Bedoeld is: antroposofie in de media. Maar ook: in de persbak van de wijngaard, met voeten getreden. Want antroposofie verwacht uitgewrongen te worden om tot haar werkelijke vrucht door te dringen. Deze weblog proeft de in de media verschijnende antroposofie op haar, veelal heerlijke, smaak, maar laat problemen en controverses niet onbesproken.

vrijdag 15 mei 2009

Roman

Het ‘hoeft niets te betekenen te hebben’, schreef ik gisteren nog, naar aanleiding van het overlijden van Mellie Uyldert ‘in een antroposofisch verpleeghuis in Bilthoven’. Maar zoals John Wervenbos heel attent in zijn commentaar aangaf, had dat wel degelijk iets te betekenen in het programma ‘Pauw & Witteman’ gisteravond op televisie. Daar trad Tommy Wieringa op, in een item van een kwartier, vanwege zijn vandaag te verschijnen nieuwste roman ‘Ceasarion’. Van zijn vorige, ‘Joe Speedboot’ uit 2005, zijn inmiddels driehonderdduizend exemplaren verkocht. Een echte bestseller dus.

Met een behoorlijke onheilspellende klank in zijn stem spreekt Wieringa die zinsnede op televisie uit: overleden ‘in een antroposofisch verpleeghuis in Bilthoven’. Maar voordat het zover is, gebeurt er eerst nog wat anders. Het is duidelijk voorbereid, want er wordt een filmpje van bijna een minuut getoond. Daarin verschijnt, zoals John Wervenbos meldde, Robert Gorter in een eerdere uitzending van Nova. We kennen dat bewuste fragment hier op deze weblog; Gorter is al meer dan eens ter sprake gekomen. Dat begint op 4:40 en op 5:25 staat onder in beeld vermeld: ‘Robert Gorter, antroposofisch arts’. ‘Toeval bestaat natuurlijk niet’, zegt Paul Witteman nog ten overvloede op 6:01, in de context van het proces tegen Jomanda deze week vanwege de dood van Sylvia Millecam. Op 6:55 komt dan Mellie Uyldert voorbij.

Waarom dit gebeurt, steekt Tommy Wieringa niet onder stoelen of banken. Niet in dit programma gisteravond, maar wel in diverse interviews en teksten van hem. Vandaag nog staat er een uitgebreide recensie van zijn nieuwe boek in De Standaard. Wanneer het gaat over de moeder van de hoofdpersoon die aan kanker lijdt, schrijft recensent Mark Cloostermans:

‘Een behandelbare kanker, maar ze weigerde verzorging en hechtte geloof aan de fabeltjes van alternatieve genezers. Die passage bevat een stokpaardje van Wieringa: “de verwerpelijke ideologie van Rudolf Steiner”. Wieringa volgde Steiner-onderwijs, hij weet waarover hij spreekt. “Ik vind dat antroposofisch onderwijs verboden moet worden. Het is een ten diepste racistische ideologie die teruggaat op esoterische theorieën over licht en duisternis. Dat gedachtegoed is tevoorschijn gekomen uit de Oostenrijks-Hongaarse wouden en moet daarnaar terug. In de antroposofische geneeskunde gebeurt het dat een dokter een patiënt met kanker weigert door te sturen naar een ziekenhuis, volhoudend dat het maar een ontsteking is. Krijg je een homeopathisch pilletje tegen iets wat kanker is. Ze spelen met de levens van mensen.”

“Ik geef meteen toe dat het Steiner-onderwijs ook voordelen heeft. Ik zing nog altijd moeiteloos stukken uit de Mattheüspassie. Ik heb er een liefde voor het toneel opgedaan. Op mijn twaalfde maakte ik bloeiende vulva’s uit zacht vurenhout. Dat zijn nuttige vaardigheden voor in het latere leven.” Grijns.’

