Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

zondag 15 maart 2009

Toezicht

De afgelopen week traden de problemen op de Geert Groote School 2 in Amsterdam heel duidelijk tevoorschijn. Vandaag wil ik afzien van de persoonlijke en personele problemen, en de focus richten op de inhoudelijke kant van de zaak. De kwaliteit van de inhoud van het onderwijs zogezegd.

Op OCO, de website van Onderwijs Consumenten Organisatie (‘door en voor ouders en leerlingen’), vond ik het Inspectierapport 22 mei 2007 Geert Groote 2. Dat moet het meest recente zijn. Het is een ‘Rapport periodiek kwaliteitsonderzoek Basisschool Geert Groote 2’, waarbij in de inleiding op blz. 5 staat:

‘Op 22 en 29 mei 2007 bezocht de Inspectie van het Onderwijs Basisschool Geert Groote 2 in het kader van een periodiek kwaliteitsonderzoek (PKO).

Daarbij heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de kernindicatoren van een aantal kwaliteitsaspecten, op grond van het door de inspectie gehanteerde toezichtkader primair onderwijs 2005.

Bij dit PKO doet de inspectie onderzoek naar de kwaliteit van het onderwijs door zich te richten op de kern van goed onderwijs op de school. Het gaat hierbij om kernindicatoren die betrekking hebben op het aanbod, de onderwijstijd, het pedagogisch handelen van leraren, het didactisch handelen van leraren, de afstemming op de onderwijsbehoeften van leerlingen, de actieve en zelfstandige rol van leerlingen, het schoolklimaat, de begeleiding, de zorg, de resultaten en de ontwikkeling van leerlingen.

In de brochure “Toezichtkader PO 2005” vindt u achtergrondinformatie over de indicatoren die de inspectie bij haar toezicht in ogenschouw heeft genomen. U kunt deze brochure downloaden van de website van de inspectie: www.onderwijsinspectie.nl.’

Het is een uitgebreid rapport, de Inspectie blijkt geen half werk te leveren. Aan het rapport is af te lezen dat het met zorg en aandacht is gemaakt. Hoewel het van bijna twee jaar geleden is, kan er toch een beeld uit oprijzen van wat er in de kern nog steeds speelt. Bovendien is het een problematiek die niet alleen de Geert Groote School 2 in Amsterdam raakt, maar die op meer vrijescholen in Nederland van toepassing zal zijn. Dat vormt meteen een verantwoording waarom ik er hier zo uitvoerig op inga.

Van bladzijde 11 tot en met 16 strekt zich hoofdstuk 3, ‘Beschouwing’, uit:

‘Dit hoofdstuk beschrijft het oordeel van de inspectie over de kwaliteit van het onderwijs op de Geert Groote School 2 en geeft een toelichting op het kwaliteitsprofiel. Daarbij legt de inspectie zo mogelijk verbanden tussen de verschillende onderzochte indicatoren onderling en – voor zover relevant – tussen de indicatoren en de schoolcontext, de specifieke doelstellingen van de Geert Groote School 2 en eerdere inspectieonderzoeken.

Algemeen beeld

De kwaliteit van het onderwijs op de Geert Groote School 2 wordt als zeer zwak beoordeeld. Ten opzichte van het periodiek kwaliteitsonderzoek in 2004 heeft de school zich nauwelijks verder ontwikkeld. De zwakke punten die toen geconstateerd zijn, blijven bestaan en op sommige onderdelen, bijvoorbeeld het leerstofaanbod en zorg, is er sprake van achteruitgang.

Deze situatie is deels ontstaan door discontinuïteit in de schoolleiding waardoor het team sturing heeft gemist om verbeterplannen uit te voeren. Tegelijkertijd wordt de voortgang van ontwikkelingen vertraagd doordat de leraren nog weinig bereid zijn om hun autonomie op te geven om de kwaliteit op schoolniveau te verbeteren. Het team houdt vast aan het traditionele vrijeschoolonderwijs en gaat nauwelijks mee met de eisen die de moderne maatschappij en daarmee de ouders aan een school stellen. Een en ander heeft tot gevolg dat de school op vrijwel alle kwaliteitsaspecten onvoldoende presteert. Het bevoegd gezag onderschrijft de conclusies en de analyse van de inspectie.

In 2004 heeft de inspectie de Geert Groote School 2 bezocht in het kader van een periodiek kwaliteitsonderzoek (PKO). Tijdens dat onderzoek is vastgesteld dat de kwaliteit van het onderwijs risico’s vertoonde, met name op de aspecten van leerstofaanbod, onderwijsleerproces en zorg en begeleiding.

Bovendien konden de opbrengsten aan het eind van de schoolperiode en op tussenmomenten niet gewaardeerd worden en was er nog geen sprake van een goed systeem van kwaliteitszorg. Het risicovolle kwaliteitsprofiel van de school leidde ertoe dat de inspectie in 2006 opnieuw een PKO zou uitvoeren.

In 2005 heeft de inspectie een jaarlijks onderzoek uitgevoerd en constateerde dat de school op planmatige wijze aan verbeteractiviteiten werkte. Op basis van dit jaarlijks onderzoek heeft de inspectie het voorgenomen PKO uitgesteld naar 2008. Tijdens het jaarlijks onderzoek in november 2006 bleek dat de school niet in staat was geweest om een goed vervolg te geven op de ingezette verbetertrajecten. Knelpunten die in 2004 waren geconstateerd waren daardoor niet weggenomen. Vanwege de stagnerende schoolontwikkeling en vanwege signalen en klachten van ouders heeft de inspectie besloten het periodiek kwaliteitsonderzoek te vervroegen.’

Hierop volgt een nog veel langere toelichting, die echter de moeite loont om in zijn geheel te lezen. Die laat namelijk een probleem zien dat vaker voorkomt, niet alleen in vrijescholen, maar ook in andere antroposofische werkgebieden. Het zijn vaak heel herkenbare ondeugden, waaraan door betrokkenen tegenwoordig – meer dan vroeger – hard gewerkt wordt om die te overwinnen. Het heeft tegelijk te maken met het afleggen van verantwoording voor besteding van publieke middelen. Ook in deze andere antroposofische samenhangen kan men zijn voordeel doen met deze observaties:

‘Onvoldoende zicht op de opbrengsten

De inspectie kan de opbrengsten aan het eind van de schoolperiode niet waarderen omdat zij geen normering heeft voor de toetsen die de school in klas 6 afneemt (drempelonderzoek en NIO). Ook de tussenopbrengsten kunnen niet gewaardeerd worden omdat een landelijk genormeerde toetsen voor begrijpend lezen ontbreekt en omdat de school gebruik maakt van gedateerde toetsen voor rekenen en wiskunde. Er is zodoende geen sprake van een sluitend toetsinstrumentarium om de vorderingen van de leerlingen te volgen. En daardoor is het moeilijk te achterhalen of de opbrengsten van de school boven, op of onder het te verwachten niveau liggen. Want hoewel de uitstroom naar het voortgezet onderwijs al jaren vrijwel constant is, wil dat nog niet zeggen dat de school uit de leerlingen haalt wat erin zit.

