religie & Filosofie” extra wordt “Uitgelicht” (...) Dat staat er nu nog steeds zo, alleen... zijn weblog is er daar niet meer bij (je krijgt niets te zien als je op die link klikt).’

Dat is nu nog steeds zo (ook daar op de website wordt blijkbaar slecht opgelet). Maar er is wel iets anders opvallends op dezelfde pagina te vinden. Namelijk dit (scroll naar beneden en kijk dan in de kantlijn rechts):
‘Weblogs Religie en Filosofie
Laatste lezersblogs

Schrijft u graag? Begin een blog op het gebied van Religie en Filosofie of lees hier de blogs van andere gebruikers.

Kerst toespraak koningin Beatrix 2009
\"DE VERO ANNO - Over het geboortejaar van Jezus Christus\" door Werner Greub
Stilleven op de kassaband
Nog meer kerst
Het mooiste cadeau.
Walk the talk’
Dat ‘begin een blog’ laat een mens zich natuurlijk geen tweemaal zeggen. Zeker de enthousiaste Robert Jan Kelder niet – die kwamen we trouwens onlangs ook hier tegen, op 15 december in ‘Zorgbouw’, waar ik over hem schreef:
‘Robert Jan Kelder staat bekend als bijzonder actief op dit gebied.’
‘Dit gebied’ slaat dan op wat ik voor het gemak maar even interne aangelegenheden van de Antroposofische Vereniging noem. Maar hij is dus ook bijzonder actief als het om graalonderzoek gaat, zeker als dat wordt uitgevoerd door Werner Greub (de andere omstreden antroposoof voor wie hij zich evenzo zonder aanzien des persoons inzet, is Herbert Witzenmann). Zo’n link naar ‘\”DE VERO ANNO - Over het geboortejaar van Jezus Christus\” door Werner Greub’ op de beginpagina van Religie & Filosofie moet dus van hem afstammen. En dat doet hij ook. We kunnen vervolgens eerst hier naartoe: ‘Bekijk alle berichten van Willehalm’. We lezen daar ter inleiding dit:
‘Door de vertaler Robert Jan Kelder:

Op deze kerstavond 24 december 2009 zal op deze blog en elders een begin worden gemaakt om de oplossing van een eeuwenlange strijdvraag over het geboortejaar van het Jezuskind, cq. de twee Jezuskinderen, door Rudolf Steiner precies 100 jaar geleden in 1909 – zoals uiteengezet in de onderstaande tekst van Werner Greub (1909-1997) – aan de grote klok te hangen. Deze tekst is de vertaling van het begin van het eerste hoofdstuk “De wedergeboorte van Zarathoestra” van het derde deel van Werner Greubs graaltrilogie “Erwachen an Goethe” (De wekroep van Goethe) over de graalgeschiedenis van de mensheid van Zarathoestra tot Rudolf Steiner, waarvan het eerste deel “Willem van Oranje, Parzival en de Graal – Wolfram von Eschenbach als historicus” (zie mijn blogs op de rubriek Schrijf!) door Uitgeverij Willehalm dit jaar op 28 mei in de Amstelkerk te Amsterdam werd gepresenteerd.

Het is de bedoeling, als een soort feuilleton, elke dag of paar dagen regelmatig vertalingsbijdragen aan dit eerste hoofdstuk te leveren en daarna van het tweede hoofdstuk “Duur van de Christus-incarnatie” en het derde “Zarathoestra en de Magiërs” – allemaal hoofdstukken die zich uitgebreid uiteenzetten met de ontdekking van Rudolf Steiner dat het Lucas- en Mateüsevangelie waarheidsgetrouw berichten over de geboorte van twee verschillende Jezuskinderen in Bethlehem van verschillende ouders, beiden Josef en Maria geheten. De in deze hoofdstukken ontwikkelde opvatting van Werner Greub over het leeftijdverschil van de twee Jezuskinderen van 6 jaar in plaats van slechts enkele maanden, maakt deel uit van een heftige strijdvraag die destijds aan het Goetheanum, Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap in Dornach – de uitgever van het eerste deel van zijn trilogie in 1974 – woedde. Deze geestesstrijd heb ik in mijn inleiding op dit eerste deel onder de titel “Graaloorlog aan het Goetheanum” (zie ook mijn blogs op Schrijf!) ter sprake gebracht.

Verder is het de bedoeling dat dit een interactief feuilleton wordt, dwz. dat ik zal proberen op immanente kritiek in te gaan. Zo is bijv. al verwezen naar bijdragen op Wikipedia waar beweerd wordt dat de opvatting van de Weense astronoom Ferrari d’Occhieppo uit zijn hier ter sprake gebrachte boek “De Ster der Wijzen” uit 1969 achterhaald zou zijn. Zo is te hopen dat op deze manier dit derde deel van Werner Greubs graaltrilogie – dat meer dan dertig jaar geleden begonnen werd, telkens weer bewerkt en uitgebreid werd en pas in 2004 door zijn zoon Dr. Marcus Greub in eigen beheer werd uitgegeven – door vakkundige kritiek en aanvullingen op de laatste stand van de Bijbelwetenschap en graalgeschiedenis van de mensheid wordt gebracht en uiteindelijk als boek aan de openbaarheid kan worden overgedragen.
reacties (1)

Geschreven door Willehalm op 24 december 2009 17:06’

Je kunt alleen maar bewondering hebben voor de niet aflatende ijver waarmee Robert Jan Kelder de zaken die hij van belang acht aan de man tracht te brengen. En daarbij is het nog interessant ook wat hij te berde brengt. – De reactie die deze bijdrage heeft opgeleverd stamt overigens van hemzelf. Het geeft deze verwijzing:
‘Op www.willehalminstitute.blogspot.com staat een Engelse versie van deze tekst met de titel “DE VERO ANNO – On the Birtday of Jesus Christ”’

Maar laten we eerst eens kijken wat Werner Greub over dit hele vraagstuk schrijft. Daarvoor gaan we direct door naar de tekst zelf:
‘Bijdrage 1 van 24 december 2009

1.1 De wedergeboorte van Zarathoestra

Historisch graalonderzoek leent zich ook om licht op het historische Christusleven te werpen. In het eerste deel van mijn onderzoeksverslag “Willem van Oranje, Parzival en de Graal – Wolfram von Eschenbach als historicus” werd erop gewezen dat de grote conjunctie van het jaar 7 v. Chr. dat gebeuren uitbeeldt dat Matteüs in het tweede hoofdstuk van zijn evangelie als de Ster der Wijzen of Magiërs uit het Morgenland beschrijft en dat de eerste terugkeer van deze grote conjunctie in het jaar 848 n. Chr. het tijdstip markeert dat Parzival graalkoning werd.

Nu kan men echter het kosmische verband tussen de Ster van Bethlehem en de Ster van Munsalvaesche in twijfel trekken door te beweren dat de grote conjunctie van het jaar 7 v. Chr. niet de Ster van Bethlehem kan zijn, omdat Jezus zoals bekend niet in het jaar 7 v. Chr. maar in het jaar nul, cq. één zou zijn geboren.

In de nieuwe tijd heeft voor het eerst de astronoom Johannes Kepler een grote conjunctie als astronomisch gebeuren achter de Ster van Bethlehem gezien. Hij heeft in dit sterrengebeuren die hemelse gebeurtenis herkend die de evangelist Matteüs ons als kosmische begeleiding van zijn Jezusgeboorte beschrijft. De drie Magiërs richtten zich naar een sterrengebeuren dat ten tijde van de geboorte aan de hemel kon worden gade geslagen. Kepler heeft deze passage in het Matteüs-evangelie over de drie Magiërs astronomisch geduid.

Hij vermoedde weliswaar dat er gelijktijdig ook nog een nieuwe ster, een Nova, had kunnen verschijnen, omdat een dergelijke Nova, die hij in het jaar 1604 zelf geobserveerd had, na een grote conjunctie volgde.

De nieuwe astronomie bevestigt Keplers vermoeden van het bestaan van een grote conjunctie, gelooft echter niet aan een Nova.

Sinds de vondst van een Babylonisch spijkerschrifttablet (Britse Museum Inf. Nr. 35429), waarop de afzonderlijke fasen van de grote conjunctie van het jaar 7 v. Chr. die de Magiërs volgden, opgetekend zijn, kan er geen twijfel meer over bestaan dat Keplers astronomische duiding van de geboortetijd van de Matteüs-Jezus juist is.

