Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

zaterdag 6 april 2013

Gaande

Wat is er gaande? Wat is er aan de hand? Dat dacht ik bij het lezen van enkele artikelen op internet, en vanochtend in de krant, in Trouw om precies te zijn. De naam van Adriaan Koerbagh zegt u vast niets. Ik heb hem hier ook maar één keer genoemd: op 8 mei 2011 in ‘Wijnpers’. Dat was toen ik na drie jaar webloggen me afvroeg hoe het verder moest. Daartoe concentreerde ik me enige tijd op Spinoza:
‘De kring van vrienden rondom Spinoza is klein maar trouw. Zij lezen zijn teksten. De kring bestond onder meer uit Pieter BallingJarig JellesAdriaen KoerbaghJohannes KoerbaghJan Rieuwertsz (de uitgever van Spinoza’s geschriften), Simon Joosten de VriesJohannes BouwmeesterLodewijk Meyer en de Amsterdamse burgemeester Coenraad van Beuningen. Spinoza kwam in contact met collegianten, een vrijzinnige remonstrantse stroming.

Adriaan Koerbagh probeert in 1669 een werk uit te brengen, genaamd Een Ligt schijnende in duystere Plaatsen. Dit werk ademt de geest van Spinoza’s filosofie. Koerbagh wordt wegens het schrijven van dit boek veroordeeld voor godslastering en sterft binnen een jaar in het rasphuis.’
Toen ik een weblogbericht van mijn favoriete historicus Jona Lendering tegenkwam over deze persoon, spitste ik extra mijn oren (mijn ogen kan ik immers niet spitsen). Hij schreef op 25 maart op zijn originele en zeer lezenswaardige weblog ‘Mainzer Beobachter’ over ‘Het noodlot van een ketter’:
‘Adriaan Koerbagh (1633-1669) leefde in het Amsterdam van de Gouden Eeuw, stamde uit een van de betere families en kwam in juridische moeilijkheden. Dat laatste brengt met zich mee dat er een dossier over hem is aangelegd, zodat een historicus zijn leven kan benutten om een schets te geven van het leven in de stad die “als Kayserin de croon draeght van Europe”.

Bart Leeuwenburghs Het noodlot van een ketter is echter niet geschreven als illustratie van het dagelijks leven in het zeventiende-eeuwse Holland. Dat is slechts de aantrekkelijke bonus die je krijgt in dit boek over het begin van de radicale Verlichting. Koerbagh stond namelijk met beide benen in het intellectuele leven van zijn tijd, waarin een nieuw, materialistisch wereldbeeld begon aan zijn opmars. Sterker nog, de jonge Amsterdammer – hij werd slechts zesendertig jaar oud – liep in de voorhoede en werd als eerste onder vuur genomen.

Amsterdam was een spreekwoordelijk tolerante stad. Officieel was men protestant en officieel volgde men binnen deze vorm van christendom de contraremonstrantse variant, maar er was volop ruimte voor andersdenkenden. Koerbaghs straatgenoot Joost van den Vondel was rooms-katholiek; er waren lutheranen, remonstranten en doopsgezinden; ook de oosterse kerken en de joden hadden gebedsplaatsen.

In het eerste deel van Het noodlot van een ketter beschrijft Leeuwenburgh onder andere de discussie tussen de remonstranten en contraremonstanten, terwijl ook ruimte is voor groepen als de socinianen (in feite een containerbegrip voor iedereen die wel héél ver afweek van de gereformeerde leer). De lezer verneemt met hoeveel hartstocht men in de Republiek discussieerde over geloofszaken en zou haast de indruk krijgen dat er geen plek ter wereld was waar het rationele denken van René Descartes moeilijker voet aan de grond kon krijgen.

Dat ging dan ook niet bepaald gemakkelijk: Leeuwenburgh vertelt bijvoorbeeld hoe Descartes’ tegenstander Voetius alle zeilen bijzette om de nieuwe ideeën tegen te werken. Een geweldig hoofdstuk, waarin niet alleen duidelijk wordt hoe revolutionair Descartes’ opvattingen zijn geweest, maar ook hoe aantrekkelijk ze waren voor een jonge, vermogende medicijnenstudent. Of voor een radicaal-denkende lenzenslijper als Baruch Spinoza.

