Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

dinsdag 20 januari 2009

Lincoln

Vandaag wordt Barack Obama beëdigd als vierenveertigste president van de Verenigde Staten van Amerika (om zes uur vanavond onze tijd, live te volgen op Nederland 1 vanaf half zes). Gisteren schreef Washington-corespondent Tom-Jan Meeus van NRC Handelsblad:

‘Obama zelf probeerde zijn presidentschap in het weekeinde opnieuw te verbinden met dat van Abraham Lincoln. Zaterdag reisde hij per trein naar Washington. Gisteren hield Obama’s inauguratiecomité een gratis popconcert met wereldsterren (Bruce Springsteen, Beyoncé, U2, Stevie Wonder) bij het Lincoln Memorial, waar artiesten het grote thema van Obama uitventten. Nationale eenheid – We are one.’

In een apart tekstkader legt hij dit nader uit:

‘Barack Obama is zaterdag per trein aangekomen in de hoofdstad Washington, waar hij morgen beëdigd wordt als de 44ste president van de Verenigde Staten. Zijn vertrekpunt was Philadelphia, de stad waar de grondwet is opgesteld. In Wilmington, Delaware stapte aankomend vicepresident Joe Biden in, die senator is voor de staat. Samen reden ze door naar Baltimore, de stad waar het volkslied is geschreven.

Obama keuze voor de trein moet verwijzen naar de treinreis die Abraham Lincoln maakte voorafgaand aan zijn inauguratie als president in 1861, vlak voor het uitbreken van de Amerikaanse Burgeroorlog. Net als Lincoln begon Obama zijn carrière als volksvertegenwoordiger in Illinois. Obama noemt Lincoln vaak als zijn voorbeeld en kondigde in 2007 zijn kandidatuur bijvoorbeeld aan op dezelfde plek als Lincoln dat deed. Morgen zal hij ook de eed afleggen met zijn had op dezelfde bijbel als Lincoln.

Binnenkort zullen de VS weer uitgebreid stilstaan bij Lincoln als op 12 februari zijn 200ste verjaardag wordt gevierd.’

Op zijn weblog voegde hij er de waarschuwende woorden aan toe (waarbij de link naar een artikel van Hans Nichols op Bloomberg.com verwijst, waarin deze referenties worden nagegaan):

‘Je kunt je wel afvragen of de eindeloze referenties aan Lincoln verstandig zijn.’

In de totale schriftelijke nalatenschap van Rudolf Steiner (bestaande uit 350 delen) komt Abraham Lincoln zegge en schrijve één keer voor. Steiner noemt deze Amerikaanse president in een openbare voordracht in Berlijn op 30 mei 1904. Dat is anderhalf jaar nadat hij is gevraagd om de Duitse sectie van de Theosofische Vereniging op te richten in de hoedanigheid van secretaris-generaal. De titel van de voordracht is: De geschiedenis van het spiritisme. In zijn autobiografie ‘Mijn levensweg’ uit 1924-25 schrijft hij op blz. 236 over het spiritisme:

‘Om niets anders kon het voor mij in de relatie met de geestelijke wereld ooit gaan, dan om de werkelijk zuiver geestelijke waarneming, waarover ik later in mijn antroposofische geschriften publiekelijk heb gesproken. (...) Steeds als er sprake van zoiets was [van mediamiek contact met gestorvenen, MG] heb ik mij ook geïnteresseerd voor het zoeken van mensen zoals dat in het spiritisme tot uiting komt. Het hedendaagse spiritisme is de dwaling naar het geestelijke van mensen die ook de geest op een uiterlijke – bijna experimentele – wijze zouden willen vinden, omdat ze het werkelijke, ware, echte van een methode die bij de geest aansluit absoluut niet meer kunnen voelen. Juist degene die zich geheel objectief voor het spiritisme interesseert, zonder er zelf iets mee te willen onderzoeken, die kan zich juiste voorstellingen vormen over het willen en over de dwaalwegen van het spiritisme. – Bij mijn eigen onderzoek volgde ik steeds andere wegen dan welke vorm van spiritisme ook.’

In een eerdere openbare voordracht in 1904 in Berlijn, op 1 februari (ook te vinden in ‘Spirituelle Seelenlehre und Weltbetrachtung’, GA 52), met de titel: Theosofie en spiritisme, gaat Steiner al op dit thema in:

‘Sie alle wissen ja, daß es seit dem Jahre 1875 eine theosophische Strömung, eine theosophische Bewegung gibt, die ebenso wie seit vierzig Jahre der Spiritismus, auf ihre Art bemüht ist, die Wahrheit zu erhärten, daß das materielle Dasein nicht das einzige ist, sondern daß es in der Welt ein höheres Dasein, daß es geistige Tatsachen und Wesenheiten gibt, die nicht mit den äußeren Sinnen zu erreichen und zu erforschen sind. Ebenso wie sich der Spiritismus nach seiner Methode mit der Frage nach dem Dasein einer geistigen, einer seelischen Welt befaßt hat, so befaßt sich auch die Theosophie mit diesen höheren Welten. Es ist eine einfache geschichtliche Tatsache, daß die Begründer der theosophischen Bewegung, bevor sie zu der Einsicht gekommen sind, in theosophischem Sinne zu wirken, selbst in der spiritistischen Bewegung standen. Helena Petrovna Blavatsky und Colonel Olcott, die großen Sendboten der Theosophischen Gesellschaft, gingen von der spiritistischen Bewegung aus, und man nannte sogar die theosophische Vereinigung, die sie zunächst bildeten, eine Gesellschaft unbefriedigter Spiritisten. (...)

Es ist die Aufgabe aller Spiritisten und Spiritualisten und aller religiösen Bewegungen, den Beweis zu erbringen, daß es ein höheres Geistesleben gibt; daß im Menschen etwas Geistiges lebt, daß der Mensch eine geistige Natur in sich selbst ist, daß sein Leben zwischen Geburt und Tod nur ein Teil des gesamten menschlichen Lebens ist, und daß der Mensch außer seiner physischen Wesenheit noch etwas anderes ist. Den Beweis dafür zu erbringen, bemühen sich diese Geistesforscher.’

Verderop in de voordracht laat Steiner zien hoe in het midden van de negentiende eeuw de materialistische levensopvatting haar hoogtepunt bereikt en hoe als tegenwicht daartegen juist in die tijd het spiritisme opkomt. Hij benadrukt daarbij de jaren van 1840 tot 1870. Zoals al gezegd, gaat hij op dit thema door op 30 mei. Hij noemt vele mensen die in die tijd open waren voor deze geestelijke inslag. Die zou het meest succesvol zijn als de verschijnselen die zich daarbij voordoen ook wetenschappelijk denkende mensen zouden kunnen overtuigen. Als het bedoeling was dat:

‘...diese Erscheinungen die materialistisch denkende Menschheit von dem Dasein einer übersinnlichen Welt gründlich überzeugten, wenn an sie auf die Dauer geglaubt werden sollte, dann mußten die wissenschaftlichen Kreise erobert werden. Und diese wissenschaftlichen Kreise waren nicht so schwer zu erobern. Gerade unter den Einsichtsvollen, unter denjenigen, welche gründlich und logisch zu denken vermochten, gab es viele, welche sich der spritistischen Bewegung zuwandten. Es waren in Amerika Lincoln, Edison, in England Gladstone, der Naturforscher Wallace, der Mathematiker Morgan.’

Vervolgens gaat Steiner over op de Duitsers die hiervoor openstonden. Dat laat ik voor wat het is. Nu stond er gisteren in ‘De Pers’ een interview van Kustaw Bessems met de dertigjarige Kirsten Verdel, die als enige buitenlandse in het landelijke campagneteam van Barack Obama zat. Het gaat onder andere over hoe men met de media omging. Obama mocht op een gegeven moment geen fouten meer maken, want anders werd alles door de media eruit gepikt en uitvergroot. Dan zegt ze op het einde iets op het oog heel onschuldigs, wat echter in het licht van het voorgaande bijzondere betekenis krijgt:

‘Obama gaf de laatste drie maanden geen persconferenties meer om de kans op fouten te beperken. De allereerste persconferentie nadat hij gewonnen had, maakte hij een grap over het oproepen van de overleden oud-president Reagan in een seance met diens vrouw. Binnen een half uur lag er een bericht dat hij haar had gebeld met excuses. In de campagne had zo’n foutje mythische proporties gekregen. Dat kun je je niet permitteren.’

maandag 19 januari 2009

Basisschool

Toen ik afgelopen donderdag weer begon met deze weblog, noemde ik die een ‘lees-weblog’, waarop geen bewegende beelden te vinden zijn. Ondertussen heb ik eergisteren euritmie aangeprezen, en vermeld waar je op internet keurig gerangschikt filmpjes kunt vinden die deze bewegingskunst volop in beweging laten aanschouwen. Vandaag opnieuw bewegende beelden, dit keer van het vrijeschoolonderwijs. En wie anders dan dagblad Trouw biedt dit weer? Helemaal voor de hand liggend is dat natuurlijk niet. Een dagblad is immers een dagblad. Maar tegenwoordig moet je van veel markten thuis zijn, zeker als je als krant je abonnees aan je wilt binden. Trouw TV is een nieuwe verworvenheid op internet. Je komt er via de website van Trouw. Die trouwens meer specialistische sites in de aanbieding heeft (zoals andere kranten ook). Groen! Meer! Onderwijs! Idealen! Om maar een aantal te noemen.

Onderwijs is als vanouds een hartenaangelegenheid van deze krant. Ik heb er hier al vaker over bericht. Op 6 januari verscheen het laatste artikel van Harriët Salm in een serie van vier, getiteld: ‘Mijn kind moet naar de basisschool’:

‘Ouders van kinderen van bijna vier jaar staan voor een belangrijke keuze: naar wat voor basisschool stuur ik mijn kind? Trouw-redacteur Harriët Salm gaat verschillende soorten basisscholen af om te laten zien hoe onderwijstheorieën in de praktijk werken.’

Zij schreef niet alleen vier artikelen, maar ging er met camera en microfoon langs. Dat leverde vier filmpjes van rond de zes minuten op, waarin de in de artikelen geciteerde personen hun uitspraken ‘live’ voor de camera doen. Na reportages over het Jenaplanonderwijs, het Daltononderwijs en het Montessori-onderwijs, is op 6 januari de beurt aan het vrijeschoolonderwijs. De verslaggeefster gaat op bezoek bij de Michaëlschool in Leeuwarden. Het uitgangspunt is duidelijk om informatie te bieden en voors en tegens tegen elkaar af te wegen. Je moet eigenlijk alle vier filmpjes bekijken en alle vier artikelen lezen, dan pas krijg je een goed totaalbeeld en daarmee vergelijkingsmateriaal.