Wanneer men van deze geboortedatum uitgaat, dan stemmen alle aanwijzingen van Matteüs met de historisch-politieke verhoudingen in het toenmalige Jeruzalem overeen. Alles is historisch in orde. Het Matteüs-Evangelie schijnt waar te zijn. De enige tegenstrijdigheid bestaat daarin dat onze jaartelling pas zes en een kwart jaar later begint.

Nu beschrijft echter ook Lucas een Jezusgeboorte. Men kan niet zeggen de Jezusgeboorte. Zijn beschrijvingen spreken op alle punten datgene tegen wat Matteüs zegt. Lucas toont volledig andere verhoudingen. Herodes is allang dood. Van een kindermoord is geen sprake en de ouders van Jezus wonen in Nazareth, terwijl de ouders van Jezus, die Matteüs beschrijft, in Bethlehem woonachtig waren.

De ouders van Jezus van Nazareth gaan na de tijd van reiniging ongehinderd naar Jeruzalem om hun zoon in de tempel te tonen, terwijl de ouders van de Jezus van Bethlehem naar Egypte vluchten en daar verblijven tot zich de politieke verhoudingen in Jeruzalem fundamenteel gewijzigd hebben.

Geïsoleerd beschouwd is ook de beschrijving van de Lucasgeboorte in zich sluitend en consequent. Ze weerspreekt de overgeleverde geschiedenis niet. De geboorte stemt bovendien ook ongeveer met onze jaartelling overeen. Het Lucas-Evangelie schijnt dus ook waar te zijn. Beide evangelies kunnen gelijktijdig echter alleen dan waar zijn, wanneer er van twee verschillende geboortes sprake is, die op verschillende tijden plaatsgevonden hebben. Juist dit is echter – na tweeduizend jaar – nog geenszins een officieel erkend credo van de Christenheid. Het feit dat elk van de twee beschrijvingen op zich beschouwd historisch geloofwaardig is, elkaar echter uitsluiten, was eeuwen lang de het grootste raadsel van het evangeliënonderzoek. Ze is het in brede kringen ook vandaag de dag nog.

Deze grootse strijdvraag van het evangeliënonderzoek werd in het jaar 1909 door Rudolf Steiner volledig beantwoord toen hij erop wees dat er toentertijd in Bethlehem twee Jezuskinderen geboren werden. De evangelisten Matteüs en Lucas schilderen niet één en dezelfde geboorte vanuit twee verschillende gezichtspunten, maar duidelijk twee geheel verschillende geboortes.

De ene geboorte vond plaats vóór de dood van Herodes, de andere pas daarna. Wanneer we deze ontdekking van Rudolf Steiner erkennen, dan lossen zich alle schijnbare tegenstrijdigheden van de geschiedenis van de twee geboortes op. Negentienhonderd en negen jaar na de geboorte van Christus heeft Rudolf Steiner de ware geschiedenis van deze geboorte onthuld en deze voor het menselijke bewustzijn toegankelijk gemaakt. Dit was – historisch gezien – de eerste geestesgave van de in het etherische werkzaam wordende Christus. Het is geen toeval dat deze onthulling in die geografische streek werd gedaan, waarin ook de graalgebeurtenissen van de negende eeuw plaatsgevonden hebben (zie Rudolf Steiner, “Het Evangelie naar Lucas”, GA 114; deze voordrachten werden gehouden in Bazel, een stad in de buurt van de Arlesheimer Ermitage, het centrale graalgebied in de 9de eeuw).

Wanneer alleen het feit ter kennis wordt genomen dat er twee Jezuskinderen geboren werden, maar niet onderkend wordt dat hun leeftijdsverschil enkele jaren bedroeg, dan bestaan de tegenstrijdige chronologische verschillen tussen het Matteüs- en het Lucas-Evangelie onverminderd voort. Op die manier zijn we weliswaar een interessante aanvulling op de geboortegeschiedenis te weten gekomen, maar deze kennisvermeerdering is geen doorslaggevende bijdrage aan het historische evangeliebegrip, omdat de chronologische tegenstrijdigheden die de kennis van de ware geboortegeschiedenis van het christendom verhinderen, niet afgebroken, maar opnieuw bevestigd worden.

Rudolf Steiner heeft door zijn ontdekking van twee Jezuskinderen de waarheid van de anders volledig tegenstrijdige geboortegeschiedenis sluitend aangetoond. Dit bewijs van de waarheid sluit de opvatting dat het leeftijdsverschil tussen beide Jezuskinderen slechts enkele maanden bedroeg uit.

Het is de moeite waard dit vraagstuk in all zijn consequenties te overdenken. Vier verschillende opvattingen treden heden op de voorgrond:

A. De eerste opvatting:

Er wordt beweerd dat er slechts een Jezusgeboorte bestaat, die welke Matteüs beschrijft. Deze blijkt beter onderbouwd dan die van Lucas. Tegenwerpingen die men vanuit het standpunt van het Lucas-Evangelie tegen de duiding van de grote conjunctie als teken van de geboorte van de Messias heeft gemaakt, worden door de markantste vertegenwoordiger van de Matteüsgeschiedenis, Ferrari d’Occhieppo (gewoon hoogleraar aan de universiteit Wenen in zijn boek “Der Stern der Weisen”, Wenen Herold Verlag 1969. p. 123) als volgt ontzenuwd:

Vorm en inhoud van de perikoop Matth. 2:1-12 doen een door de evangelist slechts weinig veranderde eigen bericht van de Magiërs als speciale bron vermoeden.

Een vakkundige opvatting van de vanouds veelal onbegrepen uitspraken over de ster is het resultaat van de herwonnen kennis van de laat-Babylonische astronomie. Er blijft geen spoor van een legendarische rest over.

Avondopgang en stilstand van de ster die de perikoop bijzonders naar voren brengt, kunnen met twee in spijkerschriftoorkonden chronologisch vastgestelde fasen van de planeet Jupiter geïdentificeerd worden.

De duiding van deze hemelse voorvallen in de door de Magiërs van het evangelie beweerde zin is uit de in de Babylonische astronomie aantoonbare indelingen logisch af te leiden. Een zekere kennis van Bijbelse profetieën en historische analogieconclusies en politieke overwegingen zouden de Magiërs in hun verwachtingen hebben kunnen versterken.

De astronomische datering van de reis der Magiërs valt binnen de perken van historisch betrouwbare tijdgrenzen.

Al met al is de besproken perikoop niet op waarde te schatten als het product van wilkeurige literaire fantasie of versiering, maar in tegendeel met zekerheid als historisch document.

B. De tweede opvatting:

Er wordt gezegd dat er slechts een Jezusgeboorte is, die welke Lucas ons beschrijft. Alleen deze stemt ongeveer overeen met de christelijke jaartelling en het is aanneembaar dat de chronologen die de jaartelling bepaald hebben in elk geval hun goede gronden hebben gehad om zich op Lucas te baseren.

Daarop is te zeggen dat Lucas weliswaar zelf aanknopingspunten voor een datering van zijn Jezusgeboorte aangeeft, maar dat zijn versie echter – zolang slechts met één geboorte wordt gerekend – nauwelijks kans heeft zich naast Matteüs te handhaven.

C. De derde opvatting:

Er bestaan twee verschillende Jezuskinderen. Beiden zijn slechts enkele maanden na elkaar in Bethlehem geboren en wel aan het begin van onze jaartelling. De Ster van Bethlehem kan derhalve niet met de grote conjunctie van het jaar 7 v. Chr. geïdentificeerd worden, omdat deze conjunctie niet in het jaar één heeft plaatsgevonden.

D. De vierde opvatting:

Die luidt als volgt: Er bestaan twee verschillende Jezusgeboortes, namelijk die welke ons Matteüs schildert (in de zin van de onder A. genoemde gronden in het jaar 7 v. Chr.), en die onder B. aangevoerde geboorte één jaar voor het begin van onze jaartelling, dus rondom Kerstmis van het jaar 2. v. Chr.

Deze vierde opvatting kan er aanspraak op maken met alle aanwijzingen van beide evangeliën overeen te stemmen.

