Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

maandag 10 mei 2010

Inside information

Dat was even schrikken, afgelopen zaterdag bij mijn bericht ‘Oneindig’. Ik had diverse onderwerpen aangesneden, maar er was er één bij dat een bijzondere reactie opriep. Dat betrof de bijensterfte. Ik had het interview met Jørn Copijn in VA-Magazine aangehaald, waarin deze het over nieuwe nicotinemiddelen, de neonicotinoïden, heeft en die als grootste gevaar voor de bijen betitelt. ‘Hij klaagt erover dat farmagigant Bayer door de Nederlandse overheid niets in de weg wordt gelegd’, voegde ik eraan toe. Naar aanleiding hiervan had ik een vraag:

‘Dat betreft die Wageningse bijenonderzoekers. Zijn dat degenen die achter “Bijensterfte, oorzaken en gevolgen” zitten, of gaat het om anderen?’

Die website had ik net al googlend ontdekt, maar kon hem nog niet goed plaatsen. Wel zag ik dat die geen banden met Wageningen, maar met de Universiteit van Utrecht heeft. – Die avond 8 mei 2010 om 21:40 kwam hier een reactie op, door ‘Anoniem’, die dit verhelderende commentaar gaf:

‘De Wageningse bijenonderzoekers zijn: http://www.bijen.wur.nl/. Het probleem is het volgende: Bijenwur is hofleverancier van kennis over bijensterfte aan het Ministerie LNV en toelatingsinstantie Ctgb (College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en biociden), heeft opmerkelijk nauwe banden met de producent van imidacloprid Bayer Cropscience. Imidacloprid is het best verkochte product van Bayer Cropscience met een jaarlijkse wereldwijde verkoop van meer dan een half miljard euro. Een kleine bloemlezing van de treurige feiten:

“Het ecotoxicologisch onderzoek van bijen@wur wordt meestal in opdracht van de industrie uitgevoerd. Hierover wordt dan ook niet gepubliceerd tenzij de opdrachtgever hiervoor toestemming geeft.” zie: http://www.pri.wur.nl/NL/onderzoek/onderzoeksthemas/Gewasbescherming/bestuivers/

bijen@wur valt onder Plant Research International, die op zijn beurt nauwe banden heeft met Bayer: http://www.pri.wur.nl/NL/nieuwsagenda/archief/nieuws/2007/Samenwerking_met_Bayer_BioScience.htm

Prof. Paul van den Brink, wiens leerstoel ook door Bayer en Syngenta wordt betaald, bazuint in NL de Bayer strategie voor oppervlaktewater kwaliteit rond, namelijk semi-veld onderzoek, dat natuurlijk veel minder gevoelig is dan laboratorium onderzoek, waardoor veel soepelere waterkwaliteitsnormen zullen ontstaan.

Paul van den Brink is weer een vriendje van Bart Bosveld, de huidige secretaris (zeg maar directeur) van het CTGB. Beide jongens hebben hun carriere gemaakt dankzij de Society of Environmental Toxicology and Chemistry (SETAC), een wetenschappelijke organisatie waarin een medewerker van Bayer Crop Science, Fred Heimbach, een bepalende rol speelt. Van den Brink publiceert regelmatig met Heimbach. Bayer financiert ook via een wetenschappelijke samenwerking Plant Research International (PRI) van Wageningen UR, waar Tjeerd Blacquière werkt, vandaar dat uit zijn mond geen kwaad woord over neonicotinoïde insecticiden zal komen.

Bayer is er dus in geslaagd ter verdediging van imidacloprid haar welgenegen personen op sleutelposities in de Nederlandse bestrijdingsmiddelenwereld te krijgen.’

Dat zijn verbijsterende gegevens. Het lijkt verdacht veel op inside information, gezien de gedetailleerdheid en concreetheid ervan. Maar die moet op haar waarheidsgehalte natuurlijk wel nagetrokken worden. Dat is een aardig werkje, zeker als je niet goed in de materie bent ingevoerd. De eerste vraag is: zijn deze gegevens ook elders te vinden? Om te beginnen ben ik teruggegaan naar die website over bijensterfte. Men schrijft daar over zichzelf:

‘Aanleiding was de brief in NRC van 2 mei 2009.’

Die zinsnede had ik in mijn bericht al aangehaald. Maar niet de inhoud. Dat doe ik nu. De titel op de website luidt ‘Nederlands toelatingsbeleid nieuwe generatie insecticiden verzuimt bijenvolken te beschermen’:

‘De sterfte van complete bijenvolken bij Nederlandse imkers – waarbij niet enkele bijen maar het hele volk in een bijenkast verdwijnt – is de afgelopen zes jaar verdubbeld. Ook elders in Europa en de Verenigde Staten neemt bijensterfte alarmerend toe. In delen van China moeten fruittelers al noodgedwongen met de hand bestuiven. Gevolgen van de wereldwijde bijensterfte voor landbouw en natuur kunnen catastrofaal zijn. Terecht wordt gesproken van een dreigende wereldwijde bestuivingscrisis.

Wetenschappers komen met uiteenlopende verklaringen. De Wageningse bijenonderzoeker Tjeerd Blacquière schrijft de Nederlandse bijensterfte vooral toe aan ziekteverwekkers, met als belangrijkste de varroamijt. Spaanse onderzoekers zien de oorzaak in de opmars van een eencellige parasiet: Nosema ceranae. Maar zijn deze ziekten oorzaak of gevolg? Biodiversiteitsonderzoekster Laura Maxim van de Universiteit van Versailles promoveerde onlangs summa cum laude op de controversen over bijensterfte in Frankrijk. Ze interviewde wetenschappers en bijenhouders. Franse bijenhouders rapporteren consistent dat ziektes zoals varroa toenamen in gebieden waar het systemische insecticide Gaucho (werkzame stof Imidacloprid, een neonicotinoide) werd gebruikt.

Deze nieuwe generatie gewasbeschermingsmiddelen pas je niet toe door bespuiting in het open veld, maar door het dompelen van zaden in een fabriek. Neonicotinoiden zijn al in minieme concentraties giftig voor insecten en zijn niet giftig voor andere soortgroepen zoals vogels en zoogdieren. Na het zaaien wordt de werkzame stof in de gehele plant (systemisch) opgenomen en biedt langdurige bescherming tegen etende en zuigende insecten. Uit milieuoogpunt lijkt het een ideaal gewasbeschermingsmiddel. Je hebt er veel minder van nodig en het komt alleen daar terecht waar het werkzaam moet zijn. De adder onder het gras is dat het ook giftig is voor nuttige insecten. De werkzame stof komt onverhoopt ook in stuifmeel en nectar terecht. Bijen eten stuifmeel en nectar en worden zo blootgesteld.

Het Franse Comité Scientifique et Technique dat wetenschappelijk adviseert over de toelating van gewasbeschermingsmiddelen, stelde in 2003 vast dat imidacloprid mede verantwoordelijk is voor de massale bijensterfte in Frankrijk. De sleutel ligt bij de neurotoxische effecten van blootstelling beneden de dodelijke dosis. Zonder er acuut aan te overlijden verliezen blootgestelde werkster-bijen hun oriëntatievermogen, vinden de korf steeds moeilijker terug en kunnen daardoor minder goed hun taak volbrengen om het bijenvolk van voedsel te voorzien. Het volk raakt ondervoed en wordt vatbaarder voor ziekten en plagen. Zulke chronische en stapelende effecten worden niet gesignaleerd door de huidige toxiciteittests waarop toelating van bestrijdingsmiddelen is gebaseerd, omdat die alleen de acute sterfte van individuele bijen meten.

Na het Franse verbod op het gebruik van Imidacloprid in de zonnebloemteelt in 1999 nam de varroa pas na enkele jaren weer af. Een verklaring werd later gevonden door Franse wetenschappers: Imidacloprid wordt in de bodem minder snel afgebroken dan voorzien en navolgende gewassen nemen het zeer efficiënt op. Precies op die eigenschap is deze nieuwe generatie insecticiden ontwikkeld. De hypothese dat neonicotinoiden de vatbaarheid voor varroa en andere ziektes kan verhogen lijkt door de Wageningse onderzoekers over het hoofd gezien.

Niet alleen in Frankrijk, maar ook het Duitse overheidsinstituut Julius Kühn vond de vele aanwijzingen voor de schadelijkheid voor bijen overtuigend genoeg om de introductie van het systemische insecticide clothianidine als schuldige aan te wijzen voor het daarop volgende massale verlies van 11.500 bijenvolken in de deelstaat Baden-Württemberg in 2008. De producent Bayer betaalde 2 miljoen euro compensatie aan imkers en de Duitse regering trok de toelating van alle clothianidine producten in. Ook Italië en Slovenië hebben imidacloprid en clothianidine producten inmiddels verboden. In Groot Brittannië deed eerder dit jaar supermarktketen en landbouwbedrijf Co-op alle neonicotinoiden uit voorzorg in de ban.

In Nederland daarentegen heeft het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB) de gebruiksmogelijkheden van deze stoffen gestaag verruimd voor insectenbestrijding in ca. acht opeenvolgende besluiten tussen 2006 en 2009: ter bestrijding van alle soorten kakkerlakken in gebouwen en transportmiddelen; voor zaadbehandeling voor tal van groenten; ter bestrijding van larven van meikever en langpootmug; in de teelt van appels en peren, bloembollen, voor vruchtgroenten, kamerplanten en sierbloemen in de kas; in mierenlokdozen, in de teelt van pootaardappelen, ter bestrijding van diverse mierensoorten, en voor de behandeling van zaden van suiker- en voederbieten.

In Frankrijk, Duitsland Italië, Slovenië en Engeland is het voorzorgprincipe leidend geweest bij de bescherming van bijenvolken. Het voorzorgsprincipe is één van de uitgangspunten van Europese milieuwetgeving: als er substantiële aanwijzingen bestaan dat een nieuwe technologie of activiteit ernstige effecten kan hebben op het milieu, krijgt het milieu het voordeel van de twijfel en moeten risicobeperkende maatregelen volgen ook al is er nog sprake van wetenschappelijke onzekerheid over de risico's. Het Nederlandse toelatingsbeleid van systemische insecticiden druist in tegen het voorzorgsprincipe en kan leiden tot verdere ineenstorting van de bijenstand, wat grote gevolgen zou kunnen hebben voor de Nederlandse land- en tuinbouw.

Dr. Jeroen P. van der Sluijs is Universitair Docent nieuwe risico’s aan de Universiteit Utrecht (Copernicus Instituut) en gasthoogleraar aan de Universiteit van Versailles.
Dr. Ir. Henk A. Tennekes, toxicoloog en directeur van ETS Nederland BV (www.toxicology.nl) te Zutphen.
Meer informatie: Achtergrond bij dit bericht op de UU website

U ziet, het is vrijwel van dezelfde inhoud als de reactie op mijn bericht van zaterdag. Ze komen in grote lijnen overeen. Maar wat had dit nu met NRC Handelsblad van doen? Enig zoeken leerde mij dat dit oorspronkelijk een ingezonden brief was in het wetenschapskatern van NRC Handelsblad op zaterdag 2 mei 2009, die trouwens behoorlijk was ingekort – bovenstaande is een uitvoeriger versie – als reactie op een artikel in de wetenschapsbijlage van 18 april 2009, twee weken eerder dus, van Jop de Vrieze, met als titel ‘Het mysterie van de verdwenen bijen’. Aanleiding voor het artikel was een Spaans onderzoek dat die maand in Environmental Biology Reports verschenen was, dat de oorzaak van de bijensterfte zocht in de Nosema ceranae, een venijnige eencellige parasiet uit Azië. Het artikel is op de website van NRC Handelsblad niet openbaar toegankelijk. Maar via de omweg van de ‘Imkersvereniging ABTB afdeling Lichtenvoorde’ is het wel in te zien: ‘Het mysterie van de verdwenen bijen lees verder>>> Uit NRC – Job de Vrieze’. In het artikel komen we ook de in de reactie van zaterdag genoemde Tjeerd Blacquière tegen:

‘Ook de Wageningse bijenonderzoeker Tjeerd Blacquière is nog niet overtuigd dat N. ceranae de enige oorzaak van de verdwijnziekte is. Hij rapporteerde in januari aan het ministerie van Landbouw dat de bijensterfte in Nederland de afgelopen zes jaar twee keer zo hoog was als voorheen, ruim 20 procent. Blacquière blijft erbij dat de varroamijt de grootste boosdoener is: “Imkers geloven liever in het verhaal van N. ceranae, omdat dat hun overkomt. Is het toch de varroamijt, dan hebben ze zelf iets verkeerd gedaan; we weten immers hoe we die moeten bestrijden.”

Binnen de imkerij gaan ook stemmen op om helemaal niet te bestrijden en de bijen zelf te laten strijden tegen hun belagers. Laat de evolutie haar werk doen! Blacquière heeft zijn bedenkingen: “Het probleem is dat het plagen van buitenaf zijn, exoten. Ook Darwin zag dat zulke razendsnelle invasies kunnen leiden tot uitsterven.”

Blacquière denkt dat de nieuwe parasiet het effect van de varraomijt kan versterken, maar toch wil hij niet massaal antibiotica tegen N. ceranae toepassen. “Daarvoor weten we nog te weinig van het beestje. En het is toch ook een chemisch middel, dat mensen niet in de honing willen hebben.” Dat valt volgens de Spanjaarden mee. Meana: “Bij de manier waarop wij het toepassen, blijft geen antibioticum achter in de kast of op stuifmeel.” (...)

Blacquière: “Ik denk niet dat de vegetatie het acute probleem is. In de stedelijke gebieden gaat het goed en ook de bermen bloeien nog volop. Maar op het agrarische platteland is het inderdaad wel kommer en kwel. En inderdaad: een stuifmeelgebrek maakt bijen vatbaarder voor infecties als N. ceranae.”’

NRC Handelsblad heeft vrij veel aandacht besteed aan de bijensterfte, vooral in het wetenschapsdeel. Maar helaas is niet veel daarvan vrij toegankelijk. Wel echter ‘Bijensterfte blijkt bijna verdubbeld’ van 3 februari 2009:

‘De sterfte van bijenvolken bij Nederlandse imkers was de afgelopen jaren bijna twee keer zo hoog als daarvoor. Bijen hebben meer last van allerlei infecties. Imkers, voor wie bijen houden bijna altijd een hobby is, hebben niet voldoende kennis om daarmee om te gaan.

Dat concluderen onderzoekers van de Wageningen Universiteit. Zij deden in opdracht van het ministerie van LNV onderzoek naar bijensterfte in Nederland en publiceerden daarover vorige week een rapport. Een voldoende aantal bijenvolken is belangrijk voor de tuinbouw, met name om in mei de boomgaarden te bestuiven. Ook in de natuur worden planten bestoven door bijen uit bijenkasten.’

Even verderop komt Tjeerd Blacquière weer om de hoek kijken:

‘Allerlei ziekteverwekkers kunnen de bijen verzwakken. De belangrijkste plaag is de van oorsprong Aziatische varroamijt. Die dook in de jaren tachtig van de vorige eeuw in West-Europa en de VS op en is sindsdien niet meer verdwenen. Bijenonderzoeker Tjeerd Blacquière: “Door de varroamijt worden bijen ook gevoelig voor andere ziektes.” De bijen verzwakken volgens de onderzoekers ook doordat er minder bloemen bloeien in bermen en weides. “Soms is er wekenlang niet veel te halen.”

Telers van appels, peren, kersen en pruimen in Nederland zijn voor de bestuiving afhankelijk van de achtduizend hobbyimkers, vaak ouderen. Twintig beroepsimkers zorgen voor de bestuiving van kasgroente, en in de zaadteelt. Al bijna vijftien jaar zeggen bijenkenners dat hobbyimkers niet professioneel genoeg werken. Dat probleem is nu urgenter geworden. Imkers zijn door de ziektes bovendien meer geneigd om met hun hobby te stoppen, waardoor het aantal bijenvolken verder afneemt. Het aantal volken daalt al decennia door het overlijden van imkers.’

Op dezelfde datum van 2 mei 2009 waarop de ingezonden brief van De Vries en Tennekes werd geplaatst, kwam ook BN De Stem met een bericht met geheel dezelfde strekking, ‘Verbod nieuwe insecticiden’ getiteld, dat echter op 10 december 2009 voor het laatst is bijgewerkt:

‘Nederland moet de nieuwe generatie insecticiden, de zogeheten neonicotinoïden, verbieden. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat dit soort insecticiden de snel stijgende bijensterfte veroorzaakt. Dat levert niet alleen veel schade op voor imkers, maar bedreigt ook de Nederlandse fruitteelt.

Dat stellen de Utrechtse hoogleraar Jeroen van der Sluijs en toxicoloog Henk Tennekes. Volgens Van der Sluijs heeft Nederland deze groep insecticiden de afgelopen jaren veel te ruim toegelaten. In Frankrijk zijn ze al sinds 2003 verboden na massale bijensterfte. Duitsland, Italië en Slovenië hebben het Franse voorbeeld inmiddels gevolgd.

Volgens onderzoek van de Wageningse Universiteit is de sterfte van Nederlandse bijenvolken in zes jaar tijd verdubbeld. De toenemende bijensterfte vormt een bedreiging voor de fruitteelt. Bijen zorgen voor de broodnodige bestuiving van bloeiende fruitbomen. “Zonder voldoende bijen gaat de Nederlandse fruitteelt eraan”, zegt Van der Sluijs.

De deskundigen menen dat kritisch gekeken moet worden naar de toelatingsprocedures voor insecticiden. Uit de bestaande testen is namelijk niet gebleken dat dit soort bestrijdingsmiddelen zeer schadelijk zou zijn voor bijen. “Ze zijn niet acuut dodelijk voor individuele bijen, maar ze verstoren wel het oriëntatievermogen. Daardoor vinden bijen hun weg naar huis niet meer terug of slechts met grote vertraging. Uiteindelijk zorgt dat ervoor dat hele bijenvolken verdwijnen”, zegt hoogleraar Van der Sluijs. Ook zijn er steeds meer aanwijzingen dat de nieuwe generatie insecticiden de weerstand van bijen ondermijnt, waardoor ze gevoeliger worden voor parasieten.

Een woordvoerder van boerenorganisatie LTO Nederland zet “grote vraagtekens” bij de conclusies van de twee deskundigen. “Het gaat om stoffen die al meer dan 10 jaar zijn toegelaten. Volgens recent onderzoek van de Wageningse Universiteit zijn er mogelijk andere factoren in het spel. En op Europees niveau loopt nog een groot onderzoek omdat er nog veel te weinig bekend is over de oorzaken van bijensterfte,” aldus de woordvoerder van de landbouworganisatie.’

Interessant zijn ook de reacties die op dit artikel zijn gekomen. Zo schreef Henk Tennekes op 17 juli 2009:

‘Regio’s met massale bijensterfte (Rijnmond, Groene Hart, regio Amsterdam en Almere) kenmerken zich door extreme normoverschrijdingen van het insecticide imidacloprid in het oppervlaktewater. Dat is geen toeval. Een imidacloprid moratorium is dringend noodzakelijk om bijen en andere insecten te beschermen.’

Dit roept de vraag op wie die Tennekes en Van der Sluijs nu eigenlijk zijn. Terug naar de website over bijensterfte, daar lees ik in het colofon:

‘Deze website is een initiatief van Jeroen van der Sluijs, afdeling Natuurwetenschap en Samenleving, Copernicus Instituut voor Duurzame Ontwikkeling en Innovatie, Universiteit Utrecht, in reactie op vele vragen die kwamen na onze brief in NRC van 2 mei 2009.

Eindredactie: Dr Jeroen van der Sluijs. Universitair Docent nieuwe risico’s aan de Universiteit Utrecht en Gasthoogleraar aan de Universiteit van Versailles. Hij is lid van het Advisory Board van het Europese ALARM project Assessing LArge scale Risks for biodiversity with tested Methods dat in Europa het probleem van de wereldwijde bestuivingscrisis op de agenda heeft gezet. Als tweede promotor was hij betrokken bij het onderzoek van Laura Maxim naar de wetenschappelijke controversen over bijensterfte in Frankrijk. Hij is lead author van het UNESCO COMEST rapport The Precautionary Principle en werkt mee aan de vervolg studie van het Late Lessons from Early Warnings rapport van de European Environment Agency.

Aan deze site werken mee: Dr. Henk Tennekes, Consultant Toxicoloog, Directeur ETS Nederland bv te Zutphen www.toxicology.nl; Dr. Laura Maxim, Biodiversiteitsonderzoeker, Parijs.’

Op 15 augustus 2009 schreef CTGB versoepelt waterkwaliteitsnorm voor imidacloprid na aanvraag van producent’:

‘Het College voor de Toelating van Bestrijdingmiddelen en Biociden (CTGB) is sinds 2006 bevoegd om ook de wettelijke MTR (maximaal toelaatbaar risiconiveau) vast te stellen voor de waterkwaliteitsnorm voor het oppervlaktewater voor het ministerie van VROM. In 2008 werd na een aanvraag van producent Bayer Crop Sciences de wettelijke MTR voor imidacloprid vastgesteld op 67 nanogram per liter, die een factor 5 hoger ligt dan de tot dan toe geldige ad hoc MTR van 13 nanogram per liter. Daardoor zullen vanaf 2008 minder normoverschrijdingen van imidacloprid in het oppervlaktewater worden vastgesteld. De zogenaamde Serious Risk Concentration (SRC) van imidacloprid in water (de concentratie waarbij ernstige ecotoxicologische effecten kunnen worden verwacht) werd vastgelegd op 752 microgram per liter. In een reactie beschrijft toxicoloog Henk Tennekes (www.toxicology.nl) hoe het CTGB met deze wettelijke MTR het risico voor bijen schromelijk heeft onderschat. Imidacloprid concentraties in het oppervlaktewater die 9x of meer boven de wettelijke MTR liggen (zoals in de gehele Randstad zeer regelmatig het geval is) veroorzaken in laboratorium studies sterfte van water insecten. Dit blijkt uit onderzoek van het Canadese National Water Research Institute dat in 2008 werd gepubliceerd. De SRC houdt helemaal geen rekening met de extreme giftigheid van imidacloprid voor waterinsecten en ligt een factor 1000 te hoog.

Het College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (CTGB) is sinds 2006 bevoegd om ook de wettelijke MTR (maximaal toelaatbaar risiconiveau) vast te stellen voor de waterkwaliteitsnorm voor het oppervlaktewater voor het ministerie van VROM. In 2006 is een eerste aanvraag ingediend door Bayer CropSciences bij het CTGB om de wettelijke MTR vast te stellen voor imidacloprid. In 2008 werd de wettelijke MTR voor imidacloprid vastgesteld op 67 nanogram per liter, die een factor 5 hoger ligt dan de tot dan toe geldige ad hoc MTR van 13 nanogram per liter. De zogenaamde Serious Risk Concentration (SRC) van imidacloprid in water (de concentratie waarbij ernstige ecotoxicologische effecten kunnen worden verwacht) werd vastgelegd op 752 microgram per liter, gebaseerd op de gemiddelde NOEC (no-observed-effect-concentration) voor algen, watervlooien (Daphnia) en vissen.

Bronnen:
Aanvraag Bayer CropSciences van 2006: http://www.schonebronnen.nl/page/resultaten/algemeen
Vaststelling Wettelijke MTR en SRC door RIVM in opdracht van CTGB van 2008: http://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/601716018.pdf

Ook hierin herkennen we weer veel van het commentaar zaterdag op mijn bericht. Er staat een reactie onder die ook al van Henk Tennekes is, van 17 augustus, bovendien met een eigen titel en link, ‘Schromelijke onderschatting van gevaar voor insecten’. Het wordt nogal specialistisch, toch geef ik die reactie hier helemaal weer, je kunt niet precies genoeg zijn met zulke wetenschappelijke gegevens. Bovendien blijkt er goed uit hoe officiële (overheids)instanties en -commissies te werk gaan en welke rol de natuur in hun overwegingen speelt:

‘Het CTGB heeft bij de vaststelling van de wettelijke MTR het risico voor water insecten (waaronder bijen, die op oppervlaktewater fourageren) schromelijk onderschat. De MTR werd (met een veiligheidsfactor 10) gebaseerd op een NOAEC (no-observed-adverse-effect-concentration) van 670 nanogram per liter in een uit 1991 daterende 10-dagen test met watermuggen.

Een nieuwere in 2008 gepubliceerde studie van het Canadese National Water Research Institute beschrijft echter dat bij blootstelling van watermuggen aan imidacloprid over een periode van 28 dagen de gemiddelde letale concentratie (LC50) en de concentratie die 25% sterfte veroorzaakt (LC25) werd vastgesteld op respectievelijk 910 en 590 nanogram per liter.

De wettelijke MTR van 67 nanogram per liter ligt dus minder dan een factor 10 lager dan de concentratie die sterfte van water insecten veroorzaakt. De wettelijke MTR wordt in de Randstad in extreme mate overschreden en het is vrijwel zeker dat deze normoverschrijdingen bijensterfte veroorzaken. De SRC houdt helemaal geen rekening met de extreme giftigheid van imidacloprid voor waterinsecten.

De Canadese studie levert tevens sterke aanwijzingen dat de giftigheid van imidacloprid voor insecten kan worden beschreven door de regel van Haber (het toxisch effect hangt af van het produkt van de concentratie van de stof en de blootstellingsduur). Deze waarneming is in overeeenstemming met de irreversibele (onomkeerbare) binding die imidacloprid aangaat met post-synaptische nicotinerge acetylcholine receptoren van insecten (waarop de insecticide werking berust). Chronische blootstelling van insecten aan relatief lage imidacloprid concentraties kan dus een steeds verdergaande blokkade van post-synaptische nicotinerge acetylcholine receptoren tot gevolg hebben met een uiteindelijk dodelijke werking.

De gevolgen zijn dan ook zichtbaar. Dagvlinders en weidevogels nemen in aantal af, en het aantal soorten broedvogels en dagvlinders dat als bedreigd en kwetsbaar op de Rode Lijst staat, is de afgelopen tien jaar toegenomen. Een causaal verband tussen de dramatische neergang van weidevogels en insectenschaarste door milieuverontreiniging met imidacloprid kan niet worden uitgesloten. Graspieper, Veldleeuwerik en Gele Kwikstaart vertonen sinds 2000 in de laagveengebieden van West-Nederland een dramatische jaarlijkse afname van resp. 32%, 23% en 22%. Als die ontwikkeling zich doorzet zal het overgrote deel van deze vogels binnen enkele jaren uit de laagveengebieden van West-Nederland verdwenen zijn.

De publicatie waarop het RIVM in opdracht van het CTGB de wettelijke MTR heeft gebaseerd: http://www.fs.fed.us/foresthealth/pesticide/pdfs/122805_Imidacloprid.pdf
Vaststelling LC50 in 28-dagen test met watermuggen: Stoughton SJ et al. Arch Environ Contam Toxicol (2008) 54:662-673 http://www.springerlink.com/content/74200p4j37374734/fulltext.pdf
Verdere informatie over de extreme normoverschrijdingen van imidacloprid in de Randstad: http://www.bijensterfte.nl/nl/node/74
In de Benelux worden naast bijen ook andere insectensoorten (vlinders en libellen) met uitsterven bedreigd: http://www.bijensterfte.nl/nl/node/119
Buglife rapport over de toxicologie van neonicotionoide insecticiden: http://www.buglife.org.uk/Resources/Buglife/Neonicotinoid%20insecticides...
Verdere informatie over de giftigheid van imidacloprid voor insecten: http://bijensterfte.nl/nl/node/102

Tussen deze twee dagen van 15 en 17 augustus in schreef Henk Tennekes een artikel met de titel ‘Hoogleraar Wageningen UR: “Bepaling kwaliteitsnorm voor oppervlaktewater deugt niet”’. De hoogleraar op wie gedoeld wordt is Paul van den Brink, en dat is degene die in de reactie van zaterdag een cruciale rol krijgt toebedeeld:

‘De huidige methode die het risico van bestrijdingsmiddelen voor het milieu bepaalt, heeft geen enkele ecologische grondslag. Dat stelde bijzonder hoogleraar prof. Paul van den Brink (Chemische stress ecologie aan Wageningen Universiteit) tijdens zijn oratie op 4 december 2008. Volgens prof. Van den Brink is de huidige wetenschappelijke onderbouwing van de norm voor de algemene waterkwaliteit, het Maximaal Toelaatbaar Risico (MTR), niet toereikend om de gevolgen van normoverschrijdingen realistisch in beeld te krijgen. “In de EU-wetgeving is nu opgenomen dat er geen onaanvaardbare effecten mogen optreden, terwijl de verantwoordelijke instanties hebben nagelaten aanvaardbare effecten te omschrijven in termen van kwantificeerbare eindpunten”, aldus Van den Brink. Van den Brink wil dat risicobeoordelaars en mensen van de industrie gezamenlijk de beschermdoelen voor het milieu vastleggen. De buitengewone leerstoel van prof. Van den Brink wordt gefinancierd uit een consortium met onder andere Syngenta, Bayer en Wageningen UR.

De MTR is voornamelijk gebaseerd op resultaten van laboratoriumtests met organismen die onder gecontroleerde omstandigheden in aanraking komen met giftige stoffen, zoals bestrijdingsmiddelen. Methoden die alleen gebruikmaken van de gevoeligheden van individuen van een organisme in een laboratorium voldoen niet, aldus de hoogleraar. Ook zijn ecologische data en theorie nodig.

Onderzoek bij Alterra heeft in de afgelopen jaren uitgewezen dat drie processen van wezenlijk belang zijn voor de manier waarop soorten en ecosystemen reageren op chemische stress, aldus de hoogleraar. Naast de intrinsieke gevoeligheid van soorten voor chemicaliën is ook van belang hoe verschillende soorten in het ecosysteem samen op de stof reageren, en hoe snel het ecosysteem herstelt, zegt Van den Brink.

Zo reageren watervlooien en algen verschillend op de toediening van een insecticide. “Het aantal watervlooien daalt als gevolg van de toediening van het insecticide, een voorbeeld van de gevolgen van de intrinsieke gevoeligheid. Als reactie hierop neemt het aantal algen toe, omdat de graasdruk door watervlooien afneemt, een voorbeeld van ecosysteeminteracties. Omdat het insecticide uit het water verdwijnt, door afbraak en hechting aan sediment en waterplanten, kunnen de watervlooien zichzelf herstellen. Hierna neemt het aantal algen af als gevolg van de toegenomen graasdruk.” Dit voorbeeld maakt volgens Van den Brink duidelijk dat begrip van ecosystemen een vereiste is voor een betere wetenschappelijke onderbouwing van de ecologische risicobeoordeling van chemische stoffen.

Promovendi van de leerstoelgroep Aquatische ecologie en waterkwaliteitsbeheer, waaraan Van den Brink is verbonden, ontwikkelen modellen die de invloed van bestrijdingsmiddelen op populatieniveau voorspellen. Het model Perpest kan zelfs de effecten van onbekende concentraties van bestrijdingsmiddelen op ecosystemen voorspellen. Zulke modellen zijn hard nodig, aldus de hoogleraar, omdat het financieel en praktisch onhaalbaar is om een groot aantal chemische stoffen te toetsen op een groot aantal ecosystemen.

Er moeten ook ecologische gegevens gebruikt worden om een ecologisch risico te bepalen, vindt Van den Brink. “Om de gevolgen van normoverschrijdingen realistisch in te schatten, voldoen methodieken die alleen gebruikmaken van de gevoeligheden van individuen in een laboratorium gewoon niet. In de EU-wetgeving is nu opgenomen dat er geen onaanvaardbare effecten mogen optreden, terwijl de verantwoordelijke instanties hebben nagelaten aanvaardbare effecten te omschrijven in termen van kwantificeerbare eindpunten.” Van den Brink wil dat academici, risicobeoordelaars, risicomanagers en mensen van de industrie gezamenlijk de beschermdoelen voor het milieu vastleggen.

Prof.dr.ir. Paul van den Brink (Oss, 1968) is rondde in 1992 zijn opleiding Milieuhygiëne in Wageningen af. Hierna deed hij zeven jaar onderzoek naar de ecologische risico’s van pesticiden. In 1999 promoveerde hij op dit onderwerp aan Wageningen Universiteit. Tegenwoordig is hij onderzoeker aan het onderzoeksinstituut Alterra, onderdeel van Wageningen UR, en aan de leerstoelgroep Aquatische ecologie en waterkwaliteitsbeheer van Wageningen Universiteit. Hij is tevens President van de Europese tak van de Society of Environmental Toxicology and Chemistry (www.setac.org). De buitengewone leerstoel van prof. Van den Brink wordt gefinancierd uit een consortium met onder andere Syngenta, Bayer en Wageningen UR.

Bronnen: http://www.resource.wur.nl/home.php?r=1&id=2742
http://www.allepersberichten.nl/persbericht/1919/1/Ecologie-onmisbaar-vo...
http://scientificjournals.com/sj/espr/Pdf/aId/10960
http://www.setacjournals.org/perlserv/?request=get-abstract&doi=10.1897%...
http://pubs.acs.org/doi/full/10.1021/es801991c?cookieSet=1
http://www.setacjournals.org/archive/1551-3793/2/3/pdf/i1551-3793-2-3-20...

De website van Wageningen UR meldde op 31 juli 2008: ‘Wageningen Universiteit heeft drie hoogleraren benoemd’. Een van hen is Paul van den Brink en hier is de informatie nog iets uitvoeriger:

‘Dr.ir. Paul van den Brink, onderzoeker bij Alterra van Wageningen UR, is per 1 mei benoemd tot buitengewoon hoogleraar Chemische stressecologie. In zijn onderzoek gaat Van den Brink zich richten op het vergaren van kennis over de ecologische risico’s van chemische stoffen voor het aquatisch milieu en de extrapolatie van deze risico’s in ruimte en tijd. Hierbij wordt het ecosysteem als uitgangspunt genomen en het wetenschapsgebied is daarom samengevat als chemische stressecologie.

Paul van den Brink (Oss, 1968) rondde in 1992 zijn opleiding Milieuhygiëne in Wageningen af. Hierna deed hij zeven jaar onderzoek naar de ecologische risico’s van pesticiden. In 1999 promoveerde hij op dit onderwerp aan Wageningen Universiteit. Tegenwoordig is hij onderzoeker aan het onderzoeksinstituut Alterra, onderdeel van Wageningen UR, en aan de leerstoelgroep Aquatische ecologie en waterkwaliteitsbeheer van Wageningen Universiteit. Hier doet hij onderzoek naar de ecologische gevolgen van chemische stress, bijvoorbeeld door pesticiden, op zoetwater ecosystemen.

Sinds 1994 heeft Van den Brink 75 artikelen gepubliceerd, met twee daarvan won hij een internationale prijs. De LRI-SETAC Innovative Science Award leverde hem 100.000 euro aan onderzoeksgeld op. Dr. Van den Brink is een internationaal erkend innovatief wetenschapper met een hoge productiviteit en aanzienlijke impact en is tevens president van de Europese tak van de Society of Environmental Toxicology and Chemistry (www.setac.org). De leerstoel wordt gefinancierd uit een consortium met onder andere Syngenta, Bayer en Wageningen UR.’

Interessant in het licht van het voorafgaande is een nieuwsartikel van Jop de Vrieze op 27 augustus 2009 in NRC Handelsblad, ‘Oorzaak sterfte bijen in zicht’:

‘Amerikaanse onderzoekers denken de sleutel gevonden te hebben in de zoektocht naar de oorzaak van Colony Collapse Disorder (CCD), ofwel de bijenverdwijnziekte, waarover veel onrust is ontstaan de laatste jaren.Volgens hen hebben virussen de bijencellen gekaapt, en hun eiwitfabricage ernstig aangetast.

Ruim tienduizend Nederlanders tekenden de afgelopen maanden online de petitie “Stop de bijensterfte”. Imkers en boeren luidden de noodklok, omdat bijenvolken de laatste jaren massaal lijken te sterven. Parasieten, UMTS-masten, stress, geen enkele factor bleek doorslaggevend. Utrechtse onderzoekers voerden een campagne tegen insecticiden, die volgens hen de grootste boosdoener zouden zijn. Maar harde bewijzen waren er niet, en de meningen bleven verdeeld.

De Amerikanen gebruikten het pas in kaart gebrachte genoom van de honingbij om de activiteit van genen in de darm te bestuderen. Ze ontdekten bij bijen die leden aan verdwijnziekte geen verhoogde activiteit van genen betrokken bij de strijd tegen parasieten en geen sporen van een reactie tegen insecticiden. Intrigerend genoeg, maar nog verrassender was dat ze vreemde stukjes RNA afkomstig uit de ribosomen, de eiwitfabriekjes van de cel aantroffen.

De oorzaak is volgens de onderzoekers een verzameling picorna-achtige virussen die de cel hebben gekaapt. Dat schrijven ze deze week in de online editie van PNAS.

Als de auteurs van de PNAS studie gelijk hebben, kunnen alle eerder genoemde factoren op een hoop geveegd worden. “Door hun defecte eiwitfabricage sterven de bijen aan secundaire oorzaken, net zoals een mens die door het HIV-virus is verzwakt,” zegt onderzoeksleidster May Berenbaum, entomologe aan de universiteit van Illinois. De hypothese van de Amerikanen legt een link met een bijenbelager die door de Wageningse bijenexpert Tjeerd Blacquiere als grootste boosdoener wordt aangewezen: de varroamijt. Deze parasiet komt ook in Nederland veel voor, en is te bestrijden met antibiotica. De varroamijt is niet alleen zelf schadelijk voor de bij, maar kan ook erg gemakkelijk allerlei virussen overbrengen.

De Amerikanen geven toe dat ze insecticiden als deeloorzaak niet uitsluiten. “We troffen geen verhoogde activiteit van genen aan die zich met het onschadelijk maken van insecticiden bezighouden. Maar mogelijk is bij de verzwakte bijen ook dat systeem defect.”’

Niet dat Trouw of de Volkskrant, om maar twee andere bronnen te noemen waar ik over beschik, geen aandacht aan de bijen besteedde. Trouw heeft zelfs een dossier over bijensterfte. Maar met niet meer dan acht artikelen. De Volkskrant deed nog minder met het onderwerp, dus daar moet je het niet van hebben. Interessant is wel dat in Trouw op 25 augustus 2009 bij een bericht over hetzelfde onderwerp als hierboven, namelijk ‘Bijensterfte niet door pesticiden’, een zinsnede als in NRC Handelsblad gedebiteerd, ‘Utrechtse onderzoekers voerden een campagne tegen insecticiden, die volgens hen de grootste boosdoener zouden zijn. Maar harde bewijzen waren er niet, en de meningen bleven verdeeld’, geheel ontbreekt. Als ik de chronologie nu verder volg, kom ik uit op 24 november 2009, de dag waarop de petitie ‘Stop de bijensterfte’ in Den Haag werd aangeboden. Daar is dit bericht over, ‘Petitie aangeboden en persconferentie Petitie’:

‘Op 24 november is in Den Haag de Petitie Stop de Bijensterfte met 40.856 handtekeningen aan de Kamercommissie van LNV aangeboden.

Bij deze aanbieding was veel pers aanwezig en de initiatiefnemers waren in staat om te discussiëren met diverse kamerleden. Verslag van deze aanbieding was o.a. te zien op RTL4 nieuws. Vervolgens ging de groep naar perscentrum Nieuwspoort. Daar werd een persconferentie gegeven die bestond uit drie delen. Jaap Molenaar las het volgende bericht voor:

“7 Mei 2009. Ik las het artikel van Jeroen van der Sluijs en Henk Tennekes met als titel: Nederlands toelatingsbeleid nieuwe generatie insecticiden verzuimt bijenvolken te beschermen in het NRC en verbaasde ik me erover dat er nauwelijks reacties kwamen. Ik kon niet begrijpen waarom zo’n belangrijk bericht niet werd opgepakt. Het was tijd voor een initiatief: Op 12 juni 2009. ging de petitie online.

Al snel waren er wel veel organisaties die het belang van deze petitie inzagen. De lijst van steunende organisaties groeide uiteindelijk aan tot 20 stuks.

Naast de vele mails van Nederlanders met vaak hartverwarmende teksten ontstond er spontaan een grote groep vrijwilligers om ons heen die zich aanmelden om ons te helpen.

Ik wil namens Jeroen, Peter en Henk en mijzelf al deze mensen heel hartelijk danken voor hun hulp en steun, zonder jullie waren wij nooit zo succesvol geweest als vandaag het geval is, want in precies 5 maanden bereikten we de beoogde 40.000 handtekeningen. Vanmiddag is de petitie aangeboden aan de vaste Kamercommissie van LNV.

De petitie Stop de Bijensterfte is gericht aan alle politici, landelijk en locaal. Ik hoop vurig en welgemeend dat zij hun taak serieus nemen en daadwerkelijk meehelpen aan de bescherming van de honingbij en zijn verwanten door maatregelen af te dwingen. De minister heeft 1 miljoen euro voor driejarig onderzoek vrijgemaakt MAAR we kunnen niet zo lang wachten. Er staat een nieuwe winter voor de deur met misschien weer 50% of meer sterfte in sommige delen van Nederland.

Bovendien kwamen Internationale experts tijdens het wereldbijen congres Apimondia tot de conclusie dat bijensterfte Multi-factorieel is en bestrijdingsmiddelen een belangrijke oorzaak zijn. Dat is door diverse gerenommeerde onderzoekers vastgesteld. We hoeven in Nederland het wiel niet opnieuw uit te vinden maar moeten handelen. In onze petitie worden daarvoor diverse aanbevelingen gedaan. De politiek is nu aan zet.

Echter men moet zich realiseren dat dit beslist niet het eind van de actie is. Integendeel, nu vele Nederlanders en organisaties zich bewust zijn van het probleem – en de bijen meer dan ooit in de belangstelling staan – is het belangrijk dat hier een duurzaam vervolg aan wordt gegeven.

M.i. is het tijd voor een onafhankelijke organisatie in Nederland die opkomt voor de belangen van de honingbij en zijn wilde soortgenoten. Om zowel druk te houden richting het landbouw EN milieubeleid, mee te helpen aan het stimuleren van duurzame bijenteelt en alle andere initiatieven die bijdragen aan een beter leefmilieu voor bijen en de mens. Nogmaals honingbijen en hun wilde verwanten zijn belangrijk voor de mens, voor zijn voedselproductie, de biodiversiteit maar ook omdat ze het verdienen.

Ik wil tot slot Willem Schelberg citeren, de imker die als eerste op petities.nl zijn handtekening plaatste. In zijn motivering stond een zin die mij enorm aansprak. Hij schreef: Mijn bijen kunnen niet gaan staken om daarmee betere leefomstandigheden af te dwingen, zij kunnen ook niet hun stem laten horen. Ik, als imker, kan hen wel vertegenwoordigen en mijn stem laten horen. Dit is het minste dat ik voor de bijen kan doen!”

Vervolgens hield Dr. Jeroen van der Sluijs een korte presentatie waarin hij nogmaals inging op de giftigheid van de insecticiden voor bijen en andere insecticiden. Belangrijk feit is dat deze nieuwe bestrijdingsmiddelen voor insecten 7000x giftiger zijn dan DDT! Zijn presentatie is te downloaden door HIER te klikken.

Daarna hield Dr. Henk Tennekes een presentatie met de titel: Silent Spring Revisited? Onder deze veelzeggende titel gaf hij aan dat het probleem van de giftigheid van deze insectiden nog erger zijn iedereen vermoed. Hij noemde de bijensterfte “slechts” het topje van de ijsberg. In zijn presentatie liet hij o.a. zien dat naast insecten ook diverse van insecten afhankelijke vogels in aantal afnemen als gevolg van het gebruik van deze middelen. Zijn presentatie is te downloaden door HIER te klikken.

Tenslotte is Dr. Jeroen van de Sluijs ook nog geïnterviewd in het programma De Praktijk van de AVRO op radio 1. Het programma is HIER te beluisteren.’

Wat Silent Spring Revisited mag inhouden, heb ik op donderdag 1 april uitgebreid uit de doeken gedaan in ‘Quiz’, waar het verhaal van Rachel Carson en haar losse, maar indringende verbinding met de antroposofie aan bod kwam. Op 5 april kon ik in ‘Reddingsactie’ melden dat er intussen inderdaad een bijenstichting was opgericht:

‘Wie het werk van de Bijenstichting wil ondersteunen kan zich aanmelden als donateur. Meer informatie over de bijensterfte, de Bijenstichting en haar activiteiten is te vinden op de website www.bijenstichting.nl.’

Tegelijk gaf ik een overzichtje van mijn ‘bijenberichten’:

‘De problematiek van de bijen werd ook op deze weblog regelmatig onder de aandacht gebracht. Op 31 oktober 2008 in Honing”, op 17 november 2008 in Bijen” en op 24 september 2009 in Schakel”. In dat laatste bericht werd melding gemaakt van de website www.bdimkers.nl.’

Op de website van genoemde bijenstichting werd op 5 maart van dit jaar de volgende tekst van Jeroen van der Sluijs, met de titel ‘Duurzame maisteelt raakt steeds verder uit zicht’, geplaatst:

‘De nieuwe Nederlandse regelgeving om bijensterfte tegen te gaan, gaat niet ver genoeg, vindt hoogleraar Jeroen van der Sluijs. Er kan beter geïnvesteerd worden in een bijvriendelijke maisteelt, in plaats van een symbolische investering door het ombouwen van maiszaaimachines.

Het College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (CTGB) eist dat duizend maiszaaimachines worden omgebouwd. Dat moet voorkomen dat giftige stofdeeltjes verwaaien en naastgelegen bloeiende planten besmetten. In het buitenland zijn grote incidenten aangetoond waarbij tienduizenden bijenvolken omkwamen door verwaaide gifstof tijdens het pneumatisch zaaien van gecoate maiszaden. In Italië en Slovenië leidde dit tot een moratorium op zaadbehandeling met neonicotinoïden. In Nederland, waar kortetermijn-landbouwbelangen zwaar wegen, zetten we aan het eind van de pijp een deflector.

Dit herinnert aan de vroegere oplossing voor luchtvervuiling: we maakten de schoorstenen hoger. Niet alleen de vele wetenschappelijke studies over de hoofdrol van neonicotinoïden bij de dramatische terugloop van bestuivende insecten, ook de wet van behoud van ellende blijkt bij het CTGB niet doorgedrongen.

Wereldwijd is er al enkele decennia een sterke terugloop waargenomen in bestuivende insecten. Bestuivende insecten zijn cruciaal voor 35 procent van de wereldproductie van landbouwgewassen. Circa 80 procent van alle planten op aarde is kritisch afhankelijk van bestuivende insecten voor voortplanting en evolutie. De honingbij is de best bestudeerde bestuiver.

Het meest gebruikte neonicotinoïde is imidacloprid, de werkzame stof van gewasbeschermingsmiddelen zoals Gaucho, Admire, Imex en Provado. Zaden worden daarmee gecoat. Bij ontkiemen neemt de plant het middel op in de sapstroom en wordt van binnen uit giftig voor insecten. De plant ondervindt dan geen schade meer van maiswortelkever, bladluis en witte vlieg.

Het gif komt echter ook in nectar en stuifmeel. Stuifmeel, ook van mais, wordt door bijen verzameld om larven mee te voeden. Imidacloprid is een uiterst krachtig zenuwgif. Er wordt wel minder per hectare van gebruikt dan oude middelen zoals DDT, maar de giftigheid voor insecten per hectare is toegenomen. Voor honingbijen is imidacloprid 7.297 keer zo giftig als DDT.

Recent onderzoek toont aan dat neonicotinoïden bijenvolken aanmerkelijk vatbaarder maken voor virusinfecties en darmschimmel. Voor mensen zijn lage concentraties onschadelijk, al speculeren onderzoekers over een verband met Parkinson en Alzheimer bij langdurige blootstelling.

Neonicotinoïden hebben een systeemverandering veroorzaakt in de wijze waarop mais verbouwd wordt. Vroeger werd de maiswortelkever kort gehouden door rotatieteelt. Met neonicotinoïden is permanente verbouw van mais mogelijk geworden. Mais wordt vaak gepromoot als schone grondstof voor biomassa-energie en composteerbaar bioplastic. Hierdoor zal de vraag naar grootschalige maisverbouw sterk blijven groeien.

In plaats van een symbolische investering in deze niet duurzame productiewijze, kan beter geïnvesteerd worden in een bijvriendelijke maisteelt. Wellicht is rotatieteelt mogelijk waarbij wordt afgewisseld met een ander aantrekkelijk gewas voor biopolymeren en biobrandstof, al zijn meerjarige gewassen uit duurzaamheidsoogpunt een betere keus. Wellicht kan mais worden veredeld naar eiwitrijker stuifmeel dat gezonder is voor bijen. Wat nodig is, is duurzame systeeminnovatie en een Nederlands moratorium op neonicotinoïden.

Jeroen van der Sluijs is universitair docent nieuwe risico’s bij het Copernicus Instituut voor Duurzame Ontwikkeling en Innovatie van de Universiteit Utrecht’

Dit leidde tot ‘Kamervragen aan de ministers van LNV en van VROM over bijenvolksterfte door onduurzame maisteelt’:

‘Vragen van het lid Thieme (Partij voor de Dieren) aan de ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over bijenvolksterfte door onduurzame maisteelt

1. Kent u het bericht ‘Duurzame maisteelt raakt steeds verder uit zicht[1]’?

2. Deelt u de mening van Dr. Van der Sluijs dat het inzetten van deflectoren op maiszaaimachines een end-of-pipe maatregel is en dat deze maatregel het probleem niet oplost? Zo neen, waarom niet?

3. Deelt u de analyse van Dr. Van der Sluijs dat een deflector de hoeveelheid gif die in het milieu komt niet verandert en dat gelet op de lange verblijftijd (tot 2 jaar) van imidacloprid in het milieu het gif uiteindelijk toch in bijenvolken terecht komt en dat dat gecombineerd met het feit dat imidacloprid een CT-gif is waarvoor de Regel van Haber geldt [2] vastgesteld moet worden dat het enige te verwachten effect van een deflector is dat de bijenvolken dan later aan chronische vergiftiging sterven in plaats van vlak na het zaaien aan acute vergiftiging (“de wet van behoud van ellende” zoals dit ook wel aangeduid wordt)?

4. Deelt u de analyse dat neonicotinoïden een systeemverandering hebben veroorzaakt in de wijze waarop mais verbouwd wordt, en dat hierdoor weliswaar minder kilo gif per hectare wordt gebruikt maar dat de feitelijke giftigheid per hectare voor honingbijen juist is toegenomen[3]? Zo neen, waarom niet?

5. Deelt u de mening dat in plaats van te investeren in end-of-pipe maatregelen waardoor de effecten slechts in tijd en ruimte worden verplaatst, men beter kan investeren in een bijvriendelijke maisteelt en ontwikkeling van alternatieven voor neonicotinoiden? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u hier uitvoering aan geven? Zo neen, waarom niet?

6. Deelt u de mening dat de suggesties van Dr. Van der Sluijs voor bijvriendelijke maïsteeltmethoden, zoals rotatieteelt waarbij wordt afgewisseld met andere gewassen of zelfs met meerjarige gewassen, waardevolle suggesties zijn om te komen tot een duurzame landbouw? Zo ja, bent u bereid deze mogelijkheden te onderzoeken? Zo neen, waarom niet?

7. Is uw ministerie, wellicht samen met universiteiten, bezig om duurzame systeeminnovatie voor de landbouw, waaronder de maisteelt te onderzoeken? Zo ja, welke onderzoeken lopen er en wanneer verwacht u de resultaten hiervan? Zo neen, waarom niet en bent u bereid dit op de agenda te zetten?

8. Welke voortgang is er geboekt in de onderzoeken die uw ministerie heeft uitgezet naar de oorzaken van bijenvolksterfte?

9. Kunt u de Kamer gegevens aanleveren over hoeveel imidacloprid-residue er terug te vinden is in stuifmeel en nectar dat door bijenvolken wordt verzameld in gebieden in Nederland waar het middel wordt toegepast? Zo neen, waarom heeft u dit nooit laten meten en bent u bereid dit op korte termijn wel te doen?

10. Kunt u de Kamer gegevens aanleveren over de hoeveelheid imidacloprid die in Nederland jaarlijks is gebruikt en het aantal hectare waarop het is toegepast in de jaren 2005, 2006, 2007, 2008 en 2009? Zo neen, waarom niet?

11. Deelt u de mening dat naast de varroamijt en het afnemende stuifmeelaanbod door monoculturen ook het gebruik van middelen op basis van neonicotinoiden een van de belangrijkste oorzaken is voor de voortgaande bijenvolksterfte?

12. Heeft u recente gegevens beschikbaar over de voortgaande bijenvolksterfte? Zo ja, hoeveel % van de bijenvolken is recent verdwenen? Zo neen, waarom niet en wanneer verwacht u nieuwe gegevens aan de Kamer te kunnen sturen?

13. Bent u bereid om in navolging van ondermeer Italië[4] een moratorium af te kondigen op het gebruik van neonicotinoiden? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo neen, waarom niet?

1 http://www.agd.nl/1096346/Opinie/Forum/Forum-artikel/Duurzame-maisteelt-raakt-steeds-verder-uit-zicht.htm
2 Zie voor uitleg van de Regel van Haber bij CT-giffen
3 Zie de figuur “Pesticides: Toxicity per bee”
4 zie het artikel Italiaans moratorium op neonicotinoiden voor zaadbehandeling opnieuw verlengd

Hierboven staat dezelfde datum van 5 maart als bij de vorige tekst, maar het zal wel zo zijn dat die beide op deze dag geplaatst zijn, en niet zelf van die datum stammen. Van welke dan wel precies, daar ben ik nog niet achter. Ook niet of er al antwoorden op zijn gekomen en welke dan. – Nu zijn hier wel Tjeerd Blacquière en Paul van den Brink langsgekomen, en veelvuldig Jeroen van der Sluijs en Henk Tennekes natuurlijk ook, maar de aandacht heb ik nog niet op de andere twee genoemden, Bart Bosveld en Fred Heimbach, kunnen richten. Het is zo ook al wel lang genoeg. (Voor de documentalisten onder ons heb ik hier nog de uitvoerige persoonlijke pagina van Jeroen van der Sluijs en één pagina over bijensterfte vanuit het ‘Department of Science Technology and Society, Universiteit Utrecht’, met goede verwijzingen.) Maar van belang is te doorzien wat er aan de hand is, wat er gebeurt en aan het gebeuren is. Misschien kan dan eindelijk het tij gekeerd worden en ons als eenvoudige burgers niet langer meer een rad voor ogen gedraaid.


Nabericht:

Het was al zo veel materiaal, dat ik het volgende even vergat. Terwijl het hier natuurlijk wel om gaat. Gisteren plaatste Herman Boswijk deze tekst op zijn ‘Haagboekblog’, getiteld ‘Bijen’:

‘Bijen vormen een actueel onderwerp. En dan met name de sterfte onder bijenvolken die de laatste jaren dramatische vormen aanneemt. Michel Gastkemper schreef er de afgelopen dagen op zijn weblog al over, zie Docudrama en Oneindig.

Afgelopen week verscheen eindelijk de langverwachte heruitgave van de acht voordrachten die Rudolf Steiner najaar 1923 hield over de bijen voor de bouwvakkers die toen werkten aan het Goetheanum.

Nadat een mijnheer Müller een voordracht heeft gehouden over de bijenteelt maakt Rudolf Steiner in een reactie hierop de volgende inleidende opmerkingen:

“De zaak is deze – en de volgende keer zal ik daar mee verder gaan – dat men de honingwinning, al het werk, zelfs de werkprestatie van de werkbijen ontzaglijk kan opvoeren door de kunstmatige bijenteelt. Maar – en dat heeft meneer Müller ook al gemerkt – de zaak mag niet te rationeel en niet te zeer bedrijfsmatig worden aangepakt. Wij zullen de volgende keer wat dieper op de bijenteelt ingaan, en ontdekken dat datgene wat voor een korte tijd een buitengewoon gunstige maatregel is – dat wat er nú aan ten grondslag ligt – goed kan lijken, maar dat over een eeuw de hele bijenteelt verdwenen zal zijn als men uitsluitend kunstmatig geteelde bijen zou houden. Wij zullen eens nagaan waardoor dat, wat voor een korte periode buitengewoon gunstig werkt, zich zó kan ontwikkelen dat het in de loop der tijd ertoe leidt, dat de hele zaak toch afsterft. En wij zullen ook zien dat juist de bijenteelt buitengewoon interessant is, om alle geheimen van de natuur te leren kennen, en vooral hoe dat wat enerzijds heel vruchtbaar blijkt te zijn, anderzijds zelfs leidt tot het afsterven.
Zo kunnen de imkers wel erg verheugd zijn over de vlucht die de bijenteelt in korte tijd genomen heeft; maar deze vreugde zal geen honderd jaar duren.”

Opmerkelijk!

De herziening van de vertaling en het nawoord zijn van Theo Georgiades (één van de intiatiefnemers van www.bdimkers.nl). In het nawoord is tevens een deel van een interview met Joseph Beuys over bijen opgenomen.

Rudolf Steiner: De bijen. Over het wezen van de bijen
Zeist: Christofoor, 2010. 197 p. ISBN 978-90-6038-651-4. € 19,90

Geen opmerkingen:

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Volgen op Facebook


Translate

Volgers

Herkomst actuele bezoeker(s)

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code

Gezamenlijke antroposofische agenda (in samenwerking met AntroVista)