Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

zaterdag 9 oktober 2010

Honderdduizend

Vannacht was het dan zover. Kort voor twaalven waarschijnlijk, ik weet het niet precies, ik was er niet real time bij. Ik kondigde het op 16 september in ‘Thomisme’ al aan:
‘Overigens is vandaag bezoeker nummer 95.000 op deze weblog gearriveerd; met het gemiddelde hoge tempo van tweehonderd per dag zijn we straks in een wip ook al bij de honderdduizend...’
We zijn nu drie en halve week verder, 23 dagen dus. Als u vandaag op de Sitemeter onderaan kijkt, ziet u daar als Average Per Day het aantal van 238 staan. Bij Today staat tot dit moment van schrijven 133, en bij Total 100,133 (het is een Amerikaanse teller, dus met een komma in plaats van een punt, zoals bij ons – overigens, de gemiddelde leestijd is nog altijd 2:12; hoe is het mogelijk, denk ik dan). Dit aantal kan niets anders betekenen dan dat de hekkesluiter van gisteren precies nummer honderdduizend was. Weer een mijlpaal voor zo’n simpele weblog als deze!

Dit vraagt natuurlijk vandaag om een bijzondere bijdrage, met zo’n duizelingwekkend aantal, in nog geen twee en half jaar tijd (want dat zal op 1 november aanstaande het geval zijn, over iets meer dan drie weken). Zo’n bijzondere bijdrage heb ik wel in gedachten. Ik begin daarvoor bij Joyce Roodnat, redacteur bij NRC Handelsblad, met haar weblog ‘Aan de wandel’:
‘Al bijna negen jaar lang doet Joyce Roodnat elke zaterdag in NRC Handelsblad verslag van haar wandelingen “door Nederland en de rest van de wereld”. Ze wandelt samen met man.’
Juist vandaag bracht haar wandeling hen naar ‘Somerset (GB): Wheddon Cross – Porlock’. Ik neem het maar eenvoudigweg over, dat is het makkelijkste, om later te laten zien waar ik heenwil (er zijn trouwens ook foto’s bij, dus even naar het origineel klikken loont meteen):
‘Een troep jachthonden komt ons tegemoet, op de voet gevolgd door een stel ruiters. Geblaf, enthousiasme, vrolijkheid. “Lovely wheather!”

Ja, inderdaad, dit grauwe weer is ideaal. Knapperig fris. De herfstkleuren zijn geestverruimend dankzij het licht uit een hemel als een tinnen koepel. Het poedert de gele en oranje kruinen van de bomen, het drapeert groen brocaat over de heuvels. De jachtstoet draaft verder. Een troepje kwartels verschijnt om de hoek van een heg en kijkt ze na. Sliep uit.

We beginnen aan de laatste etappe van de Coleridge Way, een route ter ere van de dichter Coleridge die hier eind 18e eeuw woonde en werkte. En wandelde, On springy heath (zie het gedicht ‘This Lime-Tree Bower my Prison’) down to a sunless sea (‘Kubla Khan’).

Wat een landschap. Donkere paden stuiteren omhoog en omlaag onder hartvormige takkengangen. De bomen hebben gezichten in hun verweerde stammen. Ze klemmen zich vast aan de schuine hellingen, klimop hangt aan hun halzen. Hun wortels graaien over de paden naar de enkels van de wandelaar. Stroompjes worden overgestoken via verweerde stapstenen. Cottages van rode baksteen peinzen onder strooien daken.

Man wijst op de rhododendronmassa’s in de valleien: “Dat is altijd zo’n stijve plantsoenplant. Hier gaat hij lekker wild tekeer.”

Op een bordje sputtert een “private owner” in strenge letters dat wandelaars hier tot nader order mogen lopen, maar dat ze aan zijn genade overgeleverd zijn. Rechten hebben ze niet.

Ha ha.

Aan de oever van een rivier sizzelt het water over platte keien. Rossige akkers en weidegrond liggen tussen stapelmuurtjes of heggen. Lijnen lopen rond, nooit recht. Plotseling is er een knalrode struik tussen het groen in de diepte. Net een vlam.