Opvatting A bevestigt Matteüs, sluit echter Lucas uit. Opvatting B bevestigt Lucas, sluit echter Matteüs uit. Opvatting C bevestigt niet eens Lucas en sluit ondanks de erkenning van een tweede Jezusgeboorte de Matteüs-geboortegeschiedenis uit.

Bij onderzoekers die met slechts één Jezuskind rekenen, staat tegenwoordig de opvatting A op de voorgrond. Ze wordt wetenschappelijk zo inzichtelijk onderbouwd dat ze ook door een vertegenwoordiger van de opvatting D met betrekking tot de oudere van de beide kinderen volledig erkend kan worden. Maar deze vertegenwoordiger van opvatting D houdt daarnaast ook nog rekening met een tweede geboorte, met degene welke Lucas beschrijft. Hij geeft deze geboorte echter zoveel later aan, dat beide evangeliën synchroon met de geschiedenis lopen.

Bij de onderzoekers van de groepen C en D gaat het uitsluitend om leerlingen van Rudolf Steiner of om onderzoekers die uit eigen inzicht de juistheid van de bevindingen van Rudolf Steiner erkennen. Men moet derhalve vragen waarom deze groepen onderzoekers C en D, die beiden met Rudolf Steiner in overeenstemming geloven te staan, tot zulke uiteenlopende opvattingen komen.

Ter beantwoording van deze vraag is het noodzakelijk om eerst de beide geboorteverhalen te vergelijken en vast te stellen welke tegenstrijdigheden we aan de beide evangeliën kunnen ontlenen.

(Wordt vervolgd.)’
Hij weet het spannend te maken, ik kan niks anders zeggen. Maar niet iedereen deelt die mening. Nu had ik het er in het begin over dat deze kwestie op maar liefst drie plekken tegelijk wordt aangesneden. Dat heeft met het niet aflatend enthousiasme van Robert Jan Kelder te maken. Want wat blijkt? Hij heeft precies dezelfde tekst ook op het forum van de Antroposofische Vereniging gezet (‘Beginpagina / Discussieplein / “DE VERO ANNO – Over het geboortejaar van Jezus Christus” door Werner Greub [Bekeken 33 keer] Toegevoegd: 24/12/2009 - 17:30’). Vanochtend plaatste de eveneens onvermoeibare Rob Steinbuch er deze reactie meteen onder:
‘Het verhaal over de “Ster van Bethlehem” als conjunctie van twee planeten is een sympathieke poging van astronomen om het Evangelieverhaal voor moderne, seculiere westerlingen een nieuwe kleur te geven.

Maar voegt deze discussie ook iets wezenlijks toe aan het Mysterie van Golgotha?

De visie van Rudolf Steiner op de “conjunctie” van de twee Jezuskinderen schept een geweldig panaroma op de Jezuspersoon die tijdens de doop in de Jordaan de Christusgeest in de kiem ontving, als begin van zijn openbaar leven. De stromen die vanuit deze twee gestalten in één gestalte samenkomen doen ons iets meer begrijpen van de taak die ons wacht. Het gaat er immers om dat Mysterie van Golgotha handen en voeten te geven.

Aan de resultaten van het astronomisch onderzoek heb ik daarbij geen behoefte. Hoe integer het ook bedoeld is.’
Dat is natuurlijk wel een domper, zo’n reactie. Daar wordt een mens niet vrolijk van. Dat gebeurt Robert Jan Kelder dan ook prompt. – Maar er is nog een derde plek waar deze tekst te vinden is. En dat is op zijn eigen weblogadres, het ‘Willehalm Instituut voor anthroposofie als graalonderzoek, koninklijke kunst en sociale organica’. Daar vinden we wederom ‘“DE VERO ANNO – Over het geboortejaar van Jezus Christus” door Werner Greub’. Maar hier blijkt na ‘Aflevering 1 van 24 december 2009’ er al een ‘Aflevering 2 van 26 december 2009’ te zijn toegevoegd. Die gaan wij nu natuurlijk meteen met rode oortjes lezen:
‘Zowel Matteüs als Lucas beschrijven de geboorte van een jongen die van David afstamt. De stambomen van Abraham tot David stemmen in beide evangeliën absoluut overeen. De controle van de identiteit van beide stambomen wordt alleen bemoeilijkt door het feit dat de stamboom van Lucas van David naar Abraham, cq. via Adam naar God teruggevoerd wordt, terwijl de andere de opsomming van de generaties omgekeerd – van Abraham naar David – laat lopen. Als we beide stambomen in dezelfde richting opschrijven, dan is de overeenstemming tot en met David evident. We zouden derhalve, indien er slechts één Jezusgeboorte zou zijn, ook van David tot en met Josef overeenstemming verwachten. Na David is er echter geen enkele overeenstemming. De afstammingslijn van Matteüs voert van David via diens zoon Salomo naar een Josef die in Bethlehem woont. Die van Lucas loopt via Nathan, de andere zoon van Josef, naar een Jozef die in Nazareth woonachtig ist. Uit deze reeks voorouders blijkt dus eenduidig dat beide Josefs niet identiek kunnen zijn. Ook diens zonen, die beiden Jezus heten, zijn derhalve twee verschillende mensen. Evenzo zijn de beide vrouwen, die in beide evangeliën Maria heten, twee verschillende personen. De ene is met een Nazarener, de andere met een man uit Bethlehem getrouwd.

Aan het Matteüs-evangelie is te ontlenen dat de Jezus uit de Solomische lijn van het Huis van David – nog tijdens het leven van Herodes – in Bethlehem, de woonplaats van zijn ouders, geboren wordt, want hij bevindt zich wegens deze koning in levensgevaar.

De Lucas-Jezus wordt later geboren. “Ten tijde van Augustus” zegt eigenlijk niets, want ook de oudere Jezus werd ten tijde van Augustus geboren. Lucas heeft het er echter ook over dat Cyrenius landvoogd in Syrië is. De ouders van de Lucas-Jezus wonen in Nazareth in Galilea. Galilea behoort aan Syrië. Josef en Maria komen voor de “taxatie” slechts tijdelijk naar hun geboorteplaats Bethlehem. Over gevaren door Herodes wordt terecht niet gesproken, want Cyrenius werd pas in het jaar na de dood van Herodes landvoogd in Syrië.

Geheel verschillend is ook het bekendmaken van de desbetreffende geboorte. Die van de Matteüs-Jezus wordt door een “ster” begeleid, die de Wijzen uit het Morgenland toont dat “de tijd is gekomen”. De Magiërs komen “van de opgangen” naar Jeruzalem en winnen inlichting in bij Herodes over de geboorteplaats van de nieuwe koning. De schriftgeleerden wijzen naar Bethlehem. Herodes wil op zijn beurt weten wanneer het kind geboren is. Na de verering van de Jezus van Bethlehem keren de Magiërs – onder omzeiling van Jeruzalem – terug naar hun geboorteland. De ouders vluchten met hun kind naar Egypte en Herodes beveelt de kindermoord. Aldus bericht Matteüs.

Naar de geboorte van de Lucas-Jezus komen geen koningen, maar herders uit het veld, aan wie de geboorte door een engel wordt geopenbaard. De ouders keren ongehinderd via Jeruzalem – ten tijde van Herodes nog het hol van de leeuw – naar het woonplaats terug en komen van daaruit alle jaren zonder gevaar naar Jeruzalem voor het Passahfeest.

Uit deze tegenstelling is evident dat in het ene geval Herodes een beslissende rol speelt, terwijl in het andere van een bedreiging door Herodes geen sprake is. Rudolf Steiner, de herontdekker van de twee Jezuskinderen, heeft er zelf op gewezen dat één van beide jongens vóór de kindermoord, de andere pas daarna werd geboren. (Zie de reeds genoemde voordracht “Het samenvloeien van de belangrijkste geestelijke stromingen van het Boeddhisme en van Zarathoestra in Jezus van Nazareth. De Nathanische en de Salomonische Jezus” van 19 september 1909 uit de reeks 10 voordrachten “Het Evangelie naar Lucas", GA 114.)

Zijn weergave betekent de oplossing van de eeuwenoude vraag van het evangelieonderzoek naar de waarheid van de beide geboorteverhalen. Ze bevat tegelijkertijd ook een kiem van een interpretatie welke die oplossing weer ongedaan maakt. De kritische zin luidt: “Enkele maanden uit elkaar lagen dus de geboortes van de beide Jezuskinderen.”