Systematische kwaliteitszorg ontbreekt

De Geert Groote School 2 richt haar onderwijs volgens de principes van Rudolf Steiner. Het team houdt vast aan de meer traditionele aspecten van het vrijeschoolonderwijs en dat belemmert haar om het onderwijsconcept aan te laten sluiten op de veranderende samenleving. Het onderwijs is klassikaal met weinig oog voor verschillen tussen de leerlingen en de leerlingen krijgen weinig ruimte voor eigen initiatieven en voor het ontwikkelen van een zelfstandige houding. Daarbij komt dat de school zich tot nu toe weinig verantwoordt over de kwaliteit die zij levert: niet op leerlingniveau, niet op groepsniveau en niet op schoolniveau.

Het is voor leraren ook niet duidelijk waarover en hoe zij zich precies moeten verantwoorden. Het ontbreekt de school namelijk aan een gemeenschappelijk beleidskader van waaruit de Geert Groote School 2 zich verder wil ontwikkelen en de doelen die zij zichzelf daarbij stelt. En omdat de school de afgelopen jaren te maken heeft gehad met meerdere pedagogische locatiecoördinatoren (PLC’s), is er geen systematische aansturing van de verbeterplannen geweest. Teamleden hebben zich hierdoor lange tijd in hun eigen klas kunnen terugtrekken.

Aan de andere kant kan de stagnatie in de vooruitgang ook worden toegeschreven aan de weerbarstigheid van het team om een deel van hun autonomie op te geven ten gunste van de ontwikkeling van de school als geheel en daarmee de algehele kwaliteit. Het ontbreekt dus aan een professionele schoolcultuur.

De school staat voor de uitdaging het vrijeschoolonderwijs dusdanig in te richten dat het voldoet aan het onderwijs dat de samenleving in 2007 vraagt. Daarbij kan de school terugvallen op enkele verworvenheden zoals het prachtige schoolgebouw, de zeer betrokken en loyale ouders, de enthousiaste leerlingen en de veel geprezen aandacht voor kunstzinnige en culturele vorming. Maar daarvoor is ook een systeem van kwaliteitszorg nodig waarmee de school systematisch haar eigen kwaliteit evalueert en bewaakt.

Deze evaluaties kunnen aan kracht winnen als de school de slag slaat om systematisch opbrengstgegevens te verzamelen. Om een goed systeem van kwaliteitszorg in de school te verwezenlijken, is een professionele schoolcultuur een essentiële voorwaarde. De interim-PLC, die tot 1 januari 2008 aanblijft, zal deze samen met het team moeten realiseren. Daarnaast zijn concrete verbeterplannen nodig, die draagvlak hebben bij de teamleden, om de continuïteit in de verbetertrajecten te borgen, ook als een nieuwe PLC aantreedt.

In onderstaande paragrafen licht de inspectie de belangrijkste knelpunten toe. Het gaat hierbij in de eerste plaats om het leerstofaanbod en de zorg en begeleiding van de leerlingen. Op deze aspecten is directe actie geboden. Maar ook het didactisch handelen en het schoolklimaat kennen enige belangrijke aandachtspunten die bij de ontwikkeling van de school moeten worden meegenomen.

Geen verantwoording van het leerstofaanbod in de planning

Het leerstofaanbod van de school is op alle punten onder de maat. Voor een groot deel heeft dit te maken met het feit dat de leraren in hun planning en registratie niet aangeven welke doelen ze per periode voor ogen hebben en hoe ze deze doelen evalueren. Het leerplan dat de school in het verleden heeft vastgesteld is te globaal omschreven om als planning te hanteren. Bovendien maakt de school niet structureel gebruik van de mesolijnen uit “Ik zie rond in de wereld...” [dat zijn door de vrijeschoolbeweging zelf beschreven leerdoelen en kernactiviteiten, MG], die het mogelijk maken om voor alle leerjaren leerroutes uit te werken in tussendoelen en leerstofinhouden voor taal en rekenen/wiskunde.

Deze gebrekkige registratie van het lesaanbod leidt er ten eerste toe dat de school niet kan verantwoorden of zij aan de kerndoelen voldoet. Hierbij vraagt de inspectie bijzondere aandacht voor de kerndoelen die betrekking hebben op wiskunde en realistisch rekenen. Deze komen slechts zeer summier aan bod.

Tijdens het regulier schooltoezicht (RST) in 2001 en tijdens het PKO in 2004 heeft de school al de opdracht gekregen om een verantwoording over de kerndoelen in het schoolplan op te nemen. Vooralsnog is de school op dit punt in gebreke gebleven.

Ten tweede kan de school niet aantonen dat zij aan voldoende leerlingen de leerstof tot en met niveau eind klas 6 aanbiedt, omdat zij de doelen uit het leerplan of uit andere leermiddelen niet in de tijd uitzet.

Als laatste heeft de slechte registratie van het aanbod tot gevolg dat de school geen doorgaande lijn in het leerstofaanbod kan garanderen. Deze doorgaande lijn is in zekere zin geborgd van klas 1 tot en met klas 6 omdat de leraren meegaan met de klas. Bij uitval, ziekte of vervanging loopt deze lijn echter direct gevaar omdat de leraren niet vooruit plannen en ook niet achteraf bijhouden welke stof ze al hebben aangeboden. Daaraan kan worden toegevoegd dat voor leergebieden als begrijpend lezen en wiskunde helemaal geen leerlijn is vastgesteld. Daarnaast zit er een knelpunt in de doorgaande lijn tussen de kleuterbouw en klas 1. Hoewel de school zorgvuldig afweegt of een leerling door kan stromen naar klas 1, wordt er tijdens de kleuterperiode te weinig doelmatig toegewerkt naar het bereiken van de schoolrijpheid die binnen het vrijeschoolonderwijs zo centraal staat: er is in deze klassen nog geen sprake van een plannend aanbod. Overigens vinden er in de kleuterbouw wel voorzichtige ontwikkelingen plaats om de leerlijnen van “Ik zie rond in de wereld...” structureel in te zetten bij het plannen van het aanbod.

Een ander aandachtspunt betreft het materiaal dat de school in huis heeft voor de zwakke en voor de sterke leerlingen. De school heeft slechts in beperkte mate beschikking over remediërend materiaal als leerlingen met bepaalde leerstof problemen ondervinden. Voor leerlingen die meer aankunnen dan de gemiddelde leerling is geen uitdagend materiaal voorhanden. Als er materiaal is, dan zijn er geen goede afspraken over het gebruik ervan. Door het ontbreken van uitdagend en verdiepend materiaal komt de school onvoldoende tegemoet aan de behoeften van leerlingen die meer dan gemiddeld kunnen presteren. Als laatste noemt de inspectie het sterk verouderde leesmateriaal, dat ook de leerlingen als negatief ervaren.

De school zet ICT-middelen slechts in geringe mate in. De school kan overwegen om meer gebruik te maken van remediërende software of de mogelijkheden van de computer te benutten voor uitdagende opdrachten aan de meerbegaafde leerlingen.

Geen sluitend systeem van leerlingenzorg

Het tweede punt dat direct aandacht behoeft, is de wijze waarop de school haar extra zorg voor zorgleerlingen heeft geregeld. Het feit dat de school lange tijd zonder intern begeleider heeft moeten werken, heeft geleid tot stagnaties in de ontwikkeling. Hierdoor kan de school op dit moment nauwelijks aantonen dat zij zorgleerlingen tijdig signaleert, dat zij analyseert wat de oorzaak is van de uitval of de voorsprong van een leerling en wat zij vervolgens doet om hier zo effectief mogelijk aan te werken.