Zo is er ook een rede die Wieringa uitsprak bij de lustrumviering van de Hogeschool van Utrecht op 30 augustus 2000, waarin hij zijn schoolcarrière onder de loep neemt:

‘Dan de middelbare school.

Dat was een noodlottige vergissing waarvan de gevolgen tot op heden nadreunen. Door een bevlieging van mijn moeder ging ik naar de Vrije School in Zutphen. Daar kregen wij les in tijdelijke onderkomens en trokken net als de Molukkers van noodgebouw naar noodgebouw. Op al die plaatsen woekeren nu weer zuring, brandnetel en wilde grassoorten zoals zij doen wanneer de beschaving wegtrekt en ergens anders kwartier maakt.

Het antroposofische onderwijs is aan het begin van de 20ste eeuw ontwikkeld door de duistere Oostenrijkse denker Rudolf Steiner. Aan het eind van die eeuw werd zijn troebele filosofie nog altijd vrijwel ongewijzigd uitgedragen.

Steiners werken zijn pasgeleden door een onderzoekscommissie beoordeeld en op 16 passages sterk racistisch bevonden.

De leerlingen wisten dat al wat langer.

De aardrijkskundeleraar vertelde dat de continenten waren geschapen naar analogie van het menselijk gezicht: breed van boven en spits toelopend naar de kin, zie Kaap de Goede Hoop of Vuurland.

– En Australië dan?

wilden wij weten.

– Of Antarctica, zijn dat dan continentale misbaksels?

Ik bedoel, we waren niet blind ofzo. Maar nadere uitleg kregen we niet. Hij vervolgde met zijn inzichten in soort en ras:

– Kijk, hierboven, in die brede, bovenste ring, dat zijn wij: het blanke, Kaukasische ras. Daar horen ook de Amerikanen bij. Wij vertegenwoordigen het denkend deel der aarde, de cultuurmens, dat is aan de geschiedenis van de mensheid wel te zien. Dan is er een tweede ring, zeg van de Indiaanse, Maleise en Mongoolse rassen. Dat zijn de harde werkers, landbouwers om zo maar te zeggen. Daar is wilskracht de grootste deugd. Onder die ring vind je de negerrassen, waaronder ook de Aboriginals. Zij zijn onbekommerd, dansen veel en bekommeren zich niet om boeken of studie. Bij de negerrassen is het gevoel de voornaamste deugd.

München 1938. En ook Zutphen 1985.

Mijn haat jegens deze ariosofische racist verdiepte zich nog toen hij, nadat ik uiteindelijk van school af moest, mijn zelfgetekende wereldkaart van een meter bij een meter niet teruggaf.

Hij staat nog steeds voor de klas. Officieel is het lesmateriaal van de Vrije Scholen geschoond van racistische dogma's, maar hij zal zijn gekkenpraat nog altijd wel verkondigen. In een nieuw gebouw, dat wel. Ik ben pas wezen kijken op de opening. Het is groot en mooi. De antroposofische gerichtheid op het Teutoonse Rijk is onverminderd sterk, want ik telde zeven lokalen Duits.

Tot hier mijn oertijd, daarna is het een beetje lichter geworden.’

Tommy Wieringa is echt een schrijver. Dat merk je aan alles. Lees je deze rede in zijn totaliteit, dan lijkt zijn visie op het onderwijs juist zeer direct geïnspireerd door de antroposofie. Maar dat zal hij zelf zeker niet willen horen.