Deze zin wordt tegenwoordig door zijn leerlingen zo geïnterpreteerd alsof daaruit de bovengenoemde opvatting C resulteert: “Er zijn twee Jezuskinderen, wier geboortes slechts enige maanden uit elkaar liggen.”

Wie aan het bovengenoemde Rudolf Steiner-citaat deze zin ontleent, zonder daarbij gewag te maken dat de betekenis daarvan door de verwijzing naar de kindermoord gerelativeerd wordt, handelt niet deskundig. Rudolf Steiner zegt niet hoeveel maanden de geboortes uit elkaar lagen, maar hij zegt wel in alle duidelijkheid dat de oudere Jezus nog tijdens het leven van Herodes geboren werd, terwijl de jongere Jezus – zelfs Johannes – pas na de dood van Herodes geboren werd. Rudolf Steiner maakt hier duidelijk dat het hem erop aankomt op een voorlopig niet exact bepaald tijdverschil te wijzen. Een andere betekenis kan de formulering “enkele maanden” niet hebben, omdat aan de verwijzing naar de kindermoord een grotere betekenis moet worden toegekend dan de formulering “enkele maanden”. Enkele maanden betekent hier geenszins datgene wat dit begrip onbeperkt te betekenen heeft. De betekenis van dit begrip richt zich hier naar het daadwerkelijke tijdstip van de dood van Herodes. Over de datum van deze dood zegt echter Rudolf Steiner niets. Daarmee staat vast dat de zin van “enkele maanden” niet de betekenis van een precieze tijdsaanduiding heeft.

Wie het hoofdgewicht op die uitspraak legt dat de geboortes slechts enkele maanden uit elkaar liggen, neemt door het benadrukken van deze zin op de koop toe dat daardoor andere onderzoeksresultaten vernietigd worden. Vooral wordt met deze zin verhinderd dat de door Rudolf Steiner gevonden oplossing van deze eeuwenoude vraag van het evangelieonderzoek algemene erkenning kan krijgen. De chronologische tegenstrijdigheden tussen Lucas en Matteüs worden niet weggenomen, wanneer men weliswaar met twee Jezuskinderen rekent, dezen echter als tegelijkertijd, dwz. slechts enkele maanden uit elkaar, in Bethlehem geboren beschouwd. Daarmee worden weliswaar “tegenstrijdigheden” tussen stambomen en “tegenstrijdigheden” in de geografische verhoudingen (Judea-Samaria en Galilea-Syrië) opgelost, maar de anachronismen blijven bestaan, zolang men dit gering leeftijdsverschil aanneemt.

In de bovengenoemde zin worden we opgeroepen zelf na te denken. Rudolf Steiner zegt: “U ziet dat men over al deze dingen werkelijk nadenken moet...”

(wordt vervolgd.)’
Nou, van mij mag hij doorgaan. Ik vind het wél interessant. Want Grueb duidt met het laatste – het oplossen van ‘“tegenstrijdigheden” tussen stambomen en “tegenstrijdigheden” in de geografische verhoudingen (Judea-Samaria en Galilea-Syrië)’ – uiteraard op Emil Bock, met zijn ‘Tussen Betlehem en de Jordaan’ (dat tegenwoordig trouwens niet meer te krijg blijkt). Ik ben voor nader onderzoek en verdere voortgang en vooruitgang, zeker als je daarmee meer inzicht in geschiedenis krijgt.

vrijdag 25 december 2009

Geboorte

Eerste Kerstdag: onherroepelijk betekent dat een kerstgedachte. Meer dan alleen her en der in de media kun je die tegenwoordig al vinden – hoezo een a-religieuze tijd? Ik zou echter ook over onenigheid kunnen beginnen. Die constateerde ik namelijk, vandaag opnieuw, in huize Verbrugh. Maar eigenlijk moet ik eerst naar Trouw, die onverbeterlijke krant als het weer eens over filosofie & religie gaat. Gisteren, in de Kerstbijlage, schreef Anniek van den Brand over ‘De adem van God’:

‘Cardioloog Pim van Lommel heeft tienduizenden lezers geraakt met zijn bestseller over bijna-doodervaringen. Hij is er zelf ook een ander mens van geworden. “Ik ben geen zwever, nog steeds niet. Maar in mijn diepste wezen herken ik de verhalen.”

Een op de vijfentwintig mensen werpt al een blik in de hemel voordat hij sterft. Mensen met een bijna-doodervaring ontmoeten onvoorwaardelijke liefde en zo’n allesomvattende acceptatie dat het hun leven op aarde voorgoed verandert. Cardioloog Pim van Lommel schreef er een boek over, en het werd een bestseller. Zijn verklaring: “Eindelijk is er een arts die deze ingrijpende ervaring serieus neemt.”’

Alles wat er in deze twee alinea’s voorkomt, staat Hugo Verbrugh ten enenmale tegen. Ik heb het hier al verschillende keren over die vreemde afkeer van hem gehad. Dat betreft vooral ook wat de volgende passage vertelt:

‘Van Lommel sprak honderden mensen over de ingrijpendste ervaring van hun leven. Die mensen beschrijven dat ze, hoewel hun hart stilstond en hun hersenen geen enkele activiteit meer vertoonden, toch heldere belevenissen hadden die zo allesomvattend waren dat ze die amper kunnen beschrijven.

Na een tocht door een tunnel komen ze terecht in een onwereldse omgeving, een oogverblindend landschap met prachtige kleuren waar ze worden herenigd met overleden dierbaren.

Bijna allemaal reppen ze over een stralend licht of een wezen van licht, ervaren ze absolute liefde en acceptatie en komen ze in aanraking met diepe kennis en wijsheid.

Tijdens een bijna-doodervaring zien mensen hun hele leven aan zich voorbij trekken; ze beleven alles opnieuw, weten wat ze anderen hebben aangedaan, maar ook wat ze voor anderen hebben betekend – zonder oordeel, maar met inzicht.

Bijna alle mensen met zo’n ervaring spreken over een grens: ze realiseren zich dat als ze die overgaan, ze niet meer terug kunnen naar hun lichaam en hun leven. Vaak willen ze dat ook helemaal niet omdat ze een gevoel van diepe vrede en intense rust ervaren.’

Mooie kerstgedachte, of niet soms? Voor Hugo Verbrugh is deze onuitstaanbaar. Nou ja, dat kan gebeuren. Of hij er nu goede redenen voor heeft of niet. Maar dan. Vandaag schrijft hij zonder ironie op zijn weblog dat zijn vrouw een fan van Van Lommel is... dat noem ik: onenigheid in huize Verbrugh. Voordat ik op Verbrughs bijdrage van vandaag inga, eerst terug naar die van 27 november. Verbrugh legt daarin uit:

‘Een lang weekeinde was ik met mijn “Gefährtin” in een “Tagung” in het Goetheanum, het wereldcentrum van de antroposofie, in Dornach, in de buurt van Bazel. Daar wordt veel Duits gesproken [overigens ook af en toe een beetje Engels], vandaar mijn “verduitsing” van “(levens)gezellin” en “bijeenkomst” in de vorige zin. (...)

De bijeenkomst ging over “Das Leben im Tode” oftewel “Life in Death” [vertalen wij dit nu met of zonder lidwoord(en) in het Nederlands?], en zo een thema is voor wie aan reïncarnatie doet natuurlijk aantrekkelijk.

Maar ook zonder meteen met zoveel woorden eventuele vorige en volgende levens erbij te halen, interesseert het onderwerp mij en tegenwoordig ook vele anderen [er waren ruim 600 deelnemers] – en roept het vragen op.’

Verderop komt Verbrugh in verband hiermee te spreken over de zekerheid en onzekerheid van kennis:

‘Al mijn twijfel en onzekerheid zijn gewoon een gevolg van de verwarring tussen de twee vormen van kennis waarmee de mens werkt, en die we essentieel moeten onderscheiden: de epistêmê en de doxa. Epistêmê is de ingeboren zekere kennis die we bij ons ontstaan – evolutionnair of via een goddelijk scheppingsproces; dat verschil doet nu even niet terzake – hebben meegekregen. Ze houdt zelfkennis in en ze is behalve een vaardigheid van ons mensen tegelijk een kenmerk van de dingen die wij weten. Ieder levend wezen heeft zijn eigen variant van de epistêmê, van de ingeboren kennis die het wezen geschikt maakt te overleven. Alleen de mens moet, als enige wezen in de schepping, behalve overleven ook vrij worden. Om dat mogelijk te maken – en nu vertel ik het verhaal in het idioom van de goddelijke schepping – scheidde God niet alleen hemel en aarde [zie mijn blog van 9 oktober] en zich zelf van de mensheid, maar bracht hij ook een scheiding aan in de menselijke kennis door de epistêmê, waarin alles verborgen ligt wat je zou kunnen weten, geheim te maken, maar tegelijk de mens ter compensatie wel te begiftigen met de doxa: de kennis die je door het vrije gebruik van je zintuigen verwerft en die daardoor wisselvallig en onzeker is – maar juist die wisselvalligheid en onzekerheid zijn een vereiste om vrij te kunnen worden.