Onvoldoende tijdige signalering: Om zorgleerlingen (zowel zwakke leerlingen als meer presterende leerlingen) te signaleren, heeft de school een goed toetsinstrumentarium nodig. Momenteel ontbreekt dat nog. De landelijk genormeerde toetsen die de school hanteert, zijn gedateerd en geven weinig analysemogelijkheden. Bovendien neemt de school deze toetsen pas af vanaf klas 2 en is er geen toets voor begrijpend lezen. Omdat het leerlingvolgsysteem grote gaten kent, loopt de school het risico dat zij zorgleerlingen niet tijdig signaleert. Zeker als de leraren de vorderingen van de leerlingen op basis van de periodedoelen niet goed bijhouden.

Onvoldoende analyse en planmatige hulp: De leerlingen die de school als zorgleerling beschouwt, krijgen “extra aandacht”. Meestal wordt deze aandacht gegeven door de leraar buiten de klas, terwijl een vakleerkracht of een zorgleraar de klas overneemt. Welke onderliggende gegevens de school gebruikt om het probleem in kaart te brengen, wat het doel is van de extra aandacht en of de extra aandacht effect heeft, wordt echter niet bijgehouden. Er zijn wel formulieren die achteraf worden ingevuld voor de ouders, maar deze geven weinig terugkoppeling of het daadwerkelijke probleem echt is verholpen. Wil de school haar uren die zij vrij roostert voor de zorg effectief gebruiken, dan is het zaak om de “extra aandacht”-uren doelgerichter te besteden, zodat een evaluatie van het effect mogelijk is.

De kleuterbouw loopt voorzichtig voorop in alle bovengenoemde zaken. Zo voeren de leraren samen met de intern begeleider het dyslexieprotocol in samen met een observatiesysteem. Daarnaast houdt de ondersteunende leraar voor de kleuterbouw nauwgezet bij welke leerlingen extra aandacht behoeven en wat ze met die leerlingen doet. Hier ontbreekt weliswaar de doelgerichtheid van de extra zorg, maar het besef om zorg te registreren en om vorderingen van leerlingen bij te houden is aanwezig.

Effectievere lessen

De lessen kenmerken zich in het algemeen door een vriendelijk leerklimaat en in een groot deel van de lessen was er sprake van een taakgerichte werksfeer. Maar op een aantal essentiële onderdelen schiet het didactisch handelen van de leraren tekort. Zo gaat er veel effectieve leertijd verloren door het feit dat de school de pauzetijden niet handhaaft.

Daarnaast kan er getwijfeld worden aan de doelgerichtheid van de lessen. De inspectie heeft namelijk nauwelijks voorbeelden gezien van effectieve en directe instructie: de uitleg van de leraren schiet op dat punt tekort. Tijdens de instructiemomenten krijgen de leerlingen ook nog weinig onderwijs in leerstrategieën. Het gebrek aan doelgerichtheid blijkt verder uit het feit dat de leraren hun lessen nauwelijks afstemmen op de verschillen tussen de leerlingen. De leraren stemmen hun onderwijs af op de gemiddelde leerlingen waardoor de zwakke leerlingen te weinig aandacht krijgen en de snelle leerlingen te weinig uitdaging. Beide groepen leerlingen worden niet op niveau bediend waardoor hun actieve betrokkenheid bij de les afneemt. In veel van de bezochte lessen heeft de inspectie dit ook kunnen waarnemen. Om de verschillende groepen leerlingen goed te kunnen onderscheiden en om te bepalen welke instructie en verwerkingsopdrachten deze groepen nodig hebben, zullen de leraren de vorderingen van de leerlingen beter moeten volgen. Dit kan alleen als ze per periode doelen vaststellen en deze achteraf ook evalueren met goede toetsen. Hiervan zijn nauwelijks voorbeelden aanwezig. Het is afhankelijk van de deskundigheid van de leraar of hij tijdig stagnatie of voorsprong in de ontwikkeling ontdekt en of hij daar vervolgens ook doelgericht op reageert. Omdat in het vrijeschoolonderwijs de leraar zes jaar met de klas meegaat, maakt dit de school extra kwetsbaar.

Eenduidigheid in pedagogisch handelen

Het voert te ver om te zeggen dat er op de Geert Groote School sprake is van een onveilige leer- en werkomgeving. Er is tegelijkertijd ook geen sprake van een stabiel schoolklimaat voor zowel leraren als leerlingen. Het team slaagt er moeilijk in om goed met elkaar over inhoudelijke zaken te praten en daarover algemeen geldende afspraken te maken. Dit werkt belemmerend op het voeren van een open discussie, terwijl deze zeer nuttig zou zijn als het gaat om het pedagogisch handelen van de leraren. Dit pedagogisch handelen kenmerkt zich namelijk door een strakke leiding van de leraar. Aan de ene kant zorgt deze manier van leiding geven ervoor dat er tijdens de lessen sprake van een vriendelijke sfeer waarin de leraren een respectvolle omgang met elkaar bewaken. Een ander gevolg is echter dat de leraren weinig vrije ruimte aan de leerlingen geven voor eigen initiatieven en eigen inbreng krijgen. Als leerlingen die vrije ruimte wel krijgen, dan weten zij daar niet zo goed mee om te gaan.

Dit blijkt onder meer uit de onrust die ontstaat zodra de leraar de klas verlaat, maar ook uit de enigszins uitdagende sfeer tijdens pauzemomenten als er geen sprake is van toezicht. De strakke leiding van de leraren leidt daarmee onbedoeld tot een schoolklimaat waarin veiligheidsincidenten eenvoudig kunnen optreden. Een bezinning op de zelfstandige en zelfverantwoordelijke rol van de leerling lijkt geboden.

Overigens staat veiligheid wel hoog op de agenda van de schoolleider en het bestuur. Dit blijkt onder meer uit het concept veiligheidsplan dat is opgesteld, de actieve opstelling van de medezeggenschapsraad in deze en in het feit dat een ouder veiligheidscoördinator is. Het veiligheidsplan bevat echter nog teveel globale richtlijnen en biedt nog geen concrete invulling hoe de veiligheid op de school zo veel mogelijk gewaarborgd wordt.’

In het afsluitende vierde hoofdstuk wordt het ‘Vervolg van het toezicht’ aangegeven:

‘Bij dit PKO heeft de inspectie ook een onderzoek gedaan naar de naleving van een aantal wettelijke voorschriften. Dit onderzoek betrof de wettelijke voorschriften over de geplande onderwijstijd en over een door het bevoegd gezag vastgestelde schoolgids en schoolplan.

Op basis van dit onderzoek heeft de inspectie de volgende afspraken gemaakt met betrekking tot wettelijke bepaling(en) waaraan de school niet voldoet:

afspraak omtrent de kerndoelen:
In haar schoolplan moet de school een verantwoording over de kerndoelen opnemen. In het schoolplan beschrijft de school tevens haar systeem van kwaliteitszorg. Als onderdeel daarvan neemt de school op hoe leraren zich in hun planning kunnen verantwoorden over het al dan niet voldoen aan de kerndoelen. Dit nieuwe schoolplan stuurt de school uiterlijk 1 september 2007 naar de inspectie toe.

afspraak omtrent het schoolplan:
De school heeft geen actueel schoolplan. In het nieuwe schoolplan en het daaraan gekoppelde schoolverbeterplan sluit de school aan op de door de inspectie geconstateerde aandachtspunten. Dit nieuwe schoolplan stuurt de school uiterlijk 1 september 2007 naar de inspectie toe.