We bereiken de fluwelen heidevlakte. Verlokkelijk, maar het licht daalt snel en de schemer kruipt op. Het getsjilp wordt ijl als de echo van een xylofoon. Zijn we te laat begonnen? We dalen af naar een dorp en vragen advies. Een dame, “Becky, aangenaam”, stelt vast dat verder wandelen onverstandig is.

We onderbreken Coleridge’s route. Maar we komen terug en dan doen we hem nog een keer.

Afstand: 13 km. Laatste etappe van de “Coleridge Way”. Inf.: www.coleridgeway.co.uk.

De gelopen route is uitgebreid te bekijken op Wheddon Cross – Porlock. De GPS-punten van de complete route zijn hier te downloaden Wheddon Cross – Porlock GPS.’
Samuel Taylor Coleridge! Bovendien kort geciteerd met zijn gedicht Kubla Khan. Daar kom ik zo op. Maar eerst Coleridge nagaan, zoals hij hier op deze weblog al eerder ter sprake is geweest. Dat gebeurde het meest uitgebreid op 18 januari 2009 in ‘Owen Barfield’. Ik kom in dat bericht ook te spreken op Jelle van der Meulen. Dat gedeelte loont de moeite om hier te herhalen:
‘Van der Meulen wijdt in zijn boek “Om gegronde redenen. Antroposofie hier en nu” uit 1996 een heel hoofdstuk aan Owen Barfield, en dat vormt samen met de twee hoofdstukken over Saul Bellow en Joseph Beuys het hart van dit boek, waarin op geheel eigen wijze monumenten voor deze drie persoonlijkheden worden opgericht. Zo schrijft hij onder andere (blz. 176-177):

“In Romanticism comes of age, dat artikelen en lezingen bevat, vertelt Barfield grotendeels hetzelfde verhaal [over de ontwikkeling van het bewustzijn, MG], echter nu voor mensen die bekend zijn met de antroposofie. In sommige van de hoofdstukken steekt hier en daar een polemisch slangetje de kop op [waar Barfield zich gewoonlijk ver van houdt, MG] en vaak met betrekking tot hetzelfde punt: de eenzijdige oriëntatie in de antroposofische beweging op de Duitse cultuur.

Het is duidelijk dat hij zich daar aan ergert. Met klem wijst hij op het feit dat Goethe en Fichte niet de enige voorlopers waren van de antroposofie; ook in de Engelse cultuur zijn die te vinden, zoals Shakespeare en vooral Samuel Taylor Coleridge. Hij lijkt het belangrijk te vinden – hij maakt niet geheel duidelijk waarom – dat de antroposofie wordt beschreven in ‘Engelse’ termen, als een logische voorzetting van elementen die al in de Engelse cultuur aanwezig waren.

Hetzelfde had Rudolf Steiner gedaan met betrekking tot de Duitse cultuur. Zo was Goethe volgens Steiner een van de vaders van de antroposofie; de wijze waarop deze als natuurwetenschapper werkte (anders dan veel mensen denken, was Goethe niet alleen een dichter) was een onbewuste stap in de richting van de geesteswetenschap. (...)

Wat Goethe voor Duitsland was, zo stelt Barfield, was Coleridge voor Engeland. Goethe was echter verbonden met de Duitse cultuur en Coleridge uiteraard met de Engelse, wat enig verschil maakt. En dat lijkt precies de kern van zijn betoog te zijn: dat een transplantatie van de ‘Duitse’ antroposofie naar de situatie in Engeland niet zonder meer mogelijk is. Om de ‘Engelse’ antroposofie te begrijpen moet je eerst aanknopen bij de Engelse cultuur zelf en de antroposofie daaruit laten ontstaan, precies zoals Steiner de antroposofie uit de Duitse cultuur heeft ontwikkeld.

Al het werk van Barfield draait om dit streven. Vandaar dat hij in al zijn boeken – Romanticism comes of age uitgezonderd – het gebruik van antroposofische termen vermijdt. In wat Barfield als zijn hoofdwerk beschouwde, What Coleridge thought uit 1971, doet hij met Coleridge wat Steiner met Goethe heeft gedaan.”