Levenskunst is volgens deze filosofie het in vrijheid aangevatte karwei van de reconstructie van het oorspronkelijke bouwplan van de schepping waarvan de blauwdruk in onze epistêmê verankerd ligt. In die blauwdruk ligt ook het antwoord op de vragen over de werkingen die planeten en gestorvenen in de mens hebben.’

De volgende dag, op zaterdag 28 november, komt Verbrugh er uiteraard op terug, in de ‘Tweede aflevering van een drieluik’. Hij heeft het dan over ‘de gezichtsuitdrukking van een gestorvene wiens dode lichaam opgebaard ligt’, en hoe deze ‘in de loop van de drie dagen die de opbaring van oudsher duurt’ kan veranderen:

‘Voor de twaalf deelnemers aan een gespreksgroep in de “Tagung” over “Leven in de dood” in het Goetheanum, waar ik vorige week met mijn “Gefährtin” was en waarover ik gisteren al schreef, is het in elk geval zeker een reëel fenomeen. Verschillende deelnemers kenden het ook aan een eigen waarneming van een opgebaarde gestorvene.

Onze gespreksgroep was in het Engels, ging over “Social Aspects of Life after Death”, en werd geleid door Paul Mackay, lid van de “Vorstand” (hoofdbestuur) van de Algemene Antroposofische Vereniging. Hij woonde en werkte vroeger in Nederland, ik kende hem oppervlakkig, en had zijn werkgroep onder meer gekozen omdat ik wel eens in het Engels wilde spreken in de context van de antroposofie.’

In dit verband grijpt hij weer terug op een oude spreuk, die ik op 13 juli in ‘Achterstand’ ook al aanhaalde:

  • Terra tegit carnem De aarde bedekt het vlees [fysieke lichaam]
  • Umbra circumvolat tumulum De schaduw [het aetherlichaam] vliegt rond de grafheuvel
  • Orcus habet manes De onderwereld [‘louteringsberg’] heeft de ziel [het astraallichaam]
  • Spiritus astra petit De geest [de ik-identiteit] streeft naar de sterren

Om er dit keer het volgende over te schrijven:

‘Het is een in termen van oude atavistische helderziendheid geformuleerde samenvatting van het uiteengaan na de dood van de “wezensleden” [de “mind-body articulations”]. De mens is om te beginnen zijn lichaam, het “carnem” dat de “terra” bedekt. Daarmee is hij verwant met het vaste, dode aarde-element. Dit fysieke lichaam kan echter niet op zichzelf bestaan. Als het aan zichzelf wordt overgelaten, zoals na de dood het geval is, valt het uiteen in levenloze stukken materie. Dat dit tijdens het leven niet gebeurt, komt door het aetherlichaam oftewel levenslichaam. Dat is de onzichtbare, ontastbare “informatiestructuur” die de mens gemeen heeft met een plant. Dankzij dit deelsysteem leeft, ademt hij, kan hij zich voortplanten, enzovoort. Dat is de “umbra” die “rond de grafheuvel vliegt”. Bewustzijn heeft de mens louter op grond hiervan nog even weinig als een plant. Hiervoor is een hoger systeemniveau vereist: het astraallichaam of bewustzijnslichaam, dat de mens gemeen heeft met dieren. Dit is de drager van de instincten, het bewustzijn, de zintuiglijke functies, de bewegingsmogelijkheid en andere “dierlijke” functies. De “orcus” heeft deze “manes”. Als de mens niet nog een vierde deelsysteem had, zou hij evenals de dieren genadeloos zijn overgeleverd aan zijn instincten, zou hij nooit een keuze kunnen maken en dus nooit vrij kunnen worden. Dat alles kan de mens echter wel. Dit komt door de ik-organisatie, waardoor de mens als enige wezen op aarde zelfbewustzijn kent. Die ik-organisatie heeft hij volgens antroposofische visie te danken aan het feit dat hij als enige op aarde het vuur beheerst, zoals wordt verteld in de mythe van Prometheus. Deze “spiritus” komt ten slotte vrij nadat de mens “de geest gegeven heeft” en zijn lichaam, aetherlijf en astraal-lijf achter zich gelaten heeft, en “petit”, streeft via de “astra” naar de Middernachtszon.

Dat is allemaal mooi gezegd, en voor mijn gevoel en dat van vele anderen bevat het zeker meer of minder waarheid – maar hoe werkt dat nu allemaal precies? Het enige wat ik daar nu over durf te zeggen is dat dit proces van postmortale excarnatie oftewel losmaking van je oude lichaam letterlijk een hels karwei is in de zin waarin ik het begrip “hels karwei” gisteren introduceerde en omschreef. De theorie van de vier wezensleden is het enige idioom waarin je adequaat over dit karwei kunt spreken en schrijven, en zodoende beweeg je je in de dimensie van de epistêmê.’

Een prachtige omschrijving wat mij betreft (daarom haal ik die hier ook graag aan). Maar hiermee is nog niet alles gezegd. Want de derde dag meldt Verbrugh het volgende.

‘Twee dagen voor de conferentie waarvoor wij naar Dornach waren gekomen waren, vond in het Goetheanum een studie-bijeenkomst plaats over de BijnaDood Ervaring, en daar speelde Pim van Lommel de hoofdrol. (...)

Toen meldde mijn “Gefährtin” mij dat zij ernstig overwoog om die avond naar de inleidende voordracht te gaan luisteren die Van Lommel voor die studie-bijeenkomst zou houden. Zo gezegd, zo gedaan, en woensdagavond zat ik letterlijk en figuurlijk “in splendid isolation” in de “lounge” van het Goetheanum alvast te mijmeren over wat ik tien dagen later in deze blog van vandaag zou schrijven.

“Hij heeft alleen verteld wat ook in zijn boek staat”, rapporteerde een Nederlandse vriend met wie wij na afloop van Van Lommels voordracht naar ons verblijf liepen. Mijn “Gefährtin” was explicieter. “Hij vertelt het zelfde als je ook in de antroposofie leert”, meldde zij, “en dat is ook helemaal wat de mensen hier willen horen”.

Met het tweede deel van haar samenvatting ben ik het even totaal eens als ik het met het eerste deel totaal oneens ben. In mijn beide blogs van 12 en 13 juli en de ongeveer twee dozijn andere die ik over het werk van Van Lommel heb geschreven, heb ik dat uitvoerig, nauwkeurig, beargumenteerd en gedocumenteerd uiteengezet, en ik ga dat niet nog eens dunnetjes overdoen. ’t Is allemaal te vinden op www.kairos-kr. nl.’

Dat Van Lommel juist niet hetzelfde als antroposofie vertelt, legt Verbrugh even later uit met behulp van de eerder genoemde twee begrippen epistêmê en doxa. Hij heeft het boek van Rudolf Steiner ‘Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten’ (De weg tot inzicht in hogere werelden) in de boekwinkel zien liggen en vergelijkt wat daarin staat met de moeizame weg die een bergbeklimmer moet afleggen:

‘Helemaal precies zo is het met mij in mijn streven om “Erkenntnisse der höheren Welten” te bereiken. Deze zogeheten “hogere werelden” zijn er, en ze te willen bereiken is een grote uitdaging.

