Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

woensdag 1 april 2009

Cees Zwart

‘Ook Zutphen illustreert dat tijden veranderen.’

Deze zin is niet de opening van het artikel dat Jurriaan Kamp in 2002 in Ode schreef (‘Fatsoen moet je zíjn’). Maar hij is te mooi om er niet mee te beginnen. Waar Kamp heen wil? Naar de bekende antroposoof Cees Zwart, aan wie ik op deze weblog vandaag nu eindelijk ook eens echt aandacht zal besteden. Hij schrijft namelijk verder:

‘Ooit was dit een welwarende hanzestad – een handelscentrum langs de IJssel middenin de “randstad” van 750 jaar geleden. Oude stadsmuren herinneren nog vaag aan dat verleden. Tegenwoordig is Zutphen een slaperig provinciestadje, waarin nog plaats is voor rust en waar de mensen elkaar begroeten op straat of in de winkel.

Fatsoen, zoals vroeger. De regering van premier Balkenende zou er blij mee zijn. Maar hoe breng je die sfeer van Zutphen terug naar Den Haag – of zelfs naar Amsterdam? Kan dat nog?

Die vraag voert naar het huis van prof. dr. C.J . Zwart, emeritus hoogleraar organisatieontwikkeling en menselijke kwaliteit, organisatieadviseur en columnist van Ode. Op een nazomerse middag ontmoet ik hem in zijn werkkamer van waaruit hij uitkijkt over de Berkel, die andere – kleine – rivier van Zutphen.

Een ontmoeting met Cees Zwart (68) is een verademing. Hij verstaat staat de kunst om orde te scheppen in complexe vraagstukken. Als een echte professor formuleert hij zorgvuldig en precies in complete zinnen. Met de voorgelegde vragen weeft hij een betoog. Na afloop weet ik één ding zeker: herstel van fatsoen en normen waarden is geen simpele zaak. Het is niet eens het doel. Laat staan een taak voor een regering. Maar hoe keren respect, rechtvaardigheid, naastenliefde dan wel terug in de samenleving?’

De lange monoloog van Cees Zwart die op deze vraag volgt, laat ik echter voor wat die is. Deze kan iedereen die wil, zelf via de gegeven link nalezen. Ik wil ergens anders heen. Dat is deze passage uit een tekst van Bert Middel, getiteld ‘Het verzinsel van de partijdemocratie’:

‘Onze partijendemocratie is en heeft geen antwoord op de teloorgang van de parlementaire democratie. Politieke partijen zijn als voor hun achterban herkenbare emancipatiebewegingen inmiddels hun doel voorbijgeschoten. Emancipatie vindt niet meer plaats binnen de traditionele kaders van de aloude “verzuiling”, ofwel de opdeling van onze samenleving in een viertal strikt van elkaar gescheiden levensbeschouwelijke blokken. De Nederlandse samenleving is inmiddels zo goed als volledig “ontzuild”, afgezien van hier en daar wat overblijfselen binnen bijvoorbeeld het publieke omroepbestel en in het (bijzonder) onderwijs.

Voor het overige is de emancipatie van burgers geïndividualiseerd. Politieke partijen vormen in hun originele gedaante en met hun oorspronkelijke betekenis tegenwoordig een rem op de parlementaire democratie. Het lijkt er steeds meer op dat individuele burgers geen partijen kiezen, maar dat partijen op hun beurt personen rekruteren om aan de macht te komen en vooral te blijven. Ze vormen daarbij coalities met andere partijen – soms zelfs van tegengestelde aard en doelstelling – om machtsuitoefening mogelijk te maken en te houden. Dit proces vindt niet in de openbaarheid plaats, zoals dit nog wel het geval was bij de oude Grieken, die in hun agora (marktplaats) beslisten wat het beste voor de gemeenschap was. Tegenwoordig overheerst het partijbelang, of preciezer uitgedrukt het fractiebelang. Politici noemen zich weliswaar nog wel volksvertegenwoordigers, maar zij zijn bovenal partijrepresentanten die binnen hun fractie en zeker binnen het politieke orgaan waarvan zij deel uitmaken, geen persoonlijk standpunt mogen innemen.