De op het scherpst van de snede gevoerde religieuze debatten en de schokkend-nieuwe wetenschappelijke methode zijn niet de enige onderwerpen die Leeuwenburgh centraal stelt. Steeds meer mensen waren er destijds van overtuigd dat het niet aanging wetenschap op te sluiten aan de universiteit, waar men Latijn sprak en inzichten voor zich hield. Met Simon Stevin als wegbereider werd geijverd voor een Nederlandse wetenschappelijke literatuur, opdat iedereen kennis kon nemen van de laatste stand van zaken.

Koerbagh zette zich met hart en ziel in voor de nieuwe wetenschappelijke methode en taal. Dit resulteerde in een woordenboekje met de onmogelijke titel Een Bloemhof van allerley lieflijkheyd sonder verdriet, dat was geplant door Vreederijk Waarmond [Koerbaghs pseudoniem], ondersoeker der waarheyd, tot nut en dienst van al die geen die der nut en dienst uyt trekken wil. Als u dit niets zegt, helpt de ondertitel: een vertaaling en uytlegging van al de Hebreusche, Grieksche, Latijnse, Franse en andere vreemde bastaart-woorden en wijsen van spreeken die (’t welk te beklaagen is) soo inde Godsgeleertheyd, regtsgeleerdheid, geneeskonst als in andere konsten en weetenschappen en ook in het dagelijks gebruyk van spreeken inde Nederduytsche taal gebruykt worden.

Het aanbod bastaardwoorden uit te leggen klinkt heel hulpvaardig, maar de auteur benut menig lemma van zijn lexicon om bastaardwoorden niet alleen uit te leggen, maar ook de draak te steken met de leer van de gereformeerde kerk. Menig dominee zal gegruwd hebben toen hij Koerbaghs definitie van godsdienst las:

“De dienst waarmede een ieder God soekt te behaagen of te eeren. Dit geschied al op veelderley wijse onder de menschen: want daar zijn vry veelerhande Godsdiensten. En elk volk, dat een andere Godsdienst heeft als andere volkeren, meynt en gelooft, dat sijn wijse van Godsdienst de beste is en Gode aangenaamst, ja het meynt en gelooft het niet alleenlijk, maar salt ook beweeren en staande houden, niet met reden en waarheyd, die uyt God zijn, maar met geweld van vuyr en swaerd, galg en rad.”

Amsterdam was een spreekwoordelijk tolerante stad, maar er waren grenzen, en die waren met dit soort woorden vrij royaal overschreden: Een Bloemhof werd verboden (en is daarmee vermoedelijk het enige woordenboek dat deze eer ooit is toegevallen). Koerbagh voorzag problemen, ging in vrijwillige ballingschap, schreef vervolgens een nog strijdbaarder geschrift, werd door de drukker daarvan verraden en uitgeleverd aan de Amsterdamse schout. De vrijdenker-lexicograaf werd in een besloten vergadering veroordeeld tot tien jaar rasphuis en overleed niet lang daarna.

Leeuwenburgh heeft een boeiend verhaal, vol doorkijkjes naar het leven in de zeventiende eeuw. Ik voor mij zou iets meer over het woordenboek hebben willen lezen en ook iets meer over het materialistische wereldbeeld, waarop best wel wat kritiek mogelijk is. De biograaf beperkt zich, bij de beoordeling van Koerbaghs ideeën, tot de constatering dat diens geloof in de rede een eenentwintigste-eeuwer zal treffen als naïef. Ik hoopte op iets meer analyse, maar dat is een kwestie van persoonlijke smaak. Al met al is dit een puik boek, dat alle personages – Koerbagh, maar ook Descartes, Spinoza, Hobbes, Gomarius, Arminius en Voetius – eerlijk en genuanceerd portretteert en inzicht biedt in de moeizame doorbraak van het materialistische wereldbeeld.

