Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

maandag 28 juli 2008

Universitair bestel

Hier kijken we van de Erasmusbrug schuin naar beneden, naar de Maas, waar enkele boten (schepen) van het rondvaartbedrijf Spido liggen te wachten op de eerste bezoekers op die zondag. Rechts is het hotel Tulip Inn nog net te zien. Recht tegenover staat het havengebouw, met daarachter de hoogste woontoren van Nederland, de Montevideo. Die zullen later nog terugkomen.

Gisteren was ik in mijn boekenkast (een van mijn boekenkasten) op zoek naar een boek dat ik maar niet kon vinden. Ik kwam echter iets anders tegen dat ik een tijdje uit het oog verloren was. Een kleine brochure met als titel ‘de vrije hogeschool’. Deze hogeschool is hier inmiddels al verschillende malen aan bod gekomen. Het is een dun boekje van achttien bladzijden zonder jaartal. Het moet enkele jaren na het begin in 1971 zijn geschreven.

Het begint met ‘Het propaedeutisch jaar als vrij studiejaar tussen eindexamen en verdere studie’ van drs. Ernst Amons. Dan volgen ongesigneerde hoofdstukjes over ‘Duur en indeling van het propaedeutisch jaar’, ‘De Vrije Hogeschool’, ‘Onderzoek en Wetenschapsbeoefening’ en ‘Enkele praktische gegevens’. Vóór het laatste is een wat langer hoofdstuk opgenomen, dat wél gesigneerd is, door de rector namelijk, prof.dr. B.C.J. Lievegoed, en dat als titel draagt: ‘Het huidige wetenschappelijk onderwijs in historisch perspectief’.

Dit nu laat ik hier integraal volgen, compleet met de merkwaardige alinea-indeling en interpunctie uit het boekje. Deze is apart, maar wel kenmerkend voor Lievegoed. Ik doe dit ook omdat ik deze tekst van hem nergens heb kunnen terugvinden; ik vermoed dat hij later niet herdrukt is. In ieder geval is hij niet opgenomen in ‘Bernard Lievegoed. Lezingen en essays 1953-1986’ uit 1987.

Het huidige wetenschappelijk onderwijs in historisch perspectief

Het Hoger Onderwijs is in een crisissituatie gekomen. Is deze crisissituatie iets van de laatste jaren òf is hij van oudere datum?

Ons Europese Universitaire bestel kent twee wortels.

Ten eerste een streven naar universaliteit dat na het jaar 1000 n. Chr. zijn uitdrukking vond in de toen gestichte universiteiten, waarbij weldra Parijs en Bologna centra werden.

Het zuiverste kwam dit streven naar voren in de universiteit van Chartres die, tezamen met de kathedraalbouw, door Bemardus van Chartres in de 11e eeuw werd gesticht en waar later de grote leraren Alanus ab Insulis en Bemardus Sylvestrus de glanspunten waren.

Het programma van deze universiteit was de algemene propaedeuse, de studie in de ‘zeven vrije kunsten’, op het westportaal van de kathedraal van Chartres afgebeeld als zeven jonkvrouwen, elk met het symbool van een wetenschap.

De zeven vrije kunsten waren gesplitst in het Trivium en het Quadrivium:

Trivium

[in een driehoek]

Grammatica

Rhetorica Dialektica


Quadrivium

[in een vierkant]

Arythmetica Geometrica

Astronomia Musica


Met een enkele oogopslag valt op, dat deze indeling nog altijd de grondslag vormt voor onze alpha en bêta faculteiten:

de grammatica (algemene taalwetenschap) stond bovenaan, omdat mense­lijke cultuur pas door taalontwikkeling mogelijk wordt;

de rhetorica was de kunst en de kundigheid zich van de taal te bedienen en anderen zijn gedachten over te dragen;

de dialektica was toen datgene wat men tegenwoordig inleiding in de filo­sofie zou noemen.