Over het vrijeschoolonderwijs worden geen opmerkelijke nieuwe zaken bericht, die hier onverwijld weergegeven zouden moeten worden. Het opvallendst zijn misschien nog wel de reacties. Een bekende van deze weblog blijkt de eerste te zijn geweest die reageerde: Ramon De Jonghe uit Leuven. Hij schrijft:

‘Ik kan nogal wat kanttekeningen plaatsen bij de steinerscholen, maar daar is dit tekstkadertje te klein voor. De directrice in het filmpje vind ik eigenlijk de indruk wekken dat ze niet zeker is van wat ze zegt. Ze lijkt weinig achtergrondkennis paraat te hebben. Het is zoeken naar woorden. Uiteindelijk levert ze ook het bewijs dat ze zomaar wat aan het vertellen is door te stellen dat de resultaten van steinerschoolonderwijs beter zijn dan die van het reguliere. Uit een onderzoeksrapport (2007) van onderwijsinspectie is namelijk het tegendeel gebleken. Eén steinerschool op drie blijkt zwak tot zeer zwak te presteren. Verder: leuke reportage.’

Jules Wehberg uit Amersfoort dient hem onmiddellijk van repliek:

‘Er wordt in het artikel weinig ingegaan op het waarom der dingen. Wat niet wegneemt dat het een goed leesbaar artikel is. De zwakke resultaten van vrijescholen (in 2007 waren 14 van de 50 zeer zwakke scholen in Nederland vrijescholen) ontstonden met name omdat veel vrijescholen niet instaat bleken hun zeer eigen en persoonlijke vorm van evalueren en toetsen helder te communiceren met de inspectie. Veel vrijescholen hebben hierop actie ondernomen en de toestingscultuur drastisch gewijzigd. Hierdoor wordt er beter gedocumenteerd en gecommuniceerd met de inspectie. Ook werd in een aantal gevallen de schoolleiding vervangen.’

Patrice uit Elst, ‘een tevreden vrijeschoolouder na 15 jaar werkzaam geweest te zijn in het regulier onderwijs’, reageert ook al snel:

‘Op dit moment “presteren” de Vrijescholen beter dan reguliere scholen. Het is uw interpretatie dat mevrouw Prins niet zeker is met wat ze zegt en weinig achtergrondkennis paraat heeft en zoekt naar woorden. Mijn ervaring is dat vrijeschoolleraren juist zeer veel “in huis” moeten hebben. Er worden echter geen “kant en klare” lessen vanuit een lesmethode gebruikt. Zo blijft de vrijeschool voortdurend in beweging.’

Hetty van Rijn, de leerkracht die in het artikel en op het filmpje figureert, gaat hier vier dagen later nog nader op in:

‘Als leerkracht op de Vrije School gebruik ik inderdaad methoden, dit is om extra te kunnen oefenen op het gebied van rekenen, taal, begrijpend lezen, schoonschrijven en topografie. Het gebruik van methoden is totaal geen mythe, maar juist heel handig en overal bekend bij ouders en betrokkenen. Het hoofdonderwijs, waar alle nieuwe onderwerpen worden aangeboden, blijft eigen ontwerp van de leerkracht. En inderdaad vind ik daarmee elke dag opnieuw “het wiel” uit. Want geen klas is hetzelfde. En dat vind ik juist het mooie. Ramon, laat al je kanttekeningen bij de Vrije School eens weten via www.jufhetty.web-log.nl. Ik ben oprecht geïnteresseerd.’

Juffie Van Rijn heeft woord gehouden, want op haar weblog schreef zij al op 6 januari: ‘Kijk even mee in mijn klas... en geef je mening’. Hierin verwijst zij naar het artikel en het filmpje op de website van Trouw. Prompt reageerde Ramon De Jonghe:

‘Ik reageerde al op het artikel in Trouw, waarop je me liet weten dat ik met de kanttekeningen die ik bij steinerscholen maak, hier wel eens op bezoek mocht komen. Laat me nu zeggen dat ik niet van plan ben om op dit leuke weblog, want dat is het toch, de minkanten van steinerschoolonderwijs wil exposeren. Als ik ergens te gast ben, wil ik me ook wel aanpassen aan de gang van zaken. Maar dat neemt natuurlijk mijn kanttekeningen niet weg. Mochten die je interesseren, kan je altijd op mijn site kijken. URL heb je ondertussen. Ik waarschuw je alvast dat ik een scherpe pen heb en dat ik op mijn site de problemen waarmee steinerscholen kampen extra in de schijnwerpers zet. Dat wil niet zeggen dat ik niet wil erkennen dat op steinerscholen ook heel veel goede dingen gebeuren. Ik denk dat je weblog dat al voor een deel aantoont. Ik wens je veel succes met je leerlingen.’

De volgende dag had Hetty van Rijn eens op zijn website rondgekeken. En gaf ze het volgende mooie commentaar, regelrecht uit de praktijk:

‘Het is zonder meer goed dat je kritisch bent. Als Vrije School leerkracht heb ik op verschillende Vrije Scholen gewerkt en gemerkt hoe verschillend het er aan toe kan gaan op de ene of de andere school. Dit heeft te maken met de mensen die er werken, niet om wat Steiner en naaste medewerkers hebben geschreven. Hoe gaan de leerkrachten om met de ideeën van Steiner, met elkaar, de kinderen, de ouders? Ik denk dat je de realiteit te kort doet door te generaliseren, althans zo komt het over.

Ik werk nu al jaren op een Vrije School in een team dat zelf-kritisch durft te zijn, waar veel gelachen wordt, waar men hardop durft te twijfelen aan een bepaalde aanpak, waar kinderen mogen worden wie ze zijn, waar je als leerkrachten elkaar durft aan te spreken, En natuurlijk is het niet perfect, dat is het nergens. Maar er is elke dag weer groeiruimte.

Dit is voor mij één van de allerbelangrijkste aanwijzingen van Steiner: dat een leraar steeds weer zijn zelfopvoeding ter hand neemt. Een leerkracht die steeds weer zichzelf beetpakt om de dag terug te blikken om te zien waar nog iets ligt, welke nieuwe goede gewoonten nodig zijn, hoe je je klas of een individueel kind verder kunt helpen is een leerkracht die zelf leerling durft te zijn. Als je op die manier de werken van Steiner leest dan kom je nooit op het idee om zaken letterlijk over te nemen, want dan lees je met je hart.

Voor mij werkt Steiner zo: vanaf mijn vierde wilde ik juf worden en in de loop der jaren zag ik voor me hoe dat er uit zou zien. Pas toen ik bijna klaar was met de PABO kwam ik er achter dat de school van mijn dromen al was uitgevonden: de Vrije School! Ik lees Steiner’s werken dus “vindend” en niet “zoekend.”

Misschien is het voor jou ook eens interessant bij Vrije Scholen op bezoek te gaan waar het wel goed werkt, juist met je kritische blik houdt je jezelf dan ook scherp. Hartelijke groet van Hetty’

zondag 18 januari 2009

Owen Barfield

‘Antroposofische boekhandels’, zoals ze vroeger wel werden aangeduid, bestaan niet meer. Maar wel algemene boekhandels met antroposofie als specialisatie. Je hebt als bekendste bijvoorbeeld de ‘Nieuwe Boekerij’, in Zeist, en de ‘Haagse Boekerij’, uiteraard in Den Haag, terwijl in Amsterdam ‘De Zaailing’ is gevestigd. De Haagse Boekerij heeft zelfs een eigen weblog (waar nog weinig op staat), daar valt te lezen:

‘Inge Ebbinge, boekhandelaar te Den Haag sinds mensenheugenis en Herman Boswijk, boekhandelaar sinds 2008, daarvoor 21 jaar bibliothecaris. Samen “doen” we de Haagse Boekerij, een kleine zelfstandige boekhandel in de Frederikstraat in Den Haag.’

Op de eigen website van de Haagse Boekerij is sinds vorige maand een heuse Nieuwsbrief nr. 1 van 18 december 2008 te vinden. Daaraan ontleen ik de volgende bespreking, van het boek van Simon Blaxland-de Lange, ‘Owen Barfield. Romanticism come of age’, die naar ik aanneem door Herman Boswijk zal zijn geschreven:

‘Owen Barfield (1898-1997) is een grote onbekende, zowel in Nederland als in zijn geboorteland Engeland. Jelle van der Meulen heeft wel eens aandacht aan hem besteed in zijn boek Om gegronde redenen, maar dat is het dan wel. In Engeland was hij vooral bekend binnen de antroposofische beweging, als bestuurslid, maar met name als Steiner-vertaler en -inleider. In de VS daarentegen heeft hij veel meer invloed gehad.

Owen Barfield was een volstrekt authentiek persoon, ook in zijn omgang met de antroposofie, die hij begin jaren ’20 leerde kennen met zijn vriend Cecil Harwood. Hij had zijn eigen thema’s, die hij o.a. ontwikkelde in zijn levenslange vriendschap en dialoog met C.S. Lewis (hier te lande vooral nog bekend van de Narnia-boeken). Zij ontmoetten elkaar in de kring van de Inklings, een groep jonge academici waar ook Tolkien deel van uitmaakte. Hun later vooral via briefwisseling gevoerde discussie werd door henzelf aangeduid als “The Great War”, vanwege diepgaande verschillen van inzicht. Toch schreef Lewis: “...Barfield towers above us all”.

Door uiterlijke omstandigheden gedwongen zag Barfield af van een academische loopbaan en werkte tot zijn pensionering in 1959 als advocaat. Maar publiceren deed hij wel. Naast allerlei artikelen voor antroposofische bladen verschenen enkele boeken, waarin hij zijn eigen ideeën uitwerkte. Zijn twee belangrijkste, samenhangende, thema’s waren: de evolutie van het bewustzijn en de taal, als het medium waarin dit bewustzijn zich in de loop der eeuwen heeft uitgedrukt. Titels: History in English words (1926), Poetic Diction (1928), Romanticism comes of age (1944), Saving the appearances (1957).

Na 1959 begon een hele nieuwe carrière. Op uitnodiging van studenten stak hij de oceaan over voor enkele voordrachten en gedurende 21 jaar daarna bezocht hij vele malen de VS voor het geven van voordrachten en cursussen aan diverse universiteiten. Eén van de bekendere mensen met wie hij daar in contact kwam was Saul Bellow, die vooral via Barfield “iets” met de antroposofie kreeg. Een deel van hun briefwisseling is in het besproken boek te vinden.

Simon Blaxland-de Lange had gedurende de laatste jaren van Barfields lange leven vele gesprekken met hem en kreeg de beschikking over veel materiaal. Daarmee heeft hij een levendig en indringend boek geschreven.