En het is zo een grote uitdaging, omdat het een oefening in epistêmê is, en dat is letterlijk een hels karwei. Zie de blogs van gisteren en eergisteren en de reactie van Herman Boswijk van gisterennacht, waar dat moeilijke verhaal van mij perfect samengevat is. Maar Van Lommel, pour revenir à nos moutons, maakt daar doxa van, en dat doet hij zonder dat hij zich realiseert dat hij dat doet. In de cursivering zit de angel. Alles wat wij denken, en menen te weten is in eerste instantie doxa. Dat is gewoon een gevolg van onze “condition humaine”, het “menselijk tekort”. Levenskunst is om vanuit die doxa te verkennen waar en hoe je kennis in de “modus” van de epistêmê kunt vinden. Daar, in wat ik een beetje poëtisch aanduid als de “epistemische schatkamer”, ligt de toegang tot “de hogere werelden”. Maar het streven naar die kennis is hels vermoeiend. Niemand doet dat echt voor zijn plezier. Maar omdat we allemaal toch graag willen weten hoe het in die “hogere werelden” is, kan een gevaarlijke verleiding ontstaan. Vóór je precies weet wat je doet, laat je je oren hangen naar mensen die je zogenaamd willen helpen door die “hogere werelden” voor je naar beneden te halen. Ze vertellen je alles in zogeheten “jip-en-janneke-taal” of in het geijkte regulier-wetenschappelijke jargon, en zij noch jij beseffen dat daardoor de kennis gewoon plat wordt. In de wereld van zulke platte kennis is het ook helemaal niet moeilijk om “stappen (te maken) in de richting van een openheid voor het bestaan van een niet-materiële wereld”, zoals Ron Dunselman, voorzitter van de Antroposofische Vereniging in Nederland, mij op 1 januari antwoordde op mijn vraag wat hem gemotiveerd had tot zijn enthousiast-positieve oordeel over het “Eindeloos Bewustzijn” van Van Lommel. Het is allemaal heel begrijpelijk. Zodra je de kennis plat gemaakt hebt, ontstaat de illusie dat je de grenzen van die kennis kunt overschrijden. Het is die illusie, zo concludeer ik nu, die mijn antroposofische broeders en zusters verleidt om zo veel enthousiast positieve aandacht te geven aan Van Lommel en zijn werk, maar zodoende zitten ze er dus wel helemaal naast. De zogenaamde kennis die ze zodoende opdoen “is as clear as mud, but it covers the ground”.’

Al deze uitlatingen van Hugo Verbrugh gaven mij die dag (we hebben het nog steeds over 28 november) om 22:47 uur deze reactie in:

‘Dat jij je nu geen andere mening over Pim van Lommel hebt gevormd, verbaast me niet, gezien al je eerdere bijdragen (overigens wel dat je dan niet samen met je echtgenote naar hem gaat luisteren – blijf je liever in de mening die je je gevormd hebt steken?). Maar mijn vraag aan jou zou zijn: wat vind je nu eigenlijk van “Hoe de stof de geest kreeg”, dat inmiddels beroemde boek van Arie Bos? Ik hoor je daar nooit meer over, terwijl dat toch eigenlijk veel interessanter voor je moet zijn dan dat van Van Lommel. Hoe zit dit eigenlijk? Heb je je daar ook al een mening over gevormd?’

Op mijn tweede vraag kreeg ik nooit antwoord (dat is nou ook weer typisch Hugo Verbrugh, hij is nogal selectief in zijn voorkeuren), maar op mijn eerste wist hij niet hoe gauw hij moest reageren. Dat gebeurde op 1 december om 22:45 uur (eerder lukte niet). Het was trouwens op dezelfde dag dat hij een bericht schreef met in de titel dit ware woord: ‘“teuge” iets dat je niet wilt gaat makkelijker dan vóór iets dat je wèl wilt’ – ik dacht dat het over hemzelf ging, maar dat bleek niet zo te zijn... In zijn reactie op mijn vragen stond onder andere:

‘Wat er gebeurt bij een authentieke BDE laat zich in algemene termen ofwel alleen adequaat beschrijven als een fysiologisch verschijnsel, in welk geval het niets zegt over echt dood zijn, ofwel in termen van de wezensleden volgens het antroposofisch mensbeeld [ik heb het niet over mensen die een eigen specifieke persoonlijke authentieke BDE vertellen]. In het eerste geval beweeg je je in de modus van de doxa, in het tweede geval beweeg je je ofwel in de epistêmê-modus ofwel je bent inadequaat bezig en debiteert in wezen onwaarheid. Voor zover ik het werk van Van Lommel ken [en ik meen het voldoende goed te kennen om te stellen wat ik nu ga stellen] is hij hiervan niet op de hoogte. Deze simpele vaststellingen [die zonder kennis van het bovenstaande blogbericht en van wat ik voorafgaande blogs en andere teksten heb aangeduid niet adequaat begrepen kunnen worden] maakten dat ik bijwonen van een lezing van Van Lommel zonder dat ik zou kunnen reageren als een “aanslag” op mijn wezensleden zou beschouwen. Ik meen(de) deze ervaring niet nodig te hebben voor nog beter begrip dan ik al meen te hebben van wat Van Lommel eindeloos beweert.’

So far, so good. Maar nu weer naar vandaag. Want wat gebeurt er in zijn bericht op deze Eerste Kerstdag? Verbrugh schrijft dit op:

‘We zijn weer toe aan de Twaalf Heilige Nachten, het twaalfvoudige pad ter overdenking van de totale ommekeer die het leven een paar dagen geleden gemaakt heeft, herinner ik me. Ik maak daar twaalf heilige etmalen van en ga die, dag en nacht, gebruiken ter overdenking.’

Om te verduidelijken wat hij hiermee bedoelt, plaatst hij zelf om 11:28 uur een reactie waarin hij een uitvoerig verhaal over deze Twaalf Heilige Nachten aanhaalt. Helaas geeft hij niet de vindplaats erbij, zelfs geen auteursnaam. Dat vind ik uitermate onbevredigend, zodat ik zelf even op onderzoek ben uitgegaan. Hij blijkt te zijn terechtgekomen op de website van Tom van Bokhoven uit Dordrecht, een fervent schaakliefhebber. Maar behalve al het andere dat deze Tom op zijn website ‘tomschaakboeken.nl’ heeft verzameld (en dat is nogal wat), wordt in het linkermenu ook een ‘Familiepagina’ vermeld. Daar aangekomen, stuit je al gauw op ‘FAMILIE VAN BOKHOVEN 2007-2’, en dan moet je daar vandaan naar ‘Andere bijdragen’. Dan vind je ‘12 heilige nachten’, ‘Een bijdrage van Mignon’ staat erachter. Ga je echter eerst naar het bericht erboven, ‘Families de Knegt en van Bokhoven zijn verwant’, dan vind je daar ook vermelding van ‘de Van Bokhovens en hun kinderen (Mignon, Edwin, Tamar, Lara, Jonathan, Merlen en Annemijn)’. Met andere woorden: dochter Mignon van Bokhoven heeft deze prachtige tekst geschreven, die ik hier ook graag overneem:

‘Ik wil jullie vertellen over de twaalf heilige nachten. Zo worden de twaalf nachten genoemd die volgen op de heilige kerstnacht. Deze nachten en dagen vormden de periode vanaf kerst tot aan Driekoningen (6 januari). De kerstweek hier op de Oxerhof waarin wij hier bij elkaar zijn valt precies in deze tijd van de 12 heilige nachten. Het gaat hier om de heilige nachten en dagen die wij met een bepaalde intensiteit kunnen (gaan) beleven. Om hierover aan u te vertellen zal ik eerst een grote boog om deze dagen heen spannen.

Een boog die we in ons jaarverloop kunnen zien, ons jaar van twaalf maanden, loopt van het eerste Lichtfeest in de herfst Sint Maarten tot aan het laatste lichtjesfeest, Maria Lichtmis. Deze boog begint met het voorzichtige stille lichtje van Sint Maarten op 11 november, gaat groeien in de vier weken van de adventstijd en heeft het hoogtepunt met Kerst, waarna de intensiteit weer afneemt in het nieuwe jaar en we de laatste lichtjes opbranden op 2 februari met Maria Lichtmis. Deze periode beslaat twaalf weken, met als stralend middelpunt de heilige kerstnacht.