Dit leidt tot de conclusie dat het parlement de enige plek in onze moderne samenleving is, waar de vrijheid van meningsuiting nog niet geheel en al is doorgedrongen. Overal elders is dit wel het geval, behalve daar waar het als eerste verwacht mag worden.’

Er staat hier een voetnoot bij, die luidt:

‘Ontleend aan: Cees Zwart en Bert Middel, Omvormen van jezelf en de wereld om je heen. Een uitnodiging tot de ontwikkelkunde, Assen, 2005’ [blz. 132-133, MG]

Ga ik naar de website van Cees Zwart, ‘Narrator-Zwart, bronnen van inspiratie’, vind ik dit boek inderdaad onder ‘Publicaties’ vermeld als een van de twee uitgaven uit 2005, met Bert Middel als co-auteur. De ander uit dat jaar, van Cees Zwart zelf dus, is Tijd voor bezinning. Nieuwe perspectieven voor mensontwikkeling, organisatieontwikkeling en maatschappijontwikkeling.

Van dit tweede, inmiddels vier jaar oude boek kwam ik vandaag een uitgebreide en uitermate interessante bespreking tegen in het tijdschrift ‘Sociale interventie’, veertiende jaargang (namelijk 2005), nummer 3, pag. 44-48. Die bespreking is geschreven door dezelfde Bert Middel, dus helemaal onbevooroordeeld is de recensent niet. Maar hij is wel heel enthousiast en schrijft bijzonder leesbaar. Wie is Bert Middel eigenlijk? Een roemruchte PvdA-politicus, 1989-2002 lid van de Tweede Kamer en 2003-2007 van de Eerste Kamer. Sinds 2005 is hij burgemeester van Smallingerland, aan de rand van Drachten (Friesland). Hij heeft verschillende andere (bestuurlijke) functies gehad, zo was hij 2002-2005 lector ‘Strategieën en methoden van sociale interventie’ aan de Hogeschool Leeuwarden. In die hoedanigheid schreef hij ook deze recensie. Die laat ik hier nu graag in zijn geheel volgen, omdat daarmee meteen ook, door een relatieve buitenstaander, een beeld van Cees Zwart wordt gegeven.

Cees Zwart behoort tot het helaas bijna verdwenen gilde van ‘ouderwetse professoren’. Dit zijn – en vooral waren – buitengewoon erudiete en daarbij welsprekende leermeesters, die een maatschappelijke problematiek in een brede context weten te plaatsen. Daarbij brengen ze gezichtspunten vanuit verschillende wetenschappelijke disciplines bij elkaar, terwijl het geheel ook nog eens geïllustreerd wordt aan de hand van pakkende en actuele praktijkvoorbeelden. In de beginjaren van de sociale wetenschappen in Nederland – en dan vooral in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw – waren ‘echte’ professoren als Groenman (sociografie), Bouwman (sociologie), Lievegoed (sociale pedagogiek) en Ten Have (andragologie) binnen hun respectieve vakgebieden bijna legendarisch. Als leerling en opvolger (als hoogleraar sociale pedagogiek in Rotterdam) van Bernard Lievegoed behoort ook Cees Zwart tot degenen die niet alleen een ‘verhaal kunnen neerzetten’, maar daarbij ook nog eens in staat zijn om ‘het verhaal achter het verhaal’ te duiden. Daarbij laat hij zich als econoom met specialisaties in de sociologie, bedrijfspsychologie, organisatieontwikkeling, sociale pedagogiek en sociaal recht niet hinderen door wetenschappelijke begrenzingen.

Het publieke optreden van de ‘ouderwetse professoren’ doet op een bepaalde manier denken aan een voorstelling van de cabaretier Freek de Jonge in zijn betere jaren. Er wordt een bepaald thema op een pakkende wijze bij de kop gepakt, waarna vele zijwegen bewandeld worden die op het eerste gezicht weinig met elkaar en laat staan met het hoofdthema te maken hebben, waarna uiteindelijk alles toch in een opzienbare conclusie naadloos in elkaar lijkt te passen.

Sinds zijn proefschrift ‘Gericht veranderen van organisaties’ (1972) publiceerde Zwart een reeks van boeken en geschriften, waarin verandering, ontwikkeling en omvorming op uiteenlopende wijzen centraal staan. Hoewel hij als zelfstandig raadgever vooral met organisaties in de weer is, richt hij zich met evenveel gemak op zowel de individuele mens en diens relaties als op de samenleving als geheel.