Temple Lodge – Gebonden – 367 p. – € 33,00’

‘Jelle van der Meulen heeft wel eens aandacht aan hem besteed in zijn boek Om gegronde redenen’: dat is wel heel zuinig uitgedrukt. Van der Meulen wijdt in zijn boek ‘Om gegronde redenen. Antroposofie hier en nu’ uit 1996 een heel hoofdstuk aan Owen Barfield, en dat vormt samen met de twee hoofdstukken over Saul Bellow en Joseph Beuys het hart van dit boek, waarin op geheel eigen wijze monumenten voor deze drie persoonlijkheden worden opgericht. Zo schrijft hij onder andere (blz. 176-177):

‘In Romanticism comes of age, dat artikelen en lezingen bevat, vertelt Barfield grotendeels hetzelfde verhaal [over de ontwikkeling van het bewustzijn, MG], echter nu voor mensen die bekend zijn met de antroposofie. In sommige van de hoofdstukken steekt hier en daar een polemisch slangetje de kop op [waar Barfield zich gewoonlijk ver van houdt, MG] en vaak met betrekking tot hetzelfde punt: de eenzijdige oriëntatie in de antroposofische beweging op de Duitse cultuur.

Het is duidelijk dat hij zich daar aan ergert. Met klem wijst hij op het feit dat Goethe en Fichte niet de enige voorlopers waren van de antroposofie; ook in de Engelse cultuur zijn die te vinden, zoals Shakespeare en vooral Samuel Taylor Coleridge. Hij lijkt het belangrijk te vinden – hij maakt niet geheel duidelijk waarom – dat de antroposofie wordt beschreven in “Engelse” termen, als een logische voorzetting van elementen die al in de Engelse cultuur aanwezig waren.

Hetzelfde had Rudolf Steiner gedaan met betrekking tot de Duitse cultuur. Zo was Goethe volgens Steiner een van de vaders van de antroposofie; de wijze waarop deze als natuurwetenschapper werkte (anders dan veel mensen denken, was Goethe niet alleen een dichter) was een onbewuste stap in de richting van de geesteswetenschap. (...)

Wat Goethe voor Duitsland was, zo stelt Barfield, was Coleridge voor Engeland. Goethe was echter verbonden met de Duitse cultuur en Coleridge uiteraard met de Engelse, wat enig verschil maakt. En dat lijkt precies de kern van zijn betoog te zijn: dat een transplantatie van de “Duitse” antroposofie naar de situatie in Engeland niet zonder meer mogelijk is. Om de “Engelse” antroposofie te begrijpen moet je eerst aanknopen bij de Engelse cultuur zelf en de antroposofie daaruit laten ontstaan, precies zoals Steiner de antroposofie uit de Duitse cultuur heeft ontwikkeld.

Al het werk van Barfield draait om dit streven. Vandaar dat hij in al zijn boeken – Romanticism comes of age uitgezonderd – het gebruik van antroposofische termen vermijdt. In wat Barfield als zijn hoofdwerk beschouwde, What Coleridge thought uit 1971, doet hij met Coleridge wat Steiner met Goethe heeft gedaan.’

Wanneer Van der Meulen verderop zijn – enige – persoonlijke ontmoeting met Owen Barfield beschrijft, doet zich een mooie anekdote voor. Hij is zelf een grote fan van Coleridge, en brengt het gesprek graag op deze illustere schrijver:

‘Ik vroeg hem wat zijn inziens de betekenis van opium voor Coleridge was geweest. Immers, Coleridge gold als één van de eerste romantische opium-dichters. Ik had mijn vraag nog niet gesteld, of Barfield zei: “Ach ja, die laudanum van Coleridge... Daar beginnen de antroposofen altijd over. Maar dezelfde antroposofen willen niet weten dat hun Goethe iedere dag niet minder dan twee flessen wijn dronk.”’

Het gesprek komt ook op Saul Bellow. Barfield en Bellow ontmoetten elkaar in 1975, maar dat werd geen succes.

‘We hadden elkaar weinig te zeggen’, zegt Bellow daar later over. ‘Maar ja, wat wil je: een straatjongen uit Chicago in gesprek met een aristocraat uit Kent, dat gaat nu eenmaal niet. Niettemin blijf ik Barfield beschouwen als een belangrijke leermeester.’

In de VPRO-gids van deze week (nr. 3 van 17 januari t/m 23 januari) staat een prachtig artikel van Dirk-Jan Arensman (helaas niet online, dus ik kan geen directe link geven) met de titel ‘Stadsromancier’ [update 21 januari 2009: dankzij zijn onvermoeibare naspeuringen heeft John Wervenbos dit artikel achterhaald, vandaar dat ik nu toch een directe link kan geven]:

‘Van de Nobelprijswinnaar Saul Bellow (1915-2005) verschijnen binnenkort fraaie Nederlandse heruitgaven van drie van zijn grootste romans’.

Het gaat om ‘De avonturen van Augie March’, ‘Herzog’ en ‘De decaan en diens december’. Helaas zit daar niet ‘Humboldts nalatenschap’ (uit 1975) bij, waarin een belangrijke rol is weggelegd voor ‘De weg tot inzicht in hogere werelden’ van Rudolf Steiner. Ook over die rol is na te lezen bij Jelle van der Meulen.

zaterdag 17 januari 2009

Euritmie

Altijd willen weten wat euritmie nu eigenlijk is en nooit durven vragen? Op de website van het Euritmie Impresariaat wordt dit antwoord gegeven:

‘Euritmie werd aan het begin van de vorige eeuw (vanaf 1911/1912) ontwikkeld te midden van een reeks vernieuwingen binnen de kunsten. Zij kwam in Europa op – samen met de abstracte schilderkunst, verschillende aanzetten van organische architectuur en de atonale muziek – als een van de moderne dansvormen.

Het kenmerkende van euritmie is dat zij door de bewegingen van het lichaam het hoorbare – in taal en muziek – zichtbaar wil maken. In het beoefenen van de euritmie wordt het eigen lichaam van de uitvoerende kunstenaar tot instrument, waarbij in de bewegingen geen sprake is van willekeur. Net zoals in bijvoorbeeld de muziek de uitvoerende musicus afzonderlijke tonen en klanken samenhangend tot een muziekstuk omtovert, is dit vergelijkenderwijs het geval bij een euritmist. En zoals een musicus een eigen stijl ontwikkelt, is dat ook zo bij de uitvoerende euritmist.

Behalve het hoorbare kan ook het onhoorbare zichtbaar worden gemaakt, met name zielenstemmingen in de gebaren en gestalte van de kunstenaar. Het kostuumontwerp (voor elk gedicht of muziekstuk anders) en de belichting ondersteunen in belangrijke mate de zeggingskracht van de euritmie.

Als uitvoerende euritmist heeft men een jarenlange scholing doorlopen. Er is een opleiding in Den Haag (zie www.euritmie-denhaag.nl). Ook in vele andere landen zijn opleidingsmogelijkheden.

Euritmie wordt op diverse niveaus beoefend, zowel amateur, semiprofessioneel als professioneel. Opvoeringen van (semi)professionele groepen (van solist tot groepen van circa 30 euritmisten) vinden meestal plaats in theaters. Recente voorbeelden zijn: Symphonie Eurythmie 2008 o.a. in het Lucent Danstheater in Den Haag (zie www.euritmie.nl/2008) [deze link geeft echter niet deze, maar een recentere voorstelling te zien; ook niet verkeerd trouwens, MG] en de Russisch/Nederlandse groep die onlangs in Theater Kikker in Utrecht optrad (zie www.shostakovich-project.com).

Nieuwsgierig geworden? Bezoek eens een voorstelling of ga naar een open dag van de euritmie-opleiding. Op www.euritmie.nl is een agenda te vinden met alle activiteiten op euritmie-gebied, waaronder het cursusaanbod (euritmie als gymnastiek voor de ziel!).’

‘Euritmie komt men in verschillende (afgeleide) vormen tegen:
– als kunsteuritmie, zoals hierboven is beschreven
– als pedagogische euritmie in het onderwijs
– als therapeutische euritmie in de gezondheidszorg
– als sociale euritmie op de bedrijfsvloer
– als euritmie bij uitvaarten en herdenkingsvieringen
– als euritmie in gevangenissen.’

Ook het Euritmie Impresariaat zelf is een bijzonder initiatief, van de onvolprezen Imke Jelle van Dam. Bijzonderheden hierover vertelde hij aan Alize Korf, in het artikel ‘Bewegen op een hellend vlak. Euritmie anno 2002’, dat verscheen in Motief nr. 50 van maart 2002. Hieruit wordt meteen duidelijk met welke moeilijkheden de euritmie te kampen heeft:

‘Imke Jelle van Dam (51), medeoprichter van het “Euritmie & Theater Impresariaat”, houdt zich al vanaf 1989 tot de dag van vandaag bezig met het aan de man brengen van podiumeuritmie. Aanvankelijk wist hij weinig of niets van euritmie. Hij organiseerde eens een euritmiedemonstratie in Zwolle en kwam na afloop in gesprek met de euritmistes. Ze vertelden dat ze blij waren dat hij dit had georganiseerd, omdat ze nauwelijks voor uitvoeringen werden gevraagd. Van Dam voelde zich tot in het diepst van zijn wezen aangesproken: “Door die vraag had ik mijn levenstaak op aarde gevonden. Ik heb dat moment als een soort karmische inslag beleefd en vanuit een idealistisch enthousiasme organiseerde ik met steun van de speciaal opgezette ‘Werkgroep Eurythmie Zwolle’ in 1990 een groots spektakel: de Zwolse euritmiedagen. Dit werd een succes. De hoofdvoorstelling was met vijfhonderd bezoekers uitverkocht.” Van Dam had dan ook voor veel publiciteit gezorgd. De media waren aanwezig, er waren recensenten van verschillende dagbladen, en zijn doel, ook buiten de antroposofische kring interesse te wekken voor euritmie, was bereikt. Van Dam: “Hierdoor aangemoedigd organiseerde ik het jaar daarop weer dit drie dagen durende festival. Ondertussen was ik ook met twee andere mensen in contact gekomen die zich sterk maakten voor euritmie: Fia Willemstein uit Alkmaar en Ruud Gersons uit Zeist.”

Besloten werd tot een samenwerkingsverband onder de noemer “Euritmie Impresariaat Nederland”, met als doel het organiseren van tournees in den lande, maar ook internationaal. Ruud Gersons moest helaas al snel wegens ziekte stoppen. Van Dam vervolgt: “Vanaf het begin was het de bedoeling professioneel te werken, te zorgen voor een goede publiciteit en ons sterk te maken voor betaling van de euritmisten.”

Dit laatste was namelijk vaak niet het geval. Er werden subsidies aangevraagd, sponsors geregeld en veel geld ging naar grote publiciteitscampagnes. Maar in plaats van een opgaande lijn bleek gaandeweg dat de bezoekersaantallen steeds kleiner werden. Van Dam hierover: “De bekostiging van voorstellingen – Fia en ik organiseerden circa twintig tot veertig uitvoeringen per jaar – werd daardoor een groot probleem. In eerste instantie hadden we de gedachte dat het aan ons lag. Aanvankelijk hebben we er dus nog meer tijd en geld in gestopt, nog meer publiciteit gemaakt, maar het leverde toch minder op. Toen bleek dat deze terugloop over de hele wereld een tendens was die al vanaf 1989 begonnen was, nog vóór de oprichting van het Impresariaat. In het seizoen 1993-1994 werd duidelijk dat wat er binnenkwam aan entreegelden zelfs onvoldoende was om enkel de tournees te kunnen betalen.”

Maar Van Dam wilde de groepen er niet onder laten lijden. Hij kon het niet over zijn hart verkrijgen een groep die hij had uitgenodigd met lege handen naar huis te laten gaan. Hij paste geld uit eigen zak bij, terwijl hij dat feitelijk niet had. Gaandeweg bouwde hij een schuld op van zo’n vijfentwintigduizend gulden. Hij deed dit met de hoop dat het de volgende keer misschien wél een succes zou worden. Een paar jaar geleden besloot collega Fia Willemstein ermee te stoppen, ontmoedigd door de uitzichtloze situatie. Ondanks de grote moeilijkheden ging Van Dam alleen door. Door alle ervaringen wijzer geworden, besefte hij dat het publiek uit antroposofische kring “uitgeput” was, en met een op het laatste nippertje bijeen gesprokkelde ton aan subsidiegeld stortte hij zich in het reguliere circuit.

Afgelopen seizoen organiseerde Van Dam twee keer een drietal voorstellingen die hij “intry-out-voorstellingen” noemde. Voor de tweede serie in-try-out-voorstellingen werd het programma “Four Pieces” geselecteerd, een euritmievoorstelling van een viertal buitenlandse euritmisten die hun eigen stuk omschreven als grensverleggende euritmie. De voorstelling had dan ook weinig weg van wat je traditionele euritmie zou kunnen noemen. Tijdens het Euritmiefestival in Dornach veroordeelden velen dit programma en klonken er kreten in de trant van: “Dit mag je geen euritmie noemen”, en: “Dit is een belediging aan het adres van Steiner.”

Er werden voor de in-try-out-voorstellingen dansliefhebbers en programmeurs uitgenodigd met het verzoek hun vooroordelen te laten varen en kennis te maken met deze “nieuwe euritmie”. Om de discussie te bevorderen werden bij deze voorstellingen ook prominente figuren gevraagd aanwezig te zijn die werkzaam waren in de danswereld, zoals ex-balletdanser, danspublicist en docent dansgeschiedenis Luuk Utrecht en ex-directeur van het Nederlands Danstheater Michael de Roo. Utrechts reactie op de voorstellingen was dat hij emotie miste in de euritmie, dat de euritmisten elkaar nooit aankeken of aanraakten en elkaar niet in de lucht gooiden. Naar zijn mening zou er nog heel hard gewerkt moeten worden door euritmisten om deze kunstvorm een volwaardige plaats te laten krijgen in de danswereld. Volgens De Roo verdiende euritmie onvoorwaardelijk een plek in de Nederlandse theaters, zij het voor een geïnteresseerd publiek. Van Dam kreeg het voor elkaar dat zeven Nederlandse theaters toezeiden het volgend seizoen, 2002-2003 dus, euritmievoorstellingen in hun programma”s op te nemen.

In het afgelopen seizoen 2001-2002 heeft Van Dam meer dan een ton opgemaakt aan het financieren van achtenvijftig voorstellingen, en het bekostigingsprobleem voor het komende seizoen stond dus voor de deur. Voor nieuwe subsidies zette Van Dam zich wederom aan tafel met diverse financieel deskundigen. Deze maakten hem duidelijk dat het financieren van de groepen niet de taak van het impresariaat was. Van Dam: “Ik heb – zij het met moeite – deze raad ter harte genomen.” De bekostiging van voorstellingen en tournees zijn sinds 1 januari 2002 dus weer bij de euritmiegroepen komen te liggen. Van Dams aanvankelijke angst was dat door deze beslissing geen voorstellingen meer zouden kunnen plaatsvinden in Nederland. Maar gelukkig is het bij een aantal groepen die de afgelopen tijd uitvoeringen hebben kunnen geven financieel goed verlopen. Of dat plaatje er voor andere groepen in de toekomst ook zo uit zal zien, zal nog moeten blijken. Van Dam: “Zelf zal ik nog enkele jaren nodig hebben om met betaalde opdrachten de vele tienduizenden gulden aan schuld af te kunnen lossen. Dat betekent voor mij in totaal zo’n vijftien jaar werken zonder dat ik er noemenswaardig iets aan verdiend heb. Maar ik heb dit werk uit liefde gedaan.”

Terugkijkend op totnogtoe twaalf jaar werk voor zijn impresariaat heeft Van Dam het gevoel dat ondanks alle tegenslagen er toch veel gebeurd is. Vanaf 1989 hebben er dankzij het impresariaat ruim driehonderd voorstellingen plaatsgevonden. “Ik heb de hoop dat het vele zaaien op den duur tot oogsten zal leiden, ook al zou het nog jaren duren voordat die werkelijk tastbaar wordt. Ik heb dan ook gemerkt dat je dit werk alleen maar kunt doen met een bevlogenheid en met een lange adem. Dat ik dit werk zo lang vol heb kunnen houden, komt in de eerste plaats omdat ik aan de andere zijde de vele hardwerkende euritmisten zie, in hun niet aflatende streven de euritmie te verwerkelijken.

Het is deze kracht waardoor ik gevoed word. Ik vind het belangrijk dat er geld vrijgemaakt wordt zodat individuele euritmisten de kans krijgen in vrijheid hun eigen weg te zoeken. Ik hoop dat er op grote schaal een uitwisseling kan gaan plaatsvinden met andere theaterdisciplines en vooral natuurlijk dat zich in de toekomst meer mensen gaan interesseren voor deze vorm van kunst.”’

In 2009 bestaat het Euritmie Impresariaat dus al twintig jaar. Hoe het met het impresariaat gaat, is te volgen in de tweemaandelijkse Euritmie/Muziek/Theaterkrant (klein A4 formaat; 16 pagina’s voor maar € 12,00 per jaar). Op de website is nog veel meer informatiefs te vinden, waaronder een uitgebreide agenda van voorstellingen. Een van de mooiste dingen is de verzameling filmpjes op YouTube (nu al 24) die op de website keurig onder elkaar zijn gezet.

vrijdag 16 januari 2009

Heraarding

In de nieuwste uitgave van Motief, maandblad voor antroposofie (nr. 125 van januari 2009), kom ik verschillende teksten en uitspraken tegen die het waard zijn hier gememoreerd te worden. Zo opent het blad met het ‘Motief van Jan Diek van Mansvelt: Grensoverschrijdende wetenschap’, opgetekend door Arianne Collee:

‘Jan Diek van Mansvelt (61) – in vele hoedanigheden bekend als pleitbezorger van de biologische landbouw – is initiatiefnemer van de conferentie “Bewustzijn voorbij de grenzen”. De titel blijkt perfect van toepassing op de rode draad in Van Mansvelts leven.’

Die conferentie wordt elders op de website van de Antroposofische Vereniging als volgt nader aangekondigd:

‘Tijdens de conferentie “Bewustzijn voorbij de grenzen” op 28 februari wordt een groot aantal workshops georganiseerd. Het overkoepelende thema is: ervaringen uit de wereld van voor de geboorte en na de dood. Er zijn workshops van onder meer Jeanne Meijs, Inge van der Ploeg, Arie Bos en Willem Daub. Te gast is verder onder andere cardioloog Pim van Lommel, auteur van het boek “Eindeloos bewustzijn”. Hij spreekt over zijn onderzoekingen op het terrein van het eindeloos bewustzijn en zal een dvd tonen over bijna-dood-ervaringen bij kinderen. Voor meer informatie over deze conferentie, het volledige programma, de workshops en aanmelding zie onze agenda of ga rechtstreeks naar http://www.vupodium.nl/agenda/585/bewustzijn_voorbij_de_grenzen.html.’

Nu weer terug naar Jan Diek van Mansvelt en wat hij te zeggen heeft. Hij is directeur van de biologisch-dynamische landbouwschool Warmonderhof geweest en bijzonder hoogleraar biologische landbouw in Wageningen:

‘Biologisch is niet logisch vanuit het gangbare wetenschappelijke denken. Het reductionistisch wereldbeeld gaat ervan uit dat de werkelijkheid vanuit deeltjes verklaard kan worden. Dat deeltjesdenken is een heel sterk geloof geworden, dat je overal terugziet. Er zit een goede kant aan, want het heeft een grote rol in onze emancipatie en vrijwording gespeeld, maar de emancipatie en urbanisatie brachten ook vervreemding en ontaarding met zich mee. De biologische landbouw gaat over “heraarding”. (...)

Wetenschap moet bij uitstek grensoverschrijdend zijn. Je moet onderzoeken wat je nog niet weet, om het te weten te komen. Daar ligt een belangrijke link met Pim van Lommel, die mede de aanleiding vormt voor de conferentie. Hij doet het als gerenommeerd cardioloog goed binnen zijn paradigma, maar houdt zijn oren, ogen en hart open voor de werkelijkheid. Hij neemt de ervaringen van zijn patiënten serieus. Al liggen die ervaringen buiten zijn waarneming en begrip, hij ontkent ze niet. (...)

Van Lommel is ook geïnteresseerd in de grenzen van de kennis. Met de middelen die hem ter beschikking staan, doet hij zeer nauwkeurig onderzoek om tot een eigen oordeel te komen. Hij opent een raam in een richting waar veel meer onderzoek mogelijk zou zijn.’

Het tweede dat ik hier wil memoreren komt uit het daaropvolgende interview door Ingrid Gouda Quint met Bart Jan Krouwel, tot 1 februari directeur Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen van de Rabobank, onder de titel ‘De kredietcrisis als kans. Het roer moet om’. Krouwel laat in dit interview op een gegeven moment zien hoe hij met het bijvoeglijk naamwoord ‘antroposofisch’ in verband met de gezondheidszorg om wil gaan, of liever gezegd niet wil omgaan:

‘het vervelende is dat het woord antroposofie bij veel mensen nog een verkeerde klank heeft. Antroposofen worden toch nog vaak gezien als vreemde figuren, die er rare ideeën op nahouden. Binnenkort voer ik met mensen uit het medische veld overleg of het verstandig is als we in die sector het woord antroposofie vervangen door een ander – door duurzame gezondheidszorg. Dat klinkt meer van deze tijd. We spreken toch ook over duurzame energie en duurzame landbouw? Dus als er toch al met de antroposofie verenigbare begrippen zijn die worden betiteld als “duurzaam”, waarom zouden we dan ook niet spreken over duurzame gezondheidszorg? Ik zou het toejuichen als antroposofische werkgebieden los zouden komen van de term antroposofisch en hun inhoud aan de man zouden brengen met een benaming die algemeen maatschappelijk aanvaard is. Dan heb je meer kans dat je in bredere kring kunt uitdragen wat je wilt bereiken.’

En het derde en laatste uit dit nummer van Motief is afkomstig uit de aflevering van de rubriek ‘Leesproef’, dit keer door Marcel Seelen, die onder de titel ‘Vrijeschoolpedagogie in de wetenschap’ schrijft over twee boeken over pedagogie. Hij opent echter met een eigen observatie van de vrijeschoolbeweging, over twee gebeurtenissen die hier al eerder ter sprake zijn gekomen (namelijk op 14 november 2008 in ‘Honorering’ en op 20 oktober 2008 in ‘Vooruit’):

‘Wat maakt de vrijeschool anders dan de gewone school om de hoek? Onlangs is er in conceptvorm een stuk verschenen over de identiteit, in opdracht van de Vereniging van Vrijescholen. Daarnaast waren er op de jaarlijkse Michaëlsconferentie in Nijmegen twee gastsprekers uit universitaire kringen. Een prima initiatief, maar hoogleraar Koops uit Utrecht bekritiseerde fel het Duitse idealisme en de fasentheorie van de bioloog Haeckel en merkte fijntjes op dat we met zijn allen na de Tweede Wereldoorlog gelukkig zo verstandig waren geworden, die dwaze ideeën achter ons te laten... Hij is zo slecht thuis in de ideeën van Steiner dat hij niet doorhad daarmee ook de basis van de vrijeschoolpedagogie met een bruusk gebaar van tafel te vegen. We zoeken op de tast naar een kennelijk moeilijk te grijpen identiteit.’

donderdag 15 januari 2009

Top tien

Het is vandaag tijd om weer te beginnen, de draad weer op te pakken. ‘Waar waren we gebleven?’, om met Geert Mak te spreken. Maar eerst dank aan al diegenen die de laatste keer hun goede wensen aan mijn adres en dat van deze weblog uitspraken.

Te memoreren valt verder nog dat toen ik deze weblog een maand geleden losliet, er al achtduizend bezoekers geteld konden worden, sinds het begin in mei. Een onwaarschijnlijk aantal. Het klopt ook niet helemaal. Want hoe gaat dat, hoe werkt de techniek? Ongeveer de helft zijn namelijk treffers die via Google gescoord zijn. Dat zit zo: iemand die een zoekterm bij Google intypt, en dat hoeft helemaal geen antroposofische term te zijn, bijvoorbeeld Lauweriks of Antonovsky, die vindt bij de eerste tien treffers de desbetreffende pagina op ‘Antroposofie in de pers’. En dat wordt geteld, of iemand deze pagina nu werkelijk bezoekt of niet, dat maakt niet uit.

Het betekent echter wel dat iemand minstens het woord antroposofie onder ogen heeft kunnen hebben en dat er aan dat onderwerp vanuit deze blikrichting aandacht is geschonken. Dat deze weblog vaak bovenin de Google-lijst verschijnt (de zogenaamde ‘ranking’), heeft ook te maken met het feit dat hij dagelijks wordt bijgehouden. Dat is een criterium dat bij Google zwaar weegt. Evenals het feit dat er steeds in de tekst veel links naar de gebruikte bronnen zijn te vinden.

Maar binnen deze formele telling slaat ongeveer een vijfde van alle ‘bezoekers’ wel degelijk aan het lezen. Hiervan is er ondertussen ook een flink aantal dat regelmatig terugkeert. En zij lezen voor het merendeel langere tijd. Dat kan haast ook niet anders, want ik heb deze weblog welbewust als een lees-weblog opgezet. Je moet er moeite voor doen. Geen flitsende bewegende beelden en andere zwaaiende voorwerpen die je aandacht trekken. Je hebt enige rust nodig om het geschrevene tot je te laten doordringen. Dat past meer bij mij en leek me ook een goede manier om hier antroposofie te presenteren.

Achtduizend bezoekers tot vier weken geleden. Intussen zijn er, in mijn afwezigheid en dus ook geheel zonder mijn toedoen, tienduizend gepasseerd. Waarvan akte.

En dan nu het nieuws. Dat is een beetje oud, maar niettemin zeer de moeite waard. Het dateert van 26 december, Tweede Kerstdag dus, en stond op de website van de Volkskrant. Het is te relateren aan wat ik op 7 november 2008 schreef in ‘Toelating’, waar het ging over de vergelijkende website Kiesbeter.nl, die zichtbaar maakt welke kwaliteit zorginstellingen uit de verpleging, verzorging en thuiszorg te bieden hebben:

‘Huize Valckenbosch heeft op twee onderdelen het hoogste aantal sterren (vijf), en op twee onderdelen vier sterren. Het Leendert Meeshuis heeft op één onderdeel het hoogste aantal sterren, en op drie onderdelen vier sterren.’

Onder de titel ‘Beste verpleeghuis is kleinschalig’ schreven Jeroen Trommelen en Ellen de Visser eind vorig jaar in de Volkskrant geheel verrassend over een derde en beste antroposofische voorziening op het gebied van verpleeghuiszorg, namelijk het Rudolf Steiner Verpleeghuis in Den Haag, tegenwoordig onderdeel van de Raphaëlstichting:

‘Het beste verpleeghuis en het beste verzorgingshuis zijn kleinschalige voorzieningen. Dat blijkt uit de Volkskrant-verpleeghuizenlijst die de krant dit jaar voor de tweede keer heeft samengesteld. Het beste verpleeghuis van 2008 is De Naber in Rotterdam. Het best scorende verzorgingshuis is Menno Simons in Amsterdam. Beide huizen hebben minder dan veertig bewoners.

De kwaliteitsvergelijking laat grote verschillen zien tussen huizen onderling. Slecht scorende verpleeghuizen hebben bijna twintig keer zoveel doorligwonden, dertien keer meer medicijnincidenten en acht keer meer bewoners die onbedoeld afvallen. In de best scorende huizen worden vrijwel geen anti-depressiva gebruikt, is er vrijwel geen probleemgedrag van bewoners en komen doorligwonden niet voor.

De Naber in Rotterdam werd in 1995 opgezet als een van de eerste kleinschalige verpleeghuizen voor demente ouderen. Het maakt gebruik van voorzieningen van het naburige verpleeghuis De Hofstee. Verzorgingshuis Menno Simons is een zelfstandige eenheid binnen een groter seniorencomplex in Buitenveldert. In de top-tien van beste verpleeghuizen staan ook twee antroposofische huizen, Rudolf Steiner in Den Haag en het Leendert Meeshuis in Blithoven. Een ander kleinschalig verpleeghuis, de Woonhaven in Zuidhorn, behoort eveneens tot de top-tien.

De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) kan de gevonden verschillen niet precies verklaren. Alle huizen krijgen evenveel geld van de overheid en de kwaliteitcijfers zijn gecorrigeerd voor de zorgzwaarte van de bewoners. Maar hoofdinspecteur Jenneke Van Veen is niet verbaasd: “De menselijke maat die je aantreft in kleinschalige voorzieningen maakt dat er aandacht is voor de mens, dat men zich kan inleven in de bewoners. Dat zorgt voor kwaliteit”.’

donderdag 18 december 2008

Zon


Dit is het begin van de Willemsbrug. De rest ervan volgt volgend jaar.

Kenniscentra hier en kenniscentra daar. Het is in, zo’n kenniscentrum. Lectoraten, leerstoelen, u noemt het maar. Het Antonovsky Instituut van de Lievegoed Zorggroep was het laatste waarover ik berichtte (op 8 november in ‘Kenniscentrum’; intussen staat dit ook prominent als nieuws op de website van de Lievegoed Zorggroep). Dat Zonnehuizen ook zoiets van plan was, meldde ik op 10 oktober in ‘Geen ontslagen’. Er was sprake van ‘een kennis- en expertisecentrum’ dat ‘bijdraagt aan de strategische profilering van Zonnehuizen als hét expertisecentrum op het snijvlak van GGZ jeugd, Gehandicaptenzorg voor kinderen, jeugdigen en volwassenen en Speciaal Onderwijs.’

Inmiddels zijn op de website van Zonnehuizen als pdf-documenten weer een aantal nummers geplaatst van het blad ‘Zon’ (gek genoeg alleen bij ‘Nieuws’ van de afdeling ‘Zonnehuizen volwassenen’). Dit fraai vormgegeven magazine verschijnt drie of vier keer per jaar, dat is mij niet helemaal duidelijk. Nr. 5 was in maart, nr. 6 in juli en nr. 7 in november; de laatste dus nog heel recent. Hoe dan ook, ze zijn te downloaden en in te zien. In nr. 6 staat op blz. 4 en 5 een interview met Joop Hoekman, getiteld ‘Een buitenstaander binnen’. Wie het interview heeft afgenomen, wordt er niet bij vermeld. Het begint in ieder geval zo:

‘Joop Hoekman is onlangs bij Zonnehuizen in dienst getreden om er het Centrum voor Kennis en Expertise op te richten. Van huis uit orthopedagoog werkte Joop aan de Rijksuniversiteit Leiden en voor de Gemiva-SVG Groep. Een gesprek over verwondering, vruchtbare verbindingen en vermeerdering van kennis.’

En dan gaat het interview van start. In het kader van kennisvermeerdering laat ik het hier graag in zijn geheel volgen (het is niet zo lang).

Je komt uit ‘het reguliere’. Wat doe je bij een antroposofisch geïnspireerde instelling als Zonnehuizen?

‘Ik ‘heb’ veel met de antroposofie. Ik ben al lang verbonden aan het Heilpedagogisch Verbond, ik zat in het bestuur van een antroposofisch gezondheidscentrum, mijn kinderen zijn naar de Vrije School geweest en zelfs mijn huis is volgens antroposofisch ontwerp verbouwd. M’n vrienden zeggen ook wel gekscherend: ‘Nu je bij Zonnehuizen gaat werken, moet je ook maar eens lid worden van de Antroposofische Vereniging.’

Hoe waren de reacties op je nieuwe aanstelling?

‘Toen alles rond was en ik dat kenbaar maakte bij collega’s in mijn toch tamelijk omvangrijke netwerk van instellingen en onderzoekers, was ik erg beducht voor het type opmerkingen waarvan ik maar eentje heb gekregen, namelijk: ‘Kun jij wel met die sofen door één deur?’ Niets daarvan! Ik kreeg alleen maar zeer enthousiaste reacties, zoals die van mijn hoogleraar: ‘Zonnehuizen, dat is een goede club zeg!’

Toen ik dat trouwens bij Zonnehuizen zelf vertelde, zag ik dat veel mensen toch wat verbaasd reageerden, dat ze dat niet hadden verwacht. Er is hier nog veel te weinig trots op de onmiskenbaar aanwezige kennis en kwaliteit. Op de keper beschouwd een merkwaardige bescheidenheid.’

Maar toch: een buitenstaander?

‘De rol van relatieve buitenstaander past me wel goed. Kijk, waar het de antroposofische gezondheidszorg betreft, zie ik een grote toegevoegde waarde. Er is veel warmte, betrokkenheid en expliciete gerichtheid op de ontwikkeling van cliënten. Ik tref dat ook bij Zonnehuizen aan; dat absolute geloof dat er voor iedereen, hoe groot de obstakels in sommige individuele gevallen ook zijn, ontwikkeling mogelijk is. Dat zit in het DNA van de organisatie ingebakken. En dat vertegenwoordigt een enorme en unieke kwaliteit. Ik zie het als mijn taak – en daar ligt ook mijn kracht – om zinvolle en vruchtbare verbindingen te leggen tussen de reguliere en de antroposofisch geïnspireerde zorg.’

Kun je concrete voorbeelden noemen waar die kwaliteit zich manifesteert?

‘Meerdere. Om er één te noemen: de woon-werkgemeenschap Bronlaak. Als je daar oppervlakkig en van een afstand naar kijkt, zou je kunnen denken: dat is toch waar we vanaf wilden, beperkte mensen weggestopt in de bossen? Terwijl het in werkelijkheid een perfect voorbeeld is van omgekeerde integratie, waar zorgvragers en zorgbieders samen vormgeven aan een gemeenschap. Bronlaak treedt ook naar buiten en staat in contact met omliggende dorpen. Dat is fantastisch! En, minstens zo belangrijk, iedere bewoner wérkt er. Iedereen heeft er een maatschappelijk gewaardeerde rol.’

Je wittebroodsweken zitten er bijna op. Wat is je indruk van Zonnehuizen na deze eerste tijd?

‘Het voelde al direct als thuiskomen. Overigens ben ik nog steeds bezig met ‘eerste indrukken’; ik voer ongelooflijk veel gesprekken met zoveel mogelijk medewerkers op zoveel mogelijk plekken. Ik loop rond, verwonder me en stel heel veel domme vragen. Ik zie het voorlopig als mijn taak om minutieus in kaart te brengen wat er in de organisatie aan kennis aanwezig is, wat we daarvan kunnen delen – en hoe dat gedeeld kan worden – en wat medewerkers aan kennis willen verwerven of nodig hebben. Pas als dat inzichtelijk is, kunnen we intern goed de kennisbehoefte en het kennisaanbod op elkaar afstemmen. Dan kunnen we ook vaststellen welke kennis we nog verder zelf kunnen ontwikkelen of van buitenaf naar binnen halen. En tenslotte: welke kennis we aan de buitenwereld kunnen aanbieden.’

Kennis vermarkten?

‘Ja, hoewel ik er een voorstander van ben om dergelijke kennis gewoon beschikbaar te stellen, royaal in de aanbieding te doen. Prijskaartjes en ingewikkelde contracten? Niet doen! De praktijk leert dat als je kennis aanbiedt, je er ook veel kennis voor terugkrijgt. Bovendien is en blijft het uiteindelijke doel het verbeteren van de kwaliteit van de zorg en de behandeling. Het verbeteren van de kwaliteit van het bestaan van cliënten en zorgvragers, daar doe je het voor. Onderzoek is in mijn optiek dan ook geen “ivoren toren werk”.’

En hiermee zult u het voorlopig moeten doen wat deze weblog betreft. Tot het einde van het jaar zullen er geen nieuwe bijdragen meer verschijnen. En ook daarna nog, tot twee weken in het nieuwe jaar zal het duren eer ik de draad weer op kan pakken. Zo mogelijk, bij leven en welzijn, wederom in een dagelijks ritme, zodat u niet verstoken hoeft blijven van wat zich als ‘antroposofie in de pers’ voordoet. Ik maak graag gelijk van de gelegenheid gebruik om iedere lezer voor de belangstelling te bedanken en tevens een goede kersttijd te wensen en een voorspoedig begin van 2009.

woensdag 17 december 2008

Samenvatting

Dit is het eerste uitzicht vanaf de Willemsbrug, die we gisteren beklommen.

Vandaag wordt het een heel verhaal. Gisteren wierp ik in ‘Tegenstelling’ deze vraag op: of ‘er inderdaad geen argumenten en bewijzen [zijn] die ondubbelzinnig laten zien dat deze geneesmiddelen een aparate status verdienen’. Dat beweert immers de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Het ging hierbij uiteraard om de specifieke antroposofische geneesmiddelen.

Ik was gisteren aanwezig bij het symposium ‘Praktijkonderzoek in de Antroposofische Gezondheidszorg’, de eerste lectoraatsbijeenkomst georganiseerd door het lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg aan Hogeschool Leiden. Ik kondigde dit al aan op 11 oktober 2008 in ‘Kenniskring’. Daar valt natuurlijk het nodige over te schrijven, zeker in verband met die bewuste vraagstelling. In dit kader is vooral interessant de afsluitende lezing van Harald Hamre: ‘Clinical research into anthroposophic medicine: Past – Present – Future’. In een hoog tempo werd een groot aantal onderzoeksgegevens uitgestort over de onschuldige, niet-wetenschappelijk onderlegde toehoorder die ik ben. En misschien wel over meer mensen dan ik. Dus ik zat met mijn oren te klapperen, in een uiterste poging om de portee van het verhaal goed in me op te nemen.

Omdat dit alles niet onbelangrijk is, en ik altijd graag wil weten hoe het zit (en ik het ook wil kunnen nalezen), ben ik op zoek gegaan naar waar zulke gegevens te vinden zijn. Dan doet zich het vreemde feit voor dat er al het nodige erover op deze weblog zelf aanwezig is. Ik ben maar een eenvoudig verslaggever en boor nieuws aan dat mijzelf het meest interesseert. In de loop der tijd (dagen, weken, maanden) word je uiteraard ouder, maar ook een beetje wijzer. Wat betekent dat je dezelfde feiten van tijd tot tijd opnieuw kunt bezien en daarvan meer in je op kunt nemen. Je referentiekader wordt groter, zogezegd: je begint bij het dichtst bij zijnde, om je kringen steeds wijder te trekken.

Voor een goed deel van de inhoud van de lezing van Harald Hamre kan ik terecht bij ‘Restjes’ op 13 augustus 2008. Dat wil zeggen, ik heb er toen slechts naar verwezen. Ik berichtte dat een Nederlandse vertaling van de ‘abstract’ van een HTA-bericht (Health Technology Assessment) op de website van de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Artsen (NVAA) te vinden was. Dit is een in 2005 voor het eerst in de geschiedenis verschenen overzicht van de in de antroposofische gezondheidszorg voorhanden wetenschappelijke publicaties. Op de webpagina over ‘Antroposofische geneeskunde’ van de NVAA staat er dit over:

‘Antroposofische geneeskunde – werkzaamheid, nut, kosten en veiligheid [hier had natuurlijk de Engelse titel ‘Anthroposophic Medicine – Effectiveness, Utility, Costs Safety’ moeten staan, want van deze publicatie bestaat geen Nederlandse uitgave; ik weet eigenlijk niet of er ook een Duitse uitgave is, je zou het wel verwachten, MG]

Uitgegeven in 2006 door “Schattauer Verlag”, Stuttgart-New York. Dit Health Technology Assessment (HTA) rapport, geschreven door Gunver Kienle MD, Helmut Kiene MD, Hans Ulrich Albonico MD, werd opgesteld in opdracht van het Zwitserse Federale bureau voor Sociale Verzekering en werd uitgevoerd als onderdeel van het nationale Evaluatieprogramma voor Complementaire Geneeskunde. Klik HIER om de samenvatting (PDF) te downloaden.

Deze herzien uitgave is een update van dit HTA rapport, en geeft een overzicht van de beschikbare literatuur aangaande werkzaamheid, nut, kosten en veiligheid van de antroposofische geneeskunde (“AG”). Een engelstalige samenvatting van het rapport is te vinden op de website van de International Federation of Anthroposophic Medical Associations (www.ivaa.info).’

Het lijkt me het meest op zijn plaats als ik deze Nederlandstalige samenvatting gewoon hier in zijn geheel overneem:

Inhoud

Inleiding
Presentatie van de bijzondere aspecten van de antroposofische geneeskunde in fundamenteel onderzoek en in de klinische praktijk
Bespreking van de methodologie
Materiaal en methoden
Resultaten betreffende werkzaamheid, nut, kosten en veiligheid
Discussie
Commentaar op gepubliceerde kritiek aangaande studies over maretak
Lijst van casuïstiek en litteratuur die niet gebruikt is voor de analyse etc.

Studies

Single case studies (in dit overzicht niet geanalyseerd): 2090 studies

Klinische studies geschikt voor analyse: 195 studies

Systematische overzichten in 4 “domeinen”: 127 studies
Overige studies “Appendix”: 68 studies

Design van de 195 studies

Prospectief vergelijkend design: 40 studies
RCTs: 18 studies (5 geblindeerd)
Matched-pair: 4 studies (3 geblindeerd)
Retrospectief vergelijkend design: 45 studies
Cohort-studie design: 110 studies
prospectief: 62 studies
retrospectief: 43 studies
anderen: 5 studies

Resultaten: werkzaamheid

127 Studies in 4 “domeinen”

Antroposofische geneeskunde als therapeutisch systeem voor verschillende aandoeningen (inclusief systeem-vergelijking)
8 studies
Pijnbehandeling of wondbehandeling met antroposofische geneesmiddelen
18 studies inclusief 3 RCTs
Niet-farmacologische behandeling van verschillende aandoeningen
5 studies and 3 extra-analyses
Antroposofische maretak behandeling bij kanker
96 studies, waaronder 15 RCT’s

68 overige studies ("Appendix")

Chronische hepatitis B of C
10 studies
Neurologische of psychiatrische aandoeningen
7 studies
Gynaecologie en Verloskunde
6 studies
Acute infecties (bovenste luchtwegen, oor, ogen, maagdarmkanaal)
18 studies
Circulatoire aandoeningen
6 studies
Schildklier aandoeningen
4 studies
Pulmonaire aandoeningen (sarcoidosis)
6 studies
Andere aandoeningen
11 studies

Resultaten: samenvatting van de 4 domeinen en appendix

195 studies werden geanalyseerd:

186 studies hadden positieve resultaten voor de AG-groep (vergelijkbaar of beter resultaat dan conventionele behandeling voor ten minste 1 klinische parameter).
8 studies toonden positieve noch negatieve resultaten
1 studie toonde een negatieve trend.
De praktische relevantie was hoog voor alle studies.
De kwaliteit van de studies varieerde van zeer goed tot zeer slecht (met name de retrospectief vergelijkende studies).
De tevredenheid van de patiënten was hoog.

De positieve resultaten waren ook nog relevant, wanneer de analyses beperkt werden tot de kwalitatief goede studies.

Resultaten: nut

Consumenten van antroposofische geneeskunde:

Patiënten binnen de reguliere nationale gezondheidszorg en patiënten met bijzondere belangstelling
In het bijzonder vrouwen, patiënten tussen de 30 en 50 jaar oud en kinderen
Hoog opleidingsniveau
Dikwijls na complicaties of ineffectiviteit van conventionele behandeling
Belangstelling voor een holistische behandeling en actieve betrokkenheid
Hoog niveau van tevredenheid van patiënten van AG

Resultaten: veiligheid

2 veiligheidsanalyses met een zorgvuldige design, fase I-studies, vragenlijst binnen de samenhang van klinische studies, database, casuïstiek
goede therapietrouw
0.005% van de voorgeschreven geneesmiddelen veroorzaakte geringe bijwerkingen
In het algemeen had AG een hogere therapietrouw en minder bijwerkingen in vergelijk met conventionele geneeskunde

Resultaten: kosten

Binnen het raamwerk van PEK werd een algemene kostenanalyse uitgevoerd die niet naar de individuele behandelingen was gedifferentieerd.
Er zijn maar zeer weinig kostenanalyses beschikbaar voor antroposofische geneeskunde.
1 Duitse studie, uitgevoerd in de praktijken van 141 antroposofische artsen, betrof 898 patiënten die voor chronische aandoeningen met antroposofische middelen waren behandeld, liet een lager kostenniveau zien in vergelijk met het jaar dat aan de studie voorafging (3.484 vs. 3.637 Euro).
Patiënten die met antroposofische middelen werden behandeld hadden geringere kosten voor geneesmiddelen en minder verwijzingen naar de tweede lijn, hoewel de ernst van de aandoeningen vergelijkbaar of erger was in vergelijking met de conventioneel behandelde groep.

Conclusies:

Antroposofisch medische behandeling resulteert volgens de grote meerderheid van de beschouwde studies in gunstige klinische outcomes.
Deze conclusie blijft ook overeind indien zij beperkt blijft tot de kwalitatief goede studies.
Antroposofische geneeskunde wordt gebruikt door patiënten zowel binnen de reguliere gezondheidszorg als patiënten met speciale belangstelling voor deze speciale geneeswijze.
Antroposofisch medische behandelingen zijn voor de patiënt bevredigend en zijn veilig
Antroposofisch medische behandelingen zijn mogelijk ook kosten-effectief door minder verwijzingen voor ziekenhuisbehandeling en lagere kosten voor geneesmiddelen, in het bijzonder bij chronische aandoeningen.

De vraag is wel of dit voldoende hout snijdt binnen het geheel van de wetenschappelijke wereld. Maar internationaal wordt er in ieder geval werk gemaakt van onderzoek naar antroposofische geneeskunde.

Dat mocht ook blijken gisteren op het symposium zelf. Er werd een Nederlandse onderzoekspublicatie gepresenteerd. Ik schreef daar al over in de nieuwste uitgave van de Verbreding, die op de website van de NVAZ (Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders) te vinden is. Dat artikel, onder de titel ‘Symposium “Praktijkonderzoek in de Antroposofische Gezondheidszorg”’, laat ik hier ten slotte volgen.

De lectoraatsrede van Erik Baars op 4 juni 2008 in Leiden, ‘De professionele ambachtelijkheid van gezondheid verzorgen’, was het grote officiële startschot voor zijn lectoraat Antroposofische Gezondheidszorg aan Hogeschool Leiden. Een half jaar later, op 16 december 2008, volgt het bij die gelegenheid al aangekondigde eerste jaarlijkse symposium, dat aan het eind van elk kalenderjaar georganiseerd wordt. Bij het startschot in juni was het een aankondiging van plannen, hoewel het lectoraat goed beschouwd al anderhalf jaar bezig was, vanaf het prille begin in de eerste maanden van 2007. In de tussenliggende tijd is er een verkennend onderzoek gedaan onder medewerkers in de antroposofische gezondheidszorg, onder meer om praktijkproblemen die men zelf ervoer, in kaart te brengen. Mede op basis hiervan konden concrete werkplannen voor het lectoraat worden gemaakt en gingen de eerste projecten van start. In het boekje ‘Antroposofische gezondheidszorg. De professionele ambachtelijkheid van gezondheid verzorgen’ (verschenen bij uitgeverij SWP), de schriftelijke weergave van de lectorale rede, worden deze plannen dus vermeld.

Een belangrijke zin uit die rede was: ‘Ondanks de grote waardering van patiënten en de in de praktijk vaak succesvol gebleken ervaringsdeskundigheid, is de antroposofische gezondheidszorg in veel gevallen (nog) te weinig in staat om voldoende wetenschappelijke bewijzen te kunnen overleggen.’ En dat is natuurlijk wel een probleem. Er werd uiteraard ook naar de oorzaken gekeken. Behalve omstandigheden die nog weinig op onderzoek ingericht waren, speelde ook een fundamentele twijfel of onderzoek met de gangbare middelen wel mogelijk was. Als er echter niet of nauwelijks uitwisseling plaatsvindt van de resultaten in de praktijk, wat niet anders dan een vrucht van onderzoek is, wordt het ook bijzonder lastig om de eigen benadering zichtbaar te maken en over te dragen. Dit is een probleem dat bijvoorbeeld de opvolgers ondervinden, hoe welwillend die ook zijn. Voor de continuïteit van de antroposofische gezondheidszorg is onderzoek werkelijk een noodzakelijkheid. Dus moest hier een oplossing voor worden gevonden.

Het lectoraat is duidelijk aan de slag gegaan. Niet alleen met plannen, maar ook met concrete onderzoeken. Dat is in het afgelopen half jaar wel duidelijk geworden. Niet dat die onderzoeken niet al eerder in gang gezet zijn, maar binnen de context en met de professionele begeleiding van het lectoraat krijgen die pas hun werkelijke waarde. Het lectoraat is in de eerste plaats aan het bundelen, door bijvoorbeeld mensen en onderzoeken met elkaar in contact of concreet bij elkaar te brengen. In de tweede plaats opent het mogelijkheden voor nieuwe vormen van onderzoek. Bijvoorbeeld door nieuwe theoretische of praktische kaders aan te dragen, door deze zelf te ontwikkelen of in de wetenschappelijke wereld op te sporen. Want ze zijn er best, maar je moet ze wel zoeken. En niet onbelangrijk, omgekeerd worden vernieuwende onderzoekers waar ook ter wereld verder op weg geholpen door met hen in contact te treden. Zij merken dan niet alleen dat er werkelijk behoefte is aan wat zij aan het ontwikkelen zijn, maar ook dat er in de praktijk al op zulke manieren gewerkt wordt. Redenen te over dus, voor onderzoek in de antroposofische gezondheidszorg.

Wat heeft het lectoraat te bieden anno eind 2008? Het programma voor de eerste lectoraatsbijeenkomst op 16 december laat hier het nodige reeds zien. De schrik van de gezondheidszorg is het ‘gerandomiseerde dubbelblinde onderzoek’, dat in de wetenschappelijke wereld als de hoogste standaard geldt. Een proefopstelling in laboratoriumachtige omstandigheden, zo klinisch mogelijk, met twee gelijke groepen waarvan er één een bepaald te onderzoeken middel krijgt. Dit wordt dubbelblind en door het lot bepaald uitgevoerd. Dat wil zeggen dat zowel patiënt als behandelaar niet weet of hij het werkzame middel respectievelijk krijgt of toedient, of juist het nepmiddel dat uitsluitend ter controle dient, namelijk om het werkelijke effect hieraan te kunnen meten. Dit is een zeer inperkende methode van bewijsvoering, die veel buitensluit van wat juist voor de gezondheidszorg van belang is. Niet alleen voor de antroposofische gezondheidszorg, maar voor een groot deel van de hele gezondheidszorg is dit niet de meest geschikte manier om de werkzaamheid aan te kunnen tonen. Maar wat dan wel? Is er een alternatief?

Het lectoraat zoekt dit onder meer in onderzoeksmethoden die binnen het kader van ‘practice-based evidence’ passen. Zoals dit beschreven wordt: ‘aanwezige impliciete ervaringskennis van beroepsbeoefenaars omzetten naar expliciete kennis die kan worden gedeeld, zo nodig verder ontwikkeld en toegepast. Onderzoek naar het verwerven van practice-based evidence draagt uiteindelijk bij aan het verbeteren en innoveren van de het methodisch handelen in de beroepspraktijk. Actieonderzoek, kwalitatief onderzoek en de analyses van cases en best practices zijn hierbij belangrijke onderzoeksmethoden.’

Dit kan gebeuren met elke beroepsgroep, en is inmiddels in aanzet gedaan met antroposofische verpleegkundigen, fysiotherapeuten en kunstzinnig therapeuten. Maar het kan ook per thema plaatsvinden. Zoals onderzoek naar het werken met kleur, muziektherapie, lichtbadtherapie, planeettypologieën, heilpedagogische constitutiebeelden, om maar een aantal te noemen. Wat zijn daar de bevindingen en resultaten van? Dat is nu mooi bijeengebracht in een nieuwe publicatie, die het licht ziet op 16 december: ‘Praktijkonderzoek in de antroposofische gezondheidszorg 2008.’ Met als korte omschrijving: ‘Eerste stappen in Nederland in de ontwikkeling van practice-based evidence, ondersteuning in het therapeutisch besluitvormingsproces, en het evalueren van kwaliteit en effect.’

Dat is een vlag die de lading volkomen dekt. Nog sterker: de lading biedt eigenlijk nog veel meer. Namelijk bewustwording van wat elders in de antroposofische gezondheidszorg wordt gedaan, van de mensen die daarmee bezig zijn, en hoe ver zij zijn in het ontwikkelen, niet alleen van nieuwe manieren van onderzoeken, maar van de antroposofische gezondheidszorg überhaupt. Het beschrijven van wat je doet: bestaat er iets stimulerenders voor je dagelijks werk? Deze publicatie is werkelijk een uniek document in de geschiedenis van de antroposofische gezondheidszorg in Nederland. Nog niet eerder vertoond: zo’n samenbundeling van wat er momenteel gaande is. Als ergens hoop voor de toekomst uit geput kan worden, dan is het dit wel.

Het boek is vanaf 16 december bij Hogeschool Leiden te koop voor € 15,00 (zie de website van het lectoraat: http://www.hsleiden.nl/lectoraten/Antroposofische-gezondheidszorg/).

dinsdag 16 december 2008

Tegenstelling

We gaan naar boven en betreden de trap naar de Willemsbrug, vanwaar een mooi uitzicht mogelijk is op de Maas en op de skyline van Rotterdam.

Op 10 december meldde ik in ‘Verbod’ wat er op de website van Antroposana staat over de antroposofische geneesmiddelen die door de Hoge Raad op 5 december in Nederland verboden zijn. Op die eerdere datum had ik daar ook al verslag van gedaan (in ‘Hoge Raad’) evenals de dag daarna (in ‘Voorman’), omdat dit nu eenmaal veel voeten in de aarde heeft. Die laatste keer, op 6 december, maakte ik ook kort melding van de Vereniging tegen de Kwakzalverij, die natuurlijk gaarne op dit verbod insprong. Koren op haar molen zogezegd.

Intussen zijn we bijna een weekje verder en blijken zowel Antroposana als de Vereniging tegen de Kwakzalverij hun website wat dit onderwerp betreft geactualiseerd te hebben. Bij Antroposana betekent dit zelfs dat de lay-out is aangepast. Niet speciaal hiervoor, maar toch, het valt onmiddellijk op. Op de homepage verschijnt nu direct ‘Antroposana Actueel’, met duidelijk onder elkaar de laatste nieuwberichten. Een hele verbetering, veel overzichtelijker en leesbaarder. Het bericht zelf, ‘Inspectie verbiedt uitlevering antroposofica’, is nog steeds op 10 december gedateerd (dat wil zeggen onderaan het bericht, het begin van de tekst geeft zelfs 9 december aan), maar is toch veranderd en beter gestructureerd. Ik laat hier het eerste deel in zijn geheel volgen, dan heeft u alles op een rijtje.

‘Na arrest Hoge Raad: Inspectie gebiedt onmiddellijk staken van levering van een beperkte groep antroposofische geneesmiddelen.

Amersfoort, 9 december 2008

Antroposana voert samen met andere antroposofische organisaties uit de gezondheidszorg al jaren een juridisch proces met als doel een kleine maar belangrijke groep antroposofische geneesmiddelen op de Nederlandse markt geregistreerd te krijgen. Dit proces wordt ook wel “de zaak Antroposana c.s.” genoemd en heeft betrekking op een beperkte groep antroposofische geneesmiddelen.

Wellicht heeft u al vernomen dat de Hoge Raad der Nederlanden op vrijdag 5 december jl. arrest heeft gewezen in de zaak Antroposana c.s. en het vonnis in het Kort Geding uit 2003 heeft vernietigd. Daarmee is een einde gekomen aan de mogelijkheid om – hangende de uitkomst van een parallel lopende bodemprocedure – een beperkte groep antroposofische geneesmiddelen op de markt te mogen verhandelen.

Namens de antroposofische organisaties is overleg gevoerd met de Hoofdinspectie van Volksgezondheid om een oplossing voor de ontstane situatie te vinden. Het verzoek is ingediend om de betreffende groep antroposofische geneesmiddelen onder de Named Patiënt Formule (procedure waarbij op grond van een artsenverklaring voor individueel gebruik van een patiënt en onder verantwoordelijkheid van de arts een in Nederland niet geregistreerd geneesmiddel t.b.v. die patiënt mag worden geïmporteerd) toch in Nederland in de handel te mogen brengen. De uitslag over beoordeling van dit verzoek door de Inspectie kan echter nog enige tijd in beslag nemen.

Ondertussen heeft de Inspectie op 8 december wel bericht doen uitgaan dat levering van deze antroposofische geneesmiddelen met onmiddellijke ingang gestaakt dient te worden.

In de bijlage “geneesmiddelen” staat vermeld om welke antroposofische geneesmiddelen het nu gaat. Deze geneesmiddelen worden toegevoegd aan de lijst met geneesmiddelen die uitsluitend via de Schloss Apotheke verkrijgbaar zijn. Voor alle andere antroposofische geneesmiddelen verandert er NIETS.

Wat betekent dit nu concreet voor u als mogelijke gebruiker van de betreffende geneesmiddelen?

Dat u de betreffende geneesmiddelen (zie pdf-bestand “geneesmiddelen”) niet meer van apotheken in Nederland kunt krijgen, maar wel via bestelling bij de Duitse Schloss Apotheke. Hoe dit precies gaat kunt u verderop lezen.
Als de Inspectie het eerdergenoemde verzoek honoreert kunnen de betreffende geneesmiddelen op termijn weer beschikbaar komen in Nederland op grond van een artsenverklaring voor individueel gebruik van een patiënt.

Worden deze antroposofische geneesmiddelen dan nog wel vergoed?

Voor de leden met een Antroposana-polis bij De Amersfoortse is dit zeker het geval. In de polisvoorwaarden staat vergoeding bij levering door de Schloss Apotheke genoemd. De Amersfoortse is inmiddels door ons geïnformeerd over de ontstane situatie.

Zorgverzekeraar Azivo heeft indertijd, in navolging van de Antroposana-polis, eveneens vergoeding via de Schloss Apotheke opgenomen. Van andere zorgverzekeraars is op dit moment niet bekend hoe zij met de vergoeding van de betreffende geneesmiddelen om zullen gaan als die uit een andere lidstaat worden betrokken.

Het spijt ons buitengewoon u dit bericht te moeten zenden en wij hopen natuurlijk van harte dat de Inspectie de betreffende geneesmiddelen in aanmerking kan laten komen voor eerdergenoemde formule.’

Vervolgens staat er hoe deze geneesmiddelen concreet vanuit Duitsland betrokken kunnen worden, wat ik op 10 december al weergaf. Iets anders heb ik toen echter verzuimd te vermelden, hoewel daar redenen genoeg voor waren. Ik citeerde de voornemens, klaarblijkelijk door Weleda in november geschreven toen het feitelijk nog niet zover was:

‘Levering van Weleda geneesmiddelen via de Weleda Bereidingsapotheek is voor de patiënt vaak sneller en goedkoper dan levering vanuit het Buitenland. De Weleda geneesmiddelen zijn op zichzelf al goedkoper omdat Weleda de huidige Nederlandse prijzen blijft hanteren en de Duitse prijzen hoger liggen; bovendien levert de Weleda Bereidingsapotheek aan alle apotheken portvrij.’

Wat staat hier nu over (en stond er dus ook al op 10 december, alleen niet door mij gemeld), nu deze route voorlopig geblokkeerd is? Naar aanleiding van de levering door Schloss Apotheke:

‘De factuur van de Duitse verzendapotheek dient u persoonlijk te voldoen. De prijs die u betaalt voor de Duitse geneesmiddelen is de Duitse prijs, deze ligt veelal lager dan de Nederlandse prijs. De verzending van de geneesmiddelen is GRATIS. Dus geen extra kosten bij de uitlevering via de Duitse apotheek.’

Dan nu naar de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Ook zij heeft haar bericht geüpdate, en wel op 14 december. De tekst is behoorlijk uitgebreid en in een bepaalde zin veel informatiever geworden. Het standpunt van de vereniging is op zichzelf wel bekend; dat is heel beperkt en simpel. Maar er gaat daardoor wel kracht vanuit. Ook dit bericht, dat trouwens ondertekend is met ‘Van de webredactie’, laat ik vrijwel in zijn geheel volgen:

‘Heden 5 december 2008 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een sinds 2003 lopende zaak. Volgens Europese regels horen geneesmiddelen en dus ook antroposofische middelen alleen in de handel gebracht worden als er een vergunning voor is. Zolang die er nog niet is voor typisch antroposofische middelen (dus niet van die homeopathische middelen waar niks in zit), hoeft de Staat voor antroposofische middelen geen uitzondering te maken. (...)

De kern van de zaak is richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik. (...)

De richtlijn heeft een artikel 13, dat gaat over middelen waar praktisch gesproken niets in zit, zogenaamde homeopathische middelen. Als die alleen voor uitwendig gebruik zijn of door de mond worden ingenomen, hoeven die niet te voldoen aan de werkzaamheidseis, maar er mag dan geen specifieke therapeutische indicatie zijn vermeld. Later zijn er ook aparte regels voor traditionele kruidenmiddelen bijgekomen.

Het is duidelijk dat antroposofische middelen hier niet aan voldoen. Gefermenteerde maretak oftewel Iscador is bijvoorbeeld niet oneindig verdund. Het wordt per injectie toegediend, en er is een indicatie voor, namelijk “tegen kanker”. Men zou denken dat dit kristalhelder en zonneklaar is en dat zulke middelen ondubbelzinnig verboden zijn. Dat is precies wat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap (HvJ EG) heeft gezegd, en wat de Hoge Raad dus ook zegt. Inmiddels heeft de Hoofdinspectie voor de Gezondheidszorg op 9 december 2008 inderdaad een verbod uitgevaardigd. Wat betreft Weleda gaat het om 114 artikelen, waarvan 89 Iscador-preparaten. De firma Wala mag ook 89 middelen niet meer verkopen.

Welke argumenten voerden en voeren de antroposofen dan aan? Ze mikten op artikel 13, maar dat gaat echter alleen over middelen waar niets in zit, homeopathie dus. Volgens de richtlijn hoef je niet alles over te doen als je in een lidstaat een vergunning hebt gekregen. Dan mag een andere lidstaat die gewoon overnemen. Maar dat geldt alleen voor vergunningen op basis van de richtlijn. In Duitsland worden al die antroposofische middelen helemaal buiten de richtlijn om toegelaten, dat schept geen enkele verplichting voor Nederland om de Duitsers daarin te volgen. De antroposofen kwamen zelfs aandragen met artikel 1 van de Grondwet en dergelijke hoogdravende principes. Maar het HvJ EG heeft geoordeeld dat de richtlijn volkomen wettig was, dus die vlieger ging niet op. Als zo'n maatregel als richtlijn 2001/83/EG wordt ingevoerd is het redelijk dat er een overgangsregeling komt, en die kwam er ook, tot 2002. Maar door alle juridische procedures is daar nog eens 6 jaar bij gekomen. Dat is genoeg. Dat er nog een bodemprocedure loopt, is irrelevant. Zolang daar geen uitspraak in is gedaan, geldt gewoon de richtlijn. (...)

Uw rapporteur merkt op dat de antroposofen in plaats van te procederen en het parlement proberen achter zich te krijgen, ook de koninklijke weg hadden kunnen bewandelen. Ze hadden als een haas alsnog het werkzaamheidsbewijs kunnen leveren. Dat ze bij deze middelen dat na 75 jaar gebruik niet gedaan hebben, kan toch eigenlijk maar één ding betekenen: ze weten deksels goed dat ze dat bewijs nooit zullen kunnen leveren. (...)

Overigens zitten de patiënten niet zonder. De richtlijn laat nog een ontsnappingsroute open via artikel 3: een op doktersrecept klaargemaakt middel voor een individuele patiënt valt niet onder de regels. In Duitsland is een apotheek kennelijk bereid om duizenden patiënten (de antroposofen beweren dat het om 200.000 personen in Nederland gaat) te helpen. De standaard bestelformulieren zijn bij de antroposofische arts te verkrijgen. Het is nog goedkoper ook!’

Ik citeer dit ook zo in extenso, omdat mij de vraag bezighoud: zijn er inderdaad geen argumenten en bewijzen die ondubbelzinnig laten zien dat deze geneesmiddelen een aparate status verdienen? Anders zou de Vereniging tegen de Kwakzalverij, of je het nu met haar eens bent of niet, uiteindelijk toch gelijk hebben.

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Translate

Volgers

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code