Sint Maarten is het feest van de soldaat Martinus. Hij schenkt een arme bedelaar die buiten in de kou bij de stadspoort zit de helft van zijn hele bezit, de helft van zijn mantel. ’s Nachts verschijnt de Christus in zijn droom en zegt, wat gij aan de bedelaar gedaan hebt, hebt gij aan mij gedaan. Martinus verlaat het leger en wijdt zich geheel aan God. De kinderen vieren dit feest door met zelfgemaakte lampions en liedjes langs de deuren te gaan om te “bedelen”. Het lichtje dat de kinderen bij zich dragen is een uitgeholde wortel uit de aarde, de wanden van de wortel, of koolraap worden niet helemaal doorgestoken zodat het lichtje heel voorzichtig tevoorschijn komt.

Het begin van de periode van de twaalf heilige nachten is het kerstfeest zoals wij dat kennen, vervolgens komt er een overbruggingsperiode naar het feest van Driekoningen. In de eerste Christelijke gemeenten en ook in de Oosterse kerk was het kerstfeest het Driekoningenfeest. In het midden van de dagen vieren we oudejaarsavond. De twaalf heilige nachten zijn van oudsher in onze cultuur als een bijzondere tijd gezien. Zij vormen de dagen die ons zonnejaar van 365 dagen aan laat sluiten op het maanjaar van twaalf maanden. De synodische maanomloop dat wil zeggen de tijd van bijv. volle maan tot volle maan bedraagt 29,5 dag. Twaalf maal 29,5 is 354, het verschil deze elf dagen werden gezien als restdagen, als extra tijd. Tijd voor bezinning, om even terug te houden. We kunnen dat ook zien in de ontwikkeling van de lengte van de dagen. Hebben we met midwinter (21 december) de langste nacht en de kortste dag, waarna de dagen i.p. weer gaan lengen. We zien dan echter dat de lengte van de dagen rond kerst een aantal dagen lang vrijwel constant blijft. Net alsof ook de zon even op de plaats rust houdt. Tijd van bezinning.

Als we eens gaan kijken wat voor beweging, innerlijke beweging we gaan maken als we deze tijd intensief willen beleven vraag ik u met mij mee te kijken naar twee beelden die ik voor u wil schetsen. Het ene beeld is het beeld van het kerstfeest wat we vieren op 24 en 25 december. Het andere beeld is het kerstfeest dat we kunnen beleven op 6 januari het Driekoningenfeest.

Het kerstfeest van de geboorte van het kind Jezus dat wij vieren na de voorbereidingstijd van de advent is een feest van Licht. Het is in veel opzichten een eenvoudig feest. In de Bijbel wordt door twee evangelisten de geboorte van Jezus opgetekend. Lucas beschrijft de geboorte van het kind, Mattheus beschrijft de geboorte van het kind maar dan op geheel andere wijze. De andere evangelisten beginnen hun evangelie met de doop in de Jordaan, de geboorte van de Christus Jezus.

De wijze waarop Lucas het geboorteverhaal beschrijft is eigenlijk de basis voor het kerstfeest zoals dat bij ons bekend is. Het is het verhaal over eenvoudige mensen die zo zuiver van hart zijn, dat zij het Licht ontvangen kunnen. Het verhaal speelt zich af in een sobere omgeving, de stal waar het kind geboren wordt, de herders op het veld die nog de oprechte verwondering kennen. In het afstammingsregister wordt de stamboom van Jezus beschreven van Jezus af teruggaand via de priesterlijke lijn tot koning David en vervolgens tot zoon van Adam, zoon van God. Alsof er rechtstreeks terugverwezen wordt tot het paradijs. Alsof wij op deze dag dat we de geboorte van het kind vieren ons mogen herinneren vanwaar wij afkomstig zijn.

Het andere beeld dat ik voor u wil oproepen is het beeld van het feest van 6 januari. Op deze dag vieren we eigenlijk verschillende feesten. Het Driekoningenfeest, de Epiphanie dwz de verschijning van het licht en de doop in de Jordaan. Op deze dag komen eigenlijk de verhalen van de andere drie evangelisten aan bod. Het verhaal van de evangelist Mattheus beschrijft ook het geboorteverhaal. De klank van dit verhaal is echter heel anders dan dat van Lucas. Dit verhaal speelt zich af in een andere omgeving en ook de figuren die een rol spelen in dit verhaal zijn anders. Hier is geen sprake van armoede, ontbering tijdens de lange reis. Na de geboorte van het kind komen de Magoi, de wijzen uit het oosten, de drie koningen om het kind te vereren. Maria en Jozef ontvangen de magiërs in een huis. Waar in het verhaal van Lucas de herders in de nacht gewekt worden door de engelen om het kind te gaan zoeken, gaan de Wijzen op pad nadat ze door inzicht en onderzoek naar verschijning van de ster denkend hebben geduid wat dit alles moest betekenen. Waar de herders in hun hart werden opgeroepen moesten de koningen door hun denken tot inzicht komen. Doelgericht gaan ze op pad. Ze nemen geschenken mee. Als ze dan bij het kind geweest zijn gaan ze via een andere weg terug. Door de ontmoeting met het Christuslicht zijn ze “anders geworden”.

Ook Mattheus beschrijft een geslachtsregister, deze afstamming begint echter met Abraham en gaat dan voorwaarts via David, dat hij koning is wordt expliciet genoemd en vanaf David volgt dan een lijn van koningen tot Jakob die verwekte Jozef, de man van Maria.

Deze verhalen staan dan zo naast elkaar, het hartverwarmende lichtfeest van de geboorte van het kind Jezus met de herders, eenvoudig van hart, vol van devotie en daarnaast het feest van de Driekoningen, die doelgericht met hun geschenken voorwaarts gaan, de weg van kennis.

Daarin zit nog een ander aspect: Het lucasverhaal speelt zich af in de schemering, tegen de avond wordt de stal bereikt, en in de nacht vindt dan de geboorte plaats; ook de herders worden gewekt in de nacht en vereren het kind. Dan de drie wijzen, zij komen uit het oosten, daar waar de zon opkomt, uit het Morgenland. Een lange nacht van kerst tot driekoningen.

Er is ook een oud Noors verhaal bekend over een jongeman Olav Asteson, die in slaap viel met kerst, een diepe diepe slaap en ontwaakte op driekoningendag. Dertien dagen en dertien nachten slaapt Olav Asteson en droomt over wat de ziel beleeft na zijn dood.

Een lange lange nacht. Ook voor ons kan het een periode zijn waarin we onze dromen intensiever kunnen beleven. Ook kunnen wij de werking van de nacht versterken door ons voor het inslapen een bepaald beeld, een bepaalde vraag voor ogen te nemen.

Precies in het midden van de donkere nacht vieren we dan oudejaarsavond. Het feest met de twee gezichten, de Januskop met een gezicht van voor en een gezicht van achteren. We blikken terug op het oudejaar en wensen elkaar het beste voor het nieuwe jaar. Het oude jaar kennen we al, heel waardevol kan het zijn om nog eens met elkaar terug te kijken, wat was voor jou wezenlijk, waar werd je werkelijk geraakt, wat was een hoogtepunt etc.

Veel moeilijker maar ook zeer de moeite waard is om vooruit te kijken. Om alvast denkend een beeld te vormen.

En zo zitten we hier dan ook bij elkaar. We hebben de tijd genomen om even uit het dagelijks leven te stappen, de extra tijd hebben we al een beetje bijzonder gemaakt door hier bij elkaar te komen.

We maken met elkaar een beetje de overgang van de onderdompeling in de herinnering aan het paradijs naar het doelbewust op weg gaan als de koningen. Daartoe zitten wij hier als eenvoudige lieden, als herders bij elkaar en vertellen elkaar in verwondering. Net als de herders met hun hartewarmte verlangen wij naar de verlosser, en tegelijkertijd weten we dat we als koningen dragers moeten worden van inzicht.

Door hier met elkaar te zijn en te zoeken naar het licht in de ander kunnen wij misschien er iets van beleven dat wij allen Christusdrager zijn, kunnen wij hier wellicht net als de wijzen die zich gevoed hebben aan de bron via een andere weg weer weg gaan, een beetje anders op weg gaan.’

Wonderlijk is wel dat Hugo Verbrugh dit zomaar op zijn weblog citeert. Is dit voor hem nu doxa of epistêmê? Om het nog raadselachtiger te maken citeert hij om 11:34 uur zonder blikken of blozen het artikel uit NRC Handelsblad van gisteren, ‘Schaatser Jan Maarten Heideman ontving visioen’. Om er om 13:01 uur aan toe te voegen:

‘Ik las het verhaal over die schaatser (dat mijn Gefährtin, “fan” van Van Lommel zoals jullie weten, mij overigens aangereikt had) als een variant op de BDE – maar een authentieke, die echt iets zegt over wat er NA ZIJN DOOD echt zal gebeuren...’