Op basis van een drietal uitgebreide lezingen voor medewerkers van een aan de landelijke overheid gelieerde organisatie (het voor de gemotoriseerden onder ons wellicht beruchte Centraal Justitieel Incassobureau), schreef Zwart het boek ‘Tijd voor bezinning’. Dit boek bestaat uit vier hoofdstukken, waarvan het eerste zonder meer het meest pregnant, alomvattend en actueel is. Het vertrekpunt daarin is een klassiek drieluik: een middenpaneel dat handelt over de recente paradigmaverandering van de lange tijd veronderstelde onkwetsbaarheid naar de inmiddels ervaren kwetsbaarheid, een zijpaneel waarin de verbeeldingskracht centraal staat en een ander zijpaneel dat uitdrukking geeft aan de verzoening.

Voor Zwart heeft het jaar 2001 een soortgelijke betekenis als 1968, toen op vele plaatsen ter wereld in navolging van de studentenrevolte in Parijs ‘de verbeelding’ aan de macht moest komen. Zijn zienswijze sluit aan bij de stelling van de Amerikaanse historicus Arthur M. Schlesinger, die in het politieke en maatschappelijk leven grote ritmen van ongeveer dertig jaar bespeurt. Elke dertig à drieëndertig jaar zou de politieke en publieke belangstelling voor bepaalde centrale maatschappelijke thema’s, meer dan anders, krachtig herleven. In 1968 zou zoals gezegd de verbeelding aan de macht moeten komen, maar het gebeurde niet. Ruim dertig jaar later constateerde een Amerikaanse parlementaire commissie dat ‘ninth eleven’ (ofwel de terreuraanval op de Twin Towers) anders verlopen zou zijn, wanneer de autoriteiten over meer verbeeldingskracht hadden beschikt. Volgens Zwart is echter overal en in alle sectoren de bestuurlijke verbeeldingskracht gemarginaliseerd: “Sturing krachtens verbeelding heeft plaats gemaakt voor sturing op resultaat, dus op concrete output, uit te drukken in kwantitatieve kengetallen en in meetbare prestaties.” (p. 10) En uitgerekend in zo’n keihard vraagstuk als dat van het terrorisme, wordt opeens gepleit voor meer verbeeldingskracht. Zonder verbeeldingskracht loopt men achter de feiten aan.

Rond de term ‘verbeelding’ bestaan nogal wat misverstanden, die deels voortkomen uit het feit dat in het dagelijks spraakgebruik deze term verschillende betekenissen kent. Voor Zwart is ‘verbeelding’ – naast inspiratie en intuïtie – de kracht die aan bezieling of passie een betekenisvolle richting of stootkracht geeft. Deze bezieling of passie is uitermate functioneel, zoals in wezen tachtig jaar geleden al is aangetoond in het befaamde Hawthorne-onderzoek, waaruit bleek dat menselijke aandacht in productieprocessen niet alleen bijdraagt aan het arbeidsklimaat, maar ook aan de arbeidsproductiviteit. Ook ons innerlijk leven krijgt door bezieling of passie een grotere productieve intensiteit. “Bezieling levert een meer dan gebruikelijke staat van innerlijke creatieve opwinding (hartstocht) en wakkerheid (bewustzijn) op.” (p. 12) In dit verband is het aardig te constateren dat juist de laatste jaren in ons land, ook binnen de sociale interventiekunde, het thema van de ‘gepassioneerde professionaliteit’ in het centrum van de belangstelling is komen te staan. Zo wijdde het Noordelijk Hoger Onderwijscongres er in januari 2004 zijn jaarlijkse conferentie aan, waaruit de reader ‘Gepassioneerde Professionals’ (onder redactie van M. Slagter e.a., uitgeven door Van Gorcum, Assen, 2004) is voortgekomen.