Tot slot: je zou een boek moeten beoordelen aan de hand van de inhoud, maar het oog wil ook wat. Ik rond dus af met een compliment aan Mijke Wondergem, die een buitengewoon fraai omslagontwerp gaf aan Het noodlot van een ketter.

Naschrift

Taalhistoricus Ewoud Sanders maakte een leuke selectie uit Een Bloemhof: downloaden kan daar.’
Heeft u dat nou ook? Ik bedoel: de formulering ‘het materialistische wereldbeeld’ is toch niet gewoon gemeengoed? Waar kom je die nou tegen? Hoewel: antroposofen hebben daar natuurlijk niet het monopolie op. Maar in mainstream wetenschap? Daarbij wordt bovendien gezegd dat hierop ‘best wel wat kritiek mogelijk is’, notabene met literatuurverwijzing. En waar komen wij dan uit? Geloof het of niet, bij deze oude bekende, die ik al op 25 oktober 2008 in ‘Uitgekomen’ signaleerde in een opmerkelijke rol, hoewel later toch weer in meer van hetzelfde op 4 oktober en 11 december 2009 in ‘Griep’ en ‘Alarmisme’, op 31 december 2010 in ‘A-typisch’ en 25 maart 2011 in ‘Onvoorspelbaar’. Ik heb het over Marcel Hulspas. Vroeger columnist bij ‘De Pers’, tegenwoordig vast ook bij ‘De Nieuwe Pers’, maar in ieder geval bij de vroegere jaap.nl, sinds kort ‘The Post Online’ geheten. Op 22 maart schreef hij daar deze opmerkelijke column ‘Frans de Waal vloekt in de wetenschappelijke kerk. De bijl aan de wortel van het materialisme’. De wereld is werkelijk aan het veranderen:
‘De wereldberoende primatoloog Frans de Waal brengt volgende week een bezoek aan ons land (de van oorsprong Boschenaar komt hier regelmatig). En daarbij zal hij ongetwijfeld weer vol goede moed zijn visie op het gedrag van chimps en bonobo’s verdedigen. Voor hem staat volkomen vast (en wie zal zijn deskundigheid in deze durven betwijfelen?) dat deze dieren een gevoelsleven hebben dat weliswaar simpeler, maar in wezen identiek is aan dat van de mens. Ook chimps en bonobo’s kennen “hogere” gevoelens als medelijden en dankbaarheid en handelen daar ook naar. En ze maken daarbij geen onderscheid tussen verwanten en niet-verwanten. Dat laatste is van belang, want de ethologie en de biologie verkeren momenteel in de greep van de evolutionaire psychologie, die stelt dat al het gedrag (van mens en dier) ingegeven wordt door de genen.

En alles wat die selfish genes (de beroemde uitdrukking van Richard Dawkins) willen, is zichzelf in stand houden, over vele generaties. Het leven is evolutionair niet alleen geprogrammeerd op zelfbehoud maar ook, dankzij miljoenen jaren evolutie, op het behoud van de naaste verwanten, die immers dezelfde genen meedragen. Hulpvaardig toeschieten om volslagen vreemden of leden van andere soorten te helpen, altruïsme, is volgens deze opvatting een soort doorgeslagen gedrag. Een foutje van een in wezen puur egoïstisch systeem. Ook de mens is puur egoïstisch. We dénken dat we goed zijn voor anderen, maar als puntje bij paaltje komt, dan komen we op voor onszelf en onze familie. Dat we zo nu en dan opkomen voor vreemden, is een afwijking, zogezegd.

Hogere morele overwegingen

En die opvatting, daar maakt De Waal dus ernstig bezwaar tegen. In zijn boek De bonobo en de tien geboden (vorige week verschenen bij Atlas Contact) komt hij met tientallen voorbeelden van apengedrag dat duidelijk ingegeven wordt door “hogere” morele overwegingen, zoals medelijden en solidaritieit (met vreemden). En niet alleen apen vertonen dergelijk gedrag; De Waal weet dat dergelijke voorbeelden ook bij “lagere” zoogdieren te vinden zijn. En dat ze de grenzen van de soort overstijgen.