Daar komt de aan het begin door mij genoemde onenigheid in huize Verbrugh om de hoek kijken: zijn vrouw blijkt hier inderdaad fan van Van Lommel te zijn, wat hijzelf absoluut niet is. En dat is nog zacht uitgedrukt. Wat hij hier naar voren brengt, is trouwens een reactie op wat Frans Wuijts eerder schreef, om 12:50 uur:

‘“Dertien dagen en dertien nachten slaapt Olav Asteson en droomt over wat de ziel beleeft NA ZIJN DOOD”.
Ik wil niets afdoen aan het mooie verhaal van 11:28 uur, maar hier zet ik een vraagteken bij.’

Dus volgens Verbrugh is wat deze schaatser Jan Maarten Heideman vertelt zo veel als een authentieke variant op de BDE. Die bovendien volgens hem werkelijk iets zegt over wat er na zijn dood echt zal gebeuren. Terwijl die kennis volgens Verbrugh voor gewone stervelingen onbereikbaar is, zoals hij niet naliet ons constant in te peperen... Maar waarom is wat NRC-redacteur Henk Stouwdam uit Heidemans mond optekent authentieker dan, laten we zeggen, de ‘honderden mensen’ die aan Van Lommel ‘over de ingrijpendste ervaring van hun leven’ vertelden? Dat blijft me toch een raadsel. Het noopt Frans Wuijts om 13:13 uur tot deze reactie:

‘Het droomlied van Olav Asteson en de ervaring waarover Jan Maarten Heideman vertelt hebben een op het eerste gezicht een opvallende overeenkomst. In zoverre een uitroepteken. Een vraagteken plus een uitroepteken zet ik bij je opmerking dat dit verhaal van Heideman een authentieke variant is op de BDE, die echt iets zegt over wat er NA ZIJN DOOD echt zal gebeuren. Ik ben er wel even door verrast. Welke hersenhelft van je is hier aan het woord?’

Verbrugh weet vervolgens om 13:26 uur niets beters te melden dan:

‘Zo zwalkt en wikt en weegt de ware wetenschapper al zwalkend onophoudelijk tussen enerzijds zijn eigen wijsheid en wat hij zelf voor waar houdt en anderzijds zijn verwachting over het oordeel dat de mensen tot wie hij zich wendt zullen uitspreken over wat hij meldt.’

Om er om 15:20 uur aan toe te voegen:

‘allemaal goeie vragen, je krijgt antwoord maar nu even niet – moet Kerstmis gaan vieren met de mispoge (best wel gezellig, hoor...)’

Zijn we hier nu getuige van een belangrijke geboorte bij Verbrugh, van een nieuw inzicht misschien? Dat zou mooi zijn op deze Eerste Kerstdag... Maar nee, zo gauw geeft hij het vast niet op. Het zit hem waarschijnlijk in iets anders. In wat schaatser Heideman over zijn belevenis vertelt, namelijk dit:

‘Ik werd plotseling wakker, had het ene moment een gevoel dat ik naar de hemel ging en het andere moment dat ik in de hel belandde. En dat ging gepaard met angst en paniekaanvallen. Het was intens en heel apart. Ik had zoiets nooit eerder beleefd. En ik hoop het ook nooit meer mee te maken. Ik heb er een paar dagen goed last van gehad en kon niet normaal functioneren. Ik heb er zelfs een aantal wedstrijden door moeten afzeggen.’
Ik denk dus dat hem hier de kneep zit: het mag allemaal niet te mooi zijn, de werkelijkheid is anders. Maar moet dat inderdaad het cruciale criterium zijn?

Tot slot van deze weer zeer lang geworden bijdrage grijp ik ook even in dezelfde gouden ton waaruit Hugo Verbrugh zijn schaatser tevoorschijn toverde. Namelijk in het katern Opinie & Debat van NRC Handelsblad van gisteren. Die had het mooie thema ‘Zou u in deze tijd willen opgroeien? Of liever in uw eigen kindertijd?’ meegekregen (in zijn geheel niet op de website te vinden):

‘Deze vraag legden we aan u voor. Ruim 250 essays kwamen binnen, waarvoor dank. De meeste oudere inzenders hadden vroeger buiten meer vrijheid dan de kinderen van nu. Maar ouders en leraren waren strenger. De kinderen van nu mogen meer thuis, hebben meer geld en spullen. Geen huishoudschool meer voor meisjes en goede hulpmiddelen voor gehandicapten. Deze bijlage is een bloemlezing van de opmerkelijkste stukken. Over stoepranden versus Facebook en een fietstochtje versus een vliegvakantie. Kinderboekenschrijfster Anna Woltz over de rode loper voor kleuters en schrijver Ted van Lieshout over zijn eerste blootfoto.’

Een van die inzendingen is van ‘M.M. Voss, 1941’. Die viel mij op door het ‘antroposofisch gehalte’ van haar opvattingen. Het is niet zozeer het romantische of mythische karakter ervan dat me aanspreekt, maar wel de nuchtere vaststelling dat een abstracte benaderingswijze ongelooflijk beperkt is. De wereld is echt wel wijder dan uit die abstractheid blijkt; vergeleken met de beeldenrijkdom van deze oma steekt dat des te meer. Daarom sluit ik deze ‘Geboorte’ hiermee af:

‘Of ik in deze tijd zou willen opgroeien?

Natuurlijk niet. Wie wel? Als volwassenen leven wij natuurlijk in een fantastische tijd. Maar wij hebben gelukkig een andere start gehad. De wereld van het kleine kind, waarin het wonder nog zou moeten bestaan, wordt gereduceerd tot de verpletterende nuchtere uitleg hoe het allemaal precies in elkaar steekt.

Ik zal dit met twee voorbeelden verduidelijken.

Mijn kleinkinderen kregen in groep drie te horen dat er eerst niets was; dat er toen atomen kwamen die zich verzamelden, elkaar aantrokken en een lichaam vormden. Dit alles stond op uitgeknipte voorgeprinte vierkantjes op een papier. Daaronder was de eigen activiteit te zien: een tekeningetje van een bom, met kaboem en de oerknal eronder geschreven.

Wat moet zo’n kind van zes jaar met die abstracties? Waarom geen mooi verhaal over de schoonheid van de aarde, de kosmos de pracht van de sterrenhemel, de natuur?

Mijn kleinzoon vroeg toen het onweerde en wij op het strand liepen: “oma, wat is onweer?” Ik vertelde enthousiast van Thor die heel boos was en zijn hamer met donderend geraas door de hemel slingerde zodat de vonken er afspatten. Hij keek mij met grote ogen aan. De ander van zeven keek mij met een welwillende blik aan en zei toen: “oma, weet je hoe het echt is?” En toen kreeg ik het “juiste” te horen. Grappig, maar ook jammer.

Speelgoed wordt steeds meer knopjes drukken. Peuters van twee jaar zie ik al puzzeltjes maken op de computer. Buitenaardse monsters en agressieve, gevaarlijke kunststofmannetjes met een mitrailleur in de ene en een dolk in de andere hand worden aan de kinderen als verrassing gegeven bij een kindermenu, zonder de ouders te vragen of dit spul wel gewenst is.

Het is o zo belangrijk dat kinderen nog schoonheid en heelheid kunnen ervaren.

Maar nee, met de kale naakte waarheid van abstracte redeneringen wordt hun kindzijn afgepakt. De wonderen zijn de wereld uit; ze zijn platgepraat: romantiek, verliefdheid, seksualiteit zijn slechts reacties in de hersenen.

Geen wonder dat jongeren, ontnuchterd vanaf de wieg, de realiteit ontvluchten. Zij zoeken de roes in drinken en drugs en eten, almaar eten om de innerlijke leegte te vullen. De lagen vet vormen de buffer om de realiteit aan te kunnen.

De mens is meer dan “atomen zweven door de ruimte – de atomen worden aangetrokken en als klap op de vuurpijl: atomen vormen een lichaam”. Een lichaam is voor een kind zijn fijne lijf waarmee hij leeft, speelt, rent, huilt en lacht en nog veel meer.

Vandaar mijn nee.’

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Translate

Volgers

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code