Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

zaterdag 21 november 2009

Vijfhonderd

Zaterdag 21 november vandaag; een heuglijke dag. Want dit is mijn vijfhonderdste bericht, sinds het begin van deze weblog op 1 mei 2008 (met foto 201 in deze reeks van een wandeling in de buurt van de Reeuwijkse Plassen, waar ik er wel een paar uit heb gelaten, maar die voorlopig zeker nog niet is afgelopen). Bovendien, en dat mag ook wel weer eens hardop gezegd worden, liegen de feitelijke gegevens er niet om. De Sitemeter (helemaal onderaan, net boven het ‘Blogarchief’) geeft aan:

‘Visits
Total 45,629
Average Per Day 143
Average Visit Length 2:15
Last Hour 13
Today 120
This Week 1,003’

Ik bedoel maar; dit is niet slecht, voor zo’n ‘niche-markt’. Voordat ik overga op het onderwerp dat bij zo’n jubileumaantal hoort, en dat in de lijn ligt van Honderd’ (op zaterdag 23 augustus 2008) en ‘Tweehonderd’ (op maandag 1 december 2008) – daarna heb ik die honderdtallen niet meer gemarkeerd, een uitstapje naar de weekspreuk van deze week. Iets soortgelijks deed ik ook al 19 september in ‘Zelfzin’. Ik haalde die van die 24e week na Pasen aan en schreef vervolgens, voordat ik op de inhoud ervan inging:

‘Zo luidt de weekspreuk van deze week, gemunt door Rudolf Steiner in 1912. De vertaling door Wijnand Mees stamt uit het boekje Meditaties voor de weken van het jaar uit 2000. Er is inmiddels ook een tweede druk uitgekomen. Of die ook is nagezien, weet ik niet. Dit is namelijk een lastige spreuk. Dat zijn de meeste spreukteksten van Steiner wel, maar ze hebben ook een bepaalde helderheid, die zo mooi geïllustreerd wordt in het nawoord bij het boek “Gedichten, spreuken, meditaties”, waar ik het hier al eens eerder over gehad heb (op 23 augustus 2008 in “Honderd” bijvoorbeeld).’

Deze week is het de 33e week na Pasen. Dat is een dramatische week (dat was trouwens op deze webleg aan verschillende berichten ook wel te merken). In de vertaling van Wijnand Mees in het genoemde boekje luidt deze spreuk ditmaal:

‘Zo voel ik pas de wereld
die zonder medeleven van mijn ziel
op zich een leeg en ijzig leven
en machteloos zich openbarend,
in mijn innerlijk zich echter zelf herscheppend,
op zich de dood slechts vinden zou.’

Hier stuit je meteen in de tweede helft op een probleem. De zinsnede ‘in mijn innerlijk zich echter zelf herscheppend’ past niet goed bij de rest. Het gaat over een wereld die, wanneer deze alleen achtergelaten wordt, ten gronde moet gaan. Dat wil je die wereld niet aandoen, en in die zin wekt deze spreuk een tegengestelde reactie op. Maar te midden van de schildering van dat schrikbeeld, ‘op zich een leeg en ijzig leven / en machteloos zich openbarend, / (...) / op zich de dood slechts vinden zou’, komt opeens een zin die het tegendeel lijkt te willen aangeven, de al genoemde: ‘in mijn innerlijk zich echter zelf herscheppend’. Maar daar is binnen dit kader nog helemaal geen aanleiding toe. Het verstoort het geschapen beeld. Dus: hoe zit dit?

Ik pak er de vertaling van Doorlie Gerdes bij, uit ‘Antroposofische weekspreuken’ van Uitgeverij Vrij Geestesleven uit 1979 (dertig jaar geleden!):

‘Zo beleef ik pas de wereld,
die zonder medeleven van mijn ziel
op zich een kil leeg leven voert
en zonder macht zich openbarend,
in zielen zich steeds weer vernieuwend,
in zich de dood slechts vinden zou.’

Hier wordt in feite dezelfde indruk gewekt: een wereld die ‘op zich een kil leeg leven voert / en zonder macht zich openbarend, / (...) / in zich de dood slechts vinden zou.’ Tenzij ‘in zielen zich steeds weer vernieuwend’.

Ik kan weer dezelfde beweging maken als op 19 september, en dus ook te rade gaan bij Wilfried Nauta en zijn elektronische weekspreukenkalender op Antrovista, waar ik op 24 juni in ‘Johannesfeest’ over schreef. Hij maakt ervan:

‘Zo beleef ik pas de wereld,
die zonder het medeleven van mijn ziel
in zichzelf slechts ijzig leeg leven,
en zich openbarend zonder de macht
om zich in zielen opnieuw te scheppen,
in zichzelf de dood slechts zou vinden.’

En ja, zo klopt het dan eindelijk wel. Het machteloze kan zich ook uitstrekken over de mogelijkheid tot herschepping van de wereld in de eigen ziel. Dan is het einde zoek; zo is het bedoeld. Dat leert ook het Duits:

‘So fühl ich erst die Welt,
Die ausser meiner Seele Miterleben
An sich nur frostig leeres Leben
Und ohne Macht sich offenbarend,
In Seelen sich von neuem schaffend,
In sich den Tod nur finden könnte.’

Het is een vrij logische gevolgtrekking; het is niet goed te begrijpen waarom die fout in de vertaling van Wijnand Mees staat. Die overigens met een lichte variant ook zo in de uitgave ‘Gedichten, spreuken, meditaties’ van de Rudolf Steiner Vertalingen is opgenomen. – Dat brengt me meteen op de eigenlijke inhoud van deze vijfhonderdste aflevering van ‘Antroposofie in de pers’. Op zondag 2 november 2008 maakte ik in ‘Alle zielen’ melding van de verschijning van

de laatste Nieuwsbrief (nr. 19) van de Rudolf Steiner Vertalingen. Deze werd meegestuurd met de novemberuitgave van Motief, maandblad voor antroposofie, maar staat nu ook al op de website van de Rudolf Steiner Vertalingen.’

Ook dit jaar is er weer zo’n Nieuwsbrief (nr. 20 dus) uitgekomen, die inderdaad bij Motief nr. 134 van november 2009 was ingestoken. Intussen is deze nieuwsbrief in pdf-vorm ook op de website van de Rudolf Steiner Vertalingen geplaatst. En dat biedt mooi gelegenheid om daar het volgende gedeelte op de bladzijden 10 tot en met 12 uit over te nemen, onder de titel ‘Inzicht in het mysterie van Golgotha’. Hiermee wordt niet zozeer achteruit, maar juist vooruit gekeken, wat me bij deze vijfhonderdste wel een aardige gedachte leek:

Het eerstvolgende boek dat in het voorjaar van 2010 in de Werken en voordrachten – Nieuwe reeks zal verschijnen, is de vertaling van elf voordrachten uit GA 175: Bausteine zu einer Erkenntnis des Mysteriums von Golgatha. Uit deze vertaling, die de titel Inzicht in het mysterie van Golgotha zal krijgen, volgt hieronder een fragment.

Het hoofdthema van deze voordrachten is de inslag die het ‘mysterie van Golgotha’ in de ontwikkeling van de mensheid heeft betekend. Ditmaal benadert Rudolf Steiner deze inslag niet zozeer esoterisch – zoals hij bijvoorbeeld in Wegen naar Christus heeft gedaan – maar onderzoekt hij vooral wat de historisch bekende feiten weerspiegelen.

‘Ziet u, ik heb u [in deze voordrachten] vaker over dat karakteristieke, opmerkelijke feit verteld, dat de eerste Romeinse keizers in zekere zin de initiatie voor zichzelf hadden afgedwongen. Ik heb u verteld dat bepaalde handelingen van de Romeinse keizers met name onder invloed daarvan plaatsvonden: onder invloed van het feit dat zij de initiatie voor zichzelf hadden afgedwongen en daardoor bepaalde dingen wisten die met de gebeurtenissen op het wereldtoneel, met de grote impulsen achter die gebeurtenissen samenhingen – waarbij zij natuurlijk, zoals we de laatste keer hebben gezien, die initiatiegeheimen voor hun eigen doeleinden misbruikten. [...]

Nu doet zich het eigenaardige verschijnsel voor dat juist de Romeinse keizers, die dus van bepaalde dingen, bepaalde geheimen van de geestelijke wereld op de hoogte waren omdat zij de initiatie voor zichzelf hadden opgeëist – dat deze Romeinse keizers tot op zekere hoogte zonder meer, juist door hun initiatie, een vermoeden hadden van de enorme, verreikende betekenis van de Christus-impuls. Vanzelfsprekend waren er onder die Romeinse keizers figuren die, hoewel ze zich met geweld de initiatie hadden verschaft, niet zoveel van die geheimen begrepen. Maar er waren er ook die er zoveel van begrepen dat ze de werkzaamheid, de kracht van het Christusmysterie konden aanvoelen. En juist de meer begaafden onder de geïnitieerde keizers, degenen die een groter inzicht aan de dag legden, zij begonnen nu een bepaalde politiek te volgen ten aanzien van het zich uitbreidende christendom. Zelfs de eerste keizer na Augustus, Tiberius, is daar al mee begonnen. Natuurlijk zou men kunnen tegenwerpen dat toen het christendom nog nauwelijks verbreid was. Maar die tegenwerping geldt niet. Want Tiberius, als tot op zekere hoogte in de oude mysteriën ingewijde, wist heel goed dat het om een belangrijke zaak ging, toen hem vanuit Palestina was gemeld wat daar als Christus-impuls in de wereld was gekomen. Daarom moeten we toch wat nader bekijken hoe al onder Tiberius een bepaalde politiek is begonnen die de geïnitieerde Romeinse keizers ten aanzien van het christendom gevolgd hebben. Tiberius heeft namelijk kenbaar gemaakt dat het zijn wil was om Christus op te nemen als een van de goden onder de andere Romeinse goden.

Het Romeinse wereldrijk volgde, zoals bekend, inzake de godenverering een heel bepaalde politiek. In de kern bestond die politiek hierin, dat wanneer de Romeinen de overwinning hadden behaald over een volk, het veroverd hadden, ze dan ook de goden van dat volk in hun goden-Olympus opnamen. Met andere woorden, ze zeiden: deze goden mogen ook vereerd worden, en ze zijn nu aan het totaal van onze goden toegevoegd. Zij hadden dan in hun godenfamilie een paar nieuwe goden opgenomen, en op die manier hadden zich in de loop van de tijd de Romeinse goden zelf vermenigvuldigd. Dat was in zekere zin de politiek die de Romeinse heersers volgden, de politiek om alles wat ze wilden veroveren werkelijk ook met zijn geestelijke, zijn innerlijke kant in te lijven. En omdat met name zo’n geïnitieerde keizer geen moment op de gedachte kwam om in die goden alleen uiterlijke beelden te zien, geen moment op de gedachte kwam om in die goden alleen dat te zien wat het volk in hen zag, maar omdat hij wist dat achter alles wat in die godenbeelden voorgesteld werd, wel degelijk geestelijke machten stonden uit de meest verschillende hiërarchieën, daarom was deze politiek volkomen begrijpelijk en verklaarbaar. [...]

Tiberius wilde dus bereiken dat ook de kracht van Christus, zoals hij zich die voorstelde, eenvoudig werd ingevoegd in de impulsen die uitgingen van de andere door hem en zijn volkeren erkende goddelijke machten. De Romeinse senaat verijdelde deze opzet van Tiberius, en de zaak ging niet door. Maar steeds opnieuw hebben de geïnitieerde keizers hetzelfde geprobeerd. [...]

We kunnen zeggen: het was de Romeinse keizers wel goed uitgekomen als zij wat daar optrad, wat echter de essentie van hun maatschappelijke orde ontkende, in het pantheon van hun goden hadden kunnen scharen, als een nieuwe god in de kring van hun vele andere goden. Want daarmee was hij, de Christus-god, achter wie zoveel diepers schuilgaat, om het triviaal te zeggen een van de hunne geworden. Maar deze Romeinse keizers zouden merken dat ze het niet makkelijk kregen met wat daar uit geestelijke hoogten naar hen toe was gekomen.

Wanneer krachten van de initiatie zo sterk uiterlijk werkzaam zijn als ze uiterlijk werkzaam moeten zijn, wanneer het eenvoudig een ijzeren wet is geworden dat keizers geïnitieerd moeten worden, zoals dat na Augustus in Rome het geval was, dan werken natuurlijk bij alles wat die keizers uiterlijk ondernemen belangrijke krachten mee. Ze werken zogezegd door in de maatregelen, in de impulsen waardoor de maatschappij wordt vormgegeven. En dan komen de intenties sterker tevoorschijn dan dit bij gewone, niet geïnitieerde mensen het geval is.

Want laten we eens aannemen dat zo’n keizer die door de initiatie was aangeraakt zou hebben gezegd – ik bedoel, laten we dat bij wijze van hypothese aannemen: “Kijk, de Doper is opgetreden met de waterdoop. Door die waterdoop werd het etherlichaam losser gemaakt” – vanzelfsprekend wisten die geïnitieerde keizers dat –, “daardoor kregen de dopelingen inzicht in de innerlijke constellatie van de geestelijke wereld, ze wisten vooral dat zich nu in de kosmos een omslag voltrekt.” Want dat wisten degenen die gedoopt waren door de onderdompeling in water. Doordat hun etherlichaam werd losgemaakt kenden zij het geheim van de kosmische omslag. En stelt u zich voor dat zo’n geïnitieerde keizer had gezegd: “Ik wil de strijd aanbinden” – dat kwam in de mysteriën voor – “ik wil de strijd aanbinden met wat bij die kosmische omslag zijn intrede heeft gedaan.” Van het machtsstreven van deze keizers moeten we ons vooral geen te lichte voorstelling maken. Die kwamen niet op het idee dat ze misschien machteloos waren tegenover de wil van de goden, integendeel – daarom lieten ze zich tenslotte initiëren – die besloten echt het tegen de geestelijke, kosmische impulsen op te nemen, zich als het ware tegen de gang van de kosmos te keren. Dat is in andere tijden ook gebeurd, gebeurt ook tegenwoordig. Alleen merken de mensen het tegenwoordig niet, ze weten het niet.

Nu is in de lijn van de hypothese die ik heb opgesteld het volgende gebeurd. Licinius, die ten tijde van Constantijn meeregeerde over het andere deel van het rijk, had ongeveer het gevoel dat hij tegen de goden in het krijt moest treden. Hij wilde een teken verrichten, want met zulke tekens, cultische, rituele tekens, wordt als het ware de strijd tegen de geestelijke machten uitgedrukt. Hij wilde een cultisch teken verrichten, om daarmee in de uiterlijke, fysieke wereld te manifesteren: “Ik ga de strijd aan!” Hij wilde – om het met andere woorden te zeggen – de doop, waardoor de boodschap in de wereld was gezet: “De kosmische omslag is gekomen!”, voor aller ogen bespotten en daarmee het christendom bestrijden, de christelijke impuls zijn kracht ontnemen. Daarvoor werd een speciaal feest op touw gezet, een feestvoorstelling te Heliopolis. Een toneelspeler, Gelasinus, moest zich in een wit doopkleed laten onderdompelen in warm water. Dat moest als schouwspel worden opgevoerd, om de spot te drijven met de christelijke doop. Wat gebeurde er? Gelasinus werd dus in een priesterlijk wit kleed gehuld, werd ondergedompeld in het warme water, werd eruitgetrokken – en moest nu het mikpunt van spot zijn. En wat gebeurde er? Welnu, hij zei: “Nu ben ik christen, en dat zal ik blijven met alle krachten van mijn ziel!” Dat wil zeggen, Licinius had antwoord gekregen van de geestelijke wereld: in plaats van de bespotting van de doop was de werking van de doop opgetreden. De dopeling had de kosmische omslag herkend. Zo’n geïnitieerde keizer als Licinius nam het dus op zich om de goden vragen te stellen, om met goden te strijden, en incasseerde het afwijzende antwoord.’

1 opmerking:

Adri zei

Ha Michel,

Ik was nog vergeten je te feliciteren met je 500e bericht. Bij deze!
Een geweldige prestatie.
Ik ben van plan ook de volgende 500 te gaan lezen. Ga zo door dus.

Groet,

Adri

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Volgen op Facebook


Translate

Volgers

Herkomst actuele bezoeker(s)

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code

Gezamenlijke antroposofische agenda (in samenwerking met AntroVista)