Ethisch handelen vereist dus geen Bijbel, en het vereist ook geen superieur brein. Het zit ingebakken in de biologie. En wat hier nog veel belangrijker is: ethische overrwegingen, zonder enig direct nut voor het individu, sturen het gedrag, en daarmee de evolutie. Niet alleen bij de mens, ook bij andere zoogdieren. Die zuiver zelfzuchtige genen zijn niet de baas.

‘Wij zijn ons brein’

Dat is me nogal wat. Op De Waals kennis op dit terrein valt niks af te dingen. Maar zijn standpunt is in wezen revolutionair. De Waal legt in wezen de bijl aan de wortel van het materiële wereldbeeld. Maar misschien had die bijl daar allang moeten liggen.

Alles begint met materie. Daaraan hoeven we niet te twijfelen. Het Cartesiaanse dualisme, met materie en ‘geest’ als los van elkaar staande entiteiten, heeft al lang geleden afgedaan. Geest komt voort uit materie. Wij zijn ons brein, zogezegd. Maar die mantra wordt de laatste decennia zo vaak herhaald, dat weinigen zich bewust lijken te zijn van de enorme implicaties van die uitspraak. Want wat is dan geest? Bestaat er dan wel écht zoiets als “geest”? Of is dat een illusie? Zijn het de neuronen (de genen, ga maar door) die in feite ons gedrag bepalen, en is elke gedachte (“Ik wil water...”) niet anders dan een samenvatting van een chemisch proces – en is de dorstige “ik” een illusie? En de medelijdende “ik” dan ook?

The rediscovery of the mind

De meeste wetenschappers die op dit terrein opereren, accepteren blindelings de visie dat “geest” een illusie is die geen rol speelt. Dat is uiteraard een volstrekt irrationele visie – we ervaren immers voortdurend dat we iets willen, ergens bang voor zijn, dat we geraakt worden – en we nemen op grond daarvan besluiten. Denken we. Zou deze volstrekt heldere werkelijkheid in feite een illusie kunnen zijn?

Het was de filosoof John Searle die in 1992, in zijn beroemde boek The Rediscovery of the Mind zijn collega’s (en wetenschappers) opriep om deze armoedige materiële visie op de mens los te laten, en de geest simpelweg (weer) te accepteren als een aparte entiteit die, op basis van abstracte redeneringen, ons gedrag (mede) bepaalt. Als wetenschap bestaat uit het zoeken naar de meest simpele, elegante verklaring voor de verschijnselen, dan moeten we de verklaring “geest” durven accepteren. En niet pretenderen dat we vreselijk slim en revolutionair zijn door datgene wat voor de hand ligt, wat glashelder is, te ontkennen.

Geest

Ons brein houdt ons niet voor de gek. We bezitten een geest die zelfstandig kan opereren, die ons gedrag stuurt. Een geest die niks met God te maken heeft maar voortkomt uit de atomen waaruit we zijn opgebouwd. Een geest die, zou De Waal zeggen, in rudimentaire vorm al aantoonbaar is bij andere “lagere” zoogdieren. Ook zij nemen besluiten op grond van ethische principes. En dat betekent: de evolutie wordt niet uitsluitend bepaald door een struggle for life, door zelfzuchtige genen. Meer en meer nemen ethische principes de evolutie over.

En dat is een immens wonder, wat De Waal daar verdedigt. Want wat zijn atomen anders dan bijeen gepakte elementaire deeltjes? En weefsels anders dan bijeen gepakte atomen? Met al onze fysische beschrijvingen hebben we enorm veel bereikt. Met het klassieke darwinisme (gebaseerd op de variatie en selectie) kunnen we de evolutie van het leven behoorlijk beschrijven – maar de kans bestaat dat we een factor uit het oog hebben verloren. Dat materie over een volstrekt mysterieuze eigenschap beschikt, die we liever opzij schuiven als een menselijke illusie, maar die (en ik verwijs naar De Waal) zijn eigen logica kent en meer en meer de evolutie van het leven bepaalt. En dat is “geest”.