Wanneer Van der Meulen verderop zijn – enige – persoonlijke ontmoeting met Owen Barfield beschrijft, doet zich een mooie anekdote voor. Hij is zelf een grote fan van Coleridge, en brengt het gesprek graag op deze illustere schrijver:

“Ik vroeg hem wat zijn inziens de betekenis van opium voor Coleridge was geweest. Immers, Coleridge gold als één van de eerste romantische opium-dichters. Ik had mijn vraag nog niet gesteld, of Barfield zei: ‘Ach ja, die laudanum van Coleridge... Daar beginnen de antroposofen altijd over. Maar dezelfde antroposofen willen niet weten dat hun Goethe iedere dag niet minder dan twee flessen wijn dronk. ’”’
Op zijn eigen weblog (Duitstalig: ‘Jede Woche eine neue Story’) begroet Jelle van der Meulen zijn lezers tegenwoordig nog altijd met een citaat van Coleridge:
‘“The primary Imagination I hold to be the living Power and prime Agent of all human Perception, and as a repetition in the finite mind of the eternal act of creation in the infinite I AM. The secondary I consider as an echo of the former, co-existing with the concious will, yet still as identical with the primary in the kind of its agency (...)” Samuel Taylor Coleridge in “Biographia Literaria”.’
Op 21 februari 2009 had Jelle van der Meulen het expliciet over Coleridge, in een bijdrage die juist dezer dagen in Nederland actueel is geworden, door de zelfmoord afgelopen donderdag van de aan depressies lijdende Antonie Kamerling (het beheerst al dagen het nieuws). Zijn tekst is getiteld ‘Basiskonflikte in der Biographie (2). Ode an die Depression’. Van der Meulen schrijft hierover:
‘Noch zu Beginn des neunzehnten Jahrhunderts schrieb Samuel Taylor Coleridge ein Gedicht mit dem Titel: “Dejection: An Ode”, also eine Ode an die Niedergeschlagenheit. Coleridge stellt die Depression nicht als Krankheit dar, sondern als eine Erfahrung, die zu einer ganz bestimmten Erkenntnis führen kann. Er beschreibt diese Einsicht mit den Worten:

Ah! From the soul itself must issue forth
a light, a glory, a fair luminous cloud
enveloping the Earth – ...

Die Depression kann also zu der Erfahrung führen, dass die Quelle der Freude nicht außerhalb von uns zu finden ist, sondern in uns, dass heißt in unsere Seele. Die Depression ist in diesem Sinne zu verstehen als eine zwar schmerzhafte, aber durchaus sinnvolle Durchgangsphase auf der Reise zu mir selbst und der Welt. Die Depression als ein rein persönliches Problem zu verstehen, führt gerade dazu, dass man in der Depression stecken bleibt und das entstehende Licht, den Glanz, den leuchtenden Schein nicht wahrnimmt.

Bekannt ist ja eigentlich längst, das Licht und Schatten zusammen gehören. Wenn man aber beginnt, diesen Zusammenhang zu er-leben, ja zu leben, dann wird es unumgänglich, diesen beschriebenen Sprung zu machen und damit ein neues Bedeutungsfeld zu eröffnen.

Alles was ein Mensch erfahren kann, gehört zur Welt. Wenn ein Mensch mit einem Problem ringt (und das kann ja ALLES sein), ringt er objektiv mit der Welt. Oder vielleicht besser gesagt: die Welt spielt sich in uns ab; alle persönlichen Probleme sind Weltprobleme.

Persönliche Probleme gibt es nicht.’
Op 22 december 2008 legde Jelle van der Meulen in ‘TEXT MIT TITEL’ uit waarom hij persoonlijke ervaringen vaak in de ik-vorm weergeeft, of ook door middel van een figuur met de naam ‘Samuel’:
‘Wer ist mit “ich” gemeint? Es liegt natürlich vor der Hand zu denken, dass “ich” sich auf “mich” bezieht, das heißt auf “Jelle van der Meulen”. Das stimmt aber nicht. Ich nenne dieses Ich nämlich für heute Samuel (ja, wegen Coleridge).