In de spanning tussen thematiek en contrathematiek is het jaar 2001 volgens Zwart een knooppunt. Thema’s krijgen pas echt maatschappelijke relevantie wanneer zij in een spanningsverhouding komen te staan met contrathema’s. In de dynamiek van ontwikkeling horen thema’s en contrathema’s dan ook onlosmakelijk bij elkaar. In tijden van turbulentie, waarin we nu leven, is dit des te meer voelbaar. Het jaar 2001 is het jaar van de paradigmashift van onkwetsbaarheid naar kwetsbaarheid. Met het ineenstorten van de torens in New York, stortte ook het paradigma van de (uiterlijke) onkwetsbaarheid in, niet alleen als bestuurlijke strategie maar ook als levenshouding. Vanaf de Tweede Wereldoorlog en zeker na de val van de Muur in 1989, waarmee het traditionele vijanddenken vervaagde, waren managers, bestuurders en leiders gewoon om in hoofdzaak te sturen op planbaarheid, voorspelbaarheid en beheersbaarheid. Gewone burgers werden aangemoedigd hun bestaanszekerheid vooral te bouwen op materiële onafhankelijkheid en fysieke veiligheid. ‘Ninth eleven’ maakte daarentegen duidelijk dat niet alleen de samenleving, maar in feite ieder van ons, uiterst kwetsbaar is. Dit gaat gepaard met heftige gevoelens van onzekerheid.

Volgens Zwart moeten we leren dat kwetsbaarheid niet langer als een zwakte beschouwd moet worden, maar dat we haar daarentegen kunnen ervaren als een potentiële kracht. Volgens Zwart leidt juist het besef van kwetsbaarheid ons naar grotere authenticiteit, naar innerlijke zekerheid en naar wat ook wel het persoonlijk meesterschap genoemd wordt. Het is van belang dit te erkennen tegen de achtergrond dat de laatste jaren de innerlijke onzekerheid alleen maar toeneemt, zoals zeker ook in de Nederlandse samenleving na de moord op Theo van Gogh in november 2004 te herkennen valt.

Een aangekondigd ‘hard’ optreden van welk kabinet dan ook doet hier niets aan af. Integendeel, misschien neemt de onzekerheid er alleen maar door toe. Langdurige onzekerheid, op te vatten als een hardnekkige mix van gevoelens van onveiligheid en verwarring, kan zo een maatschappelijk euvel van de eerste orde worden. Zwart stelt dat dit euvel wordt verhevigd door twee maatschappelijke tendensen, te weten (a) de verharding als gevolg van bevangenheid in prestatiedrang en daarnaast (b) het anoniem worden van menselijke verhoudingen door een zich opstapelende bureaucratie. Tegen deze achtergrond hoeft er maar weinig te gebeuren alvorens de stoppen zullen doorslaan. Onzekerheid leidt via lichtgeraaktheid tot woede, die weer tot gewelddadigheid kan leiden. Achterdocht verdicht zich tot angst, die zich via haat kan ontladen. Ontremming en ontregeling zijn aan de orde van de dag. Een overheid die zegt alert te zijn moet enerzijds het stimuleren van oneigenlijke verontrusting tegengaan en anderzijds het bevorderen van schijnrust vermijden. Momenteel gebeurt echter het tegendeel.

Het meest opmerkelijk in de beschouwing van Zwart is niet zozeer zijn originele uiteenzetting over de kwetsbaarheid of de noodzaak van het inzetten van de verbeeldingskracht, maar zijn pleidooi voor verzoening, ofwel het tweede zijpaneel in het klassieke drieluik. Alleen al met het gebruik van deze term beland je op een glibberig pad, aangezien verzoening haaks staat op de alom dominante opvatting dat het terrorisme met preventie en bovenal met repressie te lijf moet worden gegaan. Verzoening klinkt daarentegen soft, week en slap en kan daarnaast ook nog in verband worden gebracht met theologische leerstukken als erfzonde, schuld en boete. Verder kleeft aan verzoening ook de schijn van goedpraterij of bagatellisering.

Zwart pleit echter voor een maatschappelijke fundering van verzoening. Hij stelt dat verzoening beschouwd moet worden als een maatschappelijke strategie, die beoogt tegenstellingen en tegenstrijdigheden zo lang mogelijk te overbruggen. (p. 24) Dit dan wel zonder de naïeve veronderstelling dat de anderen het beste met ons voor hebben en altijd van goede wil zijn. Verzoenen betekent proberen tot een dialoog te komen. En als dit toch niet lukt, kan altijd nog tot gebruik van geweld overgegaan worden, zij het wel gedoseerd. Zwart noemt dit de ‘Mandela-strategie’, omdat Nelson Mandela als geen ander symbool staat voor zowel de mens als de leider die heeft getoond wat het betekent om te blijven streven naar de waardigheid van de mens in processen waarin wordt gepoogd om tegenstellingen te overbruggen.