Bijl aan de wortel van het materialisme

Niet zo lang geleden kreeg de Maastrichtse hoogleraar Onno van Schayck een hele vracht kritiek over zich heen omdat hij in een wonder geloofde. Natuurlijk, Van Schayck had daarbij best harde bewijzen mogen aanleveren. En zeker, ook hoogleraren mogen geloven in wonderen, zonder dat ze dat kunnen bewijzen. Maar het gekke is natuurlijk dat vrijwel al die “kritische” wetenschappers die voor wonderen zo graag harde bewijzen willen zien, blindelings voorbij gaan aan een immens en nog steeds totaal onbegrepen “wonder”. Het ontstaan van de geest uit de materie. Een geest die zich niks aan hoeft te trekken van de darwiniaanse struggle for life.

Wie De Waal gelijk geeft, en het dier abstracte, onzelfzuchtige ethische overwegingen toekent, legt de bijl aan de wortel aan het materialisme dat de laatste honderd jaar de wetenschap heeft gedomineerd. Maar nogmaals, wie weet wordt dat hoog tijd.’
Het derde artikel betreft ook een column, van Bert Keizer vandaag in Trouw: ‘De ziel is geen rups in een jampotje die het lichaam uitkruipt’. Maar die mag ik niet overnemen (de vorige twee eigenlijk ook niet, maar hoe moet ik anders laten zien hoe bijzonder ze zijn?) en daar wil ik nu dan ook niet tegen zondigen. Bert Keizer is echter hier al zo vaak ter sprake gekomen, ik noem bijvoorbeeld ‘Ziel’ en ‘Huis-aan-huis’ op 7 en 23 april 2012 en ‘Hoofdkwartier’ op 1 mei 2011, dat het ook niet echt nodig is om een idee van de strekking ervan te hebben. Wat de ziel volgens hem dan wél is, zult u dus zelf in Trouw moeten nalezen. Misschien wel dit tipje van de sluier: bij de abortusdiscussie maken wij mensen zelf uit na hoeveel weken er in de zwangerschap een ziel is of niet, schrijft Keizer. Die kun je niet eenvoudigweg vaststellen. ‘Er is een andere procedure nodig, en die heeft meer weg van een besluit dan van een waarneming. Er bestaat dan ook geen consensus over.’ Volgens Keizer valt daaruit te concluderen dat we niet zozeer vinden ‘dat de ziel binnenkomt in het lichaam maar dat hij daarbinnen heel geleidelijk groeit.’ Om vervolgens de sprong te maken naar het einde van het leven. Ook bij dementie verdwijnt de ziel niet van de ene op de andere dag. ‘Wat je eerder ziet in dementie is dat de ziel langzaam wegzakt in het lichaam.’ Is dat opmerkelijk, of niet? Wat is er toch gaande?

Ik moet denken aan de tekst die in het maartnummer van Motief stond (niet online). Daarin interviewde hoofdredacteur Jana Loose een van de spelers van het mysteriedrama, Marc Nauwelaerts. ‘Mysteriedrama’s verruimen de levenshorizon in de diepte’ staat erboven.
‘Marc Nauwelaerts (66 jaar) is gegrepen door de mysteriedrama’s van Rudolf Steiner, waarmee hij al 30 jaar leeft en waarin hij sinds 2010 in het Drempeltheater de figuur van Felix Balde uitbeeldt. Vanuit Antwerpen reist hij op en neer naar Den Haag om de repetities bij te wonen. “De mysteriedrama’s van Rudolf Steiner kunnen ons iets leren en vooral iets laten beleven van onze wezenskern. De moderne technologie geeft ons wel een enorme blikverruiming maar brengt ons niet nader tot ons hoger Ik.”

“Het bewustzijn van de moderne mens heeft in korte tijd een geweldige verruiming ondergaan. Dank zij de verbluffende ontwikkeling van de moderne informatie- en communicatietechnologie, kunnen wij in enkele seconden geïnformeerd worden over wie wat en hoe waar ook ter wereld. Wij beginnen dit zelfs ‘normaal’ te vinden en realiseren ons vaak te weinig welk technisch kunnen nodig is om dit mogelijk te maken. Naast oprechte bewondering bij het onderzoeken en nuttig gebruiken van al deze mogelijkheden kunnen wij ons ook afvragen wat dit wezenlijk te betekenen heeft. Waarom wordt dit alles ons nu geschonken zonder dat wij zelf er veel inspanning voor moeten leveren? Wat doen wij met al deze informatie? Wat is eigenlijk informatie? Worden wij er ook beter van of juist niet?