Das oben gemeinte “ich” ist ein Aspekt von mir, ein Subjekt, das immer wieder entsteht, wenn “ich” (“Jelle van der Meulen”) einen Text schreibe. Ich bin aber nicht ich, ich bin ja mittlerweile Samuel geworden, weil ich (Jelle? Samuel?) mich eben gerade so genannt habe. Und so ist das mit diesem und mit vielen anderen Texten: sie kreieren verzwickte Bedeutungen. Samuel Taylor Coleridge nannte das: Poesie.’
En op 10 juli 2008 schreef hij over het raadsel van nabijheid in ‘Über das Gespür für Nähe und die Freundschaft’:
‘Wenn ich auf mein Leben zurückblicke, stelle ich fest, dass ich seit dem Tod von Rogier (Blog 04.06.2008) ein Gespür für Nähe habe. Ich war damals neun Jahre alt. Den Begriff der Nähe kannte ich damals aber noch nicht – ich vermute, dass ich eine erste Vorstellung davon bekam, als ich siebzehnjährig versuchte, die Gedichte der englischen Romantiker Coleridge, Wordsworth, Shelley und Keats zu lesen und zu verstehen.

In diesen Gedichten wurde etwas thematisiert, was ich jetzt “Nähe zur Welt” nennen würde. Bäume, Blumen, Landschaften, Städte, Scheunen, Brücken, Wolken und auch Menschen wurden so beschrieben, als ob es sich dabei nicht nur um objektive Gegenstände handelte, die sich irgendwie & irgendwann & irgendwo ausserhalb von uns befanden, sondern die Gegenstände erzeugten in den Dichtern offensichtlich eine “gespürte Innigkeit”, die sich über die Sprache in uns als Leser fortsetzte. Die eigentlichen Themen der Gedichte waren gerade diese Innigkeiten.’
Mooi is dat, hoe Coleridge door kan werken in leven en werk van een schrijver. Maar hij is de enige niet. Afgelopen donderdag was het in Engeland ‘National Poetry Day’. (Dat is weer eens wat anders dan ‘Tolkien Reading Day’, waarover ik het op 26 maart had in ‘Video’, overigens eveneens Owen Barfield betreffend.) The Guardian kwam met een mooi artikel ‘Bard reputation: pop stars pick their favourite poets’:
‘To celebrate National Poetry Day, Dave Simpson talks to musicians about the joys – and occasional tribulations – of setting verse to music’.
Onder de inspiratiebronnen is ook Samuel Taylor Coleridge – voor een van de daar genoemde muzikanten, namelijk Neil Peart. Die figureerde hier al bij een eerdere gelegenheid, op 12 april 2009 in ‘Aardelicht’. Deze Neil Peart nu, drummer en tekstschrijver van het inmiddels bijna veertigjarige Canadese rocktrio Rush, laat aan The Guardian weten:
‘In 1975 I was trying to write a song inspired by the dark mood and subtle psychology of the film Citizen Kane, which features the opening lines of Kubla Khan by Samuel Taylor Coleridge. I looked up the poem and was overwhelmed by its imagery and emotional power. The song Xanadu was taken over by the poem in a way that has never happened since. I added the “adventure travel” aspect to the song’s story before I’d travelled further than the rock clubs of North America. I portrayed Coleridge’s idea of immortality as a grim curse – Citizen Kane is the opposite: mortality as a punishment. There’s a joke that goes, “Rush is what happens when you let the drummer write the songs”, which is funny, but of course I only write the lyrics. The line in the song Animate – “daughter of a demon lover” – pays homage to these powerful lines from Kubla Khan: “As e’er beneath a waning moon was haunted / By woman wailing for her demon lover.” Now that’s rock.’
Daar is Kubla Khan weer, dankzij Samuel Taylor Coleridge en de film Citizen Kane van en met Orson Welles. Peart schreef al eerder over dit specifieke nummer, ‘Xanadu’, drie jaar geleden in zijn boek ‘Roadshow’, zoals de fansite ‘Rush Is A Band’ op donderdag 7 oktober citeerde (en er onderaan meteen een video met een live-uitvoering uit 1977 van dit nummer aan toevoegt):