Zo is bij Zwart een strategie van verzoening tevens een strategie van hoop. Verzoening en hoop horen bij elkaar als broer en zus. Zoals verzoening niets met sentimentaliteit te maken heeft, heeft hoop niets met gelatenheid van doen. Hoop is volgens Zwart in zijn diepste wezen het innerlijke zeker weten dat er een wending ten goede te verdienen valt in het leven. Verzoening heeft niet alleen te maken met de ander, maar ook met ons zelf. Het gaat niet alleen om het slaan van een brug naar de ander, maar ook om met onszelf in het reine te komen. Tegenover de geestelijke morele exclusiviteit van de terrorist staat als het ware de geestelijke morele inclusiviteit van mensen die het stadium van de onpartijdigheid bereikt hebben. ‘War on terrorism’ zoals bepleit door Bush, Cheney en soortgelijke haviken, is volgens Zwart een illusie en leidt dus tot niets, althans niet iets wat constructief genoemd kan worden..

De analyse van Zwart is zonder meer indrukwekkend, maar de vraag blijft toch hangen wat we er op andere terreinen mee kunnen. Zelf geeft hij aan dat het moderne bestuurlijke werk alles te maken heeft met het drieluik van verbeeldingkracht (het linkerpaneel), kwetsbaarheid (het middenpaneel), en verzoening (het rechterpaneel). Het middelste paneel toont hetgeen waar alles om draait, terwijl de zijpanelen licht uitstralen. Een moderne bestuurder in het publieke domein staat volgens Zwart midden in de maatschappelijke spanningen, die de transitie van onkwetsbaarheid naar kwetsbaarheid met zich meebrengt. Met de kracht van de verbeelding en van de verzoening kan deze transitie transparant en hanteerbaar gehouden worden. Voor het overige kan een ieder naar eigen inzicht en binnen de geldende omstandigheden het drieluik verder inkleuren.

In het verlengde hiervan kan ook de lezer zelf proberen in te vullen hoe op andere terreinen de redenering van Zwart kan worden toegepast en waar mogelijk geïmplementeerd. In dat opzicht kun je als het ware je eigen vragen proberen te beantwoorden, waarmee Zwart zijn voornaamste impliciete doelstelling heeft bereikt, namelijk mensen aan het denken zetten, zodat ze vervolgens zelf ook iets met de nieuw verworven inzichten kunt doen. Hier toont zich de klassieke leermeester die hij is.

In het tweede hoofdstuk van ‘Tijd voor bezinning’ beschouwt Zwart de samenleving als verhaal. Hij hanteert daarbij de ‘narratieve methode’, waarbij het verhaal zo verwoord wordt dat de werkelijkheid haar uiterlijke en innerlijke dynamiek vastlegt. Deze methode leidt niet alleen tot herkenning, maar biedt daarnaast ook een sturingsinstrument. In het kader van deze bespreking voert het te ver om dieper in te gaan op deze narratieve methode, maar dat laat onverlet dat Zwart op een inzichtelijke wijze en met veel historisch bewustzijn ‘het verhaal’ duidt. Na de dynamiek van onze samenleving aan de hand van allerlei voorbeelden uit onze hedendaagse geschiedenis aangegeven te hebben, behandelt hij onder de noemer ‘thematiek’ het vraagstuk van de (des-)integratie en (wederom) het terrorisme. Bij integratie wijst hij op de noodzaak om ook binnen ‘autochtoon’ Nederland (meer) te integreren. De toenemende individualisering in de samenleving doet de noodzaak hiervan alleen maar toenemen. Met name bij het onderwerp terrorisme is er enige overlap met het eerste hoofdstuk, vooral waar het paradigma van de kwetsbaarheid en het element van de verzoening naar voren worden gehaald. Zwart geeft hierbij zelf al aan dat zijn vertoog door sommigen als ‘vaag gepraat’ zal worden afgedaan. Zijn antwoord daarop is: ‘Het zij zo!’ (p. 57)

De (wetenschappelijke) vrijheid en onafhankelijkheid die hij tentoonspreidt waarborgen dat hij zonder meel in de mond zijn uitspraken kan doen. Desalniettemin is juist de op zich aangename beknoptheid van dit hoofdstuk in zoverre een tekortkoming, dat enkele cruciale aspecten door hem hier niet nader uitgelegd worden, zoals ‘inclusieve gemeenschapsvorming’ of ‘onze eigen schaduwkant’ die zich bij ieder van ons op de een of andere wijze manifesteert. Deze omissie maakt hij weliswaar enigszins goed in het afsluitende vierde hoofdstuk, maar daar komt het toch een beetje uit de lucht vallen, temeer daar in het tweede hoofdstuk niet verwezen wordt naar een nadere uitleg in het vervolg.

In het derde hoofdstuk behandelt Zwart de opkomst en betekenis van arbeidsorganisaties. Nadat hij in een eerder hoofdstuk al had aangegeven dat het economisch leven sinds ongeveer twee eeuwen een dominante positie in het maatschappelijk bestel inneemt (hetgeen dus ten koste gaat van het geestesleven en het rechtsleven, bm), kiest hij het hebben van werk – ofwel het participeren op de arbeidsmarkt – als vertrekpunt, aangezien juist dit facet bepalend is geworden voor het welbevinden van mensen. Het moderne werkleven speelt zich grotendeels af in sociale verbanden die wij als ‘arbeidsorganisaties’ kennen. Dit rechtvaardigt zijn keuze om arbeidsorganisaties centraal te stellen.

Zwart dicht de arbeidsorganisatie een gouden toekomst toe, niet alleen als bron van welvaart, maar ook als bron van emancipatie en als bron van motivatie. (p. 68) Zwart vertelt in dit hoofdstuk het verhaal van de arbeidsorganisatie, zowel dat van de buitenkant als dat van de binnenkant. In dit verhaal komt het verband tussen de drie kernkwaliteiten van de arbeidsorganisatie – rationaliteit, emotionaliteit en moraliteit – tot uitdrukking in een bepaalde cultuur, in strategische keuzes, in leiderschapsopvattingen, in een gedragsrepertoire, in werkprocessen, in faciliteiten enzovoorts. (p. 82). Zwart voegt daaraan toe dat de hedendaagse roep om ‘integraal management’ binnen organisaties eigenlijk ook betrekking moet hebben op de integratie van de genoemde drie essentiële kernkwaliteiten van een arbeidsorganisatie.

Het is jammer dat Zwarts focus op de arbeidsorganisatie beperkt blijft tot een enkel hoofdstuk. Juist hierin ligt de aanzet om zijn – ook al drieëndertig jaar (!) oude dissertatie, met dank aan de hiervoor genoemde Schlesinger – ‘Gericht veranderen van organisaties’ als het ware te reviseren. Misschien komt het er nog eens van, want Zwart is de laatste jaren buitengewoon productief voor iemand die al meer dan vijf jaar met emeritaat is.

In het vierde en laatste hoofdstuk komt Zwart met een beschouwing die op het oog los staat van het voorgaande, maar dat bij nader inzien toch niet doet. De hoofdlijnen van wat eerder is behandeld komen hier terug. In zekere zin geeft Zwart hier zijn ‘State of the Union’, ofwel zijn kijk op waar het volgens hem over behoort te gaan. Zijn boek heeft de titel ‘Tijd voor bezinning’, omdat we tegenwoordig te weinig tijd nemen voor bewuste bezinning. Er is geen tijd voor verwondering en systematische (zelf-)reflectie. Zo ontstaat een innerlijke onrust – het vat vol onverwerkte innerlijke ervaringen – die maar al te gemakkelijk overgaat in een structurele rusteloosheid. Een beetje trimmen of fitness helpt hier niet echt. Mentale fitheid vormt een beter medicijn, evenals de bezielende kracht van spirituele voeding, die echter niet zomaar in een supermarkt te verkrijgen is. Je moet er zelf wat voor willen doen. Je kunt het zelf bereiden en goed laten werken als je – in de terminologie van Zwart – “een eigen innerlijke bron weet aan te boren die er kracht aan geeft. Ofwel: bezieling krijgt de sterkste werking wanneer zij van binnenuit komt” (p. 83). De door Zwart bedoelde spirituele voeding heeft dan ook niets van doen met wat wel als een ‘religieuze inspiratie’ bekend staat.

‘Tijd voor bezinning’ slaat ook op het gegeven dat we inmiddels in een tijd leven waarin tal van zwaarwegende vraagstukken niet meer in de klassieke zin van het woord op korte termijn oplosbaar zijn. Misschien zijn ze wel helemaal niet oplosbaar, althans niet op de gebruikelijke manier. Simpelweg omdat de traditionele routines, de gangbare oplossingsmethoden en de vertrouwde ervaringen niet meer toereikend zijn. Een fundamentele herijking van de gangbare praktijken in management en bestuur is dan ook op haar plaats. Daarbij is de kernvraag hoe leiders kunnen leren sturen op kwetsbaarheid, zowel in het publieke als in het private domein. (p. 85).

Zwart meent dat strategische principes getransformeerd moeten worden tot eigentijdse sturingsinstrumenten, teneinde niet de cruciale slag te missen. Hij spreekt zelf liever over ‘opmerkelijke wendingen ten goede’. In het verlengde hiervan benadrukt hij nog eens dat de door hem genoemde paradigmashift van onkwetsbaarheid naar kwetsbaarheid allerminst een luxe voor het persoonlijk leven of een wetenschappelijk aardigheidje is, maar een maatschappelijk belang van de eerste orde. Het gaat niet om een lokaal of cultuurgebonden vraagstuk, maar om iets van algemeen menselijke aard, waar de hele wereldgemeenschap dan ook mee te maken heeft. Zo bezien kan kwetsbaarheid als een nieuwe bron voor menselijke solidariteit worden gezien. (p. 86)

Kenners van het oeuvre van Zwart weten dat hij in veel van zijn werk de menselijke levensloop – maar ook die van organisaties en de samenleving als zodanig – op een min of meer systematische wijze analyseert. Zo ook hier, in het laatste hoofdstuk. Het aardige daarbij is dat Zwart de midlifecrisis, waar een ieder van ons op een zeker moment mee te maken krijgt, karakteriseert als een existentiële confrontatie met kwetsbaarheid. In de dynamiek van de levensloop geplaatst betekent deze confrontatie dat de overgang van de zelfverwerkelijking naar zelfverantwoording doorleefd moet worden. (p. 121) Zo bezien is de problematiek van de midlifecrisis prototypisch voor een problematiek die zich in het hart van de wereldgemeenschap afspeelt, namelijk het rekening met elkaar houden door de gevolgen van ons doen en laten niet op anderen af te wentelen. Zwart besluit met het uitspreken van de hoop dat juist deze zienswijze er toe bijdraagt om een nieuwe en inspirerende invulling te geven aan de opvatting dat de mens de kritische succesfactor is en blijft van alle transformatie.

Met ‘Tijd voor bezinning’ heeft Cees Zwart een uiterst actueel en prikkelend boek geschreven. Zijn inzichten zijn origineel en zijn gedachtegang is consistent. Het boek roept talloze vragen op en beantwoordt er vervolgens vele, maar voor de lezer blijft er nog heel wat over waarop de tanden stukgebeten kunnen worden. De benadering van Zwart is origineel en past niet in het min of meer traditionele denken binnen de ‘veranderkunde’ of sociale interventie. Daarmee toont Zwart dat hij in wezen nog altijd dezelfde vernieuwer is als degene die in 1972 ‘Gericht veranderen van organisaties’ publiceerde.

Cees Zwart, Tijd voor bezinning. Perspectieven voor maatschappijontwikkeling, organisatieontwikkeling en mensontwikkeling.
Den Haag: Elsevier Overheid, 2005, 128 p., € 37,50
ISBN 90 5901 606 8

Geen opmerkingen:

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Volgen op Facebook


Translate

Volgers

Herkomst actuele bezoeker(s)

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code

Gezamenlijke antroposofische agenda (in samenwerking met AntroVista)