Het minste wat men kan zeggen is dat onze levenshorizon enorm verbreed wordt. De tijd dat we alleen iets afwisten van onze eigen kerktoren en de huisjes daaromheen is voorgoed voorbij. De wereld is ons dorp geworden. Met behulp van onze PC, smartphone, tablet, computer, televisie, enzovoort geven alle culturen, volkeren, landen en gebeurtenissen hun geheimen in enkele seconden prijs. Wil je iets weten, wel Google dan even! Het is verbluffend wat de moderne zoekmachines aan informatie kunnen opdelven met als input enkele eenvoudige criteria in mensentaal. Deze informatiemaatschappij oogt indrukwekkend maar heeft ook iets beangstigends. Hiermee kom je tot de kern van de zaak. De moderne technieken overstelpen ons met feiten over dingen, objecten, mensen maar zeggen ons niets over onszelf. Wie zijn wij eigenlijk? Waarom ben ik in deze wereld terechtgekomen en hoe kan ik mijn leven een zin geven? Wij beschikken over veel ‘dode’ informatie in de breedte maar over weinig levend licht dat ons het zwarte gat van ons eigen wezen kan doorlichten.

Je kunt je afvragen of er zo iets bestaat als een blikverruiming in de diepte die ons dichter bij ons zelf brengt?

De mysteriedrama’s van Rudolf Steiner geven hierop een doorleefd antwoord. Door het meebeleven van de biografieën van de verschillende personages worden we gewezen op hoe dit ook voor ons in zijn werk zou kunnen gaan. In het eerste mysteriedrama, De poort van de inwijding, zien we hoe de kunstschilder Johannes Thomasius, en samen met hem een hele mensengemeenschap, grote stappen in hun geestelijke ontwikkeling zetten, maar daarbij allen aan een grens komen. Geen ‘fiscal cliff’ maar een ‘existential cliff’ doemt voor hun zielenoog op. Meer en meer informatie uit het fysieke leven op deze aarde kan hen niet verder helpen, neen, de hulp moet vanuit de ongekende diepten komen.

In het tweede mysteriedrama kunnen wij ervaren hoe Maria, Johannes en Capesius hun blik verruimen tot een vorig aardeleven. Wat zij daar beleven verrijkt hun hoofd niet met interessante weetjes of een boeiend verhaal. Neen, het grijpt hen aan in de kern van hun wezen. Of dit verruimde levensbeeld tot een vloek of een zegen wordt hangt voor een stuk van hun eigen inzet en rijpheid af. De blik in een vorig aardeleven is geen passieve kennisverrijking maar een uitdaging aan hun oereigenste innerlijke activiteit. Het karma dat opgebouwd werd in vorige aardelevens moet vroeg of laat vereffend worden. De ‘kosmische boekhouder’, de Akashakroniek, vergeet niets. Hij laat zich niet misleiden door bergen informatie uit de Maja-wereld. Hij verwacht levenssubstantie verkregen in bloed, zweet en tranen.”

Voor ieder die zich aangesproken voelt door deze vraagstelling, persoonlijk zoekt naar nieuwe wegen en mogelijke antwoorden, is de opvoering van het tweede mysteriedrama op zondag 21 april 2013 aan te bevelen.’
De ‘Vrienden van het Drempeltheater’ ontvingen eergisteren deze alarmerende mail:
‘Op zondag 21 april 2013 is het Drempeltheater te gast in Theater Zuidplein met de uitvoering van het tweede Mysteriedrama van Rudolf Steiner “De beproeving van de ziel”. Met het oog op de toekomst van de opvoeringen in het Theater Zuidplein is het Drempeltheater genoodzaakt 300 plaatsen te verkopen. We zijn nu op de helft en hebben nog twee weken om ons doel te halen. Wij hopen op uw komst en dat wij samen met u een toekomst voor de Mysteriedrama’s in Nederland en de opvoeringen in het Theater Zuidplein veilig kunnen stellen.