In een column van Arjan Peters in de Volkskrant op 12 oktober 2005, schrijft deze over de roman ‘Joe Speedboot’, naar aanleiding van een interview met hem in het Groningse blad Tzum:

‘In Tzum legt Wieringa uit, dat zijn fantasie ook hier door de werkelijkheid is geprikkeld: op zijn lagere “Vrije” school zat de jongen Rutger Boots, die na een ongeluk maanden in coma lag, daaruit kwam en alleen nog de beschikking had over zijn rechterarm. In de voorafgaande maanden “zeiden we elke ochtend een antroposofisch gebed voor hem”, zegt Wieringa, die het begin reciteert: “Ik zie rond in de wereld waarin de zon haar licht zendt, waarin de sterren fonkelen.” Maar dat is de traditionele ochtendspreuk van Rudolf Steiner, waarmee sinds tijden alle antroposofische scholen de dag beginnen! Ofwel weet Wieringa dit niet, ofwel verfraait hij de werkelijkheid, door in het vraaggesprek te doen of dit gebed speciaal voor de onfortuinlijke Boots was bestemd.’

Grappig om te zien hoe Peters hier Wieringa corrigeert.

In de bespreking annex interview in De Standaard van vandaag, wordt meer duidelijk over de achtergrond en motivatie van Tommy Wieringa, aan de hand van met welk boek hij nu eigenlijk debuteerde:

‘In den beginne was er het enige echte debuut: Dormantique’s manco, dat in 1995 verscheen bij de kleine uitgeverij In de Knipscheer. In 2002 stapte Wieringa over naar De Bezige Bij. Zijn eerste roman daar, Alles over Tristan, kan je beschouwen als een nieuw debuut. De boeken die verschenen bij In de Knipscheer worden niet vermeld in het lijstje met ander werk voorin Wieringa’s recentste boeken.

“Ik verberg ze niet, ze blijven verkrijgbaar”, zegt hij. “Ik vond een nieuwe start noodzakelijk, bij een nieuwe uitgeverij in een nieuw millennium. Tussen mijn tweede en mijn derde roman zit vijf jaar. In die periode heb ik moeten uitvissen wat ik nou precies wilde met dat schrijven. Mijn persoonlijkheid was niet groot genoeg om een oeuvre te kunnen dragen. Die vijf jaar had ik nodig om bij mezelf vandaan te komen.” Breuklijnen trekken, actief ingrijpen in je leven: het zal nog terugkeren in ons gesprek. (...)

Eigenlijk was er nog een vierde debuut, het allerprilste: dagboeken. “Mijn ouders gingen scheiden”, vertelt de auteur. “Mijn moeder kreeg drie kinderen, alle huisraad en de auto. Mijn vader bleef achter met het huis: een kathedraal van een boerderij in Oost-Twente. Ik vond dat een oneerlijke verdeling, dus ben ik naar mijn vader teruggegaan.”

“Elk weekend trok hij naar zijn nieuwe vriendin. Ik bleef alleen in dat reusachtige huis, waarin ik spoken zag – ik niet alleen, de hond zag ze ook. Ik schreef in een dagboekje om mijn angsten te bedwingen. Manisch schrijven was dat, een klacht over het bestaan. Die klacht had ik op een bepaald moment zo vaak herhaald, dat ik mezelf tot kotsens toe heb vermoeid. Dat is het moment waarop ik begon te verzinnen.”’

Verderop in het interview komt hij weer op de hoofdpersoon van zijn nieuwe roman te spreken:

‘“Het is belangrijk je te realiseren dat Ludwig 31 is als het verhaal eindigt: bijna de messiaanse leeftijd. Dat is voor veel mensen een goed punt om een nieuw leven te beginnen. Of ik dat gedaan heb? Ja, ik was 30, 32, toen ik aan een grondig zelfonderzoek begon. Ik legde toen onder andere bewust de weemoed af. Ik heb de schurft aan weemoed. Nooit raak ik ervan bevrijd, maar de weemoed mag enkel op de achtergrond klinken, als een souffleur.”

Wieringa leeft, zegt hij, bij de gratie van goede voornemens. Het is de intentie die telt: je kan je leven zelf sturen. “Ik heb me in Nederland nooit thuis gevoeld, tot ik me voornam om me hier thuis te voelen. Deze taal en deze hemel zijn de mijne. Daar heb ik me bij neergelegd en sindsdien heb ik meer oog voor de schoonheid ervan.”’