De bevindingen van dit PKO leiden tot het volgende arrangement voor het vervolg van het toezicht (toezichtarrangement):

De aangetroffen kwaliteit van het onderwijs op de school wordt door de inspectie als zeer zwak beoordeeld. Het bestuur heeft in het afrondend gesprek aangegeven dat zij de geconstateerde knelpunten en de analyse van de inspectie onderschrijft.

In beginsel vindt over twee jaar een onderzoek naar de kwaliteitsverbetering plaats. In de tussenliggende periode volgt de inspectie de ontwikkelingen op de school nauwgezet via een traject van geïntensiveerd toezicht. Het OKV wordt uitgevoerd door een inspecteur die niet betrokken is bij dit PKO of bij het geïntensiveerd toezicht.

De minister wordt van dit traject van geïntensiveerd toezicht op de school op de hoogte gesteld.

Het bestuur dient binnen zes weken na vaststelling van het rapport een bestuurlijke reactie op de geconstateerde noodzaak tot verbetering van de kwaliteit aan de inspectie te sturen.

De inspectie beziet de bestuurlijke reactie op de volgende punten:
– zijn er activiteiten voorzien die aansluiten bij de geconstateerde kwaliteitsproblemen;
– zijn de activiteiten voldoende concreet gepland opdat de inspectie er in haar geïntensiveerd toezicht op kan aansluiten;
– is in redelijkheid aan te nemen dat de bestuurlijke reactie leidt tot een verbetering van de geconstateerde kwaliteitsproblemen.’

Goed, dit vond dus bijna twee jaar geleden plaats. Vier maanden later, in september 2007, vervaardigde de inspectie een rapport met de titel ‘De kwaliteit van het onderwijs op (zeer zwakke) vrijescholen in het basisonderwijs. Periode 2003-2007’. Ook dit is op de website van de Onderwijsconsument te vinden en te downloaden, namelijk als ‘De kwaliteit van het onderwijs op (zeer zwakke) vrije scholen, onderwijsinspectie, september 2007’. In zijn voorwoord schreef hoofdinspecteur Leon Henkens:

‘In 2003 bleek uit onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs dat de kwaliteit op vrijescholen op een aantal aspecten achterbleef en in 2006 viel bij onderzoek op dat deze scholen verhoudingsgewijs vaker dan gemiddeld als zeer zwak werden aangemerkt.

Vrijescholen hebben in een aantal opzichten opvattingen over onderwijs die afwijken van wat op de meeste basisscholen gebruikelijk is. Dit hoeft echter niet te betekenen dat er op deze scholen geen verbeteringen mogelijk zijn.

In het voorliggende rapport wordt de stand van zaken over de kwaliteit van het onderwijs op vrijescholen in het basisonderwijs weergegeven per augustus 2007. Voorts wordt beschreven welke ontwikkelingen zich de afgelopen jaren hebben voorgedaan. Hoewel de vrijescholen in veel opzichten achterblijven bij de andere basisscholen, blijkt tevens dat scholen die werken vanuit het vrijeschoolconcept in korte tijd aanzienlijke verbeteringen kunnen realiseren.

De hoofdinspecteur primair onderwijs en expertisecentra
dr. L.S.J.M. Henkens’

De ‘Samenvatting’ op bladzijde 7 en 8 beschrijft de volgende bevindingen:

‘In de afgelopen jaren heeft de Inspectie van het Onderwijs twee maal eerder gesignaleerd dat de kwaliteit van het onderwijs op vrijescholen achter bleef bij de kwaliteit van de hele populatie basisscholen. Het eerste signaal gaf de inspectie in 2003 nadat zij in de periode 1998-2002 alle scholen voor basisonderwijs bezocht had met een periodiek kwaliteitsonderzoek (de zogenoemde eerste bestandsopname). Uit de gegevens van deze eerste bestandsopname bleek dat de kwaliteit van vrijescholen beduidend minder was dan de kwaliteit van de overige basisscholen. Het tweede signaal kwam in 2006 voort uit een onderzoek naar het ontstaan en de ontwikkeling van zeer zwakke scholen. Uit het laatstgenoemde onderzoek bleek dat de vrijescholen oververtegenwoordigd waren in de groep zeer zwakke scholen.

Inmiddels heeft de inspectie haar tweede bestandsopname afgerond, die de periode 2003-2007 beslaat. Opnieuw heeft zij apart aandacht geschonken aan de positie van de vrijescholen ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Voorts is in het onderzoek apart aandacht besteed aan kenmerken van zeer zwakke scholen en aan de ontwikkeling van zeer zwakke scholen die zich binnen twee jaar hebben verbeterd. Het onderzoek betreft 71 vrijescholen, 15 als zeer zwak beoordeelde vrijescholen, en 5 van die 15 zeer zwakke vrijescholen die zich binnen twee jaar hebben verbeterd.

De uitkomsten van het onderzoek leiden tot de volgende conclusies.

In de eerste plaats blijkt opnieuw dat beduidend meer vrijescholen zwak of zeer zwak zijn dan andere basisscholen. De kwaliteit van het onderwijs schiet op meer dan de helft van de vrijescholen in meer of minder ernstige mate tekort.

In de tweede plaats blijkt opnieuw dat de populatie vrijescholen op een groot aantal kwaliteitsaspecten en indicatoren achterstand vertoont ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Op onderdelen is ten opzichte van de eerste bestandsopname wel vooruitgang geboekt, maar over het algemeen geldt deze vooruitgang ook voor de overige basisscholen in Nederland. In dat verband is het teleurstellend dat nog maar tweederde van de vrijescholen planmatig aan verbeteractiviteiten werkt.

De vooruitgang is het grootst bij de kwaliteitsaspecten Opbrengsten, Leerstofaanbod en Didactisch handelen. Vrijescholen zijn inmiddels meer dan voorheen in staat zich aan de hand van betrouwbare gegevens te verantwoorden over de resultaten die zij met hun leerlingen behalen en ruim tweederde van de vrijescholen heeft gedurende de afgelopen periode transparant kunnen maken dat het leerstofaanbod voldoet aan de kerndoelen. De Kwaliteitszorg staat op de vrijescholen nog in de kinderschoenen en heeft zich t.o.v. de eerste bestandsopname weinig verder ontwikkeld. Zorgelijk is dat de ontwikkeling van de Zorg en begeleiding stagneert.

Uit een analyse van de gegevens over vijf vrijescholen die tijdens de tweede bestandsopname als zeer zwak waren beoordeeld blijkt, in de derde plaats, dat deze vrijescholen in staat zijn geweest zich binnen een periode van twee jaar aanzienlijk te verbeteren.

Voor een zesde school geldt dat na twee jaar nog onvoldoende verbetering was opgetreden, maar dat het perspectief gunstig was. Daarom is het traject van geïntensiveerd toezicht voor deze school met een jaar verlengd.

Naar het oordeel van de inspectie laten de mate waarin en de wijze waarop vijf als zeer zwak beoordeelde vrijescholen zich binnen een periode van twee jaar hebben weten te verbeteren, zien dat een kwaliteitsslag heel goed mogelijk zijn, ook voor het vrijeschoolconcept.

De Vereniging van Vrijescholen heeft samen met de Begeleidingsdienst voor vrijescholen de afgelopen jaren initiatieven ontplooid om de kwaliteit van de vrijescholen te verbeteren. Zij spant zich in om zodanige verbeteringen te bevorderen dat in het algemeen de kwaliteit van vrijescholen door de inspectie niet meer als (zeer) zwak hoeft te worden beoordeeld.’