Regie: Corrie Hendriks. Muziek: Peter Visser
Zondag 21 april 2013. Tijd: 12.30-20.15 uur. Plaats: Theater Zuidplein, Rotterdam
Kaarten: EUR 40,00 / + EUR 5,00 muziekinleiding /+ EUR 11,50 broodmaaltijd
Bestel online kaarten: www.theaterzuidplein.nl
Busvervoer: vertrek v.a. 09.00 uur vanuit Driebergen/Zeist. Kosten: EUR 15,00. Reservering: mail info@drempeltheater.nl of bel 06-22 16 4005. Rekening nr. 78.49.53.902 t.n.v. Drempeltheater in De Lier o.v.v. busvervoer. Zie onze website voor meer informatie www.drempeltheater.nl

2 opmerkingen:

franswuijts1 zei

@Michel
Je kan je ogen inderdaad niet spitsen, maar wat heb je er aan om je oren te spitsen als je een weblog leest? Je kan je ogen wel extra de kost geven.

sassoc zei

ref : Frans de Waal -
De erfenis van Darwin heeft, 150 jaren na Darwin, tenslotte een curieus mengsel van deplorabele resultaten opgeleverd - beter aanduidbaar als chaotische veelheid van abberaties, oscillerend tussen voordelig en nadelig - van antibiotica en gewas-"bescherming" tot ecologie en milieu-"bewustzijn".
Zelfs, en in niet mindere mate van consequentie : van Marx’s en Lenin’s communismes tot libertarian capitalism ; afrikaanse expedities en religieuze safari’s, alweer, niet uitgezonderd.
Zelfs mondiale strategische (lees : opportunistische, “winstlatende”) overwegingen worden gevoed, ja, verantwoord uit verkeerd begrepen Darwinisme. Alweer : volkenrechtelijke straf-consequenties niet uitgesloten. Zelfs lokalere zaken als strafrecht, democratie, economie, samenleving zijn er door aangedaan. Als er één virus-ziekte is die door de wereld waart, dan is het de voortplanting van verkeerd geïnterpreteerde resultaten van de oorspronkeleijk bescheiden en beperkte observaties door Darwin, die, afgezien van conclusies, zonder twijfel juist waren.

En dat alles vanwege de nu 100-150 jaar durende misvattingen over wat Darwin, in het licht van de kennis van zijn tijd, heeft ontdekt, gerapporteerd en geinterpreteerd. Daarbij is de controverse met het constructivisme “an sich” nog een bagatel, van de soort van Hoekse en Kabeljauwse twisten.

Ondertussen is, althans in de biologie, het alom-heersende inzicht in het principe 'survival of the fittest' allang op zolder gezet, bij de curiosa, aldáár geldig in beperkte omvang, maar niet daarbuiten. Biologisch inzicht begint meer en meer op coöperatieve situaties en -processen te focussen. In dat opzicht is, wat Frans de Waal vertolkt, geen uitzondering ; het is daarmee in lijn.
Wat niet wil zeggen dat, op talloze onderdelen, de toegepaste biologie (landbouw, voeding, industrie, medicijnen, gezondheidszorg) al zo ver is - verre van. De overheersende mening is en blijft vooralsnog “kilo-knallers”, mega-effect ; alleen, er zijn er die aan dat concept knagen, net als muizen. Het doorbrekend fundamenteel-biologisch inzicht geeft wèl de richting aan waarin zich de opvattingen (zowel van wetenschappelijke als maatschappelijkie aard, economie incluis) zullen ontwikkelen. De vanzelfsprekendheid daarvan is gegeven daardoor dat anderssoortige ontwikkeling niet lang meer perspectief zal hebben, anders dan dat het tot catastrofe voert.

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Volgen op Facebook


Translate

Volgers

Herkomst actuele bezoeker(s)

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code

Gezamenlijke antroposofische agenda (in samenwerking met AntroVista)