In Motief nr. 37 van januari 2001 schreef Leonard Beuger, zelf leraar aan de vrijeschool in Zutphen, een recensie van het boek ‘Amok’ van Tommy Wieringa. Helaas staat deze recensie niet op internet. Hij bespreekt daarin het probleem van oud-vrijescholieren, en van (oud-)vrijeschoolleerkrachten trouwens. Ik hoop dat hij het me niet kwalijk neemt, maar ik laat die bespreking hier in zijn geheel volgen. Als je een leraar hebt die zó kan kijken en schrijven, hoef je niet vreemd op te kijken wanneer een van zijn leerlingen dat in zijn loopbaan als schrijver nog weet te overtreffen. En dan te bedenken dat dit acht jaar geleden werd geschreven. Er is intussen heel wat gebeurd. Waar moet dit eindigen?

Macho
Door Leonard Beuger
Tommy Wieringa, Amok. Uitgeverij In de Knipscheer. 186 blz. Prijs f 29,50

In het vijfde jaar van de kweekschool kwam ik voor drie maanden stage op mijn ‘eigen’ oude MULO terecht. Ik had me er wel op verheugd, want een eigenaardiger stelletje leraren dan ons dáár beschoren was geweest, zou je niet gauw tegenkomen, dacht ik. Een paar van die geboren schoolmeesters waren erbij natuurlijk, van die begenadigde opvoeders waar je voor heel je leven veel aan te danken had, maar de meesten waren toch ronduit krankzinnig geweest: ‘Peer’, een sociaal gehandicapte gemenerik met altijd dat spuugdraadje tussen zijn tanden, ‘Opa’, een excentrieke dictator die veel Duitser sprak dan de meeste Duitsers, en Ter Waal, geaffecteerd en geparfumeerd, en met altijd twee slaafjes achter zich aan die zijn boekentas en een stofdoek droegen. En in de winter een straalkacheltje.

Ik was nog maar twintig toen ik ze terugzag, maar het was meteen duidelijk wat een beroerde waarnemer ik was geweest als vijftienjarige. ‘Peer’ bleek een erudiete man wiens ironie mij eenvoudigweg altijd was ontgaan, Ter Waal een tragische weduwnaar met moeite om in het leven overeind te blijven. Veel pijnlijker was nog om te merken dat de joviale Remington die ik altijd erg had bewonderd, bij nader inzien een platte burgerman was die er de kantjes afliep.

Ik heb dus alsnog véél op die school geleerd. En mensen die me vertellen over ontmoetingen en avonturen uit hun middelbare schooltijd beluister ik sindsdien met enige professionele argwaan. Hun waarnemingen moeten in elk geval uit het puberale worden geconverteerd.

Als het om schrijvers en hun boeken gaat, komt daar nog eens bij dat ik eerlijk gezegd ook niet zo houd van personages die hun belangrijkste avonturen hebben meegemaakt in de aandoenlijke, maar vaak nogal kleverige emotionaliteit van hun jongensjaren of in de vanzelfsprekende arrogantie van de adolescentie. Mijn fout misschien, want inderdaad word je daar meer gevormd dan in andere levenstijdperken en zijn je ontmoetingen uit die jaren bepalender dan latere. En in elk geval heftiger.

Als die schrijvers dan ook nog oud-Vrije Scholieren zijn, of zelfs je eigen oud-leerlingen, wordt het helemaal moeilijk. Over wiens werkelijkheid gaat het dan? En wie heeft trouwens ooit de werkelijkheid gezien?