In de ‘Inleiding’ op de bladzijden 9 tot en met 11 wordt dit als volgt nader omschreven:

‘In het Onderwijsverslag van 2002 (Inspectie van het Onderwijs, 2003) presenteerde de inspectie de resultaten van haar eerste bestandsopname van de kwaliteit van het primair onderwijs. Alle 7.035 scholen voor primair onderwijs waren in de voorliggende jaren (1998-2002) onderzocht met Integraal Schooltoezicht (IST) en/of Regulier Schooltoezicht (RST), en beoordeeld op de kwaliteitsaspecten en normen uit het toenmalige waarderingskader.

Bij een van de analyses op de gegevens van de bestandsopname was nagegaan of er verschillen bestonden tussen de kwaliteitsscores van traditionele vernieuwingsscholen en de andere scholen. De conclusie luidde dat de onderwijskwaliteit op Daltonscholen, Jenaplanscholen, Montessorischolen en vrijescholen sterk uiteen liep. Over de vrijescholen werd het volgende opgemerkt: “Vrije scholen hebben in een aantal opzichten opvattingen over onderwijs en opvoeding die afwijken van wat op de meeste basisscholen gebruikelijk is. De scores van de vrije scholen zijn op een aantal kwaliteitskenmerken niet goed vergelijkbaar met de scores van andere scholen. Zo hebben wij bij het leerstofaanbod en de opbrengsten vaak afgezien van het geven van een beoordeling. Dit neemt niet weg dat het didactisch handelen van leraren en de leerlingenzorg op vrije scholen achterblijft bij het gemiddelde.” (Inspectie van het Onderwijs, 2003, p. 99 e.v.).

Hiermee gaf de inspectie een eerste signaal dat de kwaliteit van het onderwijs op vrijescholen op een aantal aspecten achterbleef en op andere aspecten niet beoordeeld kon worden.

In de periode na de eerste bestandsopname is in de Tweede Kamer en in de media met regelmaat aandacht besteed aan het thema “zeer zwakke scholen”. Deze aandacht hing ondermeer samen met publicaties van de inspectie over dit onderwerp in haar jaarlijkse onderwijsverslagen en met het openbaar maken van de lijst met zeer zwakke scholen op internet. Voorts heeft de inspectie in 2006 een onderzoek gepubliceerd over het ontstaan en de ontwikkeling van zeer zwakke scholen in het basisonderwijs (Inspectie van het Onderwijs, 2006). Op basis van de gegevens van de schoolonderzoeken uit de periode 2003 – juli 2005 onderzocht de inspectie de kenmerken waarop zeer zwakke scholen verschillen van scholen met gemiddelde of goede kwaliteit.

Uit het onderzoek bleek dat het pedagogisch-didactisch concept ofwel de visie van de school op onderwijs en leren één van de onderscheidende kenmerken was. Met name vrijescholen bleken in de periode 2003 – juli 2005 verhoudingsgewijs vaker dan gemiddeld als zeer zwakke school te zijn aangemerkt. Hiermee gaf de inspectie een tweede signaal dat de kwaliteit van het onderwijs op vrijescholen te wensen overliet en dat dit ondermeer samenhing met hun visie op leren en onderwijzen. Als belangrijkste redenen voor het hoge percentage zeer zwakke vrijescholen noemt het rapport dat deze scholen doorgaans:

• geen of weinig gebruik maken van landelijk genormeerde toetsen waardoor hun onderwijsresultaten niet beoordeeld kunnen worden;
• niet of niet voldoende in staat zijn zich via een sluitend systeem van kwaliteitszorg te verantwoorden over de vraag hoe de ontwikkeling van de leerlingen wordt gevolgd;
• minder vaak in staat zijn aan te geven hoe planmatig de zorg en begeleiding voor leerlingen is;
• minder vaak aantoonbaar kunnen maken in hoeverre het leerstofaanbod voldoet aan de kerndoelen;
• vaker dan het landelijke gemiddelde hun leerstof niet aanbieden tot en met het niveau van groep 8 (zie Inspectie van het Onderwijs, 2006, p. 39/40).

Inmiddels heeft de inspectie haar tweede bestandsopname afgerond. Deze tweede bestandsopname beslaat de periode 2003-2007.

Gebruik makend van de gegevens die tijdens deze periode zijn verzameld presenteert de inspectie in het voorliggende rapport de stand van zaken betreffende de kwaliteit van het onderwijs op vrijescholen in het basisonderwijs en de ontwikkelingen die zich daarin hebben voorgedaan. Het rapport besteedt apart aandacht aan de vrijescholen die als zeer zwak zijn beoordeeld.

De opzet van het rapport is als volgt. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de onderzoeksvragen en de onderzoeksopzet. Hoofdstuk 3 presenteert per onderzoeksvraag de bevindingen en de conclusies. Het rapport wordt in hoofdstuk 4 afgesloten met een nabeschouwing over de uitkomsten van het onderzoek.’

In de ‘Nabeschouwing’ op de pagina’s 27 en 28 wordt het geheel nogmaals onder woorden gebracht:

‘In de afgelopen jaren heeft de Inspectie van het Onderwijs al eerder gesignaleerd dat de kwaliteit van het onderwijs op vrijescholen achterblijft bij het landelijk beeld (zie o.a. Inspectie van het Onderwijs, 2006). Nu de tweede bestandsopname is afgerond, is opnieuw de stand van zaken opgemaakt en zijn ontwikkelingen ten opzichte van de eerste bestandsopname zichtbaar gemaakt. De uitkomsten van de analyses bevestigen de eerdere signalen: het onderwijs op vrijescholen kent beduidend meer risico’s en tekortkomingen dan het onderwijs op de gemiddelde Nederlandse basisschool. Het is dan ook niet verwonderlijk dat vrijescholen oververtegenwoordigd zijn in de groep zeer zwakke scholen. Scholen die, zoals bij vrijescholen bovenmatig het geval is, niet over betrouwbare opbrengstgegevens beschikken, die de leerlingenzorg onvoldoende hebben gestandaardiseerd, die ook de effecten van de zorg niet nagaan en die geen sluitend systeem van kwaliteitszorg hebben, beschikken over te weinig zelfcorrigerend vermogen om zich tegen kwaliteitsverlies te wapenen.

De gegevens in dit rapport over het vrijeschoolonderwijs laten echter ook zien dat zich in de periode tussen de eerste en de tweede bestandsopname positieve ontwikkelingen hebben voorgedaan. De meest opvallende ontwikkelingen zijn dat inmiddels beduidend meer vrijescholen betrouwbare gegevens verzamelen over de resultaten van hun leerlingen (aan het eind van het basisonderwijs en op tussenmomenten) en dat beduidend meer vrijescholen via speciaal daartoe ontwikkelde leerlijnen kunnen verantwoorden dat hun leerstofaanbod bij Nederlandse taal en bij rekenen en wiskunde de kerndoelen dekt en dat de leerinhouden aansluiten tussen de verschillende leerjaren. Ter relativering moet echter worden opgemerkt dat de overige basisscholen ook vooruit zijn gegaan op de aspecten en de indicatoren waarop de vrijescholen zich hebben ontwikkeld. Daardoor is de achterstand die de vrijescholen tijdens de eerste bestandsopname hadden, toch voor een belangrijk deel blijven bestaan. In dat verband is het teleurstellend dat nog maar tweederde van de vrijescholen planmatig aan verbeteractiviteiten werkt.

Het is de inspectie bekend dat veel vrijescholen een tegenstelling ervaren tussen het waarderingskader dat de inspectie hanteert en de eigenheid van het vrijeschoolconcept. Een aantal kwaliteitskenmerken waarop de inspectie zich tijdens haar onderzoeken richt (bijvoorbeeld differentiatie in instructie en verwerking, het toetsen van de leerprestaties aan het eind van groep 8 / klas 6, het onderwijsaanbod in de kleutergroepen en de aansluiting met het onderwijsaanbod in groep 3 / klas 1, de verantwoordelijkheid van leerlingen voor de organisatie van hun eigen leerproces), lijkt op gespannen voet te staan met de uitgangspunten van het vrijeschoolonderwijs.

Door de Vereniging van vrijescholen en de Begeleidingsdienst voor vrijescholen zijn afgelopen jaren initiatieven ontplooid om de kwaliteit van de vrijescholen te verbeteren. Zo is er door hen hard gewerkt aan een verheldering van het aanbod voor Nederlandse taal en rekenen/wiskunde. Scholen worden ondersteund bij het transparant maken van de inhoud van het onderwijs op dit punt. Ook op andere aspecten vinden ontwikkelingen plaats.

De Vereniging en de Begeleidingsdienst hebben een taskforce zeer zwakke scholen ingesteld.

Deze biedt aan de (zeer) zwakke vrijescholen actieve steun, informatie en begeleiding om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Nagenoeg alle zeer zwakke scholen maken hiervan gebruik. De Vereniging spant zich in om zodanige verbeteringen te bevorderen dat in het algemeen de kwaliteit van vrijescholen door de inspectie niet meer als (zeer) zwak hoeft te worden beoordeeld.

De mate waarin en de wijze waarop vijf als zeer zwak beoordeelde vrijescholen zich binnen een periode van twee jaar hebben weten te verbeteren op de normindicatoren uit het waarderingskader van de inspectie, laten zien dat verbeteringen heel goed mogelijk zijn, ook voor het vrijeschoolconcept.’

De staatssecretaris van Onderwijs, Sharon Dijksma, is het ernst om het grote aantal zeer zwakke scholen terug te dringen. Dus ook het aantal zeer zwakke vrijescholen. Op 11 februari van dit jaar stuurde zij nog een brief hierover naar de Tweede Kamer, waarin zij aankondigt dat het toezicht wordt verscherpt en zeer veel strenger zal worden. Op bladzijde 4 schrijft zij, bij punt ‘4. Bestuurlijke krachtenbundeling bij concentraties van zeer zwakke scholen’:

‘Uit gegevens van de inspectie blijkt dat sprake is van enkele concentraties van zwakke en zeer zwakke scholen. In zo’n geval maakt OCW afspraken met sectororganisaties en medeoverheden over de aanpak van deze scholen. Het gaat om vrijescholen, scholen in de noordelijke drie provincies, het islamitisch onderwijs en een aantal scholen in de G4.’

Zij beschrijft de situatie bij vrijescholen als volgt:

‘De Vereniging van vrijescholen heeft een taskforce Zwakke Scholen ingesteld die een verbeterplan voor de vrijescholen uitvoert. De rapportages van de taskforce zijn ieder half jaar met OCW besproken. Begin 2009 waren er van de 17 zeer zwakke vrijescholen nog 6 zeer zwak. Het laatste jaar zijn er geen zeer zwakke vrijescholen bijgekomen. Voor de 6 resterende zeer zwakke scholen is het afrondend onderzoek in het kader van het verbetertraject binnen een half jaar uitgevoerd. De verwachting is dat daarmee dit aantal zeer zwakke vrijescholen dan sterk is afgenomen. Met dit resultaat is de inzet van de taskforce een succes.’

De eerder genoemde Begeleidingsdienst voor vrijescholen heeft een eigen website. Deze dienst publiceert daarop ook een eigen nieuwsbrief:

‘De Begeleidingsdienst voor vrijescholen brengt regelmatig een nieuwsbrief uit onder de naam BegeleidingsBulletin. Deze stuurt zij naar alle scholen die bij haar zijn aangesloten. Als u hiernaast op “nieuwsbrief” klikt vindt u het laatst verschenen nummer.’

Helaas is op dit moment alleen dat laatst verschenen nummer te downloaden. In een eerdere uitgave, nummer 1 van april 2008, staan in verband met het voorgaande twee interessante artikelen. Het eerste heeft als titel ‘Veranderend inspectietoezicht’:

‘De werkwijze van de onderwijsinspectie is vanaf dit schooljaar sterk veranderd. Daarbij is het uitgangspunt: de school wordt meer en meer zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van onderwijs en organisatie.

De grootste verandering is al direct doorgevoerd. De gesprekspartner van de inspectie is het bevoegd gezag. Daarbij kan de schoolleider indien gewenst ondersteunend aanwezig zijn. In de praktijk betekent dit het volgende:
– Het bestuur (bevoegd gezag) moet op de hoogte zijn van alle kwaliteitsaspecten van de school.
– De schoolleider moet kunnen aantonen, bijvoorbeeld in kwartaalrapportage, dat de kwaliteit in orde is.
In het gesprek dat de inspectie voert met de besturen is het volgende aan de orde:
1. Inspectie maakt een risicoanalyse naar aanleiding van documentenonderzoek: jaardocumenten (schoolgids, schoolplan, jaarverslag), jaaropbrengsten (wanneer er geen Cito-eindtoets afgenomen wordt, dan wordt gevraagd om eindopbrengsten van een genormeerd toetssysteem), eventueel klachten of krantenartikelen.
2. Bij het gesprek wordt door inspectie een uitleg gegeven over het veranderende toezicht.

Wanneer de school is aangemerkt als zwak of zeer zwak, zal ook gevraagd worden naar de voortgang van de verbeteringen. Ook zal er verteld worden dat er een onderzoek plaatsvindt naar de rechtmatige besteding van de middelen, het financieel beheer en de financiële positie van de school. Dit gebeurt door een Auditdienst in opdracht van inspectie.

Na het gesprek krijgt het bestuur de uitslag van de risicoanalyse. Daarbij zijn er twee mogelijkheden:
a. De school loopt geen bijzonder risico en komt in een zogenaamd basisarrangement. Dit betekent dat er jaarlijks contact is via mail of telefoon. Er vindt elke vier jaren een bezoek plaats. Inspectie bepaalt zelf hoe uitgebreid dit wordt, afhankelijk van de analyse van de beschikbare gegevens.
b. De school loopt bepaalde risico’s. Daarvoor vraagt de inspectie om andere gegevens of houdt een bezoek aan de school. Daarna bepaalt de inspectie het toezichtarrangement, dat dan wordt toegespitst op die onderdelen die als onvoldoende zijn beoordeeld.

Bij beide mogelijkheden houdt inspectie altijd het recht om de school onverwacht te bezoeken.

Wat betekent dit nu voor de vrijescholen? Allereerst moeten bestuur en schoolleiding zich bewust zijn van de kansen en bedreigingen die voortvloeien uit dit veranderend toezicht.

De grootste kans is: een school die haar kwaliteit aan kan tonen krijgt een grote mate van vrijheid om het onderwijs en de organisatie naar eigen inzichten in te richten en uit te voeren. Anders gezegd: als je opbrengsten en je kwaliteitsmanagement in orde is, dan is er weinig tot geen druk van inspectie.

De grootste bedreiging: wanneer er onvoldoende aantoonbaar is dat de kwaliteit goed is, dan grijpt inspectie sneller en steviger in. Denk daarbij aan:
– Aantoonbaar goede eindopbrengsten
– Stabiliteit in de schoolleiding/bestuur
– Kwaliteitszorg in onderwijs en organisatie
– Zorgstructuur
– Financiële positie en rechtmatige besteding van de middelen

In de praktijk betekent dit voor veel vrijescholen een verandering van gezichtspunten. Omdat juist de kwaliteit van het onderwijs centraal zou moeten staan, is er ook een goede verbeterslag te maken. Want er zijn helaas veel scholen waar het nog ontbreekt aan heldere analyses en overzichten die kwaliteit aantoonbaar maken.

Het gaat daarbij om de volgende vragen:
– Doet de school de goede dingen?
– Doet de school de dingen goed?
– Hoe weet de school dat?
– Vinden anderen dat ook?

Daarvoor kan de Begeleidingsdienst ondersteunen, zowel het bestuur als de schoolleider en het team. Het belangrijkste daarbij is een goed managementsysteem waardoor de schoolleider overzicht en inzicht heeft over alle processen in de school. En waarbij de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft, vanzelfsprekend in rapportages aangeleverd wordt.

Heel belangrijk is daarbij de vraag: is de kwaliteit aantoonbaar en kan de school voortdurend werken aan verbeteringen?

Verder zijn er vele gebieden waar verbeter- of verandertrajecten mogelijk zijn:
– Personeelszorg vanuit competentiemanagement
– Zorgstructuur vanuit een heldere zorglijn
– Leerlijnen in combinatie met een leerlingvolgsysteem
– Didactische verbeteringen verbonden met periode onderwijs’

Het tweede interessante artikel is getiteld ‘Volglijn. Een digitaal Leerlingvolgsysteem’ (een auteur staat hier, net als bij het vorige trouwens, niet vermeld):

‘We spreken met Paul van Meurs over het met name door hem vanuit de Begeleidinsgdienst ontwikkelde leerlingvolgsysteem.

Waarom moet dit leerlingvolgsysteem er komen, zijn er al niet genoeg alternatieven op de markt?
Paul: In de eerste plaats voldeed ons eigen oude analoge leerlingvolgsysteem niet meer. De eisen van onder andere de inspectie zijn aangescherpt en onze inzichten zijn veranderd. De items waren soms te breed geformuleerd, die hebben we meer verscherpt, zodat ze nu naadloos aansluiten op de ontwikkelde leerlijnen. Maar ook zijn er inmiddels kijkwijzers ontwikkeld als diagnostische instrumenten, die in het systeem een plaats krijgen. Bovendien kunnen leraren ook hun eigen volgitems toevoegen. Dat laatste vind ik heel wezenlijk voor een vrijeschool!

Samengevat kun je stellen dat dit leerlingvolgsysteem meer een totaalbeeld van de ontwikkeling van de leerlingen mogelijk maakt. Bovendien is tegemoetgekomen aan de wens uit veel scholen om het systeem digitaal te maken en ook “web-based”, zodat je het vanaf elke computer met een internetaansluiting kunt bereiken.

In hoeverre is dit leerlingvolgsysteem nu afgestemd op de vrijeschool praktijk?
Paul: Voordeel van het systeem is dat alle specifieke vrijeschool doelen afgeleid van de kerndoelen opgenomen zijn. De leraar moet zijn of haar eigen waarnemingskader invoegen, dus de leraar is als het ware de norm en bijvoorbeeld niet de leermethode. Stel dat je tien doelen hebt voor een bepaalde periode, die je in het leerlingvolgsysteem hebt geselecteerd. Met behulp van die keuze kun je ook gemakkelijker je periode al grotendeels voorbereiden. En daarbij komt dat een flexibele vorm van beoordelen mogelijk wordt.

Stel dat een school CITO toetsen gebruikt, kunnen die ook worden verwerkt?
Paul: Van alle extern ontwikkelde toetsen die in vrijescholen worden gebruikt kunnen de toetsresultaten in dit systeem worden ingevoerd. Daarmee komen we ook tegemoet aan een wens van de scholen.

Is het systeem eigenlijk al uitontwikkeld?
Paul: Jazeker! Maar zeker is ook dat er aan de hand van gebruikerservaringen nog kleine aanpassingen zullen worden gedaan. Daarnaast ligt het ook in de bedoeling om nog meer vakgebieden te gaan toevoegen, naast rekenen, taal en sociaal emotionele ontwikkeling, die er nu al inzitten. De Vereniging van vrijescholen heeft het initiatief genomen om te gaan onderzoeken of er een koppeling van ons leerlingvolgsysteem aan een bestaand leerlingadministratiepakket te maken is. Als dat lukt zou er een geïntegreerd pakket komen speciaal gericht op vrijescholen.

In hoeverre is het leerlingvolgsysteem geaccepteerd door de inspectie?
Paul: Tijdens een presentatie van het leerlingvolgsysteem voor een groep schoolleiders was ook een inspecteur van de onderwijsinspectie uitgenodigd. Na afloop zei hij in de wandelgang: “als jullie dit systeem vrijeschoolbreed ingevoerd krijgen worden jullie voorlopers in Nederland”. Hij zei dit weliswaar als eigen mening, maar het geeft voor mij aan dat ons volgsysteem voldoende potentie heeft. Het is volkomen duidelijk dat de vrijescholen via de inspectie aangespoord worden om hun “systeemkant” te ontwikkelen. Ik ben ervan overtuigd dat scholen met dit systeem zo dicht mogelijk bij de kern van het vrijeschoolonderwijs kunnen blijven. Ik zie heel goed dat het voor menig leraar een hele toer zal zijn om zo systematisch te werken als het volgsysteem suggereert. Maar tegelijkertijd hoor ik van leraren die het systeem nu een tijdje gebruiken al de ervaring dat ze hun leerlingen beter zijn gaan waarnemen. En dat vond ik een enorme opsteker, want dat betekent dat we bezig zijn met een kwaliteitsslag die niet alleen de buitenwereld van ons vraagt, maar die we ook zelf positief maken.’

Nu ga ik ook naar het laatst verschenen Begeleidings Bulletin op de website van de Begeleidingsdienst voor vrijescholen:

‘Enkele malen per jaar stuurt de Begeleidingdienst voor vrijescholen een nieuwsbrief (BegeleidingsBulletin) aan haar relaties. Hierin staan mededelingen en het aanbod cursussen en studiemiddagen van de Begeleidingsdienst. Ook nieuws over onderwijsbegeleiding in het algemeen en nieuwe producten worden besproken. Download hier de nieuwste Begeleider als pdf.bestand.’

Ik blijk echter geen Begeleidings Bulletin, maar iets anders te krijgen, namelijk ‘De Begeleider 2009-01, periodiek van de Begeleidingsdienst voor vrijescholen’. Hier is blijkbaar bijna ongemerkt iets veranderd en vernieuwd. Maar niet veranderd is de aandacht voor een eigen leerlingvolgsysteem. Paul van Meurs schrijft over ‘Vragen over het leerlingvolgsysteem LOVS’:

‘Het is nu ongeveer een jaar geleden dat de Begeleidingsdienst voor vrijescholen een leerlingvolgsysteem op de markt heeft gebracht. Sinds deze eerste kennismaking hebben we veel presentaties mogen geven en zijn ook een aantal scholen gestart met het invoeren van Volglijn, ons digitale leer- en onderwijsvolgsysteem. Tijdens presentaties en implementaties komen de volgende vragen vaak aan de orde:

Waarom noemen we Volglijn een LOVS, een leer- en onderwijsvolgsysteem?
We hebben heel bewust voor deze omschrijving gekozen.

Buiten het feit dat we de kinderen willen volgen in hun pad door de doelen heen, willen we ook het onderwijs volgen. Andere volgsystemen volgen alleen de toetsopbrengsten die twee keer per jaar worden afgenomen. Volglijn volgt het kind het hele jaar door. Resultaten van periodetoetsen bijvoorbeeld kunnen er ook in verwerkt worden. Dat is een belangrijke meerwaarde van Volglijn.

Het systeem heeft daartoe de mogelijkheid gecreëerd door het maken van een logboek, waarin de leerkracht zijn periodes kan ontwerpen, volgen en evalueren. Door dit te doen kan een leraar zelf een beeld krijgen van het gegeven onderwijs.

Ook het maken van de eigen waarnemingskaders (criteria van waaruit de doelen beoordeeld worden) biedt een gelegenheid om in het ontwerp van de leraar te kijken. Zijn eigen wijze van beoordelen, zijn visie op het behalen van het doel wordt hierin expliciet gemaakt.

We hopen daarmee te bereiken dat een leraar de norm wordt van het gegeven onderwijs. Dat de leraar, wellicht samen met de kinderen, de criteria zichtbaar maakt.

Is het volgen van deze veelheid van doelen door middel van een cijferwaardering in deze tijd nog wel op zijn plaats? Moeten we niet meer het kind in zijn proces volgen?
Ons leerlingvolgsysteem gaat uit van een aantal doelen die een leerkracht bij wil houden. Deze doelen worden door de school afgestemd. De school kan een keuze maken uit alle doelen die in het systeem aanwezig zijn. Zij kan er echter ook doelen aan toevoegen.

We hebben ervoor gekozen om middels een cijferwaardering een beeld te kunnen scheppen van de vorderingen van de kinderen.

In gesprekken met de inspectie van onderwijs werd deze transparantie gewaardeerd. Voor veel scholen die naar buiten toe inzichtelijk willen maken hoe de kinderen presteren op de door de school gestelde doelen, biedt deze wijze van bijhouden een overzichtelijk geheel. Het lovs is echter zo opgebouwd dat een school ook zijn eigen vorm van normering kan invoeren. Mocht een school dat wensen dan kan ze het gehele systeem veranderen en omzetten naar een andere wijze van kijken naar doelstellingen en het behalen/beoordelen daarvan. Zo is het bv. mogelijk om een kijkwijzerachtige omgeving te creëren, waarin de het ontwerp van een eigen periode, de opmerkingen, criteria en waarnemingen van leraren centraal staan.

Vandaar dat we dit LOVS zien als een dynamisch systeem waarin het ook mogelijk is om op onze eigen wijze te kijken naar het behalen van doelen en het ontwerpen van onderwijs. Het systeem kan meegroeien met de vragen die de school of de schoolbeweging heeft.

Mogelijkheden voor verandering, aanpassing.
Tijdens presentaties worden er natuurlijk vragen gesteld waarin het woord aanpassing en verandering centraal staat. Kunnen we onze eigen formulieren gebruiken? Kan er nog een knop bij? Enz. enz. Natuurlijk kunnen veel van deze zaken worden gerealiseerd en er wordt in samenwerking met de softwareontwikkelaar gekeken naar de haalbaarheid van elke verzoek.

Zo hebben we aan twee belangrijke verzoeken kunnen voldoen:
1. Vanaf dit moment is er de mogelijkheid om alle verslagen die door leraren gemaakt worden digitaal te beheren. Te denken valt aan kleuterverslag 4-jarigen of een oudergesprek, een gesprek met een instantie enz. enz.
2. Ook het handelingsplan gaat in korte tijd veranderen.

Er worden binnen de school vele handelingsplannen gemaakt. Wanneer ze een voorbeeldkarakter hebben worden ze door de remedial teacher gecategoriseerd en binnen de school beschikbaar gesteld aan alle gebruikers binnen de school. Hetgeen inhoudt dat een leerkracht deze handelingsplannen kan gebruiken en aanpassen.’

Als je dit allemaal zo leest, zou je toch denken dat men op de Geert Groote School 2 niet zo hoeft te wanhopen. Met deze middelen en deze inzet moet het toch mogelijk zijn om echt vrijeschoolonderwijs te bieden en tegelijk te werken aan, notabene door de inspectie gesanctioneerde, inhoudelijke verbetering van het eigen onderwijs.

8 opmerkingen:

Anoniem zei

Oké, wederom een informatief blogartikel. Ik heb zelf genoeg gezegd in zake deze kwestie. Ik hoop van harte dat men op de Geert Groote School hieruit komt. Ook succes met deze blog toegewenst. Door gebrek aan tijd, een mens heeft nog meer te doen, laat ik deze weblog voorlopig voor wat hij is. Ik wens iedereen, blogbeheerder en bezoekers, het allerbeste toe.

Vriendelijke groet,

René

Michel Gastkemper zei

Dank u; het ga je goed!

John Wervenbos zei

Wens jou ook het beste toe René. Misschien zien we elkaar op 5 april aanstaande bij de uitvoering van het mysteriedrama Het ontwaken van de zielen in het Zuidplein Theater. (Zit op stoel 13, rij 5.)

Sprak eergisteren een broer van een zwager van me, die is lichttechnicus bij het Zuidplein theater en uitgerekend 5 april doet hij daar dienst. Die kom ik dan ondermeer ook (weer) tegen.

Zal zelf de komende tijd ook veel minder kunnen posten op het internet, niet alleen hier, maar ook op andere interactieve (nieuws/blog/discussie)webpagina's. Blijf (meer) op de achtergrond zeker wel meelezen; zeker ook hier bij 'Antroposofie in de pers'.

Dank je voor de relevante nieuwsgaring Michel. Hugo Verbrugh schenkt inmiddels gelukkig ook aandacht aan de kwestie, zie:
Chaos in de Vrije school (1): de antroposofie als spagaat tussen seculier en transcendent

John Wervenbos zei

In het bijzonder degenen die de chaos in de Geert Groot school moeten oplossen raad Hugo Verbrugh bestudering van het boek Vom Land aufs Meer: Steiners Esoterik im verändertem Umfeld van Johannes Kiersch aan.

Anna-Katharina Dehmelt bespreekt het boek in het tijdschrift Die Drei, nummer 5, 2008: Frischer Wind für die Esoterik (Bladzijde 5,6 en 7 van het PDF document = bladzijde 89, 90 en 91 van het Die Drei nummer.)

René zei

Dank voor de vriendelijke woorden. Naar het mysteriedrama ga ik niet. Door het plotselinge verlies van een jonge vriend (28 jaar) staat mijn hoofd daar helemaal niet naar.

John Wervenbos zei

Dat kan ik me goed voorstellen René. Sterkte!

Doet me denken aan drie oude vrienden van me die vroegtijdig het leven lieten.

Voor één van hun schreef ik het volgende gedicht (een week voor zijn tragische overlijden):
Geruisvolle overgave

John Wervenbos zei

Pardon, de titel luidt: Geruisloze overgave

René zei

Dank John voor je bericht van medeleven.

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Volgen op Facebook


Translate

Volgers

Herkomst actuele bezoeker(s)

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code

Gezamenlijke antroposofische agenda (in samenwerking met AntroVista)