‘In the summer of 1976, in a cottage in Southern Ontario, I was working on the lyrics for a song called “Xanadu.” (I didn’t have any opium, but I might have smoked a little hash.) The song idea was originally inspired by the movie Citizen Kane, and its main character, Charles Foster Kane, and I had planned to build something on that theme. At the beginning of the movie, the opening lines from “Kubla Khan” were quoted, “In Xanadu did Kubla Khan, a stately pleasure dome decree.” As research, I looked up the poem, and I was so powerfully impressed by it that the poem took over the song. In the end, there was entirely too much “honey dew” in it – too much Coleridge, that is to say – and though musically the song was one of our earliest big “epics,” I never cared much for the lyrics... Another line from “Kubla Khan,” “woman wailing for her demon-lover,” turned up almost twenty years later as “Daughter of a demon-lover,” in our song “Animate,”...though the Coleridge connection hadn’t occured to me before.’
Dat brengt me naar een eigen herinnering van exact 33 jaar geleden. Net als Jelle van der Meulen beschreef hoe hij op zeventienjarige leeftijd onder de indruk van Coleridge was geraakt, gebeurde mij dat ook, op precies dezelfde leeftijd. Alleen las ik Coleridge niet zelf, maar beleefde zijn invloed via de muziek en tekst, die Neil Peart schreef. Die indruk was er trouwens niet minder om, misschien zelfs wel meer. Als er een recensie bestaat die voor mijn leven van betekenis is geweest, is het wel die van Kees Baars, destijds popjournalist van ‘Muziekkrant Oor’, die mij met dit alles liet kennismaken in een paginagrote bespreking in Oor 18 van 7 september 1977, op bladzijde 5, getiteld ‘Slaap je niet, dan Rush je toch’:
‘Het is eind juni als ik per auto door het prachtige landschap van Zuid-Engeland rijd. Op uitnodiging van Geddy Lee, Alex Lifeson en Neil Peart ben ik op weg naar The Rockfield Studio’s in Monmouth te Wales, waar Rush haar vijfde elpee aan het opnemen is. Hoe dichter ik de plaats van bestemming nader, hoe duidelijker het wordt waarom Rush juist deze studio gekozen heeft uit het grote aanbod. Het steeds middeleeuwser aandoend landschap met prachtige bossen en indrukwekkende kastelen moet voor een groep als Rush prima inspiratie zijn om de muzikale gedachten op de juiste manier te vereeuwigen. Ook de studio zelf past geheel in de sfeer: van binnen modern en van alle gemakken voorzien, maar van buiten oud en zelfs ietwat vervallen. Het weer is slecht en ook dat past wonderlijk goed bij de atmosfeer die de omgeving uitstraalt.

De jongens zijn bezig met het laatste nummer Cygnus X-l, het eerste deel van een nog te vervolgen werkstuk. Book One – The Voyage staat er achter de titel en aan het eind To Be Continued. Het is het meest complexe nummer van de plaat en het blijkt al snel hoe perfectionistisch Rush de zaken aanpakt. Het is zelfs zo, dat producer Terry Brown het nummer slechts met moeite op de vierentwintig sporenrecorder krijgt. Drummer Neil Peart, die alle teksten op A Farewell To Kings voor zijn rekening heeft genomen, is bij het schrijven van dit nummer geinspireerd door een artikel in Time Magazine. ‘Prologue: In The Constellation of Cygnus / There Lurks A Mysterious, Invisible Force / The Black Hole / Of Cygnus X-I / Six Stars Of The Northern Cross / In Mourning For Their Sister’s Loss / In A Final Flash Of Glory / Nevermore To Grace The Light...’

Tijdens de opnamen van dit nummer werd Rush gedwongen enige tijd te stoppen vanwege de bliksem en het onweer. De onheilspellende sfeer is dezelfde als die in het intro, waar we het onweer terug vinden. Van verre komt Lee’s bas steeds dichterbij en het nummer vangt in up-tempo ritme aan, waarbij vooral het zeer inventieve en uitstekend vullende drumwerk de zaak opswingt. Het tempo zakt dan tot een gaaf gevonden vijfkwartsmaat en de synthesizers zetten in. Geddy zingt over de reis naar The Black Hole en The Star That Would Not Die. Via een bijtende gitaarsolo en een space-achtig tussenstuk keren we terug bij het up-tempo begin en het eind intrigeert: ‘Sound And Fury Drowns My Heart / Every Nerve Is Torn Apart’. Het baswerk in dit gedeelte is razend knap en het duurde dan ook een aardige tijd voordat het er goed genoeg opstond. Het To Be Continued wordt door langzaam wegsterven van de gitaar duidelijk en belooft heel wat voor de volgende plaat.

Het titelnummer wordt ingeluid met een middeleeuws en klassiek aandoend gitaarstukje, waarna de groep met een slepend ritme en het vertrouwde gitaargeluid overneemt. ‘When They Turn The Pages Of History / When These Days Have Passed Long Ago / Will They Read Of Us With Sadness / For The Seeds That We Let Grow’. Het handelt zich in dit nummer over het verval van de mensheid, maar een oplossing wordt gezocht: ‘Can’t We Raise Our Eyes / And Make A Start / Can’t We Find The Minds / To Lead Us Closer To The Heart’. De solo, opgebouwd rond ingewikkeld maar swingend bas- en drumwerk, leent zich uitstekend voor het opendraaien van de versterker. Dan volgt het langste stuk.

Ik schreef er al eerder over: het tot in alle details zeer gaaf opgebouwde Xanadu. De introduktie van de synthesizers en de vele bellen en percussie-instrumenten zijn in dit nummer het duidelijkst: Fase II in optima forma! Bij het beluisteren is het moeilijk voor te stellen, dat Rush dit nummer live exact hetzelfde brengt. De tekst is gebaseerd op het gedicht ‘Kubla Khan’ (1798) van Coleridge. Dit onafgemaakte gedicht heeft Coleridge geschreven, nadat hem vanwege een ziekte verdovende middelen waren toegediend. Na het schrijven werd hij voor zaken weggeroepen, en toen hij na ongeveer een uur terugkeerde, kon hij zich van het visioen over het paradijsachtige rijk, dat Kubla Khan (een kleinzoon van Dzjengis) wilde bouwen, niets meer herinneren. Pikant detail is, dat Coleridge dit ‘visioen in een droom’ had tijdens zijn verblijf in een buitenhuisje, dat ergens gelegen was tussen Devonshire en Somerset, niet ver van Monmouth... De tekst begint als volgt: ‘To Seek The Sacred River Alph / To Walk The Caves Of Ice / To Break My Fast On Honey Dew / And Drink The Milk Of Paradise’. Wat betreft muzikale variaties is dit een verdere uitwerking van de ‘2112’ ideeën. De wijze waarop Rush synthesizers in het geheel heeft weten te integreren, is op zijn zachtst gezegd, interessant te noemen en geeft schier onbeperkte mogelijkheden voor de toekomst.

Het thema Closer To The Heart uit A Farewell To Kings op kant één vinden we op kant twee terug. Iedereen, van hoog tot laag moet zich bewust worden van een nieuwe mentaliteit: ‘Closer To The Heart / And The Men Who Hold High Places / Must Be The Ones To Start’. De gitaarsolo is qua geluid en techniek helemaal à la Lifeson; genieten dus. Cinderella Man is Peart’s interpretatie van een filmscript van Robert Riskin ‘Mr. Deeds Goes To Town’, in 1936 door Frank Capra verfilmd met Gary Cooper in de hoofdrol. Het handelt over een man, die na het krijgen van een flinke erfenis, van het platteland naar de stad gaat, alwaar hij als krankzinnig gezien wordt door de stadsmensen, omdat hij gewoon zichzelf blijft: eerlijk, menselijk en vriendelijk. Maar de naïeve held overwint en dat is een goede les.

Het nummer ligt goed in het gehoor en de zangstukken worden door een opzwepende slaggitaar ondersteund, terwijl het refrein tot meezingen noopt. De wat ongewone ‘wah wah met echo’-solo wordt ondersteund door een agressieve baspartij en de overgang naar het min of meer romantische refrein is zeer direkt. Dat de moeilijkheden in het leven, die zich af en toe zo ongelukkig kunnen opstapelen, door liefde te overwinnen zijn, wordt in het treurig gezongen madrigaal Madrigal verhaald: ‘In Vain To Search For Order / In Vain To Search For Truth / But These Things Can Still Be Given / Your Love Has Shown Me Proof’.

Het album is klaar. Het is slechts een gering konkreet beeld van wat er in Rush leeft. Om bijvoorbeeld de sfeer optimaal te proeven is A Farewell To Kings gedeeltelijk buiten de studio in de open lucht opgenomen, wat volgens de jongens zelf een hele aparte ervaring was. Een goed beeld van de omstandigheden geeft de groepsfoto op de hoes, die op mijn aanraden genomen is in Clearwell Castle, een zeer fraai nog bewoond kasteel dat op ongeveer dertig kilometer van Monmouth ligt.

Rest mij nog te vermelden dat de opnametechniek en de geluidskwaliteit als zeer goed te kwalificeren zijn, geheel volgens de Rush-traditie. Fase II van Rush is indrukwekkend van start gegaan met Neil Peart als captain en Rush als crew. A Farewell To Kings is de minst toegankelijke elpee van de vijf, maar des te dankbaarder werkstuk voor de veeleisende liefhebber. To Be Continued.
Kees Baars’
En zo rijgen zich de eeuwen aaneen. Hiermee wil ik dit speciale, maar weer lang geworden bericht van vandaag besluiten, op deze inmiddels meer dan honderdduizend keer bezochte weblog.
.

3 opmerkingen:

John Wervenbos zei

Gefeliciteerd Michel. Ben zeker ook wel geïnteresseerd in de Engelse en Amerikaanse cultuur en haar cultuurvertegenwoordigers. Het feit ik me in toenemende mate in Goethes leven en werk verdiep maakt me bepaald nog geen Germanist. Zal onder andere nagaan hoe Steiner Coleridge positioneert (bijvoorbeeld bladzijde 27 en 28 in GA 33). De cultuur van de bewustzijnsziel en het Britse volk staan volgens Steiner direct met elkaar in verband. Moet er over nadenken. Ben überhaupt van plan binnenkort in mijn digitale notitieboekje iets naders te schrijven (enige aanduidingen) over bewustzijnszieleontwikkeling en opname en verwerking van antroposofische inhouden. Goed muziekstuk van Rush.

John Wervenbos zei

Hier een voorbeeld van mijn interesse in Engelse en Amerikaanse cultuur en cultuuruitingen met een oud VKbericht van op Polyhymnia: Sylvia Plath in perspectief. Bevat een mooie video-opname van een goed gedicht van deze dichteres. Coleridge komt daar ook in voorbij. Heb trouwens ook nog een ander VKblog lopen in die VK Antroposofie Groep. Tot nu toe nog maar één artikel in geplaatst: Metamorfosen van etherhypothese gerelateerd aan wetenschapsleer geplaatst in historisch kader.

Adri zei

Beste Michel,

Ik was het weekend weg en lees nu pas je Blogberichten van de afgelopen dagen. Prachtig die documentatiesite van vandaag zeg!

Maar ook van harte gefeliciteerd met de 100.000 bezoekers!
Het geeft wel aan dat je met dit initatief een gat in de markt hebt gevonden.
Ga zo door. Ik volg je trouw en heb dat ook nodig om "aangehaakt" te blijven.

Hartelijke groet,

Adri

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Volgen op Facebook


Translate

Volgers

Herkomst actuele bezoeker(s)

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code

Gezamenlijke antroposofische agenda (in samenwerking met AntroVista)