Désanne van Brederode schijnt een oud-Vrije Scholier te zijn,. En Xandra Schutte, de nieuwe hoofdredacteur van Vrij Nederland, maar die schrijft gelukkig alleen essays. Dan was Rashid Novaire in het nieuws vorig jaar, met zijn eerste verhalenbundel Caïro, Jerry Goossens met de romans De lokroep van de mossel en De siamese eenling, en natuurlijk uit mijn eigen Rotterdamse klas Rudolf Elmendorp (Bleeker & Elmendorp: Zwart Glas en binnenkort: De reiziger). Maar bovenal Tommy Wieringa. Hij bezocht de Zutphense Vrije School, en heeft daar ook grondig verslag van gedaan in zijn eerste roman: Dormantique’s manco (1975). U kent hem verder misschien van zijn columns in de Spits, of – héél misschien – van zijn bijdragen aan Schrijver & Caravan of Vrijstaat Austerlitz.

Dormantique’s manco was een heftige roman, die terecht enige bekendheid heeft gekregen. Hij is al geruime tijd ook beschikbaar als Rainbow Pocket. In dat boek vertelt Tommy Wieringa over de tijd dat zijn personage Bas in Zutphen op school zat. Met veel melancholie verhaalt hij van diens romantische jeugdliefde voor Nina, en met veel venijnige humor over de waanzin van hun opvoeders. De leraren, die kennelijk op grote afstand van hem waren, mogen het hier en daar ontgelden, maar vooral Nina’s ouders en hun New-Age-neigingen leveren even treurige als hilarische portretten op. Een teleurstellend verblijf in de Zwitserse bergen bij hun goeroe Bodhidarma is de meest geslaagde satirische passage in het boek. In de eerste plaats echter gaat Dormantique’s manco over Bas’ vrienden, de cynische broers Friedrich en Louis. Bas bewondert die twee bovenmate, omdat ze lef hebben en geen schaamte kennen. Hijzelf groeit op basis van die bewondering, en ziet met verbazing aan hoe zijn twee vrienden later, al in hun eerste volwassenheid, te gronde gaan. Zoals hun leraren al gevreesd hadden. Het boek eindigt met een lange, uiteindelijk nogal pointe-loze passage die in Marokko speelt, en waar Bas meer dan ooit de weg kwijtraakt.

Mij sprak het boek erg aan, omdat ik veel in de beschreven omgeving en personages herkende, maar vooral ook omdat ik veel juist niet herkende. Het heeft lang geduurd eer ik dat boek ter hand durfde nemen, omdat ik besefte dat dat laatste zou gebeuren. Het is leerzaam, maar beschamend om te zien hoe slecht je je, ik althans, werkelijk kunt verplaatsen in de belevingswereld van wie je omgeven, en voor wie je zelfs voor een deel verantwoordelijk bent. Conversieproblemen naar beide kanten.

Om me een objectiever oordeel te kunnen vormen over Tommy Wieringa’s werk, las ik ook zijn tweede roman, Amok. Ook daar is nog wel een kleine Zutphense connectie in, maar hier is in elk geval het centrale personage niet meer een adolescent met de bijpassende wijze van waarneming, al blijft ook in dit boek die afkeer van de volwassenheid een thema. Het boek begint met een begrafenis. Een echte macho-begrafenis, met mannen in slechtzittende pakken, die zachtjes ‘godverdomme’ zeggen, en persoonlijk het graf dichtspitten, met in hun midden één vrouw, een ‘toverachtige mulattin’. Het is aanvankelijk niet duidelijk waarom dit hoofdstukje ‘proloog’ heet, want het is net zo kort als alle andere eenendertig hoofdstukjes, die handelen over iemand uit de stoerdere sector van de begrafenisbranche, zodat er nog wel meer funeraire activiteiten plaatsvinden. Totdat je na het laatste hoofdstuk misschien terugbladert om alsnog te merken dat in die ‘proloog’ de doodgraver zelf wordt begraven.