De mathematische wetenschappen van de bêta faculteiten waren:

arythemetica – de rekenkunde;

geometrica – de landmeetkunde;

astronomica – de berekeningen van de omlopen der planeten;

musica – de getallenverhouding van de intervallen; men zou het tegen­woordig de leer van de getallenreeksen noemen.

Deze studie werd besloten met een Baccalaureaat in de Vrije Kunsten, terwijl een klein aantal verder studeerde en magister werd.

Wij kennen deze studievorm nu nog in de Angelsaksische landen in de algemene studie, eindigend met een B.A. (Bachelor of liberal Arts), de academische studie voor het grootste aantal studenten in Engeland en Amerika.

De universele studie in de zeven vrije kunsten heeft hoogstens een twee eeuwen gebloeid. Omstreeks 1250 werd er al geklaagd, dat men om deze zeven vrije kunsten te kunnen bestuderen een aantal universiteiten moest bezoeken om hier het ene en daar het andere te bestuderen. De academische studie was toen zuiver wetenschap-gericht en de studenten trokken naar die universiteit waar grote leermeesters waren.


Een tweede wortel was de studie van de toegepaste wetenschappen, af­komstig van de Arabieren. Via Spanje hadden deze reeds eeuwen de studie­vakken van het Quadrivium beïnvloed.

Hun grote invloed kwam na 1200 toen Keizer Frederik II van Hohenstaufen in Palermo op Sicilië een universiteit stichtte met Arabische hoogleraren. De reeds in 1060 door de Arabier Constantinus Africanus gestichte univer­siteit van Salerno kreeg in 1231 het alleenrecht voor medische studie op het vaste land, eveneens met Arabische docenten. De Arabieren brachten een ‘modern’ natuurwetenschappelijk denken en de materialistische wereld­beschouwing in de universiteiten.

Na de 13e eeuw zien wij dan ook twee stromingen in de universiteiten te­zamen gaan:

De universele studie: de propaedeuse der zeven vrije kunsten waardoor men een ontwikkeld mens werd.

De hogere vakstudies, ook de ‘gouden studies’ genoemd: de juridische en de medische studie, waarmee later geld verdiend kon worden.

In deze tijd woedde aan de universiteit de Universaliën-strijd, de strijd tussen de realisten (die de geest reëel, dus primair zagen) en de nomina­listen (die de ideeën zagen als de schepping van de mens).

De filosofische strijd tussen de beide richtingen is tot op heden niet beslist; maar in de praktijk kreeg de wetenschappelijke houding van de nominalisten steeds meer invloed. Dit voerde er toe dat de aandacht gericht werd op het onderzoeken van de materiële wereld en op het beheersen van de natuur­krachten.

Ook kreeg de beroepsopleiding steeds meer aandacht.


Na de Reformatie, toen in Duitsland elke Groothertog zijn eigen universiteit wilde hebben, werd de belangrijkste studie de juridische, als opleiding voor toekomstige staatsdienaren.

In de Nederlandse universiteitsgeschiedenis is er een novum, wanneer in 1600, onder Prins Maurits, Simon Stevin in Leiden geroepen wordt om ‘oefeninge in het ingenieurscap’ te doceren.

Simon Stevin kondigde aan: ‘Hiertoe sal men leren die arithmetique oft het tellen ende het landmeten, maar alleenlijk van elk soe veel, als tottet dade­lijke gemeene ingenieurscap nodig is’; Hij voegt er tenslotte aan toe: ‘Die soe vern gekomen syn, hebben se als dan de lust die diepzinnige dingen grondelijkcker te ònderzoeken, dat sullen sij mogen doen’.

Hier werd voor het eerst in de Nederlandse taal college gegeven: een on­gehoorde nieuwigheid!

In 1669 moest het toch weer Latijn worden en daarmee was deze eerste ingenieursstudie snel verdwenen. In de eeuwen daarna zakken de Univer­siteiten en Hogescholen steeds meer af tot beroepsscholen binnen een enge conservatieve sfeer.


Een andere ontwikkeling is ook interessant, omdat deze de sociale plaats van de universiteit tekent. Vanaf het eerste begin in de 11e eeuw waren de universiteiten vrije republieken binnen de staten waarin zij gevestigd waren. Zij waren exterritoriaal gebied en waar de staatsmacht of de kerk dreigde in te grijpen, dreigden de studenten met het massaal verlaten van de universiteit. Het was een vrije republiek van studenten en geleerden: de ‘univer­sitas magistrorum et scolarium’.

Inderdaad zijn door het verlaten van een plaats met bedreigde vrijheid vele nieuwe universiteiten ontstaan.

Weet onze huidige studentengeneratie, die oude privileges wil afschaffen, dat zij zich op een oeroud voorrecht beroept als zij verontwaardigd is als er politie op een universiteitsterrein verschijnt?

Na de neergang der universiteiten in de 18e eeuw, kwam – na Napoleon – ­een vernieuwing door het universiteitsmodel van Von Humboldt, dat van een extreme visie uit, op de ontwikkeling van de mens was gericht. De uni­versiteit moest weer uitsluitend ‘Bildungsanstalt’ worden. Het humanistische ideaal, de klassiek gevormde mens, de levensvorm van het ‘gebildete Dasein’ werd ideaal voor de universitaire vorming; ‘de totale mens’ het slagwoord van Von Humboldt.


De universiteit werd in de vorige eeuw tot ‘wetenschapsklooster’, de studen­ten waren er voor de professoren, terwille van de wetenschapsbeoefening door deze professor.

De universiteit van Von Humboldt was vijandig aan elke vorm van toe­passing voor het leven. Techniek werd door Von Humboldt geringschattend ‘Gewerbefleiss’ genoemd; met toepassing diende men de platvloerse nuttigheid en de verwerpelijke economie. De studietijd was het hoogtepunt van het leven, de maatschappij ‘de kille’.

De Humboldtse universiteit heeft ook in Nederland de vorige eeuw be­heerst. Pas in 1905 werd de Delftse Hogeschool in het hoger onderwijs opgenomen en het heeft nog veel langer geduurd voor technici en wat later economen binnen de universiteitswereld voor vol werden aangezien. Deze universiteit zelf echter was en is nog slechts een losse organisatie van faculteiten, eigenlijk een conglomeraat van hogescholen.

En zo kon niet lang geleden een Engelse Rector Magnificus zeggen: ‘een universiteit is een aantal gebouwen, verbonden door de centrale verwarming’.


Hoewel dus haast alle problemen van onze universiteiten en hogescholen een eeuwenoude oorsprong hebben, zijn er toch ook problemen waarmee vorige eeuwen niet te kampen hadden.


Dit zijn: 1. de massaliteit van de studenten-aantallen

2. de versnelde ontwikkeling van de (exacte) wetenschappen zelf


1. Voor de student betekent het eerstgenoemde probleem de kans lopen aan te komen met bijvoorbeeld 1800 jaargenoten in één faculteit. Massa­communicatie en computerexamens moeten de situatie dan wel ken­merken. Van persoonlijke ontmoetingen met enthousiaste dragers der wetenschappen kan dan geen sprake meer zijn.

2. De snelle veroudering van wetenschap betekent dat het niet meer mogelijk is de student voor zijn verdere leven zijn wetenschappelijke bagage mee te geven.

De studietijd moet (weer) worden:

het zich eigen maken van de grondslagen van wetenschapsmethoden, waar­mee later de verdere ontwikkelingen bijgehouden kunnen worden. Dit gezichtspunt komt weer in conflict met een verkorting van de studieduur indien geen mogelijkheid bestaat voor persoonlijke studiebegeleiding.

Deze twee nieuwe facetten van het wetenschaps-‘bedrijf’ zijn de oorzaak van de noodzaak het universitaire bestel te herzien. Dat hierbij van over­heidswege de weg is gekozen van de extreme beroepsvoorbereiding door middel van een efficiënte korte studie van 4 jaar, is begrijpelijk vanuit economisch gezichtspunt, maar in wezen even eenzijdig als de Humboldtse ‘Bildungs’-universiteit zonder tijdsgrenzen. Het actuele Plan-Posthumus betekent een race door een stuk beroepsvoorbereiding en laat door zijn strenge selectie en tijdsdruk geen enkele aberratie in algemeen interesse toe. Een voordeel van het studieplan volgens Posthumus is, dat de programma’s grondig herzien zullen moeten worden, waarbij veel dood hout weggesneden zal kunnen worden. Maar dit voordeel zou ook te bereiken zijn zonder daaraan een rigide studieplan te verbinden, geprogrammeerd met ‘objec­tieve’ meting van studieresultaten.

Want ‘objectief’ betekent hier: precies volgens de keuze en het plan van de samensteller van de programma’s. Deze programma’s moeten van tevoren vastliggen, opdat de student precies kan weten ‘waar hij aan toe is’. De goede studenten zijn nu zij, die zich het beste bij het programma aanpassen en die de Quiz-mentaliteit ontwikkeld hebben van de multiple-choise examens.

Zonder een omvattend beleid voor het gehele tertiaire onderwijs brengt het plan-Posthumus geen soulaas voor de overvolle universiteiten.

Reeds vele malen hebben perioden, waarin de mensvorming en die waarin de beroepsvorming op de voorgrond stonden, elkaar afgewisseld. Kennelijk is nu weer de extreme beroepsvorming aan de beurt. En zo gaat de ontwik­keling in de komende jaren in de richting van wat de Amerikaanse studenten de ‘rat-race’ noemen, waarbij onverbiddelijke computertests bepalen wie er verder mag gaan.

Hierbij is op deze ‘tocht door de woestijn’ enige ‘leeftocht’ nodig, die de middelbare scholen niet meegeven.

Het propaedeutische brugjaar van de Vrije Hogeschool wil deze leemte opvullen en jonge mensen met een eindexamen helpen zichzelf te vinden, sociale vaardigheid te oefenen en studievaardigheid te veroveren.


Waar in bijna elke studie een of meer jaren ‘verloren’ gaan, zal in de totale duur van een studie een succesvol propaedeutisch jaar betekenen, dat dit later niet nodig is en dat onderweg meer tijd overblijft voor de algemene interessen die in het propaedeutisch jaar gewekt zijn.

Om de bovengenoemde doelstellingen te kunnen bereiken zal de omgang van docenten en studenten een geest ademen van vrijheid van ontwikkeling voor allen, naar eigen keuze en mogelijkheden.

B.C.J. Lievegoed

2 opmerkingen:

Ramon De Jonghe zei

Michel,

In het boek 'Bernard Lievegoed, Lezingen en essays' gaat Lievegoed hier nog iets dieper op in. Titel van het artikel uit 1972 is: Vrije Hogeschool: uitgangspunten en ervaringen.

mvg

Michel Gastkemper zei

Beste Ramon De Jonghe,
Ja, zoals ik al schreef, ken ik die bundel, en daarmee ook dat artikel voor Intermediair van mei 1972. Lievegoed schrijft daar (blz. 269): ‘In de eerste prospectus van de Vrije Hogeschool (als bijzondere instelling van wetenschappelijk onderwijs) werd gewezen op de historische ontwikkeling van de universiteit zoals deze in de inleiding kort geschilderd is.’ Vooral om deze historische schildering ging het mij hier. Trouwens, door je opmerking kan ik die prospectus, zoals Lievegoed deze brochure noemt (want daarin zelf heet hij weer ‘folder’), nu mogelijkerwijs beter dateren. Ik schreef: ‘Het moet enkele jaren na het begin in 1971 zijn geschreven.’ Wanneer Lievegoed echter met prospectus werkelijk deze brochure bedoelt, dan moet hij dus geruime tijd vóór mei 1972 geschreven zijn.
Met vriendelijke groet,
Michel Gastkemper

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Volgen op Facebook


Translate

Volgers

Herkomst actuele bezoeker(s)

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code

Gezamenlijke antroposofische agenda (in samenwerking met AntroVista)