Een vrolijk boek is het niet, zoveel is duidelijk. Léon Fischer is bijna dertig. Als ‘rouwtransporteur’ voor de firma Daedalus haalt hij overal ter wereld de stoffelijke resten op van omgekomen landgenoten. Hij wordt vooral ingezet als er problemen dreigen. Hij komt in Egypte, in Ethiopië, in de Balkan. Hij heeft een beeldschone Antilliaanse vriendin met een kunstenaarsachtergrond. En toch is hij vooral bang om te verzanden in de burgerlijkheid, en vertoont een soort bijgelovige vrees dat zulks zal gebeuren zodra hij de dertig passeert. Dat zal hem dan in elk geval niet overkomen – maar vooralsnog probeert hij dat onheil af te wenden met de laffe middelen drank en overspel.

In het boek vinden twee voor het personage belangrijke gebeurtenissen plaats, hoewel die ook samen nog wat weinig verhaal brengen tussen de sombere overwegingen en moeizame ontsnappingspogingen-aan-het-lot van de hoofdpersoon. De eerste gebeurtenis is de stapsgewijze vervreemding tussen Léon Fischer en zijn lieftallige vriendin Zahira. Een abortus heeft daarmee te maken, die hen allebei meer beïnvloedt dan ze hadden kunnen bevroeden. Heel realistisch, al lijkt het in tegenspraak met het machisme van personage en auteur.

De andere gebeurtenis is de dood van een bewonderde oudere vriend: ‘Die was van nature iemand van zichzelf met een eigen richting die op geen enkele andere leek. Adriaan was per ongeluk en zijns ondanks volkomen uniek.’ Wieringa heeft iets met bewondering. Ik mag dat wel. Die twee gebeurtenissen, het einde van een liefde en het definitieve einde van een vriendschap, markeren het einde van een levenstijdperk voor Léon Fischer. In feite het einde van zijn hele leven. Het boek besluit met de sombere dronkemansoverwegingen bij het lijk van een onbekende. Een goed slot is niet Wieringa’s sterke kant. Net als zijn eerste roman eindigt ook dit boek onbeslist.

Tommy Wieringa is geestig, zij het wat bitter, mooi beknopt en direct. In die preoccupatie met leeftijd en de wat kinderachtige wrok tegen autoriteiten die zijn personage bezit, keert nog iets terug van het adolescente, maar inmiddels vruchteloze afzetten tegen de volwassenheid uit zijn eerste boek. Een verloren worsteling. Léon Fischer zegt op zeker moment zelf: ‘Drank en vrouwen, dat was toch geen werkelijk avontuur... Postpuberale oprispingen, nada mas. Weg ermee. Vanaf vandaag moest alles anders. Tijd voor een daad.’

Léon Fischer is een macho. Tommy Wieringa poseert er ook wel graag als één. Maar een filosofische macho dan toch. Gelukkig dat je als schrijver niet echt dood hoeft te gaan als je je schaamt voor je eigen ontwikkeling. Daar heb je je personages voor.

6 opmerkingen:

anja zei

Beste Michel; pas vandaag je blog gevonden en er al veel op gelezen. Ik googelde Mellie want ik had Wieringa (en Gorter weer eens)gezien en gedacht: 's kijken wie wat waar en hoe gaan zoemen. En ik stuit op jou. Ongelooflijk, deze brilliante productie en dat in zo'n tempo, actueel en toch met zoveel 'extra's'. Ik ga een vaste bezoeker worden! Dank je wel. Aj

John Wervenbos zei

Interessante recensie van Leonard Beuger ook. Het rumoert nogal eens rond ex vrijeschool leerlingen, zo blijkt ook regelmatig op 'Antroposofie in de pers', het is goed om ook daar aandacht aan te besteden.

De kwestie Jomanda / Millecam is de afgelopen week nader opgepikt door Hugo Verbrugh in zijn Volkskrantweblog Middernachtszon.

Anoniem zei

Beste John, zo kom je nog eens ergens. Ik loop echt achter. Maar wat valt me op:Verbrugh is openbaar geen antroposofisch arts meer?
Aj

John Wervenbos zei

Beste Anja, Hugo Verbrugh was lange tijd universitair docent aan de Erasmus Universiteit. Hij zet zich nog altijd in voor antroposofische kwesties en de complementaire geneeskunde. Zie bijvoorbeeld ook dit nieuwsbericht op de website van de Antroposofische Vereniging in Nederland (AViN): Neurologische schade door radio en televisie bij kleuters en jonge kinderen.

anja zei

Hey John, bedankt, maar dat weet ik allemaal wel over Verbrugh; ik ken zijn boeken, zijn drive en zijn 'strijd'. Ik kom dan wel hier, binnen dit voor mij volstrekt nieuwe bloggebeuren, als een kuiken binnen, maar ik ben niet bepaald piep. Ik heb hem jaren geleden ook wel als spreker gecontracteerd. Het verbaasde me gewoon. En ik loop wat achter. Op zich kan ik er ook nog inkomen, dat iemand de antroposofische vlag van zichzelf afhaalt, als hij daardoor beter wordt gelezen/gehoord. Bij Verbrugh was deze verbondenheid in those days echter nadrukkelijk in de pers aanwezig, vandaar. Zit ik er nu mee, dat dit een antwoord aan jou is en voor niemand verder interessant. Ik wilde jou wel antwoorden, maar ik 'blog' eigenlijk nooit. Maar bedankt dus.

John Wervenbos zei

Dag Anja, dank je voor je verklaring, welke voor andere mensen ook interessant kan zijn denk ik. Ik ken alle in- en outs ook niet, ook niet wat betreft Hugo Verbrugh. Ook hier geldt dat je van elkaar kunt leren. Dus ook van jou. In zijn weblogartikel van vandaag Is Renckens een kwakzalver? Of mag ik alleen vragen: 'Mag ik Renckens een kwakzalver noemen?'? heb ik Hugo Verbrugh trouwens net verwezen naar dit blogartikel van Michel. Dus misschien kan / zal hij hier zelf een reactie geven op jouw vraag en opmerking. In het vervolg kun je me, indien gewenst, ook per e-mail berichten. Voor het e-mailadres zie mijn profiel onderaan het gisteren door me opgestarte weblog Verdichting en waarheid.

Labels

Over mij

Mijn foto
(Hilversum, 1960) – – Vanaf 2016 hoofdredacteur van ‘Motief, antroposofie in Nederland’, uitgave van de Antroposofische Vereniging in Nederland (redacteur 1999-2005 en 2014-2015) – – Vanaf 2016 redacteur van Antroposofie Magazine – – Vanaf 2007 redacteur van de Stichting Rudolf Steiner Vertalingen, die de Werken en voordrachten van Rudolf Steiner in het Nederlands uitgeeft – – 2012-2014 bestuurslid van de Antroposofische Vereniging in Nederland – – 2009-2013 redacteur van ‘De Digitale Verbreding’, het door de Nederlandse Vereniging van Antroposofische Zorgaanbieders (NVAZ) uitgegeven online tijdschrift – – 2010-2012 lid hoofdredactie van ‘Stroom’, het kwartaaltijdschrift van Antroposana, de landelijke patiëntenvereniging voor antroposofische gezondheidszorg – – 1995-2006 redacteur van het ‘Tijdschrift voor Antroposofische Geneeskunst’ – – 1989-2001 redacteur van ‘de Sampo’, het tijdschrift voor heilpedagogie en sociaaltherapie, uitgegeven door het Heilpedagogisch Verbond

Mijn Facebookpagina

Volgen op Facebook


Translate

Volgers

Herkomst actuele bezoeker(s)

Totaal aantal pageviews vanaf juni 2009

Populairste berichten van de afgelopen maand

Blogarchief

Verwante en aan te raden blogs en websites

Zoeken in deze weblog

Laatste reacties

Get this Recent Comments Widget
End of code

Gezamenlijke antroposofische agenda (in samenwerking